Handhavingsbeleid Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, Industriële Veiligheid 2018 – 2021Voorwoord Sinds 1 oktober 2010 hebben de veiligheidsregio’s een aantal wettelijke taken en bevoe
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 3, tweede lid Eigen veiligheid en gezondheid van in de inrichting werkzame zelfstandige en werkgever die arbeid zelf verricht Art. 6 Arbeidsomstandighedenweten art. 17,
Br + - - N.v.t. Sr - - - 5, eerste lid Maatregelen treffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en milieu te beperken Art. 6 Arbeidsomstandighedenweten art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 5, tweede lid Aantoonplicht exploitant alle noodzakelijke maatregelen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 5, derde lid Inrichting niet in werking bij geen of duidelijk onvoldoende maatregelen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o. artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 6, eerste lid Kennisgeving doen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 6, tweede lid Groepsrisico en plaatsgebonden risico opnemen in kennisgeving bij hogedrempelinrichting Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o. artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br - + + Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr - + - 6, derde lid Moment indienen eerste kennisgeving o.b.v. Brzo 2015 voor nieuwe, bestaande en andere inrichtingen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 6, vijfde lid Significante wijzigingen melden Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 6, zesde lid tijdigheid melding significante wijzigingen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 6, zevende lid raadpleegbare lijst met de gevaarlijke stoffen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 7, eerste lid preventiebeleid zware ongevallen Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + -* Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 16, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 7, tweede lid preventiebeleid staat borg voor hoog beschermingsniveau Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 7, derde lid termijnen opstellen preventiebeleid Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Art. 8.40 Wm en art.
1a, onder 1° Wed Sr + + - 7, vijfde lid elke vijf jaar preventiebeleid bezien en indien nodig bijwerken Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + -* Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 7, zesde lid Correcte uitvoering preventiebeleid met een VBS Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + -* Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 8, derde lid Uitwisselen van gegevens tussen inrichtingen met domino-effecten Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 8, vierde lid Samenwerking inrichtingen met domino-effecten over voorlichting aan publiek en bedrijven Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 9, eerste lid en tweede lid Bijwerken kennisgeving en VR i.v.m. relevante wijzigingen die niet vergunningplichtig zijn en voorafgaand inlichten van bevoegd gezag Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 9, eerste lid en tweede lid Bijwerken PBZO en VBS i.v.m. relevante wijzigingen die niet vergunningplichtig zijn en voorafgaand inlichten van bevoegd gezag Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 10, eerste lid Actueel veiligheidsrapport (VR) moet zijn opgesteld en aanwezig zijn Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 10, tweede lid VR moet aangegeven inhoud hebben Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 10, derde lid VR bevat namen betrokken organisaties bij opstellen en gegevens nodig voor rampbestrijdingsplan beschikbaar Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Artikel 48 zesde lid Wvr en art. 16 Brzo Sr + + + 10, vierde lid Termijnen opstellen en indienen VR Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 10, zesde lid Gewijzigde delen in begrijpelijke vorm binnen de termijn genoemd in artikel 10 vierde lid verstrekken Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 10, zevende lid VR elke 5 jaar bezien en indien nodig bijwerken Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Artikel 48 zesde lid Wvr en art. 16 Brzo Sr + + + 10 achtste lid VR bezien en indien nodig bijwerken na een zwaar ongeval en of op enig ander tijdstip bij nieuwe feiten en/of nieuwe technische kennis aangaande veiligheid Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Artikel 48 zesde lid Wvr en art. 16 Brzo Sr + + + 10 negende lid Onverwijld toezenden bijgewerkt(e delen van het) VR Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Artikel 48 zesde lid Wvr en art. 16 Brzo Sr + + + 10 elfde lid Voorleggen VR (of wijzigingen daarvan) aan ondernemingsraad dan wel personeelsvertegenwoordiging dan wel, bij het ontbreken daarvan, raadplegen belanghebbende werknemers voorafgaand aan toezending aan BG Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, erste lid Brzo Sr + - - 10 twaalfde lid Bieden van mogelijkheid tot kennisneming VR Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 11, eerste lid Intern noodplan moet aanwezig zijn met inhoud die in bijlage IV van de Seveso-III-richtlijn is opgesomd Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + +** +** Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + - - 11, tweede lid Intern noodplan eens per drie jaar bezien en zo nodig bijwerken Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + +*** +*** Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + - - 11, derde lid Overleg met werknemers, deskundigen en andere aanwezige werkgevers over noodplan Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 11, vierde lid Exploitant moet zorgen dat door, de in dit artikellid, genoemde partijen kennis kan worden genomen van het intern noodplan Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 11, vijfde lid Termijnen opstellen intern noodplan Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Br + +*** +*** Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 12, eerste lid Stoffenlijst bijhouden van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Artikel 48 en 64, zesde lid Wvr art. 16 Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + + 12, tweede lid Toegang tot stoffenlijst voor hulpverleningsdiensten van overheid Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Artikel 48en 63 Wvr Br + - + Art.
6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Artikel 48 en 64, zesde lid Wvr art. 16 Brzo Sr + - + 14 Bij regeling Minister SZW regels stellen over gegevens verstrekken na zwaar ongeval (betreft artikel 20 Rrzo) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - 15 tweede lid Verstrekken aangepast Veiligheidsrapport bij toepassing 19.3 eerste lid, eerste volzin Wm Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - Tabel: Handhavingsmogelijkheden Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Toelichting: In de tabel zoals deze is opgenomen in de Landelijke Handhavingstrategie Brzo 1999 stond aangegeven dat de veiligheidsregio’s hierop konden handhaven. Hierbij is aangegeven dat deze bevoegdheid weliswaar niet blijkt uit de nota van toelichting maar dat de veiligheidsregio’s ervan uitgaan dat het toezicht op en de handhaving van met name het VBS een taak is in het kader van de rampenbestrijding. De praktijk wijst echter uit dat dit een te ruime interpretatie is van de handhavingsmogelijkheden van de veiligheidsregio’s. Weliswaar leveren het PBZO- en het VBS-informatie op waarmee de voorbereiding op de rampenbestrijding kan worden verbeterd maar dit impliceert niet dat de veiligheidsregio zelfstandig handhavend kan optreden ten aanzien van het PBZO en het VBS. Gelet hierop is in bovenstaande tabel de “+” gewijzigd in een “-“. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat tijdens een inspectie uiteraard informatie mag worden gevraagd die van belang is voor een adequate voorbereiding op de rampenbestrijding en crisisbeheersing en om de volledigheid en juistheid van de ingediende informatie te controleren. Het kan hierbij ook gaan om gegevens uit het VBS of het PBZO. Het verlangen van informatie is immers een bevoegdheid die voortvloeit uit artikel 48 Wvr. Als deze informatie niet wordt overgelegd of onvolledig wordt overgelegd is sprake van een overtreding van artikel 48 Wvr. Daarnaast zal het VBS de borging van maatregelen uit de bedrijfsbrandweeraanwijzing verder moeten verbeteren, indien daarin ten aanzien van dit aspect onvolkomenheden worden geconstateerd kan de bedrijfsbrandweeraanwijzing als grondslag voor de handhaving dienen. Onder het Brzo’99 was dit opgenomen in artikel 22 eerste lid. Dit artikel was volgens de toelichting gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet. In het Brzo 2015 is dit in gewijzigde vorm in artikel 11, eerste lid, opgenomen. In artikel 22 was destijds opgenomen dat het intern noodplan moest worden opgesteld voor de binnen de inrichting ten uitvoer te leggen maatregelen gericht op het beperken en beheersen van zware ongevallen en de gevolgen ervan voor de werknemers. In artikel 11 eerste lid is daaraan toegevoegd “het milieu en de zaken, genoemd in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, en voor de externe communicatie ter zake wanneer zich een zwaar ongeval voordoet”. Gelet op deze toevoegingen moeten dus ook de beperkingsmaatregelen voor het milieu in het intern noodplan zijn opgenomen en moeten maatregelen met betrekking tot de externe communicatie zijn opgenomen. Indien deze maatregelen ontbreken c.q. onvolledig zijn kan het Wabo BG respectievelijk de veiligheidsregio op deze aspecten handhaven. Voor de overige aspecten van het intern noodplan blijft Inspectie SZW de handhavende partij. Hetgeen hierboven onder ** is gesteld t.a.v. het intern noodplan geldt ook voor het tweede en vijfde lid van artikel 11 (driejaarlijks bezien en indien nodig bijwerken van intern noodplan en termijn voor het opstellen van het intern noodplan) Artikel Rrzo Onderwerp Wettelijke grondslag handhaving Handhaven via bestuursrecht (Br) en strafrecht (Sr) SZW BG VR 3 (grondslag artikel 6, achtste lid Brzo 2015) Presentatielijst van de gevaarlijke stoffen (uitwerking van artikel 6, eerste lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 4 (grondslag artikel 7, zevende lid, Brzo 2015) Vastlegging preventiebeleid voor zware ongevallen (uitwerking van artikel 7, eerste en tweede lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 16, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 5, eerste, tweede en derde lid (grondslag artikel 7, zevende lid, Brzo 2015) Procedures voor de identificatie van de gevaren van zware ongevallen (uitwerking van artikel 7, zesde lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Br + + - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 16, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 9 (grondslag artikel 10, dertiende lid, Brzo 2015) Inhoud van het veiligheidsrapport (uitwerking van artikel 10, tweede lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 10 (grondslag artikel 10, dertiende lid, Brzo 2015) Beschrijving scenario’s in een risico-analyse (uitwerking van artikel 10, tweede lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 11 (grondslag artikel 6, achtste lid, Brzo 2015) Berekening groepsrisico en plaatsgebonden risico (uitwerking van artikel 6, tweede lid, van het Brzo 2015) Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o. artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br - + + Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr - + - 12 (grondslag artikel 10, dertiende lid, Brzo 2015) Beschrijving risico’s voor het milieu (uitwerking van artikel 10, tweede lid, van het Brzo 2015) Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o. artikel 5.2 van de Wabo Br - + - Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr - + - 13 (grondslag artikel 10, dertiende lid, Brzo 2015) Beschrijving externe en natuurlijke oorzaken van een zwaar ongeval (uitwerking van artikel 10, tweede lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 15 (grondslag artikel 10, dertiende lid, Brzo 2015) Completeren van het veiligheidsrapport (uitwerking van artikel 10, eerste tot en met het derde lid en het zesde lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + + + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + + - 18 (grondslag artikel 12, derde lid, Brzo 2015) Bijhouden actuele lijst van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen (uitwerking van artikel 12, eerste en tweede lid, van het Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Artikel 8.40 en 18.1b van de Wm j.o.
artikel 5.2 van de Wabo Artikel 48 en 63 Wvr Br + +* + Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Artikel 48 en 64, zesde lid Wvr art. 16 Brzo Art. 8.40 Wm en art. 1a, onder 1° Wed Sr + +* + 20** (grondslag artikel 14, Brzo 2015) Melding van een zwaar ongeval (uitwerking van artikel 14, Brzo 2015) Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet, en art. 17,
Br + - - Art. 6 Arbeidsomstandighedenwet en art. 17, eerste lid Brzo Sr + - - Tabel: Handhavingsmogelijkheden Regeling risico’s zware ongevallen Toelichting: Bevoegd gezag Wabo kan hier alleen handhaven voor zover het een uitwerking betreft van artikel 12, eerste lid, van het Brzo
- Hoofdstuk 17 Wm blijft ook van toepassing en hierop kan het Wabo bevoegd gezag handhaven in geval van het niet (juist) melden. Bijlage2:Voorbeelden van ernstige en niet-ernstige overtredingen Voorbeelden m.b.t. bedrijfsbrandweer Eisen bedrijfsbrandweer Voorbeelden van bevindingen Ernstige overtreding Bluswatervoorziening De pompen voor de bluswatervoorziening leveren onvoldoende druk om voldoende bluswater te kunnen genereren. Ja I.v.m. een “dead-end “ in de ringleiding zijn 2 van de 40 hydranten niet in staat om op ieder punt de vereiste/vergunde/benodigde capaciteit te leveren. Ja Incidentbestrijdings- en -beheersmiddelen13 Het geheel aan middelen die de bedrijfsbrandweer ten dienste staan bij de uitoefening van haar taak. De logistieke en infrastructurele voorzieningen, passieve middelen/voorzieningen die een rol spelen in de incidentscenario(’s) en koel– en blusvoorzieningen (brandbeveiligingssystemen) vormen hier een onderdeel van. Het betreft zowel mobiele, als stationaire voorzieningen. De incidentbestrijdings- en -beheersmiddelen vertonen gebreken en zijn daardoor niet bedrijfszeker en voor onmiddellijk gebruik gereed of deze middelen zijn niet goed bereikbaar. Ja Voor deze middelen is geen onderhouds- en inspectiesysteem ingevoerd Ja Actuele info voor overheidsbrandweer ter voorbereiding op incident De bedrijfseigen aanvalsplannen/inzetplannen worden niet aan de overheid toegestuurd of de aangeboden informatie is niet volledig. Nee Actuele info voor overheidsbrandweer tijdens incident Tijdens een incident is geen of onvoldoende informatie verstrekt, bijvoorbeeld m.b.t. de aanwezige gebouwen, procesinstallaties, opslageenheden en leidingrekken en -straten; actuele gegevens van binnen de installaties en opslageenheden (insluitsystemen) aanwezige gevaarlijke stoffen de aanrijroute; de incidentbestrijdings– en beheersmiddelen in en op de installaties; een actueel intern noodplan. Ja Beschermende middelen De beschermende middelen zoals gaspakken, chemicaliënpakken, filterbussen, ademluchtflessen zijn niet tijdig gekeurd. Nee Tijdig (binnen 6 minuten) basissterkte aanwezig Tijdens een oefening is gebleken dat de basissterkte niet tijdig aanwezig was op de incidentlocatie. Ja Uit controle blijkt dat één van de leden van de basissterkte niet: tijdig medisch is (her)keurd; onvoldoende opgeleid, of niet alle oefeningen heeft gevolgd. Ja Door verloop in de organisatie is de bezetting van de ploegen mogelijk, maar is de organisatie zeer kwetsbaar in geval van ziekte, bezetting nacht periode, weekeinde en vakantieperiode. Nee Doormelding naar RAC voor registratie incidenten Alarmering naar RAC is niet geborgd met noodplan, procedure of protocol. Nee Oefenprogramma Er is geen oefenprogramma opgesteld of het opgestelde oefenprogramma voldoet niet aan de eisen. Nee Het oefenprogramma is niet tijdig ingediend. Nee Gids Er is niet voorzien in de gids functie. Ja Incident binnen 1 minuut melden aan bemande meldpost en onmiddellijk melden aan (bedrijfs)brandweer Een incident is eerst bestreden door de BHV-organisatie, toen dit niet succesvol was is na een kwartier de bedrijfsbrandweer en de overheidsbrandweer gealarmeerd. Ja Alarmering is niet in procedure of protocol geborgd. Ja Kennis/vaardigheid personeel voor bediening middelen Gebleken is dat een bedrijfsbrandweermedewerker onvoldoende kennis van en inzicht heeft in de werking van de aanwezige incidentbestrijdings– en –beheersmiddelen of onvoldoende vaardig is in de bediening van deze middelen Nee Kennisoverdracht naar aannemer die basissterkte verzorgt Door onderbezetting zijn diverse personen ingehuurd om in de basissterkte te worden opgenomen. De ingehuurde personen zijn echter niet voldoende geoefend en op de hoogte van de bedrijfsspecifieke situatie. Nee Leidinggevenden hebben kennis over structuur overheidsbrandweer De leidinggevenden van het bedrijf (welke een taak hebben in het COPI) hebben geen inzicht in de structuur van de overheidsbrandweer. Nee Melden beperkte inzetbaarheid Melden van uitval technische middelen of van beperkte inzetbaarheid van de ploeg vindt niet plaats. Ja Mobiele middelen doelmatig opgeslagen Brandweerauto kan niet uit de garage worden gereden omdat het voorterrein als parkeerplaats wordt gebruikt. Ja Netwerk 2x per jaar spoelen Het spoelprogramma is niet uitgevoerd. Nee Het spoelprogramma is niet doelmatig, zo is de spoelsnelheid en spoeltijd niet benoemd. Eveneens wordt de koppelleiding met het buurbedrijf niet gespoeld. Nee Registratie onderhoud, oefeningen en evaluaties in journaal Het journaal van de bedrijfsbrandweer is over veel verschillende systemen verdeeld. Hoewel de informatie aanwezig is kon niet alle informatie worden getoond tijdens de inspectie. Nee Oefenprogramma indienen voor 1 februari Het programma is niet volledig. Nee Het programma is in het geheel niet aanwezig Er is niet voldaan aan het oefenprogramma in het voorgaande jaar. Ja Opleidingen Een bedrijfsbrandweermedewerker heeft niet aantoonbaar de voor zijn/haar specifieke functie en taak van toepassing zijnde opleidingen gevolgd en voltooid. Nee Passieve beschermingsmiddelen die als LOD zijn opgevoerd De doorvoeringen van de Opvangbak/tankput zijn niet afgedicht. Ja Fireproofing is niet onderhouden: stukken fireproofing zijn van de kolom gehaald vanwege een uitbreiding van de installatie. Ja Stationaire middelen functioneel testen De jaarlijkse functionele test is niet uitgevoerd. Ja Schuimvormend middel SVM tank staat in de buitenlucht, in tegenstelling tot de specificaties behorende bij de schuimsoort. Ja Geen of te weinig SVM aanwezig Ja Testen motorisch aangedreven middelen De Bluswaterpompen worden maandelijks getest i.p.v. wekelijks Nee Toelaten bevoegd gezag bij oefeningen Het bedrijf wil geen oefeningen uitvoeren onder toezicht van de inspecteur van de brandweer? Ja Verbindingsmiddelen beschikbaar voor bedrijfsbrandweer Portofoons zijn niet opgeladen of werken niet, portofoonbediening is niet bekend, portofoon in combinatie met gaspak werkt niet. Nee Verplaatsen SVM Aanhanger met schuim aanwezig maar geen trekker/haak-armvoertuig. Nee Voor 1 februari overzicht sterkte bedrijfsbrandweer doorgeven Er wordt geen overzicht van de bedrijfsbrandweer doorgegeven. Nee Tijdelijke wijziging van bedrijfsbrandweervoorzieningen Vanwege uitval of reparatie kan tijdelijk niet aan de verplichting worden voldaan om de aanwezige bedrijfsbrandweervoorzieningen voor direct gebruik gereed te hebben. Dit is niet direct door het bedrijf gemeld (wijziging tijdelijke bedrijfsbrandweervoorzieningen). Ja De wijziging is direct door het bedrijf gemeld waarbij is aangegeven welke noodmaatregelen (zoals vervangend materiaal) zijn genomen om het brandveiligheidsniveau te waarborgen. Nee Bijlage3:Afwegingskader voor keuze bestuursdwang of dwangsom Last onder bestuursdwang Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Bestuursdwang is bij uitstek een herstelsanctie waarmee de gevolgen van een begane overtreding ongedaan worden gemaakt. Indien een verplichting om iets te doen niet is nagekomen, dan kan de veiligheidsregio met bestuursdwang de handeling alsnog verrichten (op kosten van de overtreder). Bestuursdwang kan echter ook worden gebruikt om een herhaling van een overtreding te voorkomen of het voortduren van de overtreding tegen te gaan. Bij dat laatste kan worden gedacht aan het sluiten en verzegelen van een installatie die niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften. Last onder dwangsom Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Een last onder dwangsom is vooral geschikt om een herhaling van een overtreding te voorkomen en om een einde te doen maken aan het voortduren van een overtreding. Daarbij functioneert de dwangsom als financiële prikkel om het verboden gedrag niet te herhalen of om deze te beëindigen. De dwangsom kan echter ook worden gebruikt om de gevolgen van een overtreding ongedaan te maken. De financiële prikkel zal de overtreder ertoe moeten brengen om iets te doen. Samenloop Bestuursdwang en dwangsom mogen niet tegelijkertijd worden toegepast voor dezelfde overtreding (art. 5:6 Awb). Wel mogen ze na elkaar worden toegepast. Wanneer in eerste instantie een dwangsom is opgelegd en later blijkt dat dit geen effect sorteert, kan de last onder dwangsom worden ingetrokken en een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Uiteraard is het ook niet toegestaan om voor dezelfde overtreding tegelijkertijd meerdere lasten onder dwangsom of lasten onder bestuursdwang van kracht te laten zijn. Welk middel? In principe is het bestuursorgaan (bestuur veiligheidsregio) vrij in de keuze tussen een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Wel hangt het van de situatie af welk middel het meest geschikt is. Zo heeft het toepassen van bestuursdwang als kenmerk dat onmiddellijk de illegale situatie wordt hersteld. Nadeel van bestuursdwang is dat de veiligheidsregio dit zelf moet uitvoeren en daarmee ook primair de kosten daarvan draagt (behoudens de mogelijkheid om de kosten te verhalen op draagkrachtige overtreders). Het karakter van een dwangsom is meer indirect; de overtreder verbeurt een bedrag wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden. Hierbij moet de financiële prikkel het werk doen. De wet schrijft wel voor dat voor het opleggen van een last onder dwangsom niet wordt gekozen indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet (art. 5:32 lid 2Awb). Hiermee wordt bijvoorbeeld gedoeld op een situatie waar de veiligheidsbelangen ernstig worden geschaad en op korte termijn herstel plaats dient te vinden. Dan is bestuursdwang een beter instrument om toe te passen. De veiligheidsregio’s maken in beginsel (de meeste situaties) gebruik van het opleggen van een last onder dwangsom. Alleen wanneer het belang van de veiligheid of de rampenbestrijding meer gebaat is bij het toepassen van bestuursdwang is dat anders. De ervaring leert dat het inzetten van een dwangsom een zeer effectief middel is om overtredingen ongedaan te maken. Tot innen van een dwangsom komt het maar zelden, meestal is voor die tijd de overtreding ongedaan gemaakt. Spoedeisende bestuursdwang Bij een calamiteit of een directe (ernstige) bedreiging van de belangen van de veiligheid of rampenbestrijding kan de veiligheidsregio direct optreden. Op het moment dat ernstige overtredingen worden geconstateerd door een toezichthouder moet een afweging worden gemaakt. Wanneer er sprake is van een zodanige gevaarlijke of bedreigende situatie waarbij de belangen van de veiligheid of rampenbestrijding ernstig in het gedrang komen, zullen de werkzaamheden of een installatie direct worden stilgelegd. Dit is ter beoordeling van de toezichthouder ter plaatse en hangt geheel af van de omstandigheden. Het stilleggen van werkzaamheden of een installatie is in feite het uitvoeren van bestuursdwang, een sanctie dus. Dit kan alleen in zeer spoedeisende situaties waarin de bedreiging voor de veiligheidsbelangen of rampenbestrijding dermate ernstig is dat direct opgetreden moet worden. De mogelijkheid om direct op te treden is vastgelegd in artikel 5:31, lid 2 Awb. De bedoeling van de wetgever is dat deze bevoegdheid met gepaste terughoudendheid wordt gebruikt. Het artikel schept de mogelijkheid direct op te treden, zonder dit besluit van te voren op schrift te stellen en zonder een termijn te gunnen. Hierbij geldt dat alleen díe maatregelen worden uitgevoerd die echt urgent nodig zijn. Wat kan wachten, kan via de normale procedure worden gerealiseerd. Ook wordt aan de overtreder de mogelijkheid geboden de maatregelen zelf uit te voeren, met daarbij de mededeling dat wanneer de overtreder niet direct maatregelen treft, de veiligheidsregio de overtreding zal herstellen en de kosten daarvan zal verhalen op de overtreder. In een stappenplan: Geef aan dat het bedrijf in overtreding is en dat onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen om de belangen van de veiligheid of rampbestrijding veilig te stellen. Omschrijf duidelijk welke maatregelen moeten worden genomen. Dit kan zijn het stilleggen van bepaalde werkzaamheden of een installatie, daarnaast kunnen nog andere maatregelen urgent nodig zijn. Stel het bedrijf voor de keuze om die maatregelen meteen zelf uit te (laten) voeren, anders doet de veiligheidsregio dit. Geef daarbij aan dat de kosten van de maatregelen zullen worden verhaald op het bedrijf (de overtreder). Meld dat na het toepassen van de bestuursdwang daarvan achteraf zo spoedig mogelijk het bestuursdwangbesluit op schrift wordt gesteld en wordt toegestuurd. Tegen dit besluit kan bezwaar en beroep worden ingediend. Niet moet worden vergeten dat alleen in zeer spoedeisende gevallen deze bevoegdheden bestaan. In veel redelijk spoedeisende gevallen kan namelijk nog de normale procedure worden gevolgd, zonder of met een zeer korte begunstigingstermijn. Ook is van belang dat de toezichthouder, voordat hij spoedeisende bestuursdwang toepast, ruggenspraak heeft gehad met zijn manager. Ook kan het verstandig zijn af te stemmen met (een lid van) het bestuur. In de Landelijke sanctiestrategie Brzo worden de volgende voorbeelden genoemd van overtredingen die een onmiddellijk gevaar opleveren en met bestuursdwang zullen worden aangepakt: Ontbreken van veiligheidskritische (technische) maatregelen, of het onvoldoende functioneren van veiligheidskritische (technische) maatregelen. Bewust gevaarzettend gedrag. Het bedrijven van processen terwijl de voor de beveiliging daarvan noodzakelijke apparatuur (strippers, fakkelsystemen, gasdetectoren, brandalarm- en -blussystemen) niet bedrijfsvaardig is. Het in bedrijf hebben van apparatuur & processen met gevaarlijke stoffen, waarvan de risico’s niet zijn geïdentificeerd. Het in bedrijf hebben van gevaarlijke apparatuur, waaraan wijzigingen zijn uitgevoerd, die niet in overeenstemming zijn met het ontwerp van de apparatuur, en die de veiligheid in gevaar brengen. Het in afwezigheid van een adequaat beheerssysteem overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen. Het werken met brandgevaarlijke stoffen, dampen en gassen, die met de omgevingslucht brandgevaarlijke mengsels kunnen vormen, waarbij niet wordt voldaan aan de ATEX regelgeving. Bijlage 4Addendum bij “Handhavingsbeleid Industriële Veiligheid Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden 2018-2021” Aanleiding addendum De Omgevingswet is op 01-01-2024 in werking getreden. Deze inwerkingtreding maakte ook een aantal aanpassingen noodzakelijk van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) en het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr). Deze aanpassingen staan in de Invoeringswet Omgevingswet 14 Staatsblad 2020, 172 van 17 juni 2020: Wet van 12 februari 2020 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet). en het Invoeringsbesluit Omgevingswet15 Staatsblad 2020, 400 van 28 oktober 2020: Besluit van 16 september 2020 tot aanvulling en wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit, de intrekking en wijziging van andere besluiten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringsbesluit Omgevingswet). en hebben invloed op het bestaande handhavingsbeleid “Industriële Veiligheid Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden 2018 – 2021”. Dit is beschreven in onderhavig addendum. Dit addendum moet in samenhang met het op 4 juli 2018 door het bestuur vastgestelde handhavingsbeleid worden gelezen. Uitgaande van de titel van het bestaande handhavingsbeleid lijkt het te gaan om beleid voor de periode 2018 -
- Het handhavingsbeleid blijft echter van kracht tot de volgende (volledige) herziening van het handhavingsbeleid. Relevante wijzigingen Omgevingswet voor handhavingsbeleid veiligheidsregio De aanpassing van de Wvr en het Bvr heeft met name te maken met het feit dat in de Wvr en het Bvr het begrip “inrichting” wordt gebruikt, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. Dit begrip wordt gehanteerd in onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor), het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015), de Wvr en het Bvr. Het begrip “inrichting” is met de komst van de Omgevingswet echter vervallen en vervangen door het begrip “milieubelastende activiteit”. Daarnaast is door inwerkingtreding van de Omgevingswet, het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) ingetrokken. De artikelen uit het Brzo 2015 zijn verdeeld over de besluiten behorende bij de Omgevingswet. De consequenties van bovengenoemde wijzigingen voor het handhavingsbeleid van de veiligheidsregio worden hieronder toegelicht waarbij tevens wordt aangegeven hoe het op 4 juli 2018 door het bestuur vastgestelde handhavingsbeleid op deze punten moet worden gelezen. Vervallen begrip inrichting Toelichting vervallen begrip inrichting De veiligheidsregio is onder meer belast met het toezicht op inrichtingen die zijn/kunnen worden aangewezen als bedrijfsbrandweerplichtig in het kader van artikel 31 Wvr. Onder de wet- en regelgeving, zoals deze gold tot inwerkingtreding van de Omgevingswet, betrof dit op grond van artikel 7.1 Bvr: inrichtingen die vallen onder het Brzo 2015; inrichtingen waarop hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing. Hierbij gaat het om inrichtingen die bestemd zijn voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen en spoorwegemplacementen, de zogenoemde ‘ARIE-inrichtingen’; inrichtingen zoals bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet. In de Omgevingswet wordt het begrip ‘inrichting’ als centraal aangrijpingspunt voor de vergunningplicht losgelaten. Daarvoor in de plaats is het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (verder: mba) gekomen. Dit heeft tot gevolg dat o.a. artikel 7.1 Bvr is aangepast omdat hierin nog werd gesproken over inrichtingen. Vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet worden niet langer inrichtingen aangewezen maar locaties waarop één of meer milieubelastende activiteiten (zoals opgenomen in artikel 7.1 Bvr) worden verricht. Die locatie komt in de plaats van de “inrichting”. Enige uitzondering hierop vormen de inrichtingen in het kader van de Kernenergiewet. In die wet blijft het begrip inrichting wel bestaan, zodoende komt de term “inrichting” nog wel voor in het Bvr. Daar waar in het Bvr, het begrip ‘inrichting’ nog wordt gebruikt, wordt bedoeld een inrichting volgens artikel 16, onderdeel b, van de Kernenergiewet (en geen Seveso-inrichting, een Seveso-inrichting is namelijk een milieubelastende activiteit). Voor de bedrijfsbrandweeraanwijzing en het toezicht daarop is van belang wat in dat kader onder het begrip “locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht” moet worden verstaan. In de Nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit veiligheidsregio’s16 Staatsblad 2020, 400 pag. 1870 en 1871 en de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet17 Staatsblad 2020, 172 pag. 386 is opgenomen dat het begrip “locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht” overeen komt met het begrip “inrichting” dat in de Wet milieubeheer was opgenomen. De begripsomschrijving van “inrichting” en de jurisprudentie die daarover is gevormd behouden hun betekenis, ook na de inwerkingtreding van deze wijziging. Het is dan ook geen inhoudelijke wijziging. Met de woorden ”een of meer milieubelastende activiteiten“ wordt tot uitdrukking gebracht dat een bedrijfsbrandweeraanwijzing betrekking kan hebben op meerdere mba’s die op een locatie worden verricht. Dit biedt het bestuur van de veiligheidsregio de mogelijkheid om in de afweging alle mba’s te betrekken die op een bepaalde locatie worden verricht. Het kan daarbij ook gaan om milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in artikel 7.1 van het Besluit veiligheidsregio’s. Alle mba’s die worden verricht op de locatie moeten in de beoordeling of een bedrijfsbrandweeraanwijzing noodzakelijk is, worden betrokken in verband met interne domino-effecten. Daarbij is verder nog van belang dat het bestuur van de veiligheidsregio op grond van het gewijzigde artikel 7.3 derde lid Bvr in de aanwijzing de begrenzing vaststelt van de locatie of de inrichting waarop de aanwijzing van toepassing is. Gelet op het feit dat het vervangen van het begrip inrichting in de Wvr en het Bvr een technische omzetting is en geen inhoudelijke wijziging, blijven de reeds afgegeven bedrijfsbrandweeraanwijzingen van kracht na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wijziging artikelen Bvr en het Brzo 2015 Naast het feit dat onder de Omgevingswet niet langer inrichtingen maar “locaties waarop één of meer milieubelastende activiteiten worden verricht” kunnen worden aangewezen om over een bedrijfsbrandweer te beschikken (m.u.v. de inrichtingen in het kader van de Kernenergiewet), is ook de wetgeving waar in artikel 7.1 Bvr naar wordt verwezen veranderd. In artikel 7.1 Bvr, zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, werd verwezen naar het Brzo 2015, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Kernenergiewet. Kernenergiewet De verwijzing naar de Kernenergiewet is in stand gebleven. Hierbij is van belang dat het begrip inrichting in de Kernenergiewet blijft bestaan. Daar waar in de Wvr of het Bvr wordt gesproken over inrichtingen, wordt bedoeld een inrichting volgens de Kernenergiewet. De verwijzingen naar het Brzo 2015 en het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn echter gewijzigd, deze zijn vervangen door verwijzingen naar het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor het Brzo 2015 heeft dit te maken met het feit dat dit besluit vervalt en de, voor de aanwijzing relevante artikelen, worden opgenomen in het Bal. Het gaat hier om de artikelen t.a.v. Seveso-inrichtingen. Hieronder zal hier nader op worden ingegaan. De categorieën van bedrijven die kunnen worden aangewezen wijzigen door deze wijzigingen inhoudelijk overigens niet, er is op dit punt sprake van een beleidsneutrale omzetting. Koppeling ARIE-regeling losgelaten De verwijzing in het Bvr naar het Arbeidsomstandighedenbesluit (beter bekend als de ARIE-regeling) had betrekking op vervoersgebonden inrichtingen en spoorwegemplacementen. In het Bal zijn deze “inrichtingen” opgenomen als milieubelastende activiteiten. De omschrijving van deze mba’s in het Bal is zodanig dat een verwijzing daarnaar in artikel 7.1 Bvr meer voor de hand lag. Bovendien is deze verwijzing logischer vanwege de verbinding tussen de omgevingsvergunning voor een mba en de bedrijfsbrandweeraanwijzing. Gelet hierop is ook voor vervoersgebonden inrichtingen en spoorwegemplacementen in artikel 7.1 Bvr aangesloten bij de mba’s uit het Bal. Het gaat hier om de mba’s die in artikel 7.1 Bvr worden genoemd m.u.v. de Seveso-inrichting en de inrichtingen in het kader van de Kernenergiewet. Vervallen Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het Brzo 2015 ingetrokken. De artikelen uit het Brzo 2015 worden verdeeld over het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn in paragraaf 4.2 alle bepalingen opgenomen die zich richten tot de exploitant van een Seveso-inrichting. Het exploiteren van een Seveso-inrichting is een mba volgens het Bal. Het begrip Seveso-inrichting is in het Bal apart gedefinieerd vanwege de activiteiten die onder deze mba vallen. De Seveso-inrichting, bedoeld in het Bal, zal over het algemeen samen vallen met de inrichting waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing was.18 Staatsblad 2020, 400 pag. 1508 Dit in tegenstelling tot de ander mba’s uit het Bal. Omdat niet alleen het bevoegd gezag Omgevingswet belast is met het toezicht op de bepalingen die voortvloeien uit de Seveso III-richtlijn, is paragraaf 4.2 niet alleen gebaseerd op de Omgevingswet maar ook op de Arbeidsomstandighedenwet en op artikel 48 van de Wet Veiligheidsregio’s. Het intrekken van het Brzo 2015 betekent ook dat de begrippen uit dit besluit zijn verhuisd naar de besluiten van de Omgevingswet. Daarbij is nog het volgende van belang: De term hogedrempelinrichting blijft bestaan, voor dit begrip is in het Bal een aparte begripsbeschrijving opgenomen19 hogedrempelinrichting: Seveso-inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, kolom 3, of deel 2, kolom 3, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage.. De term “lagedrempelinrichting” komt niet voor in het Bal. Deze term wordt wel gehanteerd in het handhavingsbeleid. Gelet hierop is een begripsomschrijving relevant. Voor de formulering van deze begripsomschrijving is aangesloten bij de begripsomschrijving van hogedrempelinrichting. Lagedrempelinrichting: Seveso-inrichting niet zijnde een hogedrempelinrichting, waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een hoeveelheid gelijk aan of groter dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, kolom 2, of deel 2, kolom 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage. Begrenzing van de aangewezen locatie Vóór inwerkingtreding van de Ow werd een bedrijfsbrandweeraanwijzing afgegeven voor een inrichting. In de omgevingsvergunning milieu werden de grenzen van een inrichting vastgelegd. Zodoende was het niet noodzakelijk om in de bedrijfsbrandweeraanwijzing de begrenzing van de inrichting op te nemen. Zoals onder het kopje “vervallen begrip inrichting” is aangegeven is met de komst van de Omgevingswet het begrip inrichting vervallen en zal de ‘locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht’ moeten worden aangewezen. Deze locatie zal over het algemeen samen vallen met het begrip inrichting, zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Ow. Gelet op het gestelde in artikel 7.1 Bvr en hetgeen in de toelichting op de Invoeringswet en het Invoeringsbesluit is opgenomen, kan een bedrijfsbrandweeraanwijzing betrekking hebben op meerdere mba’s die een onderneming op een locatie verricht. De veiligheidsregio dient, bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder gevaar, ook de mba’s te betrekken die niet zijn opgenomen in artikel 7.1 Bvr en op de locatie worden verricht. De beoordeling of een bedrijfsbrandweer noodzakelijk is, beperkt zich zodoende niet tot sec het scenario dat zich kan voordoen bij een in artikel 7.1 Bvr opgenomen mba. Bij deze beoordeling moet ook rekening worden gehouden met interne domino-effecten, dat wil zeggen escalatiemogelijkheden op de locatie waar een mba zoals bedoeld in artikel 7.1 Bvr wordt verricht. Als hierdoor een bijzonder gevaar ontstaat voor de openbare veiligheid kan het bestuur van de veiligheidsregio de locatie aanwijzen waar de betrokken mba of mba’s worden verricht. Dit kan tot gevolg hebben dat de locatie die is opgenomen in de omgevingsvergunning voor een mba afwijkt van de locatie waarvoor de bedrijfsbrandweeraanwijzing geldt. Gelet hierop moet het bestuur van de veiligheidsregio op grond van het gewijzigde artikel 7.3 derde lid Bvr in de aanwijzing de begrenzing vaststellen van de locatie of de inrichting (in geval van een Kernenergie inrichting) waarop de aanwijzing van toepassing is. Deze begrenzing zal bij voorkeur op een kaart worden aangegeven. Gevolgen handhavingsbeleid vervallen begrip inrichting en het Brzo 2015 De hierboven omschreven wijzigingen hebben gevolgen voor de in het vastgestelde handhavingsbeleid gebruikte termen en verwijzingen. Hieronder wordt aangeven hoe de in het handhavingsbeleid gehanteerde termen en verwijzingen vanaf het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet gelezen moeten worden. Daar waar het handhavingsbeleid voor de veiligheidsregio’s wordt verwezen naar artikelen van het Brzo 2015, moet dit na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden gelezen als verwijzing naar afdeling 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt niet voor de verwijzingen naar het Brzo die zich niet richten tot de exploitant maar tot de overheidsdiensten, hiervoor moet gelezen worden “afdeling 13.3 en/of 13.4 van het Omgevingsbesluit” Daar waar in het handhavingsbeleid voor de veiligheidsregio’s de term “inrichting” wordt gebruikt moet dit na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden gelezen als: “locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht (zoals bedoeld in artikel 7.1 Bvr of een inrichting zoals bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet)” als het gaat om inrichtingen die op grond van artikel 31 Wvr zijn aangewezen of kunnen worden aangewezen; “milieubelastende activiteit op een locatie” voor zover het gaat over de term “inrichting” in samenhang met artikel 48 Wvr; “locaties waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht” als het gaat om “inrichtingen” in de samenhang met artikel 17 Wvr (“inrichtingen” die over een rampenbestrijdingsplan moeten beschikken); “inrichting” als het gaat om een “inrichting” in samenhang met de Kernenergiewet; “Seveso-inrichting” als het gaat over een “inrichting” in samenhang met het Brzo 2015 of de Seveso III-richtlijn/het gestelde onder 1 of als gesproken wordt over een “Brzo-inrichting”. Daar waar in het handhavingsbeleid voor de veiligheidsregio’s wordt gesproken over “hogedrempelinrichting” moet dit ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden gelezen als “hogedrempelinrichting” Voor de definitie van dit begrip dient na inwerkingtreding van de Omgevingswet de definitie uit het Bal te worden gehanteerd. Daar waar het handhavingsbeleid voor de veiligheidsregio’s wordt gesproken over “lagedrempelinrichting” moet dit na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden gelezen als “Seveso-inrichting niet zijnde een hogedrempelinrichting, waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een hoeveelheid gelijk aan of groter dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, kolom 2, of deel 2, kolom 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage”. Daar waar het handhavingsbeleid voor de veiligheidsregio’s wordt gesproken over “ARIE-inrichtingen”, “ARIE-plichtige inrichtingen”, “vervoersgebonden inrichtingen” of “spoorwegemplacementen” moet dit na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden gelezen als “locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht zoals bedoeld in artikel 7.1 Bvr, niet zijnde een Seveso-inrichting” Daar waar in het handhavingsbeleid wordt gesproken over hoofd of bestuurder van de inrichting dient dit gelezen te worden als ” degene die de milieubelastende activiteit verricht of de inrichting exploiteert. Daar waar in het handhavingsbeleid wordt gesproken over een “aangewezen inrichting” moet gelezen worden “een locatie die over een bedrijfsbrandweer moet beschikken”. Aldus besloten in de openbare vergadering van de bestuurscommissie veiligheid op 1 oktober
- De bestuurscommissie veiligheid van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, De voorzitter, Ahmed Marcouch De secretaris, Anton Slofstra