De raad van de gemeente Skarsterlân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nummer 92b/2010; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de: Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2011 Artikel1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; b gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; c verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; d water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater. e woning: een onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a Gemeentewet, met dien verstande dat daartoe ook die gedeelten van een onroerende zaak behoren die als perceel kunnen worden aangemerkt en waarvan de waarde ingevolge artikel 220e Gemeentewet buiten de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelastingen worden gelaten; f niet-woning: elke onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan welke niet als woning is aan te merken als bedoeld onder e.; g boothuis: een zelfstandige opstal, bedoeld en als zodanig in gebruik, voor het stallen van een vaartuig in of boven het water, terwijl vanuit de opstal enkel hemelwater wordt afgevoerd; h garagebox: een zelfstandige opstal, bedoeld en als zodanig in gebruik, voor het stallen van (motor-)voertuigen en/of het opslaan van goederen, zonder dat dit een bedrijfsmatig doel dient, en deze opstal in de uitvoering van de Wet WOZ als garagebox wordt aangemerkt, terwijl vanuit de opstal enkel hemelwater wordt afgevoerd. Artikel2Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel3Belastbaar feit en belastingplicht 1De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2Met betrekking tot de rioolheffing, wordt als gebruiker aangemerkt: a degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan. Artikel4Zelfstandige gedeelten 1Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. 2Ingeval na toepassing van het eerste lid twee gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, waarbij eenzelfde gebruiker het ene afzonderlijk deel als woning en het andere als niet-woning gebruikt, worden deze beide gedeelten tezamen als één perceel aangemerkt. Artikel5Maatstaf van heffing 1De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 2Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of een; b bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. Artikel6Belastingtarieven 1De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt: a voor de afgevoerde hoeveelheid water tot en met 300 m³ € 147,10; en, voor elke volgende volle eenheid van 300 m³ afgevoerd water, vermeerderd met: b boven de 300 m³ tot en met 15.000 m³ € 147,10; c boven de 15.000 m³ tot en met 45.000 m³ € 130,00; d boven de 45.000 m³ tot en met 210.000 m³ € 77,00; e boven de 210.000 m³ € 24,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.