Subsidieregeling Waterstof kennisontwikkeling en innovatie (NPG)GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN Overwegende dat: in het startdocument en het programmakader van het Nationaal Programma Groningen de ambitie is uitgesproken om de energietransitie versnellen en in de provincie Groningen in 2035 voor een groot deel de gebouwde omgeving aardgasvrij te hebben; Provinciale Staten hebben ingestemd met het uitvoeringsprogramma "Programmalijn Energie 2024-2025"; in het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 de CO2 emissies zijn gereduceerd tot nul; in De Klimaatagenda Provincie Groningen 2030 is vastgesteld dat we als provincie een waterstofecosysteem willen faciliteren waarin voldoende koolstofarme waterstof beschikbaar is om de Groningse industrie te verduurzamen. Om dit doel te bereiken is het noodzakelijk dat er waterstofketens worden ontwikkeld, zodat er vraag en aanbod van waterstof ontstaat. Daarbij is ook nieuwe kennis en innovatie nodig om nieuwe ontwikkelingen op het gebied van waterstof te faciliteren; ook in de Economische Visie van de provincie Groningen wordt herkend dat onze provincie aantrekkelijk is als vestgingslocatie voor een waterstofecosysteem. Hierbij wordt ook het uitgangspunt genoemd dat de sector investeert in duurzame inzetbaarheid en scholing, onder andere in een waterstofcampus. Door in te zetten op o.a. kennis en innovatie, willen we ervoor zorgen dat onze bedrijvigheid toekomstbestendig is. Daarbij is het doel om nieuwe verbindingen te leggen, in het bijzonder ook tussen de kennisinstellingen en de bedrijven en in het innovatie ecosysteem als geheel. Deze regeling is opgesteld om ontwikkelingen op het gebied van kennis en innovatie te stimuleren. Gelet op: titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 3 van de Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017; de Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018. Besluiten: Vast te stellen de: Subsidieregeling Waterstof kennisontwikkeling en innovatie (NPG) Artikel1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene Groepsvrijstellingsverordening of AGVV: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, laatstelijk gewijzigd bij Verordening EU 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023. Awb: Algemene wet bestuursrecht; De-minimisverordening: Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun; Duurzaamheid: het gebruik van technologieën, processen en energiebronnen die een significante bijdrage leveren aan de vermindering van milieu- en klimaateffecten, zoals CO₂-reductie, efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen en minimalisatie van afvalstromen; Kaderverordening: Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017; Onderneming: een eenheid die een economische activiteit uitoefent met rechtspersoonlijkheid en die bijdraagt aan de kennis- en innovatietrajecten in de waterstofsector; Penvoerder: De partij binnen een samenwerkingsverband die als hoofdaanvrager optreedt bij de subsidieaanvraag. De penvoerder is verantwoordelijk voor de coördinatie, uitvoering en administratieve afhandeling van het project en fungeert als aanspreekpunt voor de subsidieverstrekker; Procedureregeling: Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018; Provincie: provincie Groningen; Samenwerkingsverband: overeengekomen samenwerking die geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaand uit ten minste twee partijen, die is opgericht ten behoeve van de uitvoering van projectactiviteiten die bijdragen aan kennis- en innovatietrajecten in de waterstofsector; SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland. Artikel2Doel Het doel van de regeling is stimuleren van kennis en innovatie gerelateerde activiteiten op het gebied van waterstof in de provincie Groningen door kennis over waterstof te vergroten, te verspreiden en te borgen in de regio. De regeling beoogt samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven te bevorderen en kennisinstellingen structureel te versterken op het gebied van waterstof. Artikel3Doelgroep 1.Subsidie kan worden aangevraagd door een: Onderneming; Kennisinstelling; Publiekrechtelijke rechtspersoon; Samenwerkingsverband. 2.In het geval van een Samenwerkingsverband wordt subsidie aangevraagd door de Penvoerder van het Samenwerkingsverband en draagt het project aantoonbaar de instemming van alle deelnemers van het Samenwerkingsverband. Artikel4Subsidievorm Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling subsidies in de vorm van een geldbedrag. Artikel5Subsidiabele activiteiten 1.Subsidie kan worden verstrekt voor experimentele of industriële onderzoeksprojecten (waaronder modellering) op het gebied van koolstofarme waterstof. 2.Subsidie kan worden verstrekt voor een experimentele of industriële ontwikkeling van innovatieve technologieën en processen gericht op de waterstofketen. 3.Subsidie kan worden verstrekt voor het opzetten van trainingen en onderwijsprogramma's gericht op waterstof. 4.Subsidie kan worden verstrekt voor ontwikkeling van stageplekken bij bedrijven actief in de waterstofindustrie. 5.Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen in waterstofonderzoeksfaciliteiten. Artikel6Weigeringsgronden Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 Awb en de artikelen 2.5 en 2.6 van de Procedureregeling wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien: het project niet past binnen de beleidsdoelstellingen van de provincie zoals weergegeven in de Economische visie en de Klimaatagenda 2030 van de provincie Groningen; de aanvrager van de subsidie niet behoort tot de in artikel 3 vermelde doelgroep van deze regeling; het project niet uitvoerbaar of financieel niet haalbaar is binnen de huidig geldende marktomstandigheden; er geen sprake is van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 5; het project niet voldoet aan de in artikel 7 tot en met artikel 8 gestelde criteria en eisen; subsidieverstrekking tot gevolg zou hebben dat, gelet op artikel 8 van de AGVV, één of meer van de in artikel 4, eerste lid, van de AGVV genoemde aanmeldingsdrempels of de op grond van de AGVV toepasselijke maximale steunintensiteit zou worden overschreden; het een Onderneming of een deelnemer van het Samenwerkingsverband betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: subsidie verstrekt zou worden aan een Onderneming of een deelnemer van het Samenwerkingsverband die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of; de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in artikel 6 van de AGVV. Artikel7Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager maakt in de aanvraag aannemelijk dat de te subsidiëren activiteiten zoals genoemd in artikel 5 baten hebben die hoofdzakelijk landen in de provincie Groningen; het project voldoet aan de randvoorwaarden van Duurzaamheid. Artikel8Beoordelingscriteria 1.Om subsidie te verlenen moet een aanvraag een minimaal aantal punten halen en voldoen aan alle knock out criteria. Het minimale aantal punten verschilt per activiteit: activiteiten als bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vijfde lid dienen minimaal 70 punten te behalen; activiteiten als bedoeld in artikel 5, derde lid dienen minimaal 40 punten te behalen; activiteiten als bedoeld in artikel 5, vierde lid dienen minimaal 23 punten te behalen. 2.Aanvragen worden beoordeeld op basis van de volgende criteria: uitvoerbaarheid (knock out) Technische en organisatorische haalbaarheid: Uit de aanvraag moet blijken dat het project technisch haalbaar is. Dit omvat een duidelijke onderbouwing van de technische aanpak, inclusief gebruikte technologieën en processen. Daarnaast moet de organisatorische structuur van het project goed gepland en navolgbaar zijn, met heldere rollen en verantwoordelijkheden. Financiële stabiliteit van projectpartners: In de aanvraag moet navolgbaar worden beargumenteerd dat alle betrokken partners over voldoende financiële middelen en operationele capaciteit beschikken om het project succesvol uit te voeren. Risicobeheersing: De aanvraag moet een gedetailleerde risicobeoordeling bevatten, waarin de belangrijkste risico’s zijn geïdentificeerd. Tevens moet worden onderbouwd welke maatregelen worden genomen om deze risico’s te mitigeren; relevantie voor beleidsdoelen (knock out) Dit criterium geldt niet voor artikel 5, vierde lid. Aansluiting bij provinciale doelstellingen: Uit de aanvraag moet blijken dat het project concreet bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie Groningen op het gebied van waterstofkennis en -innovatie. Dit verband moet helder en aantoonbaar worden uitgelegd. En: Impact op regionale ontwikkeling: In de aanvraag moet navolgbaar worden beargumenteerd hoe het project bijdraagt aan de economische en technologische ontwikkeling binnen de provincie Groningen. Hierbij ligt de nadruk op duurzame groei en de versterking van de regionale waterstofsector; financiële bijdrage (knock out) Eigen bijdrage van de aanvrager: Uit de aanvraag moet blijken dat de aanvrager minimaal 50% van de totale projectkosten (in-kind) cofinanciert. Deze (in-kind) cofinanciering moet duidelijk en aantoonbaar worden onderbouwd in de begroting bij de aanvraag; innovativiteit (25 punten) Dit criterium geldt niet voor de activiteit als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid. Nieuwheid van de voorgestelde oplossingen: In de aanvraag moet navolgbaar worden aangetoond dat de voorgestelde technologieën, methoden of processen innovatief zijn en een duidelijke vooruitgang vormen ten opzichte van de huidige stand van zaken in de waterstofsector. Originaliteit: De aanvraag moet beargumenteren hoe het project nieuwe kennis, methoden of vaardigheden genereert die waardevol zijn voor de waterstofsector en de bredere energietransitie; samenwerking en kennisdeling (25 punten) Samenwerkingsverbanden: De aanvraag moet duidelijk maken welke kennisinstellingen en bedrijven betrokken zijn bij het project en hoe deze partijen samenwerken. Het belang en de kwaliteit van deze samenwerking moeten navolgbaar worden beargumenteerd. Kennisoverdracht: Uit de aanvraag moet blijken hoe het project bijdraagt aan kennisdeling, bijvoorbeeld via workshops, publicaties of sector brede platforms. De inzet en impact van deze activiteiten moeten concreet worden beschreven. Stageplaatsen en onderwijs: De aanvraag moet aangeven hoeveel stageplaatsen en/of onderwijsprogramma’s worden ontwikkeld, en welke bijdrage deze leveren aan de ontwikkeling van de benodigde vaardigheden in de sector; versterking van kennisinstellingen (25 punten) Dit criterium geldt niet voor de activiteit als bedoeld in artikel 5, vierde lid. Versterking van de kennisinfrastructuur: De aanvraag moet aantonen hoe het project bijdraagt aan de verbetering van de kennisinfrastructuur van betrokken kennisinstellingen, bijvoorbeeld door nieuwe faciliteiten of onderzoekscapaciteit te creëren. Ondersteuning van onderwijs en onderzoek: In de aanvraag moet navolgbaar worden beschreven hoe het project bijdraagt aan de versterking van onderwijsprogramma’s en/of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van waterstof; duurzaamheid en lange termijn impact (10 punten) Dit criterium geldt niet voor de activiteit als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid. Milieueffecten: Uit de aanvraag moet blijken hoe het project bijdraagt aan een duurzame energietransitie. Dit omvat een concrete beschrijving van de milieueffecten, zoals reductie van CO₂-uitstoot of andere duurzaamheidsvoordelen. Langetermijnbijdrage: De aanvraag moet onderbouwen hoe het project op lange termijn bijdraagt aan een robuuste en duurzame waterstofinfrastructuur, inclusief de opschaling van innovaties; toegevoegde waarde voor de waterstofsector (10 punten) Dit criterium geldt niet voor de activiteit als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid. Relevantie voor de sector: De aanvraag moet navolgbaar uitleggen hoe het project inspeelt op de huidige behoeften en uitdagingen in de waterstofsector. Potentieel voor opschaling en replicatie: Uit de aanvraag moet blijken dat het project potentieel heeft om op grotere schaal of in andere regio’s te worden toegepast. Dit moet concreet en onderbouwd worden beschreven; integraliteit en samenhang (5 punten) Dit criterium geldt niet voor de activiteit als bedoeld in artikel 5, derde lid. Rollen van verschillende partijen: De aanvraag moet aantonen welke rol elke betrokken partij (kennisinstellingen, bedrijven, overheden) speelt in het project. De bijdrage van elke partij moet helder worden beschreven en gerechtvaardigd. Samenhang met eerdere projecten: In de aanvraag moet worden uitgelegd hoe het project voortbouwt op eerdere initiatieven, bijvoorbeeld ontstaan vanuit andere subsidieregelingen (bijv. de JTF-campusregeling). Indien het project niet gebaseerd is op eerder geïnitieerde projecten, moet het potentieel worden beschreven om als basis te dienen voor toekomstige projecten. Artikel9Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: voor activiteiten uit artikel 5, eerste en tweede lid worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 25 en 49 van de AGVV; voor activiteiten uit artikel 5, derde en vierde lid worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 31 AGVV; voor de activiteit uit artikel 5, vijfde lid worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 26 AGVV; loonkosten voor activiteiten die direct verbonden zijn aan subsidiabele activiteiten mogen worden opgevoerd als kosten, voor zover vastgesteld met Integrale Kostensystematiek of het Handleiding Overheidstarieven. Artikel10Niet subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.5 van de Procedureregeling komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: algemene overheadkosten; marketing- en promotiekosten; advies- en Consultantkosten zonder directe projectrelevantie; reiskosten; boetes, juridische kosten en schadevergoeding; exploitatiekosten zonder directe projectrelevantie; kosten voor educatie en/of trainingen die niet direct verbandhouden met het project of direct noodzakelijk zijn om de doelen van het project te halen. Artikel11Indieningsvereisten 1.Een subsidieaanvraag voor subsidie kan elektronisch worden ingediend bij het SNN. Elektronische indiening vindt plaats via een daarvoor ontwikkeld webportal dat bereikbaar is via www.snn.nl. 2.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van een projectplan en een begroting conform het door het SNN beschikbaar gestelde format. 3.Onverminderd artikel 2.1, lid 1 en 2 van de Procedureregeling bevat een aanvraag: een projectbeschrijving op activiteitenniveau. Gebruik deze om alle belangrijke onderdelen te onderbouwen of toelichting te geven op de andere bijlagen van uw aanvraag; een businesscase, waaruit per kalenderjaar de omvang van de investeringen blijkt (inclusief geplande investeringsbesluit). In ieder geval bevat deze businesscase een investerings- en exploitatiebegroting. Indien andere subsidies worden aangetrokken voor het project, dient u duidelijk inzichtelijk te maken welke subsidies aangevraagd dan wel beschikt zijn; een plan voor kennisdeling en evaluatie van de impact op de waterstofsector; een samenwerkingsovereenkomst waarin de rollen, verantwoordelijkheden, en financiële bijdragen van alle partners duidelijk worden beschreven; een toelichting waarom de aanvraag past binnen artikel 25, 26, 31 of 49 van de AGVV, inclusief verklaring geen financiële moeilijkheden en geen openstaand bevel tot terugvordering; Artikel12Indieningstermijn Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend met ingang van 20 mei 2025 tot en met 1 juli 2028. Artikel13Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 9.900.000,-. Artikel14Subsidiehoogte 1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5 bedraagt in alle gevallen maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van €2.500.000,-. Dit geldt ook als op grond van de staatssteunregels een hoger percentage of bedrag kan worden verstrekt. 2.De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid wordt berekend aan de hand van artikel 25 of 49 AGVV. 3.De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid wordt berekend aan de hand van artikel 31 AGVV. 4.De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5, vijfde lid wordt berekend aan de hand van artikel 26 AGVV. 5.Voor toepassing van steun geldt dat het percentage als bedoeld in lid 1 wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal aan steun die aangemerkt moet worden als staatssteun niet meer bedraagt dan op grond van het Europese steunkader is toegestaan. Artikel15Verdeelcriteria 1.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2.Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3.Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel16Staatssteun Subsidie kan worden verstrekt met toepassing van artikel 25, 26, 31 en 49 van de AGVV. Artikel17Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in aanvulling op artikel 2.10 van de Procedureregeling in ieder geval de volgende verplichtingen: de subsidieontvanger voert de activiteiten zoals omschreven in artikel 5 uit voor 1 juli 2029; de subsidieontvanger dient uiterlijk binnen 13 weken na afronding van de subsidiabele activiteiten het vaststellingsverzoek in; de subsidieontvanger start het project uiterlijk binnen 1 jaar na goedkeuring van de aanvraag; de uitvoering van het project dient uiterlijk één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn gestart; de aanvrager verspreidt kennis over het project door de resultaten en leerpunten van het project publiek beschikbaar te maken en actief te delen; de resultaten in stand te houden voor een periode van vijf jaar na het besluit tot subsidievaststelling; de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan 12 maanden bedraagt; de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten; het delen van de opgedane kennis met de provincie Groningen. aanvrager verspreidt de kennis door de (indien van toepassing) resultaten en leerpunten van het project publiek beschikbaar te maken en actief te delen; Artikel18Bevoorschotting en betaling 1.Gedeputeerde Staten verstrekken voor de activiteiten genoemd in artikel 5 op aanvraag vooruitlopend op realisatie van de projectactiviteiten een voorschot van 20% van de verleende subsidie. 2.Gedeputeerde Staten kunnen onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat. Dit is altijd het geval als de financiering niet zeker is gesteld. 3.Gedeputeerde Staten verstrekken op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten. Het voorschot bedraagt de in de rapportage verantwoorde gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, vermenigvuldigd met het toegestane subsidiepercentage, bedoeld in artikel 14 eerste lid. 4.De voorschotten bedragen in totaal maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag. Artikel19Subsidievaststelling Na afronding van het project dient de aanvrager binnen 13 weken een verzoek tot subsidievaststelling in. Artikel20Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 20 mei 2025. Artikel21Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Waterstof kennisontwikkeling en innovatie (NPG). Groningen, 6 mei 2025Gedeputeerde Staten van Groningen:René Paas, voorzitterHans Schrikkema, secretarisToelichting behorende bij de Subsidieregeling Waterstof kennisontwikkeling en innovatie (NPG) Algemeen Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017 (Kaderverordening) en de Procedureregeling subsidies Groningen (Procedureregeling). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Kaderverordening en Procedureregeling. In de Procedureregeling staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Kaderverordening en Procedureregeling noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling. In de Klimaatagenda van de provincie Groningen is aangegeven dat de provincie Groningen waterstof ziet als cruciaal onderdeel van de energietransitie en daarom initiatieven op het gebied van waterstof wil ondersteunen. Dit is nader uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Energie, waarin is vastgesteld dat we als provincie een waterstofecosysteem willen faciliteren waarin voldoende koolstofarme waterstof beschikbaar is om de Groningse industrie te verduurzamen. Om dit doel te bereiken is het noodzakelijk dat er waterstofketens worden ontwikkeld, zodat er vraag en aanbod van waterstof ontstaat. Daarbij is ook nieuwe kennis en innovatie nodig om nieuwe ontwikkelingen op het gebied van waterstof te faciliteren. Ook in de Economische Visie van de provincie Groningen wordt herkend dat onze provincie aantrekkelijk is als vestgingslocatie voor een waterstofecosysteem. Ook is het perspectief voor 2035 dat er een sterke integratie is van de industriële sector met de energiesector. Met name op het gebied van CO2 vrije waterstof, die een groene en circulaire industrie mogelijk maakt, en het gebruik van restwarmte door andere bedrijven en huishoudens. Deze regeling is bedoeld om deze ontwikkeling mede mogelijk te maken. Artikelsgewijs Artikel 1 Begripsbepalingen Dit artikel bevat definities van kernbegrippen die in de regeling worden gebruikt. Deze begrippen zijn essentieel voor een uniforme interpretatie van de regeling. Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV): Dit begrip verwijst naar de EU-verordening waarin wordt vastgesteld welke categorieën van staatssteun verenigbaar zijn met de interne markt en zonder voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie kunnen worden verleend. Awb: Algemene wet bestuursrecht, de wet die de algemene regels vastlegt voor het bestuur van Nederland, inclusief het verstrekken van subsidies. De-minimisverordening: Regels voor kleine steunbedragen die geen invloed hebben op de mededinging en daarom buiten de staatssteunregels vallen. Kaderverordening: Provinciaal kader waarin de algemene regels voor subsidies zijn vastgelegd. Procedureregeling: Regeling die de procedurele stappen en eisen voor het aanvragen van provinciale subsidies beschrijft. Provincie: Verwijst naar de provincie Groningen, het rechtsgebied waarbinnen deze regeling van toepassing is. Artikel 2 Doel Het artikel verduidelijkt dat de regeling gericht is op het stimuleren van kennis en innovatie op het gebied van waterstof. Deze activiteiten moeten bijdragen aan het vergroten, verspreiden en borgen van waterstofkennis in de regio. Ook wordt samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven bevorderd. Artikel 3 Doelgroep De regeling staat open voor rechtspersonen en samenwerkingsverbanden. De penvoerder vraagt de subsidie voor het samenwerkingsverband aan.en samenwerkingsverband geen rechtspersoonlijkheid bezit, mag een deelnemer met Deze aanpak bevordert samenwerking, maar zorgt er tegelijkertijd voor dat de verantwoordelijkheid bij één duidelijke partij ligt. Artikel 5 Subsidiabele activiteiten Artikel 5 bevat een limitatieve opsomming van activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie. Hieronder wordt per onderdeel een uitgebreide toelichting gegeven: 1. Experimentele of industriële onderzoeksprojecten (waaronder modellering) op het gebied van koolstofarme waterstof: Deze categorie omvat projecten die zich richten op het ontwikkelen en valideren van nieuwe kennis over koolstofarme waterstof, zoals productie, transport, opslag en gebruik. Voorbeelden van activiteiten: Modellering van waterstofproductieprocessen om de efficiëntie te verbeteren; Onderzoek naar innovatieve membranen voor elektrolyzers; Simulaties en analyses van grootschalige waterstofopslag in zoutcavernes. 2. Experimentele of industriële ontwikkeling van innovatieve technologieën en processen gericht op de waterstofketen Hierbij gaat het om projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe technologieën en processen die innovatief zijn en bijdragen aan de versterking van de waterstofinfrastructuur. Voorbeelden van activiteiten: Ontwikkeling van efficiëntere brandstofcellen voor transport. Innovatieve pijpleidingtechnologieën voor waterstofdistributie. Procesoptimalisatie voor de productie van groene waterstof uit duurzame bronnen. 3. Trainingen en onderwijsprogramma's gericht op waterstof Deze categorie ondersteunt initiatieven die kennis en vaardigheden ontwikkelen voor professionals, studenten en andere belanghebbenden binnen de waterstofsector. Voorbeelden van activiteiten: Het opzetten van trainingsprogramma's voor operators en technici in waterstofproductie. Het ontwikkelen van leermodules voor mbo-, hbo- en universitaire opleidingen. Bij- en nascholing voor professionals die willen overstappen naar de waterstofsector. 4. Ontwikkeling van stageplekken bij bedrijven actief in de waterstofindustrie Hiermee worden bedrijven ondersteund bij het aanbieden van stageplaatsen die studenten voorbereiden op een loopbaan in de waterstofsector. Voorbeelden van activiteiten: Het creëren van stageplekken voor technische studenten bij waterstofproductiebedrijven. Het opzetten van traineeships die gericht zijn op het ontwikkelen van vaardigheden in innovatieve waterstoftechnologieën. 5. Investeringen in waterstofonderzoeksfaciliteiten Deze categorie omvat fysieke investeringen in faciliteiten die bijdragen aan onderzoek en innovatie in de waterstofketen. Voorbeelden van activiteiten: De bouw of renovatie van laboratoria gericht op waterstofonderzoek. De aanschaf van gespecialiseerde apparatuur, zoals elektrolyzers of testopstellingen voor waterstofopslag. Afstemming met Beleidsdoelen Alle activiteiten die subsidiabel zijn onder deze regeling sluiten aan bij de beleidsdoelstellingen van de provincie Groningen, zoals beschreven in het uitvoeringsprogramma "Programmalijn Energie 2024-2025" en het Nationaal Programma Groningen. De activiteiten dragen bij aan: De energietransitie door de ontwikkeling van duurzame waterstofoplossingen. Economische groei en werkgelegenheid in de provincie. Het versterken van de regionale kennisinfrastructuur en samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Voorwaarden en Randvoorwaarden Hoewel deze activiteiten subsidiabel zijn, moeten ze voldoen aan de subsidievereisten zoals opgenomen in artikel 7 en voldoen aan de beoordelingscriteria zoals beschreven in artikel 8. Projecten die geen aantoonbare relevantie hebben voor waterstof, niet uitvoerbaar zijn of niet bijdragen aan de gestelde beleidsdoelen, komen niet in aanmerking voor subsidie. Artikel 7 Subsidievereisten Dit artikel bepaalt de voorwaarden waaraan een project moet voldoen. Hoofdzakelijke baten in Groningen: Dit betekent dat het project een significante bijdrage moet leveren aan de regionale ontwikkeling, zoals werkgelegenheid, kennisverspreiding of technologische vooruitgang in de provincie Groningen. Aanvragers moeten dit specifiek onderbouwen in hun aanvraag. Kennisverspreiding: Dit omvat het delen van projectresultaten via publicaties, workshops of andere vormen van disseminatie. Deze eis borgt dat de opgedane kennis ook voor anderen toegankelijk is en bijdraagt aan de bredere ontwikkeling van de waterstofsector. Artikel 10 Niet-subsidiabele kosten Dit artikel sluit bepaalde kosten expliciet uit van subsidie. algemene overheadkosten: Alleen directe projectkosten komen in aanmerking, overheadkosten zoals niet project specifieke huur en algemene administratieve kosten zijn niet subsidiabel; marketing- en promotiekosten: Kosten voor reclame, promotie en andere publiciteits- of netwerkactiviteiten zijn niet subsidiabel; advies- en Consultantkosten zonder directe projectrelevantie: Alleen consultancy met directe, aantoonbare projectrelevantie (bijv. technisch advies) kan mogelijk subsidiabel zijn, mits vooraf goedgekeurd; reiskosten; boetes, juridische kosten en schadevergoeding: Kosten voor juridische geschillen, boetes of schadevergoedingen zijn niet subsidiabel; exploitatiekosten zonder directe projectrelevantie: Alleen exploitatiekosten die aantoonbaar verband houden met innovatieve onderdelen van het project komen in aanmerking kosten voor educatie en/of trainingen die niet direct verbandhouden met het project of direct noodzakelijk zijn om de doelen van het project te halen. Artikel 11 Indieningsvereisten Dit artikel bepaalt welke documenten moeten worden ingediend om een subsidieaanvraag in behandeling te nemen. Businesscase en financiële onderbouwing: De businesscase moet inzicht geven in de financieringsstructuur van het project. Uit de aanvraag moet blijken dat het project financieel haalbaar is en voldoet aan de subsidieregeling. Plan voor kennisdeling: uit de aanvraag moet blijken hoe resultaten en leerpunten worden gedeeld met de sector. Artikel 14 Subsidiehoogte De maximale hoogte van de subsidie per project wordt gespecificeerd. Daarnaast wordt bepaald dat het percentage subsidiabele kosten afhankelijk is van de activiteit en de relevante Europese staatssteunregels. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van de specifieke AGVV-artikelen (zoals artikel 25 of 31). Aanvragers dienen expliciet aan te geven onder welk artikel de aanvraag valt en dit onderbouwen. BijlageI Staatssteun Artikel 25 AGVV Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, met inbegrip van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die in het kader van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen, en gecofinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en, indien van toepassing, steun voor gecofinancierde teamvormingsacties is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Het gesteunde deel van het onderzoeks- en ontwikkelingsproject valt volledig binnen één of meer van de volgende categorieën: fundamenteel onderzoek; industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling; haalbaarheidsstudies. De in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien; onverminderd artikel 7, lid 1, derde zin, kunnen deze projectkosten voor onderzoek en ontwikkeling bij wijze van alternatief worden berekend op basis van een vereenvoudigde kostenbenadering in de vorm van een vast percentage tot 20 %, dat wordt toegepast op de totale in aanmerking komende projectkosten voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in de punten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.