Beleidsregel normaal maatschappelijk risico en vergoeden van schade bij rechtmatig overheidshandelenHet dagelijks bestuur van Vervoerregio Amsterdam, gelet op artikel 1:3, lid 4 en artikel 4:81, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 38, lid 1 van de Gemeenschappelijke regeling Vervoerregio Amsterdam, en de Verordening nadeelcompensatie Vervoerregio Amsterdam 2023, besluit de volgende regeling vast te stellen: Beleidsregel normaal maatschappelijk risico en vergoeden van schade bij rechtmatig overheidshandelen Inleiding De overheid kan rechtmatig handelen, maar toch schade veroorzaken. Denk aan werkzaamheden aan de weg, waardoor een bedrijf (tijdelijk) minder goed bereikbaar is en inkomsten misloopt. Of waardevermindering van eigendom van een onroerende zaak door het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een appartementencomplex. Het gaat in dus niet alleen om schade veroorzaakt door rechtmatige besluiten, maar ook om schade veroorzaakt door rechtmatige feitelijke handelingen. Deze beleidsregel heeft betrekking op aanvragen om nadeelcompensatie op grond van de Awb en op grond van de Omgevingswet voor zover het directe schade betreft. De beleidsregel geeft (onder meer) invulling aan de betekenis en omvang van het begrip normaal maatschappelijk risico. Normaal maatschappelijk risico bij indirecte schade op grond van de Omgevingswet valt buiten deze beleidsregel, omdat dit al bij wet is geregeld. Artikel 4:126 Awb regelt het recht op nadeelcompensatie. Het bepaalt in het eerste lid dat indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, de benadeelde desgevraagd een vergoeding wordt toegekend. Het gaat hierbij om schade die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico. Deze beleidsregel geeft invulling aan het begrip normaal maatschappelijk risico. Naast de hierboven genoemde regeling in de Awb is in de Omgevingswet in afdeling 15.1 een specifiek op het omgevingsrecht toegesneden nadeelcompensatieregeling opgenomen, die enkele aanvullende regels bevat ten opzichte van de algemene regeling over nadeelcompensatie van titel 4.5 van de Awb. Er is in artikel 15.1 Omgevingswet sprake van een limitatieve opsomming van schadeoorzaken. Als een schadeoorzaak binnen het omgevingsrecht hier niet onder valt, kan niet alsnog via de Awb om schadevergoeding worden verzocht. In artikel 15.7 is het normaal maatschappelijk risico bij indirecte schade bepaald op 4% van de waarde van de onroerende zaak. Deze regel uit de Omgevingswet heeft voorrang boven de regels uit de Awb. Artikel1Toepassingsbereik 1.Deze beleidsregel heeft betrekking op aanvragen om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 4.126 eerste lid Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 Omgevingswet; 2.In het bepaalde bij of krachtens deze beleidsregel wordt verstaan onder het bestuursorgaan: het orgaan dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen of onder wiens verantwoordelijkheid de schadeveroorzakende handeling is verricht, zijnde: de regioraad, het dagelijks bestuur of de voorzitter van Vervoerregio Amsterdam; 3.Deze beleidsregel heeft geen betrekking op het normaal maatschappelijk risico voor indirecte schade op grond van de Omgevingswet bestaande uit waardevermindering van een onroerende zaak . Artikel2Normaal maatschappelijk risico 1.Binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade komt niet voor vergoeding in aanmerking. 2.Onder het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 4:126 lid 1 Awb valt in ieder geval schade: Voor zover deze het gevolg is van een omzetdaling die niet uitkomt boven de drempelwaarde van 8 % van de gemiddelde omzet op jaarbasis, op grond van de jaarrekeningen van de drie jaren voorafgaand aan het schadejaar; Voor zover deze bestaat uit kosten die niet uitkomen boven de drempelwaarde van 6 % van de gemiddelde kosten op jaarbasis, op grond van de jaarrekeningen van de drie jaren voorafgaand aan het schadejaar; Voor zover deze, in het geval van een ondernemer, minder dan € 1.000 en van een particulier minder dan €500 bedraagt. 3.Bij vaststelling van het normaal maatschappelijk risico worden de drempels onder het tweede lid, sub a. en b. toegepast op de gemiddelde omzet en kosten op jaarbasis, zoals vermeld in de jaarrekeningen van de drie jaren voorafgaand aan het schadejaar van de economische en/of juridische eenheid (de moedermaatschappij) waar de onderneming die de schade lijdt deel van uit maakt. 4.In verband met het normaal maatschappelijk risico uit 4:126 lid 1 Awb kan het bestuursorgaan van de vastgestelde schade die boven de drempelwaarden onder het tweede lid uitstijgt een percentage hanteren dat voor rekening van de benadeelde blijft. 5.Het bestuursorgaan kan in bijzondere omstandigheden bepalen dat van de onder artikel 2 tweede lid bepaalde percentages wordt afgeweken dan wel een periode vaststellen waarna geen aftrek plaatsvindt wegens het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico. Artikel3Wijze van schadeberekening 1.Wanneer de schade bestaat uit winst- of inkomstenderving, dan wordt de omvang daarvan in beginsel bepaald door: de gemiddelde omzet of het gemiddelde inkomen gedurende een periode van zo mogelijk drie jaar te vergelijken met de omzet of het inkomen in het jaar waarin de schade is geleden. Daarbij wordt een inflatiecorrectie toegepast en waar mogelijk een branchecorrectie en/of een trendcorrectie; van de vastgestelde gemiste omzet worden afgetrokken de kosten van het product of de dienst alsmede de kosten die ten gevolge van de omzetderving bespaard zijn of redelijkerwijs bespaard hadden kunnen worden. 2.Wanneer er gedurende de schadeperiode sprake is van verplaatsing van omzet binnen een onderneming dan wordt dat bij de vaststelling van de winst- of inkomstenderving in aanmerking genomen. Artikel4Voorschot 1.Een verzoek om een voorschot moet schriftelijk worden ingediend. Het bestuursorgaan stelt hiervoor een (elektronisch) formulier beschikbaar; 2.Een voorschotverzoek kan uitsluitend bij of volgend op de indiening van een verzoek om nadeelcompensatie worden ingediend; 3.De aanvrager die verzoekt om een voorschot dient te onderbouwen een aanmerkelijk belang te hebben bij een voorschot; 4.Een voorschot bedraagt maximaal 90% van de redelijkerwijs te verwachten vergoeding; 5.Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Artikel5Ingangsdatum Deze beleidsregel treedt in werking de dag na publicatie in het blad gemeenschappelijke regeling. Artikel6Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel normaal maatschappelijk risico en vergoeden van schade bij rechtmatig overheidshandelen. Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 mei 2025.De voorzitter Melanie van der Horst De waarnemend secretaris-directeurAlex ColthoffToelichting Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Toepassingsbereik Het toepassingsbereik van deze beleidsregel volgt uit artikelen 4:126 Algemene Wet Bestuursrecht, 15.1 en 15.4 Omgevingswet. De regeling nadeelcompensatie uit de Omgevingswet is een aanvulling op de regels in de Awb (lex specialis). Met bestuursorganen worden bedoeld de organen als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. In ieder geval het dagelijks bestuur kan beslissingen en besluiten nemen die als schadeoorzaak kunnen worden aangemerkt. Hierbij kan gedacht worden aan infrastructurele maatregelen en aan het verlenen van vergunningen Wet lokaal spoor. Artikel 2 Vaststellen normaal maatschappelijk risico Ad 2.1 Burgers en ondernemers dienen de ‘normale lasten' van het rechtmatig functioneren van de overheid voor eigen rekening te nemen. De rechtvaardiging voor het stellen van deze eis is gelegen in de gedachte dat burgers als lid van de gemeenschap ook profiteren van de overheidsdienst. Zo goed als zij de voordelen accepteren, moeten zij in beginsel ook de nadelen daarvan accepteren. Ontstaat er een wanverhouding tussen lusten en lasten, dan is geen sprake meer van ‘normale' en dus te dulden maatschappelijke risico's. Het begrip normaal maatschappelijk risico moet worden ingevuld aan de hand van abstracte en concrete omstandigheden. Omstandigheden die van belang zijn, zijn omvang van het in concreto geleden nadeel en de (on)voorzienbaarheid van het nadeel, mede gelet op de wijze van uitvoering van het rechtmatig handelen of het tijdstip waarop dit handelen plaatsvond. Voorbeelden van in beginsel normale overheidshandelingen zijn (onderhouds)werkzaamheden aan het tram- en metrospoor, of het verlenen van vergunningen voor beperkingengebiedactiviteiten. Met deze nadelen moet men in zijn algemeenheid rekening houden ook al bestaat er geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. Daarnaast is van belang op welke wijze een "normale" maatregel in een concreet geval is geëffectueerd en welke concrete gevolgen dit heeft gehad. Zo kan een normale maatregel zoals rioleringsherstel als gevolg van bijzondere omstandigheden onevenredige schade veroorzaken. In dit verband is van groot belang dat toepassing wordt gegeven aan de BLVC-methodiek om eventueel nadeel zoveel mogelijk te beperken. Aan bedrijven wordt normaal bedrijfs- of ondernemersrisico tegengeworpen. Uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor zijn eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren nadelen die direct samenhangen met de keuze voor een bepaald type bedrijfsvoering of een bepaalde inrichting van het bedrijf inclusief de keuze voor een bepaalde locatie. Ondernemers hebben te maken met een uitgebreidere risicotoerekening. Alleen als de maatregel sterk afwijkt van het normale verwachtingspatroon, waarop elke ondernemer bedacht dient te zijn, kan een aanspraak op nadeelcompensatie bestaan. De benadeelde moet aannemelijk maken dat een rechtmatige overheidsmaatregel desondanks naar tijd, plaats, ontstaanswijze en begeleidende omstandigheden en/of aard, ernst, duur en/of omvang van de daardoor veroorzaakte schade, een dermate uitzonderlijk en ongebruikelijk karakter heeft, dat een redelijk denkende en handelende ondernemer een dergelijke gedraging niet van de overheid had behoeven te verwachten. Ad 2.2.a. Omzetdrempel van 8 % In de beleidsregel is gekozen voor een omzetdrempel van 8% op jaarbasis van de gemiddelde jaaromzet om een concreet criterium te geven voor de praktijk, dat aangeeft welk gedeelte van schade in elk geval niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat wil niet zeggen dat een schadebedrag dat boven de drempelwaarde uitkomt per definitie voor vergoeding in aanmerking komt. Het toepassen van een vast drempelpercentage biedt rechtszekerheid en sluit goed aan bij de gedachte dat burgers de lasten die voortvloeien uit rechtmatig overheidshandelen in beginsel zelf dienen te dragen. Feitelijk geven de drempelpercentages in de beleidsregel uitdrukking aan de gedachte dat schade van een bepaalde omvang voor rekening van de burger zelf blijft, in het licht van de onvermijdelijke nadelen die men soms zal moeten dulden in een samenleving op een beperkt grondgebied. De drempelwaarde is een ondergrens in de vorm van een normaal maatschappelijk risico, die vooraf gaat aan het berekenen van de schade en aan een mogelijke korting die uit hoofde van maatschappelijk risico (alsnog) op de geleden schade in mindering wordt gebracht. De gedachte is dat bij schade van een bepaalde omvang nog geen sprake is van een wanverhouding tussen lusten en lasten. Wanneer een bedrijf een omzetdaling van 2% op jaarbasis ondervindt ten gevolge van rioleringswerkzaamheden dan kan dat mede worden verklaard door het uitgangspunt dat een dergelijk, geringe daling niet uitzonderlijk is en behoort tot de nadelen waarmee een bedrijf in abstracto rekening dient te houden en die niet uitstijgen boven de normale, eens in de zoveel tijd te verwachten nadelen, waarmee elk bedrijf rekening dient te houden. Ten aanzien van de koppeling aan de omzet kan worden gezegd dat het werken met omzetdrempels de afgelopen jaren algemeen gebruikelijk is geworden. Deze praktijk is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in meerdere uitspraken goedgekeurd. De Afdeling heeft in de Cassandraplein-uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1650) bepaald dat een drempelpercentage van 8% aanvaardbaar is bij tijdelijke en normale schadeoorzaken. Voor de drempel van 8% bij schade als gevolg van reguliere infrastructurele werkzaamheden geldt geen verhoogde motiveringsplicht. Hogere percentages zijn niet uitgesloten, maar de keuze daarvoor moet nader worden gemotiveerd. Lagere percentages zijn ook mogelijk, zeker in het geval van bijzondere omstandigheden, al is het aanvaardbaar om altijd een minimum percentage van 2% aan te houden. Ad 2.2.b Kostendrempel 6 % In plaats van schade als gevolg van een daling van de omzet, kan schade ook het gevolg zijn van een verhoging van de kosten, bijvoorbeeld indien bedrijven als gevolg van een verkeersmaatregel gedurende lange tijd lang en ver moeten omrijden. De beleidsregel bevat ook voor die gevallen een drempelwaarde (een percentage van de totale kosten op jaarbasis). Ad 2.2.c Bagateldrempel In dit lid zijn twee expliciete bedragen opgenomen die worden aangemerkt als bagateldrempel schade en derhalve hoe dan ook voor rekening van de benadeelde blijft: schade van een ondernemer die onder een bedrag van € 1.000 blijft en van een particulier onder de €500 komt nooit voor nadeelcompensatie in aanmerking, ongeacht de relatie met de omzet of het inkomen. Dit sluit aan op jurisprudentie waarin zeer lage schades hoe dan ook niet abnormaal zijn. Denk aan iemand die door problemen met een ophaalbrug moet omrijden, in de file belandt en zijn vliegtuig mist, of aan omrijschade doordat men wegens werkzaamheden aan het tramspoor tijdelijk een paar kilometer per keer moet omrijden naar werk of school. Een voorbeeld is ook een ondernemer die € 200,- aan kosten voor reclamemateriaal claimt, omdat hij zijn klanten heeft laten weten dat hij gedurende langere tijd minder goed bereikbaar is. Het opnemen van een bagateldrempel kan ook voorkomen dat de kosten van behandeling van het verzoek om nadeelcompensatie niet meer in een redelijke verhouding staan tot het te vergoeden bedrag. Ad 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.