Beleidsregel vergunning warmtenetten en -leidingen APV Den Haag 2025 Toelichting Om de centrale rol in de warmtetransitie te kunnen vervullen en de daarvoor noodzakelijke regie te voeren, is een vergunningplicht voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of opruimen van warmtenetten of warmteleidingen opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV). In artikel 2:10B, negende lid, van de APV zijn drie weigeringsgronden opgenomen op grond waarvan een vergunning in ieder geval geweigerd kan worden. In deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan deze weigeringsgronden. De weigeringsgronden zijn opgenomen in het belang van de ondergrondse ordening, de realisatie van de collectieve warmtenetten, de uitvoering van het gemeentelijk beleid op het gebied van de energietransitie en het beschermen de uitvoering van een gemeentelijke (concessie)opdracht of aanwijzing in een gebied dat door het college is aangewezen. De beschikbare ruimte is in grote delen van de stad schaars. Dit betekent dat een goede ondergrondse ordening essentieel is om ruimte te kunnen bieden aan de verschillende voorzieningen in die ondergrond. Verder draagt de vergunningplicht bij aan de realisatie van de collectieve warmtenetten, de uitvoering van het gemeentelijk beleid op het gebied van de energietransitie en het beschermen van de uitvoering van een gemeentelijke (concessie)opdracht of aanwijzing in een gebied dat door het college is aangewezen. De warmtenetten en -leidingen moeten de verwarming via gas in grote delen van de stad gaan vervangen. Daarmee leveren de warmtenetten en -leidingen een belangrijke bijdrage aan de energietransitie en de ambitie van de gemeente Den Haag om in 2030 een klimaatneutrale gemeente te zijn. De vergunningplicht biedt ruimte om daar regie op te voeren en ook bewonersinitiatieven en warmtegemeenschappen te ondersteunen die warmtenetten en -leidingen willen aanleggen. Bij de beoordeling van vergunningaanvragen van bewonersinitiatieven wordt rekening gehouden met de schaal, het doel en de maatschappelijke meerwaarde van het initiatief. Kleinschalige warmtenetten vanuit bewoners kunnen een waardevolle aanvulling zijn op de warmtetransitie. De beleidsregel waarborgt dat deze initiatieven niet onnodig worden belemmerd, zolang zij niet conflicteren met gemeentelijke concessieopdrachten of de optimale benutting van de ondergrond. Besluitvorming Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, gelet op de artikelen 2:10B, tiende lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, besluit vast te stellen de Beleidsregel vergunning warmtenetten en -leidingen APV Den Haag 2025: Artikel 1 Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - APV: Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag; - beleid ten aanzien van de ondergrondse ordening: beleid dat is vastgelegd in de Visie op de Ondergrond; (RIS318970) en het Handboek Openbare Ruimte (RIS268741); - college: het college van burgemeester en wethouders; - gemeentelijk standaard dwarsprofiel: ligplan voor de ondergrondse infrastructuur, conform het standaard dwarsprofiel dat is opgenomen als bijlage bij de richtlijn in het Handboek Openbare Ruimte, categorie Ondergrond, subcategorie Kabels & leidingen; - optimale benutting: zodanige ordening van ondergrondse infrastructuur dat kabels en leidingen niet met elkaar interfereren, bereikbaar zijn voor beheer en het ruimtegebruik zo beperkt mogelijk is zodat ruimte beschikbaar blijft voor andere functies; - warmteleiding: warmteleiding als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel v, van de APV; - warmtenet: warmtenet als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel w, van de APV. Artikel 2 Reikwijdte beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op de wijze waarop bij de beoordeling van vergunningen wordt omgegaan met de weigeringsgronden, bedoeld in artikel 2:10B, negende lid, van de APV. Artikel 3 Toepassing artikel 2:10B, negende lid, onderdeel a Het college weigert een aanvraag op grond van artikel 2:10B, negende lid, onderdeel a, van de APV in ieder geval als: a. de aanvraag niet leidt tot een optimale benutting van de ondergrond; b. het op de desbetreffende locatie fysiek niet mogelijk is om warmtenetten of warmteleidingen aan te leggen; c. de aanvraag niet voldoet aan het beleid ten aanzien van de ondergrondse ordening, waaronder het gemeentelijk standaard dwarsprofiel; d. het aan te leggen warmtenet zorgt voor ongewenste verstoringen in het gebruik, het beheer of het onderhouden en vervangen van ander aanwezige warmtenetten; of e. het gebied waarvoor de aanvraag is gedaan al is voorzien van een ander warmtenet of is aangewezen om daarvan te worden voorzien. Artikel 4 Toepassing artikel 2:10B, negende lid, onderdeel b Het college weigert een aanvraag op grond van artikel 2:10B, negende lid, onderdeel b, van de APV in ieder geval als: a. het toekennen van de vergunning ertoe leidt dat het aanleggen van andere warmtenetten of warmteleidingen niet langer rendabel kan zijn; b. geen rekening wordt gehouden met toekomstige gewenste uitbreidingen; of c. dit leidt tot inefficiënt energieverbruik. Bij de beoordeling van een aanvraag worden in ieder geval de volgende beleidsstukken betrokken: a. Transitievisie warmte (Tvw) (RIS313867); b. het Stedelijk Energieplan (SEP)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.