Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010Versie: 10-6-2009 Inwerkingtreding: 01-01-2010 Vastgesteld: Raadsvergadering 5 november 2009 Hoofdstuk1Algemene bepalingen en begripsomschrijvingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning (wet van 29 juni 2006, gepubliceerd in Staatsblad 351, en sindsdien gewijzigd.); Compensatiebeginsel: de algemene verplichting van het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie; Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronische psychische en psychosociale problemen aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden; Mantelzorger: een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet; Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken; Maatschappelijke participatie:normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten: het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om de woning verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen, het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven; Aanvrager: degene die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een aanvraag indient voor een voorziening zoals omschreven in deze verordening, zijnde de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger; Voorziening: een voorziening om het huishouden te voeren, een woonvoorziening, een vervoersvoorziening, een rolstoelvoorziening of een sportvoorziening; Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt; Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt; Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt; Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een voorziening in plaats van een verstrekking in natura waarop de in deze verordening en het Wmo-besluit te stellen regels van toepassing zijn; Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het Wmo-besluit te stellen regels van toepassing zijn; Eigen bijdrage: een door het college vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop de regels van het Wmo-besluit en het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn; Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening; Huisgenoot: iedere persoon met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont; Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college van de gemeente Harenkarspel verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; Koppunt: het loket voor Wonen, Zorg en Welzijn waar informatie, advies en cliëntondersteuning geboden wordt in de gemeenten Anna Paulowna, Harenkarspel, Niedorp, Wieringen, Wieringermeer en Zijpe; Wmo-besluit: het besluit van de gemeente Harenkarspel waarin aanvullende (financiële) bepalingen over de uitvoering van deze verordening zijn opgenomen; Besluit maatschappelijke ondersteuning: de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) van 2 oktober 2006 (Staatsblad 450), gewijzigd bij besluit van 19 maart 2007 (Staatsblad 129), zoals voorgedragen door de Staatssecretaris van Volkgezondheid, Welzijn en Sport op 14-7-2006 met kenmerk DMO/SFI-2698621; Wmo-voorzieningenboek: door het college vastgestelde beleidsregels waarin het voorzieningenbeleid van de gemeente in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt weergegeven; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harenkarspel. Artikel1.2Recht op een individuele voorziening 1.2.1Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en/of bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen; deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; deze in overwegende mate op het individu is gericht. 1.22 Geen voorziening wordt toegekend: indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is; indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Harenkarspel en niet staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie; voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van aanvragen en/of datum van beschikken heeft gemaakt; indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens een voorloper op deze verordening en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen; voor zover op grond van enig andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat. 1.23Een voorziening kan worden geweigerd indien: de voorziening leidt tot belemmering van de herstelmogelijkheden van de ervarren beperkingen. Hoofdstuk2Vorm van te verstrekken inidividuele voorzieningen Artikel2.1Keuzevrijheid 2.1.1Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. 2.12Het college kan vaststellen in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen deze voorzieningen als genoemd in het eerste lid niet wordt geboden. 2.13De criteria op basis waarvan het college het tweede lid toepast worden uitgewerkt in het Wmo-voorzieningenboek en het Wmo-besluit. Artikel2.2Voorziening in nature 2.2.1Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing. 2.22Wanneer de gemeente eigenaar is van de voorziening, is de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst gemeente Harenkarspel van toepassing. Artikel2.3Financiële tegemoetkoming Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Wmo-besluit in de beschikking opgenomen. Artikel2.4Persoonsgebonden budget 2.4.1Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet, zjin de volgende voorwaarden van toepassing: een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen; de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de desbetreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, inclusief kosten van instandhouding. de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, wordt door het college vastgelegd in het Wmo-besluit. 2.42De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld. Toekenning vindt plaats per kalenderjaar, tenzij het de aanschaf van een concreet product betreft. 2.43Bij de beschikking wordt een Programma van Eisen gericht op doel en besteding verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening ten minste dient te voldoen. 2.44Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college door de budgethouder, voor zover van toepassing, verstrekt: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening; een overzicht van de salarisadministratie; een en ander volgens de voorschriften zoals in het Wmo-besluit zijn opgenomen. 2.45Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen. Artikel2.5Eigen bijdragen Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de verordening is de aanvrager een (maximale) eigen bijdrage verschuldigd als bedoeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning (de AMvB), ten aanzien van hulp bij het huishouden. Hoofdstuk3Hulp bij het huishouden Artikel3.1Voorzieningen in hulp bij het huishouden De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. Artikel3.2Primaat van de algemene hulp bij het huishouden 3.2.1Een persoon met beperkingen heeft recht op hulp bij het huishouden indien de beperkingen van de persoon het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maakt en algemene hulp als bedoeld onder artikel 3.1 onder a. en/of de inschakeling van mantelzorg die in noodzakelijke hulp voorziet geen oplossing biedt om de beperking snel en adequaat op te lossen. 3.22Een mantelzorger kan voor hulp bij het huishouden in aanmerking komen indien de mantelzorger overbelast wordt en er geen herverdeling van mantelzorgtaken mogelijk is. Artikel3.3Gebruikelijke zorg In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon met beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als een huisgenoot in staat is of moet worden geacht het huishoudelijk werk te verrichten. Artikel3.4Omvang van de hulp bij het huishouden 3.4.1De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren. De indicatiecriteria, de omvang en het kwaliteitsniveau van de hulp zijn opgenomen in het Wmo-voorzieningenboek. 3.42Het uurtarief op basis waarvan het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 3.4.1 wordt berekend, wordt jaarlijks bepaald en vastgelegd bij het Wmo-besluit. Artikel3.5Berekeningswijze De afronding van de omvang van de hulp op basis van indicatiestelling geschiedt in halve uren naar boven. Hoofdstuk4Woonvoorzieningen Artikel4.1Definities van woonvoorzieningen In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de woning, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de persoon met beperkingen vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken; Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst; Standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn om op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten en waarop de woonwagen het gehele jaar door bewoond mag worden; Woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen; Ligplaats:een door de gemeente aangewezen ligplaats welke door een woonschip wordt ingenomen. Artikel4.2Vormen van woonvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een algemene woonvoorziening; een woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. Artikel4.3Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen 4.3.1Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.2 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien deze beperkingen een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen. 4.32Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.2 onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle adequate oplossing leidt. Artikel4.4Soorten individuele woonvoorzieningen De in artikel 4.2 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een financiële tegemoetkoming, voor de aanbouw of inbouw van een slaapkamer en of badkamer, in de vorm van een renteloze lening onder verband vasn een hypotheek; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een woonvoorziening van niet bouwkundige of niet woontechnische aard; een losse woonunit; onderhoud, keuring en reparatie van technische voorzieningen; tijdelijke huisvesting; huurderving; verwijderen van voorzieningen; uitraasruimte. Artikel4.5Primaat van verhuizing 4.5.1Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.4 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer deze beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren. 4.52Een persoon met beperkingen kan voore en voorziening als bedoeld in artijkel 4.4 onder b. in aanemerking worden gebracht indien de aanbouw of inbouw meer bedraagt dan € 20.000,-. De voorwaarden hiertoe worden nader uitgewerkt in het Wmo-besluit. 4.53Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.4 onder c tot en met i. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 4.54De persoon met beperkingen is zelf verantwoordelijk voor het verwerven vasn vervangende woonruimte als een woonvoorziening als genoemd in artikel 4.4 onder a. als de meest adequate voorziening is aangewezen. Er is alleen sprake van adequante vervangede woonruimte als deze binnen een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van het besluit op de ingediende aanvraag, beschikbaar is. De termijn van twaalf maanden kan worden verlengd wanneer er niet actief naar andere woonruimte is gezocht. 4.55De in artikel 4.5.4 bedoelde vervangende woonruimte hoeft niet noodzakelijkerwijze te liggen in de huidge woonkern van belanghebbende. Bij een afweging van alle bij de beslissing betrokken belangen kan het college ook een buiten deze kern besschikbare aangepaste woning als adequaat bestempelen. Deze aangepaste woning dient zich echter wel binnen de gemeente te bevinden. Verhuizen naar een aangepaste woning buiten de gemeente op basis van vrijwilligheid is wel toegestaan. 4.56Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.4 onder j. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van deze beperkingen aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. Artikel4.6Beperkende bepalingen 4.6.1De bepalingen van hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan: hotels en pensions; woonwagenss zonder vaste staanplaats; vakantiewoningen; tweede woningen; kamers die zelfstandig verhuurd worden; verzorgingshuizen/ verpleeghuizen; specifiek op personen met beperkingen en/of ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; en andere niet-zelfstandige woonruimten. 4.62De bepalingen van hoodstuk 4 zijn niet van toepassing op gevraagde aanpassingen in de nieuw op te leveren woningen en/of wooncomplexen voor zover het gaat om verhoogde toiletpotten, het egasliseren van ruimten en/of het verwijderen van drempels en het toegankelijk maken van balkons, tuinen, verbreding van deuren, aanbrengen van automatische deuropeners en alle andere gelijksoortige aanpassingen welke onder de vigerende opvattingen direct bij de oplevering hadden kunnen worden gebracht. 4.63Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten indien de persoon met beperkingen niet meer in staat is om de te verlaten woonruimte normaal te gebruiken en als hij: niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen; niet verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het hele jaar door bewoond te worden; niet verhuisd is naar een AWBZ-inrichting, een specifiek voor de doelgroep ingericht woonzorgcomplex; verhuisd is op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing zonder beperkingen algemeen gebruikelijk geacht zou zijn. 4.64Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel 4.4 onder f. indien de woonvoorziening in het kader van de onderhavige verordening dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is verleend, mits de persoon met beperkingen ten tijde van het onderhoud, de keuring of de reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont, dan wel als er sprake is van een bezoekbaar gemaakte woning. 4.65Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op woningaanpassingen die integraal onderdeel uitmaken van een woning en/of aard- en nagelvast zijn aangebracht, omdat in deze situatie het onderhoud voor rekening van de woningeigenaar komt. Artikel4.7Weigeren van een woonvoorziening De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.4 wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de oude woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond; de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperking op dat moment meest geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; de tegemoetkoming is aangevraagd nadat de verhuizing heeft plaatsgevonden, tenzij, binnen drie maanden na vestiging, alsnog vastgesteld kan worden dat de verhuizing voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.6.3; de ondervonden beperkingen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Artikel4.8Hoofdverblijf en bezoekbaar maken 4.8.1Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de gemaakte kosten van aanpassen indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen. 4.8.2In afwijking van het in het eerste lid gestelde kan een financiële tegemoetkoming worden verleend voor het aanpassen van één woning als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting. 4.8.3De financiële tegemoetkoming betreft slechts een tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een maximum van de vergoeding die wordt verleend als tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting op grond van deze verordening. 4.8.4Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met beperkingen, de te bezoeken woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. 4.8.5De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning zich bevindt. Artikel4.9Gemeenschappelijke ruimten 4.9.1De eigenaar van een woning is primair verantwoordelijk voor het aanbrengen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten als de persoon met beperkingen zonder deze voorziening niet in staat zou zijn de woning te bereiken. 4.9.2In afwijking van artikel 4.9.1 en van artikel 4.8.1 kan het college een financiële tegemoetkoming in de kosten verlenen als weigering van de aanvraag niet redelijk en billijk is gezien de individuele persoonlijke omstandigheden. In die situatie is er ruimte voor het treffen van uitsluitend de volgende voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten: automatische deuropeners; hellingbanen; een tweede trapleuning. 4.9.3Tot de financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid worden mede de kosten van periodiek onderhoud aan die voorziening begrepen. 4.9.4Een voorziening als bedoeld in artikel 4.9.2 wordt verleend ten behoeve van de in de woning woonachtige persoon met beperkingen. Als deze persoon niet langer in de woning woonachtig is, dan wel de noodzaak tot voortzetting van de voorziening is komen te vervallen, dan is het college bevoegd de aangebrachte voorziening te verwijderen dan wel het in het derde lid genoemde onderhoud te staken. 4.9.5De in artikel 4.9.2 genoemde financiële tegemoetkoming wordt slechts verstrekt indien de eigenaar van de woning, dan wel de Vereniging van Eigenaren schriftelijk verklaard heeft geen bezwaar tegen het aanbrengen van de voorziening te hebben. Artikel4.10Aanpassing van een woonwagen Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten aan een woonwagen indien: de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor aanpassing van de woonwagen bij de gemeente op een vaste standplaats stond; de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar is; de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt; de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit is van een woonvergunning als bedoeld in de Woningwet. Artikel4.11Aanpassing van een woonschip Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip indien: de technische levensduur van het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar is; het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen (met aanlegvergunning). Artikel4.12Gemaximeerde vergoeding voor aanpassing aan woonwagens en woonschepen in verband met een beperkte technische levensduur of het opheffen van stand- of ligplaats Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip ten tijde van de indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet ten minste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de maximale aanpassingskosten het bedrag dat wordt verleend als tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting op grond van deze verordening. Artikel4.13Aanpassing van een binnenschip Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Staatsblad 1987, 466), van een binnenschip, dat: in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel te boekgestelde schepen 1992; en bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor vervoer van goederen, daarbij volgens de meetbrief bedoeld in het metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde. Artikel4.14Tijdelijke huisvesting 4.14.1Het college kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting verlenen die door de persoon met beperkingen moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: zijn huidige woonruimte; de door de persoon met beperkingen nog te betrekken woonruimte. 4.142De in het eerste lid bedoelde financiële tegemoetkoming wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de persoon met beperkingen als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan. 4.143 Het college verleent maximaal zes maanden een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid, tenzij sprake is van aantoonbare overmacht. Artikel4.15Huurderving 4.15.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.