Bodemkwaliteitskaart Regio De ValleiGelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 juli 2025, met nr. 489561 overwegende vast te stellen de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart Ede en de Nota bodembeheer Regio De Vallei. Besluit De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei (17 maart 2025) voor Ede vast te stellen; het intrekken van de bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei van 2018 en de bodemkwaliteitskaart PFAS Regio De Vallei van
(10), PCB (som 7) en minerale olie PFAS 28 pakket handelingskader PFAS: PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHxA, PFHpA, PFOA, PFOAvertakt, PFNA, PFDA, PFUnDA, PFDoA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDAc PFODA, PFBS, PFPes, PFHxS, PFHpS, PFOS, PFOS vertakt, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, N-MeFOSAA, N-MeFosa, 8:2 diPAP 3.3Onderbouwing bodemkwaliteitszones De bodemkwaliteitskaart toont de algemene achtergrondconcentratie van een gebied. Er zijn locaties waarvan verwacht wordt of bekend is dat de kwaliteit afwijkt. Locaties met een (naar verwachting) slechtere kwaliteit zijn uitgesloten. Dit zijn locaties waar verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden, een slechtere kwaliteit is vastgesteld, die (gedeeltelijk) gesaneerd zijn of niet onder het beheergebied vallen van de betrokken gemeente. Er is een vooronderzoek uitgevoerd conform NEN 5725 aanleiding E. Onderdeel van het vooronderzoek is om te bepalen: Welke puntbronnen aanwezig zijn Welke (vermoedelijk) sterk verontreinigde locaties aanwezig zijn Voor zowel het standaardpakket als PFAS is er gekeken of er deelgebieden aan te wijzen zijn op basis van: Onderscheidende kenmerken in bodemopbouw en geomorfologie Ontwikkeling van het beheergebied Functies in het gebied Verdachte locaties Aanpassing bodemkwaliteitszones Deze factoren kunnen namelijk invloed hebben op de (verwachte) verontreinigingen in het gebied en daarmee de indeling in zones. Bodemopbouw en geomorfologie Informatie over de bodemopbouw van de regio is te vinden op de BRO bodemkaart van Nederland6De BRO Bodemkaart is te bekijken op: https://www.broloket.nl/ondergrondmodellen/kaart. Hieruit blijkt dat de bodemopbouw in verschillende gemeenten afwisselend is. De bodemopbouw bestaat voornamelijk uit zand en lemige gronden. Hierbij zijn de lemige gronden voornamelijk in het westen te vinden. Deze gronden hebben als hoofdzakelijk gebruik landbouw en wonen. In het oosten van het beheergebied bevindt zich de Veluwe. Dit gebied bestaat vrijwel uitsluitend uit hoger gelegen zandgronden en is voor een groot deel afgesloten natuurgebied. Derhalve is er ook weinig bodemdata beschikbaar binnen dit betreffende gebied. De overgang van de Vallei naar de Veluwe is goed te zien in het hoogte profiel van het beheergebied zoals weergegeven in figuur 3.2 Naast de lemige en zandige gronden zijn er ook enkele klei- en veengronden aanwezig binnen het beheergebied. Dit is het noorden van de gemeente Nijkerk en het zuiden van de gemeente Wageningen die aan maritieme en fluviale invloeden onderhevig waren en zijn. Deze zijn op de hoogtekaart in het noorden van de gemeente Nijkerk ook te herkennen aan het meest laaggelegen gebied (donkergroen). Figuur 3.2 Hoogteprofiel in de regio. Blauwe en groene gebieden liggen lager (< 10 m NAP) dan gele en rode gebieden (> 10 m NAP) (bron:AHN4 DSM 50 cm) Ontwikkeling van het beheergebied In bijlage 6 is per gemeente kort toegelicht hoe de steden, dorpen en buurtschappen zich door de tijd hebben ontwikkeld. Hier is een beknopte samenvatting gegeven. De ontwikkeling van het beheergebied is van belang, omdat het een indicatie kan geven van de verwachte bodemkwaliteit. Hierbij speelt bijvoorbeeld de ouderdom van de bebouwing mee. Oudere kernen hebben vaak een slechtere kwaliteit. Vanzelfsprekend zijn alle woonkernen in de loop van de tijd gegroeid. Met name in de grotere plaatsen is dit duidelijk te zien. De grootste groei is te zien sinds de jaren ’60, daarom zijn in bijlage 6 historische kaarten van de jaren ‘60 vergeleken met kaarten van nu. Verdachte locaties Enka terrein Vanaf 1922 was een kunstzijdefabriek van het bedrijf ENKA gevestigd in de gemeente Ede. In de 20ste eeuw groeide ENKA uit tot een grote speler in de kunstvezelindustrie. De bedrijfsactiviteit van ENKA in Ede heeft aangehouden tot
- Hierna heeft het terrein een woonbestemming gekregen. De bedrijvigheid van ENKA heeft gedurende de 20ste eeuw bodemverontreinigingen veroorzaakt. De verontreinigingen betreffen verontreinigingen met zware metalen in grond en VOCl in grondwater. Over het gehele ENKA-terrein is een leeflaag aangebracht van 1,0 m-mv dikte. Onder deze leeflaag zijn plaatselijk nog sterke verontreinigingen te verwachten. Op het terrein is een beschikking in het kader van de Wet Bodembescherming afgegeven. Het ENKA-terrein is daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Stortlocaties In de regio zijn meerdere voormalige en actieve stortlocaties aanwezig van verschillende omvang. Alle stortplaatsen zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Aan de A1 in Barneveld bevindt zich een grootschalig actieve stortplaats en grondstoffenverhandelaar (bijvoorbeeld, granulaten, zand, grind en beton). Deze locatie is op basis van kadastrale contouren uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Kleinere stortplaatsen zijn tevens uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Locaties hiervan dienen aan het licht te komen in het vooronderzoek en zijn niet in de kaarten weergegeven. Uiterwaarden In de uiterwaarden van Wageningen bevinden zich (voormalige) steenfabrieken en stortplaatsen. Aangezien deze activiteiten zich in de uiterwaarden bevinden vallen deze onder het beheer van het waterschap. Hierom zijn deze activiteiten niet relevant voor de op te stellen bodemkwaliteitskaart. Asbest In de regio komt asbest op meerdere locaties voor. Dit is grotendeels te relateren aan het gebruik van asbest in gebouwen. De verdenking op asbest is over het algemeen locatiegebonden en is daarmee geen diffuus probleem. Uitzonderingen hierop kunnen zijn asbestverdachte wegen. Deze verdenkingen op asbest dienen aan het licht te komen uit het vooronderzoek. Afvalwaterzuiveringsinstallaties en rioolwaterzuiveringsinstallaties Binnen het beheergebied bevinden zich meerdere rioolwaterzuiveringsinstallaties en rioolgemalen. Deze locaties zijn onder andere verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen vanwege de aanwezige slibvelden. Slib heeft een goed hechtend vermogen waardoor verontreinigingen zich hechten. Locaties met rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen uit het standaardpakket, PFAS en vluchtige aromaten. Militaire (oefen)locaties Er zijn diverse militaire terreinen en complexen aanwezig binnen het beheergebied. Deze locaties zijn afgesloten en niet toegankelijk en hebben een andere functie dan het omliggende functiegebied. Daardoor kan er geen inschatting worden gemaakt van de bodemkwaliteit ter plaatse van de betreffende locaties. Deze locaties zijn daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Openbaar toegankelijke militaire terreinen hebben geen eigen klassen en vallen in de omliggende klasse en zijn niet uitgesloten. Agrarische erven In de regio zijn veel agrarische gebieden. Deze gebieden zijn in principe opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Erven zijn echter uitgesloten. Boomgaarden In regio De Vallei ten westen van Wageningen, Bennekom en Ede bevinden zich veel boomgaarden voor de fruitteelt. Deze boomgaarden zijn naast het standaardpakket ook verdacht op verontreinigingen met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s). (Voormalige) boomgaarden zijn daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, tenzij is aangetoond dat er geen bestrijdingsmiddelen zijn toegepast of dat de bodem niet met deze parameters verontreinigd is. In het vooronderzoek dient hier extra aandacht aan besteed te worden. Branden en gebruik van blusschuim Uit informatie van de Veiligheidsregio Gelderland-Midden blijkt dat niet wordt bijgehouden waar blusschuim toegepast wordt. Hierdoor is niet vast te stellen welke locaties verdacht zijn ten aanzien van PFAS wegens het toepassen van blusschuim. Momenteel voert de Provincie Gelderland onderzoek uit naar PFAS bij verdachte locaties7Veldonderzoek naar PFAS in bodem provincie Gelderland. In dit onderzoek worden locaties onderzocht die in de buurt liggen van waterwingebieden, waterreserveringsgebieden, woonwijken en speelplaatsen welke verdacht zijn van PFAS-verontreiniging. BRZO-bedrijven Uit informatie van de Omgevingsdienst blijken er meerdere BRZO8BRZO staat voor Besluit Risico’s Zware Ongevallen -bedrijven aanwezig te zijn. Deze bedrijven werken met gevaarlijke stoffen. Deze bedrijven zijn dan ook verdacht aan een ruim palet van stoffen. De terreinen van deze bedrijven zijn geen onderdeel van de bodemkwaliteitskaart omdat het verdachte locaties betreft. Voormalige Gasfabrieken Twee locaties waar voormalige gasfabrieken zaten zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart vanwege de aanwezigheid van mogelijke achtergebleven restverontreinigingen (Kallenbroekerweg te Barneveld en Schaapsweg 2B te Ede). Lintvormig diffuus belaste gebieden In de regio De Vallei zijn meerdere lintvormige diffuus belaste gebieden. Dit zijn woonkernen die zijn begonnen als lintbebouwing en vaak uitgegroeid zijn naar dorpen, maar ook rijkswegen, de provinciale wegen, de gemeentelijke wegen en de spoorwegen. De oude woonkernen welke ontstaan zijn uit lintbebouwing zijn met name verdacht op zware metalen en PAK. Deze woonkernen zijn met name opgenomen in het deelgebied ‘Kleine kernen’. Overige lintvormige diffuus belaste gebieden (wegen en spoorwegen inclusief bermen) zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. 3.4Uitgesloten locaties van de bodemkwaliteitskaart In dit vooronderzoek voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is geen volledige lijst opgenomen van verdachte locaties. Hiervan is afgezien omdat het een dynamisch overzicht is. Een dergelijke kaart zou snel verouderen. Door middel van het uitvoeren van een vooronderzoek volgens de NEN 5725, aanleiding F kan bepaald worden of een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of eerder aangetoonde verontreinigingen. In deze gevallen geldt de bodemkwaliteitskaart niet en is het uitvoeren van een partijkeuring of bodemonderzoek noodzakelijk. Dergelijke locaties welke in paragraaf 3.3 zijn uitgewerkt betreffen het volgende: Uiterwaarden (beheer waterschap) ENKA-terrein Voormalige en actieve stortlocaties Afvalwaterzuiveringsinstallaties Rioolwaterzuiveringsinstallaties Afgesloten militaire terreinen Agrarische erven Boomgaarden BRZO bedrijven Voormalige gasfabrieken Wegen en sporen inclusief bermen 3.5Aanpassing bodemkwaliteitszones Ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaart hebben er wijzigingen plaatsgevonden van de in te delen homogene deelgebieden. Bij deze wijzigingen was de bodemfunctiekaart een belangrijk uitgangspunt. Ook zijn de grenzen van de homogene deelgebieden zoveel mogelijk langs kadastrale grenzen gelegd. Hierbij zijn de volgende afwegingen gemaakt: Op basis van gegevens van de BAG-viewer zijn inschattingen gemaakt over de gemiddelde ouderdom van bebouwing in een gebied. Hieruit bleek dat de zone ‘Wonen voor 1945' in veel gevallen iets te klein was. Daarom is de zone op meerdere plaatsen uitgebreid, waarbij de begrenzing langs kadastrale grenzen gelegd is. Gebieden met significante aanwezigheid van bebouwing voor 1945 zijn hierbij toegevoegd aan het deelgebied Wonen voor
- Het betreft enkel uitbreidingen van deelgebieden, er zijn geen deelgebieden ingeperkt of nieuwe niet-aaneengesloten gebieden gecreëerd De deelgebieden ‘Wonen na 1945’ en ‘Kleine kernen’ zijn uitgebreid op basis van de bodemfunctiekaart en de BAG viewer. Hierbij is gekeken naar gebieden die op basis van de oude homogene deelgebiedenkaart in landbouw/natuur vallen, maar op de bodemfunctiekaart in wonen vallen. Indien in een dergelijk gebied het grootste deel van de bebouwing uit voor de eeuwwisseling
(2000)stamt dan zijn deze gebieden toegevoegd aan het betreffende aangrenzende deelgebied (‘Wonen na 1945’ of ‘Kleine kernen’). Bebouwing gebouwd na 2000 wordt beschouwd als nieuwbouw waarbij gelet is op moderne milieukundige wet- en regelgeving. Hiervoor wordt aangenomen dat de bodemkwaliteit niet is gewijzigd door het gebruik als woongebied Recreatieparken (> 50 woningen) en landelijk gelegen woonwijken (bijvoorbeeld Wageningen Hoog) krijgen op de bodemfunctiekaart klasse wonen. Hiermee komt de functieklasse overeen met het gebruik. Gezien het meer extensieve gebruik van deze locaties en de landelijke ligging wordt verwacht dat dit soort gebieden met betrekking tot bodembelasting meer overeenkomt met het landelijk gebied. Daarom zijn deze gebieden, net als in de vorige versie van de bodemkwaliteitskaart, opgenomen in zone ‘Overig’ 4Dataverzameling en uitgevoerde werkzaamheden 4.1Voorbewerking van de aangeleverde XML-gegevens Door de omgevingsdienst De Vallei zijn XML-gegevens aangeleverd uit het bodeminformatie-systeem (BIS) Nazca. De dataset is vervolgens bewerkt om enkel relevante data over te houden. De relevante waarnemingen zijn weergeven in bijlage 1. Voor de bewerking van de dataset gelden de volgende zaken: Data ouder dan 10 jaar (voor 1 januari 2014) zijn verwijderd uit de dataset Data van de afgelopen vijf jaar (2019-2024) zijn vergeleken met data van vijf tot tien jaar geleden (2014-2018). Uit deze vergelijking zijn geen significante verschillen naar voren gekomen. Daarom zijn deze data samengevoegd om tot een dataset te komen van 10 jaar. Dit is conform de Handreiking bodemkwaliteitskaarten die stelt dat, indien is aangetoond dat de data een vergelijkbare bodemkwaliteit aantoont, alle beoordeelde data meegenomen moet worden Data zonder XY-coördinaten op boring- of projectniveau zijn niet meegenomen, omdat deze niet aan een zone gekoppeld kunnen worden Grondwatermonsters en waterbodemmonsters zijn uit de dataset verwijderd Enkel analyses binnen het standaardpakket bodem en PFAS-28-pakket zijn meegenomen in de dataset De volgende typen onderzoek zijn meegenomen in de selectie: Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 (mogelijk in combinatie met asbestonderzoek conform NEN 5707) Oriënterend onderzoek Aanvullend rapport Eind- of nulsituatie onderzoek Van een aantal waarnemingen was het humus/lutum gehalte niet bekend voor het standaardpakket. Deze waarnemingen zijn aangevuld door uit te gaan van het gemiddelde organische stof- en lutumgehalte van de desbetreffende zone en laag Voor het berekenen van de statistische kentallen in percentielbladen zijn de rekenregels volgens BoToVa toegepast. Voor de omrekening naar standaardbodem wordt gebruik gemaakt van locatiespecifieke waarden voor organische stof en lutum (behalve wanneer deze niet beschikbaar was, zie vorige punt) Mengmonsters komen meerdere malen in de dataset terug, omdat de bodeminformatie op boringniveau opgeslagen wordt. Voor de bodemkwaliteitskaart gaat het om het aantal waarnemingen, oftewel het aantal analyses. De resultaten van de mengmonsters zijn dan ook eenmalig meegenomen in de dataset In mengmonsters zijn soms deelmonsters aanwezig met verschillende dieptetrajecten. Voor de bepaling van het dieptetraject van het mengmonster is gebruik gemaakt van het maximale dieptetraject van de verschillende deelmonsters. De gemiddelde laagdieptes zijn vervolgens bepaald op basis van het gemiddelde dieptetraject Na het uitvoeren van alle bovenstaande bewerkingen bevatte de dataset circa 100.000 waarnemingen van het standaardpakket bodem. Binnen het PFAS 28 pakket betrof dit circa 14.000 waarnemingen. 4.2Nabewerking van de data Na uitvoering van deze bewerkingen op de aangeleverde data is de data verder geanalyseerd in Excel. Bij deze analyses is de volgende data bewerkt of verwijderd uit de dataset: Uitgevoerde bewerkingen Bij gemeten gehalten voor minerale olie onder de 100 mg/kg d.s. wordt minerale olie niet gecorrigeerd voor organische stof conform het gebiedsspecifieke beleid van de regio zoals benoemd in paragraaf 2.2 Enkele PCB-waarnemingen die zijn gemeten op de rapportagegrens betreffen een invoerfout op basis van de eenheid. Hierbij zijn waarden ug/kg waarden ingevoerd als mg/kg. Deze resultaten, die zijn gemeten op de rapportagegrens, zijn gedeeld door een factor duizend Data verwijderd uit de dataset Rapporten die dubbel gerapporteerd staan onder verschillende rapportagedatums. Hierbij is sprake geweest van een dubbele invoer in het BIS Monsters met onrealistische lutum of organische stof resultaten. Dit betreffen grondmonsters waarbij het lutum- of organische stofpercentage groter dan 80 % is. Gegevens waarvoor dit het geval is worden als onrealistisch beschouwd. Tevens zorgen dergelijke afwijkingen voor onrealistische omrekeningen naar gestandaardiseerde waarden Monsters waarbij één of meerdere stoffen analyseresultaten hebben die een gehalte hebben dat lager dan 10 % van de rapportagegrens is. De gegevens van een dergelijk monster worden als onbetrouwbaar beschouwd, omdat een dergelijke meetnauwkeurigheid in het lab niet haalbaar is en vermoedelijk een invoerfout betreft Monsters waarbij slechts één of twee parameters zijn geanalyseerd. Aangenomen kan worden dat een monster welke enkel op één of twee parameters is geanalyseerd enkel een aanvullende analyse betreft. Derhalve geven dergelijke monsters geen goed beeld van de achtergrond van de bodemkwaliteit binnen een deelgebied Bodemonderzoeken waarbij de term tankstation genoemd is in de rapportnaam (verdachte locatie) Bodemonderzoeken waarbij N-wegen zijn genoemd in de rapportnaam (verdachte locatie) Bodemonderzoeken waarbij het woord aanvullend onderzoek in de titel zit. Bij deze onderzoeken is het type onderzoek (verkennend in plaats van aanvullend) verkeerd geregistreerd Twee onderzoeken waarbij een vervolgonderzoek (AO of saneringsplan) het gevolg is ten aanzien van een aangetoonde verontreiniging met minerale olie9Verkennend en asbestonderzoek Nieuwstraat 70 en 70a te Scherpenzeel, rapportagedatum: 24-10-2022 en Verkennend en asbestonderzoek Kolkakkerbuurt te Ede; rapportagedatum: 05-08-2018 4.3Uitgevoerd veldwerk Er is aanvullend veldwerk uitgevoerd om de dataset aan te vullen voor het uitvoeren van een statistisch solide analyse. Het aanvullende veldwerk is uitgevoerd in het niet-aaneengesloten gebied ‘Industrie na 1945’ in Nijkerkerveen. In dit niet-aaneengesloten gebied waren in de dataset nog geen resultaten bekend. Tijdens het aanvullende veldwerk zijn drie boringen geplaatst voor het behalen van het minimale aantal waarnemingen voor een individueel deelgebied. Voor de overige deelgebieden bleken de aangeleverde XML-gegevens uit het BIS toereikend voor het uitvoeren van een statistisch solide analyse. De resultaten van het uitgevoerde veldwerk zijn opgenomen in een aanvullend onderzoek dat is opgenomen in bijlage 7. De analyseresultaten zijn vervolgens aan de dataset toegevoegd en in de statistische analyse meegenomen. 4.4Statistische analyse De dataset vormt input voor de statistische analyse. De resultaten van de statistische analyse vormen de basis voor de bodemkwaliteitskaarten. De resultaten zijn weergeven in zogenaamde percentielbladen. Dit zijn tabellen met de statistische weergave van de analysegegevens. Hierin zijn onder andere opgenomen: De aantallen analyses per parameter De percentielwaarden: dit zijn de waarden waar een bepaald percentage van de waarnemingen onder ligt. Zo is de P80 de waarde waar 80 % van de waarnemingen onder ligt Het gemiddelde en de maximale waarde die aangetroffen is De heterogeniteitsindex die aangeeft hoe heterogeen de zone is 5Evaluatie resultaten In dit rapport zijn alleen de percentielbladen van de definitieve gebiedsindeling opgenomen. De eerste resultaten zijn hieronder wel besproken. Voordat deze resultaten namelijk definitief gebruikt kunnen worden, moet eerst worden vastgesteld of de gekozen uitgangspunten volstaan. De volgende uitgangspunten worden geëvalueerd: Aanwezigheid uitbijters De indeling in bodemkwaliteitszones Aangetroffen heterogeniteit De bestaande bodemkwaliteit van de regio De Vallei is gekarakteriseerd op basis van de gemiddelden. 5.1Uitbijters Om een betrouwbaar beeld te krijgen van de kwaliteit is gekeken naar de gemeten concentraties. Wanneer een extreme waarde aanwezig is, dient conform de handreiking bepaald te worden: Of deze extreme waarde deel uitmaakt van de achtergrondgehalten Of deze extreme waarde afkomstig is van een lokale puntbron Of deze extreme waarde een uitbijter betreft die het gevolg is van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van de gegevens Op basis van kenmerken in de dataset zijn er uitbijters verwijderd. In de onderstaande lijst staan de redenen weergegeven waarom bepaalde gegevens als uitbijter geclassificeerd zijn. Er kunnen meerdere redenen van toepassing zijn op hetzelfde analyseresultaat. Analyses waarbij PAK hoger is dan twee maal de interventiewaarde. Dit is het geval voor 138 waarnemingen in de dataset. Gesteld kan worden dat PAK verontreinigingen met dusdanig hoge gehaltes enkel voorkomen ten gevolge van antropogene bronnen. Daarom kan worden aangenomen dat dergelijke verontreinigingen zich ter plaatse van verdachte locaties bevinden Analyses waarbij minerale olie (102 gevallen) of PCB’s (83 gevallen) de interventiewaarde overschrijden. Gesteld kan worden dat minerale olie en PCB verontreinigingen met dusdanig hoge gehaltes enkel voorkomen als gevolg van relatief recent menselijke handelen. Daarom kan worden aangenomen dat zulke verontreinigingen zich enkel ter plaatse van verdachte locaties bevinden Analyses waarbij het resultaat hoger is dan 10 maal de interventiewaarde. Dit is van toepassing bij vier gevallen van koper, één geval van lood en zeven gevallen van zink (PAK, PCB en minerale olie zijn niet meegerekend). Deze waarden zijn dusdanig hoog dat kan worden aangenomen dat ze niet behoren tot een bodem achtergrondkwaliteit van een deelgebied. Een verdachte activiteit zal daarom ten grondslag te liggen aan dergelijk hoge resultaten 5.2Gebiedsindeling In de handreiking bodemkwaliteitskaarten worden de volgende minimale eisen gesteld voor het beoordelen van de gebiedsindeling: Per deelgebied dienen ten minste 20 waarnemingen beschikbaar te zijn. Per niet-aaneengesloten delen dienen er ten minste 3 waarnemingen beschikbaar te zijn De waarnemingen dienen ruimtelijk voldoende verspreid over het deelgebied te liggen Voor elk deelgebied waarvoor voldoende informatie beschikbaar is, wordt vastgesteld of de indeling in deelgebieden optimaal is, waarmee bedoeld wordt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of de variabiliteit In de tabellen 5.1 tot en met 5.3 is weergeven hoeveel waarnemingen er in de uiteindelijke dataset per kwaliteitszone aanwezig zijn en wat de classificering is voor de boven- en ondergrond. Tabel 5.1 Resultaten van de bovengrond (0-0,5 m-
- mv)van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket Zone Aantal waarnemingen Classificering (Gemiddelde) Wonen voor 1945 460-556 Wonen Wonen na 1945 908-979 Landbouw/natuur Kleine kern 155-185 Wonen Industrie na 1945 330-382 Landbouw/natuur Overig (Buitengebied) 2346-2463 Landbouw/Natuur * Aanvullende partijkeuring noodzakelijk Tabel 5.2 Resultaten van de tussenlaag (0,5-1,0 m-
- mv)van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket Zone Aantal waarnemingen Classificering (Gemiddelde) Wonen voor 1945 183-223 Wonen Wonen na 1945 302-329 Landbouw/natuur Kleine kern 67-75 Wonen Industrie na 1945 88-96 Landbouw/natuur Overig (Buitengebied) 571-600 Landbouw/Natuur * Aanvullende partijkeuring noodzakelijk Tabel 5.3 Resultaten van de ondergrond (1,0-2,0 m-
- mv)van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket Zone Aantal waarnemingen Classificering (Gemiddelde) Wonen voor 1945 172-195 Landbouw/natuur Wonen na 1945 349-372 Landbouw/natuur Kleine kern 69-78 Landbouw/natuur Industrie na 1945 117-126 Landbouw/natuur Overig (Buitengebied) 838-881 Landbouw/natuur Beschouwing bodemlagen Bij de beschouwing van de gebiedsindeling is er onderscheid gemaakt in drie bodemlagen. Dit is de bovengrond (0-0,5 m-mv), de tussenlaag (0,5-1,0 m -
- mv)en de ondergrond (1,0-2,0 m -mv). Bij beschouwing van deze laagindeling is te zien dat de bodemkwaliteit naar de diepte toe verbeterd. Hierbij kan de tussenlaag als een overgangslaag worden gezien. Deze tussenlaag heeft een bodemkwaliteit die meer lijkt op die van de bovengrond dan de ondergrond (1,0-2,0 m -mv). In termen van classificatie van bodemkwaliteit is de kwaliteit van de bovengrond zelfs altijd identiek aan die van de tussenlaag. Er is besloten om de tussenlaag als aparte laag te behouden. Ruimtelijke verdeling boorpunten Binnen enkele niet-aaneengesloten gebieden in Lunteren ‘Wonen na 1945‘ is er niet voldaan aan het minimale aantal waarnemingen van drie boringen. Deze niet aaneengesloten gebieden hebben op basis van historische kaarten (topotijdreis) en bouwjaar (BAG-viewer) dezelfde ontstaansgeschiedenis als andere niet aaneengesloten gebieden in ‘Wonen na 1945‘ in Lunteren. Daarom kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit vergelijkbaar is met deze betreffende gebieden. Het ophalen van aanvullende gegevens voor deze niet aaneengesloten wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. In enkele gevallen is de ruimtelijke spreiding van waarnemingen binnen een niet-aaneengesloten gebieden summier. Dit betreffen de volgende niet-aaneengesloten gebieden: ‘Industrie na 1945’ in Hoevelaken bij de Beek ‘Industrie na 1945’ in Nijkerk bij de Voorthuizenweg ‘Industrie na 1945’ in Barneveld bij de Plantagelaan en Valkseweg De afwezigheid van een goede ruimtelijke spreiding wordt echter niet beperkend geacht voor de op te stellen bodemkwaliteitskaart. Dit is het geval omdat de betreffende niet-aaneengesloten gebieden van beperkte omvang zijn of ruimschoots meer dan drie waarnemingen bevatten binnen het niet-aaneengesloten gebied. Voor een overzicht van de locaties van boringen wordt verwezen naar de homogene deelgebieden kaart in bijlage 1. 5.3Heterogeniteit Heterogeniteit is de mate van spreiding in de gemeten gehalten ten opzichte van de normwaarden. Als er binnen de zone sprake is van sterke heterogeniteit dan kan de gemiddelde kwaliteit een vertekend beeld geven van de bodemkwaliteit en de kwaliteit van de vrijkomende partijen grond. In dat geval kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel dienen. Hierbij wordt de heterogeniteit bepaald door het berekenen van de heterogeniteitsindex (HI) met de volgende formule: Om te beoordelen welke mate van heterogeniteit aanwezig is, wordt gekeken naar de waarde van de HI: < 0,2 Weinig heterogeniteit 0,2-0,5 Beperkte heterogeniteit 0,5-0,7 Heterogeniteit > 0,7 Sterke heterogeniteit Binnen alle zones komt een sterke heterogeniteit van minerale olie voor in de bovengrond en tussenlaag (met uitzondering van tussenlaag voor deelgebieden wonen na 1945 en industrie na 1945). Dit wordt veroorzaakt doordat het verschil in norm tussen de achtergrondwaarde en de kwaliteitseis Industrie relatief klein is. Deze aangetroffen heterogeniteit vormt dan ook geen belemmering voor de betrouwbaarheid van de classificering. Verder komt zink sterk heterogeen voor in de bovengrond van wonen voor 1945. Dit past in het beeld van het karakter van het deelgebied, waarbij in de oude dorpskernen zware metalen heterogeen verontreinigd kunnen zijn. De overschrijding van de norm voor sterke heterogeniteit is echter minimaal. Daarom wordt de minimale overschrijding van sterke heterogeniteitsnorm, niet belemmerend geacht voor de classificering van de zone. 5.4PFAS Uit de analyse van PFAS voor de verschillende deelgebieden blijkt dat binnen de afzonderlijke deelgebieden PFAS nooit klassebepalend is. Dat wil zeggen dat voor PFAS alle deelgebieden en bodemlagen zijn geclassificeerd als vrij toepasbaar (met uitzondering toepassen in grondwaterbescherming en/of waterwingebieden). Grondverzet ten aanzien van PFAS binnen de regio is dus altijd mogelijk op basis van de bodemkwaliteitskaart als het om PFAS gaat. De conclusie komt hiermee overeen met de in 2020 opgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS10Bodemkwaliteitskaart PFAS, TAUW, kenmerk R001-1274556EVF-V02-mwl-NL, 29 mei 2020. Binnen sommige bodemlagen van deelgebieden is het aantal waarnemingen niet toereikend. Met betrekking tot PFAS zijn er binnen het beheergebied geen homogene deelgebieden met een historische belasting. Voor alle homogene deelgebieden wordt hierom op globale schaal een vergelijkbare belasting verwacht. Aangezien er in statistiek (bijlage 5) en op basis van historische verdenkingen geen onderscheid kan worden gemaakt tussen deelgebieden, kan het beheergebied worden samengevoegd tot één zone met betrekking tot PFAS. Het opnemen van aparte kaartbijlagen voor PFAS is daarom niet noodzakelijk. De resultaten voor PFAS zijn daarmee geïntegreerd in de resultaten voor het standaardpakket en dus ook in de bijbehorende kaarten. 6Conclusie bodemkwaliteitskaart In de onderstaande tabellen zijn de resultaten van de bodemkwaliteitskaarten samengevat. Op basis van de resultaten is er geen aanleiding om af te stappen van het gebiedsspecifiek beleid zoals opgesteld in de nota bodembeheer. Het gebiedsspecifiek beleid is van toepassing op de bovengrond van 0-0,5 m-mv. Een toelichting op deze tabellen is te vinden in de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.3. In bijlage 1 is de homogene deelgebiedenkaart te vinden met locaties van de gebruikte boringen voor de bodemkwaliteitskaart. De percentielbladen zijn te vinden in bijlage 5. Tabel 6.1 Kwaliteitsklassen bovengrond per zone (0-0,5 m-
- mv)Zone Ontgravingsklasse Functieklasse Toepassingseis generiek beleid (grond van buiten de regio) Toepassingseis gebiedsspecifiek beleid (grond van binnen de regio) Wonen voor 1945 Wonen Wonen Wonen Wonen Wonen na 1945 Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Wonen Industrie Landbouw/natuur Industrie Kleine kern Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Wonen Wonen Industrie Wonen Industrie Industrie na 1945 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Wonen Industrie Landbouw/natuur Industrie Overig (Buitengebied) Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Wonen Industrie Landbouw/natuur Industrie Tabel 6.2 Kwaliteitsklassen tussenlaag per zone (0,5-1,0 m-
- mv)Zone Ontgravingsklasse Functieklasse Toepassingseis gebiedsspecifiek en generiek beleid Wonen voor 1945 Wonen Wonen Wonen Wonen na 1945 Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur Kleine kern Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Wonen Industrie Wonen Industrie na 1945 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur Overig (Buitengebied) Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur Tabel 6.3 Kwaliteitsklassen ondergrond per zone (1,0-2,0 m-
- mv)Zone Ontgravingsklasse Functieklasse Toepassingseis gebiedsspecifiek en generiek beleid Wonen voor 1945 Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Wonen na 1945 Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur Kleine kern Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur Industrie na 1945 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur Overig (Buitengebied) Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Landbouw/natuur 6.1Ontgravingskaarten De ontgravingskaarten zijn te vinden in bijlage 3. Deze gegevens zijn ook in tabelvorm weergegeven in de tabellen 6.1 en 6.2. 6.2Bodemfunctiekaart De bodemfunctiekaart is te vinden in bijlage 2. De bodemfunctiekaart is in 2022 geactualiseerd door de omgevingsdienst De Vallei. Soms kan een lokale functieklasse afwijken van de ingetekende klasse op de kaart. Redenen hiervoor staan beschreven in paragraaf 2.2. 6.3Toepassingskaart De toepassingskaarten zijn opgenomen in bijlage 4. In de tabellen 6.1 en 6.2 staan de toepassingseisen in tabelvorm weergegeven. Op basis van de nota bodembeheer geldt gebiedsspecifiek beleid binnen het beheergebied van de omgevingsdienst De Vallei. Dit gebiedsspecifieke beleid houdt in dat bij het toepassen van gebiedseigen grond in de bovengrond de functieklasse leidend is voor de toepassingseis (zie paragraaf 2.2 en paragrafen 3.5.6, 3.5.7 en 3.5.8 uit de nota bodembeheer). Voor de toepassingskaarten zijn daarom zowel generiek- als gebiedsspecifieke toepassingskaarten opgesteld. Deze gebiedsspecifieke regels dus zijn niet van toepassing op bodem die wordt aangevoerd van buiten het beheergebied. Voor PFAS zijn in de kaarten en tabellen geen gegevens opgenomen voor PFAS. Voor PFAS is de toepassingseis in het hele beheergebied landbouw/natuur. Dit is het geval voor zowel generiek als gebiedsspecifiek beleid. Binnen de grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden gelden afwijkende toepassingseisen voor zowel standaardpakket als PFAS. De regels zijn opgenomen in het provinciale beleid. 6.4Veiligheidsklasse Conform de CROW 400 is het toegestaan om een veiligheidsklasse af te leiden op basis van het gemiddelde van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Het toetsingskader hiervoor is gegeven in tabel 6.3 voor de stoffen uit het standaardpakket en voor PFOS en PFOA11https://www.crow.nl/thema-s/arbo-en-veiligeid/grondwerk-en-ondergrond/werken-in-en-met-verontreinigde-bodem. Voor PFAS wordt geen bodemtypecorrectie toegepast. Tabel 6.3 Toetsing gemiddelde SRCarbo-normen (mg/
- kg)Stof 75 % SRCarbo (mg/
- kg)SRCarbo (mg/
- kg)Overschrijding norm? Barium 3.037,5 4.050 Nee, voor geen van de zones Cadmium 75,75 101 Nee, voor geen van de zones Kobalt 213,75 285 Nee, voor geen van de zones Koper 21.375 28.500 Nee, voor geen van de zones Kwik 303,75 405 Nee, voor geen van de zones Nikkel 750 1.000 Nee, voor geen van de zones Lood 551,25 735 Nee, voor geen van de zones Molybdeen 1.522,5 2.030 Nee, voor geen van de zones Zink 76.123,5 101.498 Nee, voor geen van de zones PAK 75a) 100a) Nee, voor geen van de zones PCB 1,725 2,3 Nee, voor geen van de zones Minerale olie 2.500b) 5.000b) Nee, voor geen van de zones PFOS 0,89 1,19 Nee, voor geen van de zones PFOA 1,79 2,38 Nee, voor geen van de zones Betreft SRC-waarde voor meest kritische niet-vluchtige PAK-parameter, namelijk benzo (a)pyreen Minerale olie heeft geen SRC-norm en wordt aan 0,5 x de interventiewaarde en interventiewaarde getoetst Voor de overige PFAS zijn geen SRC-waarden bekend. Wel is er een mogelijkheid om de relatieve humane toxiciteit van diverse PFAS-stoffen ten opzichte van PFOA te bepalen. Zo kan alsnog bepaald worden of er een veiligheidsklasse van toepassing is12https://www.crow.nl/downloads/pdf/infrastructuur/p400/achtergrondnotitie-nieuwe-src-waarden,-190619.aspx. De aangetroffen PFAS-waarden zijn echter zo laag (< 0,001 mg/
- kg)dat de SRC-waarden niet benaderd worden. Deze zijn namelijk een factor 1.000 hoger. 6.5Grondstromenmatrix In tabel 6.4 is een grondstromenmatrix opgenomen voor grondverzet binnen het beheergebied. In de grondstromenmatrix kan worden herleid in welke gebieden vrijkomende grond kan worden toegepast binnen de regio. Voor het gebruik van de grondstromenmatrix dienen de kaders van de nota bodembeheer in acht genomen te worden. Deze staan beschreven in het stroomschema (bijlage 1) dat in de nota bodembeheer opgenomen is. Tabel 6.4 Grondstromen matrix voor grondverzet binnen het beheergebied. Ja = uitwisseling grond mogelijk zonder keuring, Nee = Geen uitwisseling mogelijk zonder keuring, partijkeuring = uitwisseling van grond mogelijk op basis van partijkeuring Zone Toepassen→ Wonen voor 1945 Wonen na 1945 Kleine kern Industrie na 1945 Overig (buitengebied) Functie Wonen Wonen of industrie Landbouw/natuur Wonen of industrie Landbouw/natuur Wonen of industrie Landbouw/natuur Wonen of industrie Ontgraven ↓ Traject BG TL OG BG TL OG BG TL OG BG TL OG BG TL OG BG TL OG BG TL OG BG TL OG Wonen voor 1945 BG en TL Ja Ja Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Ja Ja Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee OG Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Wonen na 1945 BG en TL Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja OG Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Keine kern BG en TL Ja Ja Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Ja Ja Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee OG Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Industrie na 1945 BG en TL Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja OG Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Overig (Buitengebied) BG en TL Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja OG Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja BG = Bovengrond TL= Tussenlaag OG = Ondergrond Burgemeester en wethouders voornoemd,René Groende secretaris,René Verhulstde burgemeester,Bijlage1Homogene deelgebieden Bijlage2Bodemfunctiekaart Bijlage3Ontgravingskaarten Bijlage4Toepassingskaarten Bijlage5Percentielbladen Bijlage6Achtergrondinformatie historie gebied Op basis van historische kaarten (topotijdreis.
- nl)en pand registratie (BAG-viewer) is de ontwikkeling van het beheergebied in beeld gebracht. In de onderstaande paragraven is per gemeente de ontwikkeling beschreven. Ontwikkeling beheergebied Nijkerk Binnen de gemeente Nijkerk is de plaatst Nijkerk veruit de grootste kern. In de jaren ’60, ‘70 en ‘80 breidt de woonkern zich evenredig uit vanuit de kern. Aan het einde van deze periode start ook de ontwikkeling van het industrieterrein Arkervaart langs de A28 aan de noordzijde van Nijkerk. Vanaf de jaren ‘90 is Nijkerk naar het westen uitgebreid middels de aanbouw van de wijk Corlaer. Ook heeft de uitbreiding van Arkervaart zich verder doorgezet langs de A28. De huidige industriële activiteit bij Arkervaart omvat voornamelijk levensmiddelen, transport en bouw. Verder bevinden er zich binnen de gemeente grenzen kleinere kernen zoals Hoevelaken, Zwartebroek en Nijkerkerveen. Deze kernen bestonden omstreeks 1960 uitsluitend uit lintbebouwing en zijn in verloop van tijd uitgegroeid tot kleine dorpskernen. In de kern Hoevelaken zijn eveneens de industrieterreinen Overhorst en Horstbeek gerealiseerd. Deze industrieterreinen betreffen grotendeels bedrijfs- en kantoorpanden. Uitzondering hierop is een metaalwarenfabriek welke is gevestigd aan de Zuiderinslag. Barneveld De gemeente Barneveld kende rond 1960 twee grote woonkernen: Voorthuizen en Barneveld. Overige bebouwing betrof voornamelijk lintbebouwing. Deze lintbebouwing is in de decennia daarna gedeeltelijk uitgegroeid tot woonkernen zoals Achterveld, Garderen, Kootwijkerbroek en Terschuur. In de jaren ‘70 zijn er relatief grote uitbreidingen van woonwijken in Barneveld en Voorthuizen. Een voorbeeld hiervan is de wijk Vliegersveld in Barneveld. Rond 1970 komt de ontwikkeling van het industrieterrein Harselaar aan de A1 op gang. In dit industrie gebied bevinden zich veel logistiek- en bouwbedrijven. Aan de Oostzijde van dit industriegebied is het bedrijf Vink holding B.V. gevestigd. Dit bedrijf is actief in afvalverwerking (stortplaats) en handel in grondstoffen als zand, grind en beton. Dit bedrijf is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze stortplaats van Vink holding B.V. is actief vanaf de jaren ’70 tot de dag van vandaag. Verder zijn er in de gemeente veel recreatieparken waar te nemen en is er ten zuiden van Garderen vanaf de jaren ‘60 legerplaats Stroe aanwezig. Scherpenzeel In de gemeente Scherpenzeel is Scherpenzeel de enige woonkern van betekenis. In de jaren ‘70 is er in het noordwesten van het dorp een woonwijk toegevoegd. Daaropvolgende uitbreidingen met betrekking tot wonen zijn relatief beperkt. In het westen van Scherpenzeel ligt het industrieterrein Stationsweg. Deze heeft rond de eeuwwisseling relatief grote uitbreidingen ondergaan. De bedrijvigheid die hier plaatsvindt bestaat voornamelijk uit transport- en bouwbedrijven. Ede-West Aan de westkant van de gemeente Ede bevinden zich de bebouwde gebieden met de woonkernen Lunteren, Ede en Bennekom. In Ede hebben grote uitbreidingen van de woonkern plaatsgevonden in de jaren ‘70 en ’80, met name aan de zuid- en westzijde. Voorbeelden hiervan zijn de wijken Veldhuizen en Maandereng. Met betrekking tot de industrie bevindt het overgrote deel van de industriële activiteiten in Ede in de plaats Ede zelf. Hierbij is het oude industriegebied van het ENKA-terrein een status aparte. Hier werd vanaf 1920 tot 2002 textiel werd geproduceerd (zie paragraaf 3.2.2. voor meer informatie over het ENKA terrein). Recentere industrie bevindt zich vanaf circa 1970 voornamelijk aan de westkant van de woonkern van Ede aan de A30 en A12. Deze is door de jaren heen verder gegroeid en bestrijkt inmiddels de industrieterreinen: Frankeneng, Heestereng en Kievitsmeent. Op deze industrieterreinen is de diversiteit in activiteiten groot. Zo zijn er autobedrijven, transportbedrijven, levensmiddelenbedrijven, bouwbedrijven en kantoor- en bedrijfspanden te vinden. In Lunteren en Bennenkom zijn de kernuitbreidingen beperkter ten opzichte van die van Ede. Ook zijn deze evenrediger in alle richtingen ten opzichte van de oorspronkelijke woonkern. Tevens is de aanwezige industrie veel beperkter. Ten westen van Bennenkom en ten zuiden van Ede zijn veel boomgaarden te zien. Deze boomgaarden zijn voor het overgrote deel in 1960 al aanwezig. Verder zijn dorpen die voorheen uit lintbebouwing bestonden uitgegroeid tot kleine woonkernen. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op Wekerom en Otterlo. Ede-Oost Het oosten van de gemeente Ede betreft voor een groot deel de Veluwe (inclusief het Nationaal Park de Hoge Veluwe) en heeft daarmee voornamelijk de functie natuur. In dit gebied bevinden zich dan ook veel vakantieparken. In dit gebied is tevens een stort aanwezig (de Wekeromse bult) tussen Ede en Wekerom ligt. Deze locatie fungeerde als stortplaats vanaf de jaren ‘60 voor huisafval vanuit Ede. Verder is er in Harskamp een legerplaats en bijbehorend militair oefen- en schietterrein aanwezig. Deze legerplaats en dit oefenterrein bestrijkt een aanzienlijk deel van het noordoosten van de gemeente. Tot slot is binnen de gemeente aan de oostkant het militaire vliegveld Deelen aanwezig. Wageningen In de gemeente Wageningen is Wageningen de enige aanzienlijke woonkern. Uitbreiding van Wageningen begint zich voornamelijk vanaf de jaren ‘70 tot de eeuwwisseling ten noorden van de oorspronkelijke kern. Uitbreidingen zijn de wijken Tarthorst, Roghorst en de Wieden. Ten westen van Wageningen vindt fruitteelt plaats. Deze boomgaarden zijn vanaf de jaren ‘60 al aanwezig in de gemeente. De meeste industrie in Wageningen bevindt zich in bedrijvenpark Nudenoord. Dit industrie gebied breidt zich uit vanaf circa 1970. Deze uitbreiding heeft zich door de jaren heen ontwikkeld richting het zuidwesten vanaf de oorspronkelijke kern tot aan de jachthaven. De industrie in Wageningen betreft voornamelijk bedrijfs- en kantoorpanden. Uitzondering hierop is de Agruniek Rijnvallei veevoerfabriek welke is gelegen aan de Rijnhaven aan de Grebbendijk. In het zuiden van de gemeente Wageningen stroomt de Neder-Rijn door de gemeente. In de uiterwaarden hebben een zes tal steenfabrieken gevestigd gelegen. Deze fabrieken zijn voor het overgrote deel buiten werking gesteld. Enkel de steenfabriek in de zuidelijke uiterwaarde van de Nederrijn bij Opheusden (Steenfabriek Wolfswaard) is nog actief. Tot slot is er ten noorden van Wageningen een stortplaats aanwezig geweest welke van 1965 tot 2001 actief was (Stortplaats Keijenberg).