Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen Samenredzaam 2025De raad van de gemeente Waddinxveen; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen, gelet op de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Wet zorg en dwang, de Wet inburgering 2021 en de Gemeentewet; besluit: vast te stellen Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen Samenredzaam 2025 Samenvatting De Verordening Sociaal Domein 2025 van Waddinxveen legt uit hoe de gemeente haar inwoners helpt om goed mee te doen in de maatschappij. De regels gaan over werken, opvoeding, wonen, inburgering en hulp bij schulden of zorg. Het doel is dat iedereen zo zelfstandig mogelijk kan leven. De gemeente werkt samen met andere organisaties om dit goed te regelen. Ze kijken naar wat je zelf kunt doen en of er hulp is van mensen om je heen. Als dat niet genoeg is, zorgt de gemeente voor passende ondersteuning. Met deze regels wil de gemeente ervoor zorgen dat iedereen in Waddinxveen een kans krijgt om mee te doen en zelfstandig te blijven, op een manier die bij hen past. Deze samenvatting legt uit waar de verordening sociaal domein over gaat. Er wordt per hoofdstuk uitgelegd wat hier in staat en wat je als inwoner kunt aanvragen. In de verordening wordt gesproken over uitgangspunten. Hiermee bedoelen we de basisprincipes waarop de wetten worden uitgevoerd. Hoofdstuk 1 Inleiding Als je hulp nodig hebt, kun je dit melden bij de gemeente. Samen met een vaste contactpersoon wordt gekeken wat je nodig hebt. Er wordt een plan gemaakt om je verder te helpen. Dit kan bijvoorbeeld ondersteuning zijn om werk te vinden, hulp bij opvoeding, of aanpassingen in je huis zodat je er veilig kunt wonen. Hoofstuk 2 De Hulpvraag Wanneer een inwoner hulp nodig heeft, volgt er een zorgvuldig proces om te bepalen welke ondersteuning passend is. Dit begint met een gesprek nadat de inwoner zijn hulpvraag heeft gemeld. Tijdens dit gesprek probeert de gemeente samen met de inwoner een volledig beeld te krijgen van de situatie. Hierbij worden alle belangrijke aspecten van het dagelijks leven besproken, zoals woonomstandigheden, financiën, gezondheid en sociale relaties. Na het gesprek wordt er een ondersteuningsplan opgesteld. Hierin staat wat er besproken is, welke doelen er zijn en hoe de gemeente kan helpen. Dit plan wordt naar de inwoner gestuurd en moet worden ondertekend. Als de inwoner het niet eens is met het plan, kan hij dat aangeven. Aanvraagprocedure Met de ondertekening van het ondersteuningsplan wordt de aanvraag officieel. Dit geldt niet voor alle soorten hulp, zoals de Jeugdwet en de Participatiewet. Bij aanvragen voor hulp-op-maat gelden enkele voorwaarden: de hulp moet noodzakelijk zijn, en er moet worden aangetoond dat de inwoner zelf of via zijn netwerk geen oplossing kan vinden. De gemeente kiest voor de meest goedkope oplossing die voldoende helpt. Tijdens het beoordelen van de aanvraag worden alle belangrijke gegevens besproken, zoals de behoeften, mogelijkheden en beperkingen van de inwoner. Er wordt ook gekeken naar de rol die het sociale netwerk kan spelen. De gemeente hanteert een duidelijke structuur om te bepalen of en welke hulp wordt verleend. Beslissingen en Uitzonderingen Na het beoordelen van de aanvraag neemt de gemeente een besluit. Dit besluit, een beschikking genoemd, legt vast welke hulp wordt geboden en onder welke voorwaarden. Dit kan in de vorm van directe ondersteuning, een persoonsgebonden budget (pgb), of financiële hulp. De inwoner wordt geïnformeerd over de bijdrage in de kosten als die er zijn. Voor spoedeisende situaties kan de gemeente direct handelen om de nodige hulp te bieden, zonder het gebruikelijke proces volledig te volgen. In sommige gevallen, zoals bij jeugdhulp, kunnen ook andere partijen zoals scholen of huisartsen een verwijzing doen. Hoofdstuk 3 Werk en Participatie Hoofdstuk 3 van de verordening richt zich op het ondersteunen van inwoners bij werk en participatie. Het uitgangspunt is dat iedereen naar vermogen meedoet in de samenleving. Voor sommige inwoners betekent dit betaald werk, terwijl anderen deelnemen via vrijwilligerswerk of activiteiten die bijdragen aan sociale activering. De gemeente helpt inwoners die moeite hebben om zelf werk te vinden, zoals mensen met een uitkering of een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Er zijn verschillende manieren waarop deze ondersteuning wordt geboden: Algemene hulp Dit is hulp die alle inwoners van de gemeente Waddinxveen kunnen gebruiken. Dit kan gaan om het volgen van een opleiding, het volgen van een traject om werkervaring op te doen, Hulp voor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ook is er hulp voor inwoners die moeite hebben met het vinden van werk. Hiervoor is speciale ondersteuning. Dit doen we door bijvoorbeeld een traject voor sociale activering, een participatieplaats of ondersteuning van een werkgever. Beschut Werk en ondersteuning Voor inwoners die alleen kunnen werken in een aangepaste omgeving, biedt de gemeente beschutte werkplekken. Deze werkplekken worden aangepast aan de persoonlijke mogelijkheden van de werknemer, zoals speciale begeleiding of aangepaste werkplekken. Daarnaast kan de gemeente loonkostensubsidie bieden aan werkgevers die kwetsbare mensen een kans geven. Dit verlaagt de drempel voor werkgevers om mensen met minder kansen in dienst te nemen. Jobcoaching en begeleiding Inwoners die extra hulp nodig hebben op de werkplek, kunnen gebruik maken van persoonlijke ondersteuning zoals jobcoaching. Dit helpt hen om hun werk goed uit te voeren en hun positie op de arbeidsmarkt te behouden of verbeteren. Financiële ondersteuning De gemeente biedt financiële regelingen om werken aantrekkelijker te maken. Bijvoorbeeld via een uitstroompremie voor mensen die een betaalde baan vinden, of door een deel van het inkomen vrij te laten bij deeltijdwerk. Ook kunnen er reiskostenvergoedingen worden verstrekt voor werk- en opleidingsdoeleinden. Samenwerking en maatwerk De gemeente werkt samen met verschillende organisaties, zoals UWV, werkgevers en regionale initiatieven, om inwoners te helpen. Het aanbod van hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de inwoner. Met dit hoofdstuk benadrukt de gemeente dat participatie voor iedereen belangrijk is. Door maatwerk en verschillende vormen van ondersteuning te bieden, helpt de gemeente inwoners om actief bij te dragen aan de samenleving, op een manier die bij hen past. Inburgering De gemeente speelt een centrale rol in het inburgeringstraject, waarbij vijf kernpunten gelden: Tijdige start: De gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige snel kan beginnen. Snelheid: Het traject wordt binnen drie jaar afgerond en duurt niet langer dan nodig. Maatwerk: Er wordt een passend traject vastgesteld voor elke inburgeringsplichtige. Dualiteit: Activiteiten voor taal leren en maatschappelijke participatie worden gecombineerd. Kwaliteit: De gemeente waarborgt de kwaliteit en continuïteit van het trajectaanbod. Brede intake De gemeente voert een brede intake uit om een compleet beeld te krijgen van de startpositie en ontwikkelingsmogelijkheden van de inburgeringsplichtige. De intake vindt zo snel mogelijk plaats, bij voorkeur bij inschrijving in de gemeente. Voor asielstatushouders gebeurt dit bij koppeling aan de gemeente. De intake brengt minimaal in kaart: Het taalniveau, participatiemogelijkheden, zelfredzaamheid en wensen van de inburgeringsplichtige. Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) Na de brede intake stelt de gemeente samen met de inburgeringsplichtige het PIP op. Dit document bevat: De leerroute, einddoelen, rechten en plichten, en verwachtingen van beide partijen. Afspraken over ondersteuning, begeleiding, participatie, en voorschoolse educatie. Een overzicht van voortgangsgesprekken en de trajectduur. Leerroutes Er zijn 3 leerroutes: B1-route: Gericht op het behalen van taalniveau B1 Onderwijsroute: Voor jongeren die doorstromen naar een vervolgopleiding. Zelfredzaamheidsroute (Z-route): Voor inburgeringsplichtigen die gericht zijn op maatschappelijke zelfredzaamheid. De keuze van de leerroute is gebaseerd op de leerbaarheidstoets en de brede intake. De inhoud van de leerroutes sluit aan bij andere onderdelen van het inburgeringstraject en is afgestemd op de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Inburgeringsaanbod voor asielstatushouders De gemeente biedt een passend inburgeringsaanbod aan asielstatushouders dat aansluit op de leerroute en gericht is op: Het leren van de Nederlandse taal. Kennis over de maatschappij (normen, waarden, geschiedenis, onderwijs, gezondheidszorg). Voorbereiding op participatie in samenleving en arbeidsmarkt. Voortgang inburgering De gemeente monitort de voortgang van inburgeringsplichtigen via regelmatige voortgangsgesprekken (minimaal twee in het eerste jaar). Tijdens deze gesprekken wordt beoordeeld of het traject en de afspraken in het PIP nog passend zijn. Als het nodig is kan een andere leerroute worden vastgesteld binnen 1,5 jaar na de start van het traject. De gemeente biedt maatschappelijke begeleiding aan asielstatushouders om hun zelfredzaamheid en participatie te bevorderen en hen voor te bereiden op het inburgeringstraject. De begeleiding start bij inschrijving in de gemeente en wordt afgestemd op de behoeften van de asielstatushouder. Handhaving van inburgeringsverplichtingen De gemeente handhaaft de naleving van de inburgeringsverplichtingen door middel van waarschuwingen en boetes. Inburgeringsplichtigen moeten meewerken aan de brede intake, voortgangsgesprekken en activiteiten in het PIP. Asielstatushouders zijn verplicht deel te nemen aan taallessen en leerroutes. Hoofdstuk 4 Gezond en Veilig Opgroeien Hoofdstuk 4 van de verordening richt zich op de ondersteuning van kinderen, jongeren en gezinnen om gezond en veilig op te groeien. Het doel is om kinderen een goede basis te bieden voor hun ontwikkeling en hen te helpen om volwaardig mee te doen in de samenleving. Algemene voorzieningen en Jeugd De gemeente biedt diverse algemene voorzieningen die voor iedereen toegankelijk zijn, zoals preventieve hulp en ondersteuning voor gezinnen. Deze voorzieningen zijn gericht op het voorkomen van problemen en het versterken van de eigen kracht van gezinnen. Individuele voorzieningen (Hulp op Maat) Voor kinderen en jongeren met specifieke behoeften kan de gemeente individuele ondersteuning bieden. Dit omvat bijvoorbeeld gespecialiseerde jeugdhulp of begeleiding. Het uitgangspunt is dat deze hulp zoveel mogelijk aansluit bij de situatie en behoeften van het kind en het gezin. De hulp-op-maat is tijdelijk en gericht op het vergroten van zelfredzaamheid. Overgang van 18- naar 18+ Bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar verandert er veel in de ondersteuning die jongeren ontvangen. De gemeente begeleidt jongeren tijdens deze overgang om ervoor te zorgen dat zij zelfstandig verder kunnen, bijvoorbeeld door hulp bij scholing, werk of wonen. Kinderopvang om Sociaal-Medische Redenen De gemeente kan kinderopvang financieren voor ouders die dit nodig hebben vanwege medische of sociale redenen. Dit is bedoeld om ouders te ontlasten en hen te ondersteunen bij het op orde houden van hun persoonlijke situatie. Met deze regelingen zorgt de gemeente ervoor dat kinderen in Waddinxveen gezond, veilig en met de juiste ondersteuning kunnen opgroeien, terwijl gezinnen de hulp krijgen die zij nodig hebben om problemen te voorkomen of op te lossen. Hoofdstuk 5 Wonen in een Veilige en Gezonde Omgeving Hoofdstuk 5 van de verordening richt zich op het maken van een veilige, gezonde en passende woonomgeving voor inwoners van Waddinxveen. De gemeente helpt inwoners om zelfstandig te wonen en biedt ondersteuning aan mensen die hier moeite mee hebben. Zelfstandig en Veilig Wonen Voor inwoners die hulp nodig hebben bij het zelfstandig wonen, biedt de gemeente ondersteuning zoals: Aanpassingen in de woning om deze geschikt te maken voor mensen met een beperking. Hulp bij een schone en leefbare woning, bijvoorbeeld als huishoudelijke taken niet zelfstandig uitgevoerd kunnen worden. Beschermd wonen, voor mensen die intensieve begeleiding nodig hebben vanwege psychische of sociale problemen. Maatschappelijke opvang, voor inwoners die tijdelijk geen thuis hebben. Mantelzorgondersteuning De gemeente erkent de waarde van mantelzorgers en biedt hen ondersteuning en waardering. Dit kan bestaan uit praktische hulp, advies of een financiële vergoeding (mantelzorgwaardering). Mantelzorgers moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Specifieke Regelingen De gemeente heeft ook aandacht voor speciale doelgroepen zoals jongeren zonder vaste woonplek ("Jongeren onder Dak") en ouderen die veilig en zelfstandig thuis willen blijven wonen. Door maatwerk en ondersteuning biedt de gemeente oplossingen voor inwoners die hulp nodig hebben bij het wonen. Zo kunnen zij een goed en zelfstandig leven leiden in hun eigen omgeving. Hoofdstuk 6 Vervoer naar School Hoofdstuk 6 van de verordening beschrijft de ondersteuning die de gemeente biedt aan leerlingen en hun ouders om passend vervoer naar school mogelijk te maken. Het doel is om ervoor te zorgen dat kinderen naar een school kunnen gaan die bij hen past, ongeacht eventuele beperkingen of bijzondere omstandigheden. De gemeente biedt vervoersvoorzieningen aan leerlingen die door een beperking of een andere reden niet zelfstandig of met regulier openbaar vervoer naar school kunnen reizen. Dit geldt voor leerlingen die onderwijs volgen op een school die past bij hun specifieke situatie. Onderzoek en Voorwaarden Bij het toekennen van een vervoersvoorziening onderzoekt de gemeente: De noodzaak van de voorziening, zoals medische of sociale omstandigheden. De afstand tussen de woning en de school. Alternatieve mogelijkheden, zoals ondersteuning vanuit het netwerk van de leerling. Bijzondere Regelingen De gemeente biedt speciale regelingen voor: Weekend- en vakantievervoer, als dit noodzakelijk is. Het bekostigen van eigen vervoer, waarbij ouders een vergoeding kunnen krijgen als zij zelf het vervoer van hun kind organiseren. Vorm en Hoogte van de Voorziening De vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit: Vergoeding van kosten voor eigen vervoer. Gebruik van speciaal vervoer zoals een deeltaxi of bus. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de gemaakte kosten of volgens de richtlijnen van de gemeente. Duur en Ingangsdatum De voorziening wordt toegekend voor een periode die aansluit bij de onderwijsduur en wordt aangepast wanneer de situatie van de leerling verandert. Met deze regeling ondersteunt de gemeente leerlingen en hun ouders, zodat kinderen ondanks eventuele beperkingen toegang hebben tot onderwijs dat aansluit bij hun behoeften. Hiermee wordt bijgedragen aan hun ontwikkeling en kansen in de maatschappij. Hoofdstuk 7 Inkomen en Schulden Hoofdstuk 7 van de verordening richt zich op het ondersteunen van inwoners met een laag inkomen of financiële problemen. De gemeente biedt diverse regelingen en voorzieningen om armoede te bestrijden, financiële zelfredzaamheid te bevorderen en problematische schulden aan te pakken. Armoedebeleid De gemeente wil dat alle inwoners kunnen meedoen aan de samenleving, ook als zij een laag inkomen hebben. Hiervoor zijn verschillende regelingen beschikbaar, zoals bijdragen voor maatschappelijke kosten, schoolkosten en zorgkosten. Bijdrage voor Maatschappelijke en Schoolkosten De gemeente biedt bijdragen voor maatschappelijke participatie, zoals sportactiviteiten, en voor schoolkosten om ervoor te zorgen dat kinderen kunnen deelnemen aan onderwijs en sociale activiteiten. Zorgkosten Er zijn regelingen voor inwoners met hoge zorgkosten, zoals: Deelname aan een collectieve zorgverzekering via de gemeente. Bijdragen voor mensen met een chronische ziekte of beperking. Bijzondere Bijstand Voor inwoners die onverwachte en noodzakelijke kosten hebben die zij niet zelf kunnen betalen, biedt de gemeente bijzondere bijstand. Dit is maatwerk en afhankelijk van de persoonlijke situatie. Inkomenstoeslag en studietoeslag Inwoners met een laag inkomen kunnen recht hebben op aanvullende toeslagen: Individuele studietoeslag: Voor studenten met een beperking die niet volledig kunnen werken naast hun studie. Individuele inkomenstoeslag: Voor inwoners die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Schuldhulpverlening De gemeente helpt inwoners die problematische schulden hebben door: Toegang te bieden tot schuldhulpverlening. Samen met de inwoner een plan te maken om financiële problemen op te lossen. Te beoordelen of schuldhulpverlening wordt toegekend en hoe deze wordt uitgevoerd. Met deze regelingen en voorzieningen wil de gemeente inwoners met financiële problemen ondersteunen, zodat zij een stabielere basis krijgen en beter kunnen deelnemen aan de samenleving. Het beleid is gericht op maatwerk en het aanpakken van armoede en schulden. Hoofdstuk 8 De Vorm van de Hulp Hoofdstuk 8 van de verordening beschrijft de verschillende vormen waarin hulp en ondersteuning door de gemeente kan worden aangeboden. Het doel is om inwoners de meest passende ondersteuning te bieden, afhankelijk van hun situatie en behoeften. Hulp in natura Hulp in natura betekent dat de gemeente de ondersteuning rechtstreeks levert via een aanbieder. Voorbeelden zijn huishoudelijke hulp, dagbesteding, of begeleiding. De gemeente bepaalt wie de hulp verleent en zorgt ervoor dat deze aan de afgesproken kwaliteitseisen voldoet. Hulp in geld In sommige gevallen kan de hulp in de vorm van een financiële bijdrage worden verstrekt. Dit wordt gedaan als het efficiënter is of beter aansluit bij de situatie van de inwoner. Persoonsgebonden Budget (PGB) Een PGB geeft inwoners meer keuzevrijheid. Zij ontvangen een budget waarmee ze zelf ondersteuning kunnen inkopen. Dit kan alleen als: De inwoner zelf in staat is het budget te beheren. De ondersteuning voldoet aan kwaliteitseisen. Het PGB efficiënt wordt besteed. Het PGB wordt verstrekt onder strikte voorwaarden, zoals: Een passend plan voor de besteding van het budget. Verantwoording van de uitgaven door de inwoner. Eigen bijdrage in de kosten Voor bepaalde vormen van hulp kan de gemeente een eigen bijdrage vragen. Dit is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de inwoner en wordt berekend volgens landelijke regels. Hoofdstuk 9 Afspraken tussen Inwoner en Gemeente Hoofdstuk 9 van de verordening beschrijft de wederzijdse afspraken en verantwoordelijkheden tussen de gemeente en de inwoners. Het doel is een goede samenwerking waarin zowel de gemeente als de inwoner hun bijdrage leveren aan het behalen van de gewenste resultaten. Hoe Omgaan met Elkaar Rol van de gemeente: De gemeente biedt ondersteuning en begeleiding waar nodig, informeert inwoners duidelijk en werkt samen om problemen op te lossen. Rol van de inwoner: Inwoners zijn verantwoordelijk voor hun eigen situatie en moeten actief meewerken aan oplossingen en hulptrajecten. Uitkeringen en Verplichtingen Inwoners die een uitkering ontvangen, moeten voldoen aan voorwaarden zoals het actief zoeken naar werk of het meewerken aan re-integratie. De gemeente kan sancties opleggen, zoals verlaging of stopzetting van de uitkering, als een inwoner zich niet aan deze verplichtingen houdt. Controle en Fraude De gemeente controleert of inwoners zich aan de afspraken houden, bijvoorbeeld door regelmatige controles. Er wordt opgetreden tegen fraude. Herzien, Intrekken en Terugvorderen De gemeente kan besluiten om een voorziening of uitkering te herzien of in te trekken als de situatie van een inwoner verandert. Bij onterechte betalingen kan de gemeente bedragen terugvorderen en een betalingsregeling treffen. Klachten en Vertrouwenspersoon Inwoners kunnen klachten indienen over beslissingen of de behandeling door de gemeente. Vertrouwenspersonen van buiten de gemeente staan klaar om inwoners te ondersteunen bij klachtenprocedures. Hoofstuk 10 Inwoners en gemeente in gesprek De gemeente maakt beleid voor de inwoners en wil dit goed uitvoeren. Als inwoners het ergens niet mee eens zijn, kunnen ze een klacht indienen, bezwaar maken, een vertrouwenspersoon spreken of een mediationgesprek aanvragen. De gemeente volgt hierbij de visie van de Nationale Ombudsman. Met feedback van inwoners kan het beleid worden verbeterd. De gemeente betrekt inwoners bij nieuw beleid, vooral in het sociaal domein. Dit gebeurt via regels en afspraken zoals de Inspraak- en communicatieverordening, de Verordening participatieadviesraad en de Leidraad samenlevingsparticipatie. Inwoners kunnen op verschillende manieren inspraak hebben, bijvoorbeeld via adviesraden, enquêtes of bijeenkomsten. De gemeente kiest de beste vorm van inspraak, afhankelijk van het onderwerp en de betrokken groep. De Participatie Advies Raad krijgt ondersteuning, middelen en tijd om goed advies te geven en met de gemeente in gesprek te gaan. Belangrijke uitgangspunten zijn dat de gemeente zorgvuldig handelt, inwoners serieus neemt en inspraak eenvoudig maakt. Klachten over de gemeente Inwoners kunnen een klacht indienen bij de klachtenfunctionaris over: het gedrag van medewerkers; hoe meldingen of aanvragen zijn afgehandeld; de uitvoering van diensten en voorzieningen. De gemeente informeert inwoners duidelijk over de klachtenprocedure en zorgt voor een snelle afhandeling. Klachten over andere personen of organisaties Inwoners met een klacht over het gedrag van een hulpverlener moeten eerst de klacht indienen bij die persoon of organisatie. Deze moet een klachtenregeling hebben die met de gemeente is gedeeld. Als een inwoner niet tevreden is over de afhandeling van een klacht door de hulpverlener, kan hij de klacht bij de gemeente indienen. Bij meldingen van geweld of strafbaar gedrag door hulpverleners bepaalt de gemeente hoe dit wordt behandeld. Vertrouwenspersoon De gemeente zorgt voor een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Inwoners kunnen hier vertrouwelijk praten over problemen, klachten of vragen over de hulp die ze krijgen. Hoofstuk 12 Begrippen In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. De begrippenlijst is gemaakt omdat er soms bepaalde begrippen in meerdere wetten worden gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Hoofstuk 13 Van oud naar nieuw In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. 1Inleiding verordening sociaal domein Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: Werken en participeren Uitkeringen Schuldhulpverlening Gezond en veilig opgroeien, Vervoer naar school, Wonen in een veilige en gezonde omgeving Kwaliteit van leven en (mentale) gezondheid Inburgeren. 1.1Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: mensen actief en zelfstandig mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; mensen gelijkwaardig zijn en gelijke kansen hebben om zich te ontplooien in de samenleving; mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; mensen hun financiën op orde hebben; mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ; Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Jeugdwet; Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; Wet verplichte GGZ; Wet zorg en dwang; De Wet inburgering 2021 De Gemeentewet. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. 1.2Regels De regels in deze verordening zijn zo veel mogelijk geschreven vanuit het oogpunt van de inwoner. De regels: zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar; respecteren de wetten en wijken van onze regels af als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 1.3Uitgangspunten Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende Uitgangspunten: Eigen leven, eigen verantwoordelijkheid, Jeugdigen groeien gezond en veilig op. Ouders zijn primair verantwoordelijk en zullen zelf (ook) aanpassingen moeten doen. We gaan uit van wat iemand kan in plaats van wat iemand niet kan. De hulpvraag en de eigen woon- en leefomgeving staat centraal. Deze hulp duurt niet langer dan noodzakelijk en is gericht op zelfredzaamheid en versterken van de eigen kracht. Vrij toegankelijke hulp gaat vóór hulp op maat Voorop staat het leren omgaan met de situatie, niet het recht op zorg. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere Uitgangspunten de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13. De gemeente is gelijktijdig verantwoordelijk voor goede zorg voor inwoners die geen hulp of ondersteuning willen ontvangen, maar wel een gevaar vormen voor zichzelf of de omgeving. Voor deze inwoners wordt vaak de term ‘zorgmijders’ gebruikt. In dit geval zoekt de gemeente samenwerking met de GGD of meldpunt Veilig Thuis. 1.4Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk in zijn geheel gebaseerd op een of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, gaat dit over de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.11 en 3.4.12 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten). De wet verplichte GGZ (wvggz) en de wet zorg en dwang (wzd) vormen hierop een uitzondering. Deze wetgeving vormt een nieuwe verantwoordelijkheid waar gemeenten per 1 januari 2020 mee te maken hebben. Deze wetten komen verder niet terug in de verordening omdat de gemeente hierbij alleen een rol heeft wanneer het gaat om crisissituaties. Het Sociaal Team verwijst - zoals terug te lezen is in artikel 1.3. - in het geval van zorgmijders en crisissituaties door naar het meldpunt zorg en overlast en zo nodig Veilig Thuis. De wvggz regelt per 1 januari 2020 de rechten van mensen die te maken krijgen met verplichte zorg vanwege een psychische aandoening. Deze wet biedt meer instrumenten voor zorg op maat: verplichte zorg zo kort als mogelijk en zo lang als noodzakelijk. De wet zorg en dwang regelt per 1 januari 2020 de rechten bij onvrijwillige zorg of opname van mensen met een licht verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening zoals dementie. De gemeente is met deze wetgeving beter in staat om inwoners – bijvoorbeeld na ontslag uit een gedwongen opname - zorg en ondersteuning op maat te kunnen bieden aan huis en in de woonomgeving. De burgemeester heeft de plicht meldingen van inwoners die zich zorgen maken te onderzoeken en kan na het zo mogelijk horen van de betrokkene in overleg met een psychiater zo nodig een (crisis)maatregel opleggen. 1) De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Bij het onderzoeken van die hulpvragen kijkt de gemeente naar alle leefgebieden van de inwoner die daarvoor van belang zijn en volgt het principe ‘één huishouden, één plan, één regisseur’. Dit betekent dat er een vaste contactpersoon is die overzicht houdt en de voortgang bewaakt. Soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route, dat is dan ook aangegeven. Uitgangspunten: De gemeente maakt hulp bereikbaar. De hulpvraag van de inwoner staat centraal. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente kan samen met de inwoner zoeken naar een duurzame oplossing van de problemen, als dat nodig is. De gemeente onderzoekt alle leefgebieden die van belang zijn voor het beoordelen van hulpvragen. 2.1Stap 1: Melding bij de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Indienen hulpvraag Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij het preventieteam (Wadwijzer). Het preventieteam meldt inwoners zo nodig aan bij het Sociaal Team van de gemeente. Inwoners die al hulp krijgen van de gemeente, kunnen direct een digitale melding doen bij het Sociaal Team. De inwoner kan een melding schriftelijk, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente maakt onder andere via de website bekend hoe en wanneer inwoners zich kunnen melden bij het preventieteam en Sociaal Team. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Procedure Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding of aanvraag binnen 5 werkdagen per brief aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek (zie 2.3.1 lid 3). Ook geeft de gemeente informatie over wie namens de gemeente contactpersoon is en dat het mogelijk is om een eigen plan op te stellen (persoonlijk plan). De gemeente informeert de inwoner daarnaast over de mogelijkheid om iemand mee te nemen tijdens het gesprek. Dit kan iemand zijn uit het persoonlijke netwerk of een gratis onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt besproken welke gegevens dat zijn en welke termijn daarvoor geldt. 2.2Stap 2: Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.1Procedure gesprek 1.Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie en de hulpvraag van de inwoner en van het resultaat dat de inwoner wil bereiken met de inzet van hulp of ondersteuning. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. 2.Tijdens het gesprek komen alle leefgebieden aan bod. In gesprek met volwassenen wordt hierbij gebruik gemaakt van de ZelfredaamheidsMatrix (ZRM). Voor jeugdigen wordt gebruik gemaakt van de Gezamenlijke Inschatting Zorgbehoefte (GIZ). 3.In geval na telefonisch of schriftelijk contact de medewerker samen met de inwoner inschat dat een gesprek niet nodig is, kan daarvan af worden gezien 4.Als de inwoner dat wil, kan er iemand vanuit zijn eigen netwerk (familielid, mantelzorg, deskundige of cliëntondersteuner) aanwezig zijn bij het gesprek. In het geval van een jeugdige wordt, afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige en in overleg met de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, bekeken of de jeugdige wel of niet bij het gesprek aanwezig is. Kinderen van alle leeftijden worden actief uitgenodigd om hun mening te geven. Kinderen van 12 jaar en ouder hebben het recht hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot jeugdhulpaanvragen en worden in alle gevallen gehoord, tenzij er zwaarwegende inhoudelijke argumenten zijn om hiervan af te wijken. De inbreng van kinderen wordt serieus meegewogen in de besluitvorming. 5.Voor huisbezoeken in het kader van de Participatiewet is een huisbezoekenprotocol opgesteld. Hierin zijn alle regels opgeschreven voor het afleggen van een huisbezoek. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.2Inhoud gesprek 1.De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker voor zover dat nodig is: de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect? de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? welke hulp er eventueel gegeven kan worden: is dit hulp-op-maat of een andere voorziening? Kan er een pgb worden verstrekt? Moet de inwoner een bijdrage in de kosten betalen? [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.3Ondersteuningsplan 1.Tijdens en na het gesprek maakt de medewerker een inschatting van de zelfredzaamheid en de zorgbehoeften van de inwoner. Na het gesprek maakt de medewerker een verslag en legt dit vast in een ondersteuningsplan. Dat is een plan van aanpak, waaruit blijkt wat er is besproken, welk effect de inwoner wil bereiken, hoe dat bereikt zou kunnen worden en welke rol de gemeente daarbij zou kunnen spelen. 2.De medewerker stuurt het ondersteuningsplan binnen zes weken na het gesprek naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat niet te wensen. 3.De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit terug naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met wat er staat, kan hij dat daarop aangeven. 2.3Stap 3: Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.3.1Aanvraag 1.Met ondertekening van het ondersteuningsplan wordt direct een aanvraag ingediend. Dit geldt niet voor de Jeugdwet en de Participatiewet. (Zie artikel 2.1.1 lid 2). De beoordeling van de aanvraag heeft als doel te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 2.De melding over een hulpvraag voor een PW-uitkering of een IOAW of IOAZ-uitkering, wordt gezien als een aanvraag op het moment dat de inwoner dit bij de gemeente bevestigt met een (digitale) handtekening. 3.Inwoners die een collectieve zorgverzekering van de gemeente af willen sluiten kunnen dit alleen digitaal aanvragen via www.gezondverzekerd.nl. [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs] 2.3.2Aanvraag voor hulp-op-maat 1.Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, vanuit preventief aanbod of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. De hulp-op-maat duurt zo kort als kan en zo lang als nodig. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 3.De hulp-op-maat duurt zo kort als kan en zo lang als nodig. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopste passende voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4.De gemeente kan financiering van hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien. De gemeente kan financiering van hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. 5. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb 2.3.3Advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die de benodigde kennis wel in huis heeft een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Awb] 2.3.4Beoordelen aanvraag 1.Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: de behoeften van de inwoner; de (on)mogelijkheden van de inwoner; de persoonlijke situatie van de inwoner; de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2.Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente inventariseert eventuele problemen en beperkingen. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke maatwerkvoorziening nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 3.Voor iedere stap geldt dat de gemeente die deskundigheid inzet, die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.3.5Beslistermijn 1.De gemeente beslist zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 8 weken nadat de de aanvraag is ontvangen. Als het gaat om een aanvraag Wmo dan beslist de gemeente binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. 2.De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft doorgegeven. De gemeente noemt dan een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. 3.Het besluit of de afwijzing tot schuldhulpverlening - zoals bedoeld in artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening – wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het eerste gesprek plaatsvond. 2.4Stap 4: Beslissing [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.4.1Inhoud besluit 1.De gemeente stelt een besluit vast en stuurt deze per brief naar de inwoner. Dit noemen we een beschikking. Het doel van dit besluit is dat de inwoner weet of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als hulp wordt gegeven staat in de brief welke vorm de hulp heeft. 2.Geeft de gemeente de hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; hoe en door wie de hulp wordt gegeven; welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3.Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: waarvoor het pgb bedoeld is; welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het pgb; hoe hoog het pgb is; wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; hoe de uitgaven toegelicht dienen te worden (verantwoording); welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4.Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: voor welk doel het geld wordt gegeven; wanneer het geld wordt betaald; hoe vaak het geld wordt betaald; welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5.De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een (verplichte) eigen bijdrage in de kosten. 6.Een besluit wordt genomen voor een periode die past bij de hulpvraag. 7.De gemeente informeert de inwoner in het besluit dat de inwoner, indien mogelijk, verplicht is zelf tussentijdse veranderingen in de gezondheidssituatie of veranderingen in de omgeving tijdig door te geven aan de gemeente. 8.De gemeente informeert de inwoner in het besluit over de mogelijkheid voor gratis hulp van een vertrouwenspersoon. 2.5Uitzonderingen [Jeugdwet, Awb] 2.5.1Jeugdhulp via arts e.a. 1.Naast de gemeente kunnen de school, huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling, jeugdreclassering of rechterlijke macht de jongere doorverwijzen naar een jeugdhulpaanbieder. Een school mag doorverwijzen als er sprake is van ernstige dyslexie. 2.De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. [Jeugdwet, Wmo, Llv, Wgs] 2.5.2Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan hierbij afwijken van de normale procedure. 3.Werk en Participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering die kunnen werken, hulp krijgen bij het vinden van passend werk. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. De beschikbare voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld. Hoe de voorzieningen worden verdeeld is afhankelijk van de kansen op betaald werk van de inwoners. Het vinden van passend betaald werk is het meest waardevol voor zowel de inwoner als de samenleving. Dit is niet voor iedereen haalbaar. Ook vormen van onbetaald werk kunnen een belangrijke stap zijn op weg naar betaald werk. Voor sommige mensen tot slot, is onbetaald werk uitdagend en waardevol genoeg. Ook deze vorm van meedoen draagt bij aan een samenredzaam Waddinxveen. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat zij volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert. Uitgangspunten: De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner zijn het uitgangspunt. De inwoner wordt zo goed mogelijk ondersteund bij het vinden van langdurig passend werk of een andere vorm van participatie. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en voor inkomensondersteuning van de gemeente. De gemeente stemt de hulp af op en met de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving. [PW, IOAW, IOAZ] 3.1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: doelgroep: inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden; inwoners die geen uitkering ontvangen en die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te geven op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; Student: een inwoner die volgens de bepalingen van artikel 36b eerste lid van de wet behoren tot de doelgroep, de personen van 18jaar of ouder, die recht hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht hebben op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. voorziening: een voorziening die door de gemeente als noodzakelijk wordt gezien en die gericht is op arbeidsinschakeling. Hiermee wordt ook persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken bedoeld; werkgever: iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om het werk van een werknemer gedurende een overeengekomen periode te gebruiken in zijn organisatie; werknemer: iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst werk verricht bij de werkgever, ook iemand zoals bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; wet: Participatiewet. 3.2Samenwerking De gemeente werkt o.a. samen met UWV, Promen, Werkgeverservicepunt, Regionale Mobiliteits Teams, Leer Werk Loket, regio-gemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. De gemeente kan werkgevers in specifieke individuele gevallen tijdelijk ondersteunen als zij inwoners werk bieden die onder de doelgroep van de gemeente vallen. 3.3Budget De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente geen voorziening meer waarvoor dit budgetplafond geldt. Tenzij in de wet anders is bepaald. De hoogte van de beschikbare budgetten wordt jaarlijks vastgelegd in de gemeentebegroting. 3.4Voorzieningen – werk [PW, IOAW, IOAZ] 3.4.1Algemeen 1.De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en op de positie op de arbeidsmarkt. 2.De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3.De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. De gemeente kan nadere regels, voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen. 4.De gemeente kan een voorziening weigeren als: de persoon aan wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5.De gemeente kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ niet nakomt; de persoon niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening die in deze verordening genoemd is. Personen die vallen onder artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet zijn uitgezonderd. de voorzien niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 6.De gemeente biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 7.Een werknemer wordt alleen geplaatst bij een voorziening als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Voorzieningen voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt [PW, IOAW, IOAZ] 3.4.2Sociale activering 1.De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die de inwoner dichterbij betaald werk brengen. Dit heet sociale activering. 2.Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3.De gemeente stemt de duur van de activiteiten genoemd in het eerste lid af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon en houdt rekening met de opvattingen van die persoon. 3.4.3Participatieplaats 1.De gemeente kan een participatieplaats bieden aan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die weinig kans heeft op werk. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2.Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. 3.De inwoner kan hiervoor na iedere 6 maanden een premie ontvangen. De hoogte wordt door de gemeente vastgesteld. Dit is terug te vinden in het tarievenoverzicht. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit. 4.De gemeente zorgt ervoor dat de te verrichten extra werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door de gemeente, de werkgever en de persoon die de werkzaamheden gaat verrichten. 5.De deelname aan een participatieplaats bedraagt maximaal 24 maanden. 3.4.4Beschut werk 1.De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als het UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden en dat de werkgever hier redelijkerwijs niet in kan voorzien. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd in artikel 10 b. het gaat om de volgende voorzieningen: Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving Uitsplitsing van taken, of; Aanpassingen in de wijze van de werkbegeleiding, het werktempo of de arbeidsduur. 2.De gemeente kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden kunnen werken de volgende voorzieningen aanbieden tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst in gaat: Arbeidsmatige dagbesteding Sociale activering zoals bedoeld in artikel 3.4.2 Scholing zoals bedoeld in artikel 3.4.10 Persoonlijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 3.4.16 Schuldhulpverlening zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 3.Personen worden op beschutte werkplekken geplaatst kijkend naar de mate waarin een beschutte werkplek essentieel is. Personen die tussen de 16 en 27 jaar oud zijn, die algemene bijstand ontvangen, met een loonwaarde van tenminste 30%, met een verstandelijke of lichamelijke beperking of chronische psychische of psychosociale problemen hebben, krijgen voorrang. 3.4.5Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1.De gemeente kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3.5 verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2.De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is maximaal 30% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is maximaal 50% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de uiterst kwetsbare werknemer. 3.Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: voorafgaand aan de indienstneming gedurende 12 maanden geen reguliere betaalde baan heeft gevonden; geen startkwalificatie bezit; of ouder is dan leeftijd 50 jaar; of alleenstaande ouder is. 4.Onder uiterst kwetsbare werknemer bedoelen we iemand die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen die te maken hebben met de indiensttreding van de werknemer of als het duidelijk is dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 3.4.6Hulp bij een leer-werktraject Sommige jongeren hebben een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten. De gemeente kan hierbij hulp bieden als het gaat om jongeren: van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Een startkwalificatie is een HAVO-, VWO- of MBO2-diploma. Voorzieningen voor alle doelgroepen [PW,IOAW,IOAZ] 3.4.7Scholing 1.De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep van de Participatiewet een scholingstraject bieden. Dit gebeurt alleen als de inwoner geen recht heeft op studiefinanciering, er sprake is van een concrete kans op werk waarvoor scholing noodzakelijk is of als de inwoner in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats op grond van artikel 10a van de Participatiewet. 2.Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: het bevordert de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling en de (duurzame) uitstroom naar werk; het sluit aan bij de capaciteiten van de persoon. 3.4.8Kinderopvang vanwege werk of scholing De inwoner die kinderopvangtoeslag krijgt, kan voor de resterende kosten voor kinderopvang een bijdrage van de gemeente krijgen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: De inwoner krijgt kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank en ontvangt hulp van de gemeente op weg naar werk (een voorziening) of; de inwoner is inburgeringsplichtig; de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindcentrum of gastoudervoorziening. 3.4.9Andere voorzieningen en vergoedingen De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan, te blijven of om de kans op werk te vergroten. Zoals de aanschaf van een fiets als dit noodzakelijk is voor vervoer naar het werk. De maximale hoogte van de vergoeding is het verschil tussen de bijstandsnorm en het wettelijk minimumloon over de periode van 12 maanden. 3.4.10Uitstroompremie De gemeente kan één keer een uitstroompremie toekennen aan een inwoner van 27 jaar of ouder die: een dienstbetrekking van 6 maanden of meer is aangegaan en die niet eerder een proefplaatsing of werknemerspremie heeft ontvangen; door die dienstbetrekking geen recht meer heeft op een gemeentelijke uitkering; 12 maanden direct voorafgaand aan de dienstbetrekking een gemeentelijke uitkering had. De premie kan worden aangevraagd vanaf de 7e maand nadat het dienstverband is ingegaan en moet binnen een periode van 18 maanden na start van de werkzaamheden zijn aangevraagd. De hoogte van de premie is opgenomen in het tarievenoverzicht sociaal domein. 3.4.11Vrijlating inkomsten Om deeltijdwerk te belonen en stimuleren kan de gemeente een deel van het inkomen op de verrekening van de bijstandsuitkering vrijlaten. De vrijlating kan worden toegepast bij inwoners van 27 jaar of ouder waarbij: De dienstbetrekking bijdraagt aan de inschakeling op de arbeidsmarkt; Er aan de medische urenbeperking een keuring ten grondslag ligt; De vrijlating bedraagt voor iedere 6 maanden 25%, voor een alleenstaande ouder gedurende maximaal 30 maanden 12,5% en voor een uitkeringsgerechtigde met een medische urenbeperking structureel 15%. 3.4.14Proefplaats 1.De gemeente kan iemand van de doelgroep toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever niet betaalde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. Dit kan voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden. 2.Het doel van een proefplaatsing is het voor een korte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie waarbij de proefplaats voor een zo kort mogelijke duur wordt ingezet. 3.Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op werk de werkzaamheden van de persoon niet al eerder zonder salaris door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4.De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5.Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze ziekteperiode niet meegenomen bij de berekening van de maximale periode genoemd in lid 1. 6.De gemeente kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3.5 3.4.15Persoonlijke ondersteuning bij werk 1.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2.Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in lid 1, wordt verstrekt net zo als de voorzieningen in hoofdstuk 3.5 3.4.16Detacheringsbaan De gemeente kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever. Het doel hiervan is arbeidsinschakeling. De inwoner wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in twee schriftelijke overeenkomsten: één tussen de werkgever en de inlenende organisatie en één tussen de inwoner en de inlenende organisatie. De totale duur van een detachering bedraagt per werkgever/werknemer relatie maximaal 36 maanden. De detachering vindt plaats bij externe partijen. 3.4.17Reiskosten (anders dan vervoersvoorziening) 1.De gemeente verstrekt een tegemoetkoming voor regelmatig terugkerende reiskosten die verbonden zijn aan activiteiten in het kader van re-integratie, participatie of inburgering. Het gaat hier om een inwoner die: behoort tot de doelgroep; een reisafstand heeft van minimaal 5 kilometer met de fiets; waarvoor de Ferm Wijzer een afstand hanteert van minimaal 8 kilometer; De ANWB routeplanning het aantal kilometers bepaalt; De vergoeding bedraagt de kosten openbaar vervoer of de belastingvrije vergoeding van de belastingdienst; Bij een beperking is het mogelijk een deeltaxi in te zetten. 3.4.18Werkstage 1.De gemeente kan een persoon een werkstage gericht op werk aanbieden als deze: behoort tot de doelgroep; en nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.5Voorzieningen - Specifiek voor de doelgroep uit het Breed offensief [PW] 3.5.1Speciaal aanvraagproces loonkostensubsidie 1.De gemeente verstrekt ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die de intentie heeft een baan aan te bieden aan een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Als er een aanvraag is dan zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2.De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3.Ook als iemand (nog) niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Er wordt vastgesteld of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet van toepassing is. 5. Bij het verstrekken van de loonkostensubsidie houdt de gemeente zich aan het preferente werkprocesproces voor loonkostensubsidie. 3.5.2Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen geven aan een persoon met een arbeidsbeperking. 2.Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden onder andere de volgende voorwaarden: de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft gevolgd; de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken. de werkgever biedt een baan aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; of een proefplaats. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening via de zorgverzekeraar, het UWV, de Wsw, de Wmo of een andere regeling. het gaat niet om een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.