Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2025 gemeente Harlingen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen; gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 van de gemeente Harlingen; b e s l u i t vast te stellen de navolgende beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2025 gemeente Harlingen; Deze ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2025 gemeente Harlingen' vast te stellen onder gelijktijdige intrekking van de ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2022 gemeente Harlingen’. De ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning augustus 2025 gemeente Harlingen’ na publicatie in werking te laten treden; 1Inleiding en leeswijzer Deze beleidsregels zijn een uitleg van hoe de maatschappelijke ondersteuning is geregeld in de gemeente Harlingen. Samen met de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 Gemeente Harlingen’ en het ‘Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning 2024 Gemeente Harlingen’ vormen deze regels de basis voor de manier waarop de gemeente uitvoering geeft aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze beleidsregels sluiten aan bij de beleidsregels Wmo, welke zijn vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, waaronder de ‘Beleidsregels handhaving en toezicht Wet maatschappelijke ondersteuning 2025’, waarin invulling gegeven wordt aan de wettelijke verplichting om toezicht te houden op naleving van de Wmo. De Wmo 2015 is een kaderwet, dat houdt in dat er veel beleidsvrijheid is gelaten aan de gemeente. Aan de hand van de individuele situatie van de inwoner en de regelgeving van de gemeente Harlingen wordt vastgesteld of maatschappelijke ondersteuning noodzakelijk is. Elke individuele situatie is anders, wat betekent dat de beoordeling van de hulpvraag en de oplossing daarvoor per cliënt kan verschillen. Toch moet een beoordeling wel objectief zijn en moeten gelijke gevallen op een gelijke manier worden behandeld. In deze beleidsregels is de geldende gedragslijn van de gemeente Harlingen vastgelegd. Deze gedragslijn beschrijft onder andere de manier waarop het onderzoek naar de individuele situatie van de inwoner wordt gedaan en hoe wordt beoordeeld of maatschappelijke ondersteuning nodig is. De volgende opbouw wordt gehanteerd: Hoofdstuk 2: Procedure. Dit hoofdstuk geeft nadere uitleg over de toegangsprocedure tot de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo
(2011)een handreiking kan bieden. De ondersteuning wordt maximaal 12 weken ingezet. De ondersteuning is van korte duur om de ouders de gelegenheid te geven om het acuut ontstane probleem zelf op te lossen. Hierbij is van belang dat de focus van de ondersteuning ligt op het huishoudelijke werk. Er worden in dat kader geen extra vaardigheden of deskundigheid gevraagd van de huishoudelijk medewerker. Zijn er deskundigheid en vaardigheden nodig in het kader van het verzorgen en opvoeden van kinderen, dan moet dat binnen de jeugdhulp worden opgelost. 4.5.2Regie en organisatie Wanneer de cliënt tijdelijk niet of onvoldoende in staat is tot het voeren van regie over het huishouden en het plannen van de huishoudelijke werkzaamheden, dan kan daar ondersteuning bij worden geboden in de vorm van ‘Thuisondersteuning’. De ondersteuning wordt geboden vanuit het resultaatgebied ‘Regie en organisatie’ en is bedoeld om structuur in het huishouden te verkrijgen of herkrijgen. Het doel is dat de cliënt met behulp van de ondersteuning stappen zet in het zelfstandig uitvoeren van huishoudelijke taken en in het voeren van een gestructureerd huishouden. De cliënt wordt bij het maken van keuzes zoveel mogelijk betrokken door de huishoudelijk medewerker. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en het leervermogen van de cliënt. 4.5.3Advies, instructie en voorlichting (AIV) Naast regie en organisatie kan dit resultaatgebied ook bestaan uit tijdelijke advies, instructie en voorlichting. Het gaat hier om het aanleren en samen uitvoeren van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging en om het aanleren en samen uitvoeren van activiteiten gericht op de boodschappen en maaltijden. Te denken valt aan het leren koken, bijvoorbeeld wanneer de partner die normaal kookt is overleden en de cliënt nu zelf moet koken, maar dit nooit heeft geleerd. Hetzelfde kan gelden voor het doen van de was of het schoonmaken van het huis. Er wordt verwacht dat iemand daar in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor is en er wordt geen rekening gehouden met traditionele rolpatronen (zie hoofdstuk 3, paragraaf eigen kracht en gebruikelijke hulp). Toch kan ter overbrugging in die situaties tijdelijk ondersteuning worden geboden bestaande uit advies, instructie en voorlichting om de persoon de noodzakelijke vaardigheden aan te leren. Deze ondersteuning wordt voor maximaal 90 minuten per week verstrekt voor een periode van maximaal 6 weken. 4.5.4Afbakening huishoudelijke ondersteuning en begeleiding Voor het bepalen van inzet ter ondersteuning bij de organisatie en regie over het huishouden (resultaatgebied B) of advies, instructie en voorlichting (resultaatgebied C), wordt het normenkader van HHM gebruikt. Verder is van belang dat het de maatwerkvoorziening Thuisondersteuning gaat om ondersteuning aan inwoners die beperkingen ervaren bij het voeren van een gestructureerd huishouden. De nadruk ligt op het aanleren van huishoudelijke taken. Mocht de inwoner op andere terreinen van zelfredzaamheid en het dagelijks functioneren eveneens een hulpvraag hebben, bijvoorbeeld in het omgaan met officiële instanties, geld of het goed zorgen voor zichzelf, dan worden er in het algemeen andere ondersteuningsvaardigheden verlangd en is inzet van bijvoorbeeld individuele begeleiding thuis passender. Dat valt niet onder de reikwijdte van de huishoudelijke ondersteuning. 5Individuele begeleiding, dagactiviteiten en kortdurend verblijf 5.1Individuele begeleiding Individuele begeleiding omvat activiteiten gericht op het bevorderen, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen en opvang dan wel beschermd wonen kan worden voorkomen. De ondersteuning kent drie te bereiken resultaten: Grip op het dagelijks leven en het persoonlijk functioneren; • Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk; Deelnemen aan het maatschappelijk leven. Het ontlasten van mantelzorgers kan ook onderdeel uitmaken van de resultaten. Om deze resultaten te behalen, kan ondersteuning worden ingezet bestaand uit onder meer de volgende activiteiten: Toezicht op of aansturing bij activiteiten en praktische vaardigheden (zowel thuis als buitenshuis); Ondersteuning bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie; Oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag; Ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, planning, administratie, geldzaken);Begeleiding door aansturing bij het uitvoeren van de persoonlijke verzorging voor zover dat niet onder de Zorgverzekeringswet valt. Middels individuele begeleiding wordt met cliënten gewerkt aan het verhogen van participatie en het versterken van zelfredzaamheid op verschillende levensgebieden, zoals: financiën, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, psychisch functioneren, verslaving, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. We onderscheiden de volgende maatwerkvoorzieningen gericht op individuele begeleiding in de thuissituatie: Individuele begeleiding Basis Individuele begeleiding Plus Individuele begeleiding Specialistisch 5.1.1 Individuele begeleiding Basis Individuele begeleiding Basis omvat verschillende activiteiten gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke deelname van de inwoner. Door inzet van Individuele begeleiding Basis kan de inwoner langer in de eigen leefomgeving blijven. De inwoner wordt begeleid bij het ontwikkelen en toepassen van vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie. Individuele begeleiding Basis omvat onder meer de volgende activiteiten: Toezicht op of aansturing bij activiteiten en praktische vaardigheden (zowel thuis als buitenshuis); Ondersteuning bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie; Oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag; Ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, planning, administratie, geldzaken, regelzaken);Begeleiding door aansturen bij het uitvoeren van de persoonlijke verzorging; Kernbegrippen hierbij zijn stimuleren, coachen, helpen bij de dagelijkse taken en monitoren. Het uitgangspunt is inzet van individuele begeleiding Basis. Is er meer specialistische begeleiding nodig, dan kan individuele begeleiding Plus of Specialistisch worden ingezet. 5.1.2 Individuele begeleiding Plus Naast de genoemde ondersteunende activiteiten bij individuele begeleiding basis, is er bij Individuele begeleiding Plus ook sprake van overname en regie. Overname betekent dat de zorgaanbieder taken van de cliënt overneemt, omdat de cliënt daartoe zelf niet of onvoldoende in staat is, ook niet met inzet van individuele begeleiding basis. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld het maken van afspraken of het voeren van de administratie. Kernbegrippen hierbij zijn overname en regie. Individuele begeleiding Plus voorkomt daarmee verwaarlozing of verhuizing naar een (zorg)instelling. Cliënten die in aanmerking komen voor Individuele begeleiding Plus kennen over het algemeen een complexe en zware problematiek. Bij afschalen is een warme overdracht essentieel en bestaat de mogelijkheid, indien wenselijk bij cliënt, naast de Maatwerkvoorziening individuele begeleiding Plus tijdelijk (maximaal 3 maanden) een Maat-werkvoorziening Individuele begeleiding Basis te indiceren. 5.1.3 Individuele begeleiding Specialistisch Wanneer cliënten kampen met ernstige, complexe problemen op meerdere terreinen van wonen en leven kunnen zij worden ondersteund middels individuele begeleiding Specialistisch. Het kan hierbij gaan om cliënten die vanwege langdurige psychische en/of psychiatrische problematiek forse problemen ondervinden in hun zelfredzaamheid. Bij deze problemen zijn factoren als dakloosheid, geweld en/of maatschappelijke uitval aanwezig of vormen een dreigend perspectief. De ondersteuning is bedoeld om escalatie, zoals dak- of thuisloosheid, te voorkomen en de situatie te stabiliseren. Daarnaast kan deze ondersteuning worden ingezet als nazorg voor cliënten die tijdelijk verbleven in een instelling en terugkeren naar de thuissituatie, maar daarbij nog kampen met ernstige problemen, zoals hierboven benoemd. Let wel, het gaat bij deze vorm van nazorg nog steeds om ambulante ondersteuning en niet om een vorm van beschermd wonen, zoals ThuisPlus. Soms biedt Individuele Begeleiding Plus hiervoor ook een uitkomst. Bij individuele begeleiding Specialistisch spreken we over intensieve inzet van ondersteuning, hierbij is voornamelijk sprake van een crisis. Als de crisis is afgewend en de situatie stabiel is, kan afgeschaald worden naar minder uren of naar lichtere vormen zoals individuele begeleiding Plus of Basis. In deze situaties kan tijdelijk Individuele Begeleiding Basis of Plus worden geboden naast Individuele Begeleiding Specialistisch. Er worden dan twee maatwerkvoorzieningen ingezet om een goede overdracht van ondersteuning te realiseren. Het moet hierbij om een tijdelijke situatie gaan, zo kort mogelijk, maar zo lang als nodig is om te komen tot een goede overdracht. Dit is in het belang van de cliënt. 5.2Dagactiviteit (Basis, Plus, Persoonlijke ontwikkeling en Vervoer) De ondersteuning middels de maatwerkvoorziening Dagactiviteit heeft als doel dat een inwoner met een beperkte zelfredzaamheid aan de maatschappij kan deelnemen en daarmee een goede en zinvolle invulling van de dag heeft. Het gaat veelal om activiteiten in groepsverband, waarbij met de cliënt wordt gewerkt aan het behoud en de ontwikkeling van (arbeids-)vaardigheden of het voorkomen of afremmen van achteruitgang in vaardigheden. Daarnaast kan deze maatwerkvoorziening worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. Doordat de cliënt tijdelijk uit de eigen omgeving is, wordt overbelasting van de mantelzorger voorkomen. Op die manier blijft de thuissituatie leefbaar voor de cliënt en mantelzorger. Bij de Dagactiviteit gaat het om vormen en activiteiten van onbetaald werk. De activiteiten zijn gericht op het bieden van dagstructuur en een zinvolle daginvulling. Voor cliënten jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bij elke aanvraag eerst gekeken welk perspectief er is op (beschut) werk. Arbeidsmatige dagbesteding wordt ingezet in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden. De begeleiding is enerzijds gericht op ondersteuning, coaching (motivatie, werknemersvaardigheden) en anderzijds op het creëren va veiligheid en structuur. Arbeidsmatige dagbesteding dient bij te dragen aan de mogelijkheden om uit te stromen naar beschut, begeleid of ondersteund werk, deelname aan (basis) voorzieningen in de buurt, vrijwilligerswerk of betaald werk. We onderscheiden de volgende varianten van de maatwerkvoorziening Dagactiviteit: Dagactiviteit Basis Dagactiviteit Plus Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling Vervoer van en naar de Dagactiviteit 5.2.1Dagactiviteit Basis Wanneer een cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft in het kader van dagstructuur of maatschappelijke deelname en er geen passende algemene voorziening beschikbaar is, kan Dagactiviteit Basis worden ingezet. Ook kan Dagactiviteit Basis als doel hebben dat de cliënt ‘even uit de eigen omgeving’ is en de mantelzorger van de betreffende cliënt wordt ontlast. Bij Dagactiviteit Basis gaat het om ondersteuning en activiteiten in groepsverband die erop gericht zijn om de cliënt te stimuleren tot het zelf vormgeven van zijn of haar dagstructuur en maatschappelijke deelname. De aangeboden activiteiten sluiten zoveel mogelijk aan bij de belangstelling en mogelijkheden van de cliënt. Ook kan er sprake zijn van helpen bij en toezicht houden op de uitvoering van die activiteiten. Er is geen noodzaak tot overname of het voeren van regie, de cliënt is in staat tot actieve deelname. De activiteiten vinden overdag plaats en buiten de eigen woonsituatie. Kernbegrippen bij de ondersteuning zijn stimuleren, coachen en laag intensief toezicht. 5.2.2Dagactiviteit Plus Dagactiviteit Plus is bedoeld ter ondersteuning van cliënten met zware of complexe problematiek. Vanwege de problematiek is de cliënt niet in staat zelfstandig problemen op te lossen of besluiten te nemen. Er is directe nabijheid van ondersteuning en toezicht nodig gedurende de dagactiviteit. Hierbij gaat het niet alleen om begeleiding bij de dagactiviteiten, maar soms ook om overname van taken door een professional. Voor het voeren van regie is de cliënt afhankelijk van de professional. Cliënten die in aanmerking komen voor deze vorm van ondersteuning hebben vaak complexe problematiek als gevolg van fysieke, zintuiglijke, verstandelijke of psychogeriatrische beperkingen, psychische- of cognitieve aandoeningen, niet aangeboren hersenletsel of verslavingsproblematiek. Geheugenproblematiek en onvoldoende regievoering is vaak aan de orde. Indien mogelijk sluiten de activiteiten zoveel mogelijk aan bij de behoeften en mogelijkheden van de cliënt. 5.2.3Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling wordt ingezet in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden. De begeleiding is enerzijds gericht op ondersteuning, coaching (motivatie, werknemersvaardigheden) en anderzijds op het creëren van veiligheid en structuur. Cliënten kunnen zich zo in een veilige en vertrouwde omgeving maatschappelijk en sociaal ontwikkelen. Dit kan een goede stap zijn voor cliënten bij wie een traject vanuit de Participatiewet, waar de nadruk meer ligt op toe leiden naar werk, te vroeg is. De nadruk ligt bij dit product meer op ontwikkeling van de individuele mogelijkheden dan bij de basis- en plus-varianten van de dagactiviteit. Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling dient bij te dragen aan de mogelijkheden om uit te stromen naar beschut, begeleid of ondersteund werk, deelname aan (basis-)voorzieningen in de buurt, vrijwilligerswerk of betaald werk. 5.2.4Vervoer Dagactiviteit Wanneer de cliënt niet in staat is om met eigen vervoer, openbaar vervoer of met behulp van het eigen netwerk naar de locatie van de Dagactiviteit te komen, kan vervoer van en naar de Dagactiviteit worden geïndiceerd. De zorgaanbieder is in dat geval verantwoordelijk voor het ophalen en brengen van de cliënt middels auto of autobus. De gebiedsteammedewerker onderzoekt wanneer vervoer noodzakelijk is. Het is de zorgaanbieder niet toegestaan een vervoersvergoeding aan de cliënt te vragen. 5.3Kortdurend Verblijf Kortdurend Verblijf biedt de cliënt een logeerplek waarbij (permanent) toezicht en ondersteuning, zoals individuele begeleiding, kan worden geboden. Het is bedoeld voor cliënten met een chronische, complexe ondersteuningsbehoefte die normaal gesproken dagelijks door een mantelzorger worden ondersteund in de thuissituatie. Kortdurend Verblijf omvat het bieden van een onderdak met in ieder geval de basale voorzieningen die men thuis ook zou verwachten: een bed, toegang tot toilet en wastafel, eten en drinken. Naast het bieden van verblijf wordt de ondersteuning overgenomen die normaliter door de mantelzorger wordt geleverd. Het zwaartepunt ligt bij kortdurend verblijf vooral op het logeren elders in een intramurale verblijfssetting met als beoogd resultaat het overnemen van het toezicht op de inwoner ter ontlasting van de gebruikelijke hulp of mantelzorg. Kortdurend verblijf is uitdrukkelijk preventief bedoeld: het kortdurend verblijf heeft als beoogd resultaat om overbelasting bij mantelzorgers te voorkomen, zodat zij de zorg thuis vol kunnen houden en opname in een intramurale instelling wordt voorkomen of op zijn minst uitgesteld. Kortdurend Verblijf omvat het bieden van een onderdak met in ieder geval de basale voorzieningen die men thuis ook zou verwachten: een bed, toegang tot toilet en wastafel, eten en drinken. Naast het bieden van verblijf wordt de ondersteuning overgenomen die normaliter door de mantelzorger wordt geleverd (Respijtzorg). Kortdurend verblijf kan maximaal drie etmalen per week worden ingezet. Dit heeft te maken met het feit dat wanneer iemand structureel meer dan drie etmalen per week elders verblijft, er volgens de wet geen sprake meer is van verblijf, maar van wonen. Toch zijn er situaties waarin kortdurend verblijf tijdelijk voor meer dan drie etmalen kan worden ingezet, bijvoorbeeld om een crisissituatie af te wenden of om de mantelzorger de gelegenheid te geven om op vakantie te gaan. Hoe lang de voorziening wordt afgegeven is maatwerk en is afhankelijk van de behoeften van de mantelzorger en de cliënt. Indicaties voor de duur van de voorziening kunnen zijn: de tijd die nodig is om de crisissituatie af te wenden en het wettelijk aantal vakantiedagen per jaar. Wel geldt dat het maximaal aantal etmalen per jaar 52 bedraagt en dat etmalen niet mogen worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar. Kortdurend Verblijf kan alleen worden ingezet wanneer: Ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is. Bij medische noodzaak ligt de verantwoordelijkheid bij de huisarts of medische specialist en de zorgverzekeraar. Andere vormen van overname van de ondersteuningstaken van de mantelzorger niet toereikend zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om inzet van het netwerk of vrijwilligers in huis, dagactiviteiten, thuisondersteuning of ondersteuning op afstand (alarmering, video, etc.). Duidelijk moet zijn dat dit niet te realiseren is of onvoldoende is om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen. De cliënt chronische complexe problemen heeft door een somatische, zintuiglijke of verstandelijke beperking of een psychische of cognitieve aandoening heeft. De cliënt maximaal drie etmalen nodig heeft, omdat de andere etmalen door gebruikelijke hulp en/of de mantelzorg worden geboden. Er kunnen ten behoeve van vakantie van de mantelzorger ook etmalen worden gespaard en achtereenvolgend gebruikt als zijnde een opname van maximaal drie weken. De cliënt geen Wlz-indicatie (Wet langdurige zorg) heeft. Als er sprake is van medisch noodzakelijk verblijf (Zorgverzekeringswet). De cliënt geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn/haar aanvullende zorgverzekering. Er zijn twee variaties mogelijk op de maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf. 5.3.1Kortdurend Verblijf Basis ‘met aandacht’ Gedurende een etmaal (24 uur) verblijft de cliënt in een zorginstelling waarbij geen begeleiding bij de persoonlijke verzorging nodig is. De aanvulling ‘met aandacht’ geeft aan dat er in dit geval vaak wel enige mate van toezicht nodig is: een aanspreekpunt, iemand die een oogje in het zeil houdt, en die in voorkomende gevallen de cliënt even gerust kan stellen en/of een praatje maakt. Deze ‘met aandacht’ is de extra toevoeging die anders door de Mantelzorger wordt gedaan en is qua ondersteuning te vergelijken met de Maatwerkvoorziening Individuele Begeleiding Basis. 5.3.2Kortdurend Verblijf Plus ‘met zorg’ Gedurende een etmaal (24 uur) verblijft de inwoner in een instelling waarbij begeleiding bij de persoonlijke verzorging naast de reguliere begeleiding nodig is – de ondersteuning die normaal door de mantelzorger wordt geboden is te vergelijken met de Maatwerkvoorziening Individuele Begeleiding Plus. NB: Het kan voorkomen dat er naast vormen van Wmo-ondersteuning ook andere ondersteuning in de thuissituatie wordt geboden door een (andere) professionele aanbieder, zoals persoonlijke verzorging uit de Zorgverzekeringswet. Mocht dit het geval zijn, dan blijft diezelfde aanbieder verantwoordelijk voor deze vorm van ondersteuning tijdens kortdurend verblijf als daarbij een redelijke reisafstand kan worden gehanteerd. Dat betekent dat die aanbieder in plaats van in de thuissituatie de persoonlijke verzorging op de verblijfslocatie biedt. In die gevallen kan Kortdurend Verblijf Basis ‘met aandacht’ worden ingezet. Bij een aanzienlijke grotere reistijd kan ervoor worden gekozen om een deel van de persoonlijke verzorging over te laten nemen door de gecontracteerde zorgaanbieder voor Kortdurend Verblijf. In die gevallen wordt Kortdurend Verblijf Plus ‘met zorg’ ingezet. 5.3.3Vervoer Kortdurend Verblijf Wanneer een Inwoner voor de ondersteuning Kortdurend verblijf niet met eigen vervoer, openbaar vervoer of vanuit eigen netwerk naar de locatie kan komen waar de ondersteuning wordt geleverd, is de Opdrachtnemer verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer. Bij vervoer gaat het om verplaatsingen per auto of autobus. De Opdrachtnemer krijgt hiervoor een vergoeding op maat, afhankelijk van de gemaakte kosten voor het organiseren van het vervoer. Dit moet worden beschreven in de aanvraag van de voorziening. Het vervoer wordt daarbij als apart product geïndiceerd naast Kortdurend Verblijf. 6Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Voor een inwoner met psychische of psychosociale problemen of voor een inwoner die, al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien het college in de behoefte aan beschermd wonen en maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Beschermd wonen Het bieden van beschermd wonen en opvang dient op grond van de wet altijd middels maatwerk bereikt te worden. De uitvoering van deze wettelijke taak leidt dan ook altijd tot onderzoek en een beschikking. De taak om opvang als algemene voorziening en Beschermd Wonen aan te bieden, is belegd bij de centrumgemeente Leeuwarden. Zo lang dit het geval is zijn de actuele beleidsregels en (uitvoerings)besluiten van gemeente Leeuwarden op het gebied van Beschermd Wonen van toepassing, zoals vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling ‘Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Friese gemeenten (SDF)’. Voorwaarden voor beschermd wonen: De inwoner heeft het nodig dat een veilige leefomgeving wordt geboden met daarbij behorend toezicht en begeleiding Er is een 24-uurs bereikbaarheid en continue dan wel snelle beschikbaarheid van ondersteuning noodzakelijk. Het toezicht is gericht op de veiligheid van de inwoner die het risico loopt op (zelf) verwaarlozing of een gevaar voor zichzelf of anderen vormt. De aanbieder biedt een snelle interventie bij incidenten en calamiteiten. De inwoner kan 24 uur per dag terugvallen op deskundige en bekwame medewerkers. Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt gekeken: Behoort de inwoner tot de doelgroep van de Wmo? Zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(
- s)of iemand uit het sociaal netwerk? Is er sprake van gebruikelijke hulp? Zijn er deels voorliggende voorzieningen beschikbaar? Zijn er deels algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar? Zijn er deels algemene voorzieningen beschikbaar? Kan de inwoner zelfstandig wonen, zonder noodzaak voor specifieke ondersteuning die 24/7 (aanwezigheid of nabijheid of bereikbaarheid) beschikbare bescherming en/of begeleiding vereist? Kan de inwoner een medisch toetsbare psychiatrische diagnose overleggen op grond waarvan de noodzaak tot beschermd wonen blijkt? Staat de medische behandeling van de psychiatrische diagnose (nog) op de voorgrond? Is de grootste kans op herstel in onze gemeente gezien participatiemogelijkheden en ondersteunend netwerk? Wordt de inwoner met beschermd wonen in staat gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in een situatie die passend is bij de levensfase van de inwoner? Voor alle inwoners is er perspectief op doorstroom binnen en waar mogelijk uitstroom uit beschermd wonen. De aanbieder heeft specifieke aandacht voor doorstroom en uitstroom naar zelfstandig wonen. Dat betekent dat ingezet wordt op het versterken en ontwikkelen van het netwerken? en op het aanleren van vaardigheden om zelfstandig te wonen. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor de opvangvoorziening indien: Belanghebbende zodanig ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken, dat die persoon niet door de instelling begeleid kan worden; Belanghebbende een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvangvoorziening niet of onvoldoende toegankelijk is; Er bij aanmelding duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en/of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening; Belanghebbende ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden; Belanghebbende niet akkoord wenst te gaan met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de eigen bijdrage; Belanghebbende zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt jegens andere inwoner in de opvangvoorziening of jegens de medewerkers van de instelling. Belanghebbende de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs had kunnen vermijden 7Woonvoorzieningen 7.1Inleiding In dit hoofdstuk worden de diverse woonvoorzieningen toegelicht. Een woonvoorziening kan door de gemeente in natura of middels een pgb geleverd worden. Als een inwoner niet met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen, kan de gemeente hulp-op-maat bieden in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de in redelijkheid te verwachten ontwikkelingen. Het uitgangspunt is dat iedere inwoner zelf moet zorgen voor een geschikte woning. Daarbij gaan we ervan uit dat de inwoner rekening houdt met de bekende beperkingen. Een woning kan zijn gekocht of worden gehuurd. Ook bij een woonboot met een vaste ligplaats of een woonwagen met een vaste standplaats spreken we in principe van een woning. Er zijn verschillende woonvoorzieningen, namelijk: Niet-bouwkundige woonvoorzieningen (losse woonvoorzieningen). Hieronder worden verstaan: woonvoorzieningen die niet nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn. Zoals een losse douchestoel, een drempelhulp of passieve en actieve tilliften. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Bouwkundige woonvoorzieningen (woningaanpassingen. Hieronder worden verstaan: de woonvoorzieningen die nagelvast aan het huis zitten zoals een traplift, bedieningselementen, een aanbouw of verbouw van een natte cel. Dit zijn de onroerende woonvoorzieningen. Verhuiskostenvergoeding. Hieronder worden eerst een aantal belangrijke uitgangspunten opgesomd die gelden voor alle woonvoorzieningen. Vervolgens worden de verschillende woonvoorzieningen beschreven en is benoemd welke voorwaarden gelden om daarvoor in aanmerking te komen. 7.2Algemene uitgangspunten voor woonvoorzieningen Integrale beoordeling Er wordt beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten. Ook wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtings-elementen in de woning. Voor het verstrekken van woningaanpassingen wordt beoordeeld welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de gehele woonruimte langdurig geschikt te maken voor het normaal gebruik van de woning. Normaal gebruik van de woning Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren of te verminderen. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning (en naar de tuin of balkon). Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel, zoals dialyse-ruimten en therapeutische baden. Bij woonvoorzieningen voor huurders wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw, zonder achterstallig onderhoud. Bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar De woonruimte moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn en mag geen aantoonbare problemen in het normale gebruik opleveren. Met bereikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de openbare weg tot de toegangsdeur van de woonruimte kan komen. Toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woonruimte kan komen. Met bruikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle binnen de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden veroorzaakt door de bouwkundige aard van de woning. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de persoon met beperkingen, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie ten gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening. Er worden ook geen voorzieningen verstrekt met het doel overlast voor derden te beperken. Afwijzingsgronden Gemeenschappelijke ruimten Een tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten wordt alleen dan verstrekt als de persoon met beperkingen de toegang tot zijn eigen woonruimte uitsluitend vanuit de gemeenschappelijke ruimten kan bereiken na het realiseren van deze aanpassing. De gemeenschappelijke ruimten betreffen voornamelijk entrees, trapportalen en portieken van woongebouwen. Het aanpassen van een gemeenschappelijke recreatieruimte wordt niet gecompenseerd. Woningen speciaal geschikt voor ouderen of gehandicapten Woningen speciaal geschikt voor ouderen of gehandicapten komen niet in aanmerking voor woonvoorzieningen. We gaan ervan uit dat cliënten in woningen voor ouderen of gehandicapten kunnen beschikken over benodigde voorzieningen zoals toegankelijkheid van de woonruimten met rollator of rolstoel een lift en elektrische deuropeners. Van de woningeigenaar (of verhuurder) wordt verwacht deze woonvoorzieningen te bieden. Een inwoner van een woning die specifiek is aangeboden als woning voor ouderen of gehandicapten, mag verwachten dat deze is ingericht om hier adequaat te kunnen wonen. Rechtmatige en permanente bewoning We verstrekken alleen een woonvoorziening wanneer de inwoner rechtmatig een woning bewoont, geen tijdelijk huurcontract heeft en de woning geschikt is voor permanente bewoning. Dit betekent onder andere dat hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur zijn uitgesloten om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening. Hoofdverblijf Het verlenen van woonvoorzieningen beperkt zich tot het hoofdverblijf van de persoon met beperkingen. Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan inwoners die in een Wlz-instelling verblijven. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor inwoners die vaak nog elders verblijven en logeren, zoals kinderen die in een Wlz-instelling wonen, maar in het weekend bij hun ouders verblijven. In eerste instantie betreft het dan aanpassingen bedoeld om de woning bezoekbaar en toegankelijk te maken. Bij kinderen die vaak komen te logeren kan overwogen worden om de woning ook hiervoor geschikt te maken te maken. In dat geval kan de slaapkamer en de douche bruikbaar worden gemaakt. Indien de ouders van een kind met een lichamelijke beperking gescheiden leven, kan overwogen worden om de tweede woning ook aan te passen. Het gaat om situaties waarbij sprake is van coouderschap en het kind voor de helft van de tijd woont bij de ene ouder en voor de andere helft van de tijd woont bij de andere ouder. Het spreekt voor zich dat dit alleen geldt voor woningen in de gemeente Harlingen. Voor losse woonvoorzieningen geldt dat slechts één losse voorziening wordt verstrekt waarover ouders onderling afspraken maken. Slechte staat van de woning De gemeente verstrekt geen woonvoorziening als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke eisen, zoals de Woningwet, Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Uitzondering daarop is wanneer de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken (bijvoorbeeld vocht- en schimmelproblemen) door de verhuurder te laten wegnemen en met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt er binnen redelijkerwijs aanvaardbare tijd geen uitzicht is op het verhelpen van de problemen door de verhuurder. Verhuizen naar ongeschikte woning Van de inwoner mag verwacht worden dat bij verhuizing of aanschaf van voorzieningen rekening gehouden wordt met bekende beperkingen. Doet de inwoner dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Toekomstige onzekere gebeurtenissen in de gezondheidssituatie zijn niet voorzienbaar. Verhuizing niet op grond van beperking zelfredzaamheid of participatie Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing van de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is de inwoner dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Inwoner gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er kan uitzondering gemaakt worden wanneer er een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is, bijvoorbeeld bij samenwonen of het aanvaarden van werk. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is het van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. 7.3Losse woonvoorzieningen Roerende woonvoorzieningen zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige aard. Het gaat uitsluitend om tilliften en losse sanitaire voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn. Tilliften De tillift is een hulpmiddel voor cliënten met een transferprobleem (verplaatsen). Het hulpmiddel is bedoeld om transfers mogelijk te maken, bijvoorbeeld in en uit het bed of van en naar het toilet. Er zijn tilliften ten behoeve van een passieve tilhandeling en ten behoeve van een actieve tilhandeling. De tillift wordt in bruikleen verstrekt of als Pgb. De tillift is bedoeld voor personen die niet in staat zijn zelfstandig in en uit bed te gaan, noch zelfstandig in een rolstoel plaats kunnen nemen. De persoon met beperkingen moet langdurig op het gebruik van deze voorziening zijn aangewezen. De functiebeperkingen van de betrokkene spelen een belangrijke rol. Een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning kan gebonden zijn aan een bepaald type tillift. De passieve tillift is in het algemeen geschikt voor mensen die geen loop- en stafunctie hebben. De transfer vindt plaats in liggende of zittende houding. De actieve tillift is in het algemeen geschikt voor mensen die geen loopfunctie hebben, maar wel een stafunctie. De transfer vindt dan plaats in staande houding. Voor beide tilliften geldt dat de persoon met een beperking bij de transfer afhankelijk is van begeleiding. Losse sanitaire voorzieningen Losse sanitaire voorzieningen zijn hulpmiddelen bij het baden, douchen en toiletgebruik. Op grond van de Wmo 2015 komen de volgende voorzieningen voor verstrekking in aanmerking: douche- en toiletstoelen, douche-brancards, badliften en badplanken. De bad- of douchekruk (al dan niet in hoogte verstelbaar) en toiletverhoger worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Deze voorzieningen zijn niet algemeen gebruikelijk als het noodzakelijk is dat zij verrijdbaar of kantelbaar zijn of op het individu moeten worden aangepast. Uitgangspunt bij de verstrekking is dat een persoon met beperkingen niet staande kan douchen of problemen ondervindt bij de toiletgang of bij het gebruik van het bad en een algemeen gebruikelijke voorziening de beperkingen niet (voldoende) opheft. 7.4Bouwkundige woningaanpassingen Bij woningaanpassingen gaat het om bouwkundige ingrepen aan de woonruimte, zoals het verwijderen van drempels, verbreden van deuren, aanpassen van sanitaire ruimtes en keuken, trapliften, aanbouwen van een gelijkvloerse slaapkamer en badkamer of het plaatsen van een tijdelijke woonunit. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht. Dat betekent dat deze voorzieningen niet uit de woning zijn te verwijderen zonder daarbij gebruik te maken van gereedschap. Daarmee verschillen ze van de eerder beschreven losse woonvoorzieningen, zoals douchestoelen, die als het ware ‘onder de arm’ zijn mee te nemen. Doorgaans wordt één verdieping aangepast. Liggen de woonactiviteiten verspreid over meerdere woonlagen, dan doet de gemeente in eerste instantie een beroep op het reorganisatievermogen van de betrokkene en diens sociale omgeving. Afwegingskader woonvoorziening of verhuizen Verhuismogelijkheden Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend, dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. Voordat een voorziening wordt verstrekt in de vorm van een woningaanpassing, wordt onderzocht of verhuizen een oplossing biedt voor de ervaren beperkingen en inclusief een verhuiskostenvergoeding voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. Dit wordt ook wel het verhuisprimaat genoemd. Belangenafweging bij toepassing verhuisprimaat Voordat de gemeente het verhuisprimaat toepast en overgaat tot het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor de verhuiskosten, maakt de gemeente een belangenafweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om: De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen en of verhuizen een passende oplossing voor de lange termijn is; Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn; De gezondheidssituatie van de cliënt en zijn huisgenoten; De leeftijd van de cliënt en zijn huisgenoten; Sociale omstandigheden, zoals de aanwezigheid van familie, vrienden en mantelzorg; Afstemming met andere voorzieningen; De werksituatie van de cliënt; De eventuele stijging in de woonlasten; • Of de huidige woning eigendom is van de cliënt; De wil van de cliënt om te verhuizen. 7.5Financiële tegemoetkoming verhuizen Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing, inclusief de inrichting, is een bedrag dat wordt toegekend aan een persoon met beperkingen bij verhuizing naar een geschikte, eventueel nog te verbouwen woning of een interim woning. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is een door het college vastgesteld bedrag en is vastgelegd in het geldende Financieel Besluit. Voor een financiële tegemoetkoming moet vastgesteld worden dat verhuizen medisch noodzakelijk is vanwege beperkingen in het normale gebruik van de woning. De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald indien de persoon verhuist naar een geschikte woning of een woning die goedkoper en eenvoudiger geschikt is te maken. Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming wordt afgewezen als de persoon met beperkingen op het moment van de aanvraag niet meer in de ongeschikte woning woont en de noodzaak niet meer is vast te stellen. Daarnaast wordt een financiële tegemoetkoming niet verstrekt als die is bedoeld voor verhuizing naar een woonruimte die niet bestemd is om het gehele jaar te bewonen (bijvoorbeeld vakantiehuizen). Als verhuisd wordt naar een Wlz-instelling, verzorgingshuis, verpleeghuis of een andere mede door de Wlz gefinancierde woonzorgvorm, dan komt de persoon met beperkingen niet voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in aanmerking. Bij verhuizing naar een woonruimte waarvoor geen huurovereenkomst maar een verzorgingsovereenkomst is afgesloten komt men niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. Tot slot komen algemeen gebruikelijke verhuizingen niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de vorm van een verhuiskostenvergoeding, omdat de kosten voor een algemeen gebruikelijke verhuizing voor de persoon met beperkingen geen meerkosten met zich mee brengen ten opzichte van mensen zonder een beperking. Voorbeelden zijn: Voor het eerst in Nederland zelfstandig gaan wonen, zoals kinderen die zelfstandig gaan wonen, en immigranten die eerst bij familie of vrienden gaan inwonen, en vervolgens een eigen woonruimte betrekken. Dit geldt ook voor remigranten; Verhuizen om economische redenen: een verhuizing die noodzakelijk is omdat elders ander werk wordt aanvaard; Langzaam toenemende beperkingen, waarbij is te voorzien dat er op termijn aanpassingen in de woning nodig zijn; Verhuizen uit een woning waarvan duidelijk is dat bewoning tijdelijk is, bijvoorbeeld omdat er een tijdelijke huurovereenkomst is die eindigt op redelijk korte termijn; Verhuizing naar een tijdelijke woning. Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie. 8Rolstoelvoorzieningen Wanneer iemand door zijn beperkingen problemen heeft bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen of bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en is aangewezen op zittend of liggend verplaatsen in en om de woning is het mogelijk een rolstoel als maatwerkvoorziening in te zetten. Een rolstoel wordt alleen verstrekt voor langdurig gebruik. Er moet dus sprake zijn van een noodzaak die langer is dan 26 weken. Voor kortdurend gebruik (26 weken of korter) is iemand aangewezen op een rolstoel vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Incidenteel gebruik van een rolstoel wordt aangemerkt als een algemene voorziening. Zo kan voor de duur van zes maanden een rolstoel via de uitleenservice geleend worden. Inwoners kunnen bij veel gelegenheden een rolstoel lenen, zoals bij een pretpark, dierentuin of woonwinkel. Als blijkt dat een algemene voorziening geen passende oplossing vormt, wordt er gekeken naar een maatwerkoplossing. De rolstoel heeft als doel dat de cliënt zich kan verplaatsen met een snelheid en bereik zoals dit gebruikelijk is met lopen en is vooral bedoeld voor dagelijks zittend gebruik. Vanuit de Wmo 2015 kunnen verschillende rolstoelvoorzieningen worden verstrekt, namelijk handbewogen rolstoelen (met of zonder elektrische ondersteuning), elektrische rolstoelen en sportrolstoelen. Welke rolstoel passend is, is afhankelijk van de beperkingen die moeten worden gecompenseerd of verminderd en afhankelijk van de noodzakelijke gebruiksduur, zithouding, wijze van verplaatsen en omgeving (binnenshuis en/of buitenshuis). Wat de sportrolstoel betreft, er is geen verplichting om (top)sportvoorzieningen te verstrekken. Speciale top-sportvoorzieningen dienen uit eigen middelen, fondsverwerving of sponsoring te worden gefinancierd. Iemand kan wel in aanmerking komen voor een recreatieve sportvoorziening wanneer het voor hem niet mogelijk is om een sport te beoefenen zonder de voorziening. Er moet dan sprake zijn van kosten die aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten voor iemand zonder beperkingen voor dezelfde sport. Daarnaast moet het gaan om een aantoonbare behoefte aan de sportvoorziening, in de vorm van lidmaatschap van een sportclub of –vereniging. Het gaat hier bijna altijd om sportrolstoelen. Voorliggend Het kan voorkomen dat een inwoner nog niet zeker weet welke sport hij wil gaan beoefenen, maar eerst een sport wil uitproberen. Als daar behoefte aan is, dan is in Friesland de provinciale uitleenservice van Uniek Sporten beschikbaar. Deze is voorliggend op de Wmo 2015 en biedt inwoners de mogelijkheid om een sportrolstoel te lenen en een sport naar behoefte uit te proberen. 9Vervoersvoorzieningen 9.1Inleiding Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en het aangaan en onderhouden van sociale contacten, brengt met zich mee dat iemand zich in de directe woon- en leefomgeving moet kunnen verplaatsen. Wanneer iemand daar zelf niet toe in staat is, kan een vervoersvoorziening een oplossing bieden. Een vervoersvoorziening is er op gericht langdurige beperkingen bij het verplaatsen te compenseren. Het gaat om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar eigen woonomgeving maakt, zoals verplaatsingen voor het doen van de boodschappen, het bezoeken van vrienden en familie en clubs en sociaal-culturele instellingen. Er wordt onderzocht in hoeverre de cliënt zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening of het openbaar vervoer. 9.2Wegingsfactoren In het geval de cliënt zelf niet in staat is zijn verplaatsingsprobleem op te lossen, kunnen verschillende vervoersvoorzieningen worden verstrekt vanuit de Wmo 2015. Een vervoersvoorziening hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van de inwoner. Het is aanvaardbaar dat hij zich ook enige beperkingen getroost en zijn vervoerspatroon en vervoersbehoefte aanpast aan zijn mogelijkheden. Er moet echter voorkomen worden dat de inwoner in een sociaal isolement terecht komt. Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015 wordt rekening gehouden met: de beperkingen van de inwoner; de individuele vervoersbehoefte van de inwoner; de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in de vervoersbehoefte te voorzien; de mogelijkheid van de inwoner om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van de vervoersvoorziening. Beperkingen Aanleiding van het vervoersprobleem zijn beperkingen in het verplaatsen. De beperkingen dienen blijvend of langdurig aanwezig te zijn. Voordat wordt vastgesteld of een vervoersvoorziening langdurig noodzakelijk is, wordt bekeken of de beperkingen ook middels behandeling kunnen worden verminderd of opgelost. Individuele vervoersbehoefte Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo 2015 valt; anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is. Voorliggende oplossingen Voorliggende oplossingen die aan de orde komen zijn andere wet- en regelgevingen, oplossingen die de inwoner zelf zonder meerkosten kan realiseren, zoals de aanwezigheid van een eigen vervoermiddel, en algemeen gebruikelijke voorzieningen, zoals de (elektrische) fiets en het openbaar vervoer. Van verwijzing naar andere wet- en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte anders kan worden opgelost. Voorbeelden zijn woon-werk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer). Gebruik Bij het vaststellen van de goedkoopst adequate voorziening wordt ook bekeken welke mogelijkheden de inwoner heeft om verantwoord gebruik te maken van de vervoersvoorziening. Problemen in bijvoorbeeld de waarneming en/of motoriek kunnen dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid, dat toekenning van de voorziening niet verantwoord is. Voor personen met een beperking in het verplaatsen op de korte en middellange afstand kunnen meerdere voorzieningen een oplossing bieden. Voorbeelden zijn de scootmobiel, driewielfiets, handbikes en tweewiel- en driewiel-tandems. Welke een passende oplossing biedt, is afhankelijk van de aanwezige beperkingen, mogelijkheden (o.a. mobiliteit, evenwicht, gebruik) en vervoersbehoefte. 9.3Fietsen Hieronder worden verstaan: de driewielfiets, een handbike voor rolstoelgebruikers en de tweewiel- en drie-wieltandem. Met behulp van één van deze vervoersmiddelen kan een kind of volwassene met een beperking zichzelf verplaatsen. Deze voorzieningen kunnen niet worden gecombineerd met een scootmobiel, omdat ze voorzien in hetzelfde doel. De persoon met beperkingen heeft belemmeringen in de sta- en loopfunctie en ondervindt hiervan problemen bij het verplaatsen buitenshuis. De problemen doen zich voor op de zeer korte afstand (tot 100 meter). Er is een dagelijkse vervoersbehoefte in het gebruiksgebied van de fiets (van de voordeur tot ca. 8 kilometer) waarin niet of niet volledig op andere wijze in kan worden voorzien (openbaar vervoer en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals de (elektrische) fiets, snorfiets, bromfiets, tandem, bakfiets, etc.). Een driewielfiets is geschikt voor mensen met een mobiliteitsprobleem en een beperkt evenwicht. De persoon rijdt zelfstandig en kan zelfstandig op- en afstappen. De handbike is bedoeld voor de rolstoelgebruiker die handmatig grotere vervoersafstanden wil en kan afleggen. Zij maken al gebruik van een rolstoel en kunnen geen gebruik maken van een (driewiel)fiets. De tweewiel- en driewieltandems zijn bedoeld voor mensen met een mobiliteitsprobleem die niet zelfstandig kunnen deelnemen aan het verkeer en hiervoor afhankelijk zijn van een begeleider die meefietst. Voor alle voorzieningen geldt dat de persoon in staat moet zijn om veilig deel te nemen aan het verkeer, met uitzondering van de tweewiel- en driewieltandems, waar die eis overigens wel geldt voor de begeleider die meefietst. 9.4Scootmobiel Een scootmobiel is een open voertuig, aangedreven door een elektromotor en bestuurd met een mechanisch stuur. Het gaat hier om een éénpersoons vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de zeer korte afstand tot de middellange afstand (ca. 10 km). Er zijn verschillende uitvoeringen met onder andere verschil in actieradius en snelheid. Scootmobielen met extra grote actieradius (meer dan 45
- km)en afwijkende hoge snelheid (sneller dan 15 km per uur) worden niet verstrekt. Aan personen voor wie een zwaardere, bredere of beter geveerde uitvoering medisch noodzakelijk is, kan wel een ander dan gebruikelijke uitvoering worden verstrekt, zoals de extra geveerde scootmobiel. De persoon met beperkingen heeft objectief aangetoonde ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie en ondervindt ten gevolge hiervan problemen bij het verplaatsen buitenshuis. Deze problemen doen zich voor op de zeer korte afstand, tot 100 meter. Er kan geen gebruik worden gemaakt van het openbaar vervoer, de (elektrische) fiets, rollator, stok en dergelijke. Uitgangspunt is dat met de scootmobiel de dagelijkse vervoersbehoeften op de (zeer) korte en middellange afstanden kunnen worden ingevuld. Daarnaast moet de cliënt in staat zijn om veilig deel te nemen aan het verkeer. In enkele gevallen is een scootmobielpool beschikbaar. Als die geen oplossing biedt, dan kan een scootmobiel als maatwerkvoorziening worden verstrekt. Wanneer een scootmobiel als maatwerkvoorziening wordt verstrekt, dan moet er ook een geschikte stallings-mogelijkheid met aansluitpunt voor opladen aanwezig zijn of die mogelijkheid moet kunnen worden gerealiseerd. Deze stalling moet voldoen aan de veiligheidseisen omtrent de brandveiligheid volgens de BBL (Besluit Bouwwerken en Leefomgeving). Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit Bouwwerken Leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. Sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Een scootmobielstalling moet overdekt zijn en er moet een oplaadpunt zijn. De oplaadkosten van een scootmobiel zijn algemeen gebruikelijk. Wanneer er geen stallingsmogelijkheden zijn, onderzoekt de gebiedsteamwerker met de cliënt of er alternatieve oplossingen zijn voor het opheffen van de beperkingen in de mobiliteit. 9.5Collectief vervoer Collectief vervoer kan een uitkomst bieden voor inwoners die vanwege een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn om het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken. Andere voorliggende vervoersvormen, zijn eveneens onderzocht en bieden geen passende oplossing. Collectief vervoer, ook wel Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) genoemd, is een vorm van vervoer waarbij mensen met een beperking gebruik kunnen maken van een taxi die door meerdere passagiers wordt gedeeld (deeltaxi). Het kan daarbij gaan om gewone taxi’s, maar ook om taxibusjes, die bedoeld zijn voor het vervoeren van rolstoelgebruikers. Het collectief vervoer heeft voorrang op een individuele maatwerkvoorziening zoals een aanpassing van de auto. Het collectief vervoer is geschikt voor mensen met een breed scala aan beperkingen en is berekend op vervoer van rolstoelgebruikers (al dan niet gezeten in een rolstoel) en voor het meenemen van scootmobielen. Er is sprake van deur-tot-deur vervoer. De chauffeurs houden in hun rijstijl rekening met de mensen die zij vervoeren en bieden hulp bij het in- en uitstappen. Het collectief vervoer is operationeel op de tijden dat ook het openbaar vervoer gebruikt kan worden. In Harlingen is dat van 07.00 uur t/m 24.00 uur. Straal van 25 kilometer Met het collectief vervoer kan per rit maximaal in een straal van 25 km gereisd worden vanaf de woonplaats. Alleen naar puntbestemmingen mag verder worden gereisd, omdat dit in het belang is van de participatie. De volgende bestemmingen zijn puntbestemmingen: Sneek; Leeuwarden; Crematorium in Goutum; Crematorium in Marssum Voor verplaatsingen verder dan 25 km rondom de woning, niet zijnde een puntbestemming, dient de inwoner gebruik te maken van Valys. Valys is een landelijk bovenregionaal vervoerssysteem voor mensen met beperkingen en speciaal bedoeld voor ritten langer dan 25 km. Deze ritten verzorgt de gemeente dan ook niet. Iedereen die recht heeft op Wmo-vervoer heeft ook recht op vervoer via Valys. Reizigersbudget (1.500 km op jaarbasis) De inwoner met recht op Wmo-vervoer heeft een reizigersbudget van 1.500 km per jaar. In verreweg de meeste gevallen, zo blijkt uit jurisprudentie, moet dat voldoende zijn om de beperkingen in mobiliteit weg te nemen. Hier bestaan wel uitzonderingen op. Dit moet blijken uit onderzoek van het gebiedsteam. Belangrijk is dat de inwoner in zo’n geval met concrete verifieerbare gegevens aannemelijk kan maken dat in zijn geval de vervoersbehoefte groter is dan de 1.500 km-norm per jaar. Eigen bijdrage Wmo-pashouder Voor het gebruik van het collectief vervoer ontvangt de inwoner een vervoerspas. Met deze pas kan gereisd worden tegen betaling van het gebruikelijk openbaar vervoerstarief, bestaande uit een opstaptarief en een vast tarief per kilometer. Deze tarieven worden jaarlijks geactualiseerd en zijn vastgelegd in het financieel besluit. Type vervoer Regulier vervoer Voor de meeste inwoners met een mobiliteitsprobleem zal regulier, collectief vervoer een passende oplossing zijn. Rolstoelvervoer Voor rolstoelgebruikers is het rolstoelvervoer beschikbaar. Individueel vervoer Tot slot is het mogelijk om bij uitzondering individueel vervoer toe te kennen. Collectief reizen is het uitgangspunt, maar biedt niet voor iedere inwoner een oplossing. Voorbeelden van situaties waarbij collectief reizen geen passende oplossing biedt zijn: ernstige spasmen, gedragsproblemen, ernstige niet-beheersbare incontinentie, ademhalingsproblemen en gebruik van zuurstofapparatuur, allergie voor geuren en zonlicht en gebruik van een z