← Nederland

Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 Gemeente Rijswijk (Rijswijk)

Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 Gemeente RijswijkB & W besluiten: de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 gemeente Rijswijk vast te stellen; het Uitvoeringsprogramma Uitvoerings- en Handhavingstaken (U&H-taken) 2025 gemeente Rijswijkvast te stellen; de raadsinformatiebrief vast te stellen en deze aan de raad te doen toekomen; het VTH-uitvoeringsbeleid fysieke leefomgeving 2023-2027 in te trekken op de datum vaninwerkingtreding van de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 gemeente Rijswijk. 1.Inleiding 1.1Introductie Voor u ligt onze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (verder U&H-strategie) voor de komende jaren. Deze U&H-strategie bevat de weergave van hoe de gemeente Rijswijk haar uitvoerings- (Vergunningen) en handhavingstaken (Toezicht en Handhaving) uitvoert en hoe we de interpretatieruimte die de wetgeving biedt willen invullen. Voorheen werd dit ook wel het VTH-beleid genoemd. In voorliggende U&H-strategie hanteren we echter de nieuwe terminologie en begrippen uit de per 1 januari 2024 inwerking getreden Omgevingswet (verder Ow) en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (verder Wkb) en wijzigen we het VTH-beleid naar een U&H-strategie. In 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders reeds meerjarig uitvoeringsbeleid vastgesteld, het VTH-uitvoeringsbeleid fysieke leefomgeving 2023-

  1. Echter is in de praktijk gebleken dat het nieuwe beleid helaas niet voldoende handvatten biedt voor de dagelijkse uitvoering van de werkzaamheden. Met name nu de Ow en de Wkb in werking zijn getreden. Zo ontbreekt een eenduidige vergunningenstrategie en zijn er geen (meetbare) doelen gekoppeld aan de uitvoering van de taken. Onderdelen die conform de Ow voldoende in het beleid geborgd moeten zijn en waarop de provincie toeziet in het kader van het interbestuurlijk toezicht (IBT). Daarnaast is het, gelet op de beschikbare capaciteit wenselijk om de taken (meer) ‘risico-gestuurd’ uit te voeren. Risico-gestuurd werken is door de wetgever toegestaan. Door risico-gestuurd te werken zet Rijswijk de beschikbare capaciteit in daar waar de (bouw- en omgevings-)risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis (het meest) nodig is. Waar de risico’s het grootst zijn wordt intensiever en/of sneller gehandeld, daar waar de risico’s minder hoog of laag zijn, wordt minder intensief en/of minder snel gehandeld. Dit beleid is tot stand gekomen in nauwe afstemming met onze ambtelijke en bestuurlijke organisatie en onze samenwerkingspartners (zie verder paragraaf 1.6). Op basis van een terugblik op het oude beleidsplan (zie Bijlage A) hebben we voor het nieuwe beleid als uitgangspunt bepaald dat we vasthouden aan wat al goed is en/of goed gaat. Aangevuld met verbeteringen waar dit mogelijk en nodig is om te komen tot een kwalitatief hoogwaardige, efficiënte en effectieve inzet van mensen en middelen bij de uitvoering van onze Uitvoerings- en Handhavingstaken (verder U&H-taken). In dit eerste hoofdstuk wordt achtereenvolgend een aantal algemene kaders toegelicht. Het betreft de reikwijdte van deze strategie, de wettelijke en beleidsmatige kaders en de beleidscyclus. Daarna worden, aan de hand van een doelenboom, het hoofddoel en de subdoelen van onze U&H-strategie inzichtelijk gemaakt. Gevolgd door de gewenste resultaten, (meetbare) indicatoren en de actiepunten gedurende deze beleidsperiode. Afsluitend worden onze primaire samenwerkingspartners benoemd. 1.2Reikwijdte Deze U&H-strategie geldt voor de taken die voortvloeien uit de: Ow en Wkb; Algemeen plaatselijke verordening (APV) en bijzondere wetten zoals de Alcoholwet en de Wet op de kansspelen. Voor zover het de Ow betreft is het vaststellen van uitvoerings- en handhavingsbeleid wettelijk verplicht (artikel 18.19 van de Omgevingswet in samenhang met artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit). Voor de APV en de bijzondere wetten is het niet wettelijk verplicht om dergelijk beleid vast te stellen, maar is het niet ongebruikelijk om dit wel te doen. Rijswijk kiest er bewust voor om ook de APV en bijzondere wetten mee te nemen in de op basis van de Ow verplichte U&H-strategie. Op deze manier zijn alle U&H-taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving verenigd in één beleidsdocument. Het betreft taken waaraan een Vergunningen-, Toezicht- en/of Handhavingscomponent zit. Daarnaast draagt deze samenvoeging van de U&H-taken bij aan het realiseren van meer samenhang op bestuurlijke speerpunten zoals bijvoorbeeld de aanpak van ondermijning. Dit onderwerp is in essentie gerelateerd aan het taakveld openbare orde en veiligheid1Strategisch veiligheidsplan Rijswijk maar hebben, om goed te kunnen slagen, een nauwe relatie met vergunningverlening, toezicht en handhaving van de Ow, de APV én de bijzondere wetten. De U&H-strategie vormt ook de basis van/geeft richting aan het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma. Ook hiervoor geldt dat deze onder de Ow wettelijk verplicht is (artikel 13.8 van het Omgevingsbesluit) en voor de APV en bijzondere wetten niet. Een jaarlijks uitvoeringsprogramma waar de verschillende beleidsvelden samenkomen versterkt onder andere de samenhang (meer integraal werken) op bestuurlijke thema’s. 1.3Wettelijke- en beleidsmatig kaders Bij het behandelen van vergunningaanvragen (Ow en APV), het houden van toezicht en ons handhavend optreden vormen onder meer (niet uitputtend) de volgende wetten en (beleids)documenten belangrijke (beleids)kaders:2 Bij eventuele wijzigingen in de regelingen en beleidskaders zijn ook de gewijzigde regelingen en kaders van belang voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Landelijk/Rijk: Omgevingswet Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving; Besluit bouwwerken leefomgeving; Omgevingsregeling; Omgevingsbesluit; Algemene wet bestuursrecht (Awb); Asbestverwijderingsbesluit 2005; Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen; Erfgoedwet; Gemeentewet; Huisvestingswet 2014; Alcoholwet (Aw); Wet Bibob; Opiumwet; Vuurwerkbesluit; Wegenverkeerswet 1994; Wet betaalbare huur; Wet goed verhuurderschap; Wet op de kansspelen (Wok). Provinciaal: Omgevingsvisie Zuid-Holland; Omgevingsprogramma Zuid-Holland; Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; Provinciewet. Gemeentelijk: Algemeen plaatselijke verordening Rijswijk 2024; Afvalstoffenverordening gemeente Rijswijk; Vigerende gebiedsvisies; Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Rijswijk 2024; Beleidsregels wijzigen samenstelling woonruimtevoorraad 2023; (Landelijke) Handhavingsstrategie Rijswijk 2024;* Huisvestingsverordening 2023; Omgevingsplan; Erfgoedverordening Rijswijk 2024 en Monumentenverordening Rijswijk; Strategisch Veiligheidsbeleid; Toezicht en Handhaving: Toezichtsprotocol Bbl;* Vergunningen: Toetsprotocol Bbl;* Verordening fysieke leefomgeving; Parapluherziening parkeernormering Rijswijk; Uitvoeringsbeleid Wkb gemeente Rijswijk 2024;* Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht 2023; Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk; Verordening Speelautomatenhallen Rijswijk 2020; Zelfevaluatie Kwaliteitscriteria Rijswijk (geactualiseerd 2024).* * Deze beleidsdocumenten worden samen met deze U&H-strategie vastgesteld. 1.4Beleidscyclus (BIG 8) Om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de uitvoering van de U&H-taken procesmatig geborgd is, wordt in deze strategie gebruik gemaakt van de landelijke beleidscyclus, de zogenaamde ‘BIG 8’ (zie figuur 1). Door toepassing van deze beleidscyclus worden beleid en uitvoering met elkaar verbonden. Daarnaast zorgt het evaluatieonderdeel van deze cyclus ervoor dat het beleid steeds blijft aansluiten op de uitvoeringspraktijk. Figuur 1: Beleidscyclus BIG 8 De BIG-8 systematiek maakt onderscheid tussen een jaarlijkse- (onderste cirkel) en een meerjaarlijkse cyclus (bovenste cirkel). De meerjaarlijkse cyclus bevat de langetermijndoelen en is meer beleidsmatig en strategisch van aard. Het betreft onder andere het College werkprogramma 2022-2026 en voorliggende U&H-strategie. De jaarlijkse cyclus is een uitvoeringscyclus van planning, uitvoering en verslaglegging waarbinnen sneller geschakeld en aangepast kan worden. Onderdeel van deze uitvoeringscyclus is het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en jaarverslag. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt vooruit gekeken naar de activiteiten die het komende jaar worden uitgevoerd. In het jaarverslag wordt gerapporteerd over de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen uit het beleid. Naar aanleiding van het jaarverslag wordt het beleid bezien en zo nodig aangepast. Door de jaarlijkse terugblik in het jaarverslag en het jaarlijks vooruitkijken in het uitvoeringsprogramma blijft het beleid aansluiten op de praktijk en is het evaluatieonderdeel gedurende de looptijd van voorliggende beleidsnotities geborgd. Zowel het uitvoeringsprogramma als het jaarverslag moeten jaarlijks bij IBT worden ingediend, volgens de door het IBT vastgestelde cyclus en termijnen. 1.5Visie, missie, ambities en doelen Zoals in het collegewerkprogramma 2022-2026 verwoord is Rijswijk “Een plek waar je fijn kunt wonen, werken en verblijven en waar mensen zich graag inzetten voor hun stad. Een stad met een hechte gemeenschap waar iedereen op zijn eigen manier een bijdrage levert – waar je elkaar nog goeiedag zegt, vrijwilligerswerk doet of je eigen buurt netjes houdt. Waar de gemeente op haar beurt ruimte biedt aan bewonersinitiatieven en hen ondersteunt die hulp nodig hebben om mee te doen. De stad verbindt mensen en initiatieven om ze groter, succesvoller of toegankelijker te maken.” 3 Gezonde groei, Rijswijkse koers 2022-2026, p.
  2. Met de uitvoering van onze U&H-taken wordt bijgedragen aan een fijne en veilige leefomgeving door erop toe te zien dat bestaande regels en voorschriften worden nageleefd. De gemeente kan echter niet toezien op de naleving van alle wet- en regelgeving waarvoor zij verantwoordelijk is. Dit betekent dat er keuzes gemaakt worden. Relevante vragen hierbij zijn: Hoe willen we uitvoering geven aan onze U&H-taken? Welke aandachtspunten spelen in de gemeente? Welke activiteiten achten we het meest risicovol? Wat wordt gehandhaafd en hoe wordt er gehandhaafd? Wat heeft prioriteit en wat heeft minder of geen prioriteit? Voor het antwoord op deze vragen hebben we gekeken naar de ervaringen en evaluaties van voorgaande jaren (jaarverslagen) en hebben we een Omgevingsanalyse uitgevoerd (zie Bijlage C). Dit heeft geleid tot het formuleren van een visie, doelen die deze visie ondersteunen (1 t/m 4) en daaraan gekoppelde activiteiten (a, b en c). In de figuur hieronder is dit schematisch weergegeven. Figuur 2: Missie, doelen en activiteiten U&H-strategie 2025-2028 * kleine ergernissen zoals hondenpoep, afval, fietsen in voetgangersgebieden. Met het behalen van bovenstaande doelstellingen worden de volgende resultaten beoogd: de beschikbare capaciteit wordt ingezet daar waar onze kennis en kunde (het meest) nodig is (1b, 2b); eigen verantwoordelijkheid en naleefgedrag van inwoners en bedrijven wordt gestimuleerd (1 a, b en c, 2a, b en c); (preventieve) handhaving op basis van (bestuurlijke) thema’s (2b, 3a en 3b); een organisatie waar kennis en kunde aanwezig is en de mensen beschikken over voldoende werkervaring

(4b); een organisatie die voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen (4a en 4b); dat het werken volgens de BIG8-cyclus een vanzelfsprekendheid is en dat alle medewerkers een tastbare bijdrage leveren aan de kwaliteit van de uitvoering van de U&H-taken
(4a). Gedurende de beleidsperiode worden de doelen, activiteiten en de te behalen resultaten gemonitord. Hiervoor zijn per doel, actiepunten en/of indicatoren geformuleerd. In figuur 3 worden enige actiepunten en indicatoren (beknopt) weergegeven. Een volledige weergave van actiepunten en indicatoren is opgenomen in Bijlage B. Deze bijlage bevat alle actiepunten en indicatoren voor de nieuwe beleidsperiode. Het betreft actiepunten naast de uitvoering van de reguliere (wettelijke) U&H-taken. Conform de jaarlijkse U&H-cyclus, volgt de jaarlijkse planning in het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma’s (zie paragraaf 1.4). 1. 2 3 4 In 80%-100% van alle aanvragen hebben we de aanvragen getoetst conform het Toetsprotocol. In 80%-100% van alle vergunningen/meldingen hebben we toezicht gehouden conform het Toezichtprotocol. In 60%-80% leidt een conceptaanvraag tot een volledige en juiste aanvraag. We streven ernaar om tenminste 75% van de evenementenvergunningen minimaal 6 weken voorafgaand aan het evenement te verstrekken. Max.10% gegronde verzoeken om handhaving t.o.v. totaal aantal ingediende verzoeken. Max.10% gegronde bezwaren t.o.v. totaal aantal ingediende bezwaren. Max. 2% gegronde beroepen t.o.v. totaal aantal ingediende beroepen. 90% van de bezwaarschriften leiden niet tot herroeping van het besluit. (Minimaal) 2 bouwmeldingen en dossier bevoegd gezag worden (volledig) inhoudelijk beoordeeld. Jaarlijks vaststellen van handhavingsprioriteiten (bouw en openbare ruimte) Handhavingsverzoeken met een prioritering ‘Zeer hoog’ worden direct opgepakt. ≤ 8 weken wordt gereageerd op een verzoek om handhaving. Integrale aanpak op ondermijning, veilige huisvesting (pandbrigade) en illegale prostitutie We streven ernaar om jaarlijks minimaal 15 controles uit te voeren met de pandbrigade. Op alle uitgaande stukken (besluiten en meldingen) en handhavings-beschikkingen passen we het 4-ogen principe toe. Op de berekening van de leges en de opgevoerde legesgrondslag passen we het 4-ogenprincipe toe. De benodigde documenten worden volledig en tijdig gereed gemaakt in het kader van het IBT. Jaarlijks wordt gerapporteerd over de gemeentelijke zorgplicht (Kwaliteitscriteria). Figuur 3: activiteiten en/of indicatoren U&H-strategie 2023-2026 1.6Samenwerkingspartners Rijswijk werkt niet alleen aan het behalen van deze doelen. Een deel van de U&H-taken worden, onder mandaat, uitgevoerd door de Omgevingsdienst Haaglanden (verder de ODH). De ODH voert voor Rijswijk een uitgebreid pakket aan milieu U&H-taken uit. Rijswijk heeft namelijk naast de milieubasistaken, die krachtens de wet door de ODH worden verricht, ook de zogeheten milieuplustaken aan de ODH overgedragen. Daarnaast voert de ODH-adviestaken uit op het gebied van bodem, geluid, externe veiligheid in het kader van ruimtelijke plannen en Omgevingsvergunningen. De relatie met de ODH is gebaseerd op een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie. Door regelmatig overleg en afstemming, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau, bouwen wij voortdurend aan de relatie en de onderlinge verbanden met onze uitvoeringspartner, de ODH. Daarnaast kennen we nog een aantal andere samenwerkingspartners die van belang zijn bij de uitvoering van de gemeentelijke U&H-taken, te weten: de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH): De VRH beoordeelt de risico's van branden, rampen en crises en onderzoekt mogelijkheden om deze incidenten te voorkomen of te beperken, de zelfredzaamheid te versterken, en maatregelen te treffen voor een effectieve en veilige inzet van hulpdiensten. In dit kader adviseert de VRH de gemeente Rijswijk risicogericht met betrekking tot vergunningverlening op het gebied van omgevings- en brandveiligheid. Tevens biedt de VRH evenementenadviezen om de veiligheid tijdens evenementen te waarborgen en voert toezicht uit bij evenementen. Daarnaast adviseert de VRH ons bij handhaving. De VRH zet aanvragen uit naar de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) voor coördinatie van de geneeskundige hulpverlening en naar de GGD voor advisering op het gebied van publieke gezondheid, inclusief EHBO en gezondheidskwesties. de provincie Zuid-Holland: De provincie Zuid-Holland maakt in de uitvoering, bij haar provinciale taken, ook gebruik van de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving. De provincie is het bevoegde gezag voor de uitvoering van de U&H-taken bij een groot aantal bedrijven en activiteiten in Zuid-Holland. Het gaat hierbij met name om vergunningverlening en handhaving met het oog op zwaardere milieuactiviteiten en natuurbescherming (onder andere tegen stikstof). Onder de oude wetgeving (Wet ruimtelijke ordening) hadden provincies de mogelijkheid om inpassingsplannen vast te stellen. Dit zijn bestemmingsplannen maar dan op provinciaal niveau. Dit is veranderd onder de Ow. Rijk, provincies en waterschappen kunnen een projectbesluit vaststellen. Het projectbesluit biedt een uniforme procedure voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het desbetreffende bestuursorgaan heeft de regie over de besluitvorming. Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan zodanig dat het project kan worden gerealiseerd. Ook uitvoeringsbesluiten als omgevingsvergunningen kunnen van het projectbesluit deel uitmaken. Daarnaast ziet de provincie erop toe dat gemeenten voldoen aan de wettelijk gestelde kwaliteitseisen voor de organisatie en de medewerkers (interbestuurlijk toezicht). het Hoogheemraadschap van Delfland: Veel werkzaamheden in de buurt van een dijk, water of een weg in het beheer van het waterschap, zijn niet zonder meer toegestaan. Hiervoor is dan een (omgevings-)vergunning wateractiviteit nodig. Indien zowel een omgevingsvergunning als een omgevingsvergunning wateractiviteit nodig zijn en deze tegelijk worden aangevraagd, is de coördinatieregeling Ow van toepassing. Bij de coördinatieregeling voert de gemeente de regie. De aanvragen worden in samenhang behandelt door de beide bevoegd gezagen. Ieder bevoegd gezag neemt wel een eigen besluit. De coördinatieregeling bepaalt dat de gemeente beide besluiten en de eventuele tussentijdse brieven tezamen toezendt aan de aanvrager en ook zorgt voor de bekendmaking. Voor de omgevingsvergunning wateractiviteit is het Hoogheemraadschap het bevoegd gezag voor het toezicht op de voorschriften. Hierbij kan ook handhavend worden opgetreden, al dan niet in samenwerking met de gemeente en/of andere samenwerkingspartners. Daarnaast moet voor omgevingsvergunningen (regulier en uitgebreid) voor buitenplanse omgevings-planactiviteiten advies aan het Hoogheemraadschap gevraagd worden. de politie en Openbaar Ministerie (OM): In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen en/of situaties waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming met de politie en het OM plaats. De vervolging van overtredingen openbare ruimte worden ook afgehandeld door het OM. Daarnaast vindt er op dossierniveau ook afstemming plaats met de politie en het OM, bijvoorbeeld bij de aanpak van ondermijning, een constatering van een hennepkwekerij in een woning of het sluiten van een openbare inrichting. De samenwerking met de politie is vastgelegd in een handhavingsarrangement. GGD Haaglanden Op basis van de Wet Publieke Gezondheid (WPG) is de gemeente verantwoordelijk voor ‘het bevorderen van technische hygiënezorg’. De Technische hygiënezorg (THZ) wordt voor de gemeente uitgevoerd door de GGD. Dit gebeurt conform de Algemene Plaatselijke Verordening. Bij de beoordeling van aanvragen voor seksinrichtingen doen wij bij de inspectie voor seksinrichtingen een verzoek om een melding, zodat zij een inspectie kunnen inplannen. Dit zorgt ervoor dat we kunnen voldoen aan de vereisten voor handhaving en toezicht. Regelmatige inspecties zijn essentieel om de kwaliteit en veiligheid van seksinrichtingen te waarborgen en om ervoor te zorgen dat deze voldoen aan de geldende regelgeving. De sociaal verpleegkundige van de GGD speelt een belangrijke rol bij het beoordelen van de gezondheidsaspecten van aanvragen en adviseert over relevante gezondheidskwesties in de context van vergunningverlening en handhaving. 2.Omgevingswet (Ow) 2.1Inleiding In dit hoofdstuk staan de U&H-taken op grond van de Ow centraal. Het gaat bij vergunningverlening o.a. om vergunningen voor de (ver)bouw van een bouwwerk, vergunningen voor het afwijken van het omgevingsplan, vergunningen voor het kappen van bomen (houtopstanden) en meldingen sloop en brandveilig gebruik panden. Bij toezicht gaat het onder meer om controle op de uitvoering van verleende vergunningen, zonder vergunning gerealiseerde bouwwerken of strijdig gebruik met het omgevingsplan. Handhaving is het sluitstuk van het proces. Indien een overtreding van de regels wordt ontdekt, wordt een handhavingstraject gestart met als doel de betreffende overtreding ongedaan te maken. In de hierop volgende paragrafen wordt aangegeven hoe de gemeente Rijswijk uitvoering geeft aan deze wettelijke taken en welke uitgangspunten hierbij leidend zijn. 2.2Risico-gestuurd werken In navolging van maatschappelijke ontwikkelingen is de bedoeling van de Ow dat initiatiefnemers meer ruimte krijgen voor initiatieven maar ook zelf meer verantwoordelijkheid nemen voor deze initiatieven. Overheden, bedrijven én burgers zijn samen verantwoordelijk voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit is dus niet alleen de taak van de overheid. Risico-gestuurd werken volgt deze gedachtenlijn. Door risico-gestuurd te werken zetten wij de beschikbare capaciteit in daar waar de risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis (het meest) nodig is. Deze manier van werken is gelegitimeerd omdat bij de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden bepaald of het aannemelijk is dat aan de normen wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in toets- en toezichtintensiteit. Om te bepalen waar onze deskundigheid en kennis (het meest) nodig is, is een Omgevingsanalyse uitgevoerd (zie Bijlage C). De Omgevingsanalyse bestaat uit een
(1)Gebieds-,
(2)Probleem-4Inclusief een analyse van inzichten. en een
(3)Risicoanalyse. Het resultaat van de Omgevingsanalyse, en dan met name de Risicoanalyse, is een prioriteitenlijst. Om het risico van een bouwwerk/gebouw te bepalen is voor verschillende (vergunningplichtige) activiteiten, door middel van een risicoafwegingsmodel, een prioriteit bepaald. Wij hanteren vijf prioriteringsniveaus van ‘Zeer Laag’ oplopend tot ‘Zeer Hoog’. De totale prioriteringslijst en een toelichting op het gehanteerde risicoafwegingsmodel zijn eveneens weergegeven in Bijlage C, Omgevingsanalyse. In navolgende paragrafen wordt het risico-gestuurd vergunnen, toezichthouden en handhaven nader uitgewerkt. 2.3Vergunningen(strategie) In de afgelopen jaren zien we de complexiteit van de wensen van inwoners en bedrijven toenemen. Inwoners en bedrijven zoeken de grenzen van de wet op om hun wensen te realiseren. Dit vraagt meer tijd en inzet. Complexiteit van de aanvragen leidt tot meer inhoudelijk complexe juridische procedures. Professioneel casemanagement en goede samenwerking met interne en externe partners is hierbij essentieel. Het realiseren van (passende) wensen volgt ook uit de Ow. Het gedachtegoed van de Ow is om te kijken naar wat wél kan. Een van ‘nee, tenzij’, naar ‘ja, mits’ omslag. Rijswijk zet in op het laten indienen van conceptaanvragen, zodat in een proces van vooroverleg tegen relatief lage legeskosten eerst de wenselijkheid van een initiatief kan worden beoordeeld. Indien een initiatief wenselijk is, wordt vervolgens onderzocht of een initiatief haalbaar is in brede zin. Hiertoe heeft Rijswijk het proces van de intaketafel ingericht voor de beoordeling van de wenselijkheid en het proces van de omgevingstafel(
  1. s)voor de beoordeling van de haalbaarheid. Deelnemers van de omgevingstafel zijn zowel de interne adviseurs van de gemeente als de externe adviseurs. De geformuleerde doelen en uitgangspunten voor vergunningen sluiten hierbij aan (zie ook paragraaf 1.5). 2.3.1Omgevingswet en Wkb In de praktijk betekent de toename in de complexiteit van de wensen dat de doorlooptijden van aanvragen langer duren, waarbij het de uitdaging is en blijft om binnen de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen. Bij de afhandeling van aanvragen zijn de door de wetgever vastgestelde afhandelingstermijnen bepalend. Zo valt het merendeel van de ingediende aanvragen op grond van de Ow onder de zogenoemde reguliere procedure waarvoor in beginsel een beslistermijn van acht weken geldt. Deze termijn kan eenmaal met zes weken worden verdaagd. Voor activiteiten betekent deze vereenvoudiging (ten opzichte van de Wabo) dat veel sneller duidelijk wordt of een vergunning al dan niet wordt verleend (van zes maanden naar acht weken). Indien niet binnen de door de wetgever gestelde termijn wordt beslist ontstaat onder de Ow geen vergunning van rechtswege meer. Als de beslistermijn verstreken is, maar er is nog geen besluit genomen kan een gevolg zijn dat de gemeente formeel in gebreke wordt gesteld en dat de gemeente op grond van Algemene wet bestuursrecht een dwangsom moet betalen aan de aanvrager.5 Doch niet eerder dan nadat een belanghebbende tijdig een ingebrekestelling heeft ingediend en minstens een laatste, wettelijke termijn van veertien dagen heeft vergund aan het bestuursorgaan (artikel 4:17 Awb). De bedoeling van de wetgever is dat onder de Ow de voorbereiding van de omgevingsvergunning zoveel mogelijk in de informele voorfase (dus voor het indienen van de officiële aanvraag) door middel van het indienen van een conceptaanvraag via DSO plaatsvindt. Op die manier kan met een kortere beslistermijn worden volstaan. Wel bepaalt de Ow dat de uitgebreide procedure van toepassing is, op verzoek of met instemming van de aanvrager. Daarnaast kan het college bij activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor de omgeving kunnen hebben en waarvan de verwachting is dat verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben, na het horen van de aanvrager, eenzijdig besluiten dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Daarnaast heeft de wetgever ervoor gekozen om alle vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten generiek onder het toepassingsbereik van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (wet Bibob) te brengen. Hiermee verbreedt de wetgever de mogelijkheden om op meerdere onderdelen van het omgevingsplan en vergunningplichtige activiteiten onder de wet Bibob te laten vallen. Waar dit voorheen (vaak) alleen mogelijk was als de gemeente een huisvestingsverordening heeft vastgesteld. In artikel 5.31 lid 2 van de Ow is daarom geregeld dat een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit kan worden geweigerd, indien (de a-grond of b-grond van) de Wet Bibob van toepassing is. Vooroverleg De Ow vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Dit vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden. Een proces dat (ruimschoots) start voordat een aanvraag om omgevingsvergunning formeel bij ons wordt ingediend. Dit alles krijgt vorm in het vooroverleg door het indienen van een conceptaanvraag via DSO. Echter in het geval van een zeer complex plan, is een regulier vooroverleg mogelijk niet afdoende om vervolgens de behandeltermijn van acht weken te halen. Voor deze complexe zaken hebben wij de Intake- en Omgevingstafel in het leven geroepen. Tijdens de Intaketafel wordt gekeken naar de wenselijkheid van het initiatief. Initiatieven die een positieve reactie hebben gekregen vanuit de Intaketafel worden vervolgens besproken aan de Omgevingstafel. Aan de Omgevingstafel wordt de haalbaarheid van een initiatief besproken, samen met interne en externe adviseurs en de initiatiefnemer. Participatie Ook is onder de Ow een nieuw aanvraagvereiste geïntroduceerd. Het betreft participatie bij een vergunningaanvraag. Dit nieuwe vereiste stimuleert initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Een initiatiefnemer is echter niet (altijd) verplicht om daadwerkelijk aan participatie te doen. Dit aanvraagvereiste geldt alleen voor bepaalde (soorten) aanvragen, een zogeheten ‘buitenplanse omgevingsactiviteit’.6De vrijblijvendheid ten aanzien van participatie werd bezwaarlijk gevonden in de gevallen waarin wordt afgeweken van het omgevingsplan, een zogeheten ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’. Dit n.a.v. het amendement van het lid Van Eijs c.s., geresulteerd in het toevoegen van artikel 16.55 Ow. In de Ow is bepaald dat aan de gemeenteraad de bevoegdheid is gegeven om gevallen van buitenplanse activiteiten aan te wijzen, waarbij het wel verplicht is te participeren met de omgeving vóórdat een aanvraag om een omgevingsvergunning kan worden ingediend. Voor die gevallen moet de aanvrager aantonen dat hij aan participatie heeft gedaan. Als hij dit niet doet, kan de aanvraag wel buiten behandeling worden gelaten. In welke gevallen het verplicht is te participeren en hoe wij de aangeleverde participatiegegevens beoordelen, is vastgelegd in het Participatiebeleid en de Participatieverordening.7Door het college vastgesteld in oktober 2024 respectievelijk in maart 2024. De Handleiding participatie Gemeente Rijswijk bevat handvatten over hoe een initiatiefnemer de omgeving kan betrekken bij de plannen.8 April 2025 Gesloten of open normen omgevingsplan Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden is veranderd. De Ow kent de mogelijkheid om in het omgevingsplan minder vergunningplichten te hebben en meer zorgplichten of meer algemene regels. Dit kan ertoe leiden dat waar voorheen vooraf werd getoetst, toetsingen in het nieuwe stelsel meer achteraf kunnen gaan plaatsvinden. De mate waarin de gemeente in het omgevingsplan met gesloten of open normen gaat werken wordt de komende jaren meer (en verder) vormgegeven. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de gedachte van de Ow. Intrekken ongebruikte vergunningen Daarnaast is het voor het omgevingsplan opportuun om (oude) ongebruikte vergunningen in te trekken. Er wordt op jaarbasis een aanzienlijk aantal omgevingsvergunningen verleend, zowel aan particulieren als aan bedrijven. De meeste van de vergunde activiteiten worden ook binnen een afzienbare termijn, nadat de omgevingsvergunning is verleend, uitgevoerd. Het komt echter ook voor dat er geen of pas na een aantal jaren gebruikt wordt gemaakt van de verleende omgevingsvergunning. Daardoor ontstaat een zogenaamde 'slapende' omgevingsvergunning waarbij de feitelijke situatie intussen anders kan zijn dan de vergunde dan wel planologisch vastgelegde situatie. Dit kan bouwtechnisch, planologisch en stedenbouwkundig onwenselijk zijn omdat de eerder vergunde situatie mogelijk kan afwijken van nieuwe bouwregelgeving of als er sprake is van nieuw gewijzigd beleid. Om dit te voorkomen worden er deze beleidsperiode beleidsregels opgesteld voor het intrekken van ongebruikte omgevingsvergunningen. Wkb Met de komst van de Wkb is onze rol tijdens het bouwproces veranderd. Inwerkingtreding van de Wkb heeft aan de voorkant tot gevolg dat er in het kader van vergunningverlening geen bouwtechnische toets meer plaatsvindt voor gevolgklasse 1 bouwwerken. Het betreft bouwwerken zoals woningen, eenvoudige bedrijfsgebouwen en vakantiehuisjes. Deze preventieve toets wordt vervangen door een toets door private kwaliteitsborgers. Om tegemoet te komen aan de zorgen over een eventueel tekort aan private kwaliteitsborgers en de wens tot het inrichten van extra waarborgen heeft de minister besloten om tot 1 juli 2025 gevolgklasse 1 te beperken tot nieuwbouw. Daarna gaan naar verwachting ook de verbouwactiviteiten onder gevolgklasse 1 vallen.9 Brief van De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Hugo de Jonge d.d. 14 november 2022 met kenmerk 2022-0000546020 en Brief d.d. 6 juni 2024 met kenmerk 2024-0000344074. Verbouwactiviteiten in de vorm van transformaties vallen (in de meeste gevallen) onder gevolgklasse 2. Het soort gebouw is hierbij leidend. Voor het bouwen van een bouwwerk onder gevolgklasse 1 moet minstens vier weken voor het begin van de bouwwerkzaamheden een melding worden gedaan aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kijkt of de melding compleet is. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de naam- en adresgegevens, een beschrijving van het bouwwerk, een beschrijving van de kwaliteitsborger, het gebruikte toetsinstrument, de risicobeoordeling (welke risico’s zijn er die ertoe zouden kunnen leiden dat er niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan) en het borgingsplan (welke maatregelen worden genomen om die risico’s te voorkomen of te beperken). In de risicobeoordeling moet rekening worden gehouden met (bijzondere) locatie specifieke omstandigheden (bijvoorbeeld als de grond een afwijkende draagkracht heeft en de fundering op grond hiervan moet worden aangepast). Hier is straks een rol weggelegd voor het bevoegd gezag. De kwaliteitsborger (die niet per definitie uit de omgeving hoeft te komen) treedt hierover in overleg met het bevoegd gezag. Onze werkwijze met betrekking tot de Wkb waaronder o.a. de bouwmelding en de bijzondere locatie specifieke omstandigheden is vastgelegd in Bijlage F, Uitvoeringsbeleid Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) 2024. 2.3.2Risico-gestuurd vergunnen Een veelvoorkomende misvatting is de stelling dat een aanvraag die onder de reguliere termijn valt, een eenvoudige aanvraag betreft. Deze conclusie is, zeker onder de Ow, niet terecht. Een aanvraag die als regulier aangemerkt moet worden, kan zeer complex zijn. De complexiteit hangt af van het aantal en de soort activiteiten die gaan plaatsvinden maar ook van het effect en het risico op calamiteiten van de te ontplooien activiteiten t.o.v. de omgeving. Ieder bouwplan is anders en niet ieder gebouw/bouwwerk vraagt van ons dezelfde mate van toetsing en controle. Het is ook praktisch niet mogelijk om alle bouwwerken op alle voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (verder Bbl) even uitputtend te toetsen. We vergunnen onze aanvragen, voor wat betreft de toets aan het Bbl, daarom risico-gestuurd. Het risico-gestuurd toetsen is volgens de wetgever en op basis van de vaste jurisprudentie toegestaan. Om het risico van een bouwwerk/gebouw te bepalen is voor verschillende vergunningplichtige activiteiten, door middel van een risicoafwegingsmodel, een prioriteit bepaald. De totale prioriteringslijst is weergegeven in Bijlage C. Aan elke prioriteit is een niveau van toetsen verbonden: aanvragen met hoge risico’s worden intensief getoetst, waar minder risico’s zijn, voeren wij een globale uitgangspuntentoets uit. Met welke intensiteit (diepte niveau) de gemeente een bouwplan (een bouwwerkcategorie) toetst aan wet- en regelgeving is vastgelegd in het Vergunningen ToetsprotocolBbl, zie Bijlage D. Het Toetsprotocol heeft betrekking op de voorschriften uit het Bbl. Met het vaststellen van een Toetsprotocol worden bouwplannen eenduidig, consequent, transparant en adequaat getoetst. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken op een aanvaardbaar niveau gebracht en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan. Naast de vaste risicobepaling en de daarbij behorende toetsniveau’s is er, te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of het vooraf bepaalde toetsniveau in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van het vastgelegde niveau. Bijzondere aandacht gaat uit naar de constructieve toetsing van een bouwplan. De constructieve toets wordt uitgevoerd door een gespecialiseerd (ingehuurd) bureau. Hierbij is de in dit beleidsplan gehanteerde prioritering leidend voor het al dan niet voorleggen van een aanvraag aan het externe bureau. 2.3.3Vaste toetsingskaders en uitgangspunten Voor het behandelen en beoordelen van aanvragen hanteren wij onder meer de volgende vaste toetsingskaders en uitgangspunten. De toetsingskaders komen voort uit de wet en/of ons vastgestelde beleid. Vaste toetsingskaders Omgevingswet, Omgevingsbesluit en Omgevingsregeling; Besluit Bouwwerken leefomgeving; Omgevingsplan; Afwijkingenbeleid/beleidsregels afwijken omgevingsplan; Meldingen sloop en asbestverwijdering; Aanvullende regels omtrent tunnelveiligheid. Uitgangspunten Voor vragen van burgers of ondernemers over lopende dossiers is per dossier een casemanager (zaakbehandelaar) aangewezen. De aanvrager hoeft zijn vraag maar bij een (digitaal) loket te stellen; We werken transparant en uniform door het hanteren van vaste toetsingskaders. Consequent toepassen vaste procedures en processtappen; Initiatieven worden beoordeeld vanuit mogelijkheden en oplossingen. “Ja, mits en opgave gericht..” i.p.v. “Nee, tenzij..”. We hebben een positieve grondhouding ten opzichte van initiatieven; Initiatiefnemers krijgen in beginsel maximaal 2 keer de gelegenheid om de aanvraag aan te passen n.a.v. opmerkingen van adviseurs om zo tot een vergunbare situatie te komen; Initiatiefnemers krijgen in beginsel maximaal 2 keer de mogelijkheid om een onvolledige aanvraag aan te vullen. Daarna wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld. Indien al sprake is van het zonder vergunning handelen wordt gecommuniceerd dat het dossier wordt overgedragen naar toezicht en handhaving; Duidelijke en transparante communicatie. Over het gevoerde beleid en over de rol van de initiatiefnemer/aanvrager; We sturen actief op het indienen van een conceptaanvraag. Dit schept duidelijkheid over de gewenste plannen en creëert de mogelijkheid om plannen tijdig aan te passen; De diepgang van de beoordeling van aanvragen is afhankelijk van de risico’s van de activiteit (risico-gestuurd). Aanvragen worden zo snel mogelijk afgehandeld en in ieder geval binnen de wettelijke beslistermijn inclusief de verleningstermijn van 6 weken. Ongebruikte vergunningen worden ingetrokken. De intrekking geschiedt conform (nog op te stellen) beleidsregels van het college. 2.4Toezicht en handhaving Zodra een vergunning of ontheffing is verleend, of als er een melding is gedaan, houdt de gemeentelijke bouwtoezichthouder toezicht op de naleving van de vergunnings- of ontheffingsvoorwaarden. Daarnaast houdt de gemeentelijke bouwtoezichthouder toezicht op de naleving van wet- en regelgeving zoals het omgevingsplan. De gemeente houdt toezicht en treedt handhavend op om ervoor te zorgen dat activiteiten die worden gerealiseerd in orde zijn in het kader van o.a. (omgevings)veiligheid en gezondheid. Daarnaast vindt toezicht en handhaving plaats om het naleefgedrag van regels door inwoners en bedrijven te bevorderen en daarmee de eigen verantwoordelijkheid te stimuleren. De ambities, activiteiten en uitgangspunten ten aanzien van toezicht en handhaving sluiten hierop aan (zie ook paragraaf 1.5). 2.4.1Wkb Vanuit (bouw)toezicht vindt onder de Wkb geen of versoberde controle plaats op de feitelijke uitvoering van de bouwwerkzaamheden van (in eerste instantie) de gevolgklasse 1 bouwwerken (eerste 1,5 jaar na inwerkingtreding alleen nieuwbouw, daarna ook verbouwactiviteiten).10Zie paragraaf 2.3.1, Wkb en voetnoot 9. Naast de preventieve toets van het bouwplan aan de bouwregelgeving vooraf wordt ook het toezicht tijdens en na realisatie van de bouw grotendeels vervangen door toezicht door private kwaliteitsborgers. Hierdoor verschuift het toezicht van de voorkant van het proces naar handhaving achteraf. Bij het vervullen van deze nieuwe rol biedt de Wkb ruimte aan gemeenten om in beleid specifieke keuzes te maken. Deze keuzes hebben we vastgelegd in het hierboven eerder genoemde Uitvoeringsbeleid Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) 2024, zie Bijlage F. We hanteren als uitgangspunt dat we vertrouwen (en in beginsel mogen vertrouwen) op de deskundigheid van de kwaliteitsborger en laten de verantwoordelijkheid voor het voldoen van het bouwwerk aan wet- en regelgeving daar waar deze hoort. De kwaliteitsborger ziet erop toe dat het bouwwerk daadwerkelijk aan de eisen uit het Bbl voldoet. Het is ook de kwaliteitsborger die aan de vergunninghouder een verklaring afgeeft op het moment dat er een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat het bouwwerk voldoet aan het Bbl. 2.4.2Risico-gestuurd toezicht (Toezichtstrategie) Voor het bouwtoezicht en de handhaving geldt eveneens dat er risico-gestuurd wordt gewerkt. Onze capaciteit wordt ingezet op die aspecten die wij het meest risicovol achten en dus prioriteit willen geven. Waar de risico’s het hoogst zijn, wordt intensiever toezicht gehouden, daar waar de risico’s minder of laag zijn, wordt minder intensief toezicht gehouden. Belangrijke zaken, zoals constructie, brand- en (omgevings)veiligheid krijgen daarom veel (en sneller) aandacht en minder belangrijke/risicovolle zaken krijgen minder (snel) aandacht. Risico-gestuurd toezicht ziet op de manier waarop wij de beschikbare capaciteit inzetten voor het toezicht op omgevingsvergunningen, controles van de bestaande bouwvoorraad of de controle van APV vergunningen voor bouw gerelateerde onderdelen zoals een tent op een evenemententerrein of de inrichtingseisen van een horeca inrichting. De mate van toezicht hierbij is afhankelijk van de complexiteit en risico’s van het betreffende bouwwerk. Op activiteiten met een hoger risico wordt intensiever (of sneller) toezicht gehouden dan op activiteiten waarbij het risico laag c.q. acceptabel wordt geacht. De uitgevoerde Omgevingsanalyse (zie Bijlage C) is voor het toezicht en de handhaving, net als voor vergunningverlening, leidend bij de inzet van onze capaciteit. Wanneer en op welke wijze er toezicht wordt gehouden, is vastgelegd in het ‘Toezichtprotocol Bbl’ (zie Bijlage E). Het Toezichtprotocol heeft betrekking op de voorschriften uit het Bbl en is een praktisch werkinstrument voor het toezicht tijdens de verschillende fasen van de bouw. Ook voor het toezicht geldt dat er te allen tijde ruimte is om op basis van kennis en kunde een inschatting te maken of in een specifiek geval het vastgelegde diepteniveau adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden. Voor het bevorderen van het naleefgedrag wordt daarnaast ingezet op actieve en transparante communicatie over de geldende wet- en regelgeving en het gemeentelijke beleid. Ook wordt, voor zover mogelijk, in gesprek met inwoners en bedrijven gezocht naar mogelijkheden zonder het zetten van formele stappen. Hierbij worden inwoners en bedrijven bewogen geen overtredingen te begaan. Dat doen wij door de inzet van de instrumenten zoals: actieve communicatie; waarschuwen; bemiddelende gesprekken; controleren of aan de regels wordt voldaan. 2.4.3Risico-gestuurd handhaven (Handhavingsstrategie) De (bouw)toezichthouders hebben naast het controleren van verleende vergunningen ook een belangrijke taak bij het opsporen van illegale bouwwerken en activiteiten. Vaak wordt daarbij geacteerd naar aanleiding van klachten, meldingen of een formeel verzoek om handhaving. Daarnaast worden ook constateringen gedaan door de toezichthouder zelf. Dit kan bijvoorbeeld illegaal gebruik of strijdigheid met de regels voor bestaande bouw of vergunningsvrij bouwen betreffen. Bij geconstateerde overtredingen hebben gemeenten een beginselplicht tot handhaven (ECLI:NL:RVS:2019:1216). Bij handhavend optreden werken wij ook risico-gestuurd. Omdat capaciteit om overtredingen aan te pakken niet oneindig is, is het belangrijk en geoorloofd om het werk te prioriteren. Mits de prioritering gebaseerd is op een afweging van het risico dat een negatief effect optreedt en de kans dat een overtreding plaatsvindt. Overtredingen met een: ´Zeer Hoog´ risico worden direct opgepakt; ‘Hoog’ risico worden binnen 28 dagen opgepakt; ‘Gemiddeld’ risico worden binnen 8 weken opgepakt; ´(Zeer) Laag´ risico worden alleen opgepakt indien er een formeel verzoek om handhaving is ingediend.* * De onder ogen gebrachte situatie wordt beoordeeld en afhankelijk van de beoordeling vindt al dan niet (directe) handhaving plaats. Zie ook hierna ‘Verzoeken om handhaving o.b.v. prioritering’. Tijdens de beoordeling van een ontvangen klacht, melding of verzoek om handhaving wordt gekeken naar de aard en de ernst van de onder ogen gebrachte situatie. Indien uit de boordeling blijkt dat de situatie ernstiger, onveiliger en/of gevaarlijker dan wel minder ernstig, minder onveilig en/of minder gevaarlijk blijkt kan er een herprioritering plaatsvinden. De volgende uitgangpunten worden hierbij in acht genomen: Uitgangspunten Bij het bepalen van de beste aanpak is ruimte voor de menselijke maat; maatwerk waar mogelijk en/of acceptabel is. De concrete feiten en omstandigheden zijn daarvoor bepalend; We werken risico-gestuurd op basis van de bepaalde prioriteiten. De beschikbare capaciteit wordt in beginsel ingezet op de hoogste prioriteiten; We zetten actief in op voorlichting en het stimuleren van vrijwillige naleving. Er wordt altijd eerst overwogen of problemen kunnen worden opgelost zonder dat er formele stappen worden gezet. Door actieve en transparante informatieverstrekking over het beleid en wet- en regelgeving, voorlichting, eerst waarschuwen willen we de eigen verantwoordelijkheid stimuleren. We hechten waarde aan het persoonlijk contact en onderzoeken en bespreken met de initiatiefnemer/overtreder de mogelijkheden om tot een gewenste oplossing te komen; Het toezicht voeren we waar mogelijk integraal uit. Tijdens de controles wordt gecontroleerd op de naleving van de voorschriften uit de bouwregelgeving en waar van toepassing ook op de Alcoholwet en de Wok;. Duidelijke en transparante communicatie. (over het gevoerde beleid en over de rol van de overtreder); Bij constateringen van overtredingen met acuut gevaar wordt direct opgetreden. Ongewenst gedrag wordt daadkrachtig aangepakt, goed gedrag wordt beloond. Ons optreden wordt pas afgesloten nadat de overtreding is opgeheven. Goed naleefgedrag heeft effect op controlefrequentie; Correct gedrag is de norm, zowel voor de gemeente als voor inwoners en bedrijven. Correct gedrag en correct taalgebruik zorgen ervoor dat gesprekken met inwoners en ondernemers minder snel escaleren. Vanzelfsprekend wordt er geen onderscheid gemaakt tussen acteren op en/of optreden tegen externe partijen en (eigen) overheidsinstanties. Indien het interveniëren van de toezichthouder niet leidt tot beëindiging van de overtreding worden er handhavingsinstrumenten ingezet. Het inzetten van handhavingsinstrumenten heeft als doel de (illegaal) ontstane situatie terug te brengen naar een situatie die wel voldoet aan de (wettelijke) regels en (vergunning) voorschriften. Door de inzet van bestuursrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke maatregelen of een combinatie van beide wordt normconform gedrag afgedwongen. Om de strategie van sanctie-instrumenten te bepalen hanteren wij de Handhavingsstrategie Rijswijk 2024 als richtlijn voor ons handhavend optreden (zie Bijlage G). Voor de inzet van handhavingsinstrumenten door de ODH wordt de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) toegepast. Deze werkwijze is eveneens terug te vinden in Bijlage G. Verzoeken om handhaving o.b.v. prioritering Voor verzoeken om handhaving worden prioriteiten zoals opgenomen in de Omgevingsanalyse (zie Bijlage C) als leidraad genomen. Op grond van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2014:1982 en meer recent ECLI:NL:RVS: 2024: 3478) is het prioriteren van verzoeken om handhaving toegestaan om in het kader van een doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak (ECLI:NL:RVS:2021:1961). Zo kan prioritering bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Dit betekent echter niet dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nooit wordt opgetreden. Bij de beoordeling van een verzoek om handhaving wordt gekeken of er ondanks de prioritering in het concrete geval toch handhavend moet worden opgetreden. Daarbij moet op grond van de vaste jurisprudentie een belangenafweging worden gemaakt. Gemotiveerd tijdelijk afzien van handhaving Gelet op het algemene belang dat gediend is met handhaving, moet de gemeente in de regel van haar handhavende bevoegdheid gebruik maken wanneer een wettelijk voorschrift wordt overtreden (beginselplicht tot handhaven). Er kunnen zich echter uitzonderlijke situaties voordoen waarbij het wenselijk of nodig is om tijdelijk af te zien van handhavend optreden. Dit betekent dat we in zeer uitzonderlijke gevallen de keuze kunnen maken om tijdelijk niet actief op te treden tegen een geconstateerde overtreding. Dit doen we altijd met gedegen motivering. De keuze voor tijdelijk afzien van handhavend optreden wordt alleen gemaakt indien sprake is van zwaarwegende (persoonlijke) belangen en/of omdat handhavend optreden in de betreffende situatie onredelijk is. Het persoonlijke contact met de overtreder en de eventuele verzoeker is hierbij van belang. Indien zich een uitzonderlijke situatie voordoet waarbij sprake is van onredelijkheid en/of zwaarwegende (persoonlijke) belangen, hecht de gemeente er waarde aan om in goed overleg tot een (tijdelijk) gewenste situatie te komen. Bij de inzet van maatregelen worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: Uitgangspunten Bij het bepalen van de beste aanpak is ruimte voor de menselijke maat; maatwerk waar mogelijk en/of acceptabel is. De concrete feiten en omstandigheden zijn daarvoor bepalend; Handhaving vindt plaats naar redelijkheid en billijkheid. Binnen de juridische kaders, met oog voor persoonlijke en maatschappelijke belangen, op zoek naar maatwerkoplossingen; Gelijke gevallen worden procesmatig gelijk behandeld. Ons toezicht en handhavend optreden is eenduidig, helder en transparant. We passen consequent vaste procedures en processtappen toe; Bij het bepalen van de beste aanpak handelen we zoveel mogelijk oplossingsgericht. We beoordelen continu of mediation, buurtbemiddeling of andere gespreksvormen kunnen bijdragen aan het normaliseren van de situatie. Bij constateringen van overtredingen met acuut gevaar wordt direct opgetreden. Een passende reactie op overtredingen wordt gebaseerd op de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder. We handelen conform de LHS. Goed (naleef-)gedrag wordt beloond; Behalve bij spoedeisende omstandigheden is bestuursrechtelijke handhaving het sluitstuk van een (informeel) voortraject. Hierbij worden mogelijke oplossingen samen met de overtreder bekeken en afgewogen (persoonlijk gesprek). Indien er geen bereidheid is tot meewerken wordt overgegaan tot het (formele) handhavingstraject. Themagericht handhaven Naast het reguliere toezicht op omgevingsvergunningen zijn er ook landelijke en (n.a.v. de omgevingsanalyse) bestuurlijke speerpunten die de inzet van toezicht en handhaving vragen. Deze speerpunten worden themagericht en/of gebiedsgericht opgepakt. Dit wil zeggen dat bepaalde activiteiten of een bepaald gebied in een kort tijdsbestek systematisch en uniform gecontroleerd wordt. Daarnaast bestaat de wens naar meer samenhang op bestuurlijke speerpunten, die ertoe heeft geleid dat alle U&H-taken (Ow, APV en bijzondere wetten) verenigd zijn in deze beleidsnotitie. Hieronder een korte opsomming van de huidige bestuurlijke speerpunten: Ondermijning: De aanpak van ondermijning valt onder de regie van het openbaar bestuur. De dagelijkse aanpak van ondermijning is belegd in het taakveld openbare orde en veiligheid. Om goed te kunnen slagen is het van belang dat ondermijning binnen de organisatie breed op de agenda staat, er voldoende draagvlak is en er domein overstijgend wordt samengewerkt. Een nauwe relatie met diverse interne disciplines is van cruciaal belang om te kunnen slagen in de aanpak van ondermijning. Zo hebben de (bouw)toezichthouders een signaalfunctie als zij tijdens werkzaamheden bij inwoners en bedrijven over de vloer komen. Daarnaast hebben vergunningverleners een signalerende functie als het gaat om exploitatievergunningen en de Bibob-toetsing op grond van de Wet Bibob. De aanpak van ondermijning binnen de eenheid Den Haag richt zich voornamelijk op de thema’s Drugscriminaliteit, Mensenhandel en Arbeidsuitbuiting, Witwassen, Bedrijventerreinen, Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’
  2. s)en het voorkomen van jonge aanwas. Binnen de eenheid zal er altijd op lokaal niveau sprake zijn van een bepaalde trend. Veilige huisvesting: In 2024 is gestart met een nieuw gremium, zijnde de Rijswijkse pandbrigade. De pandbrigade onderzoekt of eigenaren, huurders en verhuurders van panden en woningen zich houden aan de regels voor bouwen en wonen. Met diverse in- en externe partners wordt ingezet op misstanden in woonpanden. Denk hierbij aan overbewoning, illegale kamergewijze verhuur, illegale bewoning, woonoverlast, vervuiling e.d. Daarnaast wordt bekeken of het mogelijk is om themagericht te handhaven op meldingen, klachten of handhavingsverzoeken. Het betreft het inventariseren of er meerdere meldingen, klachten en/of handhavingsverzoeken zijn over hetzelfde onderwerp. Indien dit het geval is en de situatie leent zich voor een projectmatige aanpak, wordt hierop een aparte actie gestart. Dit in tegenstelling tot het per melding, klacht of handhavingsverzoek optreden. Dit scheelt tijd, capaciteit en kan tevens een preventief effect sorteren. 3.Algemene Plaatselijke Verordening (APV) & Bijzondere wetten 3.1Inleiding De gemeente heeft een scala aan mogelijke instrumenten om te kunnen beïnvloeden welke activiteiten waar en onder welke voorwaarden in de gemeente plaatsvinden. Eén van deze instrumenten is de APV. Hierin is regelgeving neergelegd die betrekking heeft op de openbare orde en veiligheid zoals bijvoorbeeld voor evenementen en horecabedrijven. Naast de APV is er ook een categorie wetten die de bijzondere wetten wordt genoemd en op grond waarvan de burgemeester of het college bevoegd is om vergunningen en ontheffingen te verlenen en toezicht op te houden. Deze wetten zien toe op één specifiek onderwerp zoals de Alcoholwet (voorheen de Drank- en Horecawet) en de Wet op de kansspelen (Wok). In de hierop volgende paragrafen worden enkele activiteiten en wetten weergegeven die bij het verlenen van vergunningen/ontheffingen op grond van de APV en de bijzondere wetten gehanteerd worden. Daarna wordt inzichtelijk gemaakt hoe wij het toezicht op en de handhaving van de APV en de bijzondere wetten uitvoeren. De U&H-taken op grond van de APV en de bijzondere wetten dragen, net als de Ow-taken, bij aan de in hoofdstuk 1 geformuleerde doelen (hoofd- en subdoelen) en de te behalen resultaten. 3.2Vergunningen en ontheffingen Voor sommige activiteiten, zoals bijvoorbeeld het organiseren van een evenement of het exploiteren van een openbare inrichting, is een vergunning of ontheffing (of melding) nodig op grond van de APV. Het doel van deze vergunningplicht is gelegen in de bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of de bescherming van het milieu. Om de toetsing van vergunningaanvragen zorgvuldig te kunnen verrichten en de risico’s op veiligheid goed te kunnen beoordelen, is het van belang dat aanvragen tijdig en volledig worden aangeleverd. 3.2.1.Evenementen Evenementen zijn belangrijk voor onze gemeente en dragen bij aan de leefbaarheid, de saamhorigheid en vergroten de maatschappelijke cohesie. In de APV en ‘Toetsingskader Evenementen gemeente Rijswijk 2024’, zijn kaders vastgelegd die duidelijkheid verschaffen voor welke activiteiten en op welke wijze een evenementenvergunning aangevraagd dient te worden. We onderscheiden drie categorieën evenementen. De indeling in categorieën gebeurt op basis van een risicoscan. De risicoscan is een eerste beoordeling van de risico’s van het beoogde evenement op hoofdlijnen. Voor het bepalen van de risico’s van een beoogd evenement wordt gekeken naar factoren als het type publiek, aantallen bezoekers, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de activiteiten die ontplooid worden. Op basis van de indeling worden adviezen gevraagd aan politie, VRH, ODH, Provincie Zuid-Holland en gemeentelijke afdelingen. Deze adviezen worden verwerkt in de vergunning en de daarbij behorende voorschriften. De indeling in categorieën ziet er in grote lijnen als volgt uit: Categorie Omschrijving Voorbeeld Melding/vergunning 0 Kleinschalig Straatbarbecue Melding A Regulier evenement: onwaarschijnlijk dat de gebeurtenis leidt tot risico’s* Magic Circus, avondvierdaagse Vergunning B Aandacht evenement: waarbij het mogelijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s* Dickensfeest Vergunning C Risico evenement: waarbij het waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s* Kermissen Vergunning * risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of de bescherming van het milieu De indeling heeft slechts een signaalfunctie en is nadrukkelijk géén volledige risicoanalyse van het evenement. Gaande het proces van vergunningverlening kan blijken dat de veiligheidsaspecten zodanig zijn dat een andere classificatie indeling gerechtvaardigd is. Samen met de hulpdiensten wordt dit proces gemonitord en kan de categorie naar boven of beneden aangepast worden ondanks dat de score anders aangeeft. Alle evenementen worden opgenomen in de Rijswijkse evenementenkalender. Via de Rijswijkse evenementenkalender is het voor eenieder inzichtelijk welke evenementen, waar en wanneer georganiseerd worden. Daarnaast worden alle B en C evenementen ook aangemeld voor op de Regionale evenementenkalender. Door middel van de Regionale evenementenkalender hebben onze partners/de hulpdiensten inzicht waar en wanneer de risicovolle evenementen worden georganiseerd. Dit helpt bij het bepalen van (knelpunten van) capaciteit en samenloop en levert voor de hulpdiensten een betere regionale spreiding op voor de inzet. Op de Regionale evenementenkalender staan dus niet alleen Rijswijkse evenementen, maar bevat alle risicovolle vergunningplichtige evenementen binnen de 9 gemeenten van de VRH. Het vergunningentraject is een belangrijke schakel in het gehele proces. Het is daarbij van belang dat organisatoren een vergunningaanvraag tijdig en volledig indienen. Bij een niet tijdige en/of niet volledige indiening spreken we de organisatoren daarop aan en wijzen hen op het belang van tijdig en goed indienen en hun eigen verantwoordelijkheid hierin. Afhankelijk van het soort evenement en de complexiteit wordt een afweging gemaakt of de vergunningaanvraag alsnog kan worden behandeld. 3.2.2Alcoholwet vergunning en ontheffing Een Alcoholwetvergunning is vereist voor openbare inrichtingen zoals een café of restaurant en paracommerciële instellingen, zoals verenigingen en stichtingen, waar alcoholhoudende drank wordt geschonken voor het nuttigen ter plaatse. Maar een Alcoholwetvergunning is ook vereist voor slijterijen die alcoholische drank verkopen. De vergunning wordt verleend op grond van de Alcoholwet. Naast een vergunning kent de Alcoholwet ook een ontheffing (artikel 35 Alcoholwet). Het betreft een tijdelijke ontheffing voor de verstrekking van zwak-alcoholische dranken tijdens evenementen. Daarnaast gebiedt de Alcoholwet gemeenten om regels op te stellen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Deze regels hebben we vastgelegd in de APV en gelden voornamelijk voor paracommerciële inrichtingen, zoals buurthuizen en sportkantines. 3.2.3Exploitatievergunning De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een bedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te verwachten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt aantasten. Bij de vergunningverlening let de burgemeester op de aard van de inrichting, de mate van de te constateren overlast, het karakter van de omgeving (de straat en de wijk) en de (justitiële) achtergrond van de beheerder. Bij de “aard van de inrichting” wordt gekeken naar het soort bedrijf (bijvoorbeeld discotheek of lunchroom) in relatie tot overlast en het omgevingsplan. Bij de mate van overlast valt te denken aan de overschrijding van de sluitingstijden die de exploitant hanteert en overlast van bezoekers (door parkeren en verkeerslawaai). Bij het karakter van de omgeving moet worden gedacht aan de verkeersituatie, aantal beschikbare parkeerplaatsen voor bezoekers, afstand tot woningen, breedte van de straat, etc. De gemeente heeft hiermee een middel in handen om overlastgevende horeca aan te pakken. Deze vorm van vergunning biedt voordelen in het kader van het waarborgen van de leefomgeving. Tevens kan een dergelijke vergunning preventief werken. 3.2.4Wet Bibob De wet Bibob is in het leven geroepen om te voorkomen dat de gemeente onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. We gebruiken de wet Bibob als het vermoeden bestaat dat met de (aangevraagde) vergunning strafbare feiten worden gepleegd of dat uit gepleegde strafbare feiten verkregen op geld waardeerbare voordelen worden genut (‘zwart’ geld witwassen). Op grond van de wet Bibob is het daarnaast mogelijk een reeds verstrekte vergunning in te trekken als het vermoeden bestaat dat we door het verstrekken van een vergunning onbedoeld criminele activiteiten faciliteren. Wij maken gebruik van de mogelijkheden die wet Bibob biedt en hebben daarvoor de ‘Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Rijswijk 2024’ opgesteld. Deze beleidsregel heeft o.a. betrekking op de Alcoholvergunning, evenementenvergunning, de exploitatievergunning en bij bepaalde aanvragen om een beschikking op grond van de Ow. Voor hier volstaat een verwijzing naar de Beleidsregel waarin de volledige reikwijdte wordt toegelicht. 3.2.5.Aanwezigheidsvergunning en loterijvergunning Op grond van de APV en de Wok kunnen vergunningen nodig zijn voor kleine kansspelen (bv. bingo, rad van fortuin), loterijen en het aanwezig hebben van een kansspelautomaat. De vergunning voor het hebben van een kansspelautomaat heet een aanwezigheidsvergunning. We maken hierbij onderscheid tussen hoogdrempelige en laagdrempelige inrichtingen. Alleen in hoogdrempelige horecabedrijven mogen kansspelautomaten aanwezig zijn. In laagdrempelige inrichtingen zijn alleen behendigheidsautomaten toegestaan. Meer informatie over de aanwezigheidsvergunning en/of de loterijvergunning is te vinden op de gemeentelijke website. Daarnaast kennen we een (aparte) vergunning voor speelautomatenhallen. De Wok biedt gemeenten de gelegenheid om bij verordening te bepalen of, en zo ja, hoeveel speelautomatenhallen in de gemeente zijn toegelaten. Op basis van een vergelijking met andere steden in combinatie met de omvang en het inwoneraantal van onze gemeente, is er in Rijswijk plek voor maximaal 1 speelautomatenhal. Het vergeven (selectieproces) van de vergunning is opgenomen in de Verordening Speelautomatenhallen gemeente Rijswijk 2020. 3.2.6.Seksinrichtingen Op grond van de APV is een vergunning nodig voor het starten (of overnemen) van een seksbedrijf/seksinrichting. Onder een seksinrichting wordt onder andere verstaan een seksbioscoop, een bordeel, een escortbedrijf of een parenclub. Een Bibob toetsing maakt deel uit van het vergunningenproces. 3.2.7Standplaatsen en de markt Voor het verkopen van goederen of het aanbieden van diensten met behulp van een fysiek middel zoals een kraam, een wagen of een tafel, dan moet hiervoor een standplaatsvergunning worden aangevraagd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie soorten standplaatsen: een tijdelijke standplaats, een vaste standplaats of een seizoensgebonden standplaats zoals bijvoorbeeld een oliebollenkraam. Wat op welke locatie mogelijk is ligt vast in ons Standplaatsenbeleid. Deze drie soorten standplaatsen staan los van een plek op de (week-/waren-)markt. Voor een plek op de markt is een aparte vergunning nodig. De regels omtrent de markt zijn opgenomen in de Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Rijswijk. 3.2.8Automotive Er is onderzoek gedaan naar malafide praktijken en mogelijke risicogebieden. Hieruit is naar voren gekomen dat er binnen de gemeente één risicogebied is. Het voornemen is om in dit gebied wederom de exploitatievergunningplicht op te gaan nemen. 3.3Uitgangspunten en beslistermijnen We hanteren de volgende uitgangspunten bij een aanvraag voor een vergunning/ontheffing of als er een melding op grond van de APV wordt gedaan: Uitgangspunten Evenementen worden zoveel mogelijk gefaciliteerd en aanvragen worden zo snel mogelijk afgehandeld zonder hierbij concessie te doen aan de veiligheid. Het hanteren van indieningstermijnen is hierbij erg van belang; Initiatiefnemers krijgen in beginsel maximaal 2 keer de mogelijkheid om een onvolledige aanvraag aan te vullen, waarbij alleen een tweede mogelijkheid geboden wordt, indien n.a.v. de eerste mogelijkheid gereageerd is door stukken te overleggen. Daarna wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld en indien al sprake is van het zonder vergunning handelen wordt gecommuniceerd dat het dossier wordt overgedragen naar toezicht en handhaving; Niet tijdig indienen van een aanvraag om een (evenementen)- vergunning kan leiden tot het niet in behandeling nemen of weigeren van de aanvraag. Afhankelijk van het soort evenement en de complexiteit maken we een afweging of de vergunningaanvraag alsnog kan worden behandeld, waarbij de belangen van derden gewogen worden; Aanvragen worden zo snel mogelijk afgehandeld. We streven ernaar om uiterlijk 6 weken voor de start van het evenement een besluit te nemen; B en C-evenementen worden jaarlijks aangemeld voor de regionale evenementenkalender. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend; Grote evenementen worden in beginsel altijd geëvalueerd. Reguliere evenementen worden geëvalueerd indien daar aanleiding voor is; We hechten waarde aan (persoonlijk) contact met onze inwoners, ondernemers en belanghebbende(n). Ons (persoonlijke) contact is erop gericht om op een constructieve manier tot een positief resultaat te komen; Voor alle voor het toezicht op en de handhaving van relevante vergunningen/ontheffingen wordt altijd een controlezaak aangemaakt. Dit leidt tot een goede en efficiënte voorbereiding van een controle bijv. bij evenementen of een horecaonderneming. Beslistermijnen Voor APV-vergunningen en ontheffingen geldt de beslistermijn zoals opgenomen in de APV of andere van toepassing zijnde wetgeving zoals de Alcoholwet. Indien geen wettelijke beslistermijnen zijn opgenomen gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht. 3.4Toezicht en handhaving Om toe te zien dat de regels afdoende worden nageleefd is toezicht op en handhaving van de regels nodig. Handhaving is elke (re)actie die erop gericht is om de naleving van het bij of krachtens wet- of regelgeving geldende recht te bevorderen en te bewerkstellingen, zo nodig door het opleggen van sancties. Toezicht heeft in het kader van handhaving juist een preventieve werking die eruit bestaat dat wettelijke voorschriften worden nageleefd zonder enige sanctionering. Overtredingen kunnen zo al in een vroeg stadium worden voorkomen. In de praktijk blijkt dat toezichthouders met aansporingen en waarschuwingen er voor (kunnen) zorgen dat de daadwerkelijke bestuursrechtelijke maatregelen en sancties niet behoeven te worden ingezet. Het toezicht op en de handhaving van de APV en de bijzondere wetten wordt uitgevoerd door twee verschillende toezichthouders. Voor zover het bouwgerelateerde zaken betreft zoals bijvoorbeeld de constructie van een tent die gebruikt wordt tijdens een evenement, wordt het toezicht uitgevoerd door de toezichthouders bouw. Het bouwtoezicht is een onderdeel van de U&H-taken op grond van de Ow (hoofdstuk 2). Voor het toezicht op en de handhaving van de bouwregelgeving wordt aangesloten bij de werkwijze zoals beschreven in hoofdstuk 2 (paragraaf 2.4). Het overige toezicht op de APV en bijzondere wetten wordt uitgevoerd door de toezichthouders bijzondere wetten en de Inspecteurs openbaar gebied, de boa’s. Boa’s zijn toezichthouders met opsporingsbevoegdheden. Onderstaande paragrafen betreft de inzet en de werkwijze van de toezichthouders wetten en de boa’s. Deze inzet draagt bij aan de volgende (hoofd- en sub) doelen (zie paragraaf 1.5). 3.3.1Toezichthouders bijzondere wetten Het werk van de toezichthouders kenmerkt zich door het toezicht en de handhaving op (de voorschriften van de verleende evenementenvergunning, standplaatsvergunningen (niet zijnde de marktstandplaatsvergunning) openbare inrichtingen en overige inrichtingen die vallen onder de alcoholwet en de Wok. Bijvoorbeeld slijterijen, paracommercie, sportkantines, horecabedrijven (inclusief terrasvergunningen). Naast toezicht en de handhaving spelen de toezichthouders ook een rol bij voorlichting en advisering. Ze kunnen bijvoorbeeld bedrijven en particulieren informeren over de geldende regels en voorschriften, helpen bij het interpreteren van wetgeving en richtlijnen en advies geven over hoe ze aan de regels kunnen voldoen. Ook adviseren ze bijvoorbeeld bij vergunningaanvragen over de inrichtingseisen voor een horecabedrijf. 3.3.2Inspecteurs openbaar gebied (boa’
  3. s)De Inspecteurs openbaar gebied, ook wel bekend als de boa’s vervullen een belangrijke rol in de leefbaarheid en de kwaliteit van de woon- en leefomgeving in onze gemeente. Om Rijswijk leefbaar te maken én te houden zijn de boa’s zichtbaar en herkenbaar aanwezig op straat en spreken zij mensen aan op hun verantwoordelijkheid. Zij stimuleren mensen om zich aan de regels te houden en treden zo nodig handhavend op. Zij kunnen hierbij gebruik maken van een breed instrumentarium van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten, variërend van een waarschuwend gesprek tot een boete. Het leefbaar maken en houden van onze woonomgeving doen zij niet alleen. De boa’s werken, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, nauw samen met diverse interne en externe partners zoals de politie, het OM en jongerenwerk. Voor deze partners hebben zij (ook) een belangrijke signaalfunctie, een extra paar ogen en oren. Het takenpakket van onze boa’s is veelzijdig. De gronden op basis waarvan zij toezicht houden en handhavend optreden zijn divers en zelfs breder dan alleen de APV en de bijzondere wetten. Het takenpakket is in de afgelopen jaren ook (flink) uitgebreid. Het werk van de boa’s richt zich onder meer op de naleving van: de APV; de Verordening Fysieke Leefomgeving (gaat op den duur over in het Omgevingsplan); de Wegenverkeerswet; de Alcoholwet, met name gericht op verkoop en wederverstrekking aan minderjarigen; de Winkeltijdenwet; de Afvalstoffenverordening; de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk. Daarnaast worden de inspecteurs ingezet tijdens evenementen voor het bewaken van de openbare orde. Ook vervullen zij een rol bij de aanpak van ondermijning en jeugdoverlast. Ook deze rol lijkt steeds groter/omvangrijker te worden. 3.3.2Soorten toezicht Het werk van de boa’s kenmerkt zich door melding- en wijkgericht en themagericht (ondermijning/jeugd) toezicht. Meldinggericht toezicht ziet op het oppakken en afhandelen van binnengekomen meldingen, klachten en/of signalen. Het toezicht is reactief. Wijkgericht toezicht ziet op het surveilleren en zichtbaar zijn in de wijken en heeft een preventief karakter. Het werkgebied van de boa’s is ingedeeld in zeven wijken. Iedere wijk kent een vast aanspreekpunt. Vanwege het uitgebreide takenpakket, het grote aantal meldingen en de toegenomen vraag naar handhaving is de druk op de inzet van de boa’s groot. Hierdoor worden de dagelijkse werkzaamheden van de boa’s voor een groot deel bepaald door de ‘waan van de dag’. Dit heeft effect op (de frequentie van) de preventieve surveillance in de wijken. Tevens kennen we, naast melding- en wijkgericht toezicht, een actieve preventieve inzet op specifieke overlastfeiten en/of ‘hotspots’ zoals voor jongerenoverlast, afval en parkeren. Hiervoor maken we gebruik van een registratiesysteem. Door middel van het vastleggen van onze registraties vormt zich (op termijn) een beeld van aandachtsgebieden en thema’s. Hierdoor kunnen de boa’s (preventief) ingezet worden daar waar het, op basis van verzamelde data, nodig c.q. gevraagd is. Door het preventieve karakter wordt ook het naleefgedrag bevorderd. Door het uitgebreide takenpakket, het uitgestrekte werkterrein en het gegeven dat we niet beschikken over oneindige handhavings- en toezichtscapaciteit, is het maken van keuzes over de inzet van de boa’s onvermijdelijk. Het is daarom belangrijk en geoorloofd om het werk te prioriteren. Door middel van beschikbare data (op termijn) en een risicoafweging worden gekozen prioriteiten verantwoord en transparant gemaakt. Daarbij speelt ook dat iedere wijk een eigen karakter heeft en daarom zijn eigen aanpak verdient. In Bijlage C, Omgevingsanalyse is de volledige lijst met handhavingsprioriteiten opgenomen. Het gedrag van mensen laat zich echter niet sturen. Hierdoor ontkomen we er niet aan dat een deel van de werkzaamheden altijd op basis van acute/spoed situaties plaatsvindt. 4.U&H-Organisatie 4.1Inleiding Besluitvorming op (vergunnings-)aanvragen, toezicht en handhaving zijn een kerntaak van de gemeente, die hierin duidelijk haar verantwoordelijkheden heeft en neemt. De uitvoering van de U&H-taken op het gebied van de Ow, APV en bijzondere wetten is gesplitst ondergebracht bij Domein Ruimtelijke Ontwikkelingen, Team Vergunningen, Archeologie en Monumentenzorg en Domein Maatschappelijke Ontwikkelingen, Team Veiligheid, Inspectie en Handhaving. In dit hoofdstuk worden
(1)de capaciteit & middelen en
(2)de functies, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende domeinen/teams toegelicht. Afsluitend wordt aangegeven hoe onze U&H-organisatie voldoet aan de wettelijke U&H voorwaarden (zie ook paragraaf 1.5). 4.2Capaciteit & middelen Op dit moment worden onze U&H-taken uitgevoerd door ca. 44,7 fte. Waarvan ca. 15,13 fte in Domein Ruimtelijke Ontwikkelingen, Team Vergunningen, Archeologie en Monumentenzorg en 29,4 fte in Domein Maatschappelijke Ontwikkelingen, Team Veiligheid, Inspectie en Handhaving. Rijswijk is een organisatie die medewerkers kansen wil bieden en open staat voor persoonlijke ontwikkeling. In de praktijk kan dit betekenen dat we iemand een opleiding en/of ontwikkeltraject aanbieden om in zijn/haar rol te groeien. Daarnaast hebben we als organisatie constant oog voor het (her)opleiden van medewerkers en/of het verversen van kennis op specifieke onderdelen. De afgelopen jaren heeft het ‘opleidingstraject’ van de medewerkers voornamelijk in het teken gestaan van de Ow en de Wkb. In de nieuwe beleidsperiode wordt dit indien nodig noodzakelijkerwijs voortgezet en aangevuld met andere aandachtsgebieden. De in deze strategie beschreven doelen en prioriteiten worden in beginsel uitgevoerd binnen het beschikbare budget. Daarin is voor het kunnen schakelen op piekmomenten binnen Vergunningen ten behoeve van de Omgevingswet een budget voor een flexibele schil begroot. Indien blijkt dat de formatie bijstelling behoeft dan zal dit via de reguliere begrotingscyclus worden ingebracht. Daarnaast heeft Rijswijk uitvoeringskosten voor de ODH van € 903.000,- en uitvoeringskosten voor de VRH van € 6.162.970,- De genoemde uitvoeringskosten van de ODH en de VRH kunnen aan verandering onderhevig zijn. 4.3Functies, taken & verantwoordelijkheden Zoals eerder aangegeven vindt de uitvoering van de U&H-taken plaats bij twee verschillende teams, die ook binnen twee verschillen domeinen vallen. Beide teams worden aangestuurd door een teammanager. De teammanagers worden aangestuurd door de domeinmanagers. In de tabel hieronder worden de twee teams beschreven aan de hand van de functies, taken en verantwoordelijkheden. Domein Ruimtelijke Ontwikkelingen Team Vergunningen, Archeologie en monumentenzorg Vergunningverlening Ow Het behandelen (bouwtechnische en juridische beoordeling) van aanvragen vergunningen/ontheffingen/meldingen etc. op het gebied van de Ow. Regie voeren op het proces (casemanagen), uitzetten van adviezen bij (externe) partners en bewaken van termijnen. Het behandelen en beantwoorden van informatieverzoeken. Daarnaast worden diverse taken uitgevoerd ten aanzien van het woonbeleid. Het betreft de huisvestingsvergunningen, splitsingen en leegstand. Vergunningverlening APV en bijzondere wetten Het behandelen van aanvragen vergunningen/ontheffingen/meldingen etc. op het gebied van APV en de bijzondere wetten. Regie voeren op het proces, uitzetten van adviezen bij (externe) partners en bewaken van termijnen. Het behandelen en beantwoorden van informatieverzoeken. Archeologie/erfgoed Het archeologisch team richt zich vooral op het beleidswerk (omgevingsplan, omgevingsvergunningen, advisering, toezicht, regie, opstellen van programma’s van eisen, bureaustudies en verstrekken van informatie) en daarnaast op beperkte schaal veldwerk (verkennende onderzoeken en opgravingen). Daarnaast kent het team een medewerker Monumentenzorg. Overig Administratieve ondersteuning van de teammanager en de afdeling in het algemeen. Hieronder valt onder andere het inboeken van aanvragen in het zaaksysteem (omgevingsvergunningen en deels APV en Bijzondere Wetten) en/of op de werklijst in sharepoint (deels nog APV en Bijzondere Wetten) en het verzorgen van publicaties. En de juridische functie voor onder andere de beantwoording van primaire vragen in het vergunningenproces en het in complexe zaken ondersteunen van de collega’s in bezwaarprocedure’s. Domein Maatschappelijke Ontwikkelingen Team Veiligheid, Inspectie en Handhaving Beleids- en juridische ondersteuning Het bieden van juridische ondersteuning aan het team op het gebied van de Ow, APV, Bijzondere wetten, Wet goed verhuurderschap en de Huisvestingswet. Het ondersteunen van het team bij beleidsontwikkeling. Het vertegenwoordigen van de gemeente bij (hoor-) zittingen in bezwaar. Inspectie openbare ruimte (boa’
  1. s)Voornamelijk het bestrijden van kleine ergernissen zoals foutgeparkeerde voertuigen, wrakken, hondenoverlast, e.d. Daarnaast hebben zij een belangrijke signaalfunctie (ogen en oren) voor de politie en andere ketenpartners. De reguliere werkzaamheden bestaan uit surveilleren, signaleren, uitvoeren van controles en sanctioneren op basis van de APV. Toezicht en Handhaving (bouw) Toezichthouden op de bouwkwaliteit en op het naleven van de bouwregelgeving (voorschriften uit het Bbl) op de bouwplaats/bebouwde omgeving (bouwhandhaving), bij inrichtingen en het Omgevingsplan. Onder handhaving wordt hier verstaan het stilleggen van, niet conform de wet- en regelgeving uitgevoerde werkzaamheden, het signaleren en rapporteren van illegale bouw (zonder vergunning) en/of het bouwen in strijd met de afgegeven vergunning. Daarnaast maken zij onderdeel uit van de Rijswijkse Pandbrigade en hebben zij een rol in het toezicht op en de handhaving van de Wet goed verhuurderschap en de wet betaalbare huur. In beginsel gebeurt dit alleen op basis van meldingen. Toezichthouders Bijzondere wetten Toezicht houden op de naleving van de regelgeving uit de APV en de bijzondere wetten. Onder handhaving wordt verstaan, het signaleren en rapporteren over strijdige situaties, het waarschuwen en sanctioneren op overtredingen. De komst van de Ow en de Wkb hebben impact op de manier waarop het werk binnen gemeenten wordt uitgevoerd en georganiseerd. Dit brengt andere competenties en vaardigheden met zich mee. Voor diverse functies zijn daarom nieuwe competentie- en functieprofielen in kaart gebracht en waar nodig aangevuld/aangepast op basis van de competenties en vaardigheden die de nieuwe wetgeving van ons vraagt. 4.4U&H-voorwaarden Medio 2016 is de Wet Vergunningen, Toezicht en Handhaving (wet VTH) in werking getreden. Bij de inwerkingtreding van de Ow is deze wet integraal overgeheveld naar afdeling 18.3 van de Ow. De Wet VTH/Ow regelt de randvoorwaarden voor gemeenten en provincies om tot een hogere kwaliteit te komen van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het Ow taakveld. Om tot een hogere kwaliteit te komen van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn er landelijke kwaliteitseisen ontwikkeld, de Kwaliteitscriteria. Met de landelijk ontwikkelde Kwaliteitscriteria zijn er afspraken gemaakt over de minimale kwaliteit van de uitvoering van de U&H-taken. Dit geldt zowel voor de taken die worden uitgevoerd door een Regionale uitvoeringsdienst als voor U&H-taken die gemeenten in eigen beheer uitvoeren. Door de vaststelling van de ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Rijswijk 2023 (Verordening kwaliteit VTH)’ heeft de gemeenteraad vastgelegd dat de gemeente ernaar streeft te voldoen aan de kwaliteitscriteria (vigerende). Voor de Kwaliteitscriteria geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”. Een volledig overzicht van de geldende Kwaliteitscriteria en op welke manier deze geborgd zijn binnen onze organisatie is weergegeven in Bijlage H, Zelfevaluatie Kwaliteitscriteria. Daarnaast gelden er vanuit afdeling 18.3 Ow en afdeling 13.1 Omgevingsbesluit nog enkele aanvullende eisen. Welke dit zijn en hoe wij die geborgd hebben, is hieronder weergegeven. Functiescheiding taken De vergunningen-, toezichts- en handhavingstaken zijn verdeeld over twee verschillende teams, vallende binnen twee verschillende domeinen en daarmee op functieniveau gescheiden. Dit betekent in de uitvoeringspraktijk dat niet door één en dezelfde medewerker een vergunning wordt verleend om daar vervolgens ook toezicht op te houden. Roulatiesysteem Toezichthouders Gelet op het relatief beperkte oppervlakte (circa 14 vierkante kilometer) is de samenwerking tussen de verschillende toezichthouders intens en staan de toezichthouders voortdurend in contact met elkaar. Er vindt regulier afstemming plaats. Er is tot heden derhalve niet ingezet op het wisselen van wijk. Voor vergunningverlening en de juridische ondersteuning wordt ingezet op ‘het 4-ogen’ principe. Dit houdt in dat vergunningen en handhavingsbeschikkingen op regelmatige basis worden tegengelezen door een collega. Hiermee bevorderen we de kwaliteit van onze beschikkingen en werken we tevens eventueel ontstane afhankelijkheid tegen. Taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden vastgelegd Voor alle medewerkers binnen de organisatie zijn de taken en verantwoordelijkheden vastgelegd in functieomschrijvingen binnen het functiehuis. Daarnaast is in het gemeentelijke bevoegdhedenoverzicht geregeld welke taken door respectievelijk de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders aan de medewerkers, die belast zijn met de uitvoering van de U&H-taken, zijn gemandateerd. Zoals hierboven aangegeven hebben de komst van de Ow en de Wkb impact op de manier waarop het werk binnen de gemeente wordt uitgevoerd. Daarom zijn er nieuwe functieprofielen ontwikkeld. Ten aanzien van een gemeentelijke handhaver, een boa, geldt dat er een wettelijke verplichting bestaat om zijn/haar bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden op schrift vast te leggen. Alle boa’s zijn als zodanig aangewezen en aangesteld door het bevoegde bestuursorgaan (college van burgemeester en wethouders, dan wel de burgemeester), al dan niet onder mandaat. Bij de aanwijzingsbesluiten is vastgelegd ten aanzien van welke regelgeving zij de toezichthoudende bevoegdheden hebben. Actueel beleid Met het vaststellen van voorliggende U&H-strategie en de hieraan gekoppelde jaarlijkse Uitvoeringsprogramma’s en Jaarverslagen wordt voldaan aan deze wettelijke (kwaliteits)eis. Hierop wordt jaarlijks toegezien door de provincie in het kader van het Interbestuurlijk toezicht (IBT) omgevingsrecht (zie ook paragraaf 1.6). Werkprocessen beschreven De uitvoering van de U&H-taken geschiedt conform werkprocessen. De werkprocessen worden uitgewerkt en/of zijn verwerkt/opgenomen in de digitale werkomgeving. Met de inwerkingtreding van de Ow en de Wkb zijn en/of worden de werkprocessen (deels) vernieuwd. Buiten kantooruren bereikbaar Gemeenten moeten voor ongewone voorvallen, klachten en meldingen 24 uur per dag bereikbaar en beschikbaar zijn. Concreet betekent dit dat de gemeente buiten kantoortijden een bereikbaarheidsregeling moeten organiseren. Klachten en meldingen van overlast in het fysiek domein kunnen 24/7 via de website van de gemeente Rijswijk gemeld worden. Het formulier op de website ondersteunt een voortvarende afhandeling (gerichte vragen naar informatie, snel doorgeleiden naar verantwoordelijke ambtenaar). Daarnaast draaien we mee in het samenwerkingsverband voor de crisis en rampenbestrijding. Hiervoor is door middel van een piketdienst de 24/7 bereikbaarheid ingericht. Deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025 – 2028 gemeente Rijswijk met bijhorende bijlage A tot en met H vervangt het VTH-uitvoeringsbeleid fysieke leefomgeving 2023-2027 en de Kadernota Toezicht en Handhaving 2019-2023. Indien u vragen heeft over de inhoud van het beleid kunt u contact opnemen met Team Vergunningen, Archeologie en Monumentenzorg van de gemeente, bereikbaar via het algemene nummer: 14 070 of +31 70 326 10 00 BijlageA: Terugblik beleidsperiode 2023-2024 VTH-uitvoeringsbeleid Fysieke leefomgeving 2023-2027 Inleiding In maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders het VTH-uitvoeringsbeleid Fysieke leefomgeving 2023-2027 vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 moet het meerjarige beleid “Omgevingswetproof” gemaakt worden. Daarnaast is in de praktijk gebleken dat het nieuwe beleid helaas (nog) niet voldoende handvatten biedt voor de dagelijkse uitvoering van de VTH-werkzaamheden. Zo ontbreekt een eenduidige vergunningenstrategie en zijn er geen (meetbare) doelen gekoppeld aan de uitvoering van de taken. Beide onderdelen zijn in het kader van het interbestuurlijk toezicht verplicht om goed in het beleid te borgen. Tevens is het, gelet op de beschikbare capaciteit wenselijk om de taken (meer) ‘risico-gestuurd’ in te richten. Door risico-gestuurd te werken zet Rijswijk de beschikbare capaciteit in daar waar de (bouw- en omgevings-)risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis het (meest) nodig is. Waar de risico’s het hoogst zijn wordt intensiever en/of sneller gehandeld, daar waar de risico’s minder hoog of laag zijn, wordt minder intensief en/of minder snel gehandeld. Het VTH-uitvoeringsbeleid Fysieke leefomgeving 2023-2027 is daarom geëvalueerd. Daaruit is geconcludeerd dat het in 2023 vastgestelde beleid herzien moet worden. Daarbij is als uitgangspunt bepaald dat we vast houden aan wat al goed is en/of goed gaat. Aangevuld met verbeteringen waar dit mogelijk en nodig is. In het Jaar(evaluatie)verslag VTH 2023 is reeds inhoudelijk teruggeblikt op het in 2023 vastgestelde meerjarige beleidskader.11Door het college vastgesteld op 3 september 2024. Hieronder volgen enkele aanvullende bijzonderheden ten aanzien van het VTH-uitvoeringsbeleid Fysieke leefomgeving 2023-2027 en de daaruit voortkomende verbeteracties. Cyclisch en programmatisch werken (oordeel IBT) In het omgevingsrecht zijn er bepaalde regels opgenomen waaraan overheden zich moeten houden bij het uitvoeren van hun U&H-taken. Deze regels zijn er om de veiligheid en gezondheid van mens en natuur te beschermen. De provincie beoordeelt of gemeenten het uitvoeren van de U&H-taken zó hebben ingericht, dat deze adequaat uitgevoerd kunnen worden. Dit wordt gedaan aan de hand van een actueel strategisch en operationeel beleid alsmede een jaarlijks uitvoeringsprogramma en een jaar(evaluatie)verslag. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt vooruit gekeken naar de activiteiten die het komende jaar worden uitgevoerd. In het jaarverslag wordt gerapporteerd over de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen uit het beleid. Naar aanleiding van het jaarverslag wordt het beleid bezien en zo nodig aangepast. Door de jaarlijkse terugblik in het jaarverslag en het jaarlijks vooruitkijken in het uitvoeringsprogramma blijft het beleid aansluiten op de praktijk en is het evaluatieonderdeel gedurende de looptijd van het beleidsplan geborgd. In de afgelopen jaren is het structureel en/of tijdig opstellen van de documenten uit de wettelijk verplichte cyclus niet elke keer optimaal geweest. In het kader van het IBT vanuit de provincie Zuid-Holland zijn afspraken gemaakt ter verbetering. Met de vaststelling van het Uitvoeringsprogramma 2024 is daarom gestart met een nieuwe werkwijze.12Door het college vastgesteld op 13 februari 2024. Namelijk dat we ervoor kiezen om geen uitgebreid tekstueel document op te stellen maar volstaan met een overzichtelijk A3 waarin beknopt het programma voor het voorliggende jaar gepresenteerd wordt. We zetten hiermee in op een meer praktische invulling van de jaarlijkse beleidscyclus en gaan er vanuit hiermee het behalen van de provinciale termijnen te bespoedigen. Daarnaast is toegezegd dat een nieuw vierjarig beleidskader opgesteld wordt dat meer handvatten bied voor jaarlijkse programmering, uitvoering, planning, monitoring en evaluatie. Onder voorbehoud van deze afspraken is Rijswijk in 2023 geplaatst op trede 2b (oranje). Deze score betekent dat de provincie tijd en ruimte geeft voor de benodigde verbeteringen. Met het doorvoeren van de geschetste verbeteringen kunnen we aantonen dat het slechts en tijdelijke achterstand in de taakuitvoering betreft en er geen sprake is van structurele taakverwaarlozing. Met de vaststelling van het Uitvoeringsprogramma 2024 in februari 2024 en het Jaar(evaluatie)verslag 2023 in september 2024 is Rijswijk geplaatst op trede 1 (groen/signaleren). Dit betekent dat de provincie de verbeterslag signaleert en de voorzetting ervan in de gaten houdt. Risico-gestuurd werken Zoals in de inleiding reeds is aangegeven is het, gelet op de beschikbare capaciteit wenselijk om het werk (meer) ‘risico-gestuurd’ in te richten. Door risico-gestuurd te werken zet Rijswijk de beschikbare capaciteit in daar waar de (bouw- en omgevings-)risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis het (meest) nodig is. Waar de risico’s het hoogst zijn wordt intensiever en/of sneller gehandeld, daar waar de risico’s minder of laag zijn, wordt minder intensief en/of minder snel gehandeld. In de praktijk wordt dit principe wel al toegepast. We kunnen immers niet overal tegelijk zijn en moeten daarom keuzes maken. Risico-gestuurd werken is door de wetgever en op basis van jurisprudentie toegestaan mits dit gebeurt op basis van een risicoafweging. Als onderdeel van de nieuwe U&H-strategie is een omgevingsanalyse uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar het grondgebied van de gemeente en de aandachtspunten per gebied. Daarbij is aansluiting gezocht bij de (verkenning van
  2. de)Omgevingsvisie. Daarnaast is op activiteitenniveau een risicoanalyse uitgevoerd. Het risico-gestuurd werken is naast toezicht en handhaving ook van toepassing op vergunningverlening. Dit sluit aan bij het gedachtegoed van de Omgevingswet waarbij er meer ruimte komt voor initiatieven maar dat daar tegenover ook meer verantwoordelijkheid vanuit de initiatiefnemers wordt verwacht. Overheden, bedrijven én burgers zijn samen verantwoordelijk voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit is dus niet alleen de taak van de overheid. In de nieuwe strategie heeft dit vorm gekregen in het Toets- en Toezichtprotocol (bijlage D en E van de U&H-strategie) maar ook in de manier waarop, en met name de snelheid/termijn waarmee wordt gehandeld bij meldingen, klachten en verzoeken om handhaving. Integraal U&H-beleid Om meer samenhang en integraliteit te creëren kiezen we, t.o.v. het VTH-uitvoeringsbeleid Fysieke leefomgeving 2023-2027 om het hernieuwde beleidskader een bredere reikwijdte geven. Het hernieuwde beleidskader ziet toe op zowel de taken op grond van de Ow als op de taken op grond van de APV en de bijzondere wetten. Daarnaast is in de nieuwe strategie gekozen om het beleid aan te vullen met de inzet van de toezichthouders bijzondere wetten en de inspecteurs openbare ruimte (boa’s). Op deze manier zijn alle U&H-taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving verenigd in één beleidsdocument. Daarnaast draagt deze samenvoeging van de U&H-taken bij aan het realiseren van meer samenhang op bestuurlijke speerpunten zoals bijvoorbeeld de aanpak van ondermijning. Tot slot sluit dit ook aan bij de samenstelling van de teams Vergunningen, Archeologie en Monumentenzorg en Veiligheid, Inspectie en Handhaving. BIJLAGEB: Doelen- en resultatenoverzicht U&H-strategie 2025-2028 Hieronder wordt een volledig overzicht gegeven van de visie, de missie/ambities, de doelen en de daaraan gekoppelde activiteiten en indicatoren. Het betreft indicatoren en actiepunten naast de uitvoering van de reguliere (wettelijke) Uitvoerings- en Handhavingstaken (verder U&H-taken). Conform de jaarlijkse U&H-cyclus, volgt de jaarlijkse planning in het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma (zie ook paragraaf 1.4 van de U&H-strategie). Hieronder in de figuur worden de visie, de missie/ambities (1 t/m 4) en daaraan gekoppelde activiteiten (a, b en
  3. c)voor de komende beleidsperiode schematisch weergegeven (zie ook paragraaf 1.5 van de U&H-strategie). Met het behalen van bovenstaande doelstellingen worden de volgende resultaten beoogd: de beschikbare capaciteit wordt ingezet daar waar onze kennis en kunde (het meest) nodig is (1b, 2b); eigen verantwoordelijkheid en naleefgedrag van inwoners en bedrijven wordt gestimuleerd (1 a, b en c, 2a, b en c); (preventieve) handhaving op basis van (bestuurlijke) thema’s (2b, 3a en 3b); een organisatie waar kennis en kunde aanwezig is en de mensen beschikken over voldoende werkervaring
(4b); een organisatie die voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen (4a en 4b); dat het werken volgens de BIG8-cyclus een vanzelfsprekendheid is en dat alle medewerkers een tastbare bijdrage leveren aan de kwaliteit van de uitvoering van de U&H-taken
(4a). leveren aan de kwaliteit van de uitvoering van de U&H-taken
(4a). Ambities/doelen, activiteiten en (meetbare) indicatoren DOEL PLANNING VOORTGANG Bevorderen eigen verantwoordelijkheid en betrokkenheid van inwoners en bedrijven Omgevingswet- en Wkb-proof werken Structureel evalueren en aanscherpen van het proces van de intaketafel en de omgevingstafel(s). Verder uitwerken open- en/of gesloten normen in het omgevingsplan; Opstellen beleidsregels voor het intrekken van ongebruikte omgevingsvergunningen; Gereed maken competentieprofielen toezichthouders en handhavers. Jaarlijks 2025-2026 2025 2025 In welke mate er met gesloten- of open normen gewerkt gaat worden, wordt de komende jaren meer (en verder) vormgegeven. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de gedachte van de Ow. In aanloop naar het Omgevingsplan is het opportuun om ongebruikte omgevingsvergunningen in te trekken. De VNG modellen worden hierbij in acht genomen. Risico-gestuurd werken o.b.v. prioriteiten In 80%-100% van alle aanvragen hebben we de aanvragen getoetst conform het Toetsprotocol; In 80%-100% van alle vergunningen/meldingen hebben we toezicht gehouden conform het Toezichtprotocol. Jaarlijks Jaarlijks Monitoren of zich situaties voordoen waarbij afwijking van de protocollen nodig is en hoe vaak dit voorkomt. Indien er aanleiding is tot het aanpassen van de protocollen wordt dit meegenomen in de jaarlijkse cyclus. Inzet op tijdige en volledige aanvragen We sturen actief op het aanvragen van een conceptaanvraag. In 60%-80% leidt een conceptaanvraag tot een volledige en juiste aanvraag; We streven ernaar om tenminste 75% van de evenementenvergunningen minimaal 6 weken voorafgaand aan het evenement te verstrekken, mits de aanvraag tijdig dan wel uiterlijk conform de termijn zoals vastgelegd in de APV, is ingediend; Onderzoeken mogelijkheden invoeren exploitatievergunning voor automotive bedrijven. Jaarlijks Jaarlijks 2026-2027 Monitoren doorlooptijden, monitoring aantal onvolledige aanvragen die buiten behandeling zijn gesteld en % volledige aanvragen. Het voornemen is om in het onderzochte risicogebied wederom een exploitatievergunningplicht op te nemen. Borgen en verbeteren naleefgedrag van inwoners en bedrijven Actieve en transparante communicatie Maximaal 10% gegronde verzoeken om handhaving t.o.v. het totaal ingediende aantal verzoeken; Maximaal 10% gegronde bezwaren t.o.v. totaal aantal ingediende bezwaren; 90% van de bezwaarschriften leiden niet tot herroeping van het besluit; Maximaal 2% gegronde beroepen t.o.v. totaal aantal ingediende beroepen. Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks D.m.v. actieve en transparante communicatie over geldende wet- en regelgeving is duidelijk wat wel/niet toegestaan is en welke verantwoordelijkheid eenieder hierin heeft. Preventieve handhaving op kleine ergernissen 2025-2028 Bouwmelding en dossier bevoegd gezag toetsen op hoofdlijnen (Minimaal) 2 bouwmeldingen en dossier bevoegd gezag worden (volledig) inhoudelijk beoordeeld. Jaarlijks In beginsel hanteren we het uitgangspunt dat we vertrouwen en mogen vertrouwen op de deskundigheid van de kwaliteitsborger en laten we de verantwoordelijkheid daar waar deze hoort. Voor een controle op de kwaliteit beoordelen we minimaal 2 ingediende bouwmeldingen en minimaal 2 aangeleverde dossiers bevoegd gezag volledig inhoudelijk. Doeltreffend en efficiënt handhaven Vaststellen van handhavings-prioriteiten. Jaarlijks vaststellen van handhavingsprioriteiten (bouw en openbare ruimte); Handhavingsverzoeken met een prioritering ‘Zeer hoog’ worden direct opgepakt; ≤ 8 weken wordt gereageerd op een verzoek om handhaving; Opstellen beleidsregels voor handhaving op de Wet goed verhuurderschap/betaalbare huur; Onderzoeken wenselijkheid indicatieve hoogtes dwangsommen toevoegen aan de Handhavingsstrategie (bijlage G bij de U&H-strategie). Jaarlijks 2025-2028 Jaarlijks 2025 2026 Jaarlijks worden de handhavingsprioriteiten geëvalueerd en aangepast indien hiertoe aanleiding is. Op basis van de prioritering wordt capaciteit ingezet. Verzoeken om handhaving worden behandeld o.b.v. prioritering. Met in achtneming van de prioritering. Een reactie kan dus ook betekenen dat een brief (geen besluit) zijn waarin wordt medegedeeld dat het verzoek i.v.m. een lage prioriteit, pas later opgepakt wordt. Indien het opportuun is om met vaste indicaties voor de hoogtes van dwangsommen te werken, wordt de Handhavingsstrategie (Bijlage G bij de U&H-strategie) hiermee aangevuld. Themagericht handhaven: ondermijning, veilige huisvesting (pandbrigade) Integrale aanpak op ondermijning, veilige huisvesting (pandbrigade), illegale bewoning en illegale prostitutie; We streven ernaar om jaarlijks minimaal 15 controles uit te voeren met de pandbrigade; Vanuit bouwtoezicht: inventariseren of er meerdere meldingen, klachten of handhavingsverzoeken gezamenlijk opgepakt kunnen worden (projectmatig) i.p.v. optreden per geval; Vanuit boa’s: door middel van (frequente) acties capaciteit inzetten op een bepaald thema in een specifiek(e) wijk of gebied (zie ook 2b.). 2025-2028 2025-2028 2025-2028 2025-2028 Aantal keer dat de inspecteurs meegegaan zijn tijdens een controle. Voorwaarde hierbij is dat de situatie zich moet lenen voor een projectmatige aanpak. De toezichthouders en inspecteurs gaan op basis van verzamelde data uit
(1)afgedane en nieuwe meldingen en klachten,
(2)signalen van partners en
(3)uit eigen constateringen, zoveel mogelijk projectmatig werken. Dit houdt in dat de boa’s (preventief) ingezet worden daar waar het, op basis van verzamelde data, (het meest) nodig is. Voorbeelden van (preventieve) actie-controles zijn hondenpoep, afval en fietsoverlast in de centra. Optimaliseren samenwerking gemeente - politie. De samenwerking met de politie wordt vastgelegd in een handhavingsarrangement. 2025-2026 Optimaliseren kwaliteit uitvoering U&H-taken Sluitende BIG8-cyclus De benodigde documenten worden volledig en tijdig gereed gemaakt in het kader van het IBT; Rapporteren over de gemeentelijke zorgplicht (Kwaliteitscriteria); Vaststelling nieuwe verordening Kwaliteit met grondslag de Ow. 2025-2028 Jaarlijks 2025 Gemeenten moeten beschikken over een vigerende meerjarige U&H-strategie, een jaarlijks uitvoeringsprogramma (vastgesteld voor 1 februari) en een Jaar(evaluatie)verslag (vastgesteld voor 15 juli). In het Uitvoeringsprogramma wordt aangegeven op welke onderdelen van de Kwaliteitscriteria wordt voldaan of waar gemotiveerd wordt afgeweken. Met de inwerkingtreding van de Ow wijzigt de grondslag van de huidige Verordening Kwaliteit (van de Wabo naar de Ow). De VNG heeft hiervoor een nieuwe modelverordening beschikbaar gesteld. Borgen kwaliteit van de organisatie en de medewerkers. Op alle uitgaande stukken (besluiten en meldingen) vergunningen en handhavings-beschikkingen passen we het 4-ogen principe toe; Op de berekening van de leges en de opgevoerde legesgrondslag passen we het 4-ogenprincipe toe. Jaarlijks Jaarlijks Het betreft het tegenlezen van alle uitgaande stukken.. Het betreft het tegenlezen van de besluiten. BijlageC: Omgevingsanalyse & prioriteitenlijst De Omgevingsanalyse is een instrument dat we hebben toegepast om onze (toekomstige) ‘Omgeving’ zo goed en volledig mogelijk in beeld te brengen. Met de (toekomstige) ‘Omgeving’ bedoelen we de omgeving binnen onze gemeente in de meest brede zin, het gehele grondgebied (fysieke leefomgeving/openbare ruimte) met al haar kenmerken (gebouwen, bewoners/ bedrijven/instellingen, natuur etc.) waarvan we (niet) weten of, en in hoeverre hier sprake is van risico’s en/of risicovolle activiteiten en/of ontwikkelingen. De Omgevingsanalyse bestaat uit een
(1)Gebieds-,
(2)Probleem- (incl. analyse van inzichten) en een
(3)Risicoanalyse. Op basis van de Omgevingsanalyse kunnen we bepalen waar we gedurende deze beleidscyclus onze prioriteiten leggen voor de uitvoering van onze U&H-taken. De Omgevingsanalyse hebben we uitgevoerd door workshops te houden met een vertegenwoordiging van de ambtelijke uitvoeringsorganisatie (de inhoudelijke vakspecialisten). Hieronder volgen de uitkomsten van de gebieds- en probleemanalyse. Er worden 5 gebieden onderscheiden te weten,
(1)Centrumgebied,
(2)Landgoederenzone/ (stads)parkzone,
(3)Bestaande/rustige woonwijk,
(4)Bedrijventerrein en
(5)Gemengd wonen en werken. Voor deze gebiedsindeling is aansluiting gezocht bij de indeling zoals gehanteerd in het (in ontwikkeling zijnde) omgevingsplan en de Verkenning omgevingsvisie gemeente Rijswijk (oktober 2023). Omdat zowel het omgevingsplan als de omgevingsvisie nog in ontwikkeling zijn, is het mogelijk dat de gehanteerde gebiedsindeling uiteindelijk nog (iets) aangepast wordt. Echter is het voor deze omgevingsanalyse een goed en gedegen uitgangspunt. Per gebied hebben we de huidige problemen/aandachtpunten benoemd waarmee bij de uitvoering van onze U&H-taken rekening wordt houden. Risicoanalyse Voor de risicoanalyse zijn in de ambtelijke workshops met de inhoudelijke vakspecialisten de (risicovolle) activiteiten in kaart gebracht. Niet iedere activiteit die wordt ontplooid kent immers dezelfde risico´s als er iets mis gaat en/of als wij onze U&H-taken op deze activiteiten niet zouden uitvoeren. Om inzicht te krijgen in het risico als wij onze U&H-taken op deze activiteiten niet uitvoeren, is er aan de hand van zes landelijke criteria gekeken naar (de impact van) de mogelijke negatieve effecten. Wij hebben hierbij de volgende negatieve effecten onderscheiden: Veiligheid & Gezondheid: Fysiek letsel (doden/gewonden) dat direct ontstaat & eventuele schade aan de gezondheid van de mens. Leefbaarheid: De beleving van bewoners als het gaat om het gevoel van onveiligheid en eventuele verloedering. Ruimtelijke Kwaliteit & Cultuurhistorie: De kwaliteit van de fysieke leefomgeving en (cultureel) erfgoed. Bestuurlijk(imago): Imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie. Ontstaan van een afbreuk aan de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en de integriteit van het gemeentebestuur. Financieel/economisch: Schade voor (door) de gemeente (te vergoeden) als gevolg van de calamiteit. Duurzaamheid: Afbreuk en schade aan de kwaliteit van het leefmilieu (milieuvervuiling) als gevolg van een verstoring/calamiteit). Daarnaast is ook meegewogen de te verwachten aantallen aanvragen en meldingen, de aard en de te verwachten complexiteit van de aanvragen. Scorebepaling Aan de hand van de weging is per activiteit een ‘risicoscore’ bepaald. Deze risicoscore geeft per activiteit aan of het negatieve effect ‘Groot’, ‘Gemiddeld’ of ‘Klein’ is. Vervolgens is afgewogen wat de kans is op een overtreding op het moment dat wij onze U&H-taken niet zouden uitvoeren. Ook hiervoor is per activiteit een afweging gemaakt of deze ‘Groot’, ‘Gemiddeld’ of ‘Klein’ is. De afweging van het negatieve effect maal de kans heeft uiteindelijk geleid tot een ‘prioriteit’ van ‘Zeer Hoog’, ‘Hoog’, ‘Gemiddeld’, ‘Laag’ of ‘Zeer Laag’ (zie figuur 1 hiernaast). Figuur 1: weging negatief effect x kans Hieronder worden vervolgens de prioriteiten weergegeven van ‘Zeer Hoog’ tot en met ‘Zeer Laag’. Daarop volgend wordt de volledige activiteitenlijst met bijbehorende prioritering weergegeven. In verband met de nieuwe wetgeving wordt hieronder ter toelichting het verschil tussen de gevolgklasses weergegeven. Belangrijk om hierbij op te merken is dat de minister heeft besloten om (tenminste) tot 1 juli 2025, gevolgklasse 1 te beperken tot nieuwbouw. Daarna gaan naar verwachting ook de verbouwactiviteiten onder gevolgklasse 1 vallen. Tevens is besloten om vanaf datum inwerkingtreding gevolgklasse 1 een periode van vijf jaar uit te trekken om partijen voldoende tijd te geven om de werkwijze van het nieuwe stelsel goed te kunnen borgen in de organisaties en een gedegen voorbereidingstijd op nadere gevolgklassen te geven. Gevolgklassen 2 en 3 zullen daarmee niet eerder dan 2028 worden ingevoerd.13 Brief van De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Hugo de Jonge d.d. 14 november 2022 met kenmerk 2022-0000546020 en Brief d.d. 6 juni 2024 met kenmerk 2024-
  1. Gevolgklasse 1: de persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan zijn beperkt. In deze gevolgklasse vallen o.a. woningen, eenvoudige bedrijfsgebouwen, vakantiehuisjes. Gevolgklasse 2: reële kans op persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hierbij valt te denken aan bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen en woongebouwen tot 70 meter hoogte. Gevolgklasse 3: kans op aanzienlijke persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hieronder kunnen vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalstadions, ziekenhuizen en gebouwen hoger dan 70 meter. Prioriteiten ‘Zeer Hoog’, ‘Hoog’ en ‘Gemiddeld’ Prioriteiten ‘Laag’ en ‘Zeer Laag’. BijlageD: Vergunningen Toetsprotocol Bbl Inleiding Voor u ligt het ‘Vergunningen Toetsprotocol’ (hierna: Toetsprotocol). Dit Toetsprotocol maakt deel uit van de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 van de gemeente Rijswijk. In het Toetsprotocol is vastgelegd met welke intensiteit een bouwplan, dat ingediend is bij de gemeente Rijswijk, getoetst wordt aan wet- en regelgeving. Hierdoor wordt weloverwogen en herleidbaar aangegeven welke toets-aspecten aandacht verdienen en hoeveel aandacht de verschillende toets-aspecten krijgen. Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden getoetst aan de voorschriften uit het omgevingsplan, de redelijke eisen van welstand en in bepaalde gevallen (ook nog) aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Met de komst van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) voeren we voor een aantal nieuw te bouwen bouwwerken vooraf geen bouwkundige toetsing meer uit. Het betreft (voor nu) alleen de bouwwerken die vallen in gevolgklasse I. Voor alle overige bouwwerken geldt nog steeds dat tijdens het vergunningenproces vooraf moet worden getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), de opvolger van het Bouwbesluit
  2. De wetgever heeft de technische voorschriften uit het Bbl niet gedifferentieerd naar zwaarte. Bij de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning moet voor bepaalde normen worden bepaald of het aannemelijk is dat aan de normen uit het Bbl wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in toetsintensiteit. Door het Toetsprotocol wordt hier invulling aan gegeven. Net als voor alle andere gemeenten is het ook voor Rijswijk praktisch niet mogelijk om alle voorschriften even uitputtend te toetsen. Ook vraagt niet elk gebouw/bouwwerk om dezelfde mate van toetsing en controle. Bouwplannen lopen immers zeer uiteen. Met het vaststellen van een Toetsprotocol worden bouwplannen eenduidig, consequent, transparant en adequaat getoetst. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan en worden keuzes en prioriteiten gemotiveerd en bestuurlijk vastgelegd. Prioriteiten ‘Zeer Laag’ oplopend tot ‘Zeer Hoog’ In het Toetsprotocol komt de prioritering van de activiteiten uit de U&H-strategie (Bijlage C) en het niveau (de diepgang) van toetsen samen. Om het risico van een bouwwerk/gebouw te bepalen is voor verschillende vergunningplichtige activiteiten, door middel van een risicoafwegingsmodel, een prioriteit bepaald (zie ook paragraaf 2.3.2 van de U&H-strategie en Bijlage C). In het risicoafwegingsmodel is aan de hand van zes landelijke criteria bij elke activiteit gekeken welke maximale geloofwaardige calamiteit kan optreden bij normaal gebruik of normale bedrijfsvoering. Het betreffen de criteria ‘Veiligheid & Gezondheid’, ‘Leefbaarheid’, ‘Ruimtelijke Kwaliteit & Cultuurhistorie’, ‘Bestuurlijk(imago)’, ‘Financieel/economisch’ en ‘Duurzaamheid’. Alle activiteiten hebben een eigen prioritering gekregen. Aan elke prioriteit is een niveau van toetsen verbonden. De werkwijze komt er op neer dat hoe groter het risico is, hoe meer er getoetst wordt en met een grotere diepgang/detail. Omgekeerd geldt dit ook, hoe lager het risico hoe minder (diepgaand) er wordt getoetst. Wij hanteren vijf prioriteringsniveaus van ‘Zeer Laag’ oplopend tot ‘Zeer Hoog’. Deze vijf prioriteringniveaus corresponderen met de volgende toetsintensiteit (elk volgend toetsniveau is een aanvulling op het vorige toetsniveau): Prioriteit Toetsniveau Soort toets Zeer Hoog 4 Integrale toets Hoog 3 Representatieve toets Gemiddeld 2 Hoofdlijnen toets Laag 1+ Betrouwbaarheidstoets+ Zeer Laag 1 Betrouwbaarheidstoets Tabel 1: De verschillende toetsniveaus. Hierbij zijn de volgende twee kanttekeningen van belang. Gemotiveerd afwijken Naast de vaste prioritering en de daarbij horende toetsniveaus is er te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of de vaste prioritering in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van de vastgelegde prioritering. Constructieve toets heeft eigen matrix Het uitvoeren van de constructieve toets wordt uitgevoerd door een externe partij. Indien een plan aan de betreffende partij wordt toegestuurd wordt deze altijd volledig getoetst. De toetsniveaus Hieronder volgt een uitgebreidere definitie van de verschillende toetsniveaus. Deze definities komen overeen met de landelijke definities. De diepgang van de toets kan variëren van geen toets tot volledig toetsen. Zoals eerder gemeld is elk volgend toetsniveau een aanvulling op het vorige. Niveau 1: Betrouwbaarheidstoets (Uitgangspuntentoets) Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten Bij toetsniveau 1 wordt gecontroleerd of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. De toetser bladert diagonaal door de stukken en bepaalt op ervaring zijn oordeel aangaande het betreffende aspect. Als het van toepassing is kijken we ook naar de uitkomst van bijvoorbeeld een berekening, want er mogen geen strijdigheden met het Bbl in de vergunning staan. Niveau 1 passen we toe op voorschriften waarvan de kans dat niet wordt voldaan gering is en de gevolgen indien niet wordt voldaan eveneens gering zijn, met andere woorden: als het risico gering wordt geacht. Niveau 1+: Betrouwbaarheidstoets+ Toetsniveau 1 aangevuld met een uitgangspunten toets op aanvullende onderdelen. Niveau 2: Hoofdlijnentoets (visueel toetsen) Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk Bij toetsniveau 2 worden van de aspecten de uitgangspunten gecontroleerd en bekeken wordt of de uitkomsten realistisch zijn voor het gekozen ontwerp. Ook de tekeningen worden opengeslagen en op basis van ervaring wordt gekeken of het ontwerp voldoet aan de gestelde uitgangspunten. Is een uitkomst niet aannemelijk, dan zal de berekening altijd nagerekend moeten worden of moet verzocht worden om aanvullende gegevens. Het is mogelijk om op basis van een aannemelijke uitkomst een vergunning te verlenen, nadere gegevens te vragen of een aanvullende buitencontrole voor te schrijven. Een vergunning weigeren op basis van een niet aannemelijke uitkomst zal vrijwel altijd in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Indien een uitkomst niet aannemelijk is, dan zal deze altijd gecontroleerd/nagerekend moeten worden of kan door middel van een verzoek om aanvullingen meer duidelijkheid verschaft worden. Bovenop wat bij niveau 1 wordt getoetst, wordt van ieder te toetsen aspect nagegaan of de uitgangspunten en de uitkomsten juist zijn. Niveau 3: Representatief toetsen Het toetsen van een aspect op niveau 2 aangevuld met een inhoudelijke toets van maatgevende onderdelen. Aanvullend op wat er getoetst is bij niveau 2, worden nu de belangrijkste berekeningen gecontroleerd dan wel nagerekend. Vanuit deze toets wordt vanuit vakmanschap in combinatie met de visuele toets bepaald welk onderdeel representatief is voor het gehele aspect en dit onderdeel wordt inhoudelijk getoetst. Niveau 3 is het niveau van toetsen voor voorschriften met betrekking tot met name kwetsbare groepen, zoals niet zelfredzame mensen en kinderen jonger dan 4 jaar. Niveau 3 is eveneens geadviseerd voor voorschriften die gesteld zijn in het algemeen belang. Het bepalen van wat de belangrijkste onderdelen zijn blijft een taak van de bouwplantoetser. Hiervoor is geen eenduidige instructie te geven. Welke aspecten moeten worden getoetst (nagerekend) wordt bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets. Niveau 4: integraal toetsen (volledige toets) Alles in samenhang controleren. Dit is een totale toets. Alle berekeningen worden nagerekend en van alle gegevens wordt gecontroleerd of er voldaan wordt aan de eisen. Niveau 4 wordt vaak (alleen) gebruikt met betrekking tot toepassing van gelijkwaardige oplossingen en ten aanzien van brandveiligheid. Niveau 4 is geschikt om bepaalde speerpunten binnen het gemeentelijk beleid extra invulling te geven. BijlageE: Toezichtprotocol Bbl Inleiding Voor u ligt het Toezichtprotocol Bbl (hierna: Toezichtprotocol). Dit Toezichtprotocol maakt deel uit van Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025–2028 gemeente Rijswijk. Het Toezichtprotocol heeft betrekking op de voorschriften uit het Bbl en is een hulpmiddel om te komen tot en het uitvoeren van integraal, kwalitatief, meetbaar en efficiënt toezicht op naleving van de Omgevingswet. In het Toezichtprotocol is de intensiteit van het bouwtoezicht vastgelegd. Bouwtoezicht heeft betrekking op de bouwkwaliteit en het naleven van de bouwregelgeving op de bouwplaats en bebouwde omgeving (bouwhandhaving). Het Toezichtprotocol is een praktisch werkinstrument voor het toezicht tijdens de (ver)bouwfase, de gebruiksfase en de sloopfase van een gebouw. Kenmerkend voor het Toezichtprotocol is een keuze voor prioriteiten: belangrijke zaken krijgen veel aandacht en minder belangrijke minder (risico-gestuurd werken). Met het vaststellen van een Toezichtprotocol: wordt er eenduidig, consequent en transparant toezicht gehouden. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken en bebouwde omgeving verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan; worden keuzes en prioriteiten gemotiveerd en bestuurlijk vastgelegd; kan naar inwoners en ondernemers herleidbaar worden aangegeven hoe er toezicht wordt gehouden op hun bouwplannen. Prioriteiten ‘Zeer Laag’ oplopend tot ‘Zeer Hoog’ In het Toezichtprotocol komt de prioritering van de activiteiten uit de U&H-strategie (Bijlage C) en het niveau (de diepgang) van toezichthouden samen. Zoals ook in de U&H-strategie (in paragraaf 2.4.2 en in Bijlage C) is toegelicht, is er aan de hand van zes landelijke criteria gekeken naar de impact en de omvang wanneer er onverhoopt iets misloopt. Het betreffen de criteria ‘Veiligheid & Gezondheid’, ‘Leefbaarheid’, ‘Ruimtelijke Kwaliteit & Cultuurhistorie’, ‘Bestuurlijk(imago)’, ‘Financieel/economisch’ en ‘Duurzaamheid’. Bij elke activiteit is gekeken welke maximale geloofwaardige calamiteit kan optreden bij normaal gebruik of normale bedrijfsvoering. Activiteiten zijn type gebouwen of bedrijven, bijvoorbeeld ‘wonen’, ‘industrie’ etc. Het resultaat is een prioriteitenlijst (Bijlage C). Alle activiteiten hebben een eigen prioritering gekregen. Wij hanteren vijf prioriteringsniveaus van ‘Zeer Laag’ (prioriteit 5) oplopend tot ‘Zeer Hoog’ (prioriteit 1). Deze vijf prioriteringniveaus corresponderen met de hieronder nader toegelichte toezichtniveaus. Activiteiten met prioriteit: ‘Zeer Hoog’ hebben een toezichtniveau 4, algehele controle; ‘Hoog’ hebben een toezichtniveau 3, beoordeling hoofdlijnen en kenmerkende details; ‘Gemiddeld’ hebben een toezichtniveau 2, beoordeling van hoofdlijnen; ‘Laag’ hebben een toezichtniveau 1, visuele controle (Quick scan); ‘Zeer Laag’ hebben een toezichtniveau S, steekproef. Naast de vaste prioritering en de daarbij horende toezichtniveaus is er te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per controle of object een inschatting te maken of de vaste prioritering in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van de vastgelegde prioritering. Toezichtniveaus Hieronder volgt een toelichting op de verschillende toezichtniveaus. Diepgang Omschrijving Voorbeelden S Steekproef Afhankelijk van een vermoeden van niet voldoen aan de voorschriften kan op bepaalde aspecten een steekproef worden gehouden (ca. 1 op de 5). De funderingsbalken van een klein bedrijfsgebouw worden bij enige twijfel bij de aannemer gecontroleerd, in andere gevallen helemaal niet. 1 Visuele controle (Quick scan) Beoordeling op basis van kennis en inzicht van de (bouw)inspecteur. Hierbij wordt in principe niet nagemeten, gecontroleerd op materiaalniveau of op vereiste waarden. Vanaf de weg kan worden gezien of een dakkapel is geplaatst conform tekening. Gekeken wordt of de afmetingen ruwweg overeenkomen en/of de indeling en de gebruikte materialen en kleuren in overeenstemming zijn met de verleende vergunning. 2 Beoordeling van hoofdlijnen en hoofdaspecten Beoordeling op het oog en met behulp van eenvoudige hulpmiddelen worden controles uitgevoerd. Er worden alleen overzichtstekeningen geraadpleegd. Bij twijfel vind raadpleging van detailtekeningen plaats. Op algemeen constructief inzicht wordt de aangebrachte wapening gecontroleerd. Daarnaast wordt er globaal gekeken naar afmetingen, isolatie e.d. 3 Beoordeling hoofdlijnen en kenmerkende details Beoordeling zoals bij diepgang 2 met daarbij meer oog voor maatvoering, materiaalkwaliteit, verankering, oplegging e.d. Detailtekeningen worden geraadpleegd voor specifieke kwetsbare elementen. De bewapening wordt over het geheel op hoofdlijnen gecontroleerd. Lokaal wordt bi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.