Natuurbeheerplan 2026Gedeputeerde Staten van Gelderland Gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016; Besluiten Artikel I Vast te stellen het Natuurbeheerplan 2026 met bijbehorende kaarten: de Beheerkaart; de Subsidiekaart; de Ambitiekaart; de Investeringskaart; de kaart Toeslag schaapskudde; de Leefgebiedenkaart agrarisch natuur- en landschapsbeheer; de kaart Categorie Klimaat; en de kaart Categorie Water. Artikel II Het Natuurbeheerplan 2026 met bijbehorende kaarten van toepassing te verklaren op het beheerjaar
- Artikel III Vast te stellen de Reactienota Natuurbeheerplan
- Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst. Toelichting Gedeputeerde Staten hebben het Natuurbeheerplan 2026 provincie Gelderland vastgesteld. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Het plan dat jaarlijks wordt vastgesteld, vormt de basis voor het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). In het coalitieakkoord ‘Gewoon doen’ is gekozen voor een praktische en doelgerichte aanpak van natuurbeheer. De focus ligt op het versterken van de natuur die we al hebben, met de ambitie om huidig beheer te versterken en versnellen, waarbij er bijzondere aandacht is voor de agrarische natuur. Goed beheer vormt daarbij de basis: het is essentieel voor het behoud en herstel van biodiversiteit, voor klimaatadaptatie en voor het vinden van een gezonde balans tussen natuur en recreatie. Dit Natuurbeheerplan sluit aan bij deze doelgerichte aanpak. Het biedt ruimte voor maatwerk en stimuleert samenwerking tussen terreinbeheerders, (agrarische)collectieven, en andere betrokkenen. Zo bouwen we samen aan een duurzame en veerkrachtige natuur in Gelderland. Met de uitvoering van het Natuurbeheerplan 2026 worden de laatste, reeds geprogrammeerd hectares natuur binnen het Natuurpact, gerealiseerd. Hiermee ronden we de afspraken van het Natuurpact
(2013)af. Artikel I Het Natuurbeheerplan 2026 is geactualiseerd en toegespitst op de situatie in provincie Gelderland. De kaarten, die bij dit natuurbeheerplan horen, zijn leidend voor de uitvoering van het natuurbeheer. Ze geven aan waar welk type beheer mogelijk is en vormen de basis voor subsidietoekenning en monitoring. De kaarten zijn geactualiseerd om aan te sluiten bij de actuele situatie in het veld. Artikel II Het natuurbeheerplan 2026 ziet op het komende beheerjaar
- In de openstellingsbesluiten staan de specifieke voorwaarden voor het indienen van een subsidieaanvraag door natuurbeheerders en agrarische collectieven. Artikel III Naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerp zijn de tekst en kaarten op onderdelen gewijzigd ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerp. De wijzigingen betreffen voornamelijk technische wijzigingen en mutaties van de kaarten. Natuurbeheerplan 2026 Voorwoord Voor u ligt het Natuurbeheerplan 2026 van provincie Gelderland. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Dit plan vormt de basis voor het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Natuurbeheer in het licht van het Coalitieakkoord ‘Gewoon doen’ Met het coalitieakkoord ‘Gewoon doen’ kiest provincie Gelderland voor een praktische en doelgerichte aanpak van natuurbeheer. De focus ligt op het versterken van de natuur die we al hebben, met de ambitie om huidig beheer te versterken en versnellen, waarbij er bijzondere aandacht is voor agrarische natuur. Goed beheer vormt daarbij de basis: het is essentieel voor het behoud en herstel van biodiversiteit, voor klimaatadaptatie en voor het vinden van een gezonde balans tussen natuur en recreatie. Dit Natuurbeheerplan (NBP) sluit aan bij deze koers. Het biedt ruimte voor maatwerk en stimuleert samenwerking tussen terreinbeheerders, (agrarische)collectieven, en andere betrokkenen. Zo bouwen we samen aan een duurzame en veerkrachtige natuur in Gelderland. Opbouw van het document De 5 hoofdstukken van dit document zijn opgesteld door BIJ12 en worden door alle provincies in Nederland gebruikt. Dit algemene deel bevat de landelijke kaders, definities en systematiek van het natuurbeheer. De bijlagen van het document zijn een specifieke toespitsing op de situatie in Gelderland. Hierin zijn de provinciale keuzes, kaarten en beleidsaccenten opgenomen die van toepassing zijn op het beheer in Gelderland. 2026: afronding van het Natuurpact In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de te ontwikkelen van natuur in Gelderland. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Natuurpact. In 2026 worden de laatste, reeds geprogrammeerde hectares natuur binnen het Natuurpact gerealiseerd. Kaartlagen als leidraad De kaartlagen die bij dit NBP horen, zijn leidend voor de uitvoering van het natuurbeheer. Ze geven aan waar welk type beheer mogelijk is en vormen de basis voor subsidietoekenning en monitoring. Deze kaarten zijn zorgvuldig samengesteld en worden jaarlijks geactualiseerd om aan te sluiten bij de actuele situatie in het veld. Wij danken alle betrokkenen voor hun inzet en samenwerking bij de totstandkoming van dit plan. Samen werken we aan een veerkrachtige en waardevolle natuur in Gelderland.er 2024 – 012661 1.Wat is het Natuurbeheerplan? 1.1Inleiding Voor u ligt het Natuurbeheerplan 2026 van provincie Gelderland. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Het natuurbeheerplan is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL)
- Dit stelsel bestaat uit: de ‘Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016’ (SVNL2016) voor het beheer van natuur en landschap en de ‘Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016’ (SKNL2016) voor investeringen in natuur en landschap (omvorming, inrichting en kwaliteitsontwikkeling). De provincie stelt de kaders voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer door dit Natuurbeheerplan vast te stellen. Het Natuurbeheerplan geeft aan waar welke natuur aanwezig is en welke beheerdoelen hiervoor gelden. Daarnaast financiert de provincie een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies. Afgelopen jaren is samen met al onze partners hard gewerkt aan de realisatie van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit heeft als resultaat dat we erin slagen de afgesproken hectares voor het GNN te realiseren. Basis voor deze opgave zijn de afspraken die provincie Gelderland in 2013 met het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zijn overeengekomen en die zijn vastgelegd in het zogenaamde Natuurpact. Binnen de opgave uit dit Natuurpact is er geen ruimte meer voor realisatie van nieuwe natuur, rekening houdend met alle lopende initiatieven. Bovenstaande is aanleiding voor een gehele herziening van het Natuurbeheerplan. Zie paragraaf 1.3 voor de wijzigingen ten opzichte van het vorige Natuurbeheerplan (Natuurbeheerplan 2025 Provincie Gelderland) en voor de procedure paragraaf 5.
- 1.2Doel en status natuurbeheerplan Beleidskader Het Natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, Rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar natuurontwikkeling plaats vindt, landbouwgebieden die worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur- en landschapsdoelen nagestreefd worden. Het plan bevat de begrenzing van de natuur- en agrarische natuurgebieden, met name toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en de internationale natuurgerichte agromilieu, water- en klimaatdoelen. Het plan is het beleidskader voor het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 65 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid - Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP). Het plan is verankerd in de SVNL en SKNL en daarmee kaderstellend voor de SNL-subsidies. Waterdoelen In het Natuurpact en de overeenkomst met de Manifestpartijen zijn afspraken gemaakt om naast internationale soortendoelen ook internationale Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen op te nemen. Als waterschappen voor waterbeheerdiensten (Blauwe diensten) gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL
- De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Klimaatdoelen In het GLB-NSP is afgesproken om naast de internationale soortendoelen, KRW-doelen ook klimaatdoelen op te nemen. Het kader hiervoor wordt gevormd door het Klimaatakkoord, de nationale klimaatadaptatiestrategie ende actuele kaders van de bossenstrategie. Er wordt ingezet op klimaatadaptatie en mitigatie. Zoals het verminderen van effecten van extreme weersomstandigheden door water-, bodem- en teeltmanagement en reductie van uitstoot van broeikasgassen. Bepalen van huidige en gewenste beheerdoelen van natuurgebieden In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste natuurbeheertypen en de agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden. De begrenzing is aangeduid op onderstaande kaarten: De beheerkaart; De subsidiekaart; De ambitiekaart; De investeringskaart; De kaart bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde”; De leefgebiedenkaart Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb); De kaart zoekgebied categorie “Klimaat”; De kaart zoekgebied categorie “Water”. Het Natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties en heeft dus geen invloed op eigenomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Bepalen van huidige en gewenste beheerdoelen van natuurgebieden In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste beheerdoelen voor het Gelders Natuurnetwerk en de agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden. De begrenzing is aangeduid op twee kaarten: de beheertypenkaart en de ambitiekaart. In de Omgevingsverordening Gelderland worden de gebieden die het Natuurnetwerk Nederland vormen aangewezen als Gelders Natuurnetwerk (GNN) en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. Het Natuurbeheerplan heeft geen ruimtelijke consequenties of consequenties voor beheerfunctiesplannen en heeft dus geen invloed op eigenomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend; opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt dus niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van het beheer. Het zorgt er alleen voor dat beheerders en gecertificeerde agrarische collectieven van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied, als agrarische natuur of als landschapselement de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden. Ook is het mogelijk om subsidie aan te vragen voor natuurgerichte agromilieu, klimaat- en waterdoelen. 1.3Wijzigingen Natuurbeheerplan 2026 Dit Natuurbeheerplan 2026 is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van het vorige Natuurbeheerplan. de tekst van het Natuurbeheerplan is geactualiseerd en aangepast aan recente beleidsontwikkelingen; Alle kaarten zijn geactualiseerd waarbij de grootste wijzigingen op de investeringskaart zijn doorgevoerd. Dit heeft te maken met de realisatie van de afspraken uit het Natuurpact. Hierover meer in paragraaf 3.3.
- 1.4Afbakening Natuurbeheerplan Het beleid van Natura 2000-beheerplannen, actief soortenbeleid en natte landnatuur maken geen onderdeel uit van dit Natuurbeheerplan. 1.5Leeswijzer In dit Natuurbeheerplan wordt achtereenvolgens beschreven: Hoofdstuk 2: Het beleidskader Hoofdstuk 3: Subsidiestelsel Natuur en Landschap Hoofdstuk 4: Natuur- en landschapsdoelen Hoofdstuk 5: Subsidiemogelijkheden 2.Beleidskader 2.1Europees kader natuur en landschap Het Natuurbeheerplan is gebaseerd op het huidige beleid voor het landelijk gebied voor water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie. In dit hoofdstuk lichten wij de belangrijkste onderdelen van het beleid en de recente ontwikkelingen toe. De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het instandhouden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet er op toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen. Naast de bovenstaande beleidskaders is zowel de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016) als de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016 (SKNL2016) getoetst op staatssteun. Op basis van de Richtsnoeren voor de land- en bosbouwsector heeft de Europese Commissie goedkeuring verleend aan de beide modelverordeningen en hebben de provincies zich daarmee gecommitteerd aan de bijbehorende vereisten. GLB-NSP 2023-2027 Voor het platteland zijn door de EC-beleidsdoelen en -regels vastgesteld met betrekking tot de verduurzaming en vergroening van de landbouw. Dit wordt concreet geëffectueerd in de vorm van het GLB-NSP 2023-
- Het motto van het Nederlandse Strategisch Plan (NSP) is ‘Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gaat duurzaam boeren beter belonen’. Alle 9 doelen moeten in samenhang aan de orde komen, afhankelijk van de behoeften van de lidstaat. Daarin is de lidstaat niet helemaal vrij, het GLB kent een aantal Europese vereisten. Daarnaast worden ook de nationale vereisten meegenomen in het uit te werken Nationaal Strategisch Plan. Het GLB-NSP staat in het teken van de noodzaak om een duurzame landbouw te realiseren, aan de hand van 9 Europese specifieke doelstellingen en een overkoepelende opgave tot innoveren, netwerken en digitaliseren. Het GLB-NSP moet ook ingezet worden voor de Green Deal, met in het bijzonder de strategieën Farm2Fork (Boer tot Bord) en Biodiversiteit. Met het GLB-NSP zetten Rijk, provincies en waterschappen samen de beleidslijnen uit voor beide subsidiefondsen van het GLB, zowel het Plattelandsfonds (pijler 2), als het Garantiefonds (pijler 1). Het Garantiefonds wordt deels ingezet via het nieuwe instrument ecoregelingen en door budget over te hevelen naar het plattelandsfonds. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor investeringen, innovatie, samenwerken en kennisoverdracht voor duurzame bedrijven en verbreding en optimalisatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Duidelijk is inmiddels dat ecoregelingen en conditionaliteiten uit pijler 1 van het GLB-NSP en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit pijler 2 van het GLB-NSP naast elkaar kunnen worden ingezet en elkaar kunnen versterken. Ook is het mogelijk om ze beide in te zetten mits zogenaamde double funding voorkomen wordt (dit betekent dat voor hetzelfde perceel niet twee keer subsidie mag worden verleend). De ecoregelingen en conditionaliteiten hebben een meer nationale generieke invulling (met regionale gebiedsgerichte accenten). Het herstel en instandhouding van habitats en landschappen vergt een integrale aanpak die past bij het gebied. Het ANLb richt zich op gebiedsgerichte activiteiten die boeren samen ondernemen om doelsoorten en doelen uit de opgave Water en Klimaat te ondersteunen. De bijdrage die de Nederlandse lidstaat levert aan het agromilieu en klimaat is vastgelegd in het GLB-NSP fiche (art. 65), waarin de ambitie van Nederland is aangeduid. Het agrarisch natuurbeleid, het ecologisch waterbeheer en klimaatdoelen worden gekoppeld aan het ANLb en worden deels gefinancierd met Europees geld. Daarmee moet de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer inclusief natuurgerelateerde water- en klimaatdoelen voldoen aan het GLB-NSP fiche. In het fiche (fiche voor goedkeuring van het ANLb in Brussel) zijn drie leefgebieden (open grasland, open akkerland, dooradering) en de categorieën water en klimaat opgenomen. Natura 2000 De landen van de Europese Unie hebben zich verplicht om bijzondere typen natuur (“habitattypen”) en bijzondere planten- en diersoorten te beschermen. Daarvoor zijn Natura 2000-gebieden aangewezen die van bijzondere betekenis zijn voor het voortbestaan van deze natuur. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan opgesteld met een looptijd van 6 jaar. In deze beheerplannen wordt beschreven welke habitattypen en soorten er in het gebied aanwezig zijn en welke maatregelen er worden getroffen om deze duurzaam in stand te houden. Deze liggen vast in het aanwijzingsbesluit dat is vastgesteld door de minister. In de natuurdoelanalyses (Natuurdoelanalyse) en de Natura 2000-beheerplannen beschrijven we onder ander hoe het gaat met dezeGelderse NatuurgebiedenGelderse Natuurgebieden. De zogenaamde T0- habitattypenkaart geeft de situatie op het moment van aanwijzen van het gebied weer. Iedere habitattypenkaart wordt periodiek geactualiseerd waardoor veranderingen in de habitattypen in beeld komen. Een geactualiseerde habitattypenkaart krijgt één hoger volgnummer (bv. T1-habitattypenkaart). Het beheerplan Natura 2000 fungeert als vastgesteld beleid en tevens als een handvat voor de vergunningverlening, omdat daaruit kan worden afgeleid welke activiteiten nadelig kunnen zijn voor de aangewezen habitattypen en bijzondere planten- en diersoorten en een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten is vereist volgens de Omgevingswet (voorheen: Wet Natuurbescherming). In Gelderland liggen 15 Natura 2000-gebieden: Korenburgerveen, Wooldse Veen, Bekendelle, Landgoederen Brummen, Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem, Arkemheen, De Bruuk, Willinks Weust, Lingegebied en Diefdijk-Zuid, Veluwe, Veluwerandmeren, Stelkampsveld, Rijntakken, Binnenveld en Sint Jansberg. Voor 12 van deze gebieden is provincie Gelderland de voortouwnemer bij het opstellen van een beheerplan. De voortouwnemer is het aanspreekpunt en verantwoordelijk voor het totale proces. In de afgelopen jaren zijn de meeste beheerplannen geactualiseerd of is de looptijd van het beheerplan met 6 jaar verlengd. Percelen gelegen binnen het Natura 2000-gebied komen in aanmerking voor subsidie in het kader van de S(K)NL. Habitattypen zijn leidend voor beleid en beheer waar deze niet overeenkomen met het Natuurbeheerplan. Meer over Natura 2000, de gebieden, de werkwijze en de aanwijzingsbesluiten vindt u op de website www.natura2000.nl. Natuurherstelverordening Op 18 augustus 2024 is de Europese natuurherstelverordening in werking getreden. Deze verordening verplicht lidstaten om doeltreffende maatregelen te treffen om de natuur te herstellen, continu te verbeteren en niet te laten verslechteren. Het bevat oplopende kwantitiatieve doelstellingen voor terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen en mariene ecosystemen die nu niet in goede conditie verkeren, voor 2030, 2040 en
- Ook zijn er aanvullende doelstellingen, bijvoorbeeld voor landbouwecosystemen. Daarnaast gelden er verplichtingen voor het opstellen van een nationaal natuurherstelplan, monitoring en verslaglegging. Alle artikelen van de verordening zijn direct van toepassing. Op dit moment wordt uitgewerkt welke aanpassingen van het Rijks- en provinciaal beleid noodzakelijk zijn. Dit heeft daarom nog niet tot aanpassing in dit Natuurbeheerplan geleid. Wel beoogd het Natuurbeheerplan om natuurbeheer zo in te richten dat het voldoet aan de natuurherstelverordening. 2.2Rijksbeleid natuur en landschap Het Rijk stelt in het kader van de internationale verplichtingen op hoofdlijnen de ambities voor de agromilieu- en klimaatdiensten vast en geeft de kaders aan waarbinnen die ambities gerealiseerd kunnen worden. Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact
(2013)door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. Hierin past de transitie naar een natuurinclusieve samenleving, waaronder de transitie in de landbouw richting kringlooplandbouw. Hierin werkt het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) via onder andere de Agenda Natuurinclusief, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en Basiskwaliteit Natuur samen met provincies en maatschappelijke partijen aan de transitie naar een natuurinclusieve samenleving. De uitvoering van het stimuleringsbeleid voor natuur en platteland is met ingang van 2014 gedecentraliseerd naar de provincies en vastgelegd in een decentralisatieakkoord 2014-2027 en een Natuurpact van overheden en maatschappelijke organisaties. Dit is op 18 september 2013 door staatssecretaris Dijksma aangeboden aan de Tweede Kamer. In dit Natuurpact zijn de ambities vastgelegd voor de ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland voor de periode tot en met 2027. Het Rijk draagt bij aan de realisatie van deze ambities door jaarlijks extra te investeren in natuur. De onderdelen van deze ambities zijn: Ontwikkeling Robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN) inclusief Natura 2000-gebieden. Het NNN moet een robuuste ruggengraat van de natuur in Nederland zijn. Dat gaat gebeuren door hem te vergroten, te verbeteren en belangrijke natuurlijke verbindingen te realiseren tussen natuurgebieden onderling en tussen natuurgebieden en hun omgeving. Soortenbescherming; bescherming van afzonderlijke planten- en diersoorten is nodig vanwege Europese verplichtingen en afspraken waaraan Nederland zich in internationaal verband heeft gecommitteerd (VR/HR). Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het NNN door het nemen van juridische en/of fysieke maatregelen, die vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Natuur buiten het NNN; er zal een extra impuls gegeven worden aan het beheer van natuur buiten het NNN. Het is belangrijk dat er meer samenhang komt tussen de natuur in het NNN en daarbuiten. Agrarisch natuurbeheer; het ANLb kan buiten en binnen het NNN worden toegepast. De uitvoering van het agrarisch natuurbeheer moet eenvoudiger en met minder kosten. En zal een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap en agrarisch ondernemerschap moeten opleveren. Het ANLb moet vooral worden ingezet voor het beschermen en verbeteren van internationale soorten. Natuur en water; er zijn diverse mogelijkheden om de ontwikkeling van de natuur, de vergroting van het NNN en de aanpak van de Natura 2000-gebieden optimaal te laten samengaan met het verbeteren van de condities van de kwantiteit en de kwaliteit van het water. Er wordt daarbij maximale synergie gezocht met maatregelen om te voldoen aan de KRW en de Nitraatrichtlijn. Aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur Het ministerie van LVVN heeft het Nationaal Programma Landelijk Gebied stopgezet en in de kamerbrief van 29 november 2024 aangekondigd deze te vervangen door de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur. Deze aanpak beoogt een bijdrage te leveren aan het behalen van wettelijke doelstellingen voor natuur, water en klimaat. Concreet betreft het de Europese doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Natuurherstelverordening (NHV), de Kaderrichtlijn water (KRW) en de (Europese) Klimaatverplichtingen voor de landbouw. Ook zal er in het kader van de inbreukprocedure voor de grutto, specifieke aandacht worden besteed aan uitbreiding van het ANLb bij weidevogelkerngebieden (met name voor de grutto). Deze aanpak wordt momenteel uitgewerkt door het Rijk, in samenwerking met de provincies. Daarnaast is er naar aanleiding van twee rechterlijke uitspraken een ministeriële commissie Economie en Natuurherstel opgericht, die moet komen met een programma van maatregelen gericht op een gegarandeerde vermindering van stikstofuitstoot en natuurherstel. In de loop van 2025 wordt meer bekend over de inhoud van deze beleidslijnen. 2.3Provinciaal beleid De provincies zijn – op grond van het decentralisatieakkoord natuur – volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. De doelen en middelen worden door de provincies vastgelegd in onder andere dit Natuurbeheerplan. In dit provinciale Natuurbeheerplan, dat de kaders en ambities bevat waarbinnen een subsidieaanvraag kan worden ingediend, is aangegeven in welke gebieden bepaalde natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden. Het provinciale beleid geeft invulling aan het Europese en Rijksbeleid en voegt daar provinciale doelen aan toe. Provincies houden bij de uitvoering van het natuurbeleid, conform de door Nederland geratificeerde Europese Landschapsconventie, rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. De waterdoelen zijn in 2015 door de provincies vastgesteld in een omgevingsvisie en recent geactualiseerd in het Regionaal Waterplan
(2021). Als waterschappen voor waterbeheerdiensten gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL2016. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Het Gelders natuurbeleid is vastgelegd in de Beleidsuitwerking natuur en landschap (PS2012-401, juni 2012). Hierin staat dat de provincie zorgvuldig wil omgaan met de natuur en het landschap in Gelderland. Het doel is het behouden van de soortenrijkdom van de Gelderse natuur door het realiseren van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit natuur- en landschapsbeleid is waar nodig verankerd in de omgevingsverordening van provincie Gelderland, maar ook in het water- en bodembeleid van de provincie. Natuur- en Landschapsbeleid Omgevingsvisie / Omgevingsverordening De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en naar behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Natuur en landschap zijn het kapitaal van Gelderland. De opgaven die de provincie en haar partners hierbij zien, zijn: Het behouden en mogelijk vergroten van de biodiversiteit (soortenrijkdom) in de natuur; Het verbinden van de Gelderse natuur met natuurgebieden in aangrenzende provincies en Duitsland; Het betrekken van de mensen in een gebied bij het beheer van hun natuur en landschap. Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit GNN bestaat uit de Gelderse gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).. Alle terreinen zijn of worden in het gemeentelijke bestemmingsplan of omgevingsplan opgenomen als “Natuur”. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn door het Rijk aangewezen om onze internationale verplichtingen op het gebied van natuur en landschap met voorrang te realiseren. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het GNN en de Groene Ontwikkelingszone (GO) vervullen daarnaast een belangrijke rol bij de nieuwe natuurherstelverordening en het behoud van de biodiversiteit. De ecologische verbindingszones (evz) maken voor een klein deel uit van het GNN. De kernkwaliteiten van het GNN die beschermd en ontwikkeld moeten worden zijn in de omgevingsverordening omschreven. Deze kunnen betrekking hebben op leefgebieden van soorten en landschappelijke waarden, maar ook op abiotische waarden of (het afwezig zijn) kunstmatige of menselijke invloeden zoals cultuurhistorische waarden of rust. De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals rustgebieden voor overwinterende ganzen. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Enkele weidevogelreservaten maken deel uit van het GNN. De overige weidevogelgebieden hebben in de verordening een aparte aanduiding “Weidevogelgebied’ gekregen. In eerdere verordeningen vielen de weidevogelgebieden onder het GO-regime. Water en bodembeleid In de omgevingsvisie is aangegeven dat de provincie stuurt op de realisatie en het behoud van een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem helpt mee aan een optimale en duurzame driedimensionale inrichting van Gelderland. Zowel gericht op functies in het stedelijk gebied als ook het landelijk gebied. Het water- en bodemsysteem dient daarbij op orde te zijn voor deze functies, niet alleen voor het huidig gebruik maar ook voor toekomstige ontwikkelingen. Een water- en bodemsysteem omvat de bodem, de diepere ondergrond, het grondwater en het oppervlaktewater. Om deze reden streeft de provincie onder andere naar: Herstel en behoud van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit geldt tenminste voor de wateren die zijn aangewezen in het kader van de KRW en de oppervlaktewateren met een bijzondere ecologische kwaliteit. Tot deze laatste categorie behoren de natuurwateren (voorheen wateren van het Hoogste Ecologische Niveau resp. wateren met een Specifiek Ecologische Doelstelling). De natuurwateren zijn onderdeel van het GNN. En zijn beschreven in het Regionaal waterprogramma. Herstel en behoud van de kwaliteit van het grondwater: Dit geldt onder andere voor grondwaterbeschermingsgebieden ter bescherming van de openbare drinkwatervoorziening en de stroken rondom Natura 2000-gebieden (met name de kwelafhankelijke gebieden). Het voorkomen van wateroverlast en droogte. Met het oog op verwachte klimaatveranderingen streven de provincie en de waterschappen naar een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Hiervoor hanteren de provincie en waterschappen de zogenaamde beleidstritsen. Voor het omgaan met wateroverlast geldt de trits “vasthouden, bergen en afvoeren” en voor het omgaan met droogte de trits “sparen, aanvoeren en adapteren/accepteren”. Door toepassing van beide tritsen wordt bijvoorbeeld meer water vastgehouden in de bodem en extra ruimte gecreëerd in en langs watergangen. Soortenbeleid De beleidsnota Actieve soortenbescherming uit 2015 is aangegeven dat het soortenbeleid via drie sporen voor actieve soortbescherming wordt uitgevoerd: Spoor 1: Systeemherstel binnen GNN; Spoor 2: ANLb buiten het GNN; Spoor 3: Soortgerichte maatregelen voor prioritaire soorten. Voor Spoor 2 is aangegeven dat ingezet wordt op behoud en herstel via het ANLb. In het Natuurbeheerplan worden de belangrijkste leefgebieden voor soorten buiten het GNN beschreven en de ambities voor deze gebieden. De agrarische collectieven worden uitgenodigd om hiervoor met passende maatregelen te komen. Om welke soorten het gaat is in bijlage 1 opgenomen. 2.4Overige beleidskaders Naast Europese, nationale en provinciale natuurbeleidskaders, spelen ook andere beleidskaders een rol. De provincie houdt bij de uitvoering van het natuur- en landschapsbeleid rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, landschapsbeleid, recreatiebeleid en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. Tijdens de verschillende gebiedsprocessen hebben de betrokken partijen hun beleid zoveel mogelijk ingebracht. Waterschappen De waterschappen hebben hun waterbeleid vastgelegd in waterbeheerplannen. De belangrijkste voorbeelden van activiteiten voor synergie zijn: Het uitvoeren van maatregelen aan waterlichamen die op grond van de KRW zijn aangewezen, gericht op de verbetering van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewateren (bv. aanleg/verbreding van natuurvriendelijke oevers). Het uitvoeren van beheer en onderhoud aan alle watergangen, met inachtneming van een goedgekeurde of bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode en van de mogelijk aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden. Het realiseren van ecologische functies aan watergangen. Deze betreffen de functie natuurwater en natte EVZ voor de doelsoorten winde, kamsalamander en rietzanger. Deze functies vragen een specifieke (ecologische) inrichting, beheer en onderhoud van de watergang. Deze functies worden veelal in combinatie met andere doelen/functies (bijvoorbeeld KRW) gerealiseerd. Gemeenten Veel gemeenten hebben hun landschapsbeleid neergelegd in een landschapsontwikkelingsplan (LOP) of een biodiversiteitsplan. Een groot aantal beheeropgaven zoals verwoord in de verschillende LOP’s kunnen versterkt worden via ANLb. Het is aan de agrarische collectieven om dit gemeentelijke landschapsbeleid bij het ANLb te betrekken. 3.Subsidiestelsel Natuur en Landschap Het beschermen van dieren en planten is belangrijk voor de mens. Deze bescherming vindt plaats om ecologische, economische en ethische redenen. De diversiteit van dieren en planten verhoogt de spankracht van de natuur (ecologie). Daarnaast is de biodiversiteit een belangrijke productiefactor (economie). Ten slotte worden dieren en planten vanwege hun intrinsieke waarde beschermd (ethiek). De provincie hecht veel belang aan het behoud en de ontwikkeling van de provinciale natuur. Daarom verleent zij daarvoor subsidie via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De provincie bepaalt in het Natuurbeheerplan in welke gebieden natuurbeheerders, natuurcollectieven en agrarische collectieven subsidie kunnen krijgen voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer, blauwe diensten en klimaatdiensten. In het Natuurbeheerplan liggen de verschillende natuurbeheer- en landschapsbeheertypen van de Index Natuur en Landschap voor percelen en/of terreinen vast. Subsidie is alleen mogelijk voor het beheertype dat in het Natuurbeheerplan is aangegeven en begrensd. Subsidie (Regels Subsidieverlening Gelderland 2023) In het SNL wordt een onderscheid gemaakt tussen financiering van het beheer van de bestaande natuur en landschap en eenmalige investeringen ter verbetering van de natuurkwaliteit (kwaliteitsimpulsen). De subsidie voor het beheer van natuur, agrarische natuur en landschapselementen is geregeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 | Lokale wet- en regelgeving). De subsidie voor functieverandering en inrichting GNN is geregeld in de Regels Subsidieverlening Gelderland (RSG) paragraaf 2.7 en 2.8 Regels Subsidieverlening Gelderland 2023 (Regels Subsidieverlening Gelderland 2023 | Lokale wet- en regelgeving). Voor meer informatie over de subsidieverordening en -regelingen en subsidiemogelijkheden zie www.gelderland.nl/subsidies, waaronder de regeling Biodiversiteit en Landschap, prioritaire soorten en Natura 2000. Hieronder worden mogelijkheden voor het verkrijgen van een subsidie voor functieverandering en inrichting GNN uiteengezet: Subsidie voor natuurontwikkeling wordt alleen verstrekt als met de inrichtingsmaatregelen de door provincie Gelderland gewenste natuurkwaliteit gerealiseerd wordt. In afwijking hiervan kan een subsidie worden verleend voor een ander natuurbeheertype of een indicatieve verhouding beheertype dan is opgenomen op de ambitiekaart, als: de aanvrager door middel van een landschapsecologische onderbouwing aantoont dat het huidige natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is, of het voorgestelde natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn en en met het door de aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd. Subsidie voor Natura 2000-maatregelen wordt alleen verstrekt als in het investeringsplan voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering van de niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Arkemheen of Veluwerandmeren. Subsidie voor herstelmaatregelen voor natte landnatuur wordt alleen verstrekt als in het investeringsplan voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan herstel van de natte landnatuur, binnen de gebieden die in de omgevingsverordening zijn begrensd als beschermingszone natte landnatuur. Subsidie voor de verhoging van de natuurkwaliteit wordt alleen verstrekt als: het de verhoging van de kwaliteit van het natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland of N12.05 Kruiden- en faunarijke akker betreft; indien zaden worden ingebracht, het herintroductie betreft; de verhoging niet leidt tot een ander natuurbeheertype; geen grondbewerking plaatsvindt op veengrond en grondbewerking van een perceel niet in één keer perceel dekkend plaatsvindt, maar minimaal 10% van het perceel pas een jaar later bewerkt wordt. Subsidie voor de verhoging van de kwaliteit van het natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland wordt alleen verstrekt als een of meer van de volgende maatregelen worden toegepast: inbreng van zaden of maaisel passend bij het bodemtype die geen bestrijdingsmiddelen, cultivars of exoten bevatten, inclusief het openwerken van graszoden; openwerken van graszoden, anders dan op veengrond, waarvan de bedekking met kruiden minder is dan 30%. Als de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie alleen verstrekt als de aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door een met bewijsstukken onderbouwde beschrijving van de situatie zonder steun. Subsidie voor haalbaarheidsonderzoek wordt alleen verstrekt: bij de voorbereiding van een programma-aanvraag; met het oog op: het inrichten van natuur (het creëren van natuur op een plek waar geen natuur aanwezig is); het uitvoeren van Natura 2000-maatregelen; of het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur; en als het onderzoek is gericht op het treffen van maatregelen die nodig en haalbaar zijn om te komen tot systeemherstel van de natuurgebieden. Als de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie alleen verstrekt als aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door middel van een beschrijving van de situatie zonder steun, te staven met bewijsstukken. Subsidiabele kosten In afwijking komen voor subsidie in aanmerking: inrichtingskosten en kosten voor herstelmaatregelen en voor kwalitatieve herstelmaatregelen; voorbereidingskosten die gemaakt zijn voor het opstellen van het investeringsplan of het opstellen van een programma-aanvraag met een maximum van 15% van de totale subsidiabele kosten; onderzoekskosten die nodig zijn voor het bepalen van de te nemen inrichtingsmaatregelen of Natura 2000-herstelmaatregelen; accountantskosten, als de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft; beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer, waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen; en kosten voor beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd. Subsidiabele activiteit Subsidie voor functieverandering kan worden verstrekt. Criteria Subsidie wordt alleen verstrekt als: de grond waarvoor subsidie is aangevraagd is begrensd als N00.01 op de ambitiekaart en als subsidiabel op de investeringskaart staat vermeld; de landbouwproductiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt; op de grond waarvoor subsidie is aangevraagd tevens inrichting plaatsvindt en de taxatie uitgevoerd wordt door: een door Gedeputeerde Staten in te schakelen onafhankelijke taxateur, als de aanvraag alleen betrekking heeft op functieverandering; of een door aanvrager in te schakelen onafhankelijk taxateur als de aanvraag ook betrekking heeft op de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein. Als de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie slechts verstrekt als de aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door een met bewijsstukken onderbouwde beschrijving van de situatie zonder steun. Subsidiabele kosten Voor subsidie komt in aanmerking de door een taxateur bepaalde waardedaling van de grond, gebaseerd op het verschil in marktwaarde voor en na de voorgenomen functieverandering en inrichting. 3.1.De Index Natuur en Landschap De basis voor het Natuurbeheerplan vormt de Index Natuur en Landschap. Deze Index is een landelijk uniforme en sterk gestandaardiseerde “natuurtaal” waarin de Nederlandse natuur- en landschapselementtypen worden vastgelegd. De Index is van belang voor de aanduiding van de natuur- en landschapsdoelen door de overheid en voor de monitoring en bevordert ook een goede afstemming tussen beheerders onderling en tussen beheerders en overheden. De Index Natuur en Landschap bestaat uit de onderdelen natuur, agrarische natuur en landschapselementen. In de Index worden twee niveaus onderscheiden: de natuurtypen voor de sturing op landelijk niveau en de beheertypen voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau. Voor de begrenzing in het natuurbeheerplan en de subsidieverlening wordt voor het natuurbeheer het niveau van de beheertypen gebruikt. Voor het agrarisch natuurbeheer kan ook het niveau van natuurtypen worden gebruikt. De natuurtypen zijn bedoeld als sturings- en verantwoordingsinstrument op landelijk niveau. Daarbij valt te denken aan afspraken en rapportages tussen het Rijk en provincies. De beheertypen zijn geschikt voor de aansturing van het beheer op interprovinciaal, provinciaal en lokaal niveau. Zij vormen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en beheerder. Er bestaan 17 natuurtypen. Binnen elk van de natuurtypen worden één of meerdere natuurbeheertypen onderscheiden. In totaal zijn er 49 natuurbeheertypen. Voor landschap zijn er 4 landschapstypen met daaronder 13 beheertypen voor natuurgronden. Voor het agrarisch natuurbeheer zijn er drie agrarische natuurtypen. Dit zijn open grasland, open akkerland en dooradering. Binnen elk van de agrarische natuurtypen worden één of meerdere agrarische beheertypen onderscheiden. Er is een categorie Water en een categorie Klimaat met daaronder een aantal beheertypen voor agrarische gronden. In de Index Natuur en Landschap worden de natuurtypen, landschapstypen en agrarische natuurtypen en beheertypen beschreven. De beschrijving van de agrarische natuur- en beheertypen is gebaseerd op het advies dat is opgesteld door Alterra met beschrijvingen van de vier agrarische natuurtypen/leefgebieden en de daaronder vallende agrarische beheertypen met kwalitatieve en kwantitatieve criteria. Deze criteria zijn zo verwoord dat ecologische effectiviteit bevorderd wordt. Zie NULL https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/16926_Alterra_Rapport-2585_Totaal_LR.pdf voor het advies van Alterra. Voor meer informatie over de Index Natuur en Landschap zie onderdeel thema ‘Index Natuur en Landschap’ op www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap. Voor de Gelderse context verwijzen we naar bijlage 4.1. Hierin staat een nadere uitwerking, deze is op een aantal punten afwijkend van de landelijk gehanteerde Index. 3.2Natuurbeheerplanen bijbehorende kaarten Het Natuurbeheerplan kent een ambitiekaart, een beheertypenkaart, een leefgebiedenkaart voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, een investeringskaart, een subsidiekaart, een kaart categorie Water, een kaart categorie Klimaat én een kaart bijdrage traditioneel gehoede schaapskudde. Samen vormen zij met de beschrijving van de doelen de kern van dit plan. Zowel de beheertypenkaart als de ambitiekaart zijn afgestemd op de beheerplannen die in het kader van Natura 2000 worden opgesteld. Het kaartmateriaal is onderdeel van dit Natuurbeheerplan. 3.2.1Beheertypenkaart - Beheersubsidie natuur en landschap op grond van de SVNL De beheertypenkaart geeft alle bestaande en beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SVNL. Voor natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen (zie kaartbijlage(
- n)1). Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande natuur weergegeven. Per natuurterrein en/of perceel is één beheertype toegekend en een beheerder komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien er nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het op de ambitiekaart als type N00.01 aangegeven. Dit betekent dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitiekaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na inrichting of functieverandering voor beheersubsidie in aanmerking. Voor het bepalen van het dan gewenste beheertype moet vaak nog aanvullend onderzoek gedaan worden. Op bestaande natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven voor welke landschapselementen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. Individuele landschapselementen die in natuurbeheergebied liggen en door de provincie als zodanig worden erkend, zijn op de beheertypenkaart aangegeven. Niet alle beschreven natuur komt voor subsidie in aanmerking. Zo wordt bestaande natuur buiten het GNN bijvoorbeeld, op enkele uitzonderingen na, uitgesloten. Ook bos en natuur die is aangelegd als compensatie voor ruimtelijke ontwikkelingen die ten koste gaan van de natuur, komt niet voor subsidie in aanmerking. Als de compensatie is aangelegd op grond van een wettelijke of contractuele verplichting komt deze in principe niet voor subsidie in aanmerking. Bijvoorbeeld de aanleg van natuur in het kader van de realisatie van een nieuw landgoed of ontgronding. Compensatie die samenhangt met de uitvoering van projecten van maatschappelijk belang kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen. De voorwaarden voor compensatie van het Gelders Natuurnetwerk vloeien voort uit de Omgevingsverordening Gelderland. 3.2.2Ambitiekaart en investeringskaart De ambitiekaart in dit Natuurbeheerplan geeft de begrenzing aan van gronden waar provincie Gelderland functieverandering van landbouw naar natuur zou willen realiseren. Daarmee vormt de ambitiekaart niet alleen een richtinggevend kader voor de verdere invulling van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), maar ook voor natuurontwikkeling door andere partijen, zoals bij compensatieverplichtingen of vrijwillige initiatieven. Er wordt in de ambitiekaart onderscheidt gemaakt tussen 2 typen percelen: nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01, en nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het beoogde natuurbeheertype of de indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd. De ambitiekaart is uitsluitend bedoeld voor de functieverandering van landbouw naar natuur en is niet van toepassing op agrarische gronden die ingericht worden voor agrarisch natuurbeheer. Voor landschappelijke inrichting kunnen gemeenten, landgoederen en agrarische collectieven gebruikmaken van de provinciale subsidieregeling Biodiversiteit en landschap. Omdat er onvoldoende financiering beschikbaar is om functieverandering op alle percelen van de ambitiekaart te realiseren, is de investeringskaart opgesteld. Deze kaart bepaalt of een perceel daadwerkelijk in aanmerking komt voor subsidie. Op basis van een analyse van alle bij de provincie bekende concrete initiatieven zijn alleen deze percelen op de investeringskaart als subsidiabel aangemerkt. Alle overige N00.01-percelen op de ambitiekaart zijn op de investeringskaart als niet-subsidiabel aangeduid en komen dus niet meer in aanmerking voor subsidie. Het is binnen de huidige afspraken niet meer mogelijk om nieuwe percelen toe te voegen aan de investeringskaart. De ambitiekaart is ruimer ingezet dan de afspraken die gemaakt zijn in het Natuurpact, zodat het mogelijk is om aan de gemaakte afspraken te voldoen. De investeringskaart is opgesteld om binnen de ambitiekaart gronden aan te wijzen waar de ontwikkeling ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Samenwerkingsovereenkomsten met de waterschappen Provincie Gelderland heeft met de waterschappen samenwerkingsovereenkomsten afgesloten voor realisatie van natuurdoelen. Deze natuurdoelen liggen veelal langs beken en waterlopen. Deze afspraken zijn nog niet geheel ingevuld. De waterschappen hebben nog de mogelijkheid om natuur te ontwikkelen binnen de in de samenwerkingsovereenkomst overeengekomen oppervlaktes. Deze kunnen gelegen zijn zowel binnen de op de ambitiekaart gestelde percelen te ontwikkelen natuur maar ook daarbuiten, mits eigenaren hiermee instemmen en vergelijkbare of betere kwaliteit gerealiseerd kan worden. 3.2.3Ambitiekaart - Subsidie Functieverandering en inrichting voor de realisatie van het GNN op grond van de Regels Subsidieverlening Gelderland (RSG) Landbouwgronden die op de ambitiekaart beheertype N00.01 hebben én op de investeringskaart op subsidiabel staan, kunnen definitief worden omgezet in natuur, waarbij de waardevermindering van de grond wordt vergoed. De huidige geprogrammeerde hectares op de investeringskaart putten de in te richten ruimte binnen het SNL uit, dus het is niet meer mogelijk om landbouwgrond aan te melden voor de subside Functieverandering en inrichting. Het te realiseren natuurbeheertype is vermeld op de ambitiekaart, als ‘indicatieve verhouding beheertypen’. Soms is de ‘indicatieve verhouding beheertypen’ niet ingevuld. Dat betekent dat op die locatie eerst onderzoek plaats moet vinden om de maximaal haalbare ecologische potentie vast te stellen en het te realiseren N-type te bepalen. De provincie streeft daarbij naar realisatie van hoogwaardige natuur, waarbij bij bosaanleg natuurbos prevaleert. Ook particulieren komen voor deze vergoeding in de vorm van subsidie functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Een aanvraag voor functieverandering dient vergezeld te gaan van een inrichtingsplan waarin de te nemen inrichtingsmaatregelen uitgewerkt en onderbouwd worden. Particulier natuurbeheer is van belang voor de realisatie van het GNN. Daarnaast zijn er op de ambitiekaart gronden aangeduid met het beheertype N00.02. Dit betreft al tot natuur omgevormde landbouwgrond waarvan de inrichting nog in uitvoering is of voormalige landbouwgronden, die in het verleden verworven of afgewaardeerd zijn voor de natuuropgaven. Deze gronden worden al wel als natuur beheerd maar de inrichting om te komen tot het gewenste natuurambitietype heeft nog niet plaatsgevonden. Op deze gronden wil de provincie nog investeren in de natuurinrichting om daarmee de gewenste hogere natuurdoelen te behalen. Na het toekennen van de subsidie functieverandering (vanuit RSG) en het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen zal na de vaststelling de beheertypenkaart worden aangepast, zodat er voor het gerealiseerde beheertype beheersubsidie kan worden verkregen op basis van de SNL. Dit wordt gerealiseerd bij de eerstvolgende wijziging van het Natuurbeheerplan. Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naar de subsidiepagina van provincie Gelderland. SKNL is voor het agrarisch natuurbeheer niet van toepassing op het nemen van inrichtingsmaatregelen op landbouwgrond om de kwaliteit van een aanwezig agrarisch beheertype te verhogen. Investeringen ten behoeve van het ANLb zijn nader uitgewerkt in het GLB-NSP. Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naarwww.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap. 3.2.4Beheertypenkaart – ANLb, traditioneel gehoede schaapskudde, water en klimaat Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: open grasland, open akkerland en dooradering. Deze drie leefgebieden zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat. In het Natuurbeheerplan worden deze drie agrarische natuurtypen en de categorieën water en klimaat als zoekgebieden op de beheertypenkaart aangeduid. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Voor de drie agrarische natuurtypen worden voor de mix aan beheertypen subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag. Het gaat om uniforme instapeisen, met de mogelijkheid van provincies om daar gemotiveerd van af te wijken. Bij de begrenzing van de zoekgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, houdt de provincie rekening met de naastgelegen provincies. Dit om een goed afgestemd soortenbeleid over de provincies te garanderen. Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op kansrijkheid voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap. Op de Leefgebiedenkaart worden de doelstellingen voor specifieke soorten of soortengroepen binnen de agrarische beheertypen niet aangeduid. Welke specifieke doelstellingen de provincie heeft voor soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk 4. Voor het zoekgebied water is in hoofdstuk 4 aangegeven op welke blauwe diensten ingezet kan worden en welke criteria daarvoor gelden. Dit geldt ook voor het zoekgebied klimaat. Voor agrarisch natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke leefgebieden, categorieën voor subsidie in aanmerking komen (zie kaartbijlage(n). Kaart Bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde” Deze kaart geeft het areaal weer waarbinnen deze bijdrage kan worden aangevraagd. In overleg met natuurbeheerders en de Gilde van Traditionele Schaapsherders is in het NBP2020 aan de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer (SNL2016 Gelderland) een bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde” toegevoegd, uitsluitend bedoeld voor beheer van N06.03 Hoogveen, N06.04 Vochtige heide, N07 Droge heiden of N11 Droge schraallanden. Het areaal hiervoor is op kaart aangegeven. Het verstrekken van subsidies voor beheer, inrichting en kwaliteitsimpulsen draagt bij aan de realisatie van het in hoofdstuk 2 beschreven beleid en de in hoofdstuk 4 beschreven provinciale natuur- en landschapsdoelen. Kaart categorie Water Op de kaart categorie Water of “zoekgebied water ten behoeve van het agrarisch waterbeheer” staan de aandachtsgebieden van de waterschappen. De KRW-wateren en de natuurwateren zijn de basis voor deze aandachtsgebieden. Soms is ook een heel stroomgebied aangegeven. Op basis van deze kaarten kunnen de agrarische collectieven afspraken maken met de agrariërs. Kaart categorie Klimaat Op deze kaart, ook wel “zoekgebied klimaat” genoemd, zijn maatregelen mogelijk op agrarische percelen die bijdragen aan het verzachten van de klimaatverandering. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven op welke gebieden ingezet kan worden en welke criteria gelden om tot indikking van de zoekgebieden te komen. Op de kaarten categorie water en klimaat staat aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen (zie bijlage 2b en 2c respectievelijk categorie Water en categorie Klimaat). 3.2.5Monitoring Er wordt gewerkt aan het provinciaal monitoringplan in samenwerking met de beheerders. De provincie heeft in 2015 het provinciaal meerjarenprogramma monitoring vastgesteld met als belangrijk onderdeel daarin de rapportagecyclus. Op basis van dit meerjarenprogramma wordt jaarlijks de monitoring voor zowel natuur in de natuurgebieden als natuur in de agrarische gebieden uitgevoerd. Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijvoorbeeld aantallen dieren en planten (kwaliteit). De SNL-monitoring biedt daarmee een basis om te kunnen toetsen op prestatieafspraken over goed beheer. Voor de monitoring van het (agrarisch) natuurbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen. Natuurbeheer Voor alle percelen waarvoor SNL-beheersubsidie wordt aangevraagd, dient ook SNL-monitoring te worden uitgevoerd. Voor deze monitoring is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000, die te vinden is op de website van BIJ12 (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op de website van BIJ12 zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden. Gecertificeerde beheerders kunnen een subsidie krijgen voor hun deel van de monitoring, gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Ze kunnen er echter voor kiezen om deze subsidie niet aan te vragen, waardoor de provincie zelf zorgt voor de monitoring. Bij niet-gecertificeerde beheerders zorgt de provincie altijd voor de monitoring. Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen (op provinciaal, landelijk en Europees niveau) te evalueren). De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring. Water De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) via welke lijn de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters worden gemonitord. Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden. Klimaat Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld. 4.Natuur- en Landschapsdoelen Dit Natuurbeheerplan geeft invulling aan het in hoofstuk 2 beschreven natuur- en landschapsbeleid van de Europese Unie, het Rijk, de provincie en waterschappen. In dit hoofdstuk worden de beleidsdoelen en criteria beschreven ten aanzien van onze natuur, landschaps- en waterdoelen. Hieraan zullen de subsidieaanvragen van natuurbeheerders en de gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven worden getoetst. 4.1Integrale gebiedsbeschrijving en visie op behoud en ontwikkeling In de omgevingsvisie van provincie Gelderland is de integrale visie op de toekomst en inrichting van Gelderland te vinden. De omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de omgevingsvisie te realiseren. Net als de omgevingsvisie richt de omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de omgevingsverordening zijn per deelgebied de kernkwaliteiten van het GNN en het GO verwoord. Deze beschrijving geeft onze integrale visie op het behoud en ontwikkeling van de verschillende deelgebieden weer. Op dit moment loopt het traject om de omgevingsvisie te vernieuwen. Naar verwachting wordt het traject in de loop van 2026 afgerond. Meer informatie over de omgevingsvisie en omgevingsverordening is te vinden op de website van provincie Gelderland. 4.2Beleidsdoelen en criteria natuur- en landschapsbeheer De ambitiekaart is tot stand gekomen op basis van het beschikbare budget voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In paragraaf 3.2 staat een toelichting op de interpretatie en werkwijze van de beheertypenkaart en de ambitiekaart. De ambitiekaart voor het GNN is aangepast om een tweetal opgaven uit het Natuurpact te kunnen realiseren. De volgende opgaven zijn door Provinciale Staten vastgesteld (PS2012-401) bij de beleidsuitwerking Natuur en Landschap (PS2012-401, juni 2012): 5.300 hectare nieuwe natuur in het GNN te realiseren; natuur te verbeteren en te herstellen waar het gaat om internationale doelen, en een goed beheer mogelijk maken. 5.200 hectare reeds bestaande natuur met een ontwikkelopgave voor het verbeteren van de terreincondities ten behoeve van de realisatie van internationale doelen. De provincie is niet volledig verantwoordelijk voor het uitvoeren van de hierboven genoemde opgaven. 1.027 hectare van de nieuw te realiseren natuur, en 1.059 hectare van de ontwikkelopgave van reeds bestaande natuur valt onder het programma Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG). Dit programma wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer. De afspraken uit het Natuurpact dienen uiterlijk in 2026 voltooid te zijn. Om deze doelstelling te behalen moet er d.d. 1 juli 2025 nog circa 135 hectare natuur worden gerealiseerd op te verwerven grond, en nog 1420 hectare worden ingericht als natuur. De gebieden waar dit gaat plaatsvinden liggen al vast in de planning, en naar verwachting gaat het lukken om de in het Natuurpact gemaakte afspraken na te komen. In het Natuurbeheerplan 2014 zijn een aantal keuzen gemaakt voor het toepassen van de begrenzing voor de beheertypen op de beheertypenkaart. Het Natuurbeheerplan bouwt voort op deze keuzen. In bijlage 4 worden deze keuzen toegelicht. Rood met beheer De ‘Rood met beheer’-gebieden zijn als zoekgebied aangegeven in bijlage 3f van dit Natuurbeheerplan: Rood met beheer en ecologische verbindingszones. Er zijn twee mogelijkheden om in gebieden ‘rood met beheer’ voor een vergoeding voor beheer in aanmerking te komen. In deze gebieden wordt natuur gerealiseerd zonder provinciale middelen. Te denken valt aan rood voor groen, aankoop en inrichting van natuur via een ander spoor of beëindiging van pacht op terreinen van terrein beherende organisaties. Na aanleg van deze natuur kan een verzoek worden gedaan bij de provinciale overheid om deze gebieden op te nemen in het Natuurbeheerplan en open te stellen voor beheervergoeding. De provincie zal dan het terrein na toetsing opnemen in het eerstvolgende Natuurbeheerplan. De gebieden die op de kaart staan aangegeven als ‘rood met beheer’ maken onderdeel uit van een van de nieuwe leefgebieden voor ANLb. Dat betekent dat in deze gebieden maatregelen kunnen worden getroffen op landbouwgrond die: Bijdragen aan broed- foerageer-, migratie- of overwinteringsmogelijkheden voor soorten die genoemd worden in het internationale doelenkader; Bijdragen aan de bescherming door ruimtecreatie van bestaande natuurgebieden; Bijdragen aan de verbinding tussen natuurgebieden; Bijdragen aan beheermaatregelen voor ANLb; Bijdragen aan beleidsdoelen en criteria zoals opgenomen in 4.3. Ecologische verbindingszones In het Natuurbeheerplan 2014 is aangegeven dat de realisatie van ecologische verbindingszones (EVZ'
- s)belangrijk is. Door de herijking van natuurbeheer zijn de oorspronkelijke robuuste verbindingszones in de omgevingsverordening verkleind en teruggebracht tot “gewone” EVZ’s. Daarnaast wordt er buiten Natura 2000-gebieden meer ingezet op groenblauwe dooradering om gebieden te verbinden, waar minder eisen aan vastzitten. De EVZ’s worden gezien als verbindingen tussen natuurgebieden waar zowel natuur als landbouw een plaats kan hebben. De intentie is dat deze zones vooral met ander middelen dan provinciale middelen worden gerealiseerd. Gemeenten en waterschappen worden gevraagd dit op te pakken. Gemeenten worden gevraagd om in het kader van het gemeentelijk natuur- en landschapsbeleid te zorgen voor de benodigde landschapselementen in deze verbindingen. De kaart van EVZ als bijlage 3f van dit Natuurbeheerplan. Aan iedere EVZ zijn één of meer modellen gekoppeld, die aangeven voor welke organismen de verbinding bedoeld is en welke inrichting daarvoor nodig is. De modellen zijn terug te vinden op de kaart met kernkwaliteiten van GNN en GO. Groenblauwe dooradering In het landelijke gebied is er volop aandacht voor dooradering en verbinding van gebieden, de zogenaamde groenblauwe dooradering. Het gaat hier om de realisatie van een raamwerk van landschapselementen die ook langs waterlopen en bermen in het landelijk gebied kan lopen en die aansluit op groenstructuren in de stad. Een uitgebreide en kwalitatief goede groenblauwe dooradering in Gelderland is cruciaal om de gestelde natuurdoelen te bereiken. Minimaal 10% groenblauwe dooradering draagt significant bij aan het behalen van de landelijke VHR-doelen. Daarom kiezen we bij de aanleg en herstel van landschapselementen voor locaties en landschapselementen die ecologisch de grootste meerwaarde voor onze doelsoorten hebben. We zorgen er bovendien voor dat de groenblauwe dooradering (GBDA) ondersteunend is aan de wateropgave (KRW), de klimaatopgave door vastlegging van CO2, de bosopgave, en de opgave voor stikstof en natuurinclusieve landbouw. Daarnaast zetten we met de groenblauwe dooradering in op de landschappelijke versterking en cultuurhistorische identiteit van de Gelderse gebieden, recreatie en stedelijke uitloop en leefbaarheid van het platteland. Daarnaast heeft het versterken van de GBDA tot doel: de verbetering van de biodiversiteit in het landelijk gebied én stedelijk gebied; bijdragen aan de natuur-, water- en klimaatdoelen; landschappelijke versterking en cultuurhistorische identiteit van de Gelderse gebieden; recreatie, toerisme en stedelijke uitloop en de leefbaarheid van het platteland. Met de GBDA verbinden we loofbosrelicten op oude bosgroeiplaatsen ter versterking en ontsnippering van bestaande VHR-kwaliteiten van droge bossen (H9120, H9160 & H9190) en vochtige bossen (H91E0C & H91F0). We ontwikkelen de groenblauwe dooradering in de overgangsgebieden rondom kwetsbare natuur en rondom (nieuwe) bebouwingskernen. Met veel ruimte voor recreatief medegebruik (als onderdeel van de verstedelijkingsstrategie), om een aantrekkelijk uitloopgebied te ontwikkelen en daarmee de recreatiedruk in onze kwetsbare natuur te verminderen. De ambitie van Gelderland om toe te werken naar 10% groenblauwe dooradering is overgenomen uit het Aanvalsplan Landschap van september 2022. Daarom kiest Gelderland ervoor om voor GBDA de definitie van het Aanvalsplan Landschap te hanteren: Groenblauwe Dooradering (GBDA) beoogt een fijnmazig netwerk van houtige, kruidenrijke en blauwe landschapselementen in het landelijk gebied van Nederland. Zo kunnen dieren van de ene natuurlijke omgeving naar de andere gaan. Ook plantensoorten houden beter stand en verspreiden beter als hun groeiplaatsen via groenblauwe dooradering verbonden zijn met andere geschikte groeiplaatsen. De GBDA is niet alleen een essentieel onderdeel voor de vitaliteit van de Nederlandse natuur, maar draagt ook rechtstreeks bij aan de weerbaarheid van de landbouw en daarmee onze voedselzekerheid. Het netwerk van de GBDA draagt ook bij aan de recreatiebehoefte, met name “kleine wandelingen”. Dit ontlast niet alleen de recreatiedruk in bestaande natuurgebieden maar draagt ook bij aan het welzijn van bewoners in nabijgelegen dorpen. Het beleid, de doelstellingen en de monitoring van groenblauwe dooradering worden nog verder uitgewerkt en zoekgebieden voor GBDA op de ambitiekaart gezet. Hierop wordt in een volgende versie van het NBP teruggekomen. 4.3Beleidsdoelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer In 2016 is er een nieuw subsidiestelsel ingevoerd voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb2016). De kern van dit subsidiestelsel is dat er meer focus en samenwerking komt in het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dit moet leiden tot meer effectiviteit en efficiëntie. Meer effectiviteit door intensiever in te zetten in gebieden die kansrijk zijn voor de doelsoorten. Meer efficiëntie door collectief beheer. Het is alleen mogelijk om subsidie voor agrarisch natuurbeheer aan te vragen via een gecertificeerd agrarisch collectief (contactgegevens zijn te vinden in paragraaf 5.2). Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer streven wij naar het behoud van een aantal soorten die van internationaal belang zijn. Naast de bekende soorten streven wij ook naar het behoud van soorten die tot nu toe weinig aandacht hebben gehad. De agrarische natuurtypen of leefgebieden zijn gebieden die bijdragen aan de instandhouding en/of verbetering van een aantal soorten of soortengroepen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR), aangevuld met provinciale soorten en/of bijdragen aan de versterking van het GNN, de kwaliteit van het landschap en de synergie met de doelen van de KRW. Het gaat om soorten die afhankelijk zijn van of in grote mate baat hebben bij ANLb. Evaluatie van de eerste beheerperiode heeft uitgewezen dat er veel winst is geboekt door inzet van agrarische collectieven op effectiviteit en efficiëntie Evaluatie ANLb - WUR. De effectiviteit is vooral toegenomen door de inzet van ecologische en gebiedskennis van het collectief bij het beoordelen van de beheerafspraken met grondgebruikers. De efficiëntie is vooral toegenomen door de inzet van een professionele organisatie zijnde het collectief. Zij hebben goed werkende administratieve systemen waarin de contracten worden verwerkt en hebben direct contact met de deelnemers. Om de gewenste ecologische effectiviteit te bereiken zijn in 2015, bij het bepalen van de grenzen en het opstellen van criteria voor de agrarische leefgebieden keuzes gemaakt. Hiervoor heeft een intensief gebiedsproces plaatsgevonden met de gebiedspartners en de agrarische collectieven. Hierbij is gebruik gemaakt van: het Rijksdoelenkader. Daarin staan de afspraken verwoord die tussen Rijk en provincies zijn gemaakt over het realiseren van de internationale natuurdoelen en het behouden en verbeteren van de biodiversiteit door middel van agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLB); de soortenlijst uit bijlage 1 van dit Natuurbeheerplan, wat in feite de Gelderse vertaling van het Rijksdoelenkader is; het onderzoek dat Soorten.nl in 2014-2015 heeft gedaan in opdracht van provincie Gelderland naar leefgebieden en maatregelen voor soorten buiten het GNN; het overzicht van de lopende contracten voor ANLb en discussie met experts. Voor de huidige beheerperiode (2023 tot en met 2028) is in overleg met de Gelderse collectieven besloten het volledige werkgebied (met uitzondering van de begrenzing van de natuurtypen) als leefgebied te begrenzen. De collectieven hebben beheerstrategieën opgesteld, deze zijn leidend voor het contracteren van beheer met grondgebruikers. Dit is niet van toepassing op de categorie water en klimaat. In 2024 heeft de regering in het hoofdlijnenakkoord aangekondigd 500 miljoen euro per jaar structureel beschikbaar te willen stellen voor uitbreiding van Agrarisch Natuurbeheer. Een substantieel deel van deze middelen zullen worden ingezet voor uitbreiding van het subsidie instrument ANLb. Bij de voorjaarsnota in 2025 is een startpakket geformuleerd om al in 2026 te beginnen met de groei van het ANLb en dat de jaren daarna voort te zetten. De provincies, waaronder Gelderland, zullen hiervoor middelen beschikbaar krijgen om daarmee de uitbreiding stapsgewijs vorm te geven. De geplande uitbreiding in 2026 zal plaatsvinden op basis van het bestaande beleid en in de bestaande leefgebieden, zoals hieronder geformuleerd. Op dit moment wordt de uitbreiding nog uitgewerkt door het rijk en andere stakeholders, de omvang van de uitbreiding is daarom nog niet bekend. Het Natuurbeheerplan 2027 zal naar verwachting dus een forse actualisatieslag rondom dit onderwerp bevatten. Voor Gelderland maken we onderscheid in de volgende leefgebieden: Open Grasland Dit zijn gebieden waar het beheer wordt gericht op: Kritische weidevogels (zoals watersnip, grutto en tureluur). Deze gebieden bestaan uit open landschappen met overwegend grasland, waarvan een relevant deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat. Vaak is dit leefgebied doorsneden met een fijnmazig netwerk van sloten. Dooradering In deze gebieden richten wij ons op doelsoorten in een mozaïek van opgaande begroeiing, struwelen, randen, ruigten en kruidenrijke graslanden (zoals kerkuil, steenuil, grote lijster, laatvlieger) en op doelsoorten in een mozaïek van struwelen, kruidenrijke akkers, ruigten en randen (zoals de kievit, patrijs, kneu, akkeronkruiden). Daarnaast op doelsoorten in natte lijnvormige elementen (sloot, beek), zoals de modderkruiper, beekprik, bittervoorn, tureluur en slobeend en naar gebieden waar het beheer zich richt op doelsoorten in poelen, zoals de boomkikker, knoflookpad, poelkikker en kamsalamander. Ook het beheer van soorten in drogere graslanden, zoals koekoek, grauwe gors, zandbijen en incidenteel kwartelkoning vallen onder leefgebied dooradering. Dit zijn vaak hogere delen van de uiterwaarden met potenties voor glanshaverhooilanden en op oeverwallen stroomdalgraslanden. De leefgebieden waarvoor ANLb kan worden ingezet zijn weergegeven op de kaart leefgebieden voor ANLb in bijlage 2 van het Natuurbeheerplan. Op de kaart zijn de gebieden ruim begrensd. Collectieven stellen een beheerstrategie op met daarin de voorwaarden voor het sluiten van beheercontracten. Bij het opstellen van de beheerstrategie is voor het open grasland aangesloten bij de minimale instapeis zoals Alterra heeft geformuleerd. Voor de dooradering is gebruik gemaakt van de soortenkaarten zoals opgesteld door Vereniging Onderzoek Flora en Fauna (VOFF) en van ervaring vanuit het lerend beheren door de collectieven. Ook is gebruik gemaakt van recente opgedane kennis over stimulerende maatregelen voor doelsoorten uit het leefgebied dooradering zoals het PARTRIDGE project | Vogelbescherming en van het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN). Verder is bij het opstellen van de beheerstrategie gebruik gemaakt van de beleid categorieën uit de omgevingsverordening te weten GO-zone, EVZ’s. In de beheerstrategie moet het doel van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer het optimaliseren van broed- en opgroeimogelijkheden, voortplantingsmogelijkheden en het creëren van voldoende foerageergebied ten behoeve van de gidssoorten uitgangspunt zijn. De gidssoorten zijn weergeven in bijlage 1. De leefgebieden voor de inzet van het ANLb zijn ruim begrensd. Dit betekent dat de agrarische collectieven in de gebiedsaanvraag moeten komen tot indikking van de gebieden op basis van hun beheerstrategie. De gebiedsaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: Algemene criteria De gebiedsaanvraag moet zijn gebaseerd op een beheerstrategie om te komen tot een hoger natuurresultaat op doelsoorten. Dit moet gebeuren door een efficiënte inzet van middelen uit het budget van het ANLb. De beheerstrategie is de onderbouwing voor de keuzes die gemaakt zijn voor de inzet van het ANLb budget. Daarbij wordt rekening gehouden met de samenhang met andere ontwikkelingen en budgetten zoals de betrokkenheid van burgers, vrijwilligers, landschapsregeling en werkzaamheden voor andere partijen. Criteria per leefgebied Open grasland (weidevogelbeheer): Agrarisch natuurbeheer is het meest effectief in die gebieden waar nog hoge dichtheden en een hoge diversiteit weidevogels voorkomen. Daarnaast is het van belang dat in deze gebieden de condities en inrichting nog geschikt zijn, of relatief eenvoudig op korte termijn geschikt gemaakt kunnen worden, voor een duurzaam voortbestaan van de weidevolgelpopulatie. Voor de bescherming van weidevogels is er ook een algemeen predatieplan aanwezig. Dit predatieplan wordt op dit moment geactualiseerd door de agrarische collectieven, in samenwerking met de provincie. In de meest kansrijke gebieden draagt het toepassen van optimaal mozaïekbeheer bij aan de realisatie van een brongebied. Dergelijke brongebieden zijn van groot belang voor het duurzaam voortbestaan van de soorten. Dit betekent dat de volgende criteria gelden. Aanwezigheid van doelsoorten: het beheer moet zijn gericht om de populatie te laten groeien. Aanwezigheid van een gebied dat gekenmerkt wordt door voldoende openheid, omvang en connectiviteit. Optimaliseren broedgelegenheid en foerageergelegenheid door: Het creëren van voldoende nat biotoop: plas-dras of voldoende hoog waterpeil tijdens het broedseizoen. Nestbescherming, maar niet meer dan 30% van de oppervlakte van de aangevraagde hectares open grasland. Rustperiode tijdens broedseizoen. Creëren van opgroeimogelijkheden en foerageergebied: Voldoende kruidenrijk kuikenland (grutto), of voor de overige soorten grasland met een pollige vegetatie als gevolg van extensieve beweiding. Dit mag niet te ver van de broedplek liggen. Dit doen door de kruidenrijkheid te vergroten, te verschralen, beweiding te reguleren, het gras niet te lang te laten worden en te vernatten. Rustperiode tijdens opgroeiperiode tot dat de vogels vliegvlug zijn. Geschikte drooglegging kuikenland (niet te droog). Synergie zoeken met de keuze voor beheermaatregelen in de zoekgebieden Categorie Water. Dooradering: Het leefgebied dooradering bestaat uit een netwerk van landschapselementen in de vorm van opgaande begroeiing, korte vegetaties zoals struwelen en ruigten bestaande uit bermen, kruidenrijke akker/graslandranden en poelen. Het beheer en de inrichting is dusdanig dat deze op netwerk- en landschapsniveau voldoet aan de eisen die doelsoorten stellen. De aanwezigheid van grasland of akkergebied met voldoende voedsel (zaden, insecten, muizen) aangrenzend aan opgaande landschapselementen (zoals houtwallen, historische hoogstamboomgaarden, bosjes, lanen en struweel) is voor veel soorten van het agrarisch landschap essentieel. Er dient dus een combinatie van aan elkaar grenzende (kleinschalige) kruiden- of insectenrijke akkers/graslanden of kruidenrijke randen, beplantingen/struwelen en opgaande beplanting aanwezig te zijn. Veel soorten hebben behoefte aan een gradiënt van hoge opgaande beplanting naar agrarisch gebruikt land met hiertussen een struweelrijke zoom- en mantelvegetatie en een kruidenrijke rand. Ook is variatie binnen een landschapselement van belang. Een waardevolle en gevarieerde bosrand wordt gekenmerkt door een goede ontwikkeling van verschillende lagen van vegetatie, de zogenaamde mantel en zoom vegetatie (bovengroei – een boomlaag – met hogere bomen, een struik- of struweellaag en ondergroei in de vorm van een kruidlaag). Ook maken poelen en plas-drassituaties (natuurvriendelijke oevers) het habitat extra aantrekkelijk. In een agrarisch cultuurlandschap met poelen en plasdrasjes is een netwerk van natte landschapselementen in de vorm van sloten, oevers, poelen, beken, en moerasjes en natte graslanden van groot belang. Het grasland grenzend aan een nat landschapselement is liefst vochtig tot nat, heeft een hoge grondwaterstand en wordt begroeid met kruidenrijk grasland en een niet te dicht gewas. Voor verschillende vogelsoorten, maar ook voor amfibieën, libellen en vissen, zijn natte situaties met plas-dras, rietstroken, natuurvriendelijke oevers (zie figuur 3) en aangrenzend kruidenrijk grasland van belang. De meeste soorten amfibieën zijn afhankelijk van de combinatie van poelen met gras- of akkerland en opgaande begroeiing. Dit betekent dat de volgende criteria gelden: Voorkomen van soorten; de beheerstrategie geeft aan op welke soorten het beheer wordt gericht. In de strategie is rekening gehouden met het voorkomen en de geschiktheid van het gebied voor de soorten waarop het beheer wordt gericht. Ook de ervaring van het collectief van de eerste beheerperiode is hierbij van belang. Een gebied van voldoende omvang en connectiviteit. Een gebied van voldoende (reeds aanwezige of te realiseren) omvang en connectiviteit van lijn- en vlakvormige landschapselementen. Gestreefd dient te worden naar een dooradering van 7% in het agrarisch gebied, zowel landschapselementen als randen en percelen met beheer. Indien het gebied minder dan 7% dooradering bevat, kan naast extra beheer ook gekeken worden naar mogelijkheden om nieuwe elementen aan te leggen. Wij denken daarbij aan ruigtestroken en struweelhagen voor bijvoorbeeld de grauwe klauwier, keverbanken en zandige plekken voor de patrijs of muizenruiters voor steenuilen. Met betrekking tot connectiviteit is de aanwezigheid van grotere (rijks)wateren (meren en rivieren) en natte natuurgebieden essentieel. Natte landschapselementen houden niet op bij de waterlijn. Ook de oeverranden, bermen, plas-draszone en natuurvriendelijke oevers zijn onderdeel van dit leefgebied en belangrijk voor de soorten. Optimaliseren van voortplantingsgelegenheden, broedgelegenheden en foerageergelegenheden door het realiseren van een mozaïek van onderhouden opgaande begroeiing, randen, struweel en ruigten met voldoende voedselbeschikbaarheid (of insecten) in nabijgelegen agrarisch perceel(randen). Speciale aandacht voor wintervoedsel door graanstoppels en andere gewassen zo lang mogelijk onbewerkt te laten, waardoor zaden een bladgroen beschikbaar blijven over wintervogels. Speciaal voor kievit: maatregelen dienen bij te dragen aan het verhogen van de kuikenoverleving. Een legselvergoeding kan alleen in combinatie met maatregel(
- en)voor kuikenoverleving. Van belang zijn geleidelijke gradiënt van nat naar droog, maar ook van hoge naar lage vegetatie. Dat zorgt voor een inrichting waarbinnen verschillende deelhabitatten voor soorten aanwezig zijn. In het algemeen geldt dat het leefgebied zodanig ingericht en verbonden met gebieden in de omgeving moet zijn dat voldoende uitwisseling mogelijk is om vitale populaties van doelsoorten te handhaven. Naast maatregelen gericht op het beheren van natte landschapselementen moet daarom ook aandacht besteed worden aan het direct aangrenzende agrarische gebied. In het weide- en akkervogelgebied moet een actieve vrijwilligersgroep aanwezig zijn die het project kan dragen. Zij zijn de oren en ogen in het veld en zij kunnen in overleg met de beheerders inspelen op de actuele situatie. Synergie zoeken met de keuzen voor beheermaatregelen in de dooradering en zoekgebieden categorie water. Synergie zoeken met initiatieven in de omgeving en met andere partijen. De laatste jaren wordt veel onderzoek gedaan naar de biotoopeisen van akkervogels. Gelderland is geen akkervogel provincie bij uitstek, maar wij hebben wel akkervogels in ons kleinschalige cultuurlandschap. Wij stimuleren collectieven en onderzoekinstanties om de achterstand in kennis over akkervogelbeheer te vergroten. Dooradering in uiterwaarden: Dooradering in uiterwaarden bestaat uit rijk gestructureerde hooilanden en ruigten in de rivieruiterwaarden gericht op behoud en ontwikkeling van de Natura 2000-gebieden en Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en gidssoorten uit bijlage 1. Het heeft de voorkeur om het beheer van de soorten te combineren met het beheer van glanshaverhooilanden en/of stroomdalgraslanden op de zandigere delen van de oeverwallen in het buitendijkse gebied. Dit betekent dat de volgende criteria gelden: Aanwezigheid van doelsoorten: het beheer moet zijn gericht om de populatie te laten groeien. Een gebied van voldoende openheid, omvang en connectiviteit. Optimaliseren broedgelegenheid voor te beschermen soorten: Voldoende kruidenrijke gras(hooi)landen om te kunnen nestelen (dekking). Rustperiode tijdens broedseizoen. Optimaliseren van foerageergelegenheid door behoud en ontwikkeling van voldoende kruidenrijk of botanisch waardevol grasland en de habitattypen glanshaverhooilanden of stroomdalgraslanden. Leefgebieden en gewenst beheer Het doel van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in de verschillende leefgebieden is gericht op het optimaliseren van voldoende broed- en opgroeimogelijkheden, voortplantingsmogelijkheden en het creëren van voldoende foerageergebied voor de gidssoorten zoals benoemd in bijlage 1. Figuur 3: dwarsdoorsnede natuurvriendelijke oever, randen, zomen, struweel en opgaande beplanting volgens de Catalogus Groenblauwe Diensten. 4.4Beleidsdoelen en criteria water en klimaat In overleg met de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland, Vallei en Veluwe en de agrarische collectieven is overeengekomen dat met het agrarisch waterbeheer in dit Natuurbeheerplan een bijdrage wordt geleverd aan: Het verbeteren van de waterkwaliteit in de watergangen met een doelstelling voor KRW en natuurwateren ((voorheen aangeduid als HEN- (Hoge Ecologische Natuurwaarden) en SED- (Specifiek Ecologische Doelstelling) wateren)); Het verhogen van het waterbergend vermogen van de KRW, natuurwateren en aanliggende agrarische gronden. Gebieden met specifieke waterkwaliteits- of -kwantiteitsopgaven. Voor de klimaat maatregelen wordt vooral ingezet op het verhogen de organische stof (vastleggen CO2) op landbouwgronden. 4.4.1Water Voor de categorie Water onderscheidt de provincie vier deelgebieden. Dit heeft te maken met het werkingsgebied van de waterschappen in Gelderland. De deelgebieden zijn: de Veluwe, de Achterhoek, Rivierenland1 en Rivierenland2. Deze zijn op de kaart met deelgebieden extra begrensd. De gebieden waar agrarisch waterbeheer kan worden ingezet, zijn weergegeven op de kaart categorie Water in bijlage 2b van dit Natuurbeheerplan. Op deze kaart zijn de gebieden ruim begrensd. Basis zijn de KRW en natuurwateren. Daar omheen is een zone gelegd van 100 tot 500 meter. Daarnaast zijn de aandachtsgebieden van de waterschappen op de kaart gezet. Er is veel overlap met de leefgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Met het sluiten van beheercontracten voor water/klimaat wordt een bijdrage geleverd aan onderdelen uit de Catalogus Groen Blauwe Diensten (CGBD): Toekomstbestendige, duurzame waterlopen (VI.2): het vergroten van het waterbergend vermogen om neerslagextremen op te vangen (robuust systeem), het verbeteren van de waterkwaliteit en het versterken van het natuurlijk karakter. Duurzaam bodembeheer (VI.5): het vergroten van het bufferend vermogen van de bodem door het vergroten van het organisch stofgehalte in de bodem, het verbeteren van de bodemstructuur met een vitaal bodemleven dat mede bijdraagt aan een gezond biotoop voor soorten. Beheerfunctie Dit vertaalt zich naar de volgende beheerfuncties uit de CGBD: Zone: bestaande uit een onbemeste chemievrije kruidenrijke zone die niet (beperkt) wordt beweid, periodiek wordt gemaaid en maaisel wordt afgevoerd. Verbeteren waterkwaliteit door periodiek te maaien, maaisel af te voeren, onderhoud gericht op specifieke flora/fauna en eventuele herstelwerkzaamheden van natuurvriendelijke oevers van sloot/beek/watergang (bufferzone). Vasthouden van water door in te zetten op duurzaam bodembeheer. Alle maatregelen die gericht zijn op het vasthouden van water en het verbeteren van de waterkwaliteit door het in kringloop houden van organische stof en mineralen. Hieronder vallen maatregelen als het verwerken en toepassen van (sloot)maaisel in de bodem (op bouwland). Dit maaisel komt van het eigen bedrijf of wordt vanuit het omliggende gebied aangevoerd. Criteria Het zoekgebied voor de inzet van agrarisch waterbeheer is ruim begrensd. Dit betekent dat de agrarische collectieven in de gebiedsaanvraag moeten komen tot indikking van de gebieden. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met de waterschappen. Met het Waterschap Rijn en IJssel is afgesproken dat het hele werkgebied opengesteld wordt voor de watermaatregelen. Hieronder zijn criteria aangegeven op basis waarvan het collectief haar gebiedsaanvraag verder moet uitwerken. Voldoende omvang en connectiviteit: de effectiviteit van de middelen is groter indien gekozen wordt voor meer focus en bundeling van blauwe diensten. Dit kan door: Bestaand agrarisch waterbeheer dat op de goede plek ligt te versterken. Synergie te zoeken met de keuze voor beheermaatregelen in de leefgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Prioritaire gebieden die de verschillende waterschappen hebben aangegeven: dit houdt in dat bij het zoeken naar mogelijkheden voor de inzet van agrarisch waterbeheer, de volgende prioriteiten worden meegegeven: Zones zoveel mogelijk direct langs de KRW of natuurwateren realiseren of langs watergangen die direct uitkomen op de KRW of natuurwateren. Beheer van (natuurvriendelijke) oevers. Duurzaam bodembeheer, afvoeren van maaisel langs de watergang en dat verwerken op landbouwgronden in de omgeving. Duurzaam slootbeheer in de B en C watergangen waarbij speciale aandacht wordt gegeven aan doelsoorten zoals grote modderkruiper en bittervoorn. Het Waterschap Rijn en IJssel wil voor de watermaatregelen de nadruk leggen op de volgende punten: Prioritering inzet agrarisch waterbeheer met name langs de perceelranden van bouwland, en met name in de genoemde gebieden met een belangrijke functie, zoals grondwaterbeschermingsgebieden en drinkwaterwingebieden, en alleen maar langs waterlopen zonder de vanuit het 7e NAP (Nieuw Amsterdams Peil) geregelde bufferstrook van 5 meter. 4.4.2Klimaat Vanuit het Nationaal Strategisch Plan zijn middelen beschikbaar gesteld voor klimaatmitigatie-, klimaatadaptatie- en watermaatregelen. Deze klimaatmaatregelen maken net als de bovenbeschreven watermaatregelen onderdeel uit van dit Natuurbeheerplan. Voor klimaatmitigatie zijn de volgende beheerfuncties in te zetten: Verhoging gehalte organische stof op landbouwgrond (VI.6 uit CGBD). Versterking van CO2-vastlegging met behulp van aangepaste teelttechniek of aangepaste gewaskeuzes (hiervoor zijn nog geen concrete beheerpakketten geformuleerd). Voor klimaatadaptatie: Het voorkomen van droogte door meer water vast te houden en te laten infiltreren. Het verhogen van het organische stofgehalte draagt bij aan sponswerking/watervasthoudend vermogen van de bodem (VI.2 uit CGBD). Inundaties, het gericht opvangen op de daarvoor minst kwetsbare agrarische percelen (VI.1 uit CGBD). Voor een aantal beheerfuncties zijn nog geen beheerpakketten ontwikkeld, inzet daarvan zal in een volgend Natuurbeheerplan plaatsvinden. De provincie draagt via het ANLb bij aan de doelen uit het Klimaatakkoord en de Nationale klimaatadaptatiestrategie. De gebieden waar de klimaatmaatregelen kunnen worden ingezet zijn weergegeven op de kaart 2c categorie Klimaat van dit Natuurbeheerplan. Op deze kaart zijn de gebieden ruim begrensd. De klimaatpakketten worden voorlopig ingezet in de deelgebieden categorie Water en in de grondwaterbeschermingsgebieden. Waterschap Rijn en IJssel heeft aangegeven de klimaatmitigatie toe te willen passen in de grondwaterbeschermingsgebieden en in een buffer van 100 meter rondom deze gebieden. Mogelijk komen er in de toekomst aanvullende gebieden waar klimaatadaptie-maatregelen een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van klimaatopgaven. De focus ligt nu vooral op klimaatmaatregelen gericht op het verhogen van koolstofgehaltes in de bodem. Dat draagt bij aan mitigatie van klimaatprobleem en ook aan kwantiteits- en kwaliteitsdoelen voor het grond- en oppervlaktewater. De basis voor de oppervlaktewater kwantiteits- en kwaliteitsdoelen zijn de KRW en natuurwateren. In de omgeving van deze wateren is naast het klimaatdoel CO2-vastlegging ook vermindering van uitspoeling van belang. Waterberging (vasthouden van water) wordt vergroot door het organische stofgehalte van de bodem te verhogen. Vergelijkbare doelen liggen in de aandachtsgebieden met specifieke waterkwaliteits- of -kwantiteitsopgaven van de waterschappen en in de grondwaterbeschermingsgebieden waar grondwaterkwaliteit en verdroging (water vasthouden) voor uitdagingen zorgt. Met de inzet van de klimaatmaatregelen voor CO2-vastlegging is sprake van synergie tussen water- en klimaatmaatregelen. Daarnaast is er veel overlap met de leefgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer waar ook synergie optreden. Beleidsdoelen klimaat Een gezonde bodem is een belangrijke voorwaarde voor een goede landbouwproductie en een goed werkend ecosysteem met een rijke natuur. Een gezonde toplaag is eveneens van belang voor het realiseren van de doelen in relatie tot klimaatverandering (regulering). Zowel wat betreft de ruimtelijke inrichting: bodem en ondergrond bieden ruimte voor waterberging. Maar ook wat betreft de kwaliteit van de bodem: een gezonde bodem kan zowel water als mineralen beter vasthouden. Voor dit laatste doel is er een samenhang met de doelen Water. Een gezonde bodem is een belangrijk fundament onder het verhogen van de biodiversiteit die wordt nagestreefd. Daarmee een onmisbaar element voor natuurinclusieve en kringlooplandbouw. Door het koolstofgehalte van landbouwbodems te verhogen wordt de bodem gezonder, meer koolstof in de bodem legt meer CO2 vast, hetgeen een klimaatdoel is. Vandaar dat wordt ingezet om het klimaatgeld in te zetten voor het verhogen van koolstof in de bodem. Criteria klimaat Voor klimaatadaptatie wordt ingezet op bodemmaatregelen gericht op het toepassen van ruige mest op grasland en bouwland en het toepassen van gewasresten op bouwland. Deze maatregelen zijn gericht op CO2-vastlegging in de bouwvoor met als nevenopbrengst het vasthouden van water en het verbeteren van de bodem- en waterkwaliteit door het in kringloop houden van organische stof en mineralen. Waterschap Rijn en IJssel heeft aangegeven deze pakketten vanaf 2024 in te vullen in de gebieden waar het klimaatadaptatie-opgaven heeft. 4.5Beoordelingscriteria gebiedsaanvragen De in deze paragraaf geschetste criteria worden door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gebruikt om de gebiedsaanvraag te toetsen. In een gebiedsaanvraag kunnen meerdere deelgebieden worden opgenomen. De gebiedsaanvragen zullen worden getoetst op: De kaarten zoals opgenomen in bijlage 2, de Leefgebiedenkaart agrarisch natuur- en landschapsbeheer en de kaart categorie Water en de categorie Klimaat zijn de kaarten op basis waarvan de gebiedsaanvraag wordt getoetst. De grenzen van de deelgebieden zijn ook op een kaart aangegeven. De criteria zoals opgenomen in onderstaande tabel gelden als basis voor de toetsing van de gebiedsaanvraag. Deelgebied Leefgebied Beheerfunctie Moet Optioneel Veluwe Open grasland Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) X Creëren nat biotoop; (F01.15) X Dooradering Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) X Verschralen (F01.14) X Water Verbeteren chemische waterkwaliteit (F02.15) X Verbeteren ecologische waterkwaliteit (F02.16) X Water vasthouden (F02.14) X Klimaat Vastleggen CO2 (F03.11) X Vernatten (F03.13) X Opvangen waterpieken en droogte (F03.14) X Achterhoek Open grasland Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) X Creëren nat biotoop; (F01.15) X Dooradering Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) X Verschralen (F01.14) X Water Verbeteren chemische waterkwaliteit (F02.15) X Verbeteren ecologische waterkwaliteit (F02.16) X Water vasthouden (F02.14) X Klimaat Vastleggen CO2 (F03.11) X Vernatten (F03.13) X Opvangen waterpieken en droogte (F03.14) X Rivierenland Open grasland Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) X Creëren nat biotoop; (F01.15) X Dooradering Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) X Verschralen (F01.14) X Klimaat Vastleggen CO2 (F03.11) X Vernatten (F03.13) X Opvangen waterpieken en droogte (F03.14) X Rivierenland1 Water Verbeteren chemische waterkwaliteit (F02.15) X Water vasthouden (F02.14) X Verbeteren ecologische waterkwaliteit (F02.16) X Rivierenland2 Water Verbeteren chemische waterkwaliteit (F02.15) X Verbeteren ecologische waterkwaliteit (F02.16) X Water vasthouden (F02.14) X 4.6Aanleg nieuw bos - Functieverandering en inrichting voor de realisatie van het GNN op grond van de Regels Subsidieverlening Gelderland (RSG) Bij de aanleg van nieuw bos binnen het kader van de SKNL gelden de volgende voorschriften, gebaseerd op punt 504 van de Staatssteunrichtsnoeren voor de Landbouw- en Bosbouwsector:
- a)Selectie van soorten, arealen en methoden Bij de aanleg van nieuw bos moet worden voorkomen: een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veengebieden en wetlands; negatieve effecten op gebieden met een hoge ecologische waarde, waaronder landbouwgebieden gericht op hoge natuurwaarden. In Natura 2000-gebieden is bebossing alleen toegestaan indien deze volledig in overeenstemming is met de beheerdoelstellingen van het gebied en hierover overeenstemming is bereikt met de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van Natura 2000. Bebossing in gebieden met ecologische waarden wordt zorgvuldig afgewogen om negatieve milieueffecten te voorkomen.
- b)Weerbaarheid, soortenkeuze en bosbeheer Bij de keuze van boomsoorten, rassen, ecotypen en herkomst wordt rekening gehouden met: De weerbaarheid tegen klimaatverandering en natuurrampen. De bodem- en hydrologische gesteldheid van het betrokken gebied. Het voorkomen van het gebruik van potentieel invasieve soorten. Begunstigden zijn verplicht het nieuw aangelegde bos gedurende de periode waarin premies voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud worden verstrekt, te beschermen en beheren. Deze zorg omvat: Verzorging, uitdunning of beweiding voor de toekomstige ontwikkeling van het bos. Regulering van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig materiaal. Voor snelgroeiende soorten geldt een minimumperiode van 8 jaar en een maximumperiode van 20 jaar voordat deze soorten mogen worden gekapt.
- c)Alternatieven bij moeilijke omstandigheden Wanneer vanwege ongunstige bodem-, klimatologische of milieuomstandigheden (inclusief aantasting van het milieu) geen bosbedekking volgens de nationale wetgeving kan worden gerealiseerd, mag alternatieve houtige vegetatie worden aangeplant, zoals struiken of heesters die geschikt zijn voor de lokale omstandigheden. Deze alternatieve vegetatie wordt beheerd en beschermd op een vergelijkbaar niveau als voor bossen geldt. 5.Subsidiemogelijkheden De doelen uit het Natuurbeheerplan zullen via uitvoerend beheer door natuurbeheerders (natuurorganisaties, natuurcollectieven, particuliere natuurbeheerders, agrarische collectieven) worden gerealiseerd. Beheerders kunnen hun onderbouwde voorstellen voor mutaties kenbaar maken op de aangegeven natuurtypen, beheertypen, leefgebieden agrarisch natuur- en landschapsbeheer, waterdoelen en klimaatdoelen en bijbehorende criteria. Bij het beheren en uitvoeren van beheeractiviteiten zijn er verschillende subsidiemogelijkheden. Het agrarisch natuurbeleid en het ecologisch waterbeheer gekoppeld aan het ANLb2016 worden deels gefinancierd door de Europese Unie. Daarmee moet de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer, inclusief natuur gerelateerde waterdoelen voldoen aan het POP3+ fiche. 5.1Natuurbeheerplan 2026 en inspraakprocedure 2026 Vaststelling Natuurbeheerplan 2026 Het ontwerp-Natuurbeheerplan 2026 is, in mandaat, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 april 2025. Op de procedure van totstandkoming is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpplan heeft 6 weken ter inzage gelegen en belanghebbenden hebben zienswijzen kunnen indienen op het ontwerp. Gedeputeerde Staten betrekken deze zienswijzen bij het besluit tot vaststelling. De beantwoording van de zienswijzen vindt plaats via een reactienota die door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld en digitaal aan de insprekers wordt verstrekt en beschikbaar is op de website van de provincie. Meer informatie Meer informatie over het (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer vindt u op: https://www.gelderland.nl/natuurbeheerplan Informatie over het subsidiestelsel Natuur en Landschap en is te vinden op: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap, dit portaal is de verzamelplaats van alle (beleid)informatie over Natuur en Landschap in Nederland. www.boerennatuur.nl, dit is de website van de koepel van de agrarische collectieven. Deze site vormt het informatiekanaal voor de agrarisch collectieven. 5.2Subsidies voor natuur en landschap (Proces) In het SNL is subsidie mogelijk voor natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer, landschapsbeheer en water- en klimaatdoelen. Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen subsidie aanvragen voor een beheertype met een looptijd van zes jaar. Dit wordt ook wel een subsidieperiode genoemd. De subsidie kan aangevraagd worden op basis van het laatst vastgestelde Natuurbeheerplan. De openstellingsperiode voor het aanvragen van beheersubsidie loopt van 15 november tot en met 31 december, voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer in de maanden oktober en november 2025. In het openstellingsbesluit geeft de provincie aan of er specifieke voorwaarden verbonden worden aan de subsidieaanvraag. Dan wordt ook aangegeven hoe het subsidieproces er exact uit ziet. 5.3Natuur- en landschapsbeheer Beheersubsidie is een vergoeding voor het beheer van een beheertype. Een beheertype beschrijft aan welke terreinkenmerken het terrein moet voldoen. Beheertypen mogen elkaar niet overlappen. Op een oppervlakte kan subsidie voor één natuurbeheertype worden aangevraagd. Bij de subsidie voor natuurbeheer moet de beheerder zijn terrein openstellen. Het natuurterrein is opengesteld als het minimaal 358 dagen per jaar gratis fysiek bereikbaar en toegankelijk is. Hierop zijn uitzonderingen van toepassing, zoals genoemd in bijlage 4.1 van dit Natuurbeheerplan onder “beheervergoeding en openstelling”. Sinds 2017 kunnen beheerders beneden de 150 hectare alleen nog via een collectief subsidie krijgen voor natuur- en landschapsbeheer. Een collectief is een (coöperatieve) vereniging/ een samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) samenstelling die bestaat uit particuliere natuurbeheerders en andere beheerders met eigendomsrecht. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie. Beheerders met een beheeroppervlakte boven de ondergrens kunnen deelnemen aan een collectief maar kunnen ook nog individueel subsidie aanvragen. Daarnaast moeten beheerders gecertificeerd zijn om in aanmerking te komen voor subsidie. Dit kan door individueel een certificaat aan te vragen of door een aanvraag te doen via een gecertificeerd collectief. In Gelderland zijn 3 natuurcollectieven actief, te weten: Bosgroep Midden Nederland (bezit groepscertificaat) E-mail: j.vanderhorst@bosgroepen.nl www.bosgroepen.nl Natuurcollectief Gelderland E-mail: info@Natuurcollectiefgelderland.nl www.natuurcollectieven.nl/natuurcollectief-gelderland Natuurcollectief VALA E-mail: info@natuurcollectiefvala.nl www.natuurcollectieven.nl/natuurcollectief-vala Op https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/ is meer informatie over certificering te vinden. Ook worden daar de laatste ontwikkelingen weergegeven 5.4Agrarisch natuur- en landschapsbeheer en blauwe diensten Alleen agrarische collectieven kunnen subsidie krijgen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Een agrarisch collectief is een gecertificeerde (coöperatieve) vereniging of een samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) begrensd gebied, die bestaat uit agrariërs en andere beheerders met gebruiksrecht van landbouwgrond in een gebied. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie. Voor het verkrijgen van subsidie is een samenhangende gebiedsaanvraag vereist. Dit is een in nauwe afstemming met gebiedspartners tot stand gekomen, samenhangend ecologisch effectief en economisch efficiënt plan van een agrarisch collectief voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer in een bepaald gebied. Het aanvragen van subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer door een individuele agrariër is dus niet mogelijk. Per gebied wordt er maar 1 aanvraag gehonoreerd. De eisen die gesteld worden aan de gebiedsaanvraag staan in de subsidieverordening. Meer informatie Meer informatie over het (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer vindt u op: www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/ Dit portaal is de verzamelplaats van alle (beleids)informatie over Natuur en Landschap in Nederland. Gedeputeerde Staten van GelderlandDaniël WigboldusCommissaris van de KoningJohan OsingaSecretaris1.Soorten Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Tabel: Lijst met soorten op basis van onderzoek soorten.nl Brv=broedvogel, nbrv is niet broedvogel. Open Grasland Dooradering Dooradering, vervolg Grutto (brv) Kievit (brv) Kamsalamander Watersnip (brv) Watersnip (brv) Boomkikker Tureluur (brv) Slobeend (brv) Knoflookpad Zomertaling (brv) Tureluur (brv) Rugstreeppad Gele kwikstaart (brv) Wulp (brv) Heikikker Graspieper (brv) Koekoek (brv) Poelkikker Scholekster (brv) Kerkuil (brv) Grote modderkruiper Kievit (brv) Ortolaan (brv) Bittervoorn Slobeend (brv) Patrijs (brv) Beekprik Kemphaan (brv) Ringmus (brv) Kleverige poelslak Veldleeuwerik (brv) Roek (brv, nbrv) Argusvlinder Wulp (brv) Steenuil (brv) Bosbeekjuffer Torenvalk (brv) Torenvalk (brv) Knautiabij Zwarte Stern (brv) Zomertortel (brv) Roodrandzandbij Roek (brv, nbrv) Geelgors (brv, nbrv) Vliegend hert Kleine zwaan (nbrv) Kwartelkoning (brv) Hermelijn Goudplevier (nbrv) Grauwe Gors (nbrv) Bunzing Grauwe klauwier (brv) Rosse vleermuis Kneu (brv) Laatvlieger Spotvogel (brv) Groot spiegelklokje Braamsluiper (brv) Akkerogentroost Ransuil (brv) Schijnwolfsmelkwespvlinder Houtduif (brv, nbrv) Waterlepeltje Grote Lijster (brv, nbrv) Karwij Blauwe Kiekendief (nbrv) Keep (nbrv) 2.Kaarten 2a. Leefgebiedenkaart agrarisch natuur- en landschapsbeheer [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 2b. Kaart categorie water [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 2c. Kaart categorie klimaat [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 2d. Kaart deelgebieden Agrarische Collectieven Deze kaarten zijn beschikbaar via de website van provincie Gelderland https://atlas.gelderland.nl/natuurbeheerplan Kaart 2d. vindt u op de volgende pagina. 2d. Kaart deelgebieden Agrarische Collectieven 3.Kaarten natuur en landschap 3a. Beheerkaart [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 3b. Ambitiekaart [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 3c. Subsidiekaart [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 3d. Investeringskaart [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 3e. Kaart “bijdrage traditioneel gehoede schaapskudde” [Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.] 3f. Rood met beheer en ecologische verbindingszones De kaarten van het Natuurbeheerplan 2026 zoals genoemd onder a, b, c, d en e zijn beschikbaar via de website van provincie Gelderland https://atlas.gelderland.nl/natuurbeheerplan Kaart 3f. vindt u op de volgende pagina. Kaart 3f. Rood met beheer en ecologische verbindingszones 4.Natuur en landschap in de Gelderse context “Begin bij wat je hebt: bestaande natuur moet goed worden beheerd en dat geldt ook voor agrarisch natuurbeheer. Goed beheer helpt bij het bereiken van de gestelde natuurdoelen en waterkwaliteit. Dat doen we op basis van inzicht, zodat we samen kunnen werken om de natuurdoelen te bereiken met goed beheer”. Dit staat in het Gelders coalitieakkoord “Gelderland gewoon doen”. Daarnaast heeft het college de ambitie om het natuurbeheer in Gelderland te versnellen en versterken. Voor de volledige tekst over natuur verwijzen we u graag naar de pagina’s 32, 33, 34 en 35 uit het coalitieakkoord. 4.1 Overwegingen bij het toepassen van Natuurbeheertypen Op de beheerkaart worden natuurbeheertypen aangegeven. De Index Natuur en Landschap definieert de natuurbeheertypen. Dit is een landelijk instrument dat op lokaal niveau ruimte overlaat voor nadere duiding. In deze bijlage beschrijven wij voor een aantal beheertypen de kaders die wij in Gelderland hanteren om een natuurbeheertype op de beheerkaart op te nemen. Het belangrijkste criterium voor opname van een natuurbeheertype in het Natuurbeheerplan is dat het type actueel aanwezig is. Dat betekent dat de soorten en karakteristieken van het natuurbeheertype zoals beschreven in de Index Natuur en Landschap aanwezig moeten zijn. Een uitzondering kan zijn wanneer sprake is van een net ingericht of net onder beheer gebracht perceel. Dan wordt het beheer van het natuurtype dat beoogd wordt subsidiabel gesteld voordat dit zich al heeft ontwikkeld. Immers het beoogde type heeft nog tijd nodig om zich te ontwikkelen. Wij beschouwen de beheerkaart niet als een statisch gegeven dat onveranderd moet en zal blijven. Er kan doorontwikkeling plaatsvinden van een natuurtype naar een hoger type. Andersom kan ook het geval zijn, als het door verschillende omstandigheden niet lukt om een natuurtype in stand te houden. Het aflopen van de 6-jarige beheerperiode is voor de beheerder het moment om de kaart te actualiseren. Andere koers voor landschapsbeheer voortgezet Voor de stimulering van het landschapsbeheer wordt sinds 2014 een nieuwe koers ingezet via gemeenten en landgoederen. Daarvoor is een regeling opgezet (Paragraaf 2.2 van de RSG Biodiversiteit en landschap voorheen RRvG §4.2 Landschap en landgoederen). Via het Natuurbeheerplan wordt alleen nog landschapsbeheer gesubsidieerd binnen het Gelders Natuurnetwerk. Via agrarisch natuurbeheer is het aan de Collectieven om te bepalen welke landschapselementen in de leefgebieden worden beheerd. Deze staan niet op de kaart van het Natuurbeheerplan. Wij hanteren de volgende uitgangspunten: Bosjes groter dan 1 hectare hebben een natuurbeheertype gekregen (bv. N16.03 “droog bos met productie”). Knip- en scheerheggen komen traditioneel op landgoederen of in andere cultuurhistorische context voor. Daarbij sluit de index hagen rond boomgaarden uit. Voor het overige wordt in principe de struweelhaag L01.06 op kaart opgenomen. De vergoeding voor knip- en scheerheggen is gebaseerd op een middeling van de kosten van de 3-jaarlijkse cyclus. Beheersubsidie voor hoogstamboomgaard wordt alleen gecontinueerd als het een oude boomgaard van minimaal 30 jaar betreft of verjonging daarvan. Lanen zijn tweezijdige beplantingen van wegen en paden die onderdeel uitmaken van een cultuurhistorisch patroon (met name op landgoederen). Hiervan komen uitsluitend de oude lanen voor een beheerbijdrage in aanmerking. Jonge lanen stellen wij alleen subsidiabel wanneer het een vervanging van een oude historische laan betreft. Lanen in bos worden alleen opgenomen als zij de hoofdstructuur van het bos bepalen en als laan onderhouden worden. Knotbomen: Wij beschouwen staken met een stamdiameter <20 cm niet als knotbomen. Knotbomen in bos en houtige landschapselementen worden niet apart uit gekarteerd of gesubsidieerd. Overigens is de vergoeding voor het beheertype gebaseerd op een middeling van de verschillende dikteklassen. In 2024 is er gewerkt aan een nieuwe versie van de Praktijkhandleiding natuurbeheerplannen voor SNL en geeft nadere uitleg over het intekenen van de verschillende beheertypen. Deze handleiding is vanaf april 2025 op de website van BIJ12 te vinden. L02.03 Historische tuin Het beheertype historische tuinen beslaat oude tuinen of tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen, kastelen of kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald historisch ontwerp. Belangrijkste onderdelen in dit type zijn een samenspel van gazons, (rozen)perken en borders, clutches van (uitheemse) bomen en struiken, kleinschalig padenpatroon, sier- en fruitbomen, heggen en bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen. Ook bijzondere tuinelementen als berceaus (loofgangen) of doolhoven vallen onder dit type. Deze onderdelen worden intensief onderhouden volgens een bepaald ontwerp. Meestal maken historische tuinen deel uit van een landgoed waar ook sprake is van het natuurtype park- en stinzenbos (N17.03). De L02 typen uit de Index Natuur en Landschap worden in Gelderland niet voor subsidie opengesteld omdat zij geen onderdeel uitmaken van het goedkeuringsbesluit voor de SVNL door de Europese Commissie. Beheer na functieverandering en inrichting Na het afronden van de inrichting doet de aanvrager een verzoek tot vaststelling bij de provincie. Na vaststelling wordt het N-type, tijdens de jaarlijkse actualisatie van het Natuurbeheerplan, op de beheerkaart opgenomen en op de subsidiekaart op subsidiabel gezet. De beheerder kan dan subsidie voor het beheer aanvragen. Het is mogelijk om beheer als subsidiabele kosten op te nemen in het inrichtingsplan. Beheer na realisatie nieuw landgoed Nieuw gerealiseerde natuur als compensatie voor beleidsruimte voor het mogen vormen van een nieuw landgoed met wooneenheden van allure, gelegen in GNN, kan na inrichting op verzoek van de landgoedeigenaar of zijn vertegenwoordiger worden begrensd als GNN en opgenomen in het Natuurbeheerplan, zodat beheer aangevraagd kan worden. Mits de natuurtypen voldoen aan de SNL2016 Gelderland en de richtlijn uit het Natuurbeheerplan. Hierbij worden inliggende landschapselementen gezien als structuurelement van het N-type en niet afzonderlijk subsidiabel gesteld. Begrensde natuur kritisch bezien Het ene beheertype vraagt meer beheerinspanning dan het andere, wat tot uiting komt in hogere subsidiebedragen. Het komt ook voor dat hoogwaardige natuurtypen zijn begrensd op locaties die minder geschikt blijken te zijn voor dit type natuur en waar in de praktijk dus ook niet (met de normale inspanningen) dat type in stand kan worden gehouden. De Index Natuur en Landschap is niet altijd even scherp als het gaat om het formuleren van een duidelijke boven- of ondergrens voor een bepaald type. Daarom geven wij voor een aantal natuurtypen in bijlage 4 van het Natuurbeheerplan een nadere duiding aan de afbakening die wij hanteren bij het op kaart zetten van een bepaald N-type. N01.03 Rivier- en moeraslandschap Dit natuurtype is bedoeld als grootschalige beheereenheid van uiterwaarden en eventueel aangrenzend terrein waar de inrichting is afgestemd op de werking van natuurlijke processen als overstroming, sedimentatie en erosie en grootschalige begrazing. In N01.03 komen meerdere kwalificerende natuurtypen voor waarbij het aantal aanwezige N-typen indicatief is voor de kwaliteit. Deze “inliggende” te onderscheiden natuurtypen worden niet ruimtelijk vastgelegd op kaart. Binnen dit natuurtype liggen ook kwalificerende habitats in Natura 2000-Habitatrichtlijngebied. Deze moeten op basis van het beheerplan van het betreffende Natura 2000-gebied in stand gehouden worden, zoals de stroomdalgraslanden en ooibossen. Deze instandhoudingsverplichting kan in praktijk betekenen dat op deze terreinen aanvullend beheer noodzakelijk is. N12.01 Bloemdijk Het beheertype N12.01 Bloemdijk is bedoeld voor glanshaverhooilanden op steile dijktaluds die alleen met speciaal materieel te maaien zijn. Dit rechtvaardigt de dubbel zo hoge beheervergoeding t.o.v. ‘gewoon’ N12.03 Glanshaverhooiland. Vegetatiebeheer van primaire en regionale waterkeringen is in principe een reguliere taak van het waterschap. Wanneer een terreinbeheerder een dijk die de waterkerende functie verloren heeft, in eigendom en beheer heeft kan hij in aanmerking komen voor beheervergoeding. Het gaat bij dit beheertype uitsluitend om dijken. Criterium voor begrenzing in het Natuurbeheerplan is verder of de vegetatie behoort tot glanshaverhooiland, droge graslanden of ruigten van het marjoleinverbond. In Gelderland komt dit slechts bij uitzondering voor. Daarom wordt dit type alleen begrensd na controle van de situatie in het veld. Om voor beheervergoeding in aanmerking te komen moet: de dijk in eigendom en beheer zijn bij een terrein beherende organisatie, de dijk de waterkerende functie hebben verloren, de vegetatie behoren tot glanshaverhooiland, droge graslanden of ruigten van het marjoleinverbond, de dijk zo steil zijn dat hij niet meer met regulier maaimateriaal te maaien is. N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland Veel kruiden- en faunarijk grasland is ontstaan na omvorming van landbouwgrond in natuur zonder veel verdere inrichting. Dan is het beheertype N12.02 vaak ook het beoogde eindtype. In een beperkt deel van dit beheertype liggen ontwikkelingskansen voor een ander type, met name N11.01 droog schraalland, N10.02 vochtig hooiland en N12.03 glanshaverhooiland. Aangezien het hier gaat om natuurterrein, zijn landbouwmaatregelen als bijvoorbeeld toepassing van drijfmest, herinzaai van de grasmat, rantsoenbeweiding, gebruik van bestrijdingsmiddelen, bijvoederen van vee in het natuurterrein op voorhand niet toegestaan. Het beheer is juist niet gericht op grasproductie, maar op het realiseren van het natuurtype met bijhorende specifieke flora en fauna. Daarvoor zijn twee dingen belangrijk: voldoende verschralen en het laten ontstaan van structuur: afwisseling van ruigere en kalere plekken, opslag van struweel, etc. Uit analyse van monitor