Subsidieregeling maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Drenthe Gedeputeerde Staten van Drenthe; gelet op: artikel 3, derde lid, van de Algemene subsidieverordening provincie Drenthe 2023 en de Algemene wet bestuursrecht; de Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 22 november 2024, nr. WJZ/89410470, houdende specifieke uitkeringen aan provincies ten behoeve van de beëindiging van veehouderijlocaties, ter ondersteuning van de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties); overwegende; dat de provincie Drenthe subsidie beschikbaar wil stellen aan veehouderijondernemingen voor de volledige beëindiging van veehouderijactiviteiten op een veehouderijlocatie, met het oog op een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de desbetreffende veehouderijlocatie, alsmede met het oog op het realiseren van gebiedspecifieke maatregelen voor natuur, water en klimaat; BESLUITEN: de Subsidieregeling maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Drenthe vast te stellen Artikel1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Asv: Algemene subsidieverordening provincie Drenthe 2023; diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens; landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten als bedoeld in Bijlage I van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie plaatsvindt; landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485); Lvv: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking an de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU, L 327); marktwaarde: het geschatte bedrag waartegen een onroerende zaak tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marktwerking in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de taxatiedatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld; melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet; minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; Natura 2000-gebied: een gebied als bedoeld in Bijlage 1.1 van de Omgevingswet; natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000- activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet of soortgelijke vergunningen op basis van eerder geldende wet- en regelgeving; omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving; Omgevingsregeling: Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving; Omgevingswet: Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving; omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in Bijlage 1.1 van de Omgevingswet; productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50 % van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming; productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in: voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; referentiejaar: het voor de berekening van stikstofemissie van een veehouderijlocatie gebruikte kalenderjaar, als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a en vierde lid, van deze regeling; stalcapaciteit: productiecapaciteit voor het houden van landbouwhuisdieren, uitgedrukt in het aantal dierplaatsen; stikstofemissie: het totaal van de stikstofemissie vanaf een veehouderijlocatie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, bepaald door optelling van de stikstofemissie per diercategorie en overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van deze regeling; taxateur: taxateur die is ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs; Unienorm: norm van de Unie als bedoeld in randnummer 33, onder 64, van het landbouwsteunkader; veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon (of samenwerkingsverband daarvan) die een veehouderijonderneming drijft; veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging; veehouderijonderneming: een onderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of de vermeerdering van de desbetreffende dieren. Deze onderneming kan uit meerdere veehouderijlocaties bestaan; vleesrunderen: diercategorieën met codes HA2, HA4, HA5 en HA6, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling. Artikel2Doel Subsidie op grond van deze regeling heeft als doel de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door veehouderijondernemingen blijvend te verminderen door de beëindiging van veehouderijactiviteiten op veehouderijlocaties te stimuleren. Artikel3Subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor de onomkeerbare volledige sluiting van een veehouderijlocatie overeenkomstig artikel 15 van deze regeling. Artikel4Doelgroep Subsidie op grond van deze regeling kan worden verstrekt aan een veehouderijonderneming met een veehouderijlocatie die zich bevindt in een door de provincie aangewezen gebied, zoals opgenomen in de openstelling. Artikel5Openstelling 1.Gedeputeerde Staten kunnen één of meer openstellingen vaststellen. 2.Per openstelling stellen Gedeputeerde Staten vast: het geografische gebied waarbinnen een veehouderijlocatie gelegen moet zijn; de periode waarbinnen een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend; één of meer subsidieplafonds. Artikel6Aanvraagvereisten Een aanvraag voor subsidie wordt schriftelijk en ondertekend ingediend met behulp van het elektronisch beschikbaar gestelde aanvraagformulier en wordt vergezeld van de vereiste bijlagen. Artikel7Subsidievereisten 1.Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat de vermindering van de stikstofemissie van de veehouderijlocatie, die met de volledige sluiting wordt gerealiseerd, meer bedraagt dan de volgende drempelwaarde: 250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie; 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee; 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie. 2.De stikstofemissie door de veehouderijlocatie wordt per diercategorie, als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, bepaald door vermenigvuldiging van: de emissie van ammoniak per dierplaats per jaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling, uitgaand van de emissiefactor die voor het toepasselijke huisvestingssysteem van toepassing is, met; het gemiddelde aantal gehouden landbouwhuisdieren van de diercategorie. 3.Bij de toepassing van het eerste lid, wordt voor de bepaling van de bestaande stikstofemissie uitgegaan van: het huisvestingssysteem dat van toepassing was en het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld werd gehouden in het kalenderjaar dat twee kalenderjaren voorafgaat aan het kalenderjaar waarin een subsidieaanvraag op grond van deze subsidieregeling is ingediend; en artikel 4.6 van de Omgevingsregeling (rekenregels emissie ammoniak), zoals dat luidt op de datum waarop de subsidieaanvraag op grond van deze regeling wordt ingediend. 4.Als de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, dan kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar. Artikel8Subsidievorm Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling subsidies in de vorm van een geldbedrag. Artikel9Subsidiabele kosten 1.De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: het waardeverlies van het te laten vervallen productierecht voor zover sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht; het waardeverlies van de stilgelegde productiecapaciteit, als gevolg van de onomkeerbare volledige sluiting van het veehouderijgedeelte van de agrarische onderneming, tenzij artikel 15, tweede lid van toepassing is; de kosten van het volledig afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit; de legeskosten voor vergunningen en planologische procedures, direct verbonden met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten; de kosten voor adviesdiensten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. 2.Onder kosten voor adviesdiensten, bedoeld in het eerste lid, sub e, wordt verstaan: kosten voor de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig sluiten van een veehouderijlocatie; een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder; een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies inzake de volledige sluiting van een veehouderijlocatie. 3.De subsidie voor de in het tweede lid genoemde kosten voor adviesdiensten wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies: wordt uitgevoerd door een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft; een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van de productiecapaciteit; niet behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de veehouderijonderneming; en wordt uitgevoerd door een die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssysteem, bedoeld in artikel 15, eerste lid van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435). 4.De in het eerste lid genoemde subsidiabele kosten, komen alleen in aanmerking voor subsidie, indien het redelijk gemaakte kosten betreft die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten en die voldoen aan de eisen van het landbouwsteunkader. Artikel10Niet subsidiabele kosten De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie: kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag; verrekenbare of compensabele btw. Artikel11Hoogte van het subsidiebedrag 1.Subsidie voor de kosten, als bedoeld in artikel 9, sub a, bedraagt 100% van de waarde van het geheel vervallen productierecht voor zover dat productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden. 2.De in het eerste lid bedoelde waarde wordt in opdracht van de provincie bepaald op basis van: de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en de omvang van het productierecht dat vervalt. 3.Bij het taxeren van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van indiening van de subsidieaanvraag. 4.Subsidie voor de kosten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b bedraagt 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit. 5.Het in het vierde lid bedoelde waardeverlies wordt uitsluitend bepaald op basis van een in opdracht van de provincie uit te voeren taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig af te breken en de te verwijderen productiecapaciteit door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk. 6.Bij het taxeren van de in het vijfde lid genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van de indiening van de subsidieaanvraag. 7.Subsidie voor de kosten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub c, bedraagt 100% van de kosten die zijn gemaakt voor het volledig afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit, mits de opdrachtverlening voor die werkzaamheden heeft plaatsgevonden op marktconforme wijze. 8.Onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de sloop van de productiecapaciteit vrijgekomen materialen die worden vervreemd, worden verrekend met de subsidie die wordt ontvangen op grond van artikel 9, lid 1, sub c. 9.Subsidie voor de legeskosten voor vergunningen en planologische procedures, als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub d bedraagt 100%. 10.Subsidie voor de kosten van adviesdiensten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub e, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5000,-- per veehouderijonderneming. 11.Indien eerder door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten, of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders. Artikel12Verdeling van het subsidieplafond 1.Het bedrag dat beschikbaar is voor de te verstrekken subsidies, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2.Op het moment dat verstrekking van subsidie voor gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt de subsidie verdeeld op basis van loting. Artikel13Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 14 van de Asv weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als: de aanvrager niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie drijft en de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; de veehouder zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig sluiten van de veehouderijlocatie; de veehouder de vrijkomende ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning; de veehouderijonderneming niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderijonderneming en in verband hiermee zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen; de veehouder failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel er een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; de veehouderijonderneming een onderneming is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; de veehouderijonderneming een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader; de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie; de veehouder artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden; de veehouderijonderneming niet voldoet aan artikel 2, eerste lid, van bijlage I van de Lvv. Artikel14Verplichtingen bij sluiting veehouderijlocatie 1.Bij subsidieverlening voor de onomkeerbare volledige sluiting van een veehouderijlocatie, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: niet langer landbouwhuisdieren houden op de veehouderijlocatie uiterlijk vanaf 12 maanden na subsidieverlening; dierlijke meststoffen verwijderen van de veehouderijlocatie binnen 12 maanden na subsidieverlening met uitzondering van de bezinklaag in mestkelders. Deze wordt bij het slopen van de desbetreffende mestkelder verwijderd; voor zover de veehouder een veehouderij met productierecht drijft: dient hij binnen 12 maanden na subsidieverlening overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving te doen van het geheel vervallen van de productierechten behorende bij deze veehouderijlocatie; en indien de veehouderijonderneming bestaat uit meerdere veehouderijlocaties en hierdoor onduidelijk is welke productierechten behoren bij de desbetreffende locatie, dient hij de productierechten voor de dieren op de te sluiten locatie te laten vervallen. Hierbij geldt dat ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden: varkens: 80% pluimvee: 80% melkvee: 95% afhankelijk van de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving binnen 12 maanden na subsidieverlening: een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderij-onderneming op de veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren houdt; of mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden; indien de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de veehouderijlocatie, binnen 6 maanden na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een verzoek indienen tot intrekking van de natuurvergunning en bij het verzoek tot subsidievaststelling aantonen dat de natuurvergunning is ingetrokken, tenzij onderdeel f van toepassing is; in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, binnen 15 maanden na subsidieverlening een mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen: op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 5% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend, waarbij, voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft, de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming; binnen 12 maanden na subsidieverlening een mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd; binnen 12 maanden na subsidieverlening een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten, met gebruikmaking van de in bijlage 1 opgenomen modelovereenkomst, waarin de veehouder zich verbindt om: niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; en de voor de veehouderijonderneming op de locatie gebruikte productiecapaciteit wordt binnen 24 maanden na subsidieverlening afgebroken en verwijderd. 2.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen een door de provincie te bepalen termijn nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd. 3.Indien een subsidieontvanger een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet binnen de genoemde termijn kan naleven, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van de termijn met telkens maximaal 12 maanden. Artikel15Voorwaardelijke subsidieverlening 1.De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat binnen 3 maanden na subsidieverlening tussen de subsidieontvanger en de provincie Drenthe een overeenkomst zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, wordt gesloten waarin een kwalitatieve verplichting is opgenomen als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek betreffende een onomkeerbare volledige sluiting van de betreffende veehouderijlocatie. 2.De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt bij notariële akte opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers. Artikel16Gegevensverwerking 1.De provincie maakt, met inachtneming van randnummers 112 en 114 van het landbouwsteunkader, na de datum van subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend: de naam van de subsidieontvanger; de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag; de datum van de subsidievaststelling; het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I van de Lvv vastgestelde criteria; de provincie op het grondgebied waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt; de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was. 2.De gegevens die door de veehouderijonderneming zijn verstrekt aan de provincie op grond van deze subsidieregeling, kunnen door de provincie worden verstrekt aan de Minister, voor zover nodig voor: de beoordeling of die gegevens overeenkomen met de gegevens waarover de minister beschikt; de vaststelling door de minister van de uitkering die de minister heeft verstrekt aan de provincie ten behoeve van deze subsidieregeling; het opnemen van depositieruimte in het Aerius Register, bedoeld in hoofdstuk 17A van de Omgevingsregeling; de toepassing van artikel 20.1, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit Leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit, met inbegrip van de verstrekking van die gegevens aan kennisinstellingen met het oog op werkzaamheden ten behoeve van die toepassing. 3.De minister kan voor de in het eerste lid in onderdeel a bedoelde beoordeling gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de volgende wettelijke voorschriften: Meststoffenwet; Wet dieren; Landbouwwet; Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’); Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren. Artikel17Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2025 en vervalt met ingang van 1 oktober 2029. Artikel18Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MGB Drenthe. Gedeputeerde Staten voornoemd,drs. J. Klijnsma, voorzitterW.F. Brenkman MSc, secretarisAssen, 3 juni 2025Kenmerk 23/4.11/2025000745BIJLAGE1- Behorende bij artikel 15 van de Subsidieregeling maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Drenthe Modelovereenkomst Ondergetekenden: ... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en De Provincie […..], vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........ overwegende: dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie […] in artikel ………. als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om: niet langer op de locatie landbouwhuisdieren 1 Dit betreft: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken. te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen; komen het volgende overeen: De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel … van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren gaan houden; De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden; De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in; De veehouder zal niet op een andere locatie dan de hiervoor bedoelde locatie, in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, dezelfde diersoorten gaan houden, behoudens voor zover het een locatie betreft waar hij ten tijde van de aanvraag om subsidie op grond van de regeling reeds dezelfde diersoorten met productierecht hield. Deze overeenkomst treedt in werking om datum van ondertekening, maar vervalt van rechtswege indien de subsidie door Gedeputeerde Staten van provincie Drenthe niet onherroepelijk wordt vastgesteld en toegekend. Datum en plaats: ................, .......... .... .... (.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie) (... = naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer) .... (... = naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum en BSN-nummer) TOELICHTING ALGEMEEN Deze subsidieregeling is enerzijds gericht op het realiseren van een structurele, blijvende reductie van de stikstofbelasting en stikstofemissie vanuit veehouderijlocaties en anderzijds op het via vrijwillige basis sluiten van veehouderijlocaties om beweging te krijgen in provinciale gebiedsprocessen die gericht zijn op het realiseren van opgaven voor stikstof, water, klimaat en natuur. Vermindering van de stikstofemissie uit veehouderijen is nodig om natuurbehoud te verzekeren en natuurherstel en -verbetering mogelijk te maken. De stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur is in veel gebieden dusdanig hoog dat het noodzakelijk is om via een generiek spoor de stikstofemissies, waaronder veehouderijen, fors terug te dringen. Dit draagt bij aan het terugdringen van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur. Veehouderijlocaties komen in aanmerking voor subsidie op grond van deze subsidieregeling indien de volledige sluiting van de productiecapaciteit meer emissiereductie oplevert dan de in de regeling genoemde drempelwaarden. Bij de aanvraag om subsidie vraagt de provincie de agrarische onderneming diverse gegevens en stukken te overleggen. Denk hierbij aan bedrijfsgegevens en andere bescheiden van de ondernemer. Ook taxatierapport(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.