Beleidsregels Bijzondere bijstand gemeente Roosendaal 2025Burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal; gelet op de artikelen 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en 35 van de Participatiewet; overwegende dat: - het wenselijk is om kaders vast te stellen waarbinnen bijzondere bijstand kan worden verleend; BESLUITEN vast te stellen de beleidsregels Bijzondere bijstand gemeente Roosendaal 2025 HOOFDSTUK1Algemene bepalingen Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Wet: de Participatiewet (PW); Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal; Bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35, lid 1 van de wet; Draagkracht: het gedeelte van het inkomen en/of vermogen dat de belanghebbende moet aanwenden om in de bijzondere kosten te voorzien; Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van de belanghebbende wordt vastgesteld; De bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 onder c van de wet exclusief vakantietoeslag en met dien verstande dat de zogenaamde kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet bij de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand buiten toepassing blijft. In dat geval wordt aangesloten bij de bijstandsnorm zoals die van toepassing zou zijn wanneer er geen sprake zou zijn geweest van de kostendelersnorm; Inkomen: het netto maandinkomen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken exclusief vakantietoeslag, dertiende maand en eenmalige beloningen van de belanghebbende; Voorliggende voorziening: een voorziening buiten de wet, die naar aard en doel geacht wordt toereikend en passend te zijn voor de belanghebbende, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Hierbij wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 5 en 15 van de wet. Zelfstandige: de zelfstandige als bedoeld in artikel 1 van het Bbz 2004 Netteringspercentage als bedoeld in artikel 5: het percentage bedoeld in artikel 6, lid 2, van het Bbz 2004, of bij een onderneming met rechtspersoonlijkheid het vennootschaps-belastingpercentage Werkplein: ISD Werkplein Hart van West-Brabant Artikel2.Uitvoering en aanvraagprocedure 1.De uitvoering van deze regeling gebeurt door het Werkplein. 2.In de gevallen zoals geregeld in artikel 6 lid 2 van Gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant heeft het ook het Werkplein Hart van West-Brabant de bevoegdheid om beleidsregels voor de verlening van bijzondere bijstand vast te stellen. 3.Het dagelijks bestuur van het Werkplein stelt het recht op bijzondere bijstand op schriftelijke aanvraag vast. 4.Voor de aanvraag maakt de aanvrager gebruik van een door het Werkplein verstrekt en daartoe bestemd aanvraagformulier. HOOFDSTUK2Draagkracht- en toekenningsperiode Artikel3.Draagkracht uit vermogen 1.Het volgens artikel 34 van de wet in aanmerking te nemen vermogen wordt geheel in beschouwing genomen voor de draagkracht uit vermogen. De ‘Beleidsregels vermogensvrijlating Participatiewet voor motorvoertuigen en overige bezittingen gemeente Roosendaal zijn ook van toepassing op de vermogensvaststelling bijzondere bijstand. 2.Het vermogen boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet, wordt gezien als draagkracht uit vermogen. Het vermogen boven deze vermogensgrens wordt voor de berekening van de draagkracht uit vermogen volledig als draagkracht in aanmerking genomen. 3.Bezittingen zoals bedoeld in artikel 34 tweede lid van de wet worden niet tot de draagkracht uit vermogen gerekend. 4.Vermogen in een uitvaartverzekering wordt niet in aanmerking genomen voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. 5.Bij de toepassing van artikel 34 wordt het vermogen in de door belanghebbende of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf niet in aanmerking genomen. Artikel4.Draagkracht uit inkomen 1.De belanghebbende met een inkomen tot en met 120% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt geacht geen draagkracht uit inkomen te hebben. 2.Als het netto-inkomen van de belanghebbende hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt 35% van het overschrijdingsbedrag voor de berekening van de draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen tenzij het een aanvraag voor bijzondere bijstand betreft voor de onder lid 3 genoemde kostensoorten. 3.Betreft het een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kostensoorten: Inkomensaanvulling jongeren 18 — 21 jaar, Woonkostentoeslag, Doorbetaling vaste lasten bij detentie of verblijf in een inrichting, Overbruggingsuitkering Dan wordt het netto-inkomen voor zover dit de bijstandsnorm overstijgt, volledig als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen. 4.Als de belanghebbende, niet zijnde een zelfstandige, een vast periodiek inkomen heeft, wordt bij de vaststelling van het inkomen uitgegaan van het inkomen van de maand voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen. Als de belanghebbende wisselende inkomsten heeft, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen. 5.De vrijlatingen genoemd in artikel 31 tweede lid van de wet, worden niet tot het in aanmerking te nemen inkomen gerekend; 6.Bij de vaststelling van de draagkracht uit inkomen, wordt de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 PW) buiten beschouwing gelaten; 7.Artikel 33 lid vijf van de wet wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de bijzondere bijstand; 8.Bij de berekening van de draagkracht wordt rekening gehouden met een eventueel beslag op inkomen en het boetedeel van de bestuursrechtelijk premie voor de zorgverzekering met dien verstande dat dan uitgegaan wordt van het inkomen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken; 9.Ondanks dat de Wet op de Inkomstenbelasting de mogelijkheid biedt om bepaalde medische kosten als aftrekpost op te kunnen voeren, wat een lagere definitieve aanslag inkomstenbelasting tot gevolg kan hebben, wordt dit mogelijk recht op belastingvermindering -of teruggave buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Artikel5Draagkracht uit inkomen en vermogen van een zelfstandige 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt het inkomen bij een zelfstandige afwijkend bepaald. 2.De vaststelling van het inkomen van een zelfstandige wordt op de volgende wijze bepaald: Het inkomen wordt bepaald aan de hand van het bruto-inkomen als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Bbz 2004, van het boekjaar voorafgaande aan het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan, hierna te noemen jaar -1. Als het bruto-inkomen als zelfstandige over het jaar -1 niet kan worden bepaald, wordt het inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep bepaald aan de hand van een kolommenbalans of de meest recente aangifte omzetbelasting. In bijzondere situaties kan van de periode van jaar-1 worden afgeweken. Hiervan is in ieder geval sprake als de periode tussen de aanvraag van de bijzondere bijstand en jaar-1 langer is dan zes maanden. 3.Het bruto-inkomen als bedoeld in lid 2 wordt verminderd met het netteringspercentage van betreffend jaar. 4.Overige bruto-inkomsten die niet zijn onderworpen aan voorheffing loonbelasting worden verminderd met het ten tijde van de aanvraag geldende netteringspercentage. 5.Als toepassing van lid 3 en 4 leidt tot een lager inkomen dan op basis van de door de Belastingdienst opgelegde Voorlopige Aanslag over het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan, wordt het bruto-inkomen bedoeld in lid 3 en de overige bruto-inkomsten als bedoeld in lid 4 niet verminderd met het netteringspercentage, maar met het bedrag van de opgelegde Voorlopige Aanslag. 6.Inkomsten anders dan in lid 3 of 4 benoemd worden vastgesteld volgens hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de Participatiewet. 7.Voor de vaststelling van het vermogen is artikel 3 van deze beleidsregels en artikel 7 van 8.het Bbz 2004 van toepassing waarbij in afwijking van het bepaalde in artikel 3 tweede lid voor zelfstandigen de vermogensgrenzen gelden zoals vermeld in artikel 3 van het Bbz 2004. Artikel6.Draagkracht in geval van WSNP en minnelijke schuldregeling 1.De belanghebbende die via de Wet op de gemeentelijke schuldhulpverlening deelneemt aan een minnelijke schuldregeling volgens de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor Volkskrediet (NVVK) wordt geacht geen draagkracht te hebben. 2.De belanghebbende die deelneemt aan een schuldsaneringstraject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) wordt geacht geen draagkracht te hebben. Artikel7.Draagkrachtperiode 1.Bij een aanvraag bijzondere bijstand wordt de draagkrachtperiode voor twaalf maanden vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand: van de aanvraag, of waarin de kosten zich voordoen als er sprake is van een aanvraag die met terugwerkende kracht wordt toegekend. 2.In afwijking van het eerste lid geldt in de volgende situaties een draagkrachtperiode: van 36 maanden bij belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.