← Nederland

Reglement van Orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Heiloo 2025 (Heiloo)

Obsah (7)Artikel 7Artikel 10Artikel 14Artikel 26Artikel 38Artikel 43Artikel 48

Reglement van Orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Heiloo 2025De raad van de gemeente Heiloo; gelezen het advies van het presidium d.d. 6 mei 2025; gelet op artikel

Hoofdstuk 2

Toelating van nieuwe leden en fracties en benoemingen Artikel 2.

Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de Gemeentewet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid). Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegen-woordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. Vijfde lid De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in commissievergaderingen en eventueel de bezetting in commissievergaderingen door commissieleden niet zijnde raadsleden (zie hiervoor ook artikel 2a, 4, 6 en 8 van dit RvO). Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Zesde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde: deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam. Artikel 3 Onderzoek geloofsbrieven raadsleden en beëdiging Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet). Artikel 4 Benoeming commissieleden De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. De commissieleden worden door de raad benoemd, op voordracht van de fracties (artikel 4, derde lid). Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen wie de betreffende fractie vertegenwoordigen in de commissievergaderingen. Het is enkel mogelijk – overeenkomstig het zesde lid zelfs verplicht – de benoeming van een voorgedragen lid te weigeren als het een ‘commissielid betreft dat niet voldoet aan bepaalde vereisten van de wet (zie verder de toelichting op het zesde lid). Uit het vierde lid volgt dat de leden van een raadscommissie geen raadslid hoeven te zijn. Wel zijn het de fracties die de leden voordragen. Op grond van het zesde lid moeten commissieleden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de wet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de wet mogen vervullen. Om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van de wet ligt het voor de hand om gebruik te maken van een geloofsbrievenonderzoek. De VNG beveelt aan dit onderzoek uit te laten voeren door de commissie die voor raadsleden en wethouders het op basis van artikel V 4 van de Kieswet verplichte geloofsbrievenonderzoek uitvoert. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers gelijk. De in artikel 4, lid 7 genoemde commissie onderzoek geloofsbrieven voor de te benoemen commissieleden is in Heiloo dan ook dezelfde commissie als voor het onderzoek geloofsbrieven raadsleden (artikel 3). Dit onderzoek (alleen naar de niet-raadsleden) gaat vooraf aan het raadsbesluit waarmee de commissieleden benoemd worden. Artikel 5. Benoeming wethouders Artikel 5 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrieven-onderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegen-woordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de Gemeentewet). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de wet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij de benoeming van een wethouder kan een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol (zie de geldende Gedragscode integriteit volksvertegenwoordigers, burgemeester & wethouders). Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (derde lid). De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 van de wet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt (vierde lid).] Artikel 5 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet). Presidium Hoofdstuk 3 Presidium Artikel 6

Artikel 7

Taken presidium Het presidium stelt de agenda's van de raadscommissies en de raad voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van de raadscommissies en de raad geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering. Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Het college doet via het presidium behandelvoorstellen aan de raad (art 43 van dit RvO). Het presidium is bevoegd om eventuele voorstellen te doen voor het hanteren van spreektijden. Zowel het college als raadsleden kunnen via het presidium een beargumenteerd agenda-verzoek indienen voor een commissievergadering (via een raadsvoorstel of een bespreeknotitie), waar nodig en mogelijk voorzien van onderliggende stukken. Dit betreft ook de invulling van de raadsinformatiemarkt en de dialoogtafel. Via een standaardformulier kunnen college, raadsleden en externen een aanvraag doen voor agendering van een onderwerp in de raadsinformatieavond. Het agendaverzoek wordt uiterlijk op de donderdag voor de vergadering van het presidium aangeleverd bij de griffie. De toetsing van de agendaverzoeken door het presidium betreft niet de politieke inhoud van het onderwerp; de politieke afweging is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het presidium adviseert de raad over het passende besluitvormingstraject bij de onderwerpen in aanloop naar de besluitvorming via de langetermijnagenda. Het presidium ontvangt maandelijks een geactualiseerde versie van de langetermijnagenda en bespreekt deze. De agendering van de raadsinformatieavonden, commissies en raad vloeit hieruit voort. Het presidium adviseert in de langetermijnagenda op welke momenten en hoe de raad en commissies in de beleidscyclus bij de projecten en onderwerpen betrokken zullen worden. De VNG benadrukt in de toelichting op het artikel over het presidium in het Modelreglement dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen, omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet). Hoofdstuk 4 Raadsactiviteiten: Vergaderfrequentie, agenda en stukken Artikel 8 en 9:

Artikel 10

Oproep en voorlopige agenda (raads- en commissievergadering) De werkwijze voor oproep en agenda van de raadsvergadering zijn gelijk aan die voor de commissievergaderingen en staan in artikel

  1. In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Het presidium bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. Het eerste lid stelt verplicht dat 10 dagen vóór een vergadering de leden van de raad / raadscommissie een schriftelijke oproep wordt gedaan, waarin de vergadering wordt aangekondigd en de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken wordt verstuurd (eerste lid). Spoedvergadering: met spoed bijeenroepen vergadering Wanneer het bijeenroepen van de vergadering een spoedeisend karakter heeft, kan de voorzitter op basis van lid 2 afwijken van de termijn genoemd in artikel 10 lid
  2. De voorzitter motiveert het spoedeisende karakter. Voor de agendering van eventuele bijbehorende stukken, die genoemd staan in lid 1 wordt verwezen naar de wettelijke vereisten in artikel
  3. van de Gemeentewet. Hieronder een toelichting op de werkwijze die wordt gevolgd en de afwegingen die worden gemaakt om te bepalen of er sprake is van spoedeisendheid. Spoed betreft een onvoorzienbare aangelegenheid waarbij uitblijven van onmiddellijke actie leidt tot (grote) financiële gevolgen en /of uitblijven van onmiddellijke actie politiek/maatschappelijk ongewenst is. Voorwaarden voor spoedagendering: Het was onvoorzienbaar en hierdoor niet mogelijk aan te melden voor de Lange Termijn Planning en het Presidium; én Er is sprake van een fatale termijn met (grote) financiële gevolgen en /of Politieke of maatschappelijke relevantie vraagt om snelle agendering. Een voorstel tot spoedagendering wordt ingediend bij de voorzitter, door tussenkomst van de griffier, die toetsen of aan de voorwaarden is voldaan. Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen of onderwerpen zo spoedig mogelijk aan de raadsleden gezonden. Wat Toelichting Controlevraag Onvoorzienbare aangelegenheid Dossier stond nog niet op de agenda. Is het een lopend dossier? Wat zijn de afspraken over agendering en infomeren van de raad ? Uitblijven van onmiddellijke actie leidt tot grote financiële gevolgen Er is een raadsbesluit nodig om dit gevolg af te wenden Is besluitvorming raad later mogelijk (zo nodig extra vergadering meteen na een reces)? Uitblijven van onmiddellijke actie is politiek / maatschappelijk ongewenst Actie kan betekenen: mededeling college, indienen schriftelijke vraag, aanvragen extra vergadering Is sprake van een actueel dossier dat gezien de onrust in de samenleving onmiddellijk om een politiek antwoord vraagt; en is de gekozen vorm (mededeling BW/schriftelijke vraag/extra vergadering) de enige mogelijkheid?, Is actie/agendering later (meteen) na reces ook mogelijk/een optie? Als omtrent de inhoud van de stukken geheimhouding is opgelegd, dan worden deze naar de raads- en commissieleden verzonden op de met de griffier afgesproken werkwijze. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid). Uiteindelijk bepalen de raad en de raadscommissie hun eigen agenda. De agenderende rol komt tot uitdrukking in het derde lid. Het lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. De raadsagenda kan naast de voorstellen van het college met commissieadvies, ingediende moties en amendementen ook bevatten: voorstellen die volgens het presidium zonder politieke bespreking naar besluitvorming moeten kunnen worden doorgeleid; voorstellen voor het vaststellen van de langetermijnagenda, toezeggingenlijst, besluitenlijst, lijst van ingekomen stukken en het overzicht aangenomen moties; het stellen van vragen aan het college over brieven op de lijst van ingekomen stukken; met het college of de burgemeester te overleggen zaken over door het college of de burgemeester verstrekte inlichtingen en het gevoerde bestuur; het uitbrengen van verslag door collegeleden over zaken die in het algemeen bestuur of dagelijks bestuur van gemeenschappelijke regelingen ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen of andere verbonden partijen aan de orde zijn gekomen; het stellen van korte politieke vragen die een wethouder terstond kan beantwoorden: de politieke vragen en vragen over de ingekomen stukken worden uiterlijk op de donderdag 17:00 uur voorafgaand aan de raadsvergadering aangeleverd bij de griffie. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, wordt deze informatie ter beschikking gesteld aan raadsleden en door de raad benoemde commissieleden volgens de geldende werkwijze vastgelegd in de Notitie beslotenheid en geheimhouding Heiloo Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de Gemeentewet). Artikel
  4. Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. In artikel 11 wordt vastgelegd op welke wijze raads- en commissievergaderingen worden aangekondigd. Artikel 12, 13:

Artikel 14

. Voorstellen van orde en handhaving orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen. Omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing; stemmen over bv. een in te lassen pauze schuift niet door naar een volgende vergadering. Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Artikel 15 Verslaglegging en 16 Besluitenlijst Artikel 15 regelt de geluids- en beeldregistratie van de griffier. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de wet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet). De griffier verleent de ambtelijke bijstand aan de raad. Daarom is de griffier aangewezen om de besluitenlijst op te stellen. De besluitenlijst wordt op zo kort mogelijke termijn gepubliceerd. Dit kan voordat het is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk wordt gemaakt. Van de raadsvergadering worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. Zie voor besluitenlijsten van geheime vergaderingen artikel 60 van dit RvO. Hoofdstuk 7 artikelen 17 t/m 21:

Hoofdstuk 8

De commissievergaderingen De commissiebesprekingen sluiten (na een korte pauze) direct op elkaar aan. Daarbij worden de maximale bespreektijden voor een onderwerp in de commissie gehandhaafd zodat voor de burgers en de raads- en commissieleden duidelijkheid qua tijd wordt geboden, maar wachttijd zoveel mogelijk wordt voorkomen. Richtlijn voor grote onderwerpen is een uur, voor kleinere onderwerpen een half uur tot drie kwartier. Art 22 Commissievoorzitter Op grond van artikel 82, vierde lid, van de Gemeentewet kan enkel een raadslid als voorzitter van een raadscommissie benoemd worden. Een voorstel van de regering om dit vereiste op te heffen is eerder gesneuveld, maar een steeds terugkerend gespreksonderwerp. Artikel 23. Doelstelling commissievergadering De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet. De raadscommissies bereiden de besluitvorming van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester. Wat betreft de invulling van de taken van de raadscommissies onderscheidt de VNG in de toelichting op het modelreglement ruwweg twee modellen. In het eerste model is een raadscommissie vooral gericht op voorbereiding en informatievoorziening en vindt het politieke debat plaats in de raad, in het tweede vindt het politieke debat plaats in een commissievergadering en geschiedt de besluitvorming door de raad. De werkwijze in Heiloo is geënt op dit tweede model. De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De raadscommissie kan ook op eigen initiatief advies aan de raad uitbrengen, ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als die van de raad, namelijk die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan. De raadscommissie bepaalt evenals de raad haar eigen agenda. Dit betekent dat niet het college, maar (de voorzitter van) de raadscommissie bepaalt of een voorstel voor advies aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens het in de raad wordt besproken. In artikel 7 van dit RvO is om dit te coördineren een presidium ingericht. Het presidium is verantwoordelijk voor de inhoudelijke afstemming en procedurele voorbereiding van raads- en commissievergaderingen. Meestal zal het echter wel zo zijn dat een onderwerp eerst in een commissievergadering wordt besproken. Artikelen 24 en 25:

Artikel 26

Werkwijze bij commissievergadering De werkwijze voor oproep en agenda zijn gelijk aan die voor de vergaderingen van de raad en staan in artikel

  1. Artikel
  2. Uitkomst van een commissie: advies; geen stemmingen Door gebruik van het woord beslissen in het eerste lid kan de suggestie gewekt worden dat in de commissievergadering ook ‘echte’ Awb-besluiten kunnen worden genomen. Dit is echter niet het geval (zie ook lid 3). Een raadscommissie neemt geen beslissingen maar bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt onderling en met het college en de burgemeester (art. 82, lid 1 Gemeentewet). Dit gebeurt op voorstel van het presidium (artikel 7, lid 1). Alleen in de raadsvergadering kunnen besluiten worden genomen. Wel kan een raadscommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de raad. Ten behoeve van het debat in de raad en om recht te doen aan de mening van alle fracties, inclusief minderheidsstandpunten, worden de standpunten van alle fracties in het advies opgenomen (lid 2). Het ligt voor de hand dat indien een lid het niet eens is met het fractiestandpunt, hier afzonderlijk melding van wordt gemaakt in het advies aan de raad. Als in een commissievergadering niet unaniem over de agendering van een voorstel in de raadsvergadering wordt gedacht, ligt het op de weg van de commissie om de raad over de verdeeldheid in kennis te stellen, waarna de raad het besluit neemt over het al dan niet agenderen van het onderwerp (zie ook artikel 10, lid 3). Collegevoorstellen die door het presidium worden doorgeleid voor advisering door een raadscommissie, kunnen niet zonder toestemming van de raad worden ingetrokken of tegengehouden door een raadscommissie (zie artikel 43 van dit RvO). Artikel
  3. Spreekrecht Het geven van spreekrecht aan burgers is een manier om burgers meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad. Doordat de raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor is begonnen (ambtelijke organisatie, college, commissies) is er conform de modelverordening van de VNG voor gekozen het spreekrecht op te nemen bij de commissievergaderingen. In die fase zijn de fracties nog bezig hun mening te vormen. Een inspreekmogelijkheid tijdens de raadsvergadering is doorgaans minder effectief (‘schijnspreekrecht’). Het spreekrecht bij commissievergaderingen geldt in Heiloo (in afwijking van het Modelreglement) voor onderwerpen die op de agenda van de commissie staan en op verzoek van de raad ook voor onderwerpen die niet op de agenda staan (eerste lid). Artikel 29 Spreektermijnen: Voorstellen van orde lid 4 Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen. De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de raadscommissie. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten (gestemd via “one man one vote”) door de raadscommissie. Bij het staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, vierde lid, van de wet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een (overleg) pauze of een voorstel over de (beperking van de) spreektijden van de leden en overige deelnemers aan de commissievergadering. Artikelen 30 t/m 37:

Artikel 38

Besluitvorming Bij een stemverklaring gaat het om een zeer korte toelichting in één of twee zinnen waarom op een bepaalde manier gestemd wordt. Het mag niet verworden tot een bijdrage of discussie. Vaak gaat het om een onderdeel van een besluit waar een fractie of een lid moeite mee heeft en hij zijn of haar voor- of tegenstem in het openbaar wil toelichten. Artikel 39 Algemene bepalingen over stemming Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. In Heiloo is de reguliere werkwijze om op voorstel van de voorzitter van de raad bij alle stemmingen via een stemkastje voor of tegen te stemmen. Deze manier van stemmen is live en achteraf hoofdelijk zichtbaar op de website. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de wet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd. Artikel 40, 44 en 45 (Stemming over) moties en amendementen (en subamendementen) Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequenties trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (artikel 44, lid 7). Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 46 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Artikel 41 Stemming over personen Artikel 1, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Dit is ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken, maar het RvO van Heiloo gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembrief je (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten. Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen. Artikel 42:

Artikel 43

. Collegevoorstel Artikel 43 heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid). Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten. Artikelen 44 (moties) en 45 (amendementen): zie blz 34 van deze toelichting Artikel 46. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109). Het tweede en derde lid van artikel 147a van de Gemeentewet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegen-woordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (tweede lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. In het derde lid is een termijn gesteld om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. In het vierde lid van artikel 147a van de Gemeentewet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet). Deze zgn. voorhangregeling is uitgewerkt in het derde lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3). Het vierde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 10, tweede lid (oproep en agenda raad) voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het derde lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht. Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven, kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken. Artikelen 47, 49 en 50:

Artikel 48

Actieve informatieplicht In de Gemeentewet zijn regels bepaald over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. In de eerste plaats is er de passieve inlichtingenplicht (artikel 169, derde lid, Gemeentewet). Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad (of raadsleden) gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Ook kent de Gemeentewet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, Gemeentewet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Daarbij geldt dat de raad te allen tijde in positie moet kunnen zijn. Concrete afsprak

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.