← Nederland

Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen Samenredzaam 2025 (Waddinxveen)

Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen Samenredzaam 2025De raad van de gemeente Waddinxveen; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen, gelet op de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Wet zorg en dwang, de Wet inburgering 2021 en de Gemeentewet; besluit: vast te stellen Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen Samenredzaam 2025 Samenvatting De Verordening Sociaal Domein 2025 van Waddinxveen legt uit hoe de gemeente haar inwoners helpt om goed mee te doen in de maatschappij. De regels gaan over werken, opvoeding, wonen, inburgering en hulp bij schulden of zorg. Het doel is dat iedereen zo zelfstandig mogelijk kan leven. De gemeente werkt samen met andere organisaties om dit goed te regelen. Ze kijken naar wat je zelf kunt doen en of er hulp is van mensen om je heen. Als dat niet genoeg is, zorgt de gemeente voor passende ondersteuning. Met deze regels wil de gemeente ervoor zorgen dat iedereen in Waddinxveen een kans krijgt om mee te doen en zelfstandig te blijven, op een manier die bij hen past. Deze samenvatting legt uit waar de verordening sociaal domein over gaat. Er wordt per hoofdstuk uitgelegd wat hier in staat en wat je als inwoner kunt aanvragen. In de verordening wordt gesproken over uitgangspunten. Hiermee bedoelen we de basisprincipes waarop de wetten worden uitgevoerd. Hoofdstuk 1 Inleiding Als je hulp nodig hebt, kun je dit melden bij de gemeente. Samen met een vaste contactpersoon wordt gekeken wat je nodig hebt. Er wordt een plan gemaakt om je verder te helpen. Dit kan bijvoorbeeld ondersteuning zijn om werk te vinden, hulp bij opvoeding, of aanpassingen in je huis zodat je er veilig kunt wonen. Hoofstuk 2 De Hulpvraag Wanneer een inwoner hulp nodig heeft, volgt er een zorgvuldig proces om te bepalen welke ondersteuning passend is. Dit begint met een gesprek nadat de inwoner zijn hulpvraag heeft gemeld. Tijdens dit gesprek probeert de gemeente samen met de inwoner een volledig beeld te krijgen van de situatie. Hierbij worden alle belangrijke aspecten van het dagelijks leven besproken, zoals woonomstandigheden, financiën, gezondheid en sociale relaties. Na het gesprek wordt er een ondersteuningsplan opgesteld. Hierin staat wat er besproken is, welke doelen er zijn en hoe de gemeente kan helpen. Dit plan wordt naar de inwoner gestuurd en moet worden ondertekend. Als de inwoner het niet eens is met het plan, kan hij dat aangeven. Aanvraagprocedure Met de ondertekening van het ondersteuningsplan wordt de aanvraag officieel. Dit geldt niet voor alle soorten hulp, zoals de Jeugdwet en de Participatiewet. Bij aanvragen voor hulp-op-maat gelden enkele voorwaarden: de hulp moet noodzakelijk zijn, en er moet worden aangetoond dat de inwoner zelf of via zijn netwerk geen oplossing kan vinden. De gemeente kiest voor de meest goedkope oplossing die voldoende helpt. Tijdens het beoordelen van de aanvraag worden alle belangrijke gegevens besproken, zoals de behoeften, mogelijkheden en beperkingen van de inwoner. Er wordt ook gekeken naar de rol die het sociale netwerk kan spelen. De gemeente hanteert een duidelijke structuur om te bepalen of en welke hulp wordt verleend. Beslissingen en Uitzonderingen Na het beoordelen van de aanvraag neemt de gemeente een besluit. Dit besluit, een beschikking genoemd, legt vast welke hulp wordt geboden en onder welke voorwaarden. Dit kan in de vorm van directe ondersteuning, een persoonsgebonden budget (pgb), of financiële hulp. De inwoner wordt geïnformeerd over de bijdrage in de kosten als die er zijn. Voor spoedeisende situaties kan de gemeente direct handelen om de nodige hulp te bieden, zonder het gebruikelijke proces volledig te volgen. In sommige gevallen, zoals bij jeugdhulp, kunnen ook andere partijen zoals scholen of huisartsen een verwijzing doen. Hoofdstuk 3 Werk en Participatie Hoofdstuk 3 van de verordening richt zich op het ondersteunen van inwoners bij werk en participatie. Het uitgangspunt is dat iedereen naar vermogen meedoet in de samenleving. Voor sommige inwoners betekent dit betaald werk, terwijl anderen deelnemen via vrijwilligerswerk of activiteiten die bijdragen aan sociale activering. De gemeente helpt inwoners die moeite hebben om zelf werk te vinden, zoals mensen met een uitkering of een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Er zijn verschillende manieren waarop deze ondersteuning wordt geboden: Algemene hulp Dit is hulp die alle inwoners van de gemeente Waddinxveen kunnen gebruiken. Dit kan gaan om het volgen van een opleiding, het volgen van een traject om werkervaring op te doen, Hulp voor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ook is er hulp voor inwoners die moeite hebben met het vinden van werk. Hiervoor is speciale ondersteuning. Dit doen we door bijvoorbeeld een traject voor sociale activering, een participatieplaats of ondersteuning van een werkgever. Beschut Werk en ondersteuning Voor inwoners die alleen kunnen werken in een aangepaste omgeving, biedt de gemeente beschutte werkplekken. Deze werkplekken worden aangepast aan de persoonlijke mogelijkheden van de werknemer, zoals speciale begeleiding of aangepaste werkplekken. Daarnaast kan de gemeente loonkostensubsidie bieden aan werkgevers die kwetsbare mensen een kans geven. Dit verlaagt de drempel voor werkgevers om mensen met minder kansen in dienst te nemen. Jobcoaching en begeleiding Inwoners die extra hulp nodig hebben op de werkplek, kunnen gebruik maken van persoonlijke ondersteuning zoals jobcoaching. Dit helpt hen om hun werk goed uit te voeren en hun positie op de arbeidsmarkt te behouden of verbeteren. Financiële ondersteuning De gemeente biedt financiële regelingen om werken aantrekkelijker te maken. Bijvoorbeeld via een uitstroompremie voor mensen die een betaalde baan vinden, of door een deel van het inkomen vrij te laten bij deeltijdwerk. Ook kunnen er reiskostenvergoedingen worden verstrekt voor werk- en opleidingsdoeleinden. Samenwerking en maatwerk De gemeente werkt samen met verschillende organisaties, zoals UWV, werkgevers en regionale initiatieven, om inwoners te helpen. Het aanbod van hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de inwoner. Met dit hoofdstuk benadrukt de gemeente dat participatie voor iedereen belangrijk is. Door maatwerk en verschillende vormen van ondersteuning te bieden, helpt de gemeente inwoners om actief bij te dragen aan de samenleving, op een manier die bij hen past. Inburgering De gemeente speelt een centrale rol in het inburgeringstraject, waarbij vijf kernpunten gelden: Tijdige start: De gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige snel kan beginnen. Snelheid: Het traject wordt binnen drie jaar afgerond en duurt niet langer dan nodig. Maatwerk: Er wordt een passend traject vastgesteld voor elke inburgeringsplichtige. Dualiteit: Activiteiten voor taal leren en maatschappelijke participatie worden gecombineerd. Kwaliteit: De gemeente waarborgt de kwaliteit en continuïteit van het trajectaanbod. Brede intake De gemeente voert een brede intake uit om een compleet beeld te krijgen van de startpositie en ontwikkelingsmogelijkheden van de inburgeringsplichtige. De intake vindt zo snel mogelijk plaats, bij voorkeur bij inschrijving in de gemeente. Voor asielstatushouders gebeurt dit bij koppeling aan de gemeente. De intake brengt minimaal in kaart: Het taalniveau, participatiemogelijkheden, zelfredzaamheid en wensen van de inburgeringsplichtige. Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) Na de brede intake stelt de gemeente samen met de inburgeringsplichtige het PIP op. Dit document bevat: De leerroute, einddoelen, rechten en plichten, en verwachtingen van beide partijen. Afspraken over ondersteuning, begeleiding, participatie, en voorschoolse educatie. Een overzicht van voortgangsgesprekken en de trajectduur. Leerroutes Er zijn 3 leerroutes: B1-route: Gericht op het behalen van taalniveau B1 Onderwijsroute: Voor jongeren die doorstromen naar een vervolgopleiding. Zelfredzaamheidsroute (Z-route): Voor inburgeringsplichtigen die gericht zijn op maatschappelijke zelfredzaamheid. De keuze van de leerroute is gebaseerd op de leerbaarheidstoets en de brede intake. De inhoud van de leerroutes sluit aan bij andere onderdelen van het inburgeringstraject en is afgestemd op de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Inburgeringsaanbod voor asielstatushouders De gemeente biedt een passend inburgeringsaanbod aan asielstatushouders dat aansluit op de leerroute en gericht is op: Het leren van de Nederlandse taal. Kennis over de maatschappij (normen, waarden, geschiedenis, onderwijs, gezondheidszorg). Voorbereiding op participatie in samenleving en arbeidsmarkt. Voortgang inburgering De gemeente monitort de voortgang van inburgeringsplichtigen via regelmatige voortgangsgesprekken (minimaal twee in het eerste jaar). Tijdens deze gesprekken wordt beoordeeld of het traject en de afspraken in het PIP nog passend zijn. Als het nodig is kan een andere leerroute worden vastgesteld binnen 1,5 jaar na de start van het traject. De gemeente biedt maatschappelijke begeleiding aan asielstatushouders om hun zelfredzaamheid en participatie te bevorderen en hen voor te bereiden op het inburgeringstraject. De begeleiding start bij inschrijving in de gemeente en wordt afgestemd op de behoeften van de asielstatushouder. Handhaving van inburgeringsverplichtingen De gemeente handhaaft de naleving van de inburgeringsverplichtingen door middel van waarschuwingen en boetes. Inburgeringsplichtigen moeten meewerken aan de brede intake, voortgangsgesprekken en activiteiten in het PIP. Asielstatushouders zijn verplicht deel te nemen aan taallessen en leerroutes. Hoofdstuk 4 Gezond en Veilig Opgroeien Hoofdstuk 4 van de verordening richt zich op de ondersteuning van kinderen, jongeren en gezinnen om gezond en veilig op te groeien. Het doel is om kinderen een goede basis te bieden voor hun ontwikkeling en hen te helpen om volwaardig mee te doen in de samenleving. Algemene voorzieningen en Jeugd De gemeente biedt diverse algemene voorzieningen die voor iedereen toegankelijk zijn, zoals preventieve hulp en ondersteuning voor gezinnen. Deze voorzieningen zijn gericht op het voorkomen van problemen en het versterken van de eigen kracht van gezinnen. Individuele voorzieningen (Hulp op Maat) Voor kinderen en jongeren met specifieke behoeften kan de gemeente individuele ondersteuning bieden. Dit omvat bijvoorbeeld gespecialiseerde jeugdhulp of begeleiding. Het uitgangspunt is dat deze hulp zoveel mogelijk aansluit bij de situatie en behoeften van het kind en het gezin. De hulp-op-maat is tijdelijk en gericht op het vergroten van zelfredzaamheid. Overgang van 18- naar 18+ Bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar verandert er veel in de ondersteuning die jongeren ontvangen. De gemeente begeleidt jongeren tijdens deze overgang om ervoor te zorgen dat zij zelfstandig verder kunnen, bijvoorbeeld door hulp bij scholing, werk of wonen. Kinderopvang om Sociaal-Medische Redenen De gemeente kan kinderopvang financieren voor ouders die dit nodig hebben vanwege medische of sociale redenen. Dit is bedoeld om ouders te ontlasten en hen te ondersteunen bij het op orde houden van hun persoonlijke situatie. Met deze regelingen zorgt de gemeente ervoor dat kinderen in Waddinxveen gezond, veilig en met de juiste ondersteuning kunnen opgroeien, terwijl gezinnen de hulp krijgen die zij nodig hebben om problemen te voorkomen of op te lossen. Hoofdstuk 5 Wonen in een Veilige en Gezonde Omgeving Hoofdstuk 5 van de verordening richt zich op het maken van een veilige, gezonde en passende woonomgeving voor inwoners van Waddinxveen. De gemeente helpt inwoners om zelfstandig te wonen en biedt ondersteuning aan mensen die hier moeite mee hebben. Zelfstandig en Veilig Wonen Voor inwoners die hulp nodig hebben bij het zelfstandig wonen, biedt de gemeente ondersteuning zoals: Aanpassingen in de woning om deze geschikt te maken voor mensen met een beperking. Hulp bij een schone en leefbare woning, bijvoorbeeld als huishoudelijke taken niet zelfstandig uitgevoerd kunnen worden. Beschermd wonen, voor mensen die intensieve begeleiding nodig hebben vanwege psychische of sociale problemen. Maatschappelijke opvang, voor inwoners die tijdelijk geen thuis hebben. Mantelzorgondersteuning De gemeente erkent de waarde van mantelzorgers en biedt hen ondersteuning en waardering. Dit kan bestaan uit praktische hulp, advies of een financiële vergoeding (mantelzorgwaardering). Mantelzorgers moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Specifieke Regelingen De gemeente heeft ook aandacht voor speciale doelgroepen zoals jongeren zonder vaste woonplek ("Jongeren onder Dak") en ouderen die veilig en zelfstandig thuis willen blijven wonen. Door maatwerk en ondersteuning biedt de gemeente oplossingen voor inwoners die hulp nodig hebben bij het wonen. Zo kunnen zij een goed en zelfstandig leven leiden in hun eigen omgeving. Hoofdstuk 6 Vervoer naar School Hoofdstuk 6 van de verordening beschrijft de ondersteuning die de gemeente biedt aan leerlingen en hun ouders om passend vervoer naar school mogelijk te maken. Het doel is om ervoor te zorgen dat kinderen naar een school kunnen gaan die bij hen past, ongeacht eventuele beperkingen of bijzondere omstandigheden. De gemeente biedt vervoersvoorzieningen aan leerlingen die door een beperking of een andere reden niet zelfstandig of met regulier openbaar vervoer naar school kunnen reizen. Dit geldt voor leerlingen die onderwijs volgen op een school die past bij hun specifieke situatie. Onderzoek en Voorwaarden Bij het toekennen van een vervoersvoorziening onderzoekt de gemeente: De noodzaak van de voorziening, zoals medische of sociale omstandigheden. De afstand tussen de woning en de school. Alternatieve mogelijkheden, zoals ondersteuning vanuit het netwerk van de leerling. Bijzondere Regelingen De gemeente biedt speciale regelingen voor: Weekend- en vakantievervoer, als dit noodzakelijk is. Het bekostigen van eigen vervoer, waarbij ouders een vergoeding kunnen krijgen als zij zelf het vervoer van hun kind organiseren. Vorm en Hoogte van de Voorziening De vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit: Vergoeding van kosten voor eigen vervoer. Gebruik van speciaal vervoer zoals een deeltaxi of bus. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de gemaakte kosten of volgens de richtlijnen van de gemeente. Duur en Ingangsdatum De voorziening wordt toegekend voor een periode die aansluit bij de onderwijsduur en wordt aangepast wanneer de situatie van de leerling verandert. Met deze regeling ondersteunt de gemeente leerlingen en hun ouders, zodat kinderen ondanks eventuele beperkingen toegang hebben tot onderwijs dat aansluit bij hun behoeften. Hiermee wordt bijgedragen aan hun ontwikkeling en kansen in de maatschappij. Hoofdstuk 7 Inkomen en Schulden Hoofdstuk 7 van de verordening richt zich op het ondersteunen van inwoners met een laag inkomen of financiële problemen. De gemeente biedt diverse regelingen en voorzieningen om armoede te bestrijden, financiële zelfredzaamheid te bevorderen en problematische schulden aan te pakken. Armoedebeleid De gemeente wil dat alle inwoners kunnen meedoen aan de samenleving, ook als zij een laag inkomen hebben. Hiervoor zijn verschillende regelingen beschikbaar, zoals bijdragen voor maatschappelijke kosten, schoolkosten en zorgkosten. Bijdrage voor Maatschappelijke en Schoolkosten De gemeente biedt bijdragen voor maatschappelijke participatie, zoals sportactiviteiten, en voor schoolkosten om ervoor te zorgen dat kinderen kunnen deelnemen aan onderwijs en sociale activiteiten. Zorgkosten Er zijn regelingen voor inwoners met hoge zorgkosten, zoals: Deelname aan een collectieve zorgverzekering via de gemeente. Bijdragen voor mensen met een chronische ziekte of beperking. Bijzondere Bijstand Voor inwoners die onverwachte en noodzakelijke kosten hebben die zij niet zelf kunnen betalen, biedt de gemeente bijzondere bijstand. Dit is maatwerk en afhankelijk van de persoonlijke situatie. Inkomenstoeslag en studietoeslag Inwoners met een laag inkomen kunnen recht hebben op aanvullende toeslagen: Individuele studietoeslag: Voor studenten met een beperking die niet volledig kunnen werken naast hun studie. Individuele inkomenstoeslag: Voor inwoners die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Schuldhulpverlening De gemeente helpt inwoners die problematische schulden hebben door: Toegang te bieden tot schuldhulpverlening. Samen met de inwoner een plan te maken om financiële problemen op te lossen. Te beoordelen of schuldhulpverlening wordt toegekend en hoe deze wordt uitgevoerd. Met deze regelingen en voorzieningen wil de gemeente inwoners met financiële problemen ondersteunen, zodat zij een stabielere basis krijgen en beter kunnen deelnemen aan de samenleving. Het beleid is gericht op maatwerk en het aanpakken van armoede en schulden. Hoofdstuk 8 De Vorm van de Hulp Hoofdstuk 8 van de verordening beschrijft de verschillende vormen waarin hulp en ondersteuning door de gemeente kan worden aangeboden. Het doel is om inwoners de meest passende ondersteuning te bieden, afhankelijk van hun situatie en behoeften. Hulp in natura Hulp in natura betekent dat de gemeente de ondersteuning rechtstreeks levert via een aanbieder. Voorbeelden zijn huishoudelijke hulp, dagbesteding, of begeleiding. De gemeente bepaalt wie de hulp verleent en zorgt ervoor dat deze aan de afgesproken kwaliteitseisen voldoet. Hulp in geld In sommige gevallen kan de hulp in de vorm van een financiële bijdrage worden verstrekt. Dit wordt gedaan als het efficiënter is of beter aansluit bij de situatie van de inwoner. Persoonsgebonden Budget (PGB) Een PGB geeft inwoners meer keuzevrijheid. Zij ontvangen een budget waarmee ze zelf ondersteuning kunnen inkopen. Dit kan alleen als: De inwoner zelf in staat is het budget te beheren. De ondersteuning voldoet aan kwaliteitseisen. Het PGB efficiënt wordt besteed. Het PGB wordt verstrekt onder strikte voorwaarden, zoals: Een passend plan voor de besteding van het budget. Verantwoording van de uitgaven door de inwoner. Eigen bijdrage in de kosten Voor bepaalde vormen van hulp kan de gemeente een eigen bijdrage vragen. Dit is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de inwoner en wordt berekend volgens landelijke regels. Hoofdstuk 9 Afspraken tussen Inwoner en Gemeente Hoofdstuk 9 van de verordening beschrijft de wederzijdse afspraken en verantwoordelijkheden tussen de gemeente en de inwoners. Het doel is een goede samenwerking waarin zowel de gemeente als de inwoner hun bijdrage leveren aan het behalen van de gewenste resultaten. Hoe Omgaan met Elkaar Rol van de gemeente: De gemeente biedt ondersteuning en begeleiding waar nodig, informeert inwoners duidelijk en werkt samen om problemen op te lossen. Rol van de inwoner: Inwoners zijn verantwoordelijk voor hun eigen situatie en moeten actief meewerken aan oplossingen en hulptrajecten. Uitkeringen en Verplichtingen Inwoners die een uitkering ontvangen, moeten voldoen aan voorwaarden zoals het actief zoeken naar werk of het meewerken aan re-integratie. De gemeente kan sancties opleggen, zoals verlaging of stopzetting van de uitkering, als een inwoner zich niet aan deze verplichtingen houdt. Controle en Fraude De gemeente controleert of inwoners zich aan de afspraken houden, bijvoorbeeld door regelmatige controles. Er wordt opgetreden tegen fraude. Herzien, Intrekken en Terugvorderen De gemeente kan besluiten om een voorziening of uitkering te herzien of in te trekken als de situatie van een inwoner verandert. Bij onterechte betalingen kan de gemeente bedragen terugvorderen en een betalingsregeling treffen. Klachten en Vertrouwenspersoon Inwoners kunnen klachten indienen over beslissingen of de behandeling door de gemeente. Vertrouwenspersonen van buiten de gemeente staan klaar om inwoners te ondersteunen bij klachtenprocedures. Hoofstuk 10 Inwoners en gemeente in gesprek De gemeente maakt beleid voor de inwoners en wil dit goed uitvoeren. Als inwoners het ergens niet mee eens zijn, kunnen ze een klacht indienen, bezwaar maken, een vertrouwenspersoon spreken of een mediationgesprek aanvragen. De gemeente volgt hierbij de visie van de Nationale Ombudsman. Met feedback van inwoners kan het beleid worden verbeterd. De gemeente betrekt inwoners bij nieuw beleid, vooral in het sociaal domein. Dit gebeurt via regels en afspraken zoals de Inspraak- en communicatieverordening, de Verordening participatieadviesraad en de Leidraad samenlevingsparticipatie. Inwoners kunnen op verschillende manieren inspraak hebben, bijvoorbeeld via adviesraden, enquêtes of bijeenkomsten. De gemeente kiest de beste vorm van inspraak, afhankelijk van het onderwerp en de betrokken groep. De Participatie Advies Raad krijgt ondersteuning, middelen en tijd om goed advies te geven en met de gemeente in gesprek te gaan. Belangrijke uitgangspunten zijn dat de gemeente zorgvuldig handelt, inwoners serieus neemt en inspraak eenvoudig maakt. Klachten over de gemeente Inwoners kunnen een klacht indienen bij de klachtenfunctionaris over: het gedrag van medewerkers; hoe meldingen of aanvragen zijn afgehandeld; de uitvoering van diensten en voorzieningen. De gemeente informeert inwoners duidelijk over de klachtenprocedure en zorgt voor een snelle afhandeling. Klachten over andere personen of organisaties Inwoners met een klacht over het gedrag van een hulpverlener moeten eerst de klacht indienen bij die persoon of organisatie. Deze moet een klachtenregeling hebben die met de gemeente is gedeeld. Als een inwoner niet tevreden is over de afhandeling van een klacht door de hulpverlener, kan hij de klacht bij de gemeente indienen. Bij meldingen van geweld of strafbaar gedrag door hulpverleners bepaalt de gemeente hoe dit wordt behandeld. Vertrouwenspersoon De gemeente zorgt voor een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Inwoners kunnen hier vertrouwelijk praten over problemen, klachten of vragen over de hulp die ze krijgen. Hoofstuk 12 Begrippen In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. De begrippenlijst is gemaakt omdat er soms bepaalde begrippen in meerdere wetten worden gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Hoofstuk 13 Van oud naar nieuw In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. 1Inleiding verordening sociaal domein Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: Werken en participeren Uitkeringen Schuldhulpverlening Gezond en veilig opgroeien, Vervoer naar school, Wonen in een veilige en gezonde omgeving Kwaliteit van leven en (mentale) gezondheid Inburgeren. 1.1Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: mensen actief en zelfstandig mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; mensen gelijkwaardig zijn en gelijke kansen hebben om zich te ontplooien in de samenleving; mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; mensen hun financiën op orde hebben; mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ; Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Jeugdwet; Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; Wet verplichte GGZ; Wet zorg en dwang; De Wet inburgering 2021 De Gemeentewet. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. 1.2Regels De regels in deze verordening zijn zo veel mogelijk geschreven vanuit het oogpunt van de inwoner. De regels: zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar; respecteren de wetten en wijken van onze regels af als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 1.3Uitgangspunten Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende Uitgangspunten: Eigen leven, eigen verantwoordelijkheid, Jeugdigen groeien gezond en veilig op. Ouders zijn primair verantwoordelijk en zullen zelf (ook) aanpassingen moeten doen. We gaan uit van wat iemand kan in plaats van wat iemand niet kan. De hulpvraag en de eigen woon- en leefomgeving staat centraal. Deze hulp duurt niet langer dan noodzakelijk en is gericht op zelfredzaamheid en versterken van de eigen kracht. Vrij toegankelijke hulp gaat vóór hulp op maat Voorop staat het leren omgaan met de situatie, niet het recht op zorg. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere Uitgangspunten de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13. De gemeente is gelijktijdig verantwoordelijk voor goede zorg voor inwoners die geen hulp of ondersteuning willen ontvangen, maar wel een gevaar vormen voor zichzelf of de omgeving. Voor deze inwoners wordt vaak de term ‘zorgmijders’ gebruikt. In dit geval zoekt de gemeente samenwerking met de GGD of meldpunt Veilig Thuis. 1.4Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk in zijn geheel gebaseerd op een of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, gaat dit over de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.11 en 3.4.12 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten). De wet verplichte GGZ (wvggz) en de wet zorg en dwang (wzd) vormen hierop een uitzondering. Deze wetgeving vormt een nieuwe verantwoordelijkheid waar gemeenten per 1 januari 2020 mee te maken hebben. Deze wetten komen verder niet terug in de verordening omdat de gemeente hierbij alleen een rol heeft wanneer het gaat om crisissituaties. Het Sociaal Team verwijst - zoals terug te lezen is in artikel 1.3. - in het geval van zorgmijders en crisissituaties door naar het meldpunt zorg en overlast en zo nodig Veilig Thuis. De wvggz regelt per 1 januari 2020 de rechten van mensen die te maken krijgen met verplichte zorg vanwege een psychische aandoening. Deze wet biedt meer instrumenten voor zorg op maat: verplichte zorg zo kort als mogelijk en zo lang als noodzakelijk. De wet zorg en dwang regelt per 1 januari 2020 de rechten bij onvrijwillige zorg of opname van mensen met een licht verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening zoals dementie. De gemeente is met deze wetgeving beter in staat om inwoners – bijvoorbeeld na ontslag uit een gedwongen opname - zorg en ondersteuning op maat te kunnen bieden aan huis en in de woonomgeving. De burgemeester heeft de plicht meldingen van inwoners die zich zorgen maken te onderzoeken en kan na het zo mogelijk horen van de betrokkene in overleg met een psychiater zo nodig een (crisis)maatregel opleggen. 1) De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Bij het onderzoeken van die hulpvragen kijkt de gemeente naar alle leefgebieden van de inwoner die daarvoor van belang zijn en volgt het principe ‘één huishouden, één plan, één regisseur’. Dit betekent dat er een vaste contactpersoon is die overzicht houdt en de voortgang bewaakt. Soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route, dat is dan ook aangegeven. Uitgangspunten: De gemeente maakt hulp bereikbaar. De hulpvraag van de inwoner staat centraal. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente kan samen met de inwoner zoeken naar een duurzame oplossing van de problemen, als dat nodig is. De gemeente onderzoekt alle leefgebieden die van belang zijn voor het beoordelen van hulpvragen. 2.1Stap 1: Melding bij de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Indienen hulpvraag Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij het preventieteam (Wadwijzer). Het preventieteam meldt inwoners zo nodig aan bij het Sociaal Team van de gemeente. Inwoners die al hulp krijgen van de gemeente, kunnen direct een digitale melding doen bij het Sociaal Team. De inwoner kan een melding schriftelijk, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente maakt onder andere via de website bekend hoe en wanneer inwoners zich kunnen melden bij het preventieteam en Sociaal Team. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Procedure Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding of aanvraag binnen 5 werkdagen per brief aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek (zie 2.3.1 lid 3). Ook geeft de gemeente informatie over wie namens de gemeente contactpersoon is en dat het mogelijk is om een eigen plan op te stellen (persoonlijk plan). De gemeente informeert de inwoner daarnaast over de mogelijkheid om iemand mee te nemen tijdens het gesprek. Dit kan iemand zijn uit het persoonlijke netwerk of een gratis onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt besproken welke gegevens dat zijn en welke termijn daarvoor geldt. 2.2Stap 2: Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.1Procedure gesprek 1.Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie en de hulpvraag van de inwoner en van het resultaat dat de inwoner wil bereiken met de inzet van hulp of ondersteuning. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. 2.Tijdens het gesprek komen alle leefgebieden aan bod. In gesprek met volwassenen wordt hierbij gebruik gemaakt van de ZelfredaamheidsMatrix (ZRM). Voor jeugdigen wordt gebruik gemaakt van de Gezamenlijke Inschatting Zorgbehoefte (GIZ). 3.In geval na telefonisch of schriftelijk contact de medewerker samen met de inwoner inschat dat een gesprek niet nodig is, kan daarvan af worden gezien 4.Als de inwoner dat wil, kan er iemand vanuit zijn eigen netwerk (familielid, mantelzorg, deskundige of cliëntondersteuner) aanwezig zijn bij het gesprek. In het geval van een jeugdige wordt, afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige en in overleg met de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, bekeken of de jeugdige wel of niet bij het gesprek aanwezig is. Kinderen van alle leeftijden worden actief uitgenodigd om hun mening te geven. Kinderen van 12 jaar en ouder hebben het recht hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot jeugdhulpaanvragen en worden in alle gevallen gehoord, tenzij er zwaarwegende inhoudelijke argumenten zijn om hiervan af te wijken. De inbreng van kinderen wordt serieus meegewogen in de besluitvorming. 5.Voor huisbezoeken in het kader van de Participatiewet is een huisbezoekenprotocol opgesteld. Hierin zijn alle regels opgeschreven voor het afleggen van een huisbezoek. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.2Inhoud gesprek 1.De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker voor zover dat nodig is: de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect? de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? welke hulp er eventueel gegeven kan worden: is dit hulp-op-maat of een andere voorziening? Kan er een pgb worden verstrekt? Moet de inwoner een bijdrage in de kosten betalen? [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.3Ondersteuningsplan 1.Tijdens en na het gesprek maakt de medewerker een inschatting van de zelfredzaamheid en de zorgbehoeften van de inwoner. Na het gesprek maakt de medewerker een verslag en legt dit vast in een ondersteuningsplan. Dat is een plan van aanpak, waaruit blijkt wat er is besproken, welk effect de inwoner wil bereiken, hoe dat bereikt zou kunnen worden en welke rol de gemeente daarbij zou kunnen spelen. 2.De medewerker stuurt het ondersteuningsplan binnen zes weken na het gesprek naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat niet te wensen. 3.De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit terug naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met wat er staat, kan hij dat daarop aangeven. 2.3Stap 3: Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.3.1Aanvraag 1.Met ondertekening van het ondersteuningsplan wordt direct een aanvraag ingediend. Dit geldt niet voor de Jeugdwet en de Participatiewet. (Zie artikel 2.1.1 lid 2). De beoordeling van de aanvraag heeft als doel te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 2.De melding over een hulpvraag voor een PW-uitkering of een IOAW of IOAZ-uitkering, wordt gezien als een aanvraag op het moment dat de inwoner dit bij de gemeente bevestigt met een (digitale) handtekening. 3.Inwoners die een collectieve zorgverzekering van de gemeente af willen sluiten kunnen dit alleen digitaal aanvragen via www.gezondverzekerd.nl. [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs] 2.3.2Aanvraag voor hulp-op-maat 1.Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, vanuit preventief aanbod of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. De hulp-op-maat duurt zo kort als kan en zo lang als nodig. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 3.De hulp-op-maat duurt zo kort als kan en zo lang als nodig. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopste passende voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4.De gemeente kan financiering van hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien. De gemeente kan financiering van hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. 5. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb 2.3.3Advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die de benodigde kennis wel in huis heeft een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Awb] 2.3.4Beoordelen aanvraag 1.Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: de behoeften van de inwoner; de (on)mogelijkheden van de inwoner; de persoonlijke situatie van de inwoner; de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2.Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente inventariseert eventuele problemen en beperkingen. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke maatwerkvoorziening nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 3.Voor iedere stap geldt dat de gemeente die deskundigheid inzet, die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.3.5Beslistermijn 1.De gemeente beslist zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 8 weken nadat de de aanvraag is ontvangen. Als het gaat om een aanvraag Wmo dan beslist de gemeente binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. 2.De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft doorgegeven. De gemeente noemt dan een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. 3.Het besluit of de afwijzing tot schuldhulpverlening - zoals bedoeld in artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening – wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het eerste gesprek plaatsvond. 2.4Stap 4: Beslissing [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.4.1Inhoud besluit 1.De gemeente stelt een besluit vast en stuurt deze per brief naar de inwoner. Dit noemen we een beschikking. Het doel van dit besluit is dat de inwoner weet of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als hulp wordt gegeven staat in de brief welke vorm de hulp heeft. 2.Geeft de gemeente de hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; hoe en door wie de hulp wordt gegeven; welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3.Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: waarvoor het pgb bedoeld is; welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het pgb; hoe hoog het pgb is; wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; hoe de uitgaven toegelicht dienen te worden (verantwoording); welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4.Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: voor welk doel het geld wordt gegeven; wanneer het geld wordt betaald; hoe vaak het geld wordt betaald; welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5.De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een (verplichte) eigen bijdrage in de kosten. 6.Een besluit wordt genomen voor een periode die past bij de hulpvraag. 7.De gemeente informeert de inwoner in het besluit dat de inwoner, indien mogelijk, verplicht is zelf tussentijdse veranderingen in de gezondheidssituatie of veranderingen in de omgeving tijdig door te geven aan de gemeente. 8.De gemeente informeert de inwoner in het besluit over de mogelijkheid voor gratis hulp van een vertrouwenspersoon. 2.5Uitzonderingen [Jeugdwet, Awb] 2.5.1Jeugdhulp via arts e.a. 1.Naast de gemeente kunnen de school, huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling, jeugdreclassering of rechterlijke macht de jongere doorverwijzen naar een jeugdhulpaanbieder. Een school mag doorverwijzen als er sprake is van ernstige dyslexie. 2.De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. [Jeugdwet, Wmo, Llv, Wgs] 2.5.2Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan hierbij afwijken van de normale procedure. 3.Werk en Participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering die kunnen werken, hulp krijgen bij het vinden van passend werk. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. De beschikbare voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld. Hoe de voorzieningen worden verdeeld is afhankelijk van de kansen op betaald werk van de inwoners. Het vinden van passend betaald werk is het meest waardevol voor zowel de inwoner als de samenleving. Dit is niet voor iedereen haalbaar. Ook vormen van onbetaald werk kunnen een belangrijke stap zijn op weg naar betaald werk. Voor sommige mensen tot slot, is onbetaald werk uitdagend en waardevol genoeg. Ook deze vorm van meedoen draagt bij aan een samenredzaam Waddinxveen. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat zij volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert. Uitgangspunten: De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner zijn het uitgangspunt. De inwoner wordt zo goed mogelijk ondersteund bij het vinden van langdurig passend werk of een andere vorm van participatie. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en voor inkomensondersteuning van de gemeente. De gemeente stemt de hulp af op en met de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving. [PW, IOAW, IOAZ] 3.1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: doelgroep: inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden; inwoners die geen uitkering ontvangen en die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te geven op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; Student: een inwoner die volgens de bepalingen van artikel 36b eerste lid van de wet behoren tot de doelgroep, de personen van 18jaar of ouder, die recht hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht hebben op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. voorziening: een voorziening die door de gemeente als noodzakelijk wordt gezien en die gericht is op arbeidsinschakeling. Hiermee wordt ook persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken bedoeld; werkgever: iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om het werk van een werknemer gedurende een overeengekomen periode te gebruiken in zijn organisatie; werknemer: iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst werk verricht bij de werkgever, ook iemand zoals bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; wet: Participatiewet. 3.2Samenwerking De gemeente werkt o.a. samen met UWV, Promen, Werkgeverservicepunt, Regionale Mobiliteits Teams, Leer Werk Loket, regio-gemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. De gemeente kan werkgevers in specifieke individuele gevallen tijdelijk ondersteunen als zij inwoners werk bieden die onder de doelgroep van de gemeente vallen. 3.3Budget De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente geen voorziening meer waarvoor dit budgetplafond geldt. Tenzij in de wet anders is bepaald. De hoogte van de beschikbare budgetten wordt jaarlijks vastgelegd in de gemeentebegroting. 3.4Voorzieningen – werk [PW, IOAW, IOAZ] 3.4.1Algemeen 1.De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en op de positie op de arbeidsmarkt. 2.De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3.De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. De gemeente kan nadere regels, voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen. 4.De gemeente kan een voorziening weigeren als: de persoon aan wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5.De gemeente kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ niet nakomt; de persoon niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening die in deze verordening genoemd is. Personen die vallen onder artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet zijn uitgezonderd. de voorzien niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 6.De gemeente biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 7.Een werknemer wordt alleen geplaatst bij een voorziening als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Voorzieningen voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt [PW, IOAW, IOAZ] 3.4.2Sociale activering 1.De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die de inwoner dichterbij betaald werk brengen. Dit heet sociale activering. 2.Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3.De gemeente stemt de duur van de activiteiten genoemd in het eerste lid af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon en houdt rekening met de opvattingen van die persoon. 3.4.3Participatieplaats 1.De gemeente kan een participatieplaats bieden aan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die weinig kans heeft op werk. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2.Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. 3.De inwoner kan hiervoor na iedere 6 maanden een premie ontvangen. De hoogte wordt door de gemeente vastgesteld. Dit is terug te vinden in het tarievenoverzicht. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit. 4.De gemeente zorgt ervoor dat de te verrichten extra werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door de gemeente, de werkgever en de persoon die de werkzaamheden gaat verrichten. 5.De deelname aan een participatieplaats bedraagt maximaal 24 maanden. 3.4.4Beschut werk 1.De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als het UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden en dat de werkgever hier redelijkerwijs niet in kan voorzien. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd in artikel 10 b. het gaat om de volgende voorzieningen: Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving Uitsplitsing van taken, of; Aanpassingen in de wijze van de werkbegeleiding, het werktempo of de arbeidsduur. 2.De gemeente kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden kunnen werken de volgende voorzieningen aanbieden tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst in gaat: Arbeidsmatige dagbesteding Sociale activering zoals bedoeld in artikel 3.4.2 Scholing zoals bedoeld in artikel 3.4.10 Persoonlijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 3.4.16 Schuldhulpverlening zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 3.Personen worden op beschutte werkplekken geplaatst kijkend naar de mate waarin een beschutte werkplek essentieel is. Personen die tussen de 16 en 27 jaar oud zijn, die algemene bijstand ontvangen, met een loonwaarde van tenminste 30%, met een verstandelijke of lichamelijke beperking of chronische psychische of psychosociale problemen hebben, krijgen voorrang. 3.4.5Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1.De gemeente kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3.5 verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2.De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is maximaal 30% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is maximaal 50% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de uiterst kwetsbare werknemer. 3.Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: voorafgaand aan de indienstneming gedurende 12 maanden geen reguliere betaalde baan heeft gevonden; geen startkwalificatie bezit; of ouder is dan leeftijd 50 jaar; of alleenstaande ouder is. 4.Onder uiterst kwetsbare werknemer bedoelen we iemand die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen die te maken hebben met de indiensttreding van de werknemer of als het duidelijk is dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 3.4.6Hulp bij een leer-werktraject Sommige jongeren hebben een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten. De gemeente kan hierbij hulp bieden als het gaat om jongeren: van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Een startkwalificatie is een HAVO-, VWO- of MBO2-diploma. Voorzieningen voor alle doelgroepen [PW,IOAW,IOAZ] 3.4.7Scholing 1.De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep van de Participatiewet een scholingstraject bieden. Dit gebeurt alleen als de inwoner geen recht heeft op studiefinanciering, er sprake is van een concrete kans op werk waarvoor scholing noodzakelijk is of als de inwoner in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats op grond van artikel 10a van de Participatiewet. 2.Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: het bevordert de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling en de (duurzame) uitstroom naar werk; het sluit aan bij de capaciteiten van de persoon. 3.4.8Kinderopvang vanwege werk of scholing De inwoner die kinderopvangtoeslag krijgt, kan voor de resterende kosten voor kinderopvang een bijdrage van de gemeente krijgen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: De inwoner krijgt kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank en ontvangt hulp van de gemeente op weg naar werk (een voorziening) of; de inwoner is inburgeringsplichtig; de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindcentrum of gastoudervoorziening. 3.4.9Andere voorzieningen en vergoedingen De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan, te blijven of om de kans op werk te vergroten. Zoals de aanschaf van een fiets als dit noodzakelijk is voor vervoer naar het werk. De maximale hoogte van de vergoeding is het verschil tussen de bijstandsnorm en het wettelijk minimumloon over de periode van 12 maanden. 3.4.10Uitstroompremie De gemeente kan één keer een uitstroompremie toekennen aan een inwoner van 27 jaar of ouder die: een dienstbetrekking van 6 maanden of meer is aangegaan en die niet eerder een proefplaatsing of werknemerspremie heeft ontvangen; door die dienstbetrekking geen recht meer heeft op een gemeentelijke uitkering; 12 maanden direct voorafgaand aan de dienstbetrekking een gemeentelijke uitkering had. De premie kan worden aangevraagd vanaf de 7e maand nadat het dienstverband is ingegaan en moet binnen een periode van 18 maanden na start van de werkzaamheden zijn aangevraagd. De hoogte van de premie is opgenomen in het tarievenoverzicht sociaal domein. 3.4.11Vrijlating inkomsten Om deeltijdwerk te belonen en stimuleren kan de gemeente een deel van het inkomen op de verrekening van de bijstandsuitkering vrijlaten. De vrijlating kan worden toegepast bij inwoners van 27 jaar of ouder waarbij: De dienstbetrekking bijdraagt aan de inschakeling op de arbeidsmarkt; Er aan de medische urenbeperking een keuring ten grondslag ligt; De vrijlating bedraagt voor iedere 6 maanden 25%, voor een alleenstaande ouder gedurende maximaal 30 maanden 12,5% en voor een uitkeringsgerechtigde met een medische urenbeperking structureel 15%. 3.4.14Proefplaats 1.De gemeente kan iemand van de doelgroep toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever niet betaalde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. Dit kan voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden. 2.Het doel van een proefplaatsing is het voor een korte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie waarbij de proefplaats voor een zo kort mogelijke duur wordt ingezet. 3.Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op werk de werkzaamheden van de persoon niet al eerder zonder salaris door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4.De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5.Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze ziekteperiode niet meegenomen bij de berekening van de maximale periode genoemd in lid 1. 6.De gemeente kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3.5 3.4.15Persoonlijke ondersteuning bij werk 1.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2.Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in lid 1, wordt verstrekt net zo als de voorzieningen in hoofdstuk 3.5 3.4.16Detacheringsbaan De gemeente kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever. Het doel hiervan is arbeidsinschakeling. De inwoner wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in twee schriftelijke overeenkomsten: één tussen de werkgever en de inlenende organisatie en één tussen de inwoner en de inlenende organisatie. De totale duur van een detachering bedraagt per werkgever/werknemer relatie maximaal 36 maanden. De detachering vindt plaats bij externe partijen. 3.4.17Reiskosten (anders dan vervoersvoorziening) 1.De gemeente verstrekt een tegemoetkoming voor regelmatig terugkerende reiskosten die verbonden zijn aan activiteiten in het kader van re-integratie, participatie of inburgering. Het gaat hier om een inwoner die: behoort tot de doelgroep; een reisafstand heeft van minimaal 5 kilometer met de fiets; waarvoor de Ferm Wijzer een afstand hanteert van minimaal 8 kilometer; De ANWB routeplanning het aantal kilometers bepaalt; De vergoeding bedraagt de kosten openbaar vervoer of de belastingvrije vergoeding van de belastingdienst; Bij een beperking is het mogelijk een deeltaxi in te zetten. 3.4.18Werkstage 1.De gemeente kan een persoon een werkstage gericht op werk aanbieden als deze: behoort tot de doelgroep; en nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.5Voorzieningen - Specifiek voor de doelgroep uit het Breed offensief [PW] 3.5.1Speciaal aanvraagproces loonkostensubsidie 1.De gemeente verstrekt ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die de intentie heeft een baan aan te bieden aan een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Als er een aanvraag is dan zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2.De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3.Ook als iemand (nog) niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Er wordt vastgesteld of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet van toepassing is. 5. Bij het verstrekken van de loonkostensubsidie houdt de gemeente zich aan het preferente werkprocesproces voor loonkostensubsidie. 3.5.2Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen geven aan een persoon met een arbeidsbeperking. 2.Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden onder andere de volgende voorwaarden: de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft gevolgd; de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken. de werkgever biedt een baan aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; of een proefplaats. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening via de zorgverzekeraar, het UWV, de Wsw, de Wmo of een andere regeling. het gaat niet om een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(

  1. en)zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel. Dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Het college kan nadere regels opstellen voor het verstrekken van werkplekaanpassingen en vervoersvoorzieningen. 3.5.3Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. De gemeente kan hiervoor een aanvraagformulier maken. 2.De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3.De gemeente onderzoekt, zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 4.De gemeente kan een deskundig oordeel en advies vragen, als dit nodig is bij de beoordeling van de aanvraag. 5.De gemeente bepaalt na overleg met de persoon, en zo nodig met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(
  2. en)het beste kunnen bijdragen aan het aan de slag gaan. 6.De gemeente onderzoekt, voor zover dat nodig is, de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. 3.5.4Wat moet er in de beschikking staan 1.De gemeente geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt gegeven; als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; de duur en intensiteit van de ondersteuning; de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; als de toekenning afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van de afwijking; en voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening nodig is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2.De gemeente geeft in een beschikking tot afwijzing aan waarom een aanvraag wordt afgewezen. Als er sprake is van een voorliggende voorziening dan geeft de gemeente aan welke voorziening dat is. 3.5.5Persoonlijke ondersteuning bij werk 1.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach. 2.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3.De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. 3.5.6Speciale voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1.De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 4 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Dit hoeft niet als voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.De gemeente besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 3.5.7Jobcoaching 1.Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet gecertificeerd zijn en voldoen aan de kwaliteitseisen die het UWV hanteert. 2.Jobcoaching wordt halfjaarlijks toegekend met een maximum van 2 jaar. Een Jobcoach kan maximaal twee jaar worden ingezet. Als het nodig is kan deze periode met een jaar worden verlengd. 3.Ieder half jaar wordt bekeken of de jobcoaching nog noodzakelijk is. 4.De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van het de tarieven en begeleidingsregimes zoals het UWV deze hanteert. Deze tarieven gelden als maximum 5.Het college beslist welk begeleidingsregiem wordt toegepast, waarbij de volgende (niet-limitatieve) input kan worden benut informatie over de mate van behoefte aan jobcoaching vanuit een eventuele proefplaats (beargumenteerd) voorstel van de jobcoach; de richtinggevende uitslag van het loonwaarde-instrument op de ondersteunings-/ begeleidings-behoefte. 6.De gemeente kan in het individuele geval en bij dringede redenen afwijken van lid 1 en 2. 7.Voordat de gemeente de jobcoaching beëindigt verricht de gemeente onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan de gemeente van dit onderzoek afzien. 3.5.8Jobcoaching in natura 1.De gemeente kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2.Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag zijn de artikelen 3.5.2 tot en met 3.5.7 van toepassing. 3.5.9Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1.De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, gelet op de artikelen 3.5.2 tot en met 3.5.7, worden verleend als: de jobcoaching wordt geborgd door middel van een coachingsplan; de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3.Het college hanteert voor jobcoaching een maximumtarief zijnde maximaal de geldende UWV tarief. 4.De subsidie voor een interne werkbegeleider is maximaal het bedrag dat staat opgenomen in het UWV protocol Interne Jobcoach - begeleidingsregime licht. 5.Een volledige tegemoetkoming wordt toegekend bij een dienstverband van 24 uur of meer per week. 6.De tegemoetkoming wordt naar rato berekend indien het aantal uren onder de 24 uur en boven de 12 uur ligt. 3.5.10Interne werkbegeleiding 1.Als een persoon uit de doelgroep extra begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, kan de gemeente een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne extra werkbegeleiding. 2.Een interne werkbegeleider die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals het UWV deze hanteert. 2.De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3.5.11Speciale voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1.De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2.De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3.De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4.De gemeente brengt een mogelijke vergoeding van reiskosten van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 3.5.12Voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 3.5.13Speciale voorwaarden meeneembare voorzieningen 1.De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2.In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werkomgeving aantoonbaar is. 3.De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4.De gemeente kan in beleidsregels uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werkomgeving bepaalt. 3.5.14Speciale voorwaarden werkplekaanpassingen De gemeente kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In de regel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. 3.6Tegenprestatie [PW, IOAW en IOAZ] 3.6.1Doel van de tegenprestatie 1.De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk alleen een tegenprestatie op in bijzondere situaties. 2.Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 3.6.2Inhoud van de tegenprestatie De werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden opgedragen: zijn geen werkzaamheden die als betaald werk worden gedaan binnen de organisatie waarvoor de inwoner de tegenprestatie uitvoert; leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt zijn niet bedoeld als re-integratie instrument zijn activiteiten die het algemeen belang dienen. 3.6.3Het opdragen van een tegenprestatie Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; er wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen. 3.6.4Duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie duurt maximaal 6 maanden per jaar en is maximaal 10 uur per week. 3.6.5Geen tegenprestatie opleggen De gemeente legt geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie of als de inwoner vrijwilligerswerk doet. Mantelzorg en vrijwilligerswerk worden gezien als een vorm van tegenprestatie. 3.7Meedoen in de samenleving [Wmo] Inwoners die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 voldoen. Zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval de volgende vormen van hulp geven: 3.7.1Dagbesteding en begeleiding 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de dag goed in te vullen hulp-op-maat krijgen (dagbesteding). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding. 2.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn om de dag veilig door te komen hulp-op-maat krijgen (begeleiding). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Dit betekent dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten zoals het indelen van de dag, administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over. 3.De normen uit het handboek ‘Inzet ondersteuning en behandeling Midden-Holland’ zijn de uitgangspunten voor het bepalen van de aard en de frequentie van de begeleiding en hoeveel tijd hiermee gemoeid is. 3.7.2Verplaatsen in en om het huis 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking onvoldoende kunnen verplaatsen in en om de woning hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik. 2.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om - binnen redelijke grenzen - contact met anderen te hebben hulp-op-maat kunnen krijgen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van: de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer; een taxi; een scootmobiel; het gebruikmaken van een ander vervoermiddel. Wanneer er geen voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, kan de gemeente bijdragen in de kosten voor: aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel of andere sportvoorziening; het gebruik van een auto; in geval van aanpassing van de auto voor werk of opleiding kan dit worden aangevraagd bij het UWV. het gebruik van een taxi; het gebruik van een rolstoeltaxi. De hoogte van deze bijdrage wordt vastgesteld door de gemeente en is terug te vinden in het tarievenoverzicht. 3.Als het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekt vervoermiddel doet de gemeente dit alleen als: het eerder verstrekte vervoermiddel technisch is afgeschreven; het eerder verstrekte vervoermiddel verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; het vervoermiddel geen oplossing meer is voor de vervoersproblemen van de inwoner. 3.7.3Sportvoorzieningen 1.De inwoner kan in aanmerking komen voor een sportvoorziening als er is voldaan aan de volgende voorwaarden: 2.de inwoner maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; 3.de inwoner is zonder sportvoorziening niet in staat tot het beoefenen van een sport; 4.beoefening van de gekozen sport is alleen mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening van de sport is niet op een andere manier mogelijk; 5.de maximale bijdrage van de sportvoorziening is opgenomen in het tarievenoverzicht. 3.8Inburgering [Nieuwe wet Inburgering] 3.8.1Begrippenlijst asielstatushouder: de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 13 eerste lid van de Wet inburgering 2021; Besluit: het Besluit inburgering 2021.; brede intake: de brede intake, bedoeld in artikel 14 Wet inburgering 2021; gemeente: de gemeente van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen; gezinsmigranten en overige migranten: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19 van de Wet inburgering 2021; inburgeringsplichtige: de inwoner die volgens artikel 3 van de Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is; MAP: de Module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b van de Wet inburgering 2021; PIP: het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie, bedoeld in artikel 15 van de Wet inburgering 2021; PVT: het Participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de Wet inburgering 2021; Regeling: de regelingen in de Wet inburgering 2021.; wet: de Wet inburgering 2021. 3.8.2Kernpunten van het inburgeringstraject De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtige. Hierbij gelden de volgende kernpunten: De gemeente bevordert dat de inburgeringsplichtige tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start). De inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van drie jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid). De gemeente stelt voor iedere inburgeringsplichtige een passend traject vast (maatwerk). De inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit). De gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit daarvan gewaarborgd is (kwaliteit). 3.8.3Informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige passend wordt geïnformeerd over: zijn of haar wettelijke rechten en plichten; de aanspraken op ondersteuning en begeleiding; het aanbod aan inburgeringsvoorzieningen en de toegang hiertoe. 2.De gemeente kan bij de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen gebruikmaken van de volgende middelen: een informatiepunt op de gemeentelijke website; voorlichtingsbijeenkomsten; persoonlijke gesprekken, waarbij zo nodig een tolk wordt ingeschakeld; schriftelijke informatie in begrijpelijk Nederlands (niveau B1 of lager); telefonische informatie; de inzet van een taalmaatje en/of personen uit het netwerk van de inburgeringsplichtige. 3.De gemeente beoordeelt of de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen, vooral die aan asielstatushouders, passend en effectief is. Hierover wordt aan de gemeenteraad gerapporteerd. 3.8.4Brede intake 1.De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtige een brede intake af. Met de informatie uit deze brede intake krijgt de gemeente een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inburgeringsplichtige. De gemeente geeft samen met de inburgeringsplichtige en op basis van de uitkomsten van de brede intake invulling aan het inburgeringstraject. 2.De brede intake wordt zo snel mogelijk afgenomen. Dit is bij voorkeur zodra de inburgeringsplichtige bekend is bij de gemeente. Voor asielstatushouders is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente. 3.De brede intake bestaat in ieder geval uit: een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inburgeringsplichtige; een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inburgeringsplichtige, waaronder de fysieke en mentale gezondheid; voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie (volgens artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs); een leerbaarheidstoets. Deze toets wordt uitgevoerd door het leerwerkloket Midden-Holland. 4.De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart: het taalniveau van de inburgeringsplichtige; de mogelijkheden tot (arbeids)participatie; de mate van zelfredzaamheid; de wensen van de inburgeringsplichtige over inburgering en arbeidsparticipatie. 5.De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast. 3.8.5Werkwijze brede intake 1.De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige schriftelijk uit voor de brede intake. In de uitnodiging vermeldt de gemeente behalve informatie over dag, plaats en tijdstip van de intake ook: het doel, de werkwijze en het belang van de brede intake in het inburgeringstraject; de optie om de gesprekken met de gemeente alleen te voeren of in de aanwezigheid van een onafhankelijk cliëntondersteuner; de gevolgen als de inburgeringsplichtige niet bij de brede intake verschijnt of hieraan onvoldoende meewerkt. 2.Wanneer de inburgeringsplichtige - ook na drie oproepen - niet bij de brede intake verschijnt of onvoldoende medewerking verleent, voltooit de gemeente de intake zonder de inburgeringsplichtige. In dat geval onderzoekt de gemeente de omstandigheden van de inburgeringsplichtige aan de hand van de gegevens die wel bekend zijn, zoals: de uitkomsten van de leerbaarheidstoets (als de inburgeringsplichtige daaraan heeft meegewerkt); voor asielstatushouders: de gegevens uit het Taakstelling Volg Systeem (TVS); informatie uit het uitkeringsdossier. 3.8.6Persoonlijk plan Inburgering en Participatie 1.De gemeente stelt na afronding van de brede intake het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk samen met de inburgeringsplichtige. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige uit voor een gesprek hierover. In ieder geval worden in dat gesprek de volgende onderwerpen besproken: de uitkomsten van de brede intake; de persoonlijke einddoelen van de inburgeringsplichtige in het inburgeringstraject; welke leerroute als passend wordt gezien en waarom; de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige tijdens het inburgeringstraject; de verwachtingen van de inburgeringsplichtige over het traject; de rol van de gemeente bij dit traject; voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien. 2.In het PIP staat wat de inburgeringsplichtige moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inburgeringsplichtige. 3.Het PIP heeft de vorm van een officieel besluit (beschikking). Hierin staat vermeld: wat de vastgestelde leerroute is (en voor de asielstatushouder ook de intensiteit hiervan); welke afspraken er zijn gemaakt over (arbeids)participatie; welke ondersteuning en begeleiding de inburgeringsplichtige bij de leerroute krijgt en van welke organisatie(s); welke afspraken er zijn gemaakt over vroeg- en voorschoolse educatie; welke onderdelen het PVT en de MAP bevatten en de intensiteit hiervan; de duur van het inburgeringstraject en het aantal voortgangsgesprekken dat de gemeente met de inburgeringsplichtige heeft gedurende het traject; wanneer de inburgeringsplichtige in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering: een verwijzing naar de relevante beschikking(
  3. en)op grond van de Participatiewet. Het gaat hierbij om een verwijzing naar de toekenningsbeschikking van de uitkering voor levensonderhoud en het financieel ontzorgen (voor asielstatushouders) en om de beschikking waarin de arbeids- en reintegratieverplichtingen van de inburgeringsplichtige staan vermeld. 4.De beschikkingen op grond van de Participatiewet - genoemd in artikel 3.7.6 onder g - worden gevoegd bij de beschikking waarmee het PIP wordt vastgesteld. Als de gemeente op een later moment (nog) een besluit neemt op grond van de Participatiewet, voegt de gemeente ook deze beschikking bij. 5.De gemeente stelt het PIP uiterlijk binnen 10 weken vast na inschrijving van de inburgeringsplichtige in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het azc. De gemeente stuurt de inburgeringsplichtige het PIP daarna zo snel mogelijk per post en/of digitaal toe. 6.Wanneer de inburgeringsplichtige voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Waddinxveen, stelt de gemeente het PIP opnieuw vast binnen 10 weken na de inschrijving van de inburgeringsplichtige in het BRP. De leerroute die daarbij wordt vastgesteld is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld. 3.8.7Leerroutes 1.De gemeente bepaalt samen met de inburgeringsplichtige welke leerroute de inburgeringsplichtige moet volgen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Er zijn 3 routes: de B1-route; de onderwijsroute; de zelfredzaamheidsroute (Z-route). 2.De leerroute is erop gericht dat de inburgeringsplichtige: de Nederlandse taal op een zo hoog mogelijk niveau afrondt; zo snel mogelijk meedoet in de Nederlandse samenleving en op de arbeidsmarkt. 3.Een alfabetiseringstraject is onderdeel van de leerroute als uit de brede intake blijkt dat de inburgeringsplichtige analfabeet of anders gealfabetiseerd is. 4.De gemeente stelt de leerroute vast op basis van: de uitkomst van de leerbaarheidstoets; alle overige informatie die tijdens de brede intake is verkregen. 3.8.8Inhoud van de leerroutes De gemeente zorgt ervoor dat de inhoud van de leerroutes aansluit op de overige onderdelen van het inburgeringstraject. 3.8.9Participatieverklaringstraject 1.De gemeente biedt de inburgeringsplichtige het PVT aan. Het traject duurt minimaal 12 uur en bestaat uit twee onderdelen: een inleiding in de Nederlandse Uitgangspunten; de ondertekening van de participatieverklaring (zoals omschreven in bijlage 1 van het Besluit). 2.De inburgeringsplichtige doet in het onderdeel ‘Inleiding in de Nederlandse Uitgangspunten’ kennis op van de belangrijkste waarden, sociale regels en grondrechten in Nederland. Het doel hiervan is het krijgen van een beter beeld van en begrip voor de Nederlandse samenleving. De gemeente bepaalt de manier waarop deze kennis wordt overgedragen. 3.Onderwerpen waaraan het PVT aandacht besteedt zijn in ieder geval: het thema democratie; de Nederlandse rechtsstaat; het recht op zelfbeschikking; de vrijheid van meningsuiting; gelijkwaardige behandeling; het verbod op discriminatie; sociale rechten, zoals het recht op medische zorg en onderwijs; de wijze waarop inwoners in Nederland met elkaar omgaan; participatie en wat de samenleving hiervan verwacht; overige sociale regels en plichten in Nederland. 4.Minimaal één van de onderwerpen van het PVT krijgt een praktische invulling in de vorm van een excursie of activiteit. Door deze activiteit leert de inburgeringsplichtige de opgedane kennis te vertalen naar de praktijk. 5.De gemeente stemt het PVT af op de lokale situatie en behoefte, op de overige onderdelen van de inburgering en op de specifieke behoeften van de inburgeringsplichtige. 6.De inburgeringsplichtige voltooit het PVT en sluit het af met de ondertekening van de participatieverklaring. Dit gebeurt tijdens een ondertekenmoment. De gemeente stuurt de inburgeringsplichtige hiervoor een uitnodiging. 7.De gemeente registreert of de inburgeringsplichtige aanwezig is bij de inleiding op de Nederlandse Uitgangspunten en bij de ondertekening van de participatieverklaring. 8.De gemeente legt de afspraken over de invulling van het PVT schriftelijk vast in het PIP van de inburgeringsplichtige. 3.8.10Module Arbeidsmarkt en Participatie 1.De gemeente biedt de inburgeringsplichtige de MAP aan. Het doel van deze module is dat de inburgeringsplichtige: kennismaakt met de Nederlandse arbeidsmarkt; inzicht krijgt in de eigen competenties en arbeidskansen; een concrete beroepswens formuleert; beroeps- en werknemerscompetenties aanleert; leert hoe hij of zij een netwerk opbouwt; praktische ervaring opdoet op de (lokale) arbeidsmarkt; werk vindt. 2.De gemeente houdt bij het vaststellen van de inhoud en het aantal uren van de MAP rekening met de vermogens, capaciteiten en ontwikkelbehoeften van de inburgeringsplichtige en de situatie op de lokale arbeidsmarkt. 3.De gemeente legt de afspraken over de invulling van de MAP schriftelijk vast in het PIP van de inburgeringsplichtige. 4.De inburgeringsplichtige besteedt tenminste 40 uur van de MAP aan het opdoen van praktische ervaring op de arbeidsmarkt. 5.De MAP wordt afgesloten met een eindgesprek tussen de inburgeringsplichtige en de gemeente. Besproken worden de opgedane kennis, vaardigheden en praktijkervaring van de inburgeringsplichtige. 6.De gemeente beoordeelt op basis van dit gesprek of de inburgeringsplichtige voldoet aan de doelstelling en gestelde urennorm van de MAP. De gemeente houdt bij deze beoordeling rekening met de capaciteiten en vermogens van de inburgeringsplichtige. 7.De inburgeringsplichtige ontvangt een schriftelijk verslag van het eindgesprek. 3.8.11Inburgeringsaanbod asielstatushouders 1.De gemeente biedt de asielstatushouder zo spoedig mogelijk na vaststelling van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee de asielstatushouder kan voldoen aan de vastgestelde leerroute. 2.Met het inburgeringsaanbod kan de asielstatushouder: de Nederlandse taal leren op het voor hem of haar hoogst mogelijke niveau; kennis opdoen over de Nederlandse maatschappij zoals over normen en waarden, omgangsregels, de Nederlandse geschiedenis, het onderwijssysteem en de gezondheidszorg; zich voorbereiden op actieve participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. 3.Het inburgeringsaanbod sluit aan bij de capaciteiten, persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de asielstatushouder. 3.8.12Kwaliteit van het inburgeringsaanbod en de leerroutes 1.Voor de kwaliteit van het inburgeringsaanbod voor asielstatushouders gelden de volgende uitgangspunten: De gemeente zorgt voor een kwalitatief goed aanbod aan cursussen, opleidingen en andere (participatie)activiteiten waarmee de asielstatushouder aan de leerroute kan voldoen. De gemeente zorgt ook voor continuïteit in het aanbod. Cursusinstellingen die het taalonderwijs binnen de B1-route en de Z-route verzorgen moeten in het bezit zijn van een certificaat of keurmerk (zoals bedoeld in artikel 16 lid 3 van de wet). Taalschakeltrajecten moeten voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 8 lid 2 van de wet. 2.De gemeente legt in een beleidsregel aanvullende kwaliteitscriteria vast voor het inburgeringsaanbod aan asielstatushouders. Dit zijn bijvoorbeeld: het minimum aantal contacturen dat de inburgeringsplichtige per week heeft met docenten en begeleiders; de maximale groepsgrootte bij de inburgeringscursussen; de wijze waarop de cursusinstellingen de gemeente informeren over de voortgang van de inburgeringsplichtige; en de combinatie van formeel en informeel onderwijs. 3.De gemeente legt in een beleidsregel vast hoe zij de kwaliteit van het inburgeringsaanbod aan asielstatushouders en de leerroutes gaat controleren en wat zij doet als de kwaliteit onvoldoende is. 3.8.13Voortgang inburgering 1.De gemeente volgt de vorderingen van de inburgeringsplichtige tijdens het inburgeringstraject en controleert of het traject nog passend is. De gemeente voert hiervoor periodiek voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtige zolang het inburgeringstraject loopt. Het aantal gesprekken gedurende het inburgeringstraject wordt afgestemd op het niveau van de inburgeringsplichtige (maatwerk). 2.Gedurende de eerste 12 maanden na aanvang van de inburgeringstermijn vinden minimaal 2 voortgangsgesprekken plaats. 3.Ter voorbereiding op deze gesprekken wint de gemeente informatie in bij de organisaties die bij het traject betrokken zijn, zoals cursusinstellingen, werkgevers en andere personen. 4.Tijdens het gesprek komen de afspraken uit het PIP aan bod. Met de inburgeringsplichtige wordt besproken of de onderdelen nog aansluiten bij de capaciteiten, de behoeften en de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Het gaat daarbij om: de afgesproken leerroute; de ondersteuning en begeleiding tijdens het inburgeringstraject; de intensiteit van de verschillende onderdelen van het traject; de participatie-activiteiten; de vorderingen en inzet van de inburgeringsplichtige; voor de inburgeringsplichtige die de B1-route volgt: of het taalniveau van deze leerroute voldoende aansluit. 5.De gemeente kan een andere leerroute vaststellen als sinds de start van de inburgeringstermijn, - zoals bedoeld in artikel 11 eerste lid van de wet - nog geen 1,5 jaar verstreken is. Wegens bijzondere omstandigheden van de inburgeringsplichtige kan van deze termijn worden afgeweken. 6.Op basis van de uitkomst van een voortgangsgesprek kan de gemeente voor de inburgeringsplichtige die de B1-route volgt, bepalen dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden getoetst. Dit kan alleen wanneer de inburgeringsplichtige: ten minste 600 uren taalles heeft gevolgd bij een instelling die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in artikel 32 van de wet; zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen, zoals onder andere de betrokken cursusinstelling aangeeft; 7.De gemeente maakt een verslag van ieder voortgangsgesprek en deelt dit met de inburgeringsplichtige. 8.Op basis van de uitkomst van deze gesprekken past de gemeente zo nodig (onderdelen van) het PIP aan en stelt dan het PIP opnieuw per beschikking vast. 3.8.14Maatschappelijke begeleiding van de asielstatushouder 1.De gemeente zorgt ervoor dat de asielstatushouder maatschappelijke begeleiding krijgt. Deze begeleiding is erop gericht: de asielstatushouder kennis over de praktische organisatie van de Nederlandse samenleving te geven; de asielstatushouder te begeleiden en te ondersteunen om daarmee zijn of haar zelfredzaamheid en participatie te vergroten; randvoorwaarden te scheppen zodat de asielstatushouder tijdig met het inburgeringstraject kan starten. 2.De maatschappelijke begeleiding bestaat in ieder geval uit: praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen zoals wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen en onderwijs; een kennismaking met de woonomgeving; passende voorlichting over de basisvoorzieningen in de Nederlandse samenleving; een kennismaking met maatschappelijke organisaties die voor de inburgeringsplichtige van belang zijn. 3.De maatschappelijke begeleiding komt van medewerkers van een organisatie die hiervoor door de gemeente is aangewezen. De asielstatushouder krijgt waar mogelijk een vaste begeleider toegewezen. 4.De begeleiding start zo spoedig mogelijk na koppeling van de asielstatushouder aan de gemeente, maar in ieder geval op de dag dat de asielstatushouder in de basisregistratie personen (BRP) in de gemeente staat ingeschreven en in de gemeente woont. 5.De gemeente stemt de inhoud en duur van de maatschappelijke begeleiding af op het startniveau, de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de asielstatushouder. 3.8.15Handhaving 1.De inburgeringsplichtige is verplicht om: na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 2.De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute. 3.8.16Handhaving verplichtingen bij de brede intake 1.Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken te verschijnen. 2.Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit. 3.Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid om dit binnen 2 weken alsnog te doen. 4.De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 5.De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. 6.In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit. 3.8.17Handhaving tijdens het inburgeringstraject 1.De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. 2.De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. 3.Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid hierover binnen twee weken uitleg te geven. 4.Op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke uitleg bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit. 5.De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 3.8.18Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet 1.Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP - waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt -, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. Het gaat hierbij om verplichtingen en afspraken anders dan in het aanbod in de MAP. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de wet op. 2.Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP - waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP-, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de wet op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering niet. 3.Bij de keuze tussen
  4. i)handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en
  5. ii)handhaving op grond van de wet via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde doel. Dit doel is het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. 4.In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet. 5.Wanneer de inburgeringsplichtige een boete op grond van de wet wordt opgelegd in de periode dat de gemeente verantwoordelijk is voor het financieel ontzorgen - op grond van artikel 56a Participatiewet-, dan kan de gemeente de boete met de uitkering verrekenen. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 4.Gezond en veilig opgroeien Jeugdigen moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op hulp van de gemeente. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Uitgangspunten: De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De inwoner zoekt samen met de gemeente naar een oplossing voor de problemen van de inwoner. De gemeente biedt hulp aan inwoners om problemen zo vroeg mogelijk op te lossen. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat. [Jeugdwet] 4.1Algemene voorzieningen jeugd De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken zijn in ieder geval de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: informatie en (opvoed)advies door het CJG; algemeen maatschappelijk werk; jeugdgezondheidszorg; opvoedondersteuning; integrale crisisdienst; vertrouwenspersoon; kindertelefoon; schoolmaatschappelijk werk. Deze hulp is vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft hiervoor geen verwijzing of een besluit van de gemeente nodig. 4.2Individuele voorzieningen (Hulp-op-maat) De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar : Jeugdzorg plus; Jeugdbescherming; Jeugdreclassering; Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp; dagbesteding; individuele- en dagbehandeling; logeeropvang verblijf pleegzorg; verblijf 24-uurs zorg; spoedeisende zorg (ambulant en verblijf); vervoer; ernstig enkelvoudige dyslexie zorg. Jeugd GGZ, tweedelijns met en zonder verblijf. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig. 4.3Overgang van 18- naar 18+ In geval de hulpvraag van een jongere in de jeugdhulp na 18 jaar blijft bestaan, is de zorgaanbieder, in samenwerking met de jongere, verantwoordelijk voor een Toekomstplan. Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: scholing, werk of participatie; wonen; inkomen; zorg en ondersteuning; vrije tijd; het netwerk van de jeugdige. Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan verlengd worden tot en met maximaal het 23e levensjaar. De jeugdhulp moet gestart zijn voor het 18e levensjaar en maximaal 6 maanden na afronding na het 18e levensjaar opnieuw starten. Pleegzorg kan worden ingezet tot de dag dat de jeugdige 21 jaar wordt. De jeugdzorg kan eventueel worden verlengd totdat de jeugdige 23 jaar wordt. 4.4Kinderopvang om sociaal-medische redenen (SMI) Een inwoner kan een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang voor een thuisinwonend kind van maximaal 12 jaar (dan wel de laatste groep van de basisschool) als is vastgesteld dat : één of meer lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke of psychische beperkingen van de ouder opvang van het kind of de kinderen noodzakelijk maken; kinderopvang voor een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is; voorliggende voorzieningen of eigen netwerk geen passende oplossing kunnen bieden. De bijdrage kan verstrekt worden voor maximaal 12 weken en voor maximaal 2 dagdelen van 4 uur per week. Overige voorwaarden zijn te vinden in de Beleidsregels Sociaal Medische Indicatie. 5.Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psycho-sociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven. Uitgangspunten: De inwoner en de gemeente zoeken samen naar een langdurige oplossing voor de problemen van de inwoner. Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar. [Wmo] 5.1Uitgangspunten De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Dat zij de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. 5.2Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1Geschikte woning 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is (woonvoorziening). De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2.Voor het bezoekbaar maken van de woningen van inwoners die (tijdelijk) in instellingen verblijven, verstrekt de gemeente een geldbedrag. Deze vergoeding is gelijk aan de verhuiskostenvergoeding. De hoogte van deze bijdrage wordt vastgesteld door de gemeente en is terug te vinden in het tarievenoverzicht. 3.Als de kosten van de woonvoorzieningen gelijk zijn aan of hoger zijn dan de verhuiskostenvergoeding, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning. Een verhuiskostenvergoeding kan worden afgegeven in acute situaties, waarbij de inwoner onvoorzien en plots moet verhuizen. 4.In het geval van een tekort aan geschikte woningen in de gemeente, kan afgeweken worden van de maximale vergoeding voor een woningaanpassing en wordt er maatwerk toegepast. De verhuisplicht kan dan komen te vervallen. 5.Een verhuiskostenvergoeding kan worden afgegeven in acute situaties, waarbij de inwoner onvoorzien en plots moet verhuizen. De hoogte van deze bijdrage wordt vastgesteld door de gemeente en is terug te vinden in het tarievenoverzicht. 6.De gemeente verstrekt geen woonvoorzieningen in de volgende situaties: De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort - bijvoorbeeld een complex voor ouderen - en de voorziening is bedoeld voor gemeenschappelijke ruimten zoals elektrische deuropeners. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw en renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. De inwoner zonder dringende reden verhuisd is vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. De inwoner een indicatie heeft voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg. De inwoner verhuisd is naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, mits de gemeente daar toestemming voor heeft verleend. 7.Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als: de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om. 5.2.2Een schone en leefbare woning 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. 2.De hulp op maat houdt in dat de inwoner schoonmaakhulp aangeboden krijgt. 3.Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 4.Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, wordt gebruik gemaakt van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 in de meest recente versie en met de laatste aanvullingen (laatste 2022). 5.2.3Beschermd wonen 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen en voor de inwoner sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Bij beschermd wonen heeft de inwoner permanent toezicht nodig. De maatwerkvoorziening Beschermd wonen moet een passende bijdrage leveren aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk (weer) op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.De toegang voor beschermd wonen vindt plaats via de gemeente Gouda. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van de gemeente Gouda. 3.Er wordt geen voorziening beschermd wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is. 5.2.4Maatschappelijke opvang 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en de opvang nodig heeft omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. 2.De toegang voor maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp van de gemeente Gouda, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Gouda. 5.2.5Beschut wonen 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp- op-maat kan krijgen in de vorm van beschut wonen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom op deze specialistische plekken te voorkomen. Beschut wonen is een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. De inwoner kan in aanmerking komen voor beschut wonen als de inwoner 18 jaar of ouder is en door psychiatrische problematiek, lvb-problematiek, verslaving of een combinatie hiervan niet zelfstandig kan wonen. Er 24-uurs bereikbaarheid nodig en de hulpvraag van de cliënt kan worden uitgesteld. 2.Er wordt geen voorziening beschut wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is. 5.2.6Gewoon Thuis 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp- op-maat kan krijgen in de vorm van Gewoon Thuis. 2.Gewoon thuis is een vorm van intensieve begeleiding die gelijkwaardig is aan een beschermende woonomgeving, maar dan thuis. Cliënten kunnen hierbij 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding, maar wonen zelfstandig. 5.2.7Jongeren onder Dak 1.De gemeente zorgt ervoor dat aan dak- en thuisloze jonge inwoners in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar opvang, begeleiding en ondersteuning wordt geboden, waarbij wordt gestreefd naar vergroting van de persoonlijke omstandigheden en groei naar zelfredzaamheid. Deze ondersteuning wordt geboden aan de jongeren die beperkt zelfredzaam zijn en daardoor niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk kunnen herstellen. 2.De toegang voor maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp van de gemeente Gouda, zoals vastgesteld door de gemeenteraad. 5.3Mantelzorg 5.3.1Ondersteuning mantelzorger De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-op-maat kunnen krijgen als het voor een korte periode niet meer lukt om de mantelzorg te geven en de zorg niet overgenomen kan worden door vrijwilligers of een voorliggende voorziening. De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen door een betaalde kracht (professional). 5.3.2Mantelzorgwaardering De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een gezondheidsbeperking die wonen in de gemeente Waddinxveen. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers te onderstrepen. 5.3.3Voorwaarden mantelzorgwaardering 1.Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door degene die mantelzorg verleent, degene die mantelzorg ontvangt of door een naaste. Om in aanmerking te komen voor een mantelzorgwaardering moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden: de mantelzorger zorgt in ieder geval voor een periode van 3 maanden en voor tenminste gemiddeld 8 uur per week onbetaald voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, familielid, kind of vriend(in); de persoon die zorg krijgt is een inwoner van de gemeente Waddinxveen. 2.De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd voor 1 november. 3.De mantelzorgwaardering heeft betrekking op de periode vanaf 1 november van het voorgaande jaar tot en met 31 oktober van het lopende kalenderjaar. 6.Vervoer naar school Iedere leerling heeft recht op onderwijs dat past bij zijn of haar mogelijkheden en dat aansluit bij de godsdienst of levensbeschouwing van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school te groot voor de leerling of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan mogelijk een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school. Uitgangspunten: Uitgangspunt van de regeling en volgorde van beoordeling is een vergoeding op basis van fiets, het openbaar vervoer (eventueel met begeleiding) of eigen vervoer. Leerlingen hebben recht op onderwijs dat bij hun mogelijkheden past. Leerlingen moeten veilig kunnen reizen naar de school die aansluit bij de godsdienst of levensbeschouwing van de ouders. Ouders zijn verantwoordelijk dat hun kind naar school gaat, de gemeente ondersteunt. Aangepast vervoer wordt alleen toegekend als er geen andere mogelijkheden zijn. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. [Llv] 6.1Algemene bepalingen De gemeente ondersteunt ouders als dat nodig is bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp is erop gericht dat leerlingen naar de school kunnen gaan die past bij hun mogelijkheden, en die aansluit bij de godsdienst of levensbeschouwing van de ouders. Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat hun kind naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of een vervoersvoorziening voor de leerling noodzakelijk is. Een grote mate van eigen inzet mag van ouders verwacht worden. De gemeente verwacht dat ouders bij de aanvraag tot een vervoersvoorziening aangeven op welke wijze zij zelf (voor een deel) invulling geven aan de van hun verwachte eigen inzet, dan wel motiveren waarom zij zelf geen eigen inzet kunnen leveren bij het organiseren van het vervoer van hun kind. Het hebben van werk of meerdere schoolgaande kinderne wordt niet als een belemmering gezien. Ouders krijgen hulp bij het ve

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.