Nota Grondbeleid 2025-2030 gemeente MolenlandenDe raad van de gemeente Molenlanden: Gelet op het bijbehorende raadsvoorstel; Besluit: De Nota Grondbeleid 2025-2030 vast te stellen. De Nota grondbeleid 2021-2025 gemeente Molenlanden in te trekken. De moties met nummer M2025-10 over Bedrijventerreinen in kernen en met nummer M2025-11 over Grond verwerven voor kernen zonder bouwplannen hiermee als afgedaan te beschouwen. Inhoud Samenvatting. 4
(4)kavelruil. Minnelijke verwerving Als de gemeente grond wil of moet verwerven is minnelijke verwerving het uitgangspunt. Dit betekent dat de eigenaar vrijwillig zijn onroerende zaken aan de gemeente verkoopt. Als dit niet lukt, kan de gemeenteraad besluiten om een voorkeursrecht te vestigen of tot onteigening over te gaan. De gemeente streeft er altijd eerst naar om grond minnelijk te verwerven. Voorkeursrecht De Omgevingswet geeft de gemeente de mogelijkheid om een recht van eerste koop te vestigen op aangewezen percelen. Als een grondeigenaar zijn eigendom met gemeentelijk voorkeursrecht wil verkopen, moet hij dit eerst aan de gemeente aanbieden. Dit voorkeursrecht is een nuttig beschermingsinstrument tijdens de beginfase van de planontwikkeling. In deze fase staat nog niet vast wat er gebouwd gaat worden, maar wel dat er mogelijk gebouwd gaat worden. Dit noemen we ‘warme grond’. De prijs van warme grond stijgt afhankelijk van de verwachtingen over wat er gebouwd mag worden, tot de ‘verwachtingswaarde’. Door een gemeentelijk voorkeursrecht te vestigen, kunnen ongewenste grondverkopen en grondspeculatie effectief worden tegengegaan. De Omgevingswet stelt strikte eisen en termijnen aan het vestigen van een voorkeursrecht. Het vestigen van een voorkeursrecht betekent niet automatisch dat de gemeente verplicht is de grond te kopen. Onteigening Onteigening is voor eigenaren doorgaans een ingrijpende gebeurtenis. Om die reden wordt alleen onteigend als dit strikt noodzakelijk is om ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te realiseren. De raad stelt hiervoor de gewenste kaders. De wettelijke kaders voor onteigening vereisen een vast en strak schema van acties en dossiervorming, zodat het proces zorgvuldig verloopt. Omdat een onteigeningsprocedure relatief lang duurt, is het verstandig om eigenaren vroegtijdig te informeren over de noodzaak van grondverwerving en met hen in gesprek te gaan over de (minnelijke) verwerving van hun grond. Onteigening wordt alleen als laatste middel ingezet. Kavelruil Kavelruil is een vorm van gebiedsinrichting waarbij minimaal drie partijen vrijwillig hun onroerende zaken ruilen. In een kavelruilovereenkomst leggen zij de nieuwe verdeling van onroerende zaken vast. De inschrijving van de kavelruilakte in de openbare registers leidt vervolgens tot de gewenste eigendomsoverdracht. Een nadeel van kavelruil is de vrijblijvendheid en het feit dat samenwerking niet publiekrechtelijk kan worden afgedwongen. “Het is een uitdaging om het grondbeleid zo in te richten dat het vraaggericht, uitnodigend en flexibel is, met volop ruimte voor marktinitiatieven.” 3.2 VAB-beleid Op 19 december 2023 heeft uw raad het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing vastgesteld. Op 18 februari 2025 is het VAB-beleid door uw raad geactualiseerd. Volgens het VAB-beleid wordt bij een plan, initiatief of idee dat niet past in het geldende omgevingsplan, bekeken welke ontwikkelingen mogelijk zijn, onder welke voorwaarden en welke procedure hierbij het meeste passend is. 3.3 Uitvoeringseisen voor gemeentelijke grondverwerving & gronduitgifte Grondverwerving Bij grondverwerving voor een gemeentelijk bouwplan wordt een vertrouwelijke grondstrategie of een aankoopplan opgesteld, inclusief een risicoanalyse. Een extern bureau stelt een taxatierapport op basis van de marktwaarde op, om staatssteun te voorkomen. Dit rapport vormt de basis voor de onderhandelingen met de eigenaar, al dan niet met inschakeling van een verwerver. Onderhandelingen over grondaankopen worden uitsluitend aangegaan nadat de verkopende partij is geïnformeerd dat de overeenkomst onder voorbehoud van bestuurlijke goedkeuring door het college tot stand komt. Een verkennend bodemonderzoek maakt deel uit van de koopovereenkomst. De mate van eventuele verontreiniging kan invloed hebben op de koopsom en het besluit om al dan niet tot aankoop over te gaan. Besluiten over het aangaan van een koopovereenkomst worden genomen door het college conform bevoegdheid in artikel 160 Gemeentewet. Het college toetst de aankoop op de financiële uitgangspunten en voorwaarden van een project en het grondbeleid. Als de (project)kaders en het budget niet vooraf door de gemeenteraad zijn vastgesteld, wordt het voornemen tot aankoop (de koopovereenkomst) voorgelegd aan de gemeenteraad voordat een definitief besluit wordt genomen. Bij de aan- en verkoop van grond en ander vastgoed moet de gemeente voldoen aan de geldende wettelijke regels op het gebied van mededinging en staatssteun. Uitgangspunt 2: Een besluit om over te gaan tot projectmatige grondverwerving wordt gemotiveerd en onderbouwd met het afwegingskader grondbeleid, zoals uitgewerkt in hoofdstuk 2. Uitgangspunt 3: Bij aankopen boven de € 100.000,- legt het college aan de raad een voorstel voor. De raad beslist uiteindelijk of er budget voor die aankoop beschikbaar wordt gesteld. Gronduitgifte Ook de verkoop van bouwrijpe grond door de gemeente (= gronduitgifte) is een middel om grondbeleid uit te voeren. Bij gronduitgifte dient altijd rekening te worden gehouden met het zogenoemde Didam-arrest. Didam-arresten Het Didam-arrest van de Hoge Raad op 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778 gaat over zorgvuldigheidseisen bij de verkoop van onroerende zaken in Didam door de gemeente Montferland. Dit arrest betreft de privaatrechtelijke uitgifte van onroerende zaken door overheidslichamen en bestuursorganen. Het arrest stelt dat overheden bij privaatrechtelijke transacties ook de regels van het publiekrecht moeten volgen, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Dat betekent dat als (potentiële) gegadigden gelijke kansen moeten krijgen om de aankoop te doen. De Hoge Raad besliste dat gemeenten elke beoogde grondverkoop openbaar bekend moeten maken. Op 15 november 2024 heeft de Hoge Raad het Didam II-arrest (ECLI:NL:HR:2024:1661) gewezen en heeft geoordeeld dat een koopovereenkomst die in strijd met de zogenoemde Didam-regels is gesloten, niet om die reden ongeldig is. En dat een overheidslichaam dan in beginsel onrechtmatig handelt jegens een (potentiële) gegadigde die ten onrechte geen gelijke kans heeft gekregen. Daarmee kan schadevergoeding op haar plaats zijn. Uit het arrest blijkt ook dat de regels over het bieden van gelijke kansen ook al golden voorafgaand aan het Didam-arrest van 2021. Werkwijze gemeente naar aanleiding van Didam-arresten De gemeente moet bij elke grondverkoop, verhuur, ingebruikgeving of erfpacht nagaan of er meerdere gegadigden zijn. Dat gebeurt door middel van een publicatie. In die publicatie kondigt de gemeente het voornemen tot verkoop (uitgifte van) van gronden en/of uitgifte van schaarse rechten. In de publicatie vraagt de gemeente of geïnteresseerden zich binnen de gestelde termijn willen melden. Vervolgens wordt bekeken of partijen mee kunnen doen aan de selectieprocedure voor verkoop van de gronden. Van een selectieprocedure kan alleen worden afgezien als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. Erfpacht Erfpacht is een zakelijk recht dat een persoon de bevoegdheid geeft om een onroerende zaak die van iemand anders is, zoals bouwgrond in bezit van de gemeente, te houden en te gebruiken. De persoon die dit recht heeft, wordt ook wel de erfpachter genoemd. Vaak moet de erfpachter maandelijks of jaarlijks betalen om dit recht te behouden. Deze betaling wordt ook wel de canon genoemd. In het Nederlandse Burgerlijk Wetboek wordt erfpacht officieel gedefinieerd als "een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken." Recht van opstal Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak die eigendom is van een ander rechtssubject, gebouwen, werken of beplantingen (de zogenaamde opstallen) in eigendom te hebben. Het opstalrecht is een uitzondering op het recht van natrekking, waardoor deze opstallen in principe automatisch eigendom zouden zijn van de grondeigenaar. Degene die het recht van opstal heeft, heet de opstaller of opstalhouder. De eigenaar van de grond waarop een opstalrecht is gevestigd wordt grondeigenaar of opstalgever genoemd. Erfdienstbaarheid Erfdienstbaarheid is een last waarmee een onroerende zaak ten behoeve van een andere onroerende zaak is bezwaard. Anders gezegd: Erfdienstbaarheid betekent dat de eigenaar van een stuk grond het recht heeft om iets te doen op of over het land van iemand anders. Vruchtgebruik Vruchtgebruik is een juridisch recht dat iemand (de vruchtgebruiker) het recht geeft om een goed van een ander te gebruiken en de vruchten ervan te genieten, zonder dat die persoon eigenaar van het goed is. Het goed blijft in eigendom van de blote eigenaar. Vruchtgebruik wordt veelal in een testament geregeld. Menskracht De uitvoering van het gemeentelijk grondbeleid vergt de inzet van deskundige medewerkers. Belangrijk is dat grondzaken-expertise deel uitmaakt van de ambtelijke organisatie. Gespecialiseerde deskundigheid kan op projectbasis worden ingehuurd. Het gaat dan met name om specialisten waar slechts incidenteel een beroep op wordt gedaan zoals bijvoorbeeld voor taxaties of onteigening. 3.4 Taakverdeling gemeenteraad en college In de onderstaande tabel worden de rollen en verantwoordelijkheden van het grondbeleid van de gemeenteraad ten opzichte van het college weergegeven. Uitgangspunt hierbij is dat de gemeenteraad de kaders vastlegt waarbinnen het college die kaders verder kan uitwerken en toepassen. Activiteiten Gemeenteraad College (MINNELIJKE) VERWERVING Vaststellen beleid Strategische Verwervingen. Vaststellen aanvullend krediet ten behoeve van verwervingen groter dan € 100.000,- Aankopen van onroerende zaken (vastgoed, grond) binnen de door de raad vastgestelde financiële ruimte. Bepalen van de verwervingsstrategie VOORKEURSRECHT Vestigen voorkeursrecht Vestigen voorkeursrecht-beschikking voorafgaand aan vestigen voorkeursrecht ONTEIGENING Nemen van onteigeningsbesluit Starten en uitvoeren van de onteigeningsprocedure GRONDEXPLOITATIE Vaststellen grondexploitatie Vaststellen aanpassingen Opstellen en uitvoeren grondexploitatie ONTWIKKELINGSSTRATEGIE Besluit tot oprichting van een PPS variant of gemeenschappelijk ontwikkelingsmodel Vaststellen Omgevingsvisie Aangaan van samenwerkingsovereenkomsten Opstellen ontwikkelingsstrategie Vaststellen startdocument /‐overeenkomst projecten KOSTENVERHAAL Vaststellen van (regels kostenverhaal
- in)omgevingsplan Sluiten van anterieure en posterieure overeenkomsten over ruimtelijke initiatieven Vaststellen Nota Kostenverhaal Jaarlijks herzien van standaard bedragen kostenverhaal PLANNING EN CONTROL Vaststellen kadernota Vaststellen begroting Vaststellen jaarrekening Vaststellen actualisatie Grondexploitaties Mutaties reserves en voorzieningen Uitvoeren planning en controlecyclus RISICOMANAGEMENT Kaderstellend Controlerend Opstellen risicoanalyse Managen risico’s GRONDUITGIFTE/ GRONDPRIJZEN Kaderstellend Vaststellen beleidskader grondprijzen (via Nota Grondbeleid) Vaststellen “Nota Grondprijzen en Parameters” De belangrijkste manier waarop het college uitvoering geeft aan het grondbeleid is door het sluiten van overeenkomsten met initiatiefnemers van nieuwe bouwprojecten. Als een initiatief voor een bouwproject past binnen de visie van de gemeenteraad op de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Molenlanden, dan staat het college hier in beginsel positief tegenover. In dat geval is het college bereid om met de initiatiefnemer te onderhandelen over de voorwaarden waaronder de gemeente planologische medewerking aan dat initiatief verleent. Jaarlijks legt het college bij de begrotingsbehandeling verantwoording af aan de raad voor het gevoerde beleid. Zie ook 5.3 Grondbeleid in de begroting, kadernota en jaarrekening. 4.Beleidskeuzes kostenverhaal Kostenverhaal is belangrijk voor gemeenten om investeringen in grondzaken terug te verdienen. Bij kostenverhaal draagt een initiatiefnemer van een bouwproject de kosten voor de inrichting van de openbare ruimte voor zover die voortvloeien uit het project. Het gaat dan om bijvoorbeeld de aanleg van groenvoorzieningen, de afvoer van hemelwater of de verkeersontsluiting. “De gemeente is wettelijk verplicht om haar plankosten op de grondeigenaar te verhalen. In het geval dat deze grondeigenaar een bouwplan wil realiseren waarvoor voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging van een ruimtelijk besluit nodig is. De kosten die verhaald moeten worden staan in een wettelijke kostensoortenlijst.” 4.1 Wettelijk systeem van kostenverhaal De kostensoorten die een gemeenten dient te verhalen zijn limitatief opgesomd in de kostensoortenlijst. In die lijst staan alle kostensoorten die de gemeente publiekrechtelijk mag en soms moet verhalen. Inzicht in de werking van de wet geeft ook inzicht in wat een gemeente in een privaatrechtelijke overeenkomst kan verlangen. Het gaat hierbij onder andere om: plankosten; waaronder kosten van inzet van de ambtelijke organisatie (bijv. participatietraject / inloopavonden e.d.); kosten van (civiele) werken en werkzaamheden; kosten die voortvloeien uit maatregelen (het opheffen hindercirkels, milieucompensatie); kosten nadeelcompensatie (voorheen planschadekosten); kosten van gebied overstijgende ontwikkelingen (voorheen bovenwijkse voorzieningen). 4.2 Manieren van kostenverhaal Kostenverhaal kan op drie manieren plaatsvinden: privaatrechtelijk via een anterieure overeenkomst met een initiatiefnemer/ontwikkelaar; privaatrechtelijk via een posterieure overeenkomst met een initiatiefnemer/ontwikkelaar; via de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld. Hiervoor is al opgemerkt dat publiekrechtelijk kostenverhaal verplicht is als een project voorziet in kostenverhaal plichtige activiteiten, zoals vastgelegd in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit en er tussen de gemeente en de initiatiefnemer geen overeenkomst is afgesloten. In de anterieure fase maken partijen hierover aanvullende afspraken. Komen partijen niet tot een anterieure overeenkomst, dan hanteerde de gemeente tot 2024 het exploitatieplan en de kostensoortenlijst. Vanaf 2024 zijn dan de exploitatieregels uit het omgevingsplan van toepassing. Deze komen in de plaats van het exploitatieplan, dat als zelfstandige figuur met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verdwenen. De zogeheten kostensoortenlijst en de wettelijke regeling van het kostenverhaal gelden niet voor de anterieure overeenkomst. De wettelijke regeling kan wel een schaduwwerking op de anterieure overeenkomst hebben. Voor de posterieure overeenkomst geldt dat de gemeente aan de kostenverhaalregels uit het Omgevingsplan is gebonden. 4.3 Voorkeur voor anterieure overeenkomst Kostenverhaal via het sluiten van een anterieure overeenkomst blijft de voorkeur van de gemeente. Voordeel van de privaatrechtelijke weg is de ruime mate van contractsvrijheid. In de overeenkomst kunnen bovendien afspraken op maat worden gemaakt. Dat is voordelig voor zowel de initiatiefnemer als de gemeente. De gemeente en private partijen hebben belang bij een bepaalde mate van contractvrijheid en flexibiliteit. De anterieure overeenkomst voorziet daarin. Voordeel van een anterieure overeenkomst is ook dat de te verhalen kosten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van het project en de gemeentelijke werkzaamheden. Komen partijen in de anterieure fase niet tot overeenstemming, dan zal de gemeente langs publiekrechtelijke weg de kosten moeten verhalen. De in het omgevingsplan op te nemen exploitatieregels vormen in dat geval de basis voor het sluiten van een posterieure overeenkomst of het kostenverhaal via de beschikking bestuurlijke geldschuld. 4.4 Nota Kostenverhaal Het college heeft op 7 januari 2025 de Nota Kostenverhaal 2025 gemeente Molenlanden vastgesteld. De door het college vastgestelde Nota Kostenverhaal, geeft de uitgangspunten en systematiek van het kostenverhaal duidelijk weer. Hierdoor hebben initiatiefnemers van bouwprojecten vooraf inzicht in wat zij van de gemeente kunnen verwachten als zij om (omgevings)planologische medewerking (BOPA of wijziging omgevingsplan) vragen. Uitgangspunt 4: Het college zal inzetten op een zo volledig mogelijk kostenverhaal, zonder daarbij onnodige belemmeringen op te werpen voor ruimtelijke initiatieven en bouwplannen. Uitgangspunt 5: Kostenverhaal vindt bij voorkeur plaats door het sluiten van anterieure overeenkomsten. Bij omvangrijke planontwikkeling (zoals bijvoorbeeld meer dan tien woningen of een lange looptijd (meerdere jaren) van een project) wordt de anterieure overeenkomst voorafgegaan door een intentieovereenkomst. Hierin wordt opgenomen dat de door de gemeente gemaakte kosten, in de intentiefase tot aan het sluiten van de anterieure overeenkomst, door de initiatiefnemer worden voldaan. 4.5 Financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied Een gemeente kan op basis van een omgevingsvisie of programma in een omgevingsplan een regeling opnemen voor een afdwingbare financiële bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving (op basis van artikel 13:23 Omgevingswet). Voorbeelden hiervan zijn investeringen in extra groen, sociale woningbouw en fietspaden. Deze bijdrage is aanvullend op het kostenverhaal en wordt betaald door initiatiefnemers van bouwplannen waarvoor ook kostenverhaal mogelijk is. “Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied in een aantal gevallen afdwingbaar. Ontwikkelende partijen hebben profijt van deze gebied overstijgende investeringen. Het is dan ook redelijk als de gemeente bij nieuwe projecten een bijdrage van private partijen vraagt om deze kosten deels te dekken.” De financiële bijdrage kan worden gevraagd voor de volgende in artikel 8.21 Omgevingsbesluit aangewezen ontwikkelingen: het aanbrengen van kwalitatieve verbeteringen van landschap, natuur, water of de stikstofbalans die functioneel samenhangen met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling; de aanleg of aanpassingen van wegen c.a.; de aanleg van een park of recreatiegebied; de realisatie van sociale woningbouw buiten het plangebied, indien binnen het plangebied minder sociale woningbouw wordt gerealiseerd dan op grond van gemeentelijke beleid wenselijk is; een bijdrage voor sloop van woningen, indien dat (bijvoorbeeld wegens krimp) gewenst is; de sloop van verouderde stallen bij realisatie van nieuwe stallen elders. In het omgevingsplan moet worden vastgelegd dat de financiële bijdragen uitsluitend mogen worden besteed aan de ontwikkelingen waarvoor die bijdragen zijn verhaald. De gemeente is bovendien verplicht om periodiek publieke verantwoording af te leggen over de besteding van de verhaalde financiële bijdragen. De regeling stelt verder grenzen aan de maximale hoogte van de financiële bijdrage. Die mag niet hoger zijn dan de opbrengsten van de gronden of de waardevermeerdering van de locatie. De Omgevingswet biedt geen mogelijkheid een financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied in het kader van een BOPA te vragen. “Bij het sluiten van een anterieure overeenkomst in het kader van een wijziging van het omgevingsplan vraagt de gemeente naast het verplichte wettelijke kostenverhaal van de initiatiefnemer een financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied, zodra daartoe de mogelijkheid bestaat.“ Vereveningsfonds sociale woningbouw Een van de mogelijkheden van de financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied op grond van artikel 8.21. Omgevingsbesluit is het vormen van een vereveningsfonds sociale woningbouw. Om de bouw van sociale huurwoningen te stimuleren kan een vereveningsfonds sociale woningbouw in het leven worden geroepen. Bouwt een projectontwikkelaar minder sociale huurwoningen, dan moet hij geld storten in het fonds. Bouwt hij meer sociale huurwoningen, dan krijgt hij eventueel een bijdrage uit het fonds. Uitgangspunt 6: financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied: Het college onderzoekt de mogelijkheid om een financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied aan initiatiefnemers van bouwplannen op te leggen. Het college onderzoekt de mogelijkheid van een vereveningsfonds sociale woningbouw en informeert de gemeenteraad daarover. 5.Financiële aspecten van het grondbeleid 5.1 Financiële risico’s van grondbeleid De kosten van grondbeleid zijn afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de conjunctuur. Meerdere factoren zijn van invloed op het grondbeleid. Een deel van deze factoren is niet of nauwelijks door de gemeente te beïnvloeden. Denk aan invloeden als rentepercentages, grond- en verkoopprijzen of andere marktomstandigheden. Of meer specifieke risico’s zoals de kans op vertragingen door inspraakprocedures, het moeten voldoen aan milieuvereisten of afhankelijkheden van andere betrokken partijen (provincie, Rijkswaterstaat, leveranciers). De kosten en opbrengsten die samenhangen met het grondbeleid strekken zich uit over meerdere jaren. De gemeenteraad moet, voor goedkeuring te geven aan een gebiedsontwikkeling vooraf informatie krijgen over de voorgenomen ingrepen en de kosten, opbrengsten, risico’s en looptijd. Ook brengen we in beeld hoe verliezen worden gedekt. En hoe en bij winstgevende projecten, tussentijds en na afloop, middelen ten gunste van de gemeente in gemeentekas terugvloeien. Tweemaal per jaar (in de paragraaf grondbeleid in de begroting en in de jaarrekening) geven wij aan welke activiteiten er vanuit het grondbeleid hebben plaatsgevonden. Het gaat dan om onder andere aankopen van gronden voor onder andere woningbouw en bedrijfsterreinen en de ontwikkelingen die daar al dan niet op hebben plaatsgevonden. Dit is nodig omdat de impact van gebiedsontwikkeling op de financiële positie van de gemeente groot kan zijn. 5.2 Beleidskader grondprijsbeleid Volgens de financiële verordening moet de gemeenteraad tenminste eenmaal per vijf jaar de kaders van het grondprijzenbeleid vaststellen. Uitgangspunt is om de grondprijzen marktconform te bepalen, zodat de gemeente een reële grondprijs ontvangt. En waarbij we vermijden dat de afnemer van de grond verkapt subsidie ontvangt. “Voor de bepaling van de minimale grondprijzen sluit de gemeente jaarlijks aan met marktrapportages van gerenommeerde instellingen uit de woningbouwmarkt. Aanvullend vindt er overleg plaats met plaatselijke makelaar(
- s)over de grondprijs.” De parameters die we bij de berekening van de grondprijzen (opbrengsten, kosten en rente) indexeren we jaarlijks. De parameters nemen we jaarlijks integraal in de begroting op onder het kopje: “Grondslagen waarop ramingen zijn gebaseerd”. In de Nota Grondprijzen en Parameters maakt het college inzichtelijk tegen welke minimale prijzen de gemeente in een boekjaar de gronden voorbebouwing uitgeeft en hoe we de grondprijzen (= uitgifteprijzen) bepalen. De Nota Grondprijzen en Parameters is vanaf 2021 als bijlage toegevoegd bij de Zomernota. Daarin is ook de actualisatie van de MJIP (grond- en vastgoedexploitaties) toegevoegd. Hiermee informeert het college de gemeenteraad en belanghebbenden jaarlijks op transparante wijze over het actuele gemeentelijk grondprijzenbeleid. Met als achterliggend idee om in een vroeg stadium transparante en marktconform financiële afspraken te maken met potentiële afnemers van gronden. De Nota Grondprijzen en Parameters bepaalt hoe we de minimale grondprijzen berekenen. Het college gebruikt deze nota ook als basis voor het bijwerken of opstellen van nieuwe grondexploitaties. “De "Nota Grondprijzen en Parameters" beschrijft de minimale waarde van grond bij uitgifte door de gemeente in economisch verkeer. “ Uitgangspunt bij verkoop van bouwgrond is dat de gemeente de grond bouw- en woonrijp oplevert aan de koper van de grond. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde bestemming. Soms spreken we met de afnemer af dat hij zelf het perceel bouw- en/of woonrijp maakt. Hij neemt dan ook het risico voor de bodemkwaliteit. De kosten worden dan verrekend met de grondprijs. Uitgangspunt 7: Het college stelt jaarlijks in een Nota Grondprijzen en Parameters de minimale grondprijzen vast. Het gaat om grondprijzen voor sociale woningbouw en de commerciële markt (vrije sector woningen, kantoren, maatschappelijk vastgoed en bedrijventerreinen) en nutsvoorzieningen. Dit geldt ook voor de prijzen voor verhuur of verkoop van snippergroen. Uitgangspunt 8: Het college kan gemotiveerd van de Nota Grondprijzen en Parameters afwijken als (markt)ontwikkelingen en specifieke omstandigheden daarom vragen. 5.3 Grondbeleid in de begroting, kadernota en jaarrekening Voor het grondbeleid geldt bijzondere wet- en regelgeving. Zo vereist het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) dat de begroting en jaarrekening zijn voorzien van een paragraaf ‘grondbeleid’ en een paragraaf ‘weerstandsvermogen’. Het is van belang dat de gemeenteraad goed inzicht krijgt in de financiële begroting over de gehele looptijd van de grondexploitatieprojecten. Het gaat daarbij om het verwachte resultaat, de project specifieke risico’s en risico’s voor de portefeuille als geheel. De gemeenteraad moeten bepalen of het verwachte resultaat en de risico’s acceptabel zijn. Daarbij legt zij de relatie met het maatschappelijk doel dat ze wil behalen en de (meerjarige) begrotingsruimte. Als we negatief saldo verwachten, moet de gemeente direct een voorziening treffen. De hoogte van de voorziening moet gelijk zijn aan de omvang van dit tekort. Dit komt ten laste van de begroting. Bij een verwacht positief saldo voegen we aan het einde van het project het resultaat toe aan de algemene reserve. “In de begroting en jaarrekening beschrijft de gemeente de keuzes die de gemeente bij de uitvoering van het grondbeleid heeft gemaakt. En de resultaten en de risico’s die dat heeft opgeleverd. De beschrijving komt in de paragraaf grondbeleid.” De eisen van het BBV zorgen ervoor dat gemeenten transparante en uniforme aanpak verslag doen. Daarbij moeten ze zicht houden aan het voorzichtigheidsbeginsel, zodat gemeenten voorzichtig omgaan met financiële verwachtingen. Het BBV vraagt ook om het beleid en de kaderstelling (kort) te beschrijven in de paragraaf grondbeleid in de begroting. In de jaarstukken staat wat (concreet) gerealiseerd is van de doelstellingen in het afgelopen jaar. Zodat de gemeenteraad zijn controlerende taak kan uitvoeren. In de kern gaat het bij de sturing op het grondbeleid om de programmering (inhoud van de grondexploitatielocaties), planning (looptijd en voortgang), prijzen (verkoopprijs van kavels), plankosten(kosten om een locatie te ontwikkelen), parameters (van rente, inflatie, organisatie en overhead) en prognose (van het financiële resultaat en het bijbehorende risicoprofiel). Uitgangspunt 9: De financiële risico’s voor grondexploitaties vangt de gemeente op door de algemene reserve. 5.4 Risicomanagement, reserves en weerstandvermogen. Aan grondbeleid zijn verschillende soorten risico’s verbonden. Het gaat daarbij om financiële risico’s zoals het resultaat aanbestedingen, verschil geraamde en begrote bouwkosten. Of risico’s die, uitvoerend van aard zijn, zoals het halen van planning. En tot slot maatschappelijke risico’s, zoals het realiseren van ruimtelijke doelstellingen. Bij actief grondbeleid zijn de risico’s het grootst. Actief grondbeleid gaat vaak samen met hoge kosten waarbij over een langere periode financiering nodig is. Het verschilt per situatie welke risico’s de gemeente loopt en of de financiering wordt terugverdiend. Bij een complexe grondexploitatie zijn er altijd onzekerheden en risico’s ten aanzien van het begrote financiële eindresultaat. Voor de toekomstige verwachte kosten en opbrengsten gebruiken we aannames zoals planning, verwachte verkoopprijzen, geraamde kosten, verwachte rentelasten en plankosten. Er zijn verschillende onzekerheden en risico’s die het behalen van het begrote financiële eindresultaat van de grondexploitatie bemoeilijken. Een helder inzicht in de financiële begroting over de gehele looptijd van de grondexploitatieprojecten is essentieel. Dit omvat niet alleen het verwachte financiële resultaat, maar ook de specifieke risico’s per project én de gezamenlijke risico’s van alle projecten samen. Op basis van deze informatie moet de gemeenteraad bepalen of het verwachte resultaat en de risico’s acceptabel zijn. Daarbij weegt de raad af in hoeverre deze in relatie staan tot het maatschappelijk doel dat men wil bereiken en de beschikbare (meerjarige) begrotingsruimte. Hulpmiddel voor de gemeenteraad is het MeerJarigInvesteringsProgramma (Grondexploitaties) (MJIP). De gemeenteraad moet op basis van het MJIP bij een verwacht tekort de grondexploitatie afboeken of een zogenaamde ‘voorziening’ opnemen in de gemeentebegroting. De paragraaf grondbeleid gaat in op de aard en omvang van de risico’s van grondzaken. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicomanagement wordt vervolgens de omvang van deze risico’s meegenomen bij de bepaling van het weerstandsvermogen. In navolging van de lijn van het BBV en de financiële verordening is het beleid erop gericht zo min mogelijk aparte bestemmingsreserves in stand te houden. Aparte risicovoorzieningen voor uiteenlopende doeleinden hebben immers weinig toegevoegde waarde. De gemeente Molenlanden heeft geen afzonderlijke risicoreserve grondexploitaties nodig. Het risico op grondexploitaties kan worden opgevangen door de algemene reserve. Deze vormt de risicoreserve voor de gemeente. 5.5 Risico-inventarisatie De risico’s van de gemeentelijke grondexploitatie worden beheerst door middel van risicomanagement. Onderdeel hiervan is naast het voorkomen en beperken van risico’s ook het vormen van reserves (weerstandscapaciteit) om de nadelen van het eventueel voordoen van risico’s te kunnen opvangen. De paragraaf grondbeleid van de begroting licht toe hoe deze reserves worden gevormd, wat de hoogte van deze reserves is en welke uitgangspunten gelden voor een eventuele aanwending van deze reserves. Een onderdeel van de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing is de inventarisatie van de omvang en de achtergronden van de risico’s. Dit inzicht zegt iets over het risicoprofiel van de gemeente en hoeveel weerstandscapaciteit nodig is. Daarnaast bevat deze paragraaf informatie over de aanwezige weerstandscapaciteit. De verhouding tussen het risicoprofiel en de aanwezige weerstandscapaciteit is het weerstandsvermogen. Dat verhoudingsgetal geeft aan hoe vaak de risico’s, als die zich voor de geschatte omvang voordoen, kunnen worden opgevangen door de aanwezige financiële buffers (capaciteit). Dit is nodig voor het beoordelen van de financiële positie van de gemeente. Bij de risico-inventarisatie worden ook de risico’s die samenhangen met grondexploitatie, gebiedsuitbreiding, faciliterende grondexploitaties en exploitaties in publiek-private en publiek-publieke samenwerkingen betrokken. Het gaat hierbij om de risico’s voor de portefeuille als geheel en de risico’s die samenhangen met verwachtingen van markt- en conjunctuurinvloed. Behalve inventarisatie van de risico’s is aandacht voor de beheersing van de risico’s van belang: in welke mate zijn de risico’s onder controle. De risico-inventarisatie wordt uitgevoerd door middel van de RISMAN-methodiek. Deze methodiek bestaat uit de volgende vier fasen: risico’s inventariseren, risico’s kwantificeren en analyseren, formuleren beheersmaatregelen voor de risico’s en het monitoren en evalueren van de risico’s. 6.Bijlage: strategische grondpositie Zie volgende pagina.