Verordening leerlingenvervoer 2025De raad van de Gemeente Opsterland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 11-2-2025, gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; overwegende dat de gemeente verplicht is om een verordening vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen, onder bepaalde voorwaarden, aanspraak kunnen maken op een vergoeding van de vervoerskosten van en naar school; overwegende dat de wettelijke wijzigingen als gevolg van het Passend Onderwijs in de verordening zijn verwerkt en de gemeente Opsterland de zelfredzaamheid in het reizen van leerlingen wil vergroten en zij daartoe maatwerk wil bieden in het leerlingenvervoer; besluit de verordening 'Leerlingenvervoer 2025' vast te stellen. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus, treintaxi of bustaxi; b. aanvrager Ouders of meerjarige en handelingsbekwame leerling c. afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; d. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; e. college het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland; f.deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige; g. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; h. gehandicapte leerling: een leerling die door structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig, van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; i. inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; j. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; k. openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken; l. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; m. ouders: met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling; n. persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen;] o. reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, als de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; p. samenwerkingsverband: Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; q. school: Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of School voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; r. schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids; s. stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; t. toegankelijke school: school waar plaats is en waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; u. vervoer: openbaar vervoer, eigen vervoer of aangepast vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; v. vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; een andere passende voorziening die goedkoper is dan de onder sub 1 genoemde vervoerskosten; w. wangedrag: gedrag van een leerling dat onacceptabel is omdat het: gevaar voor de leerling zelf of voor anderen veroorzaakt; bedreigend is voor anderen; onhygiënisch is; x. woning: woning waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Artikel2.Doelstelling Deze verordening heeft tot doel om ouders tegemoet te komen in de kosten van het leerlingenvervoer op de best passende goedkoopste manier met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hoofdstuk2.Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel3.Aanvraagprocedure 1.Het college gebruikt voor de aanvraag van een vervoersvoorziening een (digitaal) formulier. 2.Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door indiening van een volledig ingevuld en door de aanvrager ondertekend (digitaal) formulier. 3.Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 4.Indien dit voor een juiste beoordeling noodzakelijk is, kan het college advies inwinnen bij onafhankelijke externe deskundigen of bij het gebiedsteam Opsterland. 5.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 6.Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 7.Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de door de aanvrager verzochte datum. De ingangsdatum kan niet vóór de datum van ontvangst van de aanvraag liggen. wanneer het een andere passende voorziening betreft, met ingang van een datum die indien mogelijk aansluit bij de door de aanvrager verzochte datum. 8.Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: per fiets; per openbaar vervoer; met eigen vervoer; met aangepast vervoer. Artikel4.Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid 1.Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2.Het college kan bij een aanvraag in een gesprek met de aanvrager, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. 3.Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek opnieuw plaatsvinden. 4.Als de leerling 9 jaar of ouder is, kan het college, in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen. In dit plan wordt de weg naar zelfstandig reizen naar school, alsmede de mogelijkheden van de leerling beschreven. 5.In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college de mogelijkheid opnemen om ondersteuning te bieden ter bevordering van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling. 6.Het gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling kan op elk moment door de ouders of door het college geïnitieerd worden. Artikel5.OOGO met het samenwerkingsverband Het college neemt het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het Op Overeenstemming Gericht Overleg met het samenwerkingsverband. Artikel6.Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 2.Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 3.De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. 4.Als een vervoersvoorziening toegekend wordt, verwacht het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke vergoeding van de vervoerskosten toekomt, betaling van een eigen bijdrage. Deze is ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de eigen bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 5.Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 6.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 7.Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden in de beschikking. 8.Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 9.Het college stelt ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels in de vorm van beleidsregels. Artikel7.Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1.De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2.Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3.Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4.Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten, dan wel intrekken, als het college vaststelt dat: niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. 5.De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling, gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer, berust bij de ouders. 6.Ten onrechte genoten vergoeding kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Hoofdstuk3.Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel8.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2.Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen. 3.Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel9.Afwijzingsgronden 1.Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen. 2.Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.