Verordening Bedrijveninvesteringszone Westerstraat gebruikers Amsterdam 2026De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 juli 2025; gelet op artikel 1, eerste lid, en artikel 7, vierde lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones; besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening Bedrijveninvesteringszone Westerstraat gebruikers Amsterdam 2026 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: BI-zone: de aangewezen bedrijveninvesteringszone in artikel 2, eerste lid; BIZ-plan: het plan van aanpak dat door de vereniging biz Westerstraat opgesteld waarin is aangegeven hoe de vereniging voornemens is de BIZ-subsidie te besteden; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; gemeente: de gemeente Amsterdam; uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Amsterdam en de vereniging biz Westerstraat gesloten uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet wet: de Wet op de bedrijveninvesteringszones. Artikel2Aanwijzing BI-zone en vereniging 1.Het omlijnde gebied op de kaart in de bijlage wordt aangewezen als BI-zone, genaamd 'Bedrijveninvesteringszone Westerstraat gebruikers', als bedoeld in artikel 1 van de wet. 2.Biz Westerstraat wordt aangewezen als vereniging als bedoeld in artikel 7 van de wet. Hoofdstuk2Belastingbepalingen Artikel3Aard van de belasting Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de BI-zone, of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BI-zone. Artikel4Belastbaar feit en belastingplicht 1.De BIZ-bijdrage wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, danwel in gebruik zijn als (detail)handel, horeca, kantoor, cultuur-/gemeenschapsgebouw, sport/recreatie, onderwijsinstelling, medische dienstverlening, bedrijf of kinderopvang. 2.De BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruiken. 3.Voor de toepassing van het tweede lid wordt: gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor opvolgend gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 4.Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat diegene op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel5Belastingobject 1.Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dient. 2.Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning danwel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel6Maatstaf van heffing De BIZ-bijdrage wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak. Artikel7Belastingtarief 1.De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak in 2026 € 375,-. 2.De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak in 2027 € 400,-. 3.De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak in 2028 € 425,-. 4.De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak in 2029 € 450,-. 5.De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak in 2030 € 475,-. Artikel8Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel9Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede een maand later. 2.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel10Nadere regels door het college Het college kan nadere regels stellen over de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage. Hoofdstuk3Subsidiebepalingen Artikel11Algemeen Voor zover in deze verordening daarvan niet is afgeweken is de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 van toepassing. Artikel12Subsidievaststelling 1.De subsidie wordt verstrekt aan de vereniging voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in het BIZ-plan. 2.De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen, verminderd met de daarmee samenhangende perceptiekosten, die zijn vastgesteld op 2,5%. 3.In de Uitvoeringsovereenkomst worden nadere regels gesteld over de wijze van bevoorschotting en de verrekening van meer- en minderopbrengsten van de ontvangen BIZ-bijdragen. Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel13Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op een door het college te bepalen datum, nadat is gebleken van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen als bedoeld in artikel 4 van de wet. 2.Deze verordening vervalt op van 1 januari 2031 met dien verstande dat deze van kracht blijft voor belastbare feiten die zich voor de vervaldatum hebben voorgedaan. 3.De datum van ingang van de heffing is 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.