← Nederland

Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2025 (Overbetuwe)

Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2025Inleiding In dit document staan de aanvullende regels op de Verordening Sociaal Domein. Hierin wordt uitgelegd hoe aanvragen worden beoordeeld, voor wie de beleidsregel geldt en wat er van de inwoner wordt verwacht. Ook staat er uitleg over de soorten voorzieningen en welke stappen gezet worden voordat een beslissing wordt genomen Bij het toepassen van de beleidsregels houdt het college altijd rekening met de landelijk geldende wetten. Hierbij gaat het college niet alleen uit van de wet en de regels, maar ook van de bedoeling van de regels. Dit betekent dat niet alleen gekeken wordt naar de letterlijke bepalingen van de regels, maar ook naar wat deze regels beogen te bereiken. De regels zijn daarmee een aanvulling op de wet en de Verordening Sociaal Domein. 1.Werk en Participatie (Participatiewet, IOAW, IOAZ) 1.1Jobcoaching 1.1.1Wettelijke verplichting inzet jobcoaching Wanneer een inwoner recht heeft op loonkostensubsidie heeft deze ook recht op begeleiding op de werkplek. Dit kan een interne werkbegeleider zijn of een interne of externe jobcoach. De aanspraak op begeleiding op de werkplek staat in artikel 10da Participatiewet. Het is geen verplichting voor het college om altijd jobcoaching in te zetten wanneer er sprake is van loonkostensubsidie Ook is de duur en intensiteit van jobcoaching afhankelijk van de behoefte. 1.1.2Inzet van Jobcoaching Jobcoaching wordt ingezet wanneer een inwoner loonkostensubsidie ontvangt én begeleiding de snelle doorstroming naar werk ondersteunt. Hier kan in sommige situaties van afgeweken worden. In overleg met de werkgever beslist het college of de interne jobcoach, jobcoach Overbetuwe of externe jobcoaching wordt ingezet. Dit hangt af van de situatie. 1.1.2.1 algemene uitgangspunten Er wordt maatwerk geleverd en de jobcoaching wordt niet langer dan noodzakelijk ingezet. Het college bepaalt samen met de werkgever, inwoner en jobcoach hoe lang jobcoaching noodzakelijk is en is degene die dit proces bewaakt. Daarnaast bepaalt het college ook op welk moment in het proces de jobcoach wordt ingezet. 1.1.3verschillende vormen van Jobcoaching Er zijn verschillende vormen van Jobcoaching, namelijk interne jobcoaching, de jobcoach Overbetuwe en externe jobcoaching. Om te bepalen welke vorm van jobcoaching wordt ingezet volgt het college de volgende stappen: Wanneer er geen begeleiding nodig is of er al voldoende begeleiding is vanuit de werkgever of vanuit het eigen netwerk dan zal er geen jobcoaching worden ingezet. Wanneer (extra) begeleiding wel nodig is wordt eerst gekeken of de inzet van de Harrie-training voldoende is. Dit is een tweedaagse training waarin deelnemers worden opgeleid tot Harrie. Hiervoor worden afspraken gemaakt met het Werkgeversservicepunt (WSP). Meer informatie is te vinden op: www.ikbenharrie.nl Wanneer een Harrie-training niet passend is wordt de Jobcoach Overbetuwe ingezet. Als specialistische jobcoaching nodig is, dan kan het college externe jobcoaching inzetten van een gespecialiseerde externe organisatie. 1.1.4Budgetplafond externe jobcoaching Voor externe jobcoaching is er een budgetplafond van €50.000 per kalenderjaar. Als aan de voorwaarde hiervoor wordt voldaan (artikel 1.2.3, vierde lid), kan het college externe jobcoaching inzetten als budget beschikbaar is. Als het budgetplafond is bereikt of overschreden dreigt te worden, zet het college geen externe jobcoaching meer in. Externe jobcoaching die op dat moment al loopt zal doorlopen tot het einde van het kalenderjaar. 1.2Loonkostensubsidie Loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers en compenseert in de loonkosten voor de verminderde productiviteit van de werknemer. De subsidie is een tegemoetkoming aan de werkgever in de loonkosten en compenseert het verschil tussen de verminderde productiviteit (de loonwaarde) en het minimumloon en vergoedt een percentage van de werkgeverslasten. Voor het verstrekken van loonkostensubsidie wordt gebruik gemaakt van het preferente proces loonkostensubsidie en de daarbij bijbehorende percentages. 1.2.1aanvragen loonkostensubsidie Een inwoner kan loonkostensubsidie aanvragen als hij tot de gemeentelijke re-integratiedoelgroep behoort en zicht heeft op een betaald contract én: is opgenomen in het landelijke Doelgroepregister Banenafspraak; of meer dan één jaar werkeloos is maar niet opgenomen bent in het Doelgroepregister Banenafspraak; of korter dan één jaar werkloos is, niet opgenomen is in het Doelgroepregister Banenafspraak, maar waarvan een onderbouwd vermoeden bestaat van verminderde loonwaarde op basis van tempo, kwaliteit en/of netto werktijd. Een werkgever kan loonkostensubsidie aan te vragen als de werknemer Tijdens het dienstverband verminderd productief blijkt te zijn; én in de zes maanden voorafgaand aan de indiensttreding tot de gemeentelijke re-integratie doelgroep behoorde of VSO/PRO of entree onderwijs volgde. In deze gevallen geldt dat de aanvraag voor loonkostensubsidie in de eerste 6 maanden van het dienstverband moet zijn ingediend bij het college. Er zal dan altijd een loonwaardemeting worden uitgevoerd. Forfaitaire loonkostensubsidie is bij werkenden niet van toepassing. 1.2.2Voorwaarden loonkostensubsidie Om loonkostensubsidie te verstrekken aan de werkgever dient er aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: De werkgever betaalt de werknemer volledig loon volgens de geldende CAO of ten minste het wettelijk minimumloon. De loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het wettelijk minimumloon (met vakantietoeslag), vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten. Dit is vastgelegd in artikel 10d, vierde lid, Participatiewet. Voor de loonkosten boven het wettelijk minimumloon ontvangt de werkgever geen loonkostensubsidie. 1.2.3loonwaarde bepalen De loonwaarde wordt bepaald op de werkplek van de werknemer. Bij de loonwaardebepaling wordt onderzocht wat de productiviteit van betrokken persoon is ten opzichte van werknemers zonder beperking. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een loonwaarde-expert die hiervoor vragenlijsten laat invullen en gesprekken voert met zowel de werknemer als de werkgever. Factoren die gemeten worden zijn onder meer tempo, inzetbaarheid, kwaliteit van het werk en de mate van begeleiding die noodzakelijk is. Een loonwaardemeting kan pas worden ingezet als er voldoende zicht is op de arbeids­prestatie. Dat betekent dat een medewerker minimaal twee maanden aan het werk is. Dat kan ook via bijvoorbeeld een werkervaringsplaats of een proefplaatsing. 1.2.4forfaitaire loonkostensubsidie Bij indiensttreding kan forfaitaire 50% loonkostensubsidie toegekend worden voor maximaal 6 maanden. Aan het einde van deze periode wordt de loonwaarde gemeten op de werkplek. Vanaf de 7e maand wordt de loonkostensubsidie betaald op basis van een loonwaardemeting. 1.2.5Duur loonkostensubsidie De duur van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de ontwikkeling van de werknemer. Daarom wordt op afgesproken momenten opnieuw een meting uitgevoerd en de loonwaarde vastgesteld. Zodra de loonwaarde gelijk is aan 100% is, stopt de subsidie. 1.2.6verhuizing Als de werknemer verhuist naar een andere gemeente, draagt het college de loonkostensubsidie over naar de nieuwe gemeente, per de verhuisdatum. De werkgever hoeft hier geen aanvraag voor in te dienen. Dit regelen gemeenten onderling. De werkgever ontvangt een beëindiging van de oude gemeente en een toekenning van de nieuwe gemeente. 1.3Re-integratievoorzieningen 1.3.1.Werkstage (werkervaringsplaats) 1.Het college kan een werkstage aanbieden als een inwoner nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of langdurig werkloos is geweest. De werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2.Een werkstage wordt uitgevoerd in de vorm van werken met behoud van uitkering. 3.Een werkstage kan worden aangeboden aan een persoon behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de Participatiewet, voor zover de desbetreffende persoon zonder die werkstage niet in staat is om in te stromen in algemeen geaccepteerde arbeid. 4.Een werkstage duurt 3 maanden en kan verlengd worden tot maximaal 6 maanden. 5.Een werkstage in een bepaalde functie kan slechts eenmaal bij dezelfde werkgever worden verricht. 6.Bij het aangaan van een werkstage dient de werkgever een overeenkomst aan te gaan met de desbetreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat tenminste: Het doel van de werkstage; en De duur van de werkstage; en De wijze waarop de begeleiding door de werkgever plaatsvindt; en De wijze waarop de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering is geregeld. 1.3.2.Scholing 1.Een scholingstraject wordt aangeboden aan een persoon in een re-integratietraject, indien de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren; (wanneer dit samenhangt met een arbeidsovereenkomst voor minimale duur van zes maanden) 2.De noodzaak wordt alleen dan aanwezig geacht, als de persoon voorafgaand aan de scholing aantoonbare inspanningen heeft verricht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren. 3.De scholing moet aansluiten op de mogelijkheden van de persoon. 4.De duur van het scholingstraject is maximaal 12 maanden. 5.De kosten van de scholing of opleiding bedragen maximaal € 2.500,00. 6.De werkelijk noodzakelijke kosten van vervoer en kinderopvang die een directe relatie hebben met de scholing als bedoeld in het eerste lid, komen voor een aanvullende vergoeding in aanmerking overeenkomstig de bepalingen in artikel 1.4.10.1 en 3.2.7 van deze beleidsregels. 7.Indien het voor de kansen op werkaanvaarding noodzakelijk wordt geacht, kan in bijzondere individuele omstandigheden worden afgeweken van het bepaalde in het vierde en vijfde lid. 1.3.3.Participatieplaats De hoogte van de premie die iemand met een participatieplaats kan ontvangen is €150 per 6 maanden. 1.3.4.Participatievoorziening beschut werk 1.Er zal zoveel mogelijk worden ingezet op plaatsing bij een reguliere werkgever. Wanneer dit niet mogelijk is en tijdelijk extra inzet noodzakelijk is, kan een persoon met de indicatie beschut werk worden geplaatst bij Scalabor. 2.Het college kan een ondersteuningsvergoeding verstrekken aan een werkgever die een inwoner met de indicatie beschut werk in dienst neemt voor een beschutte baan. 3.De hoogte van de ondersteuningsvergoeding is hetzelfde voor iedere gemeente binnen de arbeidsmarksregio Midden-Gelderland en deze is jaarlijks €9.034 (prijspeil 2024). De ondersteuningsvergoeding is een vast bedrag en is niet gerelateerd aan het aantal uren dat iemand werkzaam is. 4.De werkgever ontvangt geen compensatie voor de achterblijvende omzet. 1.3.5.Loonkostensubsidie gericht op re-integratie 1.3.5.1 Doelgroep Het college kan een incidentele loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever, die een arbeidsovereenkomst aanbiedt aan: een persoon die één jaar of langer een uitkering ingevolge de Participatiewetontvangt; een persoon jonger dan 27 jaar die een half jaar of langer een uitkering ingevolge de wet ontvangt; een belanghebbende van 55 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een half jaar of langer een uitkering ingevolge de wet ontvangt. De beoogde subsidieverlening heeft een incidenteel karakter en betreft geen structurele bekostiging. 1.3.5.2 criteria De werkgever biedt de in het vorige artikel genoemde personen een arbeidsovereenkomst aan met een ingangsdatum die ligt na de inwerkingtreding van deze beleidsregels. De arbeidsovereenkomst heeft een minimale omvang van 28 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden. De werkgever biedt de in artikel 1.5.7.1 van deze beleidsregels genoemde personen een uitbreiding aan op een bestaande arbeidsovereenkomst van minder dan 28 uur. Inclusief de uitbreiding dient de omvang van de arbeidsovereenkomst minimaal 28 uur per week te bedragen voor een periode van tenminste 6 maanden. De arbeidsovereenkomst mag geen uitzendbeding bevatten. Voor zover de arbeidsovereenkomst een detacheringsconstructie betreft, dient in de arbeidsovereenkomst een volledige loondoorbetalingsverplichting te zijn opgenomen voor de duur van de arbeidsovereenkomst in het geval het werk bij de inlener is komen te vervallen. 1.3.5.3 Vereisten aanvraag De aanvraag moet worden ingediend aan de hand van een volledig en juist ingevuld aanvraagformulier. Een aanvraag voor een incidentele loonkostensubsidie dient niet eerder dan een maand vóór de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst te worden ingediend en niet later dan een maand na de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. 1.3.5.4 Weigeringsgronden Het college kan, naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde situaties, een aanvraag voor een incidentele loonkostensubsidie geheel of gedeeltelijk weigeren indien: de concurrentieverhoudingen op de arbeidsmarkt onverantwoord worden beïnvloed; er sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt; er ten behoeve van de werknemer voor wie de incidentele loonkostensubsidie wordt aangevraagd, een structurele loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 17 van de verordening is toegekend; de werkgever reeds de maximale incidentele loonkostensubsidie heeft ontvangen op een arbeidsovereenkomst met dezelfde werknemer als op wie de nieuwe aanvraag betrekking heeft; de gelden niet of in onvoldoende mate worden besteed voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld; de werkgever doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit, die in strijd zijn met de wet, goede zeden en/of het algemeen belang of de openbare orde. 1.3.5.5 Hoogte subsidie Een incidentele loonkostensubsidie bedraagt maximaal € 2.000,00 bij een arbeidsovereenkomst van minimaal 28 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden. Een incidentele loonkostensubsidie van maximaal € 2.000,00 kan door de werkgever voor dezelfde persoon hoogstens één keer worden aangevraagd. Een incidentele loonkostensubsidie bedraagt maximaal € 5.000,00 bij een arbeidsovereenkomst van minimaal 28 uur per week voor een periode van tenminste 12 maanden. Een incidentele loonkostensubsidie van maximaal € 5.000,00 kan door de werkgever voor dezelfde persoon hoogstens één keer worden aangevraagd. Als sprake is van uitbreiding van het aantal uren van een bestaande arbeidsovereenkomst van minstens 6 maanden bij dezelfde werkgever naar minimaal 28 uur per week gedurende tenminste 6 maanden, wordt de hoogte van de incidentele loonkostensubsidie naar rato bepaald op basis van het aantal uitgebreide uren en de duur van de arbeidsovereenkomst. 1.3.5.6 Uitbetaling Om voor uitbetaling van een incidentele loonkostensubsidie in aanmerking te komen dient de werkgever de navolgende stukken te overleggen: een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst; een door de werkgever ondertekende verklaring de-minimissteun; loonstroken waaruit de daadwerkelijke loonbetaling conform de arbeidsovereenkomst aan de werknemer blijkt. De werkgever dient de bewijsstukken als omschreven in het vorige lid in te dienen: uiterlijk 3 maanden na voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst; uiterlijk 3 maanden na afloop van de arbeidsovereenkomst, indien dit een contract is voor minder dan 12 maanden; uiterlijk 15 maanden na de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst, indien dit een contract is voor minimaal 12 maanden dan wel een contract voor onbepaalde tijd. De hoogte van de subsidie wordt afgestemd op het werkelijk aantal maanden of gedeelten van maanden waarover op basis van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen aantal uren ook daadwerkelijk loon is betaald door de werkgever. De incidentele loonkostensubsidie kan lager vastgesteld worden als uit de verantwoordingstukken blijkt, dat de werkelijke loonkosten lager zijn dan de toegekende incidentele loonkostensubsidie. De hoogte van de incidentele loonkostensubsidie wordt ambtshalve vastgesteld, indien de werkgever geen dan wel niet alle relevante loonstroken heeft ingediend alsmede de loonstroken buiten de in dit artikel genoemde termijnen heeft ingediend. 1.3.6.Proefplaatsing 1.Het college kan een proefplaatsing bij een werkgever aanbieden indien dit naar de mening van het college noodzakelijk is voor de inschakeling in de arbeid. 2.De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een reguliere detacherings- of arbeidsovereenkomst bij een werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden de bijstandsgerechtigde een detacherings- of arbeidsovereenkomst aan te bieden. 3.De proefplaatsing wordt aangeboden gedurende maximaal 40 uur per. De bijstandsgerechtigde ontvangt geen beloning en er wordt geen arbeidsovereenkomst aangegaan met de bijstandsgerechtigde. 4.Er kan tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting worden uitgevoerd. 5.Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een werkervaringsplaats is ingezet. 1.3.7Ondersteuning bij het beter beheersen van de Nederlandse taal 1.Aan een bijstandsgerechtigde, die niet beschikt over de vaardigheden van de Nederlandse taal, of deze niet kan aantonen, kan een taaltraject aangeboden worden als deze het aantal plekken dat de gemeente heeft toegekend heeft gekregen bij ROC Rijn IJssel niet overschrijdt. 2.Het taaltraject kan als bereidverklaring van artikel 18b, zesde lid, onderdeel a van de Participatiewet worden beschouwd. 3.Een taaltraject houdt rekening met de vermogens en beperkingen van belanghebbende en bevat in ieder geval de volgende onderdelen: Ingangsdatum van de taalscholing; Vorm van de taalscholing; en Einddatum waarop de vaardigheden Nederlandse taal moeten zijn behaald. 4.De gemeente draagt zorg voor de betaling van de directe kosten van de opleiding van het taaltraject (cursusgeld en boekengeld). De belanghebbende draagt zorg voor de betaling van de overige kosten die gemoeid zijn met het taaltraject (schriften, schrijfgerei, reiskosten en dergelijke). 5.Een taaltraject zal niet worden aangeboden aan een belanghebbende die volledig en duurzaam is ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, inburgeraars of indien er sprake is van een gediagnostiseerd leerprobleem waardoor de belanghebbende niet in staat is om zich de vaardigheden van de Nederlandse taal eigen te maken. 6.Onverminderd de bepalingen van artikel 18b van de wet kan het college een taaltoets bij belanghebbende afnemen indien het vermoeden bestaat dat belanghebbende niet voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden bij het verwerven van de vaardigheden van de Nederlandse taal. 1.3.8Premie vrijwilligerswerk 1.De belanghebbende van 27 jaar of ouder, die onbetaald en onverplicht maatschappelijk nuttige activiteiten verricht bij een organisatie die niet op het maken van winst is gericht, heeft recht op een premie als voldaan is aan de volgende voorwaarden: De activiteiten worden naast of in aanvulling op reguliere arbeid verricht en leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt; De activiteiten mogen de arbeidsinschakeling niet belemmeren; De organisatie verklaart dat belanghebbende de maatschappelijk nuttige activiteiten heeft verricht en dat hij hiervoor geen vergoeding heeft ontvangen, anders dan een reële onkostenvergoeding; Belanghebbende heeft voorafgaande aan de start van het vrijwilligerswerk gedurende een ononderbroken periode van minimaal 36 maanden een uitkering ontvangen. 2.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, wordt een onderbreking, korter dan 1 maanden, niet als onderbreking aangemerkt. 3.Het recht op premie wordt op aanvraag vastgesteld en per 24 maanden verleend. 4.Een aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier. 5.De hoogte van de premie is €15 voor elke maand dat de belanghebbende vrijwilligerswerk heeft gedaan. 6.De premie wordt gerekend tot de vrijgelaten middelen, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. 1.3.9Kinderopvang Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet die vanwege het volgen van een re-integratietraject gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden de hieraan verbonden kosten vergoed voor zover zolang zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.6.3 van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024. 1.3.10Andere voorzieningen en vergoedingen 1.3.10.1 Reiskosten Belanghebbende heeft geen recht op een reiskostenvergoeding als de enkele reisafstand korter is dan 10 kilometer en u in staat bent om deze afstand lopend en/of fietsend af te leggen. Het college vergoedt de eerste 10 kilometer wel als de enkele reisafstand langer is dan 10 kilometer. Het college bepaalt de reiskostenvergoeding op basis van het goedkoopste tarief openbaar vervoer. Reist belanghebbende een of twee keer per week naar uw re-integratietraject, dan is de maximale vergoeding € 187 per maand. Reist belanghebbende drie keer per week of meer naar uw re-integratietraject, dan is de maximale vergoeding € 271 per maand. Het college betaalt de reiskostenvergoeding maandelijks. Het college betaalt de reiskostenvergoeding over de periode die met de belanghebbende is afgesproken (duur van re-integratietraject) Het college betaalt geen reiskostenvergoeding als de belanghebbende niet deelneemt aan het re-integratietraject. Het college betaalt geen reiskostenvergoeding meer als de inwoner niet langer valt onder artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet Het college vordert de reiskostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terug als de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven. 1.3.10.2 Noodzakelijke werkplekaanpassingen De werkplekaanpassing voorziet in de verstrekking van een vergoeding voor de (eenmalige) noodzakelijke kosten van aanpassingen van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht. De kosten worden alleen vergoed voor zover zij niet behoren tot de normale kosten van inrichting van een werkplek en er geen sprake is van een voorliggende voorziening. De vergoeding voor de werkplekaanpassing beperkt zich tot de goedkoopste adequate voorziening. Het college kan een voorziening werkplekaanpassing aanbieden aan een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie en/of een persoon met een structurele functionele beperking, die aan de volgende criteria voldoet: de persoon verricht arbeid in een dienstbetrekking of werkt als zelfstandige; de handicap duurt naar verwachting tenminste een jaar. Het college kan de volgende voorzieningen werkplekaanpassing aanbieden: aanpassingen aan vervoersvoorzieningen; meeneembare voorzieningen; dienstverlening voor blinden, doven of motorisch gehandicapten (intermediaire diensten); aanpassingen op de werkplek bij de werkgever. Een vergoeding voor een aanpassing aan fiets of auto bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 24 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden. Indien sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het vorige lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 12 uur per week gedurende tenminste 6 maanden. Een vergoeding voor een werkplekaanpassing bij een werkgever bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 24 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden. Indien sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het vorige lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 12 uur per week gedurende tenminste 6 maanden. 1.3.10.3 Kosten werkaanvaarding Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, Participatiewet, die uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid voor een periode van tenminste 6 maanden, kan een vergoeding worden gegeven voor de kosten welke direct samenhangen met deze werkaanvaarding. Aannemelijk moet worden gemaakt, dat niet op een andere wijze in de financiering van deze kosten kan worden voorzien. De éénmalige vergoeding bedraagt maximaal € 750,00. 1.4Bijzondere bijstand 1.4.1Geen bijzondere bijstand bij een voorliggende voorziening 1.Het college kent geen bijzondere bijstand toe als er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel passend en toereikend is. 2.Er is geen recht op bijzondere bijstand als de kosten door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. 1.4.2De vorm en de hoogte van de bijstand 1.Het college geeft in het besluit aan in welke vorm de bijzondere bijstand wordt verleend, te weten: om niet (zonder terugbetalingsverplichting), een geldlening, suppletie of borgstelling. 2.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op individuele basis of op basis van normbedragen. Het college sluit aan bij de vastgestelde (geïndexeerde) (norm)bedragen zoals vastgelegd in de Nibud-Prijzengids, tenzij anders is bepaald in deze beleidsregels. 3.Het college kan alsnog meerkosten ten opzichte van de richtprijzen vergoeden, wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk zijn. 4.In gevallen waarin de Nibud-prijzengids niet voorziet, gaat het college uit van de goedkoopste, meest adequate voorziening. 1.4.3Bestedingsverplichting 1.De bijzondere bijstand moet worden besteed aan het doel waarvoor het wordt verstrekt. 2.Het college kan alle verstrekte bijzondere bijstand steekproefsgewijs controleren. 3.Bewijzen van de besteding van de bijzondere bijstand dienen minimaal zes maanden bewaard te worden. 1.4.4Wijze van indiening aanvraag 1.Het college stelt het recht op bijzondere bijstand door middel van een aanvraag vast. 2.De aanvraag wordt schriftelijk ingediend via een daarvoor bestemd aanvraagformulier. 3.Het uitgangspunt is dat de aanvraag wordt ingediend door belanghebbende die een beroep doet op bijzondere bijstand. 1.4.5Moment van indiening aanvraag 1.Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet in beginsel zijn ingediend voordat de kosten worden gemaakt. 2.In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk als aantoonbaar gemaakte kosten niet langer dan 3 maanden voor de aanvraag zijn opgekomen. 1.4.6Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor de periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand waarop de daadwerkelijke kosten zijn opgekomen. 2.Als binnen de vastgestelde periode van 12 maanden een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, blijft de al eerdere vastgestelde draagkracht voor die periode gelden, tenzij er sprake is van een wijziging genoemd in artikel 1.4.7 lid 2 van deze beleidsregels. 3.De draagkracht kan over een afwijkende periode, genoemd in het eerste lid worden vastgesteld als hiervoor aanleiding is. 4.In afwijking op het eerste lid kan de draagkracht voor belanghebbende die algemene bijstand ontvangt, worden vastgesteld voor de duur van de algemene bijstandsperiode. De draagkrachtperiode loopt af op de dag waarop de bijstandsuitkering wordt beëindigd. 5.In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht voor belanghebbenden, die de AOW-leeftijd hebben, voor drie jaar vastgesteld. Voorwaarde is dat wijzigingen in het inkomen en vermogen aan het college worden doorgegeven. 6.In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht voor belanghebbenden, die een Wajong-uitkering, WIA-uitkering of WAO-uitkering hebben en 80% tot 100% arbeidsongeschikt zijn, voor drie jaar vastgesteld. Voorwaarde is dat wijzigingen in het inkomen en vermogen aan het college worden doorgegeven. 7.In afwijking van het eerste lid heeft belanghebbende die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering (Wsnp) dan wel een minnelijke regeling (Msnp) is overeengekomen, geen draagkracht gedurende de looptijd van de sanering respectievelijk minnelijke regeling. 1.4.7Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode 1.Een eenmaal vastgestelde draagkracht voor de duur van één jaar wordt in beginsel niet meer aangepast. 2.In afwijking van het eerste lid kan de draagkracht enkel worden aangepast als er sprake is van een stijging in het (netto) inkomen van 15% of meer, een wijziging in het vermogen waardoor het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens is uitgekomen, of een daling van het inkomen naar 110% van de bijstandsnorm of lager. Dit vindt plaats op initiatief van het college of nadat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gemeld die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de bijzondere bijstand. 1.4.8Draagkrachtpercentage 1.Voor de vaststelling van de draagkracht uit inkomen geldt het volgende: Een belanghebbende met een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) wordt verondersteld geen draagkracht uit inkomen te hebben. Bij een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) wordt 35% van het netto meerinkomen boven de 110% als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen. Onder de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) worden de bijstandsnormen verstaan zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 23 van de Participatiewet, met toepassing van de kostendelersnorm. 2.In uitzondering op lid 1 wordt er voor een aantal kostensoorten uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt ook de volledige draagkracht gebruikt. Het gaat om kostensoorten die weliswaar worden verstrekt als bijzondere bijstand, maar die naar hun aard behoren tot de algemene noodzakelijke kosten of te maken hebben met het betalen van algemene noodzakelijk kosten van bestaan. Voor deze kostensoorten geldt het volgende: 0% van het in aanmerking te nemen inkomen, wanneer het inkomen (exclusief vakantietoeslag) lager of gelijk is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 100% van het in aanmerking te nemen inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag). 3.De uitzondering benoemd in het vorige lid geldt voor de volgende kostensoorten: Levensonderhoud jongmeerderjarigen; Aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen; Bewindvoering, budgetbeheer, curatele en mentorschap; Woonkostentoeslag; Verhuis- en inrichtingskosten; Doorbetaling van huur bij verblijf in inrichting of detentie. 4.Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen geldt er een vermogensvrijlating gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Het vermogen boven dit bedrag wordt voor 100% in aanmerking genomen als draagkracht. 1.4.9In aanmerking te nemen middelen: inkomen 1.Het inkomen dat voor de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen, wordt over de in artikel 1.4.6 eerste lid aangegeven periode, op maandbasis vastgesteld. 2.Bij de vaststelling van het maandinkomen wordt ten aanzien van constante inkomsten uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over de maand voorafgaand aan het tijdstip waarop de in artikel 1.4.6 aangegeven periode van één jaar aanvangt. 3.Bij de vaststelling van het maandinkomen wordt ten aanzien van wisselende inkomsten uitgegaan van het gemiddelde van deze inkomsten over een termijn van ten minste drie maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de in artikel 1.4.6 aangegeven periode van één jaar aanvangt. 4.Niet tot het inkomen (vrijlatingen) van belanghebbende wordt gerekend hetgeen vermeld staat onder artikel 31, lid 2 van de Participatiewet, met inachtneming van artikel 31, lid 5 van deze wet. 5.In afwijking van lid 4 van dit artikel wordt de jonggehandicaptenkorting (artikel 31, lid 2, onder c van de wet) niet tot het inkomen gerekend van de persoon die jonger is dan 27 jaar. 6.Een toegekende individuele inkomenstoeslag (Persoonlijk Minimabudget) en studietoeslag worden bij de berekening van de draagkracht van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt bij de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen. In dat geval wordt de individuele inkomenstoeslag wel meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht. 7.Het deel van het inkomen van belanghebbende waarop beslag ligt, behoort niet tot de in aanmerking te nemen middelen. 1.4.10In aanmerking te nemen middelen: vermogen 1.Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen is artikel 34 van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing. 2.Voor de vaststelling van de waarde van een auto als vermogensbestandsdeel geldt het volgende: Auto's ouder dan 12 jaar worden, ongeacht de waarde, in beginsel niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen, tenzij het gaat om exclusieve auto's of oldtimers; Als een auto jonger is dan 12 jaar, dan wordt de waarde vastgesteld volgens de ANWB-koerslijst waarbij wordt uitgegaan van: De auto met de laagste cataloguswaarde; en De verkoopwaarde bij een autobedrijf met BOVAG-garantie. De waarde van een auto wordt niet meegenomen als vermogensbestanddeel voor zover de waarde van de auto lager is dan € 4.500. Als er geen exacte kilometerstand bepaald kan worden, dan wordt er een schatting gemaakt op basis van de laatst bekende kilometerstand en CBS-cijfers over het gemiddelde jaarkilometrage Nederlandse personenauto's. Als blijkt dat de totale waarde van de vervoermiddelen meer is dan € 4.500, dan wordt enkel het meerdere boven deze grens in aanmerking genomen bij het vaststellen van het vermogen. 3.Als er vermogen in de woning met bijbehorend erf aanwezig is dat hoger ligt dan de grens uit artikel 34, lid 2, onder d van de Participatiewetwet, dan kan bijzondere bijstand in beginsel niet worden verstrekt, tenzij tegeldemaking, bezwaring, of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zoals gesteld in artikel 50, lid 1 van de Participatiewet. 4.Voor zelfstandig ondernemers geldt de vermogensvrijlating genoemd in artikel 3 lid 1 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. 5.In afwijking op artikel 1.4.8 van deze beleidsregels geldt er voor de verlening van bijzondere bijstand voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten en inrichtingskosten geen vermogensvrijlating. Hiervoor moet het volledige beschikbare vermogen op het moment van aanvraag worden aangewend. 1.4.11Drempelbedrag Het college hanteert geen drempelbedrag voor de kosten van bijzondere bijstand. 1.4.12Vorm van bijzondere bijstand 1.Tenzij een van de artikelen anders bepaalt wordt de bijzondere bijstand verstrekt om niet. 2.Bijzondere bijstand kan in de vorm van een geldlening verstrekt worden wanneer: redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; de aanvraag betrekking heeft op de betaling van een waarborgsom; de aanvraag betrekking heeft op de betaling van schulden; de aanvraag betrekking heeft op de betaling van duurzame gebruiksgoederen; 1.4.13Bijzondere bijstand voor medische kosten 1.In beginsel komen medische kosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in het algemeen alle noodzakelijke kosten vergoeden die verband houden met (para)medische behandeling, intensieve zorg en toezicht. Beide regelingen gelden samen als voorliggende voorzieningen die passend en toereikend zijn. 2.Voorzieningen die niet op grond van de Zvw of Wlz worden vergoed, worden beschouwd als niet noodzakelijk. Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten. 3.Voorzieningen kunnen in een aanvullende verzekering worden opgenomen. Als een aanvrager bijzondere bijstand aanvraagt voor voorzieningen waarvoor hij verzekerd had kunnen zijn maar dit niet het geval is, dan wordt dit gezien als een bewust genomen risico van de aanvrager zelf. Er is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten. 4.Alleen bij zeer dringende redenen kan er bijzondere bijstand voor medische kosten worden verstrekt. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het bedrag dat ontvangen zou zijn wanneer aanvrager wel aanvullend verzekerd was geweest, tenzij van belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij voor deze kosten een aanvullende verzekering heeft afgesloten. Op het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, wordt de hoogte van de vergoeding vanuit de aanvullende zorgverzekering van de aanvrager in mindering gebracht. 5.Bij het verlenen van bijzondere bijstand voor medische kosten wordt gekeken naar de goedkoopste en meest adequate (noodzakelijke) oplossing en niet naar de gewenste (duurdere) oplossing. 6.Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het verschuldigde wettelijke eigen risico en het vrijwillig afgesloten eigen risico. 1.5Meedoenregeling De Meedoenregeling in Overbetuwe werkt met punten. Ieder thuiswonend kind (4-17 jaar) en meerderjarige (18 jaar en ouder) ontvangt punten waarmee gebruik gemaakt kan worden van producten en diensten die via www.meedoeninoverbetuwe.nl kunnen worden aangeschaft. Punten worden beschikbaar gesteld aan personen die voldoen aan de voorwaarden die in artikel 1.5.1 worden beschreven. 1.5.1Recht op de meedoenregeling 1.Een alleenstaande of een gezin heeft recht op de toegang tot de Meedoenregeling: voor zover het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de op de belanghebbende(

  1. n)van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de Participatiewet, inclusief eventuele toeslagen en verlagingen op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3 van de Participatiewet; als zij op het moment van aanvraag, Nederlander zijn of hieraan gelijkgesteld zijn op grond van de wet; én ingeschreven is in het Basisregister Personen van de gemeente Overbetuwe 2.Bij vaststelling van het inkomen wordt de vermogenstoets, zoals omschreven in artikel 31 van de Participatiewet, toegepast met uitzondering op het vermogen in de vorm van een woning. Deze wordt niet meegerekend; 3.De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing bij de bepaling van het recht op de Meedoenregeling. 4.Deelnemers aan het wettelijk traject van het Wsnp of aan minnelijke regelingen overeenkomstig de Wsnp (schuldbemiddeling en saneringskredieten van kredietbanken) worden geacht te voldoen aan de inkomenseis als bedoel in het eerste lid onderdeel a. 5.Studenten komen niet in aanmerking voor de Meedoenregeling tenzij zij alleenstaande ouder zijn. 1.5.2.Wijze van aanvragen Een aanvraag om toegang tot de meedoenregeling wordt ingediend via www.meedoeninoverbetuwe.nl 1.5.3.Punten Burgemeester en wethouders kennen via het account punten toe aan rechthebbenden. Toegekende punten zijn; tot een vooraf aangegeven datum in december van een kalenderjaar te besteden; niet uitkeerbaar in geld; niet te sparen of over te hevelen naar een opvolgend jaar Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks het aantal punten en het bedrag dat deze vertegenwoordigen vast. 1.5.4.Einde recht op Meedoenregeling Het recht op de Meedoenregeling eindigt aan het einde van het kalenderjaar als houder van een account op enig moment in dat jaar niet meer voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1.5.1, eerste lid. 1.6bijzondere bijstand levensonderhoud jongmeerderjarigen 1.6.1Zelfstandig wonende jongeren 1.In het geval dat een jongmeerderjarige zelfstandig woont kan recht op aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud bestaan. 2.Het college past voor een jongmeerderjarige de jongerennorm toe die, op grond van de wet van toepassing is op alleenstaanden van 21 jaar en ouder die zelfstandig wonen. 1.6.2Jongeren in een inrichting 1.In het geval dat een jongmeerderjarige in een inrichting verblijft kan recht op bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud bestaan. 2.Het college past voor een jongmeerderjarige de norm toe die op grond van de wet van toepassing is op personen van 21 jaar en ouder die in een inrichting verblijven. 1.6.3Wonen met zorg 1.Een inwoner die gebruik maakt van wonen met zorg en die zelf verantwoordelijk is voor betaling van huur en levensonderhoud wordt gezien als zelfstandig wonend. 2.In geval een inwoner woont met zorg past het college de norm toe als bedoeld in artikel 21 van wet. 1.6.4Criteria voor de toekenning van bijzondere bijstand De volgende criteria ten aanzien van de kosten worden gehanteerd en in onderstaande volgorde: De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd doen zich voor/ zijn aantoonbaar. De kosten zijn in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk. De kosten vloeien voort uit bijzondere individuele omstandigheden. De kosten kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. 1.6.5Onderhoudsplicht ouders De aanvraag van een jongmeerderjarige wordt afgewezen indien niet aannemelijk is gemaakt dan wel aantoonbaar dat de hulp is ingeroepen van ouders om bij te dragen aan het levensonderhoud. 1.6.5Afwezigheid van draagkracht bij ouders Van ouders van jongmeerderjarigen wordt verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het levensonderhoud van jongmeerderjarigen. Het college gaat voor onderstaande categorieën personen uit van de afwezigheid van de mogelijkheid om bij te dragen aan het levensonderhoud omdat er geen draagkracht uit inkomen aanwezig is: personen met een uitkering op grond van de wet; personen met een IOAW- of IOAZ-uitkering; personen met een inkomen van maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm uit een andere inkomstenbron, inclusief vakantietoeslag. 1.6.7Draagkrachtberekening 1.Bij ouders met een meerinkomen boven 120% van de bijstandsnorm worden de volgende componenten in mindering gebracht op het meer inkomen 10% van de norm voor elk ander kind waarvoor de ouder zorg draagt; woonkosten boven de normhuur plus de huurtoeslag, zoals bepaald in de Wet op de huurtoeslag; woonkosten bij hypotheek: woonkosten boven de normhuur plus de hypotheekrenteaftrek van de belastingdienst; de ziektekostenpremie boven de zorgtoeslag 2.Van het meer inkomen dat resteert na toepassing van het eerste lid wordt 35% in aanmerking genomen als beschikbare draagkracht waarmee in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige kan worden voorzien. 3.Het bedrag dat door toepassing van het tweede lid als draagkracht wordt aangemerkt wordt in mindering gebracht op te verstrekken bijzondere bijstand aan de jongmeerderjarige. 4.Bij een draagkracht uit inkomen van minder dan € 25 per maand wordt geen bedrag in mindering gebracht op te verstrekken bijzondere bijstand aan de jongmeerderjarige. 5.Draagkracht wordt eenmalig vastgesteld. De periode van geldigheid eindigt van rechtswege bij het beëindigen van de bijzondere bijstand of het bereiken van de 21-jarige leeftijd van de jongmeerderjarige. 1.6.8Afzien van draagkrachtberekening In de onderstaande situaties wordt afgezien van een draagkrachtberekening van ouders om de hoogte van bijzondere bijstand te bepalen: indien naar het oordeel van het college aannemelijk is gemaakt door de aanvrager dat er sprake is van een verstoorde verhouding; inden de jongmeerderjarige naar het oordeel van het college niet meer thuis kan wonen; indien de jongmeerderjarige langer dan 2 jaar zelfstandig woont; indien de jongmeerderjarige in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst; indien de aanvraag wordt ingediend door een jongmeerderjarige die binnen 6 maanden vanaf datum van de aanvraag 21 jaar oud is; 1.6.9Ouders die wel kunnen maar niet willen bijdragen aan levensonderhoud Het college verhaalt de bijzondere bijstand of een deel ervan bij de ouders indien: na toepassing van de draagkrachtberekening blijkt dat er draagkracht bij ouders aanwezig is en; de ouder(
  2. s)naar oordeel van het college onwillig zijn om deze bijdrage te leveren. 1.7Giften en Participatiewet 1.7.1Vrij te laten giften 1.Giften worden niet tot de middelen gerekend als deze worden verstrekt voor kosten waarvoor in algemene zin bijzondere bijstand kan worden verleend. 2.Giften worden niet tot de middelen gerekend als deze worden verstrekt voor noodzakelijke kosten of voor medisch noodzakelijke kosten. Dit geldt alleen als de levensstandaard hierdoor niet wordt verhoogd. 3.De giften die genoemd zijn in dit artikel tellen niet mee voor de maximale bedragen als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van deze beleidsregel. 4.De waarde van ontvangen giften zoals bedoeld in artikel 3 en 4 wordt bij elkaar opgeteld. Per kalenderjaar wordt een totale waarde van €1500,- vrijgelaten. 1.7.2Giften in natura 1.Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank en andere soortgelijke instellingen worden niet tot de middelen gerekend. Hiervoor geldt geen meldingsplicht. 2.Overige giften in natura die per kalenderjaar niet boven een waarde van € 1.500,- komen worden niet tot de middelen gerekend. Overige giften in natura dienen gemeld te worden door de belanghebbende. 3.De waarde van de giften in natura die in een kalenderjaar boven het vrij te laten bedrag van € 1.500,- uitkomt wordt aangemerkt als vermogen. Dit wordt meegeteld met het maximaal vrij te laten vermogen. 4.De aanmerking als vermogen blijft achterwege als dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een gift in natura wordt gedaan in de vorm van een medisch hulpmiddel dat noodzakelijk is voor het functioneren van belanghebbende (of één van zijn gezinsleden) of als sprake is van noodzakelijke duurzame gebruiksartikelen. 1.7.3.giften zonder bepaalde bestemming Giften die vrij besteedbaar zijn en in een kalenderjaar niet meer dan € 1.500,- bedragen worden niet tot de middelen gerekend. Het meerdere wordt aangemerkt als vermogen. 1.7.4.giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag 1.Giften die worden verstrekt in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag en die niet meer bedragen dan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm per maand, worden niet tot de middelen gerekend. 2.Het meerdere boven de bijstandsnorm per maand voor belanghebbende wordt tot de middelen gerekend. 1.7.5.Giften in verband met schulden 1.Een gift die aantoonbaar en onherroepelijk wordt besteed aan de afbetaling van een problematische schuld, die is ontstaan in een periode voor aanvang van de bijstandsverlening, wordt niet tot de middelen gerekend. 2.Een schuld is problematisch als deze niet binnen 36 maanden terugbetaald kan worden of als deze ontstaan is door een acute noodsituatie. 1.7.6.Giften van werkgevers Giften van werkgevers worden niet tot de middelen gerekend, als deze onbelast voor belanghebbende zijn. 1.7.7.Schadevergoeding 1.Schadevergoeding die belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet tot de middelen gerekend, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade. 2.De schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft. 3.Bij het vaststellen van het vermogen na de ontvangst van een immateriële schadevergoeding wordt 2/3 deel van het bedrag van de immateriële schadevergoeding in aanmerking genomen als vermogen. Tenzij op grond van individuele omstandigheden tot een andere vrijlating moet worden gekomen. 1.8Studietoeslag 1.8.1.Structurele medische beperking 1.Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie. 2.Structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen. 3.Er is in ieder geval, maar niet limitatief, geen sprake van een structurele medische beperking bij: mantelzorg; een gebroken arm of been; kortdurende beperkingen; beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken. 1.8.2Voorwaarden Er bestaat recht op studietoeslag als belanghebbende: als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven; studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder; geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong. 1.8.3.Aanvraag 1.De aanvraag voor studietoeslag wordt schriftelijk ingediend via het aanvraagformulier studietoeslag. 2.Belanghebbende verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken: een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF op een tegemoetkoming op grond van de WTOS; bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt. 3.Belanghebbende kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom belanghebbende niet kan werken naast de studie. 1.8.4.Toekennen en uitbetalen 1.Als door het college is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 2.In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als: belanghebbende daarom verzoekt; en belanghebbende over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag. 3.In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen: voor 1 april 2022; 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 4.De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. 5.De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald. 1.8.5.Hoogte studietoeslag 1.De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021. 2.Het recht op een hogere studietoeslag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop de belanghebbende jarig is. 1.8.6.Medisch advies 1.Het college is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking. 2.Het college vraagt het medisch advies aan bij Ausems en Kerkvliet Arbeidsmedisch Adviseurs B.V. 3.In afwijking van lid 1 kan het college alleen een medisch advies achterwege laten als: direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking; belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3 van deze Beleidsregel. 1.8.7.Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken. 2Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Om vanuit de Wmo voor de inwoner tot de meest passende oplossing te komen is een afwegingskader nodig. Deze beschrijven we in deze beleidsregels. Elke ondersteuningsbehoefte wordt vanuit dezelfde invalshoek benaderd. Deze invalshoek is beschreven in deze beleidsregels. Voor een passende oplossing spelen de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner altijd een nadrukkelijke rol. 2.1Eigen kracht en algemene uitgangspunten Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hoe ze hun leven inrichten. Eigen kracht is een mogelijkheid die inwoners hebben om hun leven zelf vorm te geven en problemen zelf op te lossen zodat ze zelfredzaam zijn en beter mee kunnen doen. Als het niet goed lukt om mee te doen in de samenleving, kijkt de gemeente eerst naar wat iemand nog wel kan. Dat gebeurt op basis van de bestaande wetten. We noemen dit eigen kracht. Voorbeelden hiervan zijn: Het zelf inschakelen van een vrijwilliger. Een beroep doen op andere wet- en regelgeving. Hieronder beschrijven we hoe we omgaan met de Wmo en de wetten waarmee veel raakvlakken zijn: de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet. Daarnaast geldt ook voor andere, niet nader benoemde wetten, dat wanneer een inwoner hierop beroep kan doen om de beperkingen weg te nemen, dit als een passende oplossing wordt gezien. Het zelf herinrichten van de woning of het verplaatsen van voorwerpen zodat de inwoner beter in zijn eigen woning kan leven. Binnen de mogelijkheid zelf herinrichten van de woning of het verplaatsen van voorwerpen zodat het wonen beter wordt. Het zelf aanschaffen van een voorziening. De gemeente mag vragen om een algemeen gebruikelijke voorziening zelf te financieren. Als een inwoner dit zelf kan organiseren, dan is dat ook een passende oplossing. Samen met de inwoner kan gekeken worden of er geen voorliggende en eerstelijnsvoorzieningen zijn om de inwoner fysiek sterker en mentaal weerbaarder te maken met de inzet van bijvoorbeeld fysio- of ergotherapie. 2.1.1Algemene gebruikelijke en algemene voorzieningen Bepaalde voorzieningen en diensten zijn ook voor een inwoner zonder ondersteuningsvraag vaak gewoon beschikbaar. Als dat zo is, dan worden deze niet vanuit de Wmo verstrekt. Algemeen gebruikelijk Een voorziening kan als algemeen gebruikelijk gezien worden als deze niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Het dient een passende bijdrage te leveren aan het opheffen van de ervaren beperkingen en moeten ook financieel gedragen kunnen worden voor iemand met een inkomen op minimumniveau. Van dit laatste is sprake wanneer de kosten van het hulpmiddel binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten zijn (niet uitputtend): Boodschappenservice van supermarkten; Maaltijdvoorziening zoals tafeltje-dek-je; Openbaar vervoer; Wasmachine Wasdroger Eenhendelmengkranen Thermostatische mengkranen Centrale verwarming Verhoogd toilet Douchekop op glijstang Handgrepen/wandbeugels bij douche en toilet Douchekruk/badplank Toiletverhoger Fiets met trapondersteuning Drempelhulpen Algemene voorziening Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten door of via de gemeente zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn dus voorzieningen die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen kunnen wel een oplossing zijn. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn een klussendienst, was- en strijkservice, maaltijdvoorziening, scootmobielpool, maar ook het algemeen maatschappelijk werk, bibliotheek of buurthuis. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente. Wel moet een algemene voorziening: daadwerkelijk beschikbaar zijn; door de inwoner financieel gedragen kunnen worden; adequate compensatie bieden. 2.1.2Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de ondersteuning die huisgenoten worden geacht elkaar te bieden, omdat zij een gemeenschappelijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Het is de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders, inwonende kinderen of andere volwassen huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voorwaarde is dat degene die de hulp moet bieden beschikbaar is en voldoende draagkrachtig is. Gebruikelijke hulp mag niet leiden tot overbelasting. En degene kan het doen omdat het niet om specialistische hulp gaat. Hulp door jonge huisgenoten Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt: Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden. Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafeldekken /afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien). Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafeldekken /afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen). Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de inwoner deze door een beperking niet uit kan voeren. Indien men aangeeft vaardigheden te missen of dat men het niet gewend is, maar verder wel gezond is, is dat geen reden voor een maatwerkvoorziening. Men kan degene met instructies de benodigde vaardigheden leren. Het hebben van een baan ontslaat iemand niet van de plicht om gebruikelijke hulp te bieden. Dit geldt niet als degene tenminste 7 etmalen van huis is voor werk en het werk een verplichtend karakter heeft. 2.1.3.Aanspraak op grond van een andere wet is voorliggend Is de inwoner voor zorg aangewezen op een andere wet dan gaat deze voor en hoeft de gemeente geen Wmo-voorziening te verstrekken. 2.1.3.1 Wet langdurige zorg (Wlz) Voor de Wlz komt iemand in aanmerking als degene blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg of zorg in de nabijheid. Weigert een inwoner mee te werken aan een aanvraag voor een Wlz-voorziening, als hij daar mogelijk recht op heeft, dan is de gemeente niet verplicht een Wmo-voorziening te verstrekken. De gemeente moet dan wel kunnen aantonen dat de inwoner, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en de gemeente, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen. De gemeente kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. De gemeente kan dan voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven. Goed motiveren De gemeente moet goed kunnen motiveren dat zij denkt dat de inwoner een indicatie op grond van de Wlz zou kunnen krijgen. Bij dit vermoeden legt de gemeente de situatie van de inwoner anoniem voor bij het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg). Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie, heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de inwoner aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie. Uitzonderingen: Vervoer, hulpmiddel en woningaanpassing De gemeente is wel verplicht een hulpmiddel te verstrekken en een woning aan te passen voor inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen. Dit geldt ook voor sociaal recreatief vervoer. Bezoekbaar maken van een woning Wanneer de inwoner in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. 2.1.3.2 Zorgverzekeringswet (Zvw) De Zvw regelt het recht op medisch noodzakelijke (psychische, verslavings)zorg. In welke mate en waarvoor iemand precies verzekerd is, staat in de verzekeringspolis van degene. Het gaat dan om behandeling. Dit is zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten en klinisch-psychologen plegen te bieden. Soms kan begeleiding vanuit de gemeente aanvullend zijn. De begeleiding is dan gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven. Daarbij zal het vaak gaan om het ondersteunen bij het laten uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen door de inwoner zelf, zoals omschreven in artikel 2.3.4. 2.1.3.3 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht. 2.1.4Maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening is een voorziening of dienst die zoveel mogelijk is afgestemd op de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner. Maatwerkvoorzieningen zijn alleen beschikbaar via een besluit vanuit het college. In 2.6 staat meer uitleg over de maatwerkvoorziening. 2.2Vervoer 2.2.1Algemene en voorliggende voorzieningen Vrijwillige chauffeurs Als voorliggende voorziening in Overbetuwe is de Algemene Hulpdienst beschikbaar. Dit is een vervoersregeling waarbij vrijwilligers met hun eigen auto tegen een onkostenvergoeding andere inwoners vervoeren. Het vervoer is bedoeld voor iedereen in Overbetuwe die niet of moeilijk gebruik kan maken van openbaar vervoer en ook niet beschikt over andere mogelijkheden van vervoer. Er wordt ook begeleiding en ondersteuning geboden. Het vervoer is onder andere om boodschappen te doen, van en naar medische afspraken, of naar andere locaties te gaan. Collectief taxivervoer Collectief taxivervoer is een algemene voorziening waarbij meerdere mensen tegelijkertijd worden vervoerd. De inwoner betaalt een ritbijdrage en wordt er van deur tot deur vervoerd. Zorgverzekering In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit het basispakket het vervoer van en naar een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de aandoening (bijv nierdialyse, oncologische behandelingen etc) die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer. 2.2.2Maatwerkvoorzieningen Wmo-vervoerspas Reizigers die vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer zelfstandig kunnen reizen ontvangen een Wmo-vervoerspas. Men kan dan tegen reductie gebruik maken van het collectief vervoer. De inwoner reist binnen de regio (25 kilometer enkele reis) van deur tot deur, van en naar een opstapplaats of een halte van het openbaar vervoer. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen die zelfstandig of met begeleiding kan reizen, bijvoorbeeld omdat de inwoner niet goed mobiel is of omdat de gewone bus ’s-avonds niet rijdt. Het gaat hierbij om sociaal vervoer, bijvoorbeeld familiebezoek, het onderhouden van sociale contacten en deelnemen aan (sociale) activiteiten. Voor reizen van meer dan 25 km (enkele reis) kan men gebruik maken van Valys. Begeleiding bij vervoer Soms is het nodig, op grond van de ernst van iemands beperking, dat een medisch of sociaal begeleider meegaat. Dat is vaak iemand uit het sociaal netwerk. De medische begeleiding is verplicht. Degene betaalt daarvoor geen ritbijdrage. Sociaal begeleider is niet verplicht, maar kan gewenst zijn. Degene betaalt dan 50% van de Wmo-ritbijdrage. Andere vervoersvoorzieningen Collectief vervoer is niet altijd een passende oplossing. Alleen als collectief vervoer geen passende oplossing biedt zijn er andere mogelijkheden, voorbeelden hiervan zijn: 2.2.2.1 Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel Als de inwoner zijn of haar vervoersbehoefte op korte en middellange afstanden niet kan invullen met bijvoorbeeld een fiets, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel. Het gaat dan bijvoorbeeld om een driewielfiets of een handbike. 2.2.2.2 Scootmobiel Een scootmobiel kan een oplossing zijn voor vervoersbehoeften op korte en middellange afstanden. Voor een scootmobiel moet de inwoner de rijvaardigheid van een beginnend bestuurder hebben. Het college onderzoekt voor verstrekking de rijvaardigheid van de inwoner. Ook na verstrekking kan het college in het kader van een heronderzoek de rijvaardigheid onderzoeken. Wanneer de inwoner niet de rijvaardigheid heeft die nodig is, trekt het college de indicatie in en moet degene het voertuig inleveren. Wanneer een inwoner niet de nodige rijvaardigheid bezit, maar wel in staat is dit te leren wordt de inwoner erop gewezen dat men gebruik kan maken van de 1e lijns ergotherapie. De ergotherapeut is voorliggend aan de Wmo. Het initiatief ligt dan vervolgens bij de inwoner of men hier gebruik van maakt. Heeft het college tijdens de Wmo-onderzoeksfase behoefte aan advies van een ergotherapeut, dan ligt het initiatief bij gemeente en zijn de kosten voor de gemeente. De leverancier verzorgt een eerste toets/ gewenningles en eventueel een extra les. Stalling Voor het gebruik van een vervoersvoorziening met elektrische ondersteuning (zoals bijvoorbeeld een scootmobiel) of driewielfiets, moet de inwoner geschikte stallingsruimte of mogelijkheden hebben om deze te realiseren. Een geschikte stallingsruimte is droog en afgesloten. Dit kan bijvoorbeeld een schuur zijn. Een hal of parkeergarage van een appartementencomplex kan ook een geschikte stallingsruimte zijn. De veiligheid van het complex mag niet in gevaar worden gebracht door het parkeren van de vervoersvoorziening. Het college kan een maatwerkvoorziening voor het realiseren van een geschikte stallingsruimte indiceren. 2.2.2.3 Aanpassingen en meerkosten van een auto Wanneer een inwoner een eigen auto heeft, maar deze vanwege zijn of haar beperkingen niet kan gebruiken, kan een aanpassing van de auto een passende oplossing zijn. Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor de noodzakelijke aanpassingen. Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe voor aanpassingen die niet standaard door de fabriek meegeleverd kunnen worden. Voor aanpassingen en vergoeden van meerkosten van auto’s geldt een aantal afwegingskaders: Het college kent geen maatwerkvoorziening voor een autoaanpassing toe wanneer de inwoner een adequate auto had, maar deze heeft ingeruild voor een inadequate auto. Het college onderzoekt of er sprake is van aantoonbare meerkosten als gevolg van de beperkingen van de inwoner. Als dat zo is, kan de inwoner een maatwerkvoorziening ontvangen. Het college kent geen vergoeding toe voor aanpassingen die algemeen gebruikelijk zijn. Of en in hoeverre er sprake is van meerkosten beoordeelt het college aan de hand van de situatie van de inwoner en de hoeveelheid extra verplaatsingen op de korte afstand die de inwoner als gevolg van zijn of haar beperking met de auto moet maken. Het college onderzoekt daarbij of deze extra verplaatsingen op een andere manier, bijvoorbeeld met het collectief vervoer, gemaakt kunnen worden. Zolang de maatwerkvoorziening of de auto technisch voldoet kent het college geen nieuwe maatwerkvoorziening toe. 2.2.2.4 Sportvoorzieningen Met het verstrekken van een sportvoorziening kan het college bereiken dat een inwoner in staat wordt gesteld om in redelijke mate mensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan. Voorwaarden Wanneer een sportvoorziening voor topsport wordt aangevraagd, wordt dit gecompenseerd tot het niveau van het kunnen uitoefenen van de sport. Er wordt dan uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening om de betreffende sport uit te kunnen oefenen. Specifieke eisen en extra’s aan een voorziening voor gebruik voor topsport worden hierin niet meegenomen. Sportvoorzieningen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Wanneer een inwoner meerkosten heeft door zijn of haar beperkingen verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening voor de meerkosten. Het college verstrekt pas een nieuwe sportvoorziening wanneer de oude technisch is afgeschreven. Hierop is een uitzondering: wanneer er veranderingen zijn in het functioneren van de inwoner. 2.3Individuele begeleiding en groepsbegeleiding Begeleiding aan de inwoner kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, kijken we naar de meest passende goedkoopste oplossing. Dit betekent dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar begeleiding in een groep. Begeleiding in het algemeen gericht op ondersteuning zodat de inwoner: Voor zichzelf kan zorgen c.q. de regie voeren over de zelfzorghandelingen; Het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie; Het vermogen heeft om zelf structuur in de dag aan te brengen; Zelf besluiten kan nemen en hierin regie kan voeren; Een evenwichtig dag- en nachtritme heeft; Ontlasten van de mantelzorger. Het ontlasten van mantelzorgers heeft als beoogd resultaat dat de mantelzorger de ondersteuning thuis kan volhouden en intensievere maatwerkondersteuning of opname in een intramurale instelling wordt voorkomen, of op zijn minst uitgesteld. Het ontlasten kan door middel van kortdurend verblijf, maar ook door begeleiding in de thuissituatie of dagbesteding. 2.3.1Individuele begeleiding Individuele begeleiding is een vorm van ondersteuning voor mensen die moeite hebben met het uitvoeren van normale dagelijkse handelingen en activiteiten. Dit kan worden ingezet om een inwoner te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Individuele begeleiding kan ook verstrekt worden voor het oefenen van vaardigheden of handelingen. 2.3.1.1 Begeleiding basis Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor: Inwoners met een verstandelijke, lichamelijk/somatische of geriatrische beperking of een combinatie daarvan; En sprake is van: redelijk constant gedrag. beperkt regieverlies en/of beperkte gevolgen voor het dagelijks leven. voorspelbare situaties. een nog redelijk actieve inwoner. dat de inwoner redelijk inzicht heeft in eigen beperking/ziekte. stabiel medicatiegebruik. 2.3.1.2 Begeleiding specialistisch Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor: Inwoners met alleen een verstandelijke, lichamelijk/somatische of geriatrische beperking, of een combinatie van beide waarbij sprake is van: zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. zeer snel (psychisch) uit balans (met bijvoorbeeld psychoses tot gevolg). ernstig regieverlies en grote gevolgen voor het dagelijks leven. als inwoner veelal passief/ zeer beperkt actief is. als inwoner geen of beperkt ziekte-inzicht heeft. Begeleiding naast behandeling Behandeling is voorliggend op begeleiding op grond van de Wmo. Begeleiding die tot de behandeling behoort valt onder de Zvw, zoals begeleiding die door een behandelend specialist moet worden geboden. Begeleiding waarvoor geen deskundigheid op niveau van een behandelaar vereist is en die gericht is op het bevorderen van voldoende regie om zichzelf te kunnen redden en meedoen aan de samenleving, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, valt wel onder de Wmo. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het motiveren tot behandeling, het stimuleren tot zelfzorg en het stimuleren tot medicatie-inname. 2.3.2Groepsbegeleiding Groepsbegeleiding is begeleiding in groepsverband die overdag plaatsvindt, op een locatie buiten de woonsituatie. Groepsbegeleiding bestaat uit activiteiten waarbij de vaardigheden van een inwoner worden getraind of onderhouden zodat degene zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat hierbij om vaardigheden met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een belangrijke afweging om voor groepsbegeleiding te kiezen is dat ingeschat wordt dat begeleiding van de inwoner in een groep passender is dan individuele begeleiding. We kennen 2 vormen van groepsbegeleiding: Stabiel, hier ligt de focus op het stabiel houden van de situatie van de inwoner. Er is geen concreet ontwikkeldoel geformuleerd. Ontwikkeling, nadruk ligt op het actief verbeteren of voorkomen van verslechtering van de zelfredzaamheid van de inwoner. Er zijn concrete ontwikkeldoelen geformuleerd voor de inwoner. Een voorwaarde hiervoor is dat de degene leerbaar/stuurbaar is. Bij inwoners met beginnende dementie kan Groepsbegeleiding Ontwikkeling alleen worden ingezet met de doelstelling voorkomen van verslechtering. Voor inwoners met dementie is groepsbegeleiding ontwikkeling passend. Vervoer Er wordt altijd eerst gekeken naar vervoersmogelijkheden die voorliggend zijn op het maatwerkvervoer. Het lokale team onderzoekt of de inwoner zelfstandig, met behulp van het netwerk of met behulp van een voorliggende voorziening zich naar de groepsbegeleidingslocatie reizen. Als dat niet zo is, dan kan vervoer worden geïndiceerd. Gecombineerd aanbod Op basis van het zorgdoel van de inwoner kunnen individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband gecombineerd worden aangeboden. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding groep, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Het gaat dan om personen voor wie op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. 2.3.3Arbeidsmatige dagbesteding (activerend werk) Bij arbeidsmatige dagbesteding staat het bieden van zinvolle arbeid en ontwikkeling van arbeidsvaardigheden centraal. Het doel is om mensen te laten meedoen aan de samenleving en een gevoel van eigenwaarde te geven. Activiteiten zijn gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het verrichten van arbeid, zoals samenwerken, plannen en organiseren, en het uitvoeren van taken en waar mogelijk - en indien relevant - doorstromen naar vormen van betaalde arbeid. 2.3.4Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging wordt geïndiceerd wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding en alleen voor het gedeelte dat niet onder voorliggende wetgeving zoals de Zvw of Wlz valt. De ondersteuning kan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg, waaronder: in en uit bed komen; aan- en uitkleden: persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid; toiletbezoek; eten en drinken. Het gaat niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de inwoner, maar om degene aan te sporen en te ondersteunen deze handelingen zelf te uit te voeren. Dit geldt veelal voor inwoners die over weinig tot geen regie beschikken. De aanspraak op persoonlijke verzorging houdt verband met de zelfredzaamheid van de inwoner en ligt zodoende in het verlengde van begeleiding. 2.4Veilig en zelfstandig wonen Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als degene zulke problemen ervaart en niet zelf kan oplossen, kan de gemeente ondersteuning bieden. 2.4.1Wonen Wanneer een inwoner belemmeringen ervaart in het normale gebruik van zijn of haar woning zijn er twee typen maatwerkvoorzieningen die een passende oplossing kunnen bieden: verhuizen; woonvoorzieningen. 2.4.1.1 Verhuizen Verhuizen naar een andere woning kan een passende oplossing zijn voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. De gemeente zoekt hierbij samen met de inwoner wat mogelijk is en gaat hierbij uit van de goedkoopst adequate oplossing. Wanneer verhuizen een passende oplossing is en het goedkoper is dan het aanpassen van de huidige woning van de inwoner kan het college in overleg met de inwoner ervoor kiezen om een pgb voor verhuizen te verstrekken. Voor de verhuiswagen en manuren kan de inwoner offertes opvragen. 2.4.1.2 Woonvoorzieningen Woonvoorzieningen zijn de andere maatwerkvoorzieningen voor het oplossen van ervaren belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij maken we onderscheid tussen de losse woonvoorzieningen zoals douchestoelen, tilliften en losse woonunits en de zogenaamde woningaanpassingen. Woningaanpassingen zijn bouwkundige en woon-technische woonvoorzieningen zoals trapliften, creëren van een doucheruimte of een aanbouw. Resultaat Bij de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een maatwerkvoorziening is het college erop gericht dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. De inwoner heeft daarbij de mogelijkheid om de elementaire woonfuncties te kunnen verrichten met onder andere de volgende resultaten: Het kunnen slapen, eten en verrichten van lichaamsreiniging; Het verrichten van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden; Het kunnen koken en het gebruiken van de keuken; Het kunnen maken van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning; Het hebben van toegang tot de woning. Toestemming Voor een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft geen toestemming te worden gevraagd aan de eigenaar van de woning, wanneer de inwoner niet zelf de eigenaar is. Wel moet de eigenaar gehoord worden over een aanpassing. Wanneer aan een inwoner geen beschikking wordt verleend voor een woningaanpassing omdat de klachten op moment van aanvraag nog niet ernstig (genoeg) zijn, kan hij besluiten alsnog de gevraagde aanpassing zelfstandig uit te voeren. Hiervoor is toestemming van de eigenaar nodig. Verhuurder mag deze toestemming weigeren als de woning door de aanpassing minder goed verhuurbaar is, of als deze een negatief effect heeft op de woningwaarde. Een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft niet te worden verwijderd door de inwoner of de gemeente wanneer degene uit de woning vertrekt. Alleen bij bruikleen van een voorziening wordt deze bij een verhuizing verwijderd. 2.4.1.3 Afwegingskader wonen en verhuizen Hieronder wordt beschreven hoe het college afwegingen maakt rondom woonvoorzieningen. Wanneer een inwoner langdurig een hulpmiddel nodig heeft om zich binnen de woning te verplaatsen, kan deze mogelijk vanuit de Wmo verstrekt worden. Wanneer er sprake is van zorg voor een beperkte of onzekere duur of wanneer een transferhulpmiddel gericht is op het verplaatsen in bed, kan degene gebruik maken van de Zvw. Als uitbreiding van de woning de goedkoopst passende oplossing is voor de ondersteuningsbehoefte onderzoekt het college als eerste of een woonunit een passende oplossing is. Is dit niet het geval dan wordt een aanbouw of verbouwing onderzocht. Wanneer de inwoner is verhuisd vanuit een geschikte woning naar een ongeschikte woning, zet het college hier in principe geen nieuwe maatwerkvoorziening in op het gebied van wonen, tenzij er een belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is en er geen andere geschikte woning beschikbaar is. Een belangrijke reden kan zijn: een echtscheiding; een huwelijk. Wanneer een inwoner een aanpassing van een woonwagen of woonschip aanvraagt, onderzoekt het college altijd hoelang de standplaats of ligplaats nog ter beschikking blijft voor de inwoner. Hiermee wordt een afweging gemaakt of een aanpassing van een woonwagen of woonschip een langdurig passende oplossing biedt. Wanneer een inwoner in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking woont, dan verwacht het college dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. De eigenaar van de woning is in deze gevallen ook verantwoordelijk voor woonvoorzieningen in de gemeenschappelijke ruimte. Hier kent het college geen woonvoorzieningen van bouwkundige of woon-technische aard voor toe. 2.4.1.4 Sanering van een woning Bij een woningsanering gaat het om het vervangen van stoffering in de woning. Voor een vergoeding vanuit de Wmo moet de sanering noodzakelijk zijn om beperkingen in het normale gebruik van de woning te compenseren. Alleen de meest gebruikte ruimten komen hiervoor in aanmerking: woonkamer en slaapkamer. Voor eventuele stofferingskosten (hieronder valt: vloerbekleding, raambekleding en muurbekleding) gaat het college uit van de Prijzengids van het NIBUD. 2.4.1.5 Mantelzorgwoning Van een mantelzorgwoning spreken we als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en voor de zorgvrager of mantelzorger: Een aan- of bijgebouw van de woning geschikt wordt gemaakt, of; Een tijdelijke mantelzorgunit aan de woning wordt gekoppeld, of; Een aparte woning of woonunit op het erf van de mantelzorger wordt gerealiseerd. Inwoners die een mantelzorgwoning willen bouwen of huren, moeten hiervoor zelf in de kosten voorzien. Dit zijn namelijk de normale kosten voor wonen. 2.4.2Maatschappelijke opvang en beschermd wonen Maatschappelijke opvang is het bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Dit kan worden aangeboden bij zorg, begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Beschermd wonen biedt een beschermde woonomgeving waar continu begeleiding aanwezig of nabij is. De gemeente Overbetuwe werkt samen met andere gemeenten op het gebied van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Als een inwoner maatschappelijke opvang en/ of beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende beleidsregels van de gemeente Arnhem. 2.4.3Rolstoel Er zijn verschillende typen rolstoelen die als maatwerkvoorziening verstrekt kunnen worden. Bij de selectie van het type rolstoel stelt het college een functioneel programma van eisen op. Hierbij wegen we ook de belangen van de mantelzorgers mee, zoals de (on)mogelijkheid van mantelzorger om de rolstoel te duwen. 2.4.4Huishoudelijke ondersteuning De gemeente kan ondersteuning bieden aan een inwoner die niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren. Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden houdt bijvoorbeeld in: Hulp bij contacten met officiële instanties Hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden en/of daadwerkelijke ondersteuning bij huishoudelijke taken. Ook voor de verzorging van een kind kan de gemeente ondersteuning bieden als de ouder geen gebruik kan maken van eigen oplossingen zoals gebruikelijke hulp van een andere ouder of partner, van mantelzorg of een andere eigen oplossing. Als extra ondersteuning nodig is door beperkingen van het kind, is ondersteuning vanuit de Jeugdwet mogelijk. Er kan ondersteuning geboden worden bij: Een schoon en leefbaar huis. De lichte huishoudelijke taken worden uitgevoerd (bed opmaken, stoffen, afwassen, kamers opruimen, vuilniszak verwisselen) en De zware huishoudelijke taken worden uitgevoerd (stofzuigen, schrobben/soppen van sanitair en keuken, dweilen, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval). Beschikken over schone was: het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Maaltijden: het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie- en theezetten, warme maaltijd opwarmen. Organisatie van het huishouden. Kindzorg. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek, keuken, sanitaire ruimtes en trap/gang. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke hulp. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. 2.4.4.1 Algemene voorziening: huishoudelijke ondersteuning Een inwoner die zelfstandig woont en vanwege een beperking niet of onvoldoende in staat is op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren en de was te kunnen verzorgen, kan gebruik maken van de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning. De inwoner moet hiervoor in staat zijn zelf besluiten te nemen over de wijze waarop de ondersteuning moet worden ingevuld en in staat zijn om de hulp aan te sturen. Er vindt geen specifiek onderzoek plaats naar de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner. Leeftijdscategorie De toegang voor de algemene voorziening geldt voor inwoners met fysieke beperkingen en beperkingen in de sociale redzaamheid vanaf 18 jaar. Zorgomvang en duur De gemeente voert een lichte toets uit nadat de inwoner zich bij de gemeente heeft gemeld. Een inwoner die voldoet aan de voorwaarden voor gebruikmaking van de algemene voorziening ontvangt gedurende maximaal 6 weken 90 minuten per week huishoudelijke ondersteuning. Na 6 weken volgt een evaluatie. Zo nodig is er een uitbreiding mogelijk tot max 120 minuten per week. Is er meer dan 120 minuten nodig dan onderzoekt de gemeente of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Lichte toets bij eerste aanmelding Bent u inwoner van Overbetuwe en woont u zelfstandig of met anderen een gezamenlijk huishouden? Waarom en waarvoor vraagt u huishoudelijke ondersteuning aan? Wat kunt u niet meer en wat kunt u nog wel? Zijn er huisgenoten woonachtig op hetzelfde adres? Zo ja, waarom kunnen zij (deels) geen huishoudelijke taken uitvoeren? Wat kunnen zij wel/ niet. U kunt uitleggen welke taken moeten worden uitgevoerd. U bent niet geïndiceerd voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Taken Licht (bed opmaken, stoffen, afwassen, kamers opruimen, vuilniszak verwisselen) en zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schrobben/soppen van sanitair en keuken, dweilen, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval). Beschikken over schone was (wassen in wasmachine, drogen in droger of ophangen/afhalen, vouwen en opbergen). De inwoner dient zoveel als mogelijk te zorgen voor strijkvrij wasgoed. 2.4.4.2 Maatwerkvoorziening: huishoudelijke ondersteuning voor inwoners zonder regie Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor inwoners vanaf 18 jaar die zelfstandig wonen en: bij wie sprake is van zodanige beperkingen dat men langdurig niet in staat is het huishouden te doen; niet zelf de regie (bewaren van overzicht, het organiseren van het dagelijks leven en aansturen van de hulp) kunnen voeren en ondersteuning/ sturing nodig hebben bij de uitvoering van huishoudelijke taken; een ondersteuningsbehoefte hebben waarvoor de Algemene voorziening HO niet toereikend is. De hulp heeft een actieve, signalerende rol ten aanzien van de gezondheid en leefomstandigheden van de inwoner. De hulp neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. 2.4.4.3 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met regie Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor inwoners vanaf 18 jaar die zelfstandig wonen en waarbij sprake is van zodanig fysieke beperkingen dat men langdurig niet in staat is het huishouden te doen. Zij zijn in staat om de medewerker ‘huishoudelijke ondersteuning’ zelf aan te sturen en regie te voeren. Taken Licht (bed opmaken, stoffen, afwassen, kamers opruimen, vuilniszak verwisselen) en zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schrobben/soppen van sanitair en keuken, dweilen, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval). Beschikken over schone was (wassen in wasmachine, drogen in droger of ophangen/afhalen, vouwen en opbergen). De inwoner dient zoveel als mogelijk te zorgen voor strijkvrij wasgoed; Advies, informatie en voorlichting: het activeren en aanleren van huishoudelijke taken zodat degene zijn eigen huishouden kan blijven voeren; Het gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke taken als activeren en aanleren niet mogelijk is. De hulp heeft een actieve, signalerende rol ten aanzien van de gezondheid en leefomstandigheden van de inwoner. De hulp neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Extra ondersteuning Deze kan nodig zijn als gevolg van ernstig fysieke, dan wel psychische beperkingen door objectiveerbare medische aandoeningen: Meer dan gebruikelijke vervuiling en extra hygiëne; Kindzorg voor kinderen tot 12 jaar. Hiervoor geldt dat het om een tijdelijke maatregel gaat totdat een structurele oplossing is gevonden. 2.4.4.4 Combinatie van huishoudelijke ondersteuning en begeleiding thuis Soms is huishoudelijke ondersteuning alleen ontoereikend en heeft u meer ondersteuning nodig. Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor een inwoner die vanwege ernstige problematiek niet of onvoldoende in staat is op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, een schoon en leefbaar huis, een gestructureerd huishouden en regie over het dagelijks leven te realiseren. Voor wie? Een inwoner van 18 jaar en ouder waarbij sprake is van ernstige problematiek; Er is sprake van het ontbreken van regie door verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen en/of psychische stoornis. Voor diegenen voor wie de huishoudelijke ondersteuning alleen ontoereikend is. Taken Naast de huishoudelijke ondersteuning zoals genoemd onder 2.4.4.2 kunnen de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: Zelfverzorging: het verzorgen van de inwoner en andere gezinsleden (ook kinderen). Het gaat hier om de hulp daarbij, bijvoorbeeld een maaltijd klaarzetten en een po legen. Het gaat niet om activiteiten die onder de Zvw/Wlz- functie "persoonlijke verzorging " vallen (daarvan is sprake als de behoefte verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop); Het organiseren van het dagelijks leven, zoals weekstructuur, dagplanning, organiseren van belangrijke afspraken; Het begeleiden en ondersteunen bij (administratieve) handelingen, zijnde geen financiële handelingen, zoals bankzaken, overschrijvingen of zaken met Digi-D; Toeleiding naar financiële ondersteuning wanneer nodig; Contacten aangaan met het netwerk; Begeleiden en stimuleren naar algemene en voorliggende voorzieningen, bijvoorbeeld naar een buurt- of inloophuis. De aanbieder werkt met een ondersteuningsplan waarin de doelen en methodische aanpak worden gedefinieerd in lijn met het plan dat vanuit de lokale toegang is opgesteld. Aanbieder en lokale toegang evalueren periodiek de verdere aanpak, in ieder geval voor afloop van de toewijzing. Extra ondersteuning Deze kan nodig zijn als gevolg van objectiveerbaar/medische aandoeningen door ernstig fysieke, dan wel psychische beperkingen: Meer dan gebruikelijke vervuiling en extra hygiëne; Kindzorg voor kinderen tot 12 jaar. Hiervoor geldt dat het om een tijdelijke maatregel gaat tot dat een structurele oplossing is gevonden. Instructie bij het niet gewend zijn van het uitvoeren van huishoudelijke taken Voorliggend Dit kan zijn de boodschappendienst en diensten als ‘tafeltje- dekje”. Zijn deze aanwezig én betaalbaar dan wordt deze ondersteuning niet geboden. 2.4.4.5 Normenkader maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Voor de bepaling van de zorgomvang en duur van de maatwerkvoorziening wordt gebruik gemaakt van de normtijden uit het normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van het Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 - bureau HHM. 2.5Mantelzorg, Respijtzorg en Kortdurend verblijf 2.5.1Mantelzorg Mantelzorg is de vrijwillige en onbetaalde hulp die mensen verlenen vanwege een rechtstreekse sociale relatie tussen degene die de hulp geeft en degene die de hulp verlangt. Mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale gang van zaken (de gebruikelijke hulp). Het gaat dus om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp. Waardering mantelzorgers De mantelzorg ontvanger kan een mantelzorgwaardering aanvragen. Een aanvraagformulier is digitaal beschikbaar op de website van de gemeente. De mantelzorgwaardering bestaat uit: éénmaal per jaar een financiële tegemoetkoming van €140,-; jaarlijkse activiteiten rond de dag van de Mantelzorger; ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers, zoals de mogelijkheid voor respijtzorg; Belastbaarheid mantelzorger Wat je kan verwachten van een mantelzorger, verschilt per mantelzorger. De verwachtingen zijn afhankelijk van de aard van de relatie en de situatie van betrokkene en de mantelzorger. De gemeente moet uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. De gemeente moet ook kijken naar de lichamelijke conditie van de mantelzorger. Verder moet de gemeente kijken naar de tijd die de mantelzorger heeft en naar de reistijd. De gemeente moet overbelasting van de mantelzorger zoveel mogelijk voorkomen. Als kinderen mantelzorg verlenen mag dat niet ten koste gaan van hun ontwikkeling of welbevinden. Daarbij kun je denken aan het contact met leeftijdsgenoten, vrijetijdsbesteding en schoolprestaties. Korte levensverwachting In geval de inwoner een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van het gezamenlijk huishouden van de inwoner, afgewogen worden of taken die redelijkerwijs onder de gebruikelijke hulp van huisgenoten vallen toch in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening. Mantelzorg is niet afdwingbaar Er is geen sprake van mantelzorg als de zorgverlener betaling wil ontvangen voor zijn hulp. Dit zal onderzocht moeten worden. Dus als er geconstateerd is dat huishoudelijke ondersteuning nodig is en de partner kan dit doen, maar alleen als er een financiële vergoeding tegenover staat, dan wordt deze ondersteuning geboden in de vorm van een pgb. Er is dan geen sprake meer van mantelzorg. 2.5.2Respijtzorg Respijtzorg is vervangende zorg en wordt ingezet wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting of overbelasting van de mantelzorger. Je sluit aan bij de vraag, de behoefte van de mantelzorger en respijtzorg duurt zo lang als het nodig is voor de mantelzorger om weer nieuwe energie op te doen. Respijtzorg kent verschillende vormen: Aanwezigheidszorg: iemand die bij de zorgvrager thuisblijft zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen (dit kan door een vrijwillige oppashulp gedaan worden); Dagopvang: de zorgvrager gaat één of meerdere dagen per week naar een dagopvang; Kortdurend verblijf: de zorgvrager gaat een nachtje of meerdere nachten logeren. Bijvoorbeeld zodat de mantelzorger op vakantie kan of bij een geplande of ongeplande opname van de mantelzorger in het ziekenhuis. Gaat het om noodzakelijke 24-uurszorg dan kan de inwoner een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz). Veel zorgverzekeraars hebben een mogelijkheid voor mantelzorgondersteuning. Soms vergoedt de zorgverzekeraar ook kortdurend verblijf. Het gaat dan om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis) en daarom voor korte tijd in een zorginstelling worden verzorgd en verpleegd. Deze vorm van kortdurend verblijf wordt ook wel eerstelijnsverblijf genoemd. Als de (aanvullende) verzekering van een inwoner deze optie biedt, dan wordt aan de inwoner gevraagd om eerst hierop aanspraak te maken. 2.5.3Spoedzorg Onder spoedzorg (ook wel crisisopvang genoemd) verstaan we een hulpvraag om zorg of ondersteuning waarop binnen 24 tot 48 uur moet worden gehandeld. Het gaat om situaties waarin iemand uit de huiselijke setting moet worden gehaald als gevolg van een onverwachte en voor de betrokkene ingrijpende gebeurtenis. Of het gaat om een situatie waarin een persoon terugkomt in de huiselijke setting, bijvoorbeeld na een ziekenhuis opname waarbij met spoed huishoudelijke hulp of begeleiding moet worden ingezet. Gemeenten moeten in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken. 2.6Vormen van ondersteuning 2.6.1Maatwerkvoorziening Als een maatwerkvoorziening de best passende oplossing is, kan de inwoner kiezen tussen een maatwerkvoorziening via zorg in natura (zin) en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget (pgb). De inwoner betaalt zelf mee aan de maatwerkvoorziening via een eigen bijdrage. De vorm waarin de gemeente de voorziening verstrekt is: in eigendom De gemeente kan een voorziening in eigendom geven aan de inwoner. Deze vorm is vooral praktisch bij minder kostbare voorzieningen. Denk aan een douchestoel. Het verstrekken in eigendom is dan praktischer dan bruikleen of huur. Bij deze vorm sluiten leverancier en gebruiker soms ook een overeenkomst voor onderhoud en reparatie. in bruikleen De eigenaar van hulpmiddelen (leverancier of gemeente) heeft een hulpmiddel in eigendom en verstrekt deze in bruikleen aan de inwoner. De rechten en plichten bij bruikleen staan vaak in een bruikleenovereenkomst. Het voordeel van bruikleen is dat de leverancier of gemeente de eigenaar blijft van de voorziening. Dat maakt het mogelijk om de voorziening in te nemen als de gebruiker deze niet of niet goed gebruikt. Bovendien kan de gemeente de voorziening dan daarna aan iemand anders verstrekken. overeenkomst bij wijze van persoonlijke dienstverlening De gemeente sluit bij persoonlijke dienstverlening een overeenkomst met een aanbieder van diensten. Denk hierbij aan individuele begeleiding of groepsbegeleiding. 2.6.1.1 Zorg in Natura Als de inwoner kiest voor zorg in natura dan krijgt de inwoner de dienstverlening of voorziening via een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. De gemeente geeft de aanbieder opdracht voor het leveren van de dienstverlening of de voorziening. De gemeente kent een andere werkwijze voor dienstverlening dan voor voorziening. Dit wordt hieronder toegelicht: Dienstverlening Voorzieningen als begeleiding, dagbesteding en huishoudelijke ondersteuning worden in de vorm van dienstverlening verstrekt. De gemeente heeft hiervoor via de regionale raamovereenkomst contracten gesloten met aanbieders. De inwoner kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij of zij de dienstverlening wil afnemen. Voorzieningen Voorzieningen (woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen) kunnen worden verstrekt in eigendom of bruikleen. Dit is afhankelijk van de contracten die de gemeente heeft gesloten met leveranciers. Voor een deel van de voorzieningen heeft de gemeente contracten gesloten met meerdere aanbieders. De inwoner kan dan kiezen bij welke aanbieder hij of zij de voorziening wil afnemen. Wanneer de passende oplossing niet binnen de door de gemeente gesloten contracten valt, kan de voorziening bij een andere niet-gecontracteerde aanbieder worden ingekocht en als zorg in natura worden geleverd. 2.6.2Persoonsgebonden budget (pgb) Een maatwerkvoorziening in pgb wil zeggen dat het college de inwoner een budget verstrekt. De inwoner kan met dit budget de benodigde voorziening aanschaffen of de benodigde dienstverlening inkopen. Het college verstrekt slechts een pgb wanneer dit voor de inwoner een passende oplossing is. Pgb-vaardig De inwoner moet volgens de gemeente voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Of met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel een vertegenwoordiger in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit zijn de voorwaarden De PGB Test waar de inwoner aan moet voldoen om het pgb te kunnen beheren. Hulp bij beheer door een vertegenwoordiger Iemand anders kan het pgb voor de inwoner beheren: Iemand die gemachtigd wordt door de inwoner, bijvoorbeeld een familielid, vriend of buurtgenoot die de inwoner vertrouwt. Diegene heeft een machtiging nodig van de inwoner. De wettelijk vertegenwoordiger van de budgethouder (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde), mag het pgb beheren of iemand anders machtigen voor het beheer. De ouders zijn de wettelijk vertegenwoordiger van een kind. Zij beheren het pgb van hun kind. Het is niet toegestaan dat de beheerder van het pgb tevens de hulpverlener is. De beheerder wordt niet betaald voor het beheer. Wanneer de persoon, van wie gebruikelijke hulp kan worden verwacht (bijvoorbeeld de partner), overbelast is, dan geeft het college voor deze gebruikelijke hulp geen pgb af. Een pgb is namelijk geen passende oplossing voor overbelasting. Betalingen De betaling van een pgb gaat via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner verantwoordt alle kosten die hij of zij maakt vanuit een pgb bij de SVB. Eenmalige pgb Eenmalige pgb's worden in principe rechtstreeks aan de leverancier betaald. Wanneer dit niet mogelijk is dan kan dit ook rechtstreeks aan de inwoner worden betaald. De inwoner toont vooraf met een factuur of offerte aan wat de daadwerkelijke kosten van het aanschaffen van de voorziening zijn. 2.6.2.1 Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. Dit wordt vaak ingezet, als van tevoren moeilijk is te bepalen wat de hoogte van de kosten voor een voorziening moet zijn, zoals verhuiskosten of- herinrichtingskosten of vervoer met eigen auto. Dit is een vast bedrag. De hoogte hiervan moet dusdanig zijn dat degene een passende voorziening kan inkopen om de beperkingen voldoende te compenseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening. 2.6.2.2 Eigen bijdrage Een eigen bijdrage wordt gevraagd zolang de inwoner gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of het pgb. Voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en soms vervoer geldt daarbij dat de bijdrage de kostprijs niet mag overstijgen. Onder kostprijs wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier en de daarin begrepen onderhouds- en servicekosten. De kostprijs is gelijk aan de waarde van de investering die de gemeente moet doen om de voorziening te kunnen realiseren. Dit geldt zowel voor voorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, als voor voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt. Voor de overige voorzieningen, zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding, die onder het abonnementstarief vallen geldt geen controle op de kostprijs meer. Dit wil zeggen dat een bijdrage in de kosten verschuldigd is, zolang de inwoner de voorziening gebruikt. Langstlopende voorziening Als aan een inwoner of een inwoner en zijn of haar echtgenoot meerdere voorzieningen zijn verstrekt, die onder het abonnementstarief vallen, wordt éénmaal de maandelijkse bijdrage betaald. Het college geeft aan bij welke voorziening het CAK toeziet op het niet overschrijven van de kostprijs. In de praktijk gaat dat over de kostprijs die over de langste periode wordt geïnd. Dat is meestal de voorziening met de hoogste kostprijs. Hierop wordt de duur van de bijdrage gebaseerd. Huishoudelijke ondersteuning als algemene voorziening. Omdat hier sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag voor deze algemene voorziening een eigen bijdrage worden gevraagd en valt dit onder het abonnementstarief. Bijdrage bij beschermd wonen en maatschappelijke opvang De inwoner die woont in een woonvorm voor beschermd wonen of beschermd thuis waarbij sprake is van ‘scheiden wonen en zorg’ (d.w.z. de inwoner betaalt zelf de huur en zijn eten of een bijdrage voor maaltijden) valt onder het Wmo-abonnementstarief. Degene betaalt dan geldende abonnementstarief. Woont een inwoner in een instelling van een zorgaanbieder voor intramuraal beschermd wonen waarbij een ‘totaalpakket’ wordt geleverd (dus inclusief huur, hotelkosten, etc.), dan betaalt degene een inkomensafhankelijke bijdrage. Voor een inwoner die een inkomen heeft op bijstandsniveau betekent dit dat men de zogeheten ‘zak- en kleedgeldnorm’ overhoudt voor persoonlijke uitgaven. Inwoners met een hoger inkomen betalen meer. De normbedragen zijn te vinden op de site van het CAK. De centrumgemeente meldt de inwoner aan bij het CAK. Zodra in de toekomst de individuele gemeenten voor de indicatie verantwoordelijk zijn, meldt de gemeente de inwoner aan bij het CAK. Bij uitstroom, of te voorziene uitstroom uit intramuraal beschermd wonen (b.v. iemand meldt zich aan voor de Opstapregeling), bestaat het recht om voor een periode van maximaal 6 maanden voor uitstroom de lage Wmo eigen bijdrage te betalen. Dit biedt de mogelijkheid om wat te sparen voor de kosten die bij uitstroom gemaakt moeten worden voor het huis/ aankleding, etc. De inwoner meldt dit zelf bij het CAK. Duurt de uitstroom langer dan kan er mogelijk een naheffing van het CAK volgen. De eigen bijdrage voor Beschermd wonen en Beschermd Verblijf is inkomensafhankelijk en wordt vastgesteld op basis van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3.Jeugd (Jeugdwet, Wpo, Wvo, Wec), 3.1Algemeen In de beleidsregels jeugd staat hoe het college zijn taken en wat bepaald is in de verordening sociaal domein, uitvoert. Een beleidsregel is geen wet maar een besluit waaraan het college zich moet houden en beschrijft hoe het college gebruik maakt van haar bevoegdheid. De beleidsregels leveren een bijdrage aan de wet en de ambities uit het beleidsplan sociaal domein: Inwoners van Overbetuwe hebben zorg voor elkaar Inwoners voelen zich vitaal, iedereen telt en doet mee Ondersteuning is passend en nabij, voor jong en oud Inwoners hebben mogelijkheden zichzelf te ontwikkelen Inwoners zijn tevreden met hun leefomgeving Voorzieningen en ondersteuning zijn betaalbaar, toegankelijk en kwalitatief goed Om deze doelen te bereiken, kan ondersteuning geboden worden. Dat kan op de vlakken die hieronder staan. Deze ondersteuning werken we verder uit in de volgende hoofdstukken. Een jeugdige zoveel mogelijk thuis en zo veilig mogelijk laten opgroeien. Kansen bieden voor de jeugdige om zich te ontwikkelen. Hulp bij het opvoeden. Vervoer van en naar de plek van de jeugdhulp. Overige vormen van jeugdhulp 3.2Uitgangspunten voor ondersteuning en jeugdhulp De gemeente onderzoekt welke hulp nodig is om de doelen beschreven onder 3.1 te behalen. Bij het bieden van ondersteuning en jeugdhulp hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: ouders en/of verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor hun eigen handelen en voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. De gemeente verwacht dat ouders en/of verzorgers in eerste instantie een beroep doen op hun eigen netwerk van familie, vrienden en kennissen. De gemeente waardeert het als ouders en/of verzorgers zich vrijwillig inzetten voor anderen, en ondersteunen hen om dit te kunnen blijven doen. De gemeente kan bijdragen aan het bevorderen van een gezonde leefstijl, maar de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de persoon zelf. Wanneer jeugdhulp nodig blijkt, onderzoekt de gemeente de hulpvraag zorgvuldig. De gemeente kijkt naar wat ouders/verzorgers zelf al kunnen en hoe zij hierin verder versterkt kunnen worden. Hulpverlening richt zich op de context van het gezin, met oog voor het gehele gezinssysteem. De ondersteuning moet altijd aansluiten bij de specifieke situatie en problematiek van het gezin en/of de jongere. Hulp wordt zo licht als mogelijk en zo kort als noodzakelijk ingezet. Hulp vindt idealiter plaats in de eigen leefomgeving, zo dicht mogelijk bij huis. De gemeente streeft naar een goede samenwerking met betrokken hulp- en ondersteuningsorganisaties, en verwachten ook onderlinge afstemming tussen deze partijen. De gemeente werkt methodisch, planmatig en transparant aan het behalen van doelen. We hanteren hierbij het uitgangspunt: ‘voldoende is goed genoeg’ — perfectie is niet het streven. 3.3Problemen horen bij het leven We realiseren ons dat het leven bestaat uit zowel voorspoedige momenten als moeilijke periodes. Niet elke tegenslag vraagt direct om hulp van de gemeente of professionele ondersteuning. Ons uitgangspunt is dat mensen, gesteund door hun eigen netwerk, vaak zelf in staat zijn om passende oplossingen te vinden. Daarom stimuleren we inwoners om actief stappen te zetten om problemen te voorkomen. De rol van de omgeving is daarbij van groot belang: buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en lokale netwerken kunnen vaak ondersteuning bieden die dichtbij staat en goed aansluit op de persoonlijke situatie. Buurtbewoners, vrijwilligers en lokale netwerken kunnen vaak praktische en betrokken hulp bieden die aansluit op de persoonlijke situatie. Samen bouwen we aan een samenleving waarin mensen naar elkaar omkijken, ervaringen delen en gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Deze sociale netwerken versterken het zelfredzame vermogen van mensen. De gemeente komt in beeld als de situatie zodanig is dat hulp van buitenaf echt nodig is. Dan kijken we zorgvuldig naar de persoonlijke omstandigheden, waarbij maatwerk en de samenwerking met de gemeenschap centraal staan. Iedereen is uniek, en hoewel problemen onvermijdelijk zijn in het leven, kunnen we door collectieve betrokkenheid en ondersteuning bijdragen aan het vermogen van mensen om hiermee om te gaan. 3.4Eigen kracht, gebruikelijke hulp en voorliggende voorzieningen De gemeente gaat ervan uit dat ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Wanneer zij hierin (tijdelijk) niet toereikend zijn, biedt de gemeente verschillende vormen van ondersteuning om de zorg zo goed mogelijk te organiseren. In dit hoofdstuk leggen we uit welke vormen van hulp voorliggend zijn op jeugdhulpvoorzieningen. 3.4.1Eigen kracht De inzet van jeugdhulp is mede afhankelijk van de mate van eigen kracht. De gemeente Overbetuwe verstaat onder ‘eigen kracht’: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouders en hun sociale netwerk om opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en/of stoornissen het hoofd te bieden. Het sociale netwerk omvat mensen uit de directe leefomgeving, zoals familie, buren, vrienden en andere betrokkenen met wie een sociale relatie bestaat. Om te bepalen of er voldoende eigen kracht is voor het verlenen van de noodzakelijke bovengebruikelijke hulp, wordt onderzocht of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  3. s)en het sociaal netwerk voldoende zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te bieden. Bij dit onderzoek wordt niet alleen gekeken naar de fysieke en emotionele capaciteiten van het sociaal netwerk, maar ook naar de mogelijkheden die digitale hulpmiddelen of netwerken kunnen bieden om de hulp te verlichten of te ondersteunen. Het is ook belangrijk om de mate van overbelasting van ouders, vooral bij kwetsbare groepen, in kaart te brengen, zodat de belasting op het sociaal netwerk goed wordt ingeschat. Om de eigen kracht in kaart te brengen zijn onderstaande vragen van belang: Is de ouder (en/of het sociaal netwerk) in staat de noodzakelijke hulp te bieden? Is de ouder (en/of het sociaal netwerk) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? Levert het bieden van de hulp door de ouder (en/of het sociaal netwerk) geen overbelasting op? Blijft de ouder de (bovengebruikelijke) hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de financiële problemen? Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(
  4. s)de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. 3.4.2Gebruikelijke hulp Ouders hebben een hulpplicht voor hun kinderen. Ouders hebben de verantwoordelijkheid om hun kinderen de zorg en ondersteuning te bieden die in normale omstandigheden als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Zij behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Bij gebruikelijke hulp worden daarom door het college de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd: Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. De zorgplicht van ouders strekt zich uit over het bieden van: een veilige woonomgeving aan hun kind(eren) waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd; een passend pedagogisch klimaat; zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans die nodig is voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid, ongeacht de leeftijd van het kind. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de ouders deze hulp zelf uitvoeren. De gebruikelijke hulp kan door de ouders ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden. Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) hulp geboden vanuit de Jeugdwet, tenzij uit onderzoek blijkt dat ouders overbelast zijn of dreigen te raken. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken. Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval: de aanwezigheid van ouders; het bieden van ouderlijk toezicht; het bieden van een beschermende woonomgeving; het bieden van structuur; het bieden van begeleiding en stimulans bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; het begeleiden naar huisarts, ziekenhuis of therapie; het maatschappelijk verkeer, als bezoek aan familie, vrienden, school, sport etc.; in kortdurende zorgsituaties wordt van ouders of andere verzorgers/opvoeders verwacht dat ze alle persoonlijke verzorging en begeleiding zelf bieden. Alleen in langdurige zorgsituaties kan sprake zijn van bovengebruikelijke hulp waarvoor het college jeugdhulp moet inzetten. Dat sprake is van een langdurige zorgsituatie kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er hoeft dan dus niet eerst 3 maanden te worden ‘gewacht’ alvorens het college jeugdhulp in kan zetten. Deze zogenoemde gebruikelijke hulp omvat alle hulp en zorg waarvan maatschappelijk wordt verwacht dat ouders die zelf leveren. Om die reden wordt gebruikelijke hulp niet vergoed vanuit de Jeugdwet. Wanneer de geboden ondersteuning verder gaat dan wat als gebruikelijk wordt beschouwd, spreken we van bovengebruikelijke hulp. In bepaalde situaties kan ook deze vorm van hulp onder de eigen kracht vallen. Als ouders ervoor kiezen om deze extra zorg vrijwillig en onbetaald te leveren, wordt dit gezien als mantelzorg. Voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind zijn ouder(
  5. s)verantwoordelijk voor: een veilige en beschermende woonomgeving (hiermee bedoelen we fysieke en sociale veiligheid); een passend pedagogisch klimaat en stimulans in de ontwikkeling van de jeugdige; verzorging, begeleiding en opvoeding. Het afwegingskader van gebruikelijke hulp is als volgt: De hulpplicht (gebruikelijke hulp) voor jeugdigen van 0 tot en met 4 jaar: Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling. Moeten volledig verzorgd worden (aan- en uitkleden, eten, wassen). Zijn tot 4 jaar niet zindelijk. Hebben begeleiding nodig bij hun sport-, spel- en vrijetijdsbesteding, doorgaans niet in verenigingsverband. Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. De hulpplicht (gebruikelijke hulp) voor jeugdigen van 5 tot en met 11 jaar: Hebben een reguliere dagbesteding op school. Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Hebben toezicht nodig bij hun persoonlijke verzorging. Zijn zindelijk overdag en vaak ook ’s nachts. Sporten of hebben hobby’s, vaak in verenigingsverband. Hebben begeleiding nodig in het verkeer wanneer ze zelfstandig naar activiteiten gaan. De hulpplicht (gebruikelijke hulp) voor jeugdigen van 12 tot en met 17 jaar: Hebben geen hulp bij persoonlijke verzorging nodig, maar soms wel toezicht. Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, vanaf 16 jaar kunnen zij dag en nacht alleen gelaten worden. Hebben bij vrijetijdsbesteding (veelal) geen begeleiding nodig in het verkeer. Hebben sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, waarvan de frequentie kan variëren. Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school of in een opleiding. Hebben soms begeleiding nodig bij ontplooiing, bijvoorbeeld bij huiswerk of bij hun sociale ontwikkeling. Specifieke hulpbehoeften van jeugdigen met beperkingen of complexe problematiek (bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, psychiatrische stoornis of ernstige gedragsproblemen) kunnen betekenen dat de gebruikelijke hulp onvoldoende is en bovengebruikelijke hulp noodzakelijk is. Als personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder(
  6. s)kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de problematiek, wordt dit ook gezien als het aanspreken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Van belang is dat de vraagverlegenheid van de jeugdige en/of ouder(
  7. s)en de handelingsverlegenheid bij de personen uit het sociale netwerk worden verminderd. Daarom wordt hier bij het onderzoek nadrukkelijk bij stil gestaan. Hulp uit het sociale netwerk kan niet worden afgedwongen. Als het beschikbaar is, mag het college wel verlangen dat de jeugdige en/of zijn ouder(
  8. s)hier gebruik van maken. 3.4.3Mantelzorg Mantelzorg betreft de zorg die iemand vrijwillig en onbetaald verleent aan een naaste met een ziekte, beperking, verslaving of psychische problematiek. Dit kan ook gaan om de zorg voor een eigen kind. In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) wordt mantelzorg omschreven als: “hulp ten behoeve van jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep” (zie ook paragraaf 2.5.1). Mantelzorg is altijd vrijwillig en kan daarom niet worden afgedwongen. Het overstijgt de gebruikelijke hulp in zowel duur als intensiteit. De mate waarin iemand mantelzorg kan verlenen, hangt af van de persoonlijke situatie en mogelijkheden. Bij de beoordeling of jeugdhulp nodig is, wordt daarom per situatie bekeken in hoeverre mantelzorg of steun vanuit het eigen netwerk aanvullend kan zijn op de gebruikelijke hulp. Dit vraagt om maatwerk. Waardering van mantelzorgers Mantelzorgers worden gewaardeerd voor hun inzet. De ontvanger van mantelzorg kan hiervoor een mantelzorgwaardering aanvragen (zie ook paragraaf 2.5.1). De gemeente biedt: een jaarlijkse financiële waardering van €140,-; activiteiten rondom de Dag van de Mantelzorger; toegang tot ondersteunende voorzieningen, zoals respijtzorg. Het aanvraagformulier is beschikbaar via de gemeentelijke website. Belastbaarheid van mantelzorgers Wat van een mantelzorger verwacht mag worden, verschilt per persoon en situatie. De aard van de relatie, de fysieke en mentale belastbaarheid van de mantelzorger, beschikbare tijd en reistijd spelen hierbij een rol. De gemeente baseert zich hierbij op de informatie die de mantelzorger zelf verstrekt. Overbelasting moet zoveel mogelijk worden voorkomen. 3.4.4Voorliggende voorzieningen Een voorliggende voorziening betekent dat eventueel benodigde hulp of ondersteuning al op een andere manier vergoed kan worden. Hier is dus geen jeugdhulpvoorziening voor nodig van de gemeente. Hierbij kan gedacht worden aan: Algemene of al

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.