BESLUIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE VALKENBURG AAN DE GEUL Burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul; Gelet op de bepalingen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenburg aan de Geul 2020; Besluiten: Vast te stellen het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenburg aan de Geul, per 1 januari 2025 onder gelijktijdige intrekking van het Besluit Maatschappelijke ondersteuning Valkenburg aan de Geul 2019, versie 1. Het besluit is vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul op 25 maart 2025. Inleiding Voor u ligt het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: besluit). In dit besluit zijn nadere regels en bedragen opgenomen, die een uitwerking zijn van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenburg aan de Geul 2020 (hierna: verordening). De bijlagen en toelichting maken integraal onderdeel uit van het besluit. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen ARTIKEL1:BEGRIPSBEPALINGEN Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenburg aan de Geul 2019 of de Algemene Wet Bestuursrecht. Alle bedragen die in dit besluit worden genoemd, betreffen prijspeil 2026 en zijn inclusief BTW, tenzij anders is vermeld. In dit besluit wordt verstaan onder: 1.algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; 2.algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning 3.bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; 4.budgethouder: een ondersteuningsbehoevende aan wie ingevolge de verordening maatschappelijke ondersteuning een persoonsgebonden budget is toegekend, dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger. 5.college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul. 6.gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; 7.financiële tegemoetkoming: wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een forfaitair of gemaximeerd bedrag; 8.formele hulp: hulp die wordt geleverd door: a.een zorgaanbieder die als zorg verlenende organisatie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel conform de vereisten van de Handelsregisterwet 2007 en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager, of; b.een zorgaanbieder die staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager; c.een zelfstandige zonder personeel (zzp’
(2007)waaruit kan worden afgeleid dat iemand kan worden gecompenseerd door een financiële tegemoetkoming (zie bijvoorbeeld CRvB 29 februari 2012). Daarmee kan continuïteit geboden worden voor de bestaande praktijk. Bijvoorbeeld voor het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding of een tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Een financiële tegemoetkoming is slechts mogelijk bij de in het besluit benoemde gevallen en betreft een forfaitair of gemaximeerd bedrag. De term maatwerkvoorziening wordt in de wetgeving vaak als synoniem gebruikt voor een verstrekking in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt. Het college is in deze gevallen de opdrachtgever. Het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming zijn beide geldbedragen. ARTIKEL2:AFWEGINGSKADER Tijdens de toegangsprocedure wordt beoordeeld welke (combinatie van) ondersteuning passend is bij de hulpvraag van de belanghebbende. Hierbij wordt eerst beoordeeld welke mogelijkheden er liggen in: -de eigen kracht van de hulpvrager, -de gebruikelijke hulp of gebruikelijke voorzieningen, -de mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk -de wettelijk voorliggende voorzieningen en algemene voorzieningen Pas nadat uit het onderzoek van artikel 6 van de verordening is geconcludeerd dat de hulpvraag hiermee niet, of niet geheel kan worden beantwoord is een maatwerkvoorziening aan de orde. Er is een breed aanbod aan algemene voorzieningen beschikbaar. Denk hierbij aan voorzieningen binnen het onderwijs, de jeugdgezondheidszorg, welzijnsvoorzieningen, sport en cultuur. Belanghebbenden die een lichte, eenvoudige ondersteuningsvraag hebben, kunnen hier doorgaans zonder indicatie van de gemeente terecht ARTIKEL3:ALGEMEEN GEBRUIKELIJKE VOORZIENINGEN In dit artikel wordt expliciet gemaakt dat voorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt niet voor verstrekking als maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking komen. Lid 2 verwijst naar een niet limitatieve opsomming van algemeen gebruikelijke voorzieningen gebaseerd op het huidige beleid en de jurisprudentie op dit terrein. Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken belanghebbende, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperking of probleem had, de beschikking zou (kunnen) hebben, waarbij tevens verwacht wordt dat een burger anticipeert op een normale levensloop. ARTIKEL4:GEBRUIKELIJKE HULP In dit artikel wordt expliciet gemaakt dat hulp die als gebruikelijk kan worden aangemerkt niet voor verstrekking als maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking komt. Uitgangspunt is dat mensen die samen een leefeenheid vormen, elkaar horen te helpen, waar dat kan. Ze zijn dus ook gezamenlijk verantwoordelijk voor het huishouden. Het aandeel dat ieder lid van de leefeenheid geacht wordt bij te kunnen dragen aan het huishouden, wordt gebruikelijke zorg genoemd. Als de belanghebbende alleen woont of voor de betreffende hulp bepaalde specialistische kennis of vaardigheden nodig zijn, is gebruikelijke hulp niet aan de orde. Lid 2 bevat een verwijzing naar de richtlijn gebruikelijke hulp die bij de beoordeling wordt gehanteerd. Deze richtlijn is voor wat betreft de dienstverlening huishoudelijke hulp gebaseerd op het bestaande beleid en voor wat betreft de nieuwe taken op hoofdstuk 4 van de CIZ indicatiewijzer 2014 zoals deze werd gehanteerd in de Algemene wet bijzondere ziektekosten. ARTIKEL5:PRIMAAT VERHUIZING Het College beoordeelt allereerst of het resultaat ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Ook het verhuizen naar een andere buurt of wijk dan waar de belanghebbende op dat moment woont is hier een mogelijkheid. Lid 2 somt daarnaast een aantal omstandigheden op die ertoe leiden dat het primaat van de verhuizing niet kan worden toegepast. Afwijken van het primaat van de verhuizing is in uitzonderingssituaties ook mogelijk op grond van andere redenen dan welke genoemd worden in dit artikel. Hierbij is te denken aan de afhankelijkheid van de verzorgingsbehoevende aan mantelzorgers die in de directe omgeving wonen en die vaak en direct oproepbaar dienen te zijn en de verzorgingsbehoevende zonder de mantelzorger niet zelfstandig kan functioneren. Het in lid 3 opgenomen forfaitaire bedrag is overgenomen uit 2014 en is tot stand gekomen op basis van prijsopgaven. ARTIKEL6:RICHTLIJN HULP BIJ HET HUISHOUDEN Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat een huishouden voeren is een zeer subjectief begrip waarop iedereen eigen normen en waarden hanteert. Om dit te objectiveren hanteert de gemeente een richtlijn. De werkzaamheden die onder huishoudelijke verzorging vallen, zijn in de richtlijn huishoudelijke hulp beschreven en genormeerd in tijd, afhankelijk van het aantal personen in het huishouden en de grootte van het huis. Ten aanzien van dat laatste wordt uitgegaan van het aantal kamers dat gezien de omvang van het huishouden nodig is, niet met het werkelijke aantal kamers, als het huis groter is. Met het hanteren van de richtlijn huishoudelijke hulp wordt het bestaande beleid gecontinueerd. De passende ondersteuning op dit terrein heeft betrekking op de ruimten die - op het niveau sociale woningbouw - voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, leefbaar te houden. ARTIKEL7:RICHTLIJN BEGELEIDING Begeleiding is gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekt tot voorkoming van opname in een instelling of van verwaarlozing. De richtlijn Begeleiding bevat de beleidsregels voor de toekenning van de dienstverlening begeleiding. Met het opnemen van deze beleidsregels in het besluit maatschappelijke ondersteuning maakt de gemeente duidelijk wanneer en in welke mate begeleiding aan de orde is. Tevens wordt transparant welke indeling wordt gehanteerd bij de dienstverlening begeleiding individueel en begeleiding groep. De beleidsregels bieden consulenten handvatten voor het maken van de indeling van de zorgbehoefte van de cliënt in de door gemeenten gehanteerde segmenten. Belangrijk is te onderstrepen dat in alle gevallen de individuele situatie van de cliënt het uitgangspunt blijft. Ook de in deze richtlijn opgenomen tijdsnormeringen zijn slechts indicatief. Ieder segment kent een bandbreedte die de zorgverlener de ruimte biedt om de omvang van de dienstverlening af te stemmen op de daadwerkelijke zorgbehoefte. De omvang van de zorglevering kan incidenteel of tijdelijk de bandbreedte overschrijden. ARTIKEL8:HULP BIJ HET HUISHOUDEN Hier worden de activiteiten beschreven behorende tot hulp bij het huishouden en welke geïndiceerd kunnen worden om passende ondersteuning te bieden ingeval van beperkingen bij het voeren van een gestructureerd huishouden ARTIKEL9:BESCHERMD WONEN Hier worden de activiteiten beschreven behorende tot Beschermd Wonen. ARTIKEL10:WOONVOORZIENINGEN In deze bepaling wordt geregeld hoe woonvoorzieningen worden toegekend en uitbetaald. ARTIKEL11:WOONVOORZIENING IN VERBAND MET LUCHTWEGALLERGIEËN/CARA In dit artikel wordt weergegeven op welke wijze invulling gegeven wordt aan de vaststelling van de financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de gemaximeerde normbedragen bij woningsanering. ARTIKEL12:KOSTEN IN VERBAND MET ONDERHOUD, KEURING EN REPARATIE VAN WOONVOORZIENINGEN Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding van kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie. ARTIKEL13:FREQUENTIE WONINGAANPASSINGEN Uitgangspunt is dat een ondersteuningsbehoevende 10 jaar nadat zijn woning met overheidssubsidie is aangepast, weer de mogelijkheid heeft om naar een nieuwe woning te verhuizen zonder dat dit noodzakelijk is op grond van ergonomische belemmeringen. In dat geval kan de ondersteuningsbehoevende een aanvraag indienen bij de gemeente voor een woonvoorziening. Bij deze aanvraag wordt uiteraard uitgegaan van de voorwaarden die in de verordening zijn opgenomen. Wil een ondersteuningsbehoevende binnen de termijn van 10 jaar nadat zijn woning is aangepast verhuizen, dan is hij vrij om dit te doen. Echter, op dat moment bestaat er geen recht op een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van de nieuwe woning. Onder het begrip „verstrekken” wordt in dit artikel verstaan 'het moment waarop het College van Burgemeester en Wethouders de hoogte van de financiële tegemoetkoming heeft vastgesteld. ARTIKEL14:TERUGBETALEN WONINGAANPASSING In deze moet het college altijd onderzoeken en toelichten dat de verhuizing uit de aangepaste woning „verwijtbaar” is, en niet ten gevolge van een noodzaak in de zin van werk elders of bijvoorbeeld een echtscheiding. Dit artikel heeft niet ten doelstelling de eventueel gemaakte winst uit de verkoop van het huis af te romen. Het heeft enkel ten doel (een deel van) de kosten van de uitgevoerde aanpassing terug te kunnen vorderen. ARTIKEL15:COLLECTIEF VRAAGAFHANKELIJK VERVOER “OMNIBUZZ” Dit artikel beschrijft het primaat van het CVV uitgevoerd door Omnibuzz. Daarnaast worden de voorwaarden, reisbudget en de hoogte van de algemeen gebruikelijke ritbijdrage genoemd. Vervoersreglement Het vervoersreglement is te raadplegen op www.omnibuzz.nl Reisbudget Belangrijk in dit verband is de sinds maart 2002 geldende vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten, waarin is gesteld dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen aan personen met een mobiliteitsbeperking de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis 1.500 tot 2.000 kilometer af te leggen. Daarmee voorziet een gemeente aan haar compensatieplicht, aldus de CRvB. Deze jurisprudentie is vanaf 2007 overgenomen in de Wmo en ook als zodanig opgenomen in de modelverordening van de VNG. Rekening houdend met een gemiddelde doorsnede van 4 kilometer per zone in onze regio, zouden er 500 reiszones aangeboden moeten worden om in een bandbreedte van 1.500 tot 2.000 km te kunnen reizen per jaar. Rekening houdend met gemiddeld 10 heen- en 10 terugritten per maand komen daar ook nog (afgerond) 250 opstapzones bij. Het totaal aantal zones per jaar komt hiermee op 750 zones per pashouder. Dit komt overeen met de reeds lange tijd bestaande zonebudgetten in de Heuvellandgemeenten zodat op dat vlak harmonisatie plaatsvindt. Ritbijdrage klant Het doelgroepenvervoer is ontwikkeld als alternatief voor personen die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. Uitgangspunt is dat de klantbijdrage in beide vervoersvormen (nagenoeg) gelijk is, ondanks het feit dat de subsidie per rit in het doelgroepenvervoer door de vele bijzondere vereisten en de lage combinatiegraad van reizigers veel hoger is dan de overheidsbijdrage aan het OV. Het is daarbij geen beleidsuitgangspunt geweest om gebruikers van het doelgroepenvervoer financieel te bevoordelen ten opzichte van reizigers zonder mobiliteitsbeperking. Vervoerskosten ten behoeve van ‘het leven van alledag’ worden immers geacht tot de normale bestaanskosten te worden gerekend, of deze nu binnen het OV of binnen het gemeentelijk doelgroepenvervoer plaatsvinden. ARTIKEL16:FINANCIËLE VERGOEDING AUTOAANPASSINGEN Dit artikel beschrijft de voorwaarden die gelden bij toekenning van een autoaanpassing. ARTIKEL17:INLEVERPREMIE SCOOTMOBIELEN BIJ NIET-GEBRUIK Sinds december 1997 kent de gemeentelijke uitvoering van de toenmalige Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) de mogelijkheid om aan personen die een door de gemeente verstrekte scootmobiel niet gebruiken, een forfaitaire vergoeding toe te kennen. Ondanks een geldige indicatie voor een scootmobiel willen zij om diverse redenen spontaan en vrijwillig afstand doen van deze voorziening. Deze forfaitaire tegemoetkoming is bekend onder de naam „inleverpremie scootmobiel bij niet-gebruik”. Doel van deze regeling is om doelmatiger met de uitstaande scootmobielen om te gaan. Het ontbreekt de gemeente aan toereikende controle-instrumenten om deze doelmatigheid actief te controleren. Indien personen aan wie door de gemeente een scootmobiel is verstrekt, nauwelijks tot geen gebruik maken van deze voorziening, dan kan een financiële prikkel hen er toe bewegen om vrijwillig afstand te doen van de voorziening. Deze regeling stimuleert het bewust omgaan met deze voorziening en leidt bovendien tot een besparing op de huurlasten van hulpmiddelen. Uitbetaling vindt direct plaats aan, en op verzoek van de persoon aan wie de scootmobiel is toegekend. Deze persoon dient op het moment van aanvraag van de inleverpremie in het bezit te zijn van een geldige indicatie voor een scootmobiel van tenminste 6 maanden. Daarnaast kan iedere aanvrager slechts éénmaal aanspraak maken op de inleverpremie. Deze regeling geldt niet bij inlevering in geval van overlijden van de persoon aan wie de scootmobiel is toegekend. Ook wordt geen premie toegekend indien de scootmobiel wordt vervangen door een andere scootmobiel of door een andere maatwerkvoorziening. ARTIKEL18.CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING Geen nadere toelichting OndertekeningBijlage1:Algemeen gebruikelijke voorzieningen Conform het bepaalde in artikel 3 van het besluit worden de volgende voorzieningen in ieder geval als algemeen gebruikelijk aangemerkt: Vervoer a. fiets [standaardfiets, fiets met verlaagde instap, fiets met trapondersteuning/hulpmotor] b. tandem [standaardtandem, tandem met trapondersteuning/hulpmotor, tandem met verlaagde instap]. c. bromfiets [ook bromfiets in speciale uitvoering zoals brommobiel]. d. autoaanpassingen [automatische transmissie; stuurbekrachtiging; elektrisch bedienbare ramen; warmtewerend glas; airco] e. een standaard buggy voor kinderen tot de leeftijd van 4 jaar. Bij een aangepaste buggy zijn de meerkosten van de aanpassingen ten opzichte van de standaard buggy niet algemeen gebruikelijk. Woonvoorzieningen: f. toiletpot en verhoogd / hangend toilet losse toiletverhoger, toiletstoel; g. toiletgelegenheid op de eerste etage; h. renovatie (vervangen lavet door douche); i. aanleg centrale verwarming; j. douchecabine, douchecel, douchewand, seniorendouchebak ; k. mechanische ventilatie (beluchten woning); l. airconditioning woonruimte; m. kooktoestellen algemeen; n. zonwering (binnen en buiten); o. alle vormen van mechanische ventilatie; p. alle vormen van kranen (eenhendel-mengkranen, thermostaatkranen en glijstangset); q.intercom; r. afzuigkap boven kooktoestel; s.(teruggebogen) deurkrukken; t. Aanrechtblad; u .douchezitjes, douchestoelen en badzitjes; v. beugels (wand/vloer), grepen (wand/vloer) en drempelhulpen; w. renovatie (van bijvoorbeeld badkamer of keuken); x. waterbed; y. overige, vergelijkbare algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen als genoemd in sub f tot en met sub x tot maximaal € 250,- ; Rolstoelen/scootmobielen: z.Accessoires die niet medisch noodzakelijk zijn, maar als wel nuttige accessoires aangeboden worden: aa. Regenpakken, winterbekleding, been/voetenzak,. bb.Rolstoelhandschoenen cc. Accessoires als asbak, bandenpomp, bagagetas, rolstoelovertrek en spaakbeschermers. Bijlage2:richtlijn gebruikelijke hulp Algemeen: Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. In het onderzoek wordt beoordeeld of de gevraagde hulp en ondersteuning tot de gebruikelijke hulp behoort en of de gebruikelijke hulp ook daadwerkelijk geleverd kan worden. Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties: -Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hierbij is het algemeen over een periode van maximaal drie maanden; -Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn. In kortdurende situaties is het uitgangspunt dat deze als gebruikelijk wordt aangemerkt. Door het kortdurend karakter treedt doorgaans geen overbelasting op. In langdurige situaties is de hulp waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere inwonende huisgenoten) moet worden geleverd, algemeen gebruikelijke hulp. ALGEMENE UITZONDERINGEN Afhankelijk van de individuele situaties kan hulp, die naar algemeen aanvaarde maatstaven als gebruikelijke kan worden beschouwd hier toch niet gebruikelijk zijn. Bijvoorbeeld wanneer: -Uit onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem, of dat deze kennis/vaardigheden mist en deze ook niet kan aanleren, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden. -In een leefeenheid overbelasting dreigt, doordat, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van iemand uit de leefeenheid gezinsleden alsnog onevenredig belast worden. -de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen -de zieke partner/huisgenoot zich in de terminale levensfase bevindt. Er wordt daarbij telkens onderzoek gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de individuele cliënt. Zie hiertoe hoofdstuk 4 van deze richtlijn. Ten aanzien van Persoonlijke Verzorging en Begeleiding worden deze uitzonderingen in hoofdstuk 3 nader uitgewerkt. FYSIEKE AFWEZIGHEID Indien de huisgenoot van een hulpvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij het indiceren uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan 7 etmalen bedraagt, zal er altijd onderzocht moeten worden of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van de hulp. OUDERLIJKE ZORGPLICHT BIJ ECHTSCHEIDING Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten. Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende -uitgevallen- ouder zijn kan er dan een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin. Huishoudelijke taken HUISHOUDELIJKE TAKEN: UITSTELBAAR EN NIET UITSTELBAAR Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. -Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen/opwarmen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen; -Uitstelbare taken zijn wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen. BIJDRAGE VAN KINDEREN EN JONG-VOLWASSENEN AAN HET HUISHOUDEN In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. -Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. -Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, kleding in de wasmand gooien. -Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. TAKEN VAN EEN 18-23 JARIGE Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld de volgende taken uit te kunnen voeren: -schoonhouden van sanitaire ruimte, -keuken en een kamer, -de was doen, -boodschappen doen, -maaltijd verzorgen, -afwassen en opruimen. Dit is genormeerd naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden veren en begeleiden. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen. KINDEREN JONGER DAN 23 JAAR Of en in welke mate de kinderen en jongvolwassenen in het huishouden betrokken worden in het overnemen van taken, is afhankelijk van de specifieke situatie en derhalve maatwerk. Ook het sociale netwerk van het gezin wordt betrokken. GEBRUIKELIJKE HULP VAN OUDERS VOOR KINDEREN MET EEN NORMAAL ONTWIKKELINGSPROFIEL IN VERSCHILLENDE LEVENSFASEN VAN HET KIND Kinderen 0 tot 3 jaar -Hebben bij alle activiteiten hulp van een ouder nodig; -Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; -Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; -Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; -Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar -Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer); -Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; -Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; -Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verhulpers; -Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; -Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; -Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; -Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar -Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week; -Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is); -Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging; -Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; -Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; -Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan. -Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar -Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; -Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; -Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden -Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; -Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; -Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; -Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); -Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
- Gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding Dit hoofdstuk heeft specifiek betrekking op het bepalen van gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging (PV) en Begeleiding (BG). De richtlijn is gebaseerd op de voormalige Beleidsregels indicatiestelling AWBZ van VWS. Vanuit het oogpunt van continuïteit worden deze beleidsregels nu opgenomen in voorliggende richtlijn. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde zorg bieden, is de ondersteuningsbehoevende niet aangewezen op gemeentelijke maatwerkondersteuning wat betreft de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op gemeentelijke maatwerkondersteuning. Hoofdregels gebruikelijke hulp PV en BG Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. Dit onderscheid is eerder in de richtlijn reeds omschreven en geldt ook voor PV en BG. Algemeen aanvaarde maatstaven: *In kortdurende situaties moet alle PV en BG door de gebruikelijke helper worden geboden. *In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de ondersteuningsbehoevende moet worden geboden gebruikelijke hulp. Hieronder een schematische weergave van de hoofdregels gebruikelijke hulp. De inhoud van dit schema wordt in de rest van het hoofdstuk verder uitgeschreven. Afweging gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt. Van bovengebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang. Hier is dus sprake van bovengebruikelijke hulp. Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp aan volwassenen en kinderen voor de functies PV en BG 1.Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke persoonlijke verzorging, en/of begeleiding voor de ondersteuningsbehoevende uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hen geen bijdrage verwacht. De betreffende ondersteuning kan worden geïndiceerd. Geobjectiveerde beperkingen zijn beperkingen gerelateerd aan gezondheidsproblemen. De reden dat de gebruikelijke helper de vaardigheden niet kan aanleren, moet worden gemotiveerd.
- Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem geen gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Er kan in een dergelijke situatie in eerste instantie enkel een kortdurende indicatie worden afgegeven. Hierbij geldt het volgende: a.Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/ of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen moeten deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning/zorg moet men die overbelasting opheffen door deze ondersteuning/zorg door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen; b.Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten. 3.Voor zover de ondersteuningsbehoevende zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot. Persoonlijke Verzorging Partners onderling Kortdurende situaties Van partners wordt verwacht dat zij elkaar Persoonlijke Verzorging bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de ondersteuningsbehoevende, dat maatwerkondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Bijvoorbeeld wanneer de partner een been breekt. Deze zorg valt buiten de aanspraken van de gemeentelijke ondersteuningsplicht. De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke, lichaamsgebonden zorg in de vorm van assistentie bij, of overname van alle activiteiten die onder de functie PV vallen. Maar ook aandacht en begeleiding bij een aandoening horen hierbij. Cliëntsoevereiniteit behoort bij partners onderling niet tot de categorie uitzonderingen en is daarom hier niet van toepassing, ook niet vanwege geloofsovertuiging, culturele achtergrond of binnen een gezinssituatie waarin partners ruzie hebben. Langdurende situaties Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat de zorgsituatie een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, alvorens maatwerkondersteuning kan worden geïndiceerd. Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling Persoonlijke Verzorging van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp. Partners onderling en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling Aanleren aan derden Het aanleren van handelingen op het gebied van Persoonlijke Verzorging aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke hulp. Als anderen dan de gebruikelijke helper de handelingen uitvoeren als de gebruikelijke helper niet aanwezig is, wordt van de gebruikelijke helper verwacht dat hij die handelingen zelf aan de desbetreffende persoon aanleert. Begeleiding Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling Kortdurende situaties Alle begeleiding van de ondersteuningsbehoevende door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de ondersteuningsbehoevende, dat maatwerkondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurige situaties Als het gaat om een chronische situatie is de Begeleiding van een volwassen ondersteuningsbehoevende gebruikelijke hulp wanneer die Begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een ondersteuningsbehoevende: -Het geven van BG aan een ondersteuningsbehoevende op het terrein van de maatschappelijke participatie. -Het begeleiden van ondersteuningsbehoevende bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort. -Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet- beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte ondersteuningsbehoevende werd uitgevoerd. Aanleren aan derden Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de ondersteuningsbehoevende is gebruikelijke hulp. 4.Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoten ALGEMEEN De zorg voor een ziek kind of een zieke partner, kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. In de meeste gevallen is de bovengebruikelijke hulp die geïndiceerd wordt voldoende om deze overbelasting te voorkomen. Maar soms blijkt deze geïndiceerde hulp niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke Persoonlijke Verzorging en/of Begeleiding zo nodig geheel of gedeeltelijk geïndiceerd worden. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk. BEOORDELING VAN OVERBELASTING Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke helper zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind of de partner (draaglast verhoging). De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de leveringsvoorwaarde van de zorg zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke helper. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke helper noodzakelijk is. Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis (DSM-IV-TR) optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals: *angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen; *depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid; *gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag; *gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag; *lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of kind) biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van teveel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom moeten worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Bijlage3:Richtlijn Hulp bij het huishouden Gemeente Valkenburg aan de Geul 1.INLEIDING Deze bijlage bevat de beleidsregels voor de toekenning van de dienstverlening hulp bij het huishouden. Met het opnemen van deze beleidsregels in het besluit maatschappelijke ondersteuning geeft de gemeente aan wanneer en in welke mate hulp bij het huishouden aan de orde is. De beleidsregels bieden slechts handvatten en geven slechts een indicatie over de omvang. Belangrijk is te onderstrepen dat in alle gevallen de individuele situatie van de cliënt het uitgangspunt is. De in deze richtlijn opgenomen tijdsnormeringen zijn daarom slechts indicatief. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden, maken we gebruik van de opzet en tijdsnormering van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (bureau HHM). 2.GEMIDDELDE CLIËNTSITUATIE Het vertrekpunt is steeds een ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Op basis van deze gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt omschreven: Gemiddelde cliëntsituatie: Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloed factoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag aan de toegang of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. Bij toepassing van het normenkader wordt een optelsom van de resultaatgebieden gemaakt waarbij de cliënt ondersteuning nodig heeft. Zo nodig wordt ‘meer inzet’ opgeteld en ‘minder inzet’ afgetrokken. Het normenkader wordt op de volgende manier geïnterpreteerd:
- INTERPRETATIE VAN HET NORMENKADER Het normenkader wordt op de volgende manier geïnterpreteerd: De ondersteuningstijd in het normenkader voor de ‘gemiddelde cliëntsituatie’ of ‘ijk-cliënt’, betreft volledige professionele overname van alle activiteiten. De situatie van de cliënt wordt hier tegen afgezet/hiermee vergeleken. Het normenkader is in blokkenschema weergegeven in uren/minuten per week (paragraaf 4). Het staat de gemeente vrij de voorziening per maand, kwartaal of anderszins toe te kennen. De professionele hulp maakt, in samenspraak met de cliënt, een planning wanneer welke werkzaamheden worden gedaan, binnen de gegeven omvang van de indicatie. Zo worden in de tijd uiteindelijk alle activiteiten zoals opgenomen in het ondersteuningsplan uitgevoerd. In paragraaf 4 is een overzicht opgenomen van de activiteiten en frequentie van uitvoering hiervan waarop het normenkader is gebaseerd, uitgaande van volledige professionele overname van alle werkzaamheden, op wekelijkse basis, waarbij geen bijzonderheden spelen in de cliëntsituatie die minder inzet mogelijk of meer inzet nodig maken. Het normenkader betreft de voor de hulp beschikbare totale tijd. Er is geen sprake van ‘instructietijden’ per activiteit. In ieder huishouden, in iedere situatie, is op maat sprake van net weer wat andere verdelingen van activiteiten en van de tijd die dit vergt per activiteit. In het normenkader is naast directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. De totale tijd die wordt geïndiceerd, is te zien als een totaal over het jaar heen voor alle te bereiken resultaten. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat deze totaaltijd toereikend is om te doen wat nodig is in de gemiddelde cliëntsituatie. Voorwaarde hiervoor is wel dat goed onderzoek wordt gedaan naar de individuele situatie van de cliënt (keukentafelgesprek) om te komen tot een individuele afweging op maat. In de totale tijd zoals weergegeven in het blokkenschema in geval van volledige overname, zit tijd voor wekelijks en niet-wekelijks uit te voeren activiteiten. De tijd per week voor niet-wekelijks uit te voeren activiteiten (die ene week doet de hulp dit, de andere week dat) maakt in de norm 20 minuten uit van de totale tijd (gebaseerd op het onderzoek uit 2016 in Utrecht). Als een cliënt zodanig veel eigen kracht heeft (of inzet vanuit het netwerk of andere voorliggende mogelijkheden) dat sprake kan zijn van ondersteuning op maat door niet wekelijks, maar één maal per twee weken ondersteuning bij het huishouden te bieden, dan is dit voor deze cliënt gewoon een passende oplossing. Met dit normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden worden gerealiseerd. Aandachtspunt is dat persoonlijke opvattingen van cliënten of hulpen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. In deze is het normenkader leidend, omdat dit op basis van onderzoek bij en met vele cliënten en in afstemming met verschillende deskundigen tot stand is gekomen.
- BLOKKENSCHEMA / OVERZICHT ACTIVITEITEN EN FREQUENTIE Bijlage4:Richtlijn begeleiding 1.Inleiding Deze richtlijn begeleiding bevat de beleidsregels voor de toekenning van de dienstverlening begeleiding. Met het opnemen van deze beleidsregels in het besluit maatschappelijke ondersteuning maakt de gemeente duidelijk wanneer en in welke mate begeleiding aan de orde is. Tevens wordt transparant welke indeling wordt gehanteerd bij de dienstverlening begeleiding individueel en begeleiding groep. De beleidsregels bieden consulenten handvatten voor het maken van de indeling van de zorgbehoefte van de cliënt in de door gemeenten gehanteerde cliëntprofielen. Belangrijk is te onderstrepen dat in alle gevallen de individuele situatie van de cliënt het uitgangspunt blijft. Ook de in deze richtlijn opgenomen tijdsnormeringen zijn slechts indicatief. 2.Definiëring begeleiding Begeleiding omvat activiteiten voor inwoners met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van: -de sociale redzaamheid; -het bewegen en verplaatsen; -het psychisch functioneren; -het geheugen en de oriëntatie, of; -(matig of zwaar probleem)gedrag. Begeleiding is gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekt tot voorkoming van opname in een instelling of van verwaarlozing. De activiteiten bestaan uit: -het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen; -het ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of; -het overnemen van toezicht op de cliënt. 3.Begeleiding individueel of begeleiding groep Met betrekking tot de functie begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel en begeleiding groep. Of de cliënt is aangewezen op begeleiding individueel of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat zorg inhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel, als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm om de zorgbehoefte van de cliënt in te vullen. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding in groepsverband, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Eén dagdeel begeleiding in groepsverband staat in die situatie niet gelijk aan vier uur begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het zorgdoel. Het gaat dan met name om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. Op basis van het zorgdoel voor de cliënt kunnen begeleiding individueel en begeleiding in groepsverband gecombineerd zijn aangewezen. Bij de toewijzing wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden.
- Doelstelling begeleiding 4.1.Algemeen De functie begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is bedoeld voor inwoners die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden verwaarlozen. De cliënt kan zijn aangewezen op begeleiding in de vorm van individuele begeleiding (begeleiding individueel) en/of begeleiding in groepsverband (begeleiding groep). 4.2 Het bevorderen, behouden of compenseren van zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid in relatie tot de functie begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de cliënt, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is voor cliënt met matige en zware beperkingen binnen de functie begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van het stimuleren tot en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk, enzovoort. Inde tweede plaats kan begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben.
- Toewijzingscriteria begeleiding 5.1 Algemeen Om in aanmerking te komen voor de functie begeleiding moet zijn vastgesteld dat de cliënt matige tot zware beperkingen heeft op één of meer van de volgende vijf terreinen: • sociale redzaamheid; • bewegen en verplaatsen; • probleemgedrag; • psychisch functioneren of; • geheugen- en oriëntatiestoornissen. 5.2 Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: • begrijpen wat anderen zeggen; • een gesprek voeren; • zich begrijpelijk maken; • initiëren en uitvoeren eenvoudige taken; • kunnen lezen, schrijven en rekenen; • communicatiehulpmiddel gebruiken; • dagelijkse bezigheden; • problemen oplossen en besluiten nemen; • dagelijkse routine regelen; • zelf geld beheren; • initiëren en uitvoeren complexere taken; • zelf administratie zaken bijhouden. Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De cliënt kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Matige beperkingen houden dan in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf door dat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname. Zware beperkingen houden dan in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen. 5.3 Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: • lichaamspositie handhaven; • grove hand- en armbewegingen maken; • fijne handbewegingen maken; • lichtere voorwerpen tillen; • gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten; • lichaamspositie veranderen; • trap op en af gaan zonder hulp(middelen); • zich verplaatsen met hulp(middelen); • voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); • gebruik maken van openbaar vervoer; • eigen vervoermiddel gebruiken; • voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); • korte afstanden lopen; • zwaardere voorwerpen tillen. Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voort bewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de cliënt geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De cliënt kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of voorzieningen uit de Wmo. Matige beperkingen houden dan in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. De cliënt kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de cliënt geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk. Zware beperkingen houden dan in dat bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen de cliënt volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is de cliënt voor zijn verplaatsing en zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan de cliënt de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven. 5.4 Gedragsproblemen Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: • destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); • dwangmatig gedrag; • lichamelijk agressief gedrag; • manipulatief gedrag; • verbaal agressief gedrag; • zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag; • grensoverschrijdend seksueel gedrag. Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de cliënt, het gezin en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is. Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. De omgeving van de cliënt kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van de cliënt voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een (deskundige) professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt. Zware beperkingen houden in dat de cliënt ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico's zijn voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig. 5.5 Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren, gaat het om de volgende aspecten: • concentratie; • geheugen en denken; • perceptie van omgeving. Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de cliënt voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken. Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart de cliënt in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid. Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk. 5.6 Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: • oriëntatie in persoon; • oriëntatie in ruimte; • oriëntatie in tijd; • oriëntatie naar plaats. Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de cliënt kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de cliënt kan veel taken op basis van gewoonten zelfstandig uitvoeren. Matige beperkingen houden dan in dat d e cliënt problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van de cliënt staat onder druk. De cliënt heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt. Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als er geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief. 5.7 Indicatiecriteria voor oefenen In geval van het oefenen moet bovendien zijn vastgesteld: • dat de cliënt gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is; • dat het oefenen programmatisch en doelmatig plaatsvindt • en/of dat de mantelzorg in de directe omgeving en/of de gebruikelijke zorger van de cliënt gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is. 5.8 Indicatiecriteria voor begeleiding bij kinderen van 0 tot 12 maanden Bij een kind in de leeftijd van o tot 12 maanden dat als gevolg van een somatische aandoening of beperking aanspraak heeft op Persoonlijke Verzorging of Verpleging in combinatie met het leefklimaat permanent toezicht en bij wie deze zorgbehoefte leidt tot (dreigende) overbelasting van de ouder(s), is er ook aanspraak op de functie begeleiding. Deze kinderen kunnen ook toegang krijgen tot de functie begeleiding zonder dat is vastgesteld dat er ernstige tot zware beperkingen zijn op een of meer van de vijf terreinen die toegang geven tot de functie begeleiding. De reden hiervoor is dat de beperkingen op grond van de jonge leeftijd nog niet goed zijn vast te stellen ten opzichte van gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Toegang tot de functie begeleiding kan nodig zijn als er bij deze kinderen sprake is van permanent toezicht. Dit permanente toezicht kan leiden tot (dreigende) overbelasting bij de ouders. Wanneer dit het geval is en de functie begeleiding (individueel of in groepsverband), al dan niet in de vorm van respijtzorg, is een doelmatige oplossing om deze (dreigende) overbelasting op te heffen, dan is er op basis van het bovenstaande toegang tot de functie begeleiding. Bij kleine kinderen in de thuissituatie zijn de zorgverleners veelal de ouders. Het verschil in intensiteit van zorg door de ouders aan een somatisch ziek kind ten opzichte van een gezond kind, kan een dreigende overbelasting objectiveerbaar maken. Notabene: bij kinderen met andere grondslagen en kinderen ouder dan 12 maanden is het beperkingenbeeld zodanig dat vanwege de stoornissen en beperkingen op basis van de reguliere criteria de toegang tot de functie begeleiding kan worden bepaald.
- ACTIVITEITEN BEGELEIDING Onder de functie begeleiding vallen de volgende activiteiten. Tabel activiteiten begeleiding 6.1 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid (in relatie tot de functie begeleiding) betreft de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. De cliënt: • heeft het vermogen om zelfzorghandelingen uit te voeren of de regie te voeren over de zelfzorghandelingen; • heeft het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie; • heeft het vermogen om zelf in zijn dagstructurering te voorzien; • kan zelf besluiten nemen en regie voeren. Hieronder wordt een logisch verband gelegd tussen de terminologie van de internationale classificatie van het menselijk functioneren en zelfredzaamheid. De International Classifiction of Functioning (ICF) maakt onderscheid in de volgende gebieden:
- leren en toepassen van kennis;
- algemene taken en eisen;
- communicatie;
- mobiliteit;
- zelfverzorging;
- huishouden;
- tussenmenselijke interacties en relaties;
- belangrijke levensgebieden (opleiding, beroep en werk, economisch leven, waaronder ook vrijwilligerswerk);
- maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven. Beperkingen op de ICF-gebieden 1t/m 7 komen overeen met beperkingen ten aanzien van zelfredzaamheid. Bij begeleiding gaat het echter om de zelfredzaamheid op de gebieden 1, 2,3,4 en
- Beperkingen op gebied 5 worden voornamelijk gecompenseerd door de functies Verpleging, Persoonlijke Verzorging en op gebied 6 door huishoudelijke hulp. De beperkingen op de gebieden 8 en 9 zijn beperkingen op het gebied van participatie (integratie in de samenleving) en vallen dus niet (meer) onder begeleiding. Het betreft situaties waarin het niet mogelijk is de beperkingen te genezen of te verbeteren, en het ook niet mogelijk is de cliënt zo met de gevolgen van die beperkingen om te leren gaan dat hij zelfstandig kan functioneren. In die gevallen gaat het om het overnemen van verloren functionaliteit. 6.2 Oefenen Oefenen is aan de orde in de zin van 'inslijten' van vaardigheden/handelingen en voor het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Deze vaardigheden zijn in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling in het kader van de Zorgverzekeringswet al aangeleerd. In deze zin betreft het dus het leren toepassen van al aangeleerde vaardigheden of gedrag. Oefenen in de zin van begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag worden aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben en er geen multidisciplinaire aanpak wordt vereist. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten die vertraagd leren, waarvoor om die reden zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Dit leren van praktische vaardigheden/activiteiten en gedrag kan zowel ten goede komen aan de cliënt als aan zijn directe omgeving. Er kan geen toewijzing voor 'oefenen' worden gesteld wanneer het oefenen deel uitmaakt van een Zorgverzekeringswet traject en/of tot de gebruikelijke zorg behoort. 6.3 Toezicht Toezicht op de cliënt kan worden overgenomen als deze gericht is op: • toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis; thuis of elders en/of; • het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte.
- INDELING BEGELEIDING INDIVIDUEEL 7.1 Algemeen De dienstverlening begeleiding individueel wordt ingedeeld in cliëntprofielen. Deze indeling wordt gemaakt op basis van drie criteria: • Doelperspectief (zie 4.2.) • Complexiteit (zie 4.3.) • Omvang (zie 4.4.) 7.2 Doelperspectief Het Wmo arrangement begeleiding individueel wordt onderverdeeld naar doelperspectief. Daarbij wordt de volgende indeling gehanteerd. a. Ontwikkeling b. Behoud Ad a. Het arrangement is primair gericht op ontwikkeling. Aanbieder richt zich op het bevorderen, aanleren en stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is gericht op het actief herstellen van het regelvermogen van de cliënt, waardoor hij weer zelf regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De mogelijkheid om af te schalen liggen hier zowel in de ontwikkeling van de regievoering van de cliënt, alsmede in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven. Ad b. Het arrangement is primair gericht op behoud. Aanbieder richt zich op het handhaven en controleren van de zelfredzaamheid van de cliënt en compenseert diens afwezige regelvermogen. Hij biedt praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben. De mogelijk om af te schalen liggen hier met name in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven. 7.3 Complexiteit Het Wmo arrangement begeleiding individueel wordt onderverdeeld in twee niveaus op basis van complexiteit. Het onderscheid bepaalt uitsluitend het tarievenniveau met aanbieders maar heeft geen invloed op de aanspraken van de cliënt. De aanbieder is in alle gevallen – ongeacht deze indeling – verantwoordelijk voor het leveren van de ondersteuning die aansluit bij de behoefte van de cliënt. 7.4 Omvang van begeleiding individueel De omvang van de functie begeleiding individueel wordt berekend in tijdeenheden (uren, minuten). Voor de bepaling van de omvang van een individuele aanspraak is de individuele situatie van de cliënt het uitgangspunt. Als referentiekader voor de gevraagde tijdsinvestering per activiteit kan gebruik gemaakt worden van de tijdsnormeringen in de onderstaande tabel. De optelsom van de duur van de betreffende activiteiten resulteert in een indicatieve omvang van de begeleiding in tijd. De omvang wordt vervolgens herleid naar de meest passende intensiteit. De omvang van de begeleiding wordt in alle gevallen gemotiveerd. Schema indicatieve tijd en frequentie activiteiten 1.De in deze tabel opgenomen tijdsnormeringen bevatten de tijdsbesteding die direct gemoeid is met de directe zorg/handeling. Maar ook het binnen komen, gedag zeggen, handen wassen, zorgdossier kort inkijken of bijwerken en vertrekken (indirecte zorg).
- Er is sprake van zeer ernstige gedragsproblematiek als op ten minste drie van de volgende vijf terreinen zware beperkingen zijn: oriëntatiestoornissen, stoornissen in psychisch functioneren, stoornissen op gebied van probleemgedrag/veiligheid, stoornissen in het psychisch (on)welbevinden en beperkingen in de sociale redzaamheid. Voor de objectivering van de zeer ernstige gedragsproblematiek is informatie van één ter zake deskundige gewenst. Het Wmo arrangement begeleiding individueel wordt onderverdeeld in vijf verschillende intensiteiten: -Licht -Gemiddeld -Bovengemiddeld -Intensief -Zeer intensief Iedere intensiteit is gekoppeld aan een referentieomvang in uren/minuten per maand gebaseerd op de ervaringsgegevens van de afgelopen jaren. Omdat de zorgbehoefte van de cliënt fluctueert hebben aanbieders de vrijheid hun inzet per kwartaal te middelen. Schematische weergave indeling omvang Wmo begeleiding individueel 2022 Alleen wanneer de cliënt een expliciet beroep doet op zijn aanspraken op basis van zijn indicatie, is aanbieder gehouden de aan de intensiteit gerelateerde referentie-uren daadwerkelijk op maandbasis te leveren.
- INDELING BEGELEIDING GROEP 8.1 Algemeen De dienstverlening begeleiding groep wordt ingedeeld in cliëntprofielen. Deze indeling wordt gemaakt op basis van drie criteria: • Doelperspectief (zie 4.2.) • Complexiteit (zie 4.3.) • Omvang (zie 4.4.) 8.2.Doelperspectief Het Wmo arrangement begeleiding groep wordt onderverdeeld naar doelperspectief. Daarbij wordt de volgende indeling gehanteerd. a. Ontwikkeling b. Behoud Ad a. Het arrangement is primair gericht op ontwikkeling. Aanbieder richt zich op het bevorderen, aanleren en stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is gericht op het actief herstellen van het regelvermogen van de cliënt, waardoor hij weer zelf regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De mogelijkheid om af te schalen liggen hier zowel in de ontwikkeling van de regievoering van de cliënt, alsmede in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven. Ad b. Het arrangement is primair gericht op behoud. Aanbieder richt zich op het handhaven en controleren van de zelfredzaamheid van de cliënt en compenseert diens afwezige regelvermogen. Hij biedt praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben. De mogelijk om af te schalen liggen hier met name in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven. 8.3 Complexiteit Het Wmo arrangement begeleiding groep wordt onderverdeeld in drie niveaus op basis van complexiteit. Het onderscheid bepaalt uitsluitend het tarievenniveau met aanbieders maar heeft geen invloed op de aanspraken van de cliënt. De aanbieder is alle gevallen – ongeacht deze indeling – verantwoordelijk voor het leveren van de ondersteuning die aansluit bij de behoefte van de cliënt. 8.4 Omvang van begeleiding groep De omvang van de functie begeleiding groep wordt berekend in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan (maximaal) vier aaneengesloten uren. De omvang van de indicatie voor begeleiding groep wordt bepaald door de individuele omstandigheden van de cliënt en het doel van de zorg. Daarbij kan het gaan om:
- Het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen;
- Het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid of school (denk aan 65-plussers of mensen zonder arbeidsverleden) en tevens zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren;
- Toezicht in een instelling. De dagactiviteiten in groepsverband zoals hiervoor vermeld onder 1 en 2 moeten programmatisch/ methodisch zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijf situatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke. Als er sprake is van dagactiviteiten zoals vermeld onder 1 en/of 2 kan er hiernaast aanvullend toezicht in een instelling noodzakelijk zijn. Hiervoor kunnen additionele dagdelen worden geïndiceerd. De omvang in dagdelen wordt vervolgens herleid naar de meest passende intensiteit. Het Wmo arrangement begeleiding groep wordt onderverdeeld in vier verschillende intensiteiten: - Licht - Gemiddeld - Intensief - Zeer intensief Iedere intensiteit is gekoppeld aan een referentieomvang in dagdelen per maand gebaseerd op de ervaringsgegevens van de afgelopen jaren. Omdat de zorgbehoefte van de cliënt fluctueert hebben aanbieders de vrijheid hun inzet per kwartaal te middelen. Alleen wanneer de cliënt een expliciet beroep doet op zijn aanspraken op basis van zijn indicatie, is aanbieder gehouden de aan de intensiteit gerelateerde referentie-dagdelen daadwerkelijk op maandbasis te leveren. 8.5 Begeleiding groep en vervoer Binnen de toewijzing voor begeleiding groep is een vervoerscomponent opgenomen. Dit houdt in dat de aanbieder verantwoordelijk is voor de beoordeling in hoeverre en/of op welke dagen vervoer van en naar de dagbesteding in de individuele situatie nodig is. Daarbij zijn eigen kracht en mogelijkheden binnen het sociaal netwerk voorliggend, met dien verstande dat deze niet afdwingbaar zijn. Daar waar vervoer noodzakelijk is, draagt de aanbieder hier zorg voor. 8.6 Toeslag rolstoelvervoer Voor wat betreft rolstoelvervoer wordt een aparte component voorzien. Daarmee wordt aangesloten op de hogere kostenstructuur en het onderscheid zoals dit ook in het verleden werd gemaakt. De gemeentelijke toegang kent deze toeslag toe wanneer cliënt: • Afhankelijk is van een rolstoel, • Als gevolg van zijn beperkingen niet in staat is zelfstandig met vervoer te komen en • Geen mogelijkheden heeft in het sociaal netwerk vervoer te regelen.
- Afbakening begeleiding 9.1 Behandeling en begeleiding Algemeen Onder behandeling vallen activiteiten die gericht zijn op het verbeteren (tegengaan van verslechtering) van de met de grondslag samenhangende aandoening, stoornis of beperking. Daarbij hoort het verbeteren van algemene competenties en vaardigheden (zoals beheersen van gedrag, verbeteren van fysieke vaardigheden als conditie, bewegingsvermogen, en/of mentale vaardigheden als oriëntatie vermogen, concentratievermogen, enzovoort). Het gaat om gerichte professionele interventies, waarvoor expertise op het niveau van een specifiek medicus (specialist ouderengeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten, enzovoort), specifiek paramedicus (bijvoorbeeld ergotherapeut), vaktherapeut (bijvoorbeeld drama/speltherapeut) of gedragswetenschapper (bijvoorbeeld orthopedagoog, ggz-psycholoog) noodzakelijk is. De behandeling vindt plaats vanuit een instelling, onder coördinatie van een hoofdbehandelaar, met specifieke (op Zorg gerichte) deskundigheid. Het begeleiden bij het praktisch uitvoeren van concrete handelingen en gedrag is begeleiding. Dat begeleiden houdt qua activiteiten in: • Het verder verbeteren van het praktisch handelen/regievoeren en het gedrag door oefening/inslijten en bijsturing/correctie in het dagelijks leven; • Het onderhouden ervan door herhaling, bijsturing/correctie • Het overnemen van handelingen en regie en ingrijpen bij gedragsproblemen. Aanleren en oefenen Tot behandeling wordt ook de behandeling gerekend die gericht is op het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag (tot 2009 was dit tot de functie Activerende begeleiding), als dit tenminste een specifieke en programmatische aanpak vereist waarvoor een behandelaar nodig is. Het betreft een complex probleem dat een specifieke benadering vraagt om bepaalde, niet op zichzelf staande vaardigheden te kunnen aanleren. Bijvoorbeeld een minderjarige cliënt met zowel een verstandelijke als een lichamelijke handicap moet vaardigheden aanleren om te kunnen doorstromen naar (speciaal) onderwijs. De concentratie en taakgerichtheid moeten verbeterd worden. Om de communicatie te verbeteren wordt, naast gesproken taal, geleerd om gebruik te maken van gebaren en pictogrammen. Hierdoor leert cliënt tevens een dagstructuur te volgen en herkent het begin en het einde van de taak. Naast de aandacht voor de cognitieve en communicatieve vaardigheden wordt de motoriek verbeterd en/of gezocht naar hulpmiddelen om de beperkingen te compenseren. Bij het aanleren van deze vaardigheden/activiteiten zijn meerdere disciplines betrokken, zoals pedagogisch medewerkers, een logopedist, een fysiotherapeut, een ergotherapeut en een gedragsdeskundige. Het behandelprogramma is ingebed in het hele zorgprogramma, alle betrokkenen hanteren dezelfde therapeutische aanpak. De gedragsdeskundige coördineert als hoofdbehandelaar de behandeling en is verantwoordelijk voor het evalueren en bijstellen van het behandelplan. Naast de training behoort ook de herhaling tijdens de behandelperiode tot het aanleren. Het door oefenen recent aangeleerde vaardigheden inslijten of bestaande vaardigheden in een andere situatie kunnen gebruiken, wordt niet gerekend tot de functie behandeling, maar tot de functie begeleiding. In geval van begeleiding heeft de behandelaar zich kunnen terugtrekken en kan de zorg na enige instructie worden overgenomen door een persoon, niet zijnde een behandelaar. Oefenen in de zin van begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag wordt aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten die handelingen niet kunnen generaliseren of om cliënten met een vertraagde leerbaarheid, waarvoor de zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Dit leren van praktische vaardigheden/activiteiten en gedrag kan zowel ten goede komen aan de cliënt als aan zijn directe omgeving. Denk hierbij aan het leren lopen met een taststok aan een visueel gehandicapte en/of het zich binnen en rondom de woning kunnen oriënteren. De directe omgeving krijgt adviezen over de inrichting van de woonomgeving en de achtergrond hiervan. Ook kan worden gedacht aan het leren koken, wassen van kleding en dergelijke aan een verstandelijk gehandicapte, bijvoorbeeld bij het zelfstandig gaan wonen. Een ander voorbeeld is een cliënt met een psychiatrische aandoening die tijdens de behandeling geleerd heeft om stapsgewijs een maaltijd te bereiden, maar omdat producten in de winkel veranderd zijn, is er begeleiding nodig in de vorm van oefenen om een andere bereidingswijze aan te leren en toe te passen. Notabene: tot de te verzekeren prestatie hulpmiddenzorg in de Zorgverzekeringswet hoort ook een basale uitleg en training om met het hulpmiddel om te kunnen gaan. Als intensieve en langdurige training nodig is, kan begeleiding aan de orde zijn. Begeleiding en behandeling naast elkaar Begeleiding individueel en behandeling Individuele begeleiding en behandeling - gericht op dezelfde vaardigheid - kunnen naast elkaar bestaan als een vaardigheid eerst nog moet worden overgenomen (BG) totdat deze is aangeleerd (BH). Herhaling van aan te leren vaardigheden of gedrag behoort tijdens de behandelperiode tot behandeling. Om deze reden kunnen individuele begeleiding en behandeling - in de zin van het aan leren/oefenen -in principe niet naast elkaar bestaan wanneer het aanleren (BH) en het oefenen (BG) gericht zijn op dezelfde (gedrags)vaardigheid. Eerst wordt een (gedrags)vaardigheid aangeleerd (BH) en vervolgens kan deze vaardigheid worden geoefend (BG). Oefenen kan naast aanleren worden geïndiceerd wanneer de, via de behandeling aan te leren, vaardigheid/ gedrag zich in het stadium bevindt dat deze vaardigheid/gedrag in de thuissituatie kan worden toegepast en voor zover het geen gebruikelijke zorg betreft. Dit kan wanneer wordt verwacht dat het oefenen naast de behandeling en het overnemen van de activiteit via de begeleiding individueel bijdraagt aan een snellere zelfstandigheid op de activiteit. Begeleiding groep met behandeling of behandeling groep Als een cliënt is aangewezen op een dagprogramma en tijdens dit dagprogramma is behandeling noodzakelijk in de vorm van 'behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag' wordt behandeling groep geïndiceerd en geen BG-groep met behandeling. Ook als er sprake is van een noodzaak voor groepsgewijze nadere functionele diagnostiek (bijvoorbeeld zogenaamde observatiegroepen) gaat het om behandeling groep. Als er naast het dagprogramma (in de vorm van begeleiding groep of behandeling groep) een noodzaak is voor individuele behandeling in de zin van 'aanvullende functionele diagnostiek' kan naast de BG-groep of bh-groep aanvullend BH individueel worden geïndiceerd. Dit voor zover deze behandeling al geen deel uitmaakt van behandeling groep. Behandeling in de vorm van 'consultatie' of 'medebehandeling' kan naast begeleiding groep worden geïndiceerd. 9.2 Hulp bij het Huishouden en begeleiding Bij Hulp bij het Huishouden gaat het om het overnemen van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. Wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren en de hulpverlener moet tijdens het uitvoeren van deze huishoudelijke taken aanwezig zijn, dan behoort deze ondersteuning tot de compensatieplicht van de Wmo. Dit ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel of soms niet zelf kan uitvoeren. Als de hulp bij de regie/structuur van het huishouden zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van deze huishoudelijke taken, waarna de cliënt die taken zelf uitvoert, dan kan deze hulp een aanspraak zijn op begeleiding. De cliënt heeft op basis van een grondslag/ aandoening beperkingen bij de sociale redzaamheid en/of het psychisch functioneren. 9.3 Bemoeizorg en begeleiding Zorgmijding betekent dat de zorg die nodig is om verwaarlozing te voorkomen niet gezocht of geaccepteerd wordt; deze wordt geweigerd. Bemoeizorg is een onderdeel van de
(0)GGZ in het kader van de Wmo/GGZ. Het bestaat onder meer uit het bereiken van zorgmijders, het contact leggen met deze doelgroep, zorgcoördinatie en praktische ondersteuning. Op het moment dat er bereidheid is om zorg te accepteren bijvoorbeeld in de thuissituatie of in een voorziening van Maatschappelijke Opvang, is er geen sprake meer van zorgmijding. De cliënt kan aanspraak maken op begeleiding als hij hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van een) grondslag in combinatie met matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding. 9.4 Begeleiding en de Zorgverzekeringswet Zorg die medisch specialisten bieden, behoort tot de geneeskundige zorg die in het kader van de Zorgverzekeringswet is verzekerd. De zorg is gericht op behandeling van een stoornis en heeft als doel herstel of voorkomen van verergering van deze stoornis. De behandeling is niet beperkt tot de medische interventies, maar omvat -afhankelijk van de aard van de ingreep -in de Zorgverzekeringswet ook de nodige begeleiding (RZA 2006, 187; RZA 2008, 58). Het kan hier gaan om individuele begeleiding, maar ook om dagbesteding vanwege de psychiatrische behandeling. Deze begeleidingsactiviteiten zijn een onlosmakelijk onderdeel van de behandeling en hebben een geneeskundig doel. Notabene: als er sprake is van ambulante Zorgverzekeringswet-behandeling dan is het van belang om te onderzoeken of deze behandeling de totale zorgbehoefte van de cliënt op het gebied van de zelfredzaamheid compenseert. Als dat niet het geval is, kan er aanspraak zijn op de functie begeleiding. 10. BEHANDELMIJDING EN VERWAARLOZING Behandelmijding betekent dat de psychiatrische behandeling die nodig is vanwege de aandoening niet gezocht of geaccepteerd wordt; de cure wordt geweigerd. Vaak ligt de oorzaak hiervan in een gestoorde oordeelsvorming, het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht. Soms kan bij een cliënt door behandelmijding verwaarlozing optreden, doordat de cliënt onvoldoende voor zichzelf zorgt en er daardoor risico is op ziekte, ondervoeding en/of vervuiling. Veelal ontbreken de structuur en regie in het dagelijks leven. De verwaarlozing kan niet door een eigen netwerk of een voorliggende voorziening worden gecompenseerd. Indien de cliënt behandelmijder is en er risico is op verwaarlozing, kan er aanspraak zijn op begeleiding als de cliënt hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van een) grondslag in combinatie met matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding. Ondanks dat er behandeling mogelijk is als voorliggende voorziening, kan er in deze situatie voor de periode van een jaar minimale zorg inzet worden geïndiceerd ter voorkoming van verwaarlozing. Hiermee wordt de cliënt geprikkeld om zich (toch)te laten behandelen. Bijlage5:Beschrijving arrangementen Beschermd wonen 1.Landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke opvang en Beschermd wonen. Bij de voorzieningen maatschappelijke opvang en Beschermd wonen geldt - in tegenstelling tot de andere Wmo voorzieningen - niet het woonplaatsbeginsel. Inwoners van Nederland kunnen zich bij elke gewenste gemeente melden als zij gebruik willen maken van de voorzieningen Maatschappelijke Opvang of Beschermd Wonen. In veel plaatsen werd de afgelopen jaren het beginsel van regiobinding gehanteerd. Dit staat op gespannen voet met de bepaling in de Wmo 2015 waarin de gemeentekeuze dus aan de burger wordt gelaten. Hiertoe is door de VNG een handreiking opgesteld en in 2017 zal deze vervat worden in een landelijk convenant. Voor 2017 hanteren wij deze handreiking Landelijke Toegankelijkheid. Concreet houdt dit in dat een cliënt afkomstig uit een andere regio primair wel opvang wordt geboden, maar dat in overleg met deze cliënt wordt bepaald in welke gemeente/regio de beste zorg op maat geleverd kan worden. Indien dit een andere gemeente betreft, dan wordt de cliënt ‘warm’’ overgedragen naar de betreffende gemeente. 2.Beschermd wonen Het Wmo arrangement beschermd wonen (met verblijf) wordt per 1 januari 2017 onderverdeeld in twee niveaus op basis van complexiteit met daarbij optioneel een toeslag Verpleging en Verzorging. Hiermee worden de mogelijkheden om flexibel op- en af te schalen vergroot. 3. Beschermd wonen basis Beschermd wonen basis is de intramurale variant van beschermd wonen, inclusief zogenaamde ‘hotelfuncties’ (voeding, dagstructuur, verzorging, basisinrichting kamer/woning etc.) waarbij sprake van een verblijfsetting met aanwezige 24-uurs ondersteuning of toezicht door professionals. 3.1 Indicatie Dit arrangement is bedoeld voor zeer kwetsbare burgers met een intensieve begeleidingsvraag die zijn aangewezen op 24-uurs toezicht en ondersteuning, inclusief verblijf en zogenaamde ‘hotelfuncties’. De component 24/7 toezicht is met name van belang bij de cliënt die verblijft in de intramurale setting omdat de cliënt niet in staat is om zelfstandig een inschatting te kunnen maken wanneer hij hulp dient in te roepen. Daarnaast kan er sprake zijn van een vergroot risico op (gewelds)escalaties door onaangepast gedrag van de cliënt. *Er is sprake van een psychi(atri)sche stoornis, eventuele bijkomende aandoening(
- en)en daarmee samenhangende beperkingen in “sociale redzaamheid” gepaard gaand met matig of zwaar regieverlies of met een matige of zware, invaliderende aandoening of beperking; *Er is noodzaak van 24/7 aanwezige professionele begeleiding en/of toezicht; *Er is sprake van een hoge mate van onplanbare zorg (structureel); *Er is zeer beperkt zicht op vooruitgang of stabilisering op de zelfredzaamheid. Vergelijkbaar met voormalige ZZP 4 en hoger. 3.2 Verblijf De aanbieder draagt zorg voor een beschermde en veilige woonomgeving voor de cliënt in een accommodatie van de aanbieder: a. de zorgaanbieder is zelf eigenaar van het pand of is de hoofdhuurder. De aanbieder zorgt voor een ingerichte kamer/ appartement. De inrichting bestaat uit vloerbedekking, gordijnen en (eenvoudig) meubilair: een tafel, een stoel, een kast en lampen. Maar ook een bed, matras, beddengoed en handdoeken. Indien nodig zorgt aanbieder voor aanpassingen aan de kamer/appartement vanwege een ziekte of aandoening, bijvoorbeeld een verhoogd toilet en handgrepen. Deze inrichting is eigendom van de aanbieder. Uiteraard mag de cliënt toegestaan worden om de kamer/appartement geheel of gedeeltelijk zelf in te richten. De kosten van de inrichting zijn dan voor rekening van de cliënt; b. bij voorkeur heeft de cliënt in deze kamer/appartement de beschikking over eigen sanitair (wc en douche); c. de aanbieder zorgt voor kabel/telefoon/internet aansluitingen in het appartement of de kamer. De bewoner betaalt zelf abonnements- en gebruikskosten. Aanbieder zorg voor televisies, radio’s of cd- spelers in de gemeenschappelijke ruimten. Waarbij de zorgaanbieder zorg draagt voor: a. hygiëne: de aanbieder dient erop toe te zien of ervoor te zorgen dat het appartement of kamer er netjes en schoon uitziet. Evenals de gemeenschappelijke ruimten; b. Verzekering: de aanbieder zorgt voor de opstal- en inboedelverzekering van het appartement of kamer en de inboedelspullen; c. Nutsvoorzieningen: de aanbieder betaalt de kosten voor gas, water en elektra waaronder het opladen van een scootmobiel of andere hulpmiddelen. Waarbij de instelling zorgt voor voeding: 1. de aanbieder zorgt voor het eten van de bewoners. Het gaat hierbij om de gebruikelijke voeding: 3 maaltijden per dag en voldoende drinken, zoals koffie, thee en frisdranken. Ook fruit en tussendoortjes horen daarbij, in overleg met de bewoners. Als de bewoner een dieet moet volgen (medisch noodzakelijk), zorgt de aanbieder daarvoor. Indien mogelijk en gewenst biedt de aanbieder aan de cliënt de mogelijkheid om middels een eigen kookgelegenheid eenvoudige maaltijden te kunnen bereiden. De inrichting hiervan komt voor rekening van de cliënt, of wordt door aanbieder in bruikleen gegeven. 3.3 Begeleiding Aanbieder draagt zorg voor professionele begeleiding aan cliënten zodat hun zelfredzaamheid wordt bevorderd en zij volwaardig kunnen participeren in de samenleving. Doelen: verbetering/stabilisering/gecontroleerde achteruitgang. Hierbij worden de acties op de verschillende leefgebieden aan de hand van de ZRM-methode vastgelegd in het ondersteuningsplan. Primaire leefgebieden: 1. Huisvesting Zie onder Verblijfscomponent. 2. Financiën a. De aanbieder ondersteunt de cliënt bij het omgaan met geld, helpt hem de uitgaven en inkomsten in evenwicht te houden; b. Hierbij initieert aanbieder zo nodig professionele hulp in het kader van schuldhulpverlening. 3. Geestelijke gezondheid 4. Lichamelijke Gezondheid a. Aanbieder heeft zorg voor de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt, en schakelt zonodig nadere professionele zorg in; b. Aanbieder ziet toe op juist gebruik van medicatie door de cliënt; c. Aanbieder begeleidt de cliënt bij doktersbezoek als hij niet alleen kan reizen. Uiteraard kan daarvoor eerst een beroep gedaan worden op familieleden, kennissen of vrijwilligers. 5. Verslaving a. Aanbieder heeft zorg voor verslavings-problematiek van de cliënt, en schakelt zonodig nadere professionele zorg in; b. Aanbieder stelt duidelijke huisregels ten aanzien van gebruik van verslavende middelen, waarbij de nadruk ligt op de veiligheid binnen de accommodatie en de gezondheid van de cliënten. 6. Dagbesteding 7. Maatschappelijke participatie a. de aanbieder zoekt met de cliënt naar een passende, stimulerende dagactiviteit, waarbij zoveel mogelijk gebruik maakt van algemene voorzieningen en van de mogelijkheden van de cliënt om als vrijwilliger, in arbeidsmatige werkprojecten of in een beschutte omgeving, werkzaamheden te verrichten. Vrijwilligerswerk moet aansluiten bij de mogelijkheden van de cliënt en tegelijk uitdagend zijn. De dagbesteding is bij voorkeur zo dichtbij de woonplek dat de cliënt hier zelfstandig naartoe kan. Aanbieder werkt hier nauw samen met aanbieders van dagbesteding/ activeringstrajecten.Nadrukkelijk dient bekeken te worden of de cliënt als vrijwilliger bij kan dragen en zijn kwaliteiten in kan zetten voor de samenleving, de buurt (of buurtgenoten), de woonplek (of medebewoners) of anderen; b. De aanbieder stimuleert de cliënt deel te nemen aan sociale activiteiten (familie- of theaterbezoek, bioscoop), sport en ontspanningsactiviteiten. 8. Sociaal netwerk en huiselijke relaties a. Aanbieder begeleidt de cliënt in zijn herstel van familiebanden en zijn sociaal netwerk; b. De aanbieder draagt zorg voor een goed nabuurschap in de buurt en wijk van de accommodatie en stimuleert integratie-activiteiten van de cliënten in de buurt; c. de aanbieder ziet erop toe dat de cliënt in en buiten de woning geen overlast veroorzaakt. 9. ADL a. de aanbieder ziet erop toe dat de cliënt zichzelf goed verzorgt (persoonlijke hygiëne); b. aanbieder zorgt voor verzorging dan wel verpleging van de cliënt indien dit noodzakelijk is. Hierbij dient aandacht te zijn voor voorliggende voorzieningen in het kader van ZVW/WLZ. 10. Justitie a. Aanbieder begeleidt de cliënt in diens contacten met politie en justitie; b. Aanbieder spreekt de cliënt aan op diens gedrag en verantwoordelijkheid, en confronteert hem met de mogelijke gevolgen. 3.4Kwaliteit Accommodatie • Aanbieder draagt zorg voor het bieden van een kwalitatief verantwoorde, veilige, adequate en passende woonomgeving, waarbij rekening gehouden wordt met de zorgzwaarte van de gehuisveste cliënten; • Maaltijden worden verstrekt volgens de Voedingswijzer van het Voedingscentrum. Kwaliteit van maatwerkvoorziening • Aanbieder dient de maatwerkvoorziening af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt. Met daarbij een passende combinatie van intensieve begeleiding met – indien nodig – verzorging / gedragsregulering / verpleging en verzorging; • Aanbieder hanteert de ZRM-methode bij de bepaling van de maatwerkvoorziening en de voortgang ervan. Kwaliteit van personeel • Aanbieder is verplicht bij de uitvoering van de overeenkomst te werken met voldoende gekwalificeerd personeel (mbo en hbo geschoold), om de continuïteit van zorg te garanderen; Er wordt aantoonbaar voldaan aan de (wettelijke) eisen gesteld aan bevoegdheid en bekwaamheid zoals geformuleerd in de handreiking beschermd wonen door VNG. Hiertoe gelden een HKZ- of ISO- certificering; • Indien er gewerkt wordt met BIG geregistreerde medewerkers ( of zelfstandigen) zijn deze ingeschreven in het landelijk BIG register. Een kopie van het BIG register is te allen tijde inzichtelijk voor de opdrachtgever; • Indien er sprake is van verpleegtechnisch handelen, moet er sprake zijn van bekwaamheid van de betrokken zorgprofessional onder eindverantwoordelijkheid van de aanbieder en medici. Medezeggenschap • Aanbieder organiseert medezeggenschap voor cliënten via het instellen van een cliëntenraad. Kwaliteitstoetsing • Deelname aan een nog nader te bepalen systeem van intercollegiale toetsing. 4.Beschermd Wonen licht Beschermd wonen licht is een lichtere variant van beschermd wonen met verblijf. Hier is sprake van een verblijfsetting waar op maat – liefst in afbouw – de zogenaamde ‘hotelfuncties’ (voeding, dagstructuur, verzorging, basisinrichting kamer/woning etc.) worden geboden. De frequentie van ondersteuning en toezicht is afhankelijk van de zorgvraag van de cliënt. Er is overdag en/of in de avond professionele ondersteuning/toezicht aanwezig op de woonlocatie en in de nacht is dit gerealiseerd op afroep. In de nacht kan de professional binnen 15-30 minuten ter plaatse aanwezig zijn. 4.1Indicatie Deze variant is voor zeer kwetsbare burgers met een intensieve begeleidingsvraag die zijn aangewezen op 24 uurs toezicht en ondersteuning, intramuraal verblijf en zogenaamde ‘hotelfuncties’ op maat.Er is bij hen sprake van een psychi(atri)sche stoornis, eventuele bijkomende aandoening(
- en)en daarmee samenhangende beperkingen in “sociale redzaamheid” gepaard gaand met matig of zwaar regieverlies of met een matige of zware, invaliderende aandoening of beperking Er is bij beschermd wonen met verblijf licht sprake van één van onderstaande situaties: 1. Het gaat om cliënten met beperkingen in de zelfredzaamheid die het gevolg zijn van een min of meer gestabiliseerde psychi(atri)sche stoornis waarbij evenwel weinig tot geen vooruitzicht op verbetering van die zelfredzaamheid bestaat. 2. Het gaat om cliënten die vanuit een BW zonder verblijf of extramurale situatie als gevolg van decompensatie/ deregulatie tijdelijke intensivering van begeleiding en ondersteuning nodig hebben. Er is tijdelijk behoefte aan verblijf met 24-uurs aanwezigheid/ beschikbaarheidniveau van de professionele zorg in combinatie met hotelfuncties. Hierbij is sprake van een perspectief op herstel van wonen zonder verblijf. Vergelijkbaar met voormalige ZZP 3 en 4 4.2Verblijf Idem als Beschermd wonen basis. 4.3 Begeleiding Idem als Beschermd wonen basis, zij het minder in intensiteit. 4.4 Kwaliteit Idem als Beschermd wonen basis. 5.Toeslag Verpleging en Verzorging In de huidige intramurale settingen komen we mensen tegen die tijdelijk of permanent aangewezen zijn op intensieve verpleging en verzorging. 5.1Indicatie Naast de criteria die gelden voor de arrangementen Beschermd wonen met verblijf, geldt voor deze doelgroep: • Ten aanzien van ADL is betreffende op alle aspecten hulp of overname van zorg nodig. Waaronder eten en drinken, kleine verzorgingstaken, persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid, toiletgang, het wassen en aankleden; • Ten aanzien van mobiliteit hebben de cliënten vaak hulp of overname van zorg nodig. Binnenshuis kan de cliënt zich beperkt zelfstandig bewegen al dan niet met hulpmiddelen, buitenshuis is dat veelal met hulpmiddelen en/of ondersteuning van begeleiding; • Als gevolg van de kwetsbare gezondheid is verpleegkundige aandacht noodzakelijk. Contra-indicatie: Kosten van verpleging en verzorging kunnen voor rekening van de Wet Langdurige Zorg of Zorgverzekeringswet komen. 5.2 Verblijf Idem als Beschermd wonen basis. Aanvullend: • Het gebouw dient toegankelijk te zijn voor de specifieke cliëntengroep (lift, drempelloos, ruime kamer); • Cliënt heeft een eigen natte cel; • Voor deze doelgroep moet de infrastructuur ook aangepast zijn, degelijke, gebruiksvriendelijk en hanteerbare meubels; • Verpleging en verzorging gerelateerde hulpmiddelen in en rond de kamer, denkend aan douchestoel, handvaten, toilet verhogers, hoog/laag bedden, handgrepen op de gang, domotica/alarmering. 5.3 Begeleiding Aanvullend op het arrangement Beschermd wonen basis: 4. Lichamelijke gezondheid Aanbieder draagt zorg voor verpleegkundige zorg zoals zuurstoftoediening, voorkoming decubitus en infectie, medicatieverstrekking of toediening; Verzorgingsmiddelen en materialen behoren tot het arrangement en zijn voor rekening van de aanbieder. 7 en 8 Maatschappelijke participatie en sociaal netwerk en huiselijke relaties Aanbieder draagt zorg voor de benodigde hulpmiddelen en ondersteuning van de mobiliteit van cliënt. 9. ADL Aanbieder draagt zorg voor hulp of overname van de ADL-functies, waaronder eten en drinken, kleine verzorgingstaken, persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid, toiletgang, het wassen en aankleden. 5.4 Kwaliteit Aanvullend op het arrangement Beschermd wonen basis: • Indien er sprake is van verpleegtechnisch handelen, moet er sprake zijn van bekwaamheid van de betrokken zorgprofessional onder eindverantwoordelijkheid van de aanbieder en medici. 6. Beschermd wonen zonder verblijf Het arrangement beschermd wonen zonder verblijf past binnen de transformatie van de zorg. Het is een intensieve vorm van ondersteuning waarin sprake is van scheiden van wonen en zorg. De cliënt woont in een eigen woning (is zelf huurder of eigenaar). Bij beschermd wonen zonder verblijf is er noodzaak tot overname van taken op het gebied van levensonderhoud (bijv. het regelen van het huishouden, zelfzorg, vasthouden van een normaal dagritme) of heeft de cliënt daar dagelijks hulp en toezicht bij nodig. Kenmerkend is dat er regelmatig een beroep wordt gedaan op onplanbare zorg, terwijl dit bij ‘begeleiding