De begripsbepalingen die in de Waterwet en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald. Gemakshalve wordt voor de uitleg van die begripsbepalingen verwezen naar de Waterwet en het Waterbesluit. Het begrip regionale waterkering betreft een provinciale defi nitie. Het gaat hier om niet primaire waterkeringen, die op grond van artikel 2.4 van de Waterwet zijn aangewezen en genormeerd. Door het waterschap kan een ruimere defi nitie worden gehanteerd. Artikel 1.2 Toepassingsbereik In deze verordening worden alle waterschapsgerelateerde zaken geregeld voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Artikel 1.3 Toedeling watersysteembeheer De artikelen 3.1 en 3.2 van de Waterwet voorzien in een landsdekkend systeem waarin is bepaald wie wordt belast met het beheer van watersystemen. De watersystemen of onderdelen daarvan, die bij het Rijk in beheer zijn, worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, namelijk via het Waterbesluit. De overige beheerders van (onderdelen van) watersystemen worden bij provinciale verordening aangewezen. Daarbij dient artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen, waarin is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging. Ter uitvoering van artikel 3.2, eerste lid, van de Waterwet wordt daarom in dit artikel het waterschap aangewezen als beheerder van het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde de waterstaatkundige verzorging van haar gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.Hoofdstuk 2 Normen Titel 2.1 Regionale waterkeringen AlgemeenOp grond van artikel 2.4 van de Waterwet worden bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen, andere dan primaire waterkeringen, die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen vastgesteld. In deze titel wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. De desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten. Op die kaarten is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm aangegeven. Door het stellen van normen geeft de provincie nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm van normen. In verband hiermee is ervan afgezien in deze titel een specifi eke beheersopdracht op te nemen die inhoudt dat het waterschap er voor zorg draagt dat de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen. Hetzelfde geldt voor de normen voor wateroverlast (zie artikel 2.4).
.1 Veiligheidsnorm Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat voor regionale waterkeringen de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm is. Het wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden. Hiertoe zijn de waterkeringen die op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten zijn opgenomen, naar gelang de mogelijk optredende schade in vijf klassen ingedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar (kadeklasse I) tot een overschrijdingskans van 1/1000 per jaar (kadeklasse V). De uitgangspunten voor de berekening van de schade en de vertaling naar de kadeklassen zijn afgeleid van de IPO-Leidraad ter bepaling van normen voor boezemkaden. Voor elk van de regionale waterkeringen is de veiligheidsnorm ook op bedoelde kaarten opgenomen. Om een bepaald veiligheidsniveau voor een gebied te verzekeren behoeven de rond dat gebied gelegen waterkeringen niet alle aan dezelfde veiligheidseisen te voldoen. De te stellen eisen kunnen afhankelijk gesteld worden van factoren als het watervolume dat door een waterkering wordt gekeerd, het landgebruik direct achter de waterkering en de aanwezigheid van polderkades in het gebied. Om die reden is ervoor gekozen niet een gebied te normeren, maar de waterkeringen rondom een gebied. Aldus kunnen gedifferentieerde eisen worden gesteld en kan in bepaalde situaties met kleinere kadeverbeteringen worden volstaan en kunnen de kosten van verbetering worden beperkt. Tweede en derde lidZoals hiervoor is aangegeven is op de kaarten in bijlage 1 voor de verschillende regionale waterkeringen of delen daarvan de veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte norm dient voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van voorschriften voor de toetsing en anderzijds in de vorm van een technische leidraad voor het ontwerp van een regionale waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling in handen van gedeputeerde staten gelegd. Om te bereiken dat de toetsing van de actuele veiligheidssituatie door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt, hebben de daarvoor gestelde voorschriften het karakter van een bindend voorschrift. Afwijking hiervan is niet mogelijk. Wat betreft het ontwerp heeft de technische leidraad het karakter van een richtlijn. Dat betekent dat de beheerder een bepaalde ruimte wordt gelaten om in verband met specifi eke plaatselijke omstandigheden af te wijken. Een afwijking kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om voor de langere termijn een optimum te realiseren tussen aanleg- en onderhoudskosten. Ten behoeve van de beoordeling van het waterkerend vermogen is het nodig dat gedeputeerde staten naast voorschriften over de wijze van toetsing tevens de maatgevende waterstanden vaststellen. Voor de regionale keringen langs de boezem wordt de maatgevende waterstand bepaald door het maatgevend boezempeil, de scheefstand van de boezem door opwaaiing en de werking van de boezemgemalen. Voor de regionale keringen langs vrij afstromende regionale wateren wordt de maatgevende waterstand berekend door middel van een hydrologische analyse. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van afvoernormen, metingen en/of modellen. Vierde lidHet vaststellen van het tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder. In de aan deze verordening voorafgaande Verordening waterkering West-Nederland en het bijbehorende Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland is al het tijdstip bepaald waarop de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen, namelijk in
Dit artikel geeft de nadere prioritering voor de regionale wateren binnen de categorie 3 en categorie 4 gebruikers uit artikel 2.1 van het Waterbesluit. Deze nadere prioritering moet worden gezien als richtlijn voor de waterbeheerder bij de verdeling van het beschikbare water over de diverse functies in de regio tijdens een periode van watertekort. Met deze nadere prioritering houdt de waterbeheerder bij het opstellen van calamiteitenplannen en waterakkoorden rekening. In dit artikel is de al bestaande bepaling over de verdringingsreeks overgenomen uit de Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht
De beheerder draagt zorg voor de periodieke beoordeling van het watersysteem, meer specifi ek de beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de veiligheid van de waterkering respectievelijk het tegengaan van wateroverlast. De beheerder doet periodiek verslag van de uitkomsten van deze beoordeling aan gedeputeerde staten zodat gedeputeerde staten kunnen nagaan of aan de normen is voldaan. In de toelichting bij de artikelen 2.1 en 2.4 is het belang aangegeven dat de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en de beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren op uniforme wijze worden uitgevoerd, zodat eenduidig kan worden bepaald wanneer het watersysteem kan worden gekwalifi ceerd als ‘op orde’. In verband hiermee is in het zevende lid van dit artikel bepaald dat gedeputeerde staten voorschriften kunnen stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de toetsingsverslagen.Hoofdstuk 3 PlannenAlgemeen De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het beheerplan en de voortgangsrapportage. De bestaande planstructuur van de Wet op de waterhuishouding is grotendeels overgenomen in de Waterwet. Provinciale staten stellen het regionale waterplan vast. De waterschappen houden hier rekening mee, bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt ingebed in het breder afgewogen regionale waterplan. De verordening gaat uitgebreid in op de in het beheerplan op te nemen onderdelen.
Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen, die de provincie in haar regionale waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. Op grond van de in het NBW-actueel gemaakte afspraak moeten in het beheerplan ook de resultaten van het onderzoek naar het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem (GGOR) worden opgenomen. Het GGOR is een instrument dat het waterschap gebruikt om via een transparant proces de waterpeilen en ruimtelijke grondgebruikfuncties zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. De in het beheerplan op te nemen resultaten van het GGOR betreft minimaal een beschrijving van de knelpunten die in het GGOR-proces naar voren zijn gekomen alsmede van de maatregelen die nodig zijn om die knelpunten op te lossen. Dit is voorgeschreven in het eerste lid, onder c en d. Uit de knelpunten kan naar voren komen dat functieveranderingen wenselijk zijn.Artikel 3.2 RaadplegenDe Waterwet schrijft in artikel 4.7 voor dat bij verordening regels worden gesteld over onder andere de raadpleging van burgemeester en wethouders van betrokken gemeenten. Artikel 3.2 voorziet daarin.Artikel 3.3 VoorbereidingAfdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van het beheerplan. Daarbij is in het tweede lid opgenomen dat iedere belanghebbende en ingezetene zienswijzen naar voren kan brengen. Op grond van artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan het naar voren brengen van zienswijzen naar keuze schriftelijk of mondeling. De voorbereidingsprocedure voor het beheerplan is overigens identiek aan de procedure voor de totstandkoming van het regionale waterplan.Artikel 3.4 Goedkeuring en toezendingHet waterschap stuurt het goed te keuren beheerplan en de in het artikel genoemde bijlagen naar gedeputeerde staten. De bijlagen zijn geen onderdeel van het beheerplan. Gedeputeerde staten gebruiken de bijlagen bij de beoordeling van het plan en bij het beantwoorden van de vraag of het beheerplan is voorbereid en vastgesteld volgens de daarvoor geldende procedure.Artikel 3.5 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplanIn artikel 3.10 van de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer regels kunnen worden gesteld omtrent de door de besturen van waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen uitoefenen van toezicht is het van belang dat gedeputeerde staten over adequate en voldoende actuele informatie beschikken. In dit artikel is geregeld dat de beheerder, tenminste eenmaal per jaar, aan gedeputeerde staten rapporteert over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt. Deze voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie en het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de afspraken die het IPO en de Unie van waterschappen hebben neergelegd in de rapportage “Afstemming van taken in het regionale waterbeheer”
Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkeringen (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm, de technische leidraad en de voorschriften, bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, dwarsprofi elen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de primaire en regionale) waterkeringen en de daaraan grenzende beschermingszones zijn. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in artikel 2.4 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast). Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieen van oppervlaktewaterlichamen en daaraan grenzende beschermingszones, alsmede van de bergingsgebieden, zijn. In het tweede lid is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de leggerverplichting met betrekking tot vorm, afmeting en constructie, conform artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet. In de praktijk is de legger met name van belang voor zogenaamde primaire watergangen. Dit zijn watergangen die een belangrijke functie hebben voor de aan- en afvoer van water en voor waterbergingsgebieden. De zogenaamde secundaire en tertiaire watergangen zijn vaak veel minder belangrijk voor de werking van het watersysteem. Daarom zijn deze watergangen vrijgesteld van de verplichting om de vorm, afmeting en constructie op de legger op te nemen. Wel geldt voor alle waterstaatwerken en dus ook voor alle watergangen dat de ligging op de legger moet worden opgenomen. De gegevens in de legger zijn mede van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer van het vereiste van vergunningen of ontheffi ngen). Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen ligt, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gevolgd. Deze procedure is in de verordening voorgeschreven. In de praktijk maakt de hier bedoelde legger vaak onderdeel uit van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. De legger als bedoeld in artikel 78 Waterschapswet moet ook worden voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten Op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart zijn de gebieden aangewezen waarin het waterschap verplicht is voor de oppervlaktewaterlichamen een of meer peilbesluiten vast te stellen, waarvan de peilen zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Deze kaart kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald.Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit In artikel 4.3 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit tenminste bevat. In verband met de wisselvalligheid van weersomstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen behoefte aan een fl exibel peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de Waterwet voorziet er daarom in dat peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten fl exibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het jaar worden aangehouden. Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te gegeven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewaterregime.Artikel 4.4 VoorbereidingOp de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard.Artikel 4.5 HerzieningHet eerste lid geeft aan dat een peilbesluit tenminste eenmaal in de tien jaar moet worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het vastgestelde peilbesluit overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt. Op verzoek van het algemeen bestuur kunnen gedeputeerde staten de geldigheidsduur van een peilbesluit voor ten hoogste vijf jaren verlengen.Artikel 4.6 ProjectprocedureBij of krachtens provinciale verordening kunnen projecten worden aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze moeten kunnen worden gerealiseerd door het gebruiken van de projectprocedure. Er is ten behoeve van de transparantie voor gekozen categorieën van projecten bij verordening aan te wijzen, maar ten behoeve van de fl exibiliteit bepalen gedeputeerde staten per geval of de projectprocedure daadwerkelijk wordt toegepast. Dat biedt het voordeel dat vooraf duidelijk is voor welke projecten de projectprocedure kan worden ingezet en voorkomt dat deze procedure altijd van toepassing is op projecten uit de genoemde categorieën. Het wel of niet van toepassing verklaren van de procedure wordt hiermee maatwerk. De projectprocedure brengt immers belangrijke gevolgen met zich mee. Projectplannen worden onder de goedkeuring van gedeputeerde staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde staten, indien nodig, medewerking vorderen of zelfs in de plaats treden van mede overheden. Het van toepassing verklaren van de projectprocedure op een projectplan door gedeputeerde staten zal in meeste gevallen gebeuren op verzoek van het waterschap. De projectprocedure kan worden ingezet voor de regionale waterkeringen. Verder kan de procedure worden ingezet voor de aanleg van waterbergingsgebieden. De aanwijzing van waterbergingsgebieden gebeurt in het spoor van de ruimtelijke ordening en op de legger. Tot slot kunnen gedeputeerde staten de projectprocedure inzetten bij de aanleg of wijziging van oppervlaktewaterlichamen met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste vijfhonderd meter. Deze laatste categorie kan bijvoorbeeld aan orde zijn bij het uitvoeren van maatregelen ter uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water (-actueel) of de Europese Kaderrichtlijn Water.Artikel 4.7 Projectplan regionale waterkeringenIn dit artikel is geregeld dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht altijd van toepassing is op de voorbereiding van een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering, ook als niet de projectprocedure wordt toegepast. Als de projectprocedure wel van toepassing is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege al van toepassing via artikel 5.6, eerste lid, van de Waterwet.Artikel 4.8 Toezending projectplan voor primaire waterkeringenDit artikel zorgt er voor dat projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen ook naar gedeputeerde staten van de andere provincie(s) wordt gestuurd, indien de primaire waterkering deel uitmaakt van een dijkring die ook op grondgebied van die andere provincies ligt. Hetzelfde geldt, via het tweede lid, voor projectplannen tot aanleg of wijziging van waterstaatswerken, waarop de projectprocedure van toepassing is, waarbij de waterstaatswerken op het grondgebied van meerdere provincies zijn gelegen, maar de goedkeuring van het projectplan door gedeputeerde staten van één provincie wordt verzorgd (zie artikel 5.7, tweede lid, van de Waterwet).Artikel 4.9 WaterakkoordIn geval er andere overheden zijn die waterstaatkundige taken vervullen, zoals een gemeente of provincie die met het vaarwegbeheer is belast, is het van belang dat de dagelijkse besturen van die overheden bij de voorbereiding van een waterakkoord geraadpleegd worden. Hoofdstuk 5 GrondwaterAlgemeenIn lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de Waterwet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien. De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop één uitzondering voor een drietal specifi eke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, koude- en warmteopslagsystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infi ltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten. Onttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. Dit kan het waterschap regelen in de waterschapskeur. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen en infi ltraties te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet. Van deze mogelijkheid is in de ze verordening alleen gebruik gemaakt in artikel 5.2. Dit artikel bevat een beperking van de bevoegdheid van het algemeen bestuur om bij verordening onttrekkingen of infi ltraties vrij te stellen van de verplichting om deze te melden, te meten en te registreren. De waterschappen zijn derhalve bevoegd om zelf te bepalen welke onttrekkingen en infi ltraties vergunningplichtig zijn. Uit artikel 6.13 van de wet volgt dat de keuze om voor een bepaalde handeling een vergunning te eisen er automatisch toe leidt dat die handeling onder het regime van de watervergunning komt te vallen. Op deze wijze is verzekerd dat er voor handelingen in een watersysteem altijd slechts één vergunning vereist is, de watervergunning. ArtikelgewijsArtikel 5.1 Verstrekken gegevensDe inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de wet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffi ng. Deze grondwaterheffi ng kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij de provincie conform bestuurlijke afspraken tussen het IPO en de Unie van Waterschappen. In overleg tussen het IPO en de Unie van Waterschappen wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk register. Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij gedeputeerde staten neer te leggen. De aangewezen bestuursorganen kunnen gezamenlijk besluiten een landelijk register in te richten en te vullen.Artikel 5.2 Melden, meten en registrerenDit artikel bepaalt dat het algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit biedt, niet kan toepassen voor onttrekkingen of infi ltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infi ltraties van in totaal meer dan 12.000 m3. Door middel van dit artikellid wordt de vrijstellingsmogelijkheid van het waterschap beperkt. Een registratieplicht voor alle onttrekkingen (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan 12.000 m3 van de registratieplicht kan uitzonderen. Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen aan gedeputeerde staten. Artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit bepaalt dat degene die grondwater onttrekt of water infi ltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet of een verordening van het waterschap, dit bij het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling. Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister en is opgenomen vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is belangrijk, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningen) als voor de provinciale grondwaterheffi ng. Een betrouwbaar register heeft met name waarde indien de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen.Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen AlgemeenIn hoofdstuk 6 zijn de overgangs- en slotbepalingen neergelegd.
De Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002 en de Verordening waterkering West Nederland, voor zover deze betrekking heeft op het gebied van het waterschap, kunnen worden ingetrokken, want deze verordeningen worden vervangen door de nieuwe Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Artikel 6.2 Overgangsrecht besluitenArtikel 6.2 regelt het overgangsrecht voor besluiten die zijn genomen op basis van de verordeningen die worden ingetrokken. Het gaat hier bijvoorbeeld om het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland. Met het tweede lid van artikel 6.2 wordt geregeld dat procedures die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van de verordening onder het “oude” rechtsregime kunnen worden afgehandeld.Artikel 6.3 InwerkingtredingDeze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt. Met deze bepaling wordt gewaarborgd dat de nieuwe Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht gelijktijdig in werking treedt met de nieuwe Waterwet. Naar verwachting zal eind 2009 de nieuwe Waterwet in werking treden.Artikel 6.4 CiteertitelDe citeertitel zorgt ervoor dat de verordening eenvoudig en eenduidig kan worden aangehaald.Artikel 6.5 Aanpassing aanhalingen wet, Waterbesluit en Waterregeling, aanbrengen doorlopende nummering Gedurende de besluitvormingsprocedure zijn enkele artikelen toegevoegd aan de verordening dan wel komen te vervallen. Daardoor zijn de artikelen niet meer doorlopend genummerd. Op grond van dit artikel moeten gedeputeerde staten ervoor zorg dragen dat de verordening voor plaatsing in het provinciaal blad een doorlopende nummering krijgt. Door middel van de Invoeringswet Waterwet is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de Waterwet. In verband daarmee zullen de artikelen van de Waterwet hernummerd worden. Het is wenselijk dat de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering in overeenstemming worden gebracht. Dit artikel voorziet er tevens in dat gedeputeerde staten de desbetreff ende aanhalingen aanpassen voor plaatsing van de verordening in het provinciaal blad. De bijbehorende bijlagen liggen ter inzage op het Provinciehuis Utrecht, Archimedeslaan 6, 3584 BA Utrecht en is ook te raadplegen op de provinciesite, provinciaal blad 2013, 5 en 2009, 57 Bijlage.1: Kaart met regionale waterkeringen en de bijbehorende veiligheidsnormen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht; Bijlage.2: Kaart met gebieden, waarin voor de oppervlaktewateren een peilbesluit moet worden vastgesteld, bedoeld in artikel 4.2 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.