Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Dinkelland 2025De raad van de gemeente Dinkelland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 april 2025, nr. 10 A; gelet op het advies van de commissie Omgeving en Economie van 13 mei 2025; Gelet op artikel 147 Gemeentewet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs. besluit: Kennis te nemen van De Reactienota aan de Adviesraad Sociaal Domein Dinkelland. De Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Dinkelland 2025 vast te stellen. Paragraaf1.Algemene bepalingen Artikel1.Definities In deze verordening wordt verstaan onder; aanvraag: een volledig ingevuld aanvraagformulier leerlingenvervoer gemeente Dinkelland met alle informatie en bijlagen die noodzakelijk zijn; aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, volgens de ANWB-routeplanner; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland; crisis: een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt maar die in principe van voorbijgaande aard is; deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, e-bike of fiets; inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; leerling met een beperking: een leerling bedoeld in deze Verordening, die door een structurele lichamelijk, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; leerlingenvervoer: het door het college georganiseerd vervoer van leerlingen van en naar de school waar zij ingeschreven staan; observatieplaatsing: leerling die tijdelijk (max 13 weken) geplaatst wordt op een speciale school voor basisonderwijs of geplaatst wordt in het speciaal onderwijs, waarbij voortijdig schooluitval of thuiszitten wordt voorkomen. De leerling blijft ingeschreven staan op de school van herkomst, maar wordt wel opgenomen in het leerlingenvervoer; ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Bij het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer, al dan niet tegen betaling; opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; ouders: ouder(s), pleegouder(s), voogden of verzorgers van de leerling, al dan niet met gezag; persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen; regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, als en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs; school : de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; een locatie behorend bij een school(bestuur) of een samenwerkingsverband waar voortijdig schooluitval van een leerling wordt voorkomen, maar waarvoor geldt dat deze locatie formeel niet valt binnen de beleidscategorieën voor een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra. Een samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor de inrichting van deze locatie(s); schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids; speciaal basisonderwijs: van speciaal basisonderwijs is sprake als een gewone basisschool een kind niet voldoende kan helpen bij leerproblemen. Het kind gaat dan door naar het speciaal basisonderwijs. Speciale basisscholen zijn bedoeld voor onder andere: kinderen die moeilijk kunnen leren; kinderen die opvoedingsproblemen hebben; kinderen die gedragsproblemen hebben; speciaal onderwijs: Speciaal Onderwijs is onderwijs voor leerlingen die lichamelijk, zintuigelijk of verstandelijk beperkt zijn. Speciaal Onderwijs is ook bedoeld voor leerlingen die psychische problemen of gedragsproblemen hebben die door een (specialistische) arts zijn vastgesteld en die een verwijzing naar Speciaal Onderwijs hebben gekregen. Voor deze leerlingen zijn er scholen die verdeeld zijn in vier clusters. Deze clusters zijn: cluster 1: kinderen die blind of slechtziend zijn; cluster 2: kinderen die doof of slechthorend zijn; cluster 3: kinderen die een verstandelijke en/of lichamelijke beperking hebben en/of langdurig ziek zijn; cluster 4: kinderen die stoornissen en/of gedragsproblemen hebben; stage: periode van praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening of naar arbeid gerelateerde uitstroom; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; verordening: de verordening bekostiging leerlingenvervoer Dinkelland; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele beperking van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; of een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of qua kosten gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer; woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Artikel2.Doelstelling Het doel van deze verordening is om te onderzoeken of de gemeente moet meebetalen aan passend leerlingenvervoer. Het college onderzoekt de individuele situatie van de leerling. Het college gebruikt voor deze beoordeling de criteria uit deze verordening. Daarna bepaalt het college wat het goedkoopst passend leerlingenvervoer is tussen de dichtstbijzijnde toegankelijke school en de woning of opstapplaats van de leerling. Paragraaf2.Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel3.Aanvraagprocedure 1.De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling kunnen een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen bij het college van de gemeente waar de leerling zijn woning heeft. De aanvraag wordt volledig ingevuld en ondertekend en kan schriftelijk of met een digitaal formulier worden ingediend. Het college stelt het formulier digitaal beschikbaar. 2.Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3.De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden enkel gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening. 4.Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5.Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte. 6.Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van besluitvorming; wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. Artikel4.Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1.Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 2.Het college kan bij een eerste aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase voorafgaand aan besluitvorming. 3.Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel opnieuw plaatsvinden. 4.Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. 5.Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven en ook de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 6.In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. Artikel5.OOGO met het samenwerkingsverband 1.Het college neemt het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met het samenwerkingsverband. 2.Het college spant zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over: de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 4 van deze verordening; de manier waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat enkel een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; Hoe scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; Hoe vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3.Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; Hoe situaties als genoemd in artikel 8, vierde lid, kunnen worden voorkomen, dan wel op te heffen en dit onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden; het maken van afspraken over hoe invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 4, vijfde lid. Artikel6.Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1.Voor het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie maar een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen in de kosten van het vervoer. Bij weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening. 3.Ouders zijn te allen tijde zelf verantwoordelijk voor het naar school gaan van hun kinderen. Daar veranderen de bepalingen in deze verordening niets aan. 4.Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 5.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, en ook de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 6.Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 7.Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 8.Het college kan voor de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Artikel7.Herziening, opschorting, intrekking, terugvordering of beëindiging van de vervoersvoorziening 1.De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2.Als er een wijziging is die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3.Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening direct en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4.Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken of beëindigen, als het college vaststelt dat: niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; sprake is van ongewenst gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het leerlingenvervoer; of het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het leerlingenvervoer. 5.De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het leerlingenvervoer berust bij de ouders. 6.Ten onrechte genoten bekostiging wordt door het college teruggevorderd van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling, dan wel verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Paragraaf3.Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel8.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Het college kent een vervoersvoorziening toe over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.Het college stelt een vervoersvoorziening beschikbaar vanaf het moment dat ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3.Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. 4.Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze alleen toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: aan het college is door de ouders voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; aan het college is door de ouders voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod; en in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b. Artikel9.Afstandsgrens 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer is dan zes kilometer; speciale basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer is dan zes kilometer; of, speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer. 2.In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college voldoende is aangetoond dat het om een leerling met een beperking gaat. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de leerling met een beperking om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets, e-bike of het openbaar vervoer te reizen. Artikel10.Aanwijzing opstapplaats 1.Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2.De ouders dragen er zorg voor dat de leerling van, naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3.Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4.Het college wijst tijdelijk geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel11.Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 18 van deze verordening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarin de vervoersvoorziening nodig is, bepalend. Artikel12.Andere vergoedingen Het college brengt de aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, op een bekostiging in mindering, dan wel als eigen bijdrage in rekening bij de ouders of de meerderjarige leerling. Artikel13.Schooltijden en wachttijden 1.Per school wordt voor het vervoer uitgegaan van de vaste aanvang- en eindtijden zoals aangegeven in de schoolgids. Afwijkingen hierop zijn alleen toegestaan in overleg met en na goedkeuring van de gemeente en mits door de ouders tijdig aangemeld. 2.Als er binnen een school verschillende lesroosters zijn binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het leerlingenvervoer. Bij een gewijzigde eindtijd door o.a. lesuitval is de school of de ouder/verzorger verantwoordelijk voor opvang van de leerlingen. Indien een leerling tijdens het onderwijs/de lessen bijvoorbeeld ziek wordt of naar tandarts of huisarts moet, zijn de ouders verantwoordelijk voor het vervoer. De leerlingen worden alleen op de normale begin- en eindtijd volgens de schoolgids gebracht dan wel opgehaald. Wachttijden tot maximaal 2 lesuren (2 maal 50 minuten) worden bij het voorgezet onderwijs geaccepteerd. 3.Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele beperking van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel14.Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, heeft het college een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2.Het college schort het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening op met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. 3.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal dertien weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een observatieplaatsing tijdelijk binnen of buiten de gemeente verblijft op een speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de leerling blijft ingeschreven staan op de eigen school binnen de gemeente; direct na het besluit en toekenning van de observatieplaatsing binnen of buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en na afloop van de periode van observatieplaatsing wordt besloten wat de best passende onderwijsplek voor deze leerling wordt: regulier basisonderwijs, speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van observatieplaatsing binnen of buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel15. Vervoersvoorziening naar stageadres 1.Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan het college op verzoek een vervoersvoorziening toekennen voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid van deze verordening, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden. 3.Het college kent de vervoersvoorziening naar een stageadres alleen toe als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; de stage vindt plaats op één stageadres; en het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door het college te bepalen maximale straal van de woning of de school. 4.Het college kent een vervoersvoorziening toe over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 5.Het stagecontract dient te worden toegevoegd bij de aanvraag. Paragraaf4.Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel16.Verstrekking van de vervoersvoorziening 1.Het college betrekt bij verstrekking van de vervoersvoorziening, als nodig, het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadvies van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn. 2.Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoed het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel17.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets en e-bike 1.Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 9, eerste lid van deze verordening, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 2.Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3.De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland en wordt bepaald via de ANWB Routeplanner gemeten langs de kortste afstand. 4.Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 9, eerste lid van deze verordening, kan het college aan de ouders van de leerling die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt, een bekostiging in de vorm van een abonnement voor het openbaar vervoer verstrekken. 5.In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van een e-bike, als de leerling naar het oordeel van het college zelfstandig kan reizen met de e-bike. Deze bekostiging wordt éénmalig verstrekt. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt maximaal € 1.750,00. Daarmee vervalt de aanspraak op elke andere vergoeding in deze verordening. Vanaf 16 jaar wordt een e-bike als algemeen gebruikelijk vervoermiddel gezien en vindt geen bekostiging meer plaats. Artikel18.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets voor een begeleider 1.Het college kan aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling verstrekken als: voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 9, eerste lid van deze verordening, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders aan het college voldoende wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of als het gaat om een leerling met een beperking. 2.De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland. De totale hoogte van deze vergoeding wordt bepaald via de ANWB Routeplanner en gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige afstand. De Reisregeling Binnenland is op 1 januari 2020 beëindigd. De laatstgenoemde vergoeding voor de fiets bedroeg daarin € 0,09 per kilometer. 3.Het college vergoedt de kosten van vervoer door één begeleider ongeacht het aantal leerlingen. Artikel19.Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: rekening houdend met wachttijden in het openbaar vervoer, aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 20 of 21 van deze verordening. Waarbij de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 20 of 21 van deze verordening en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 18 van deze verordening en door de ouders aan het college voldoende wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel20.Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Als het college op grond van het eerste lid toestemming aan de ouders heeft verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland. De totale hoogte van deze vergoeding wordt bepaald via de ANWB Routeplanner en gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige afstand. De Reisregeling Binnenland is op 1 januari 2020 beëindigd. De laatstgenoemde vergoeding voor de fiets bedroeg daarin € 0,09 per kilometer. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid van dit artikel. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer. 3.Als het college op grond van het eerste lid toestemming aan de ouders heeft verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid van dit artikel. 4.Aan ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt geen bekostiging verstrekt. Artikel21.Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college, in overleg met ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel22.Vervoersvoorziening voor weekeinde en schoolvakantie 1.Met inachtneming van artikel 8 van deze verordening kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2.Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 3.Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het schoolvakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de schoolvakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4.Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a van deze verordening, is niet van toepassing. Artikel23.Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1.Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 29.700,- wordt enkel bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 9 van deze verordening bepaalde afstand te boven gaan. 2.Als het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 9 van deze verordening bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 29.700,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3.De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 9 van deze verordening bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4.Het inkomensbedrag van € 29.700,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde bedrag van € 29.700,-. 5.Bij een fietsvergoeding of financiële tegemoetkoming voor een e-bike, voor een volledig schooljaar, is een drempelbedrag niet van toepassing. 6.Bij een combinatie van een fietsvergoeding en openbaar vervoer of een fietsvergoeding en aangepast vervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid toegepast. 7.Lid één tot en met lid vier van dit artikel zijn niet van toepassing op leerlingen met een beperking. Artikel24.Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1.Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, verlaagt het college de vastgestelde bekostiging met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2.Als het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3.De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het belastbaar inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s per gezin Tot € 39.500,- Nihil € 39.500,- - € 46.500,- € 185,- € 46.500,- - € 54.000,- € 815,- € 54.000,- - € 60.500,- € 1.510,- € 60.500,- - € 69.500,- € 2.215,- € 69.500,- - € 76.000,- € 2.970,- € 76.000,- en meer Voor elke extra € 5.000,-: € 710,- erbij 4.De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. 5.De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar, op 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 6.Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een beperking. Paragraaf5.Slotbepalingen Artikel25.Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In alle gevallen waar deze verordening niet duidelijk is, beslist het college. Artikel26.Afwijken van bepalingen (hardheidsclausule) Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders of de meerderjarige leerling afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel27.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na haar bekendmaking en heeft een terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Dinkelland 2025. Artikel28.Intrekking oude regeling Deze Verordening vervangt de Gewijzigde Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Dinkelland 2021 Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 27 mei 2025.De raadsgriffier,L. EngelbertinkDe voorzitterJ.G.J. JoostenToelichting Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school te groot, of kan het kind wegens zijn structurele beperking niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Dinkelland. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten voor het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. Deze Verordening geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeente. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders ligt. De Verordening is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, daarna wordt onderzocht welke vergoeding wordt verstrekt. Vervoersvoorziening In deze Verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm van aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, vervoer per fiets of e-bike, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Vervolgens wordt onderzocht of ouders de leerling zelf kunnen vervoeren. De bekostiging van het vervoer is gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan de aanvraag weigeren op grond van de hoogte van de kosten. Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de Verordening is deze grens vastgesteld op zes kilometer (artikel 9). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan twintig kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (artikelen 23 en 24). Zelfstandigheid en zelfredzaamheid Deze Verordening gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met ouders besproken en wordt vanaf een bepaalde leeftijd in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (artikel 4). Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer Zie voor voorwaarden toekenning leerlingenvervoer het “Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer”. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Artikel 1. Definities Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Het verdient aanbeveling de ouders bij de aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van de leerling. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het de verantwoordelijkheid van ouders iemand te zoeken, die deze taak van ouders tijdelijk en/of deeltijds overneemt. Leerling met een beperking Wanneer een leerling, ondanks zijn beperking wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer géén leerling met een beperking. De beperking die de leerling door de beperking ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de Inkomstensverklaring (voorheen IB60-formulier) vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen als er aangifte is gedaan. U kunt uw inkomensverklaring downloaden in ‘Mijn Belastingdienst’. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening als wordt voldaan aan de voorwaarden van deze Verordening. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering hierop: leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Ontwikkelingsperspectief Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen. Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met ouders vastgesteld. Het bevat de onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding). OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen. Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over: de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen; het leerlingenvervoer; de leerplicht; de onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’. Opstapplaats Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten acht de Afdeling alleszins redelijk (ABRvS 26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107). Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a). De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Als meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier flink oplopen. Het is dan ook redelijk om van de vervoerder te verlangen, dat de wachttijd per leerling niet meer bedraagt dan ongeveer twintig minuten (inclusief de toegestane wachttijd van maximaal vijftien minuten op de eigen school van de leerling). Samenwerkingsverband Onder a Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder c Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. School Onder 1° In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2° In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel beperkte kinderen, lichamelijk beperkte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig beperkte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel beperkte kinderen dan wel meervoudig beperkte kinderen met deze beperking, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig beperkte kinderen met een van deze beperkingen, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke beperking, lichamelijk beperkte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig beperkte kinderen met een van deze beperkingen en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke beperking, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Onder 3° In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (hierna: havo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (hierna: mavo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro. Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Onder 5° Er kan sprake zijn dat er formeel geen schoollocatie is, maar dat het in de praktijk wel bedoeld is voor leerlingen die, in het kader van passend onderwijs, lessenaanbod of programma te volgen op een andere locatie dan waar ze zijn ingeschreven. Dit kan gaan om dislocaties en nevenvestigingen, zoals beschreven in de verordening, artikel 8. Het gaat specifiek bijvoorbeeld om een tussenvoorziening: een locatie behorend bij een school(bestuur) of een samenwerkingsverband waar voortijdig schooluitval van een leerling wordt voorkomen, maar deze locatie valt formeel niet binnen de beleidscategorieën voor een school als bedoeld in de Wpo, Wvo en WEC. Een samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor de inrichting van deze locatie(s); De feitelijke locatie van deze tussenvoorziening die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’. Er zijn twee soorten tussenvoorzieningen, te weten die: tijdens de voortgezet onderwijs (hierna: VO) periode worden ingezet. Deze voorzieningen worden door een school of het samenwerkingsverband verzorgd en zijn toegankelijk voor alle leerlingen in de regio Twente die naar het VO gaan. Dit geldt ook voor praktijkonderwijs (hierna: pro) en voortgezet speciaal onderwijs (hierna: VSO). Plaatsing in de voorziening leidt niet tot een andere schoolinschrijving. De voorzieningen worden niet altijd op een formele schoollocatie aangeboden en kennen daarom geen BRIN nummer. De voorzieningen zijn bedoeld voor jongeren met allerlei persoonlijke en gedragsmatige problemen die zo zwaar zijn dat ze in een reguliere setting niet naar school kunnen gaan. die na het VSO of pro worden ingezet voorafgaand aan de start op het middelbaar beroepsonderwijs (hierna mbo). Deze zijn voor leerlingen voor wie een overgang vanuit het VSO of pro naar het mbo een te grote stap is. Tussenvoorzieningslocaties zijn bijvoorbeeld: de Link, het Fundament of Novo Ego. Er kunnen locaties in de loop van de tijd bijkomen of verdwijnen. Toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen. Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de WVO) en beslist of een leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen (artikel 10e van de WVO). Met ingang van 1 augustus 2015 wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC). Vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele beperking maar een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer. Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’. Artikel 2. Doelstelling Het doel van het leerlingenvervoer is om bekostiging te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van kinderen van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken. Paragraaf 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure Eerste lid Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan dit ook zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. De gemeente stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar. Het is wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. Hierbij kan worden gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier waarbij gebruik kan worden gemaakt van gegevens, die reeds bekend zijn bij de gemeente. Tweede lid Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur van de belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Een advies is wel op te vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (zie ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535). Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 3, vierde lid van deze Verordening, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een beslissing neemt. Derde lid Op de voor het verkrijgen van een vervoervoorziening verstrekte gegevens is de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Dit houdt in, dat de verstrekte persoonsgegevens alleen mogen worden gebruikt voor het kunnen behandelen van een aanvraag en het organiseren van het vervoer en/of de bekostiging. Vierde lid Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor de Verordening bekostiging leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken. Vijfde lid Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden afgegeven. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 3 van deze verordening zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Bezwaar en beroep Er kan bezwaar gemaakt worden tegen een besluit van de gemeente, tegen het feit, dat de gemeente te laat beslist en tegen het verdagen van een besluit. Dit moet wel op tijd worden ingediend, namelijk binnen zes weken. Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van acht weken) overschreden worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In dit geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard als het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb). Zesde lid Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders, óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje). In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (onder a). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats. Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten (onder b). Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar In de Verordening bekostiging leerlingenvervoer wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend. Het vaststellen van een datum zou er toe kunnen leiden dat aanvragen die later worden ingediend als onrechtmatig worden beoordeeld door de accountant. Er kunnen echter gegronde redenen zijn voor het laat indienen van een aanvraag, bijvoorbeeld wanneer het nog niet vaststaat of een leerling op een bepaalde school wordt toegelaten. De gemeente kan bij de voorlichting de ouders uiteraard wijzen op het belang van het indienen van een aanvraag zodra bekend is welke school de leerling gaat bezoeken. Artikel 4. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag Als de leerling niet de dichtstbijzijnde school bezoekt is dit eveneens onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren? Zelfredzaamheid Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen. Eerste tot en met vierde lid Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer is het aan te bevelen een gesprek met de aanvrager(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.