.1 Begripsbepalingen De begripsbepalingen zijn geactualiseerd en afgestemd op het begrippenkader van de Omgevingswet. Waar mogelijk zijn begrippen geharmoniseerd met reeds bestaande definities in rijksregelgeving of in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 1.8 Weigeringsgronden Dit artikel biedt het bevoegd gezag een expliciete grondslag om een vergunning of ontheffing te weigeren. Lid 2 maakt het mogelijk om aanvragen af te wijzen als deze zó kort voor de beoogde activiteit zijn ingediend dat een zorgvuldige beoordeling niet meer haalbaar is. Hoewel strikt genomen geen besluit genomen hoeft te worden als een aanvraag te laat komt, biedt dit lid duidelijkheid aan de aanvrager. Daarmee voorkomt het dat initiatiefnemers onnodig lang in onzekerheid verkeren over het tijdig verkrijgen van toestemming. Hoofdstuk 2: Activiteiten in de openbare ruimte Algemene toelichting op het hoofdstuk Hoofdstuk 2 van de VFL bevat bepalingen over activiteiten in de openbare ruimte die effect hebben op de fysieke leefomgeving. De regels zijn opgesteld met het oog op het beschermen van de bruikbaarheid, veiligheid, orde en het aanzien van de openbare ruimte. Veel van deze bepalingen zijn afkomstig uit de Algemene plaatselijke verordening (APV) Oudewater
.1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats Artikel 2.1 is opgenomen in de VFL op basis van het fysieke karakter van het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte. Oorspronkelijk kwam deze bepaling uit artikel 2:10 van de APV. Wat voor soort objecten vallen bijvoorbeeld onder dit artikel? Inboedel geplaatst op of langs de weg; Uitstallingen; Bouwobjecten; Tijdelijke reclameborden; Plantenbakken; Geveltuinen. De bepaling is geschikt voor opname in het omgevingsplan omdat het oogmerk – het waarborgen van veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte – rechtstreeks verband houdt met de doelen van de Omgevingswet. Het artikel reguleert planbare en voorzienbare activiteiten die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en waarvoor vergunningseisen op voorhand kunnen worden vastgesteld. De tekst van het artikel is inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oorspronkelijke APV-bepaling, maar redactioneel aangepast. Artikel 2.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is in de APV een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Deze vergunningplicht valt onder het overgangsrecht van artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet, er ontstaat van rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. Artikel 2.3 Maken of veranderen van een uitweg Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is in de APV een vergunningplicht opgenomen voor het maken of veranderen van een uitweg. Deze vergunningplicht valt onder het overgangsrecht van artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet, er ontstaat van rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. Artikel 2.8 Crossterreinen Dit artikel is overgenomen uit artikel 5:32 van de APV en bevat een verbod op het rijden met motorvoertuigen of bromfietsen op terreinen die geen openbare weg zijn. Uitzondering op dit verbod geldt indien het college specifieke terreinen aanwijst voor dit gebruik. Daarbij kan het college nadere regels stellen, gericht op het beperken van overlast, bescherming van milieuwaarden en waarborging van de veiligheid van gebruikers en omwonenden. De aanwijzing van dergelijke gebieden geschiedt via het omgevingsplan. Hoewel het verbod zelf het karakter van een gedragsregel heeft en in oorsprong thuishoort in de APV, zijn de bepalingen over het aanwijzen en reguleren van terreinen ruimtelijk van aard. De onderdelen die gaan over het aanwijzen en reguleren van terreinen hebben een planologisch karakter. Het gaat om de fysieke toedeling van ruimte aan een activiteit met impact op de leefomgeving. Dergelijke afwegingen vallen onder de reikwijdte van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. De doelstelling van artikel 1.3 Ow – het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving – is hier direct op van toepassing. Voor speciaal ingerichte crossterreinen kunnen rijksregels gelden op basis van paragraaf 3.9.1 van het Bal. Artikel 2.9 vult deze rijksregels aan en biedt lokale reguleringsruimte voor terreinen die niet onder het Bal vallen. Door het artikel op te nemen in de VFL ontstaat ruimte om de planmatige aspecten van motorcrossactiviteiten later juridisch te verankeren in het omgevingsplan, zonder afbreuk te doen aan het handhaafbare karakter van het verbod. Ook borgt het de planologische en milieurelevante aspecten van crossactiviteiten en maakt latere integratie in het omgevingsplan juridisch en inhoudelijk mogelijk. Artikel 2.9 Beperking verkeer in natuurgebieden Dit artikel is overgenomen uit artikel 5:33 van de APV. De bepaling heeft een hybride karakter: enerzijds gaat het om gedragsregels, anderzijds om regulering van verkeer in relatie tot de bescherming en het gebruik van natuurgebieden, parken en recreatieterreinen. De kernbepalingen over aanwijzing van paden en routes en de bijbehorende uitzonderingen zien op de fysieke inrichting van deze gebieden en zijn daarom relevant voor het omgevingsplan. Om die reden is ervoor gekozen om het verbod én de aanwijzingsgronden op te nemen in de VFL. Lid 3, dat verwijst naar expliciet aangewezen routes in het omgevingsplan, zorgt voor afstemming met bestaande bestemmingsplannen (zoals binnen de bestemming Groen). De bepaling ondersteunt bovendien de uitvoerbaarheid van toezicht en handhaving en vormt een juridisch kader voor het stellen van nadere regels door het bevoegd gezag. Artikel 2.10 Verbod afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur te stoken Dit artikel (artikel 5:34 APV) is gericht op het voorkomen van overlast of gevaar door het stoken van vuur in de openbare ruimte. De bepaling is aanvullend op landelijke milieuregels en wordt opgenomen in de VFL zolang er geen integratie in het omgevingsplan is voorzien. Het is herschreven onder voorstel van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) om aan te sluiten bij het systeem van de Omgevingswet. Begrippen zoals "buiten een inrichting" zijn vervallen omdat het begrip inrichting in deze context geen juridische betekenis meer heeft. De uitzonderingen zijn herformuleerd op basis van hinder, gevaar en milieubelasting, zodat het artikel in lijn is met de terminologie en systematiek van het huidige omgevingsrecht. De uitzonderingen zijn nu geformuleerd op basis van hinder, gevaar en milieubelasting in plaats van aansluiting bij het oude milieurecht. Afdeling 2: Markten en terrassen Toelichting op de afdeling De afdeling is gereserveerd met het oog op latere opname van regels en gebiedsaanwijzingen voor markten en terrassen in het omgevingsplan. De gemeente Oudewater beschikt over een Marktverordening. Deze verordening regelt de verdeling van de schaarse vergunningen voor een standplaats op de markt. Omdat regels over wie een standplaats kan krijgen (toedeling van schaarse ruimte) niet ziet op (het wijzigen van) de fysieke leefomgeving, zijn deze regels niet overgenomen in de VFL. Wel kan in het omgevingsplan regels gesteld worden die bepalen waar marktstandplaatsen zijn toegestaan (en waar niet). Terrassen vallen onder de reikwijdte van de exploitatievergunning uit 2.28 van de APV. Een exploitatievergunning is nodig voor het exploiteren van een horecabedrijf, eventueel met terras. Bij een exploitatievergunning wordt getoetst of de horecaonderneming geen negatieve invloed heeft op de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid in de omgeving. Tevens wordt getoetst of de exploitant van slecht levensgedrag is. Dit valt niet onder de van de fysieke leefomgeving en daarom wordt de exploitatievergunning, met voorschriften over het terras, niet opgenomen in de VFL. Wel kan in het omgevingsplan regels worden opgenomen over waar een horecabedrijf of terras is toegestaan. Daarom is deze afdeling gereserveerd voor regels over terrassen. Afdeling 3: Standplaatsen Toelichting op de afdeling Deze afdeling bevat bepalingen over het innemen van standplaatsen op openbare grond. De regels zijn afkomstig uit hoofdstuk 5, afdeling 4 van de APV (artikelen 5:17 t/m 5:20). Zij zijn overgenomen vanwege hun directe ruimtelijke werking en de noodzaak tot lokale afweging bij de verdeling en inrichting van de openbare ruimte. De bepalingen maken het mogelijk om regels te stellen over het aantal en de locatie van standplaatsen, de belangenafweging bij vergunningverlening en de bescherming van andere functies van de openbare ruimte. Door deze regels in de VFL op te nemen ontstaat duidelijkheid voor ondernemers en wordt invulling gegeven aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van tijdelijke verkoopvoorzieningen in de openbare ruimte. Deze regels zijn geschikt voor opname in het omgevingsplan, omdat zij betrekking hebben op het gebruik van de fysieke leefomgeving, de toedeling van functies en de wijze waarop de openbare ruimte wordt ingericht en benut. De VFL biedt hiervoor het overgangskader, met het oog op een latere vertaling naar het juridisch deel van het omgevingsplan. Afdeling 4: Voertuigen, kampeermiddelen en overig Toelichting op de afdeling Deze afdeling bevat bepalingen over het parkeren en stallen van voertuigen, kampeermiddelen en objecten in de openbare ruimte. De artikelen zijn afkomstig uit de APV, met name uit de hoofdstukken 4 en 5 (artikelen 4:13, 5:2 t/m 5:8, en 5:10 t/m 5:12). Inhoudelijk richten de bepalingen zich op het voorkomen van aantasting van het straatbeeld, het beperken van parkeerdruk, het behoud van groenvoorzieningen en het voorkomen van hinder en gevaarlijke situaties. In de besluitvorming over deze afdeling is uitgebreid stilgestaan bij de verhouding tussen deze bepalingen en het omgevingsplan. Enerzijds zijn enkele artikelen traditioneel verbonden aan de openbare orde en handhaafbaar via het strafrechtelijk bestuur instrumentarium (zoals de buitengewoon opsporingsambtenaar). Anderzijds zijn de bepalingen inhoudelijk nauw verbonden met de fysieke leefomgeving en de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet, zoals het beschermen van de omgevingskwaliteit en het doelmatig gebruik van de openbare ruimte. De bepalingen zijn geschikt voor opname in het omgevingsplan, omdat zij: Planbare of voorzienbare handelingen betreffen (zoals het langdurig parkeren van voertuigen); Een ruimtelijke component hebben (zoals het beschermen van uitzicht, groenstructuren en gebruiksruimte); Bijdragen aan het behoud van de kwaliteit en gebruikswaarde van de fysieke leefomgeving. De gemeente Oudewater kiest ervoor om deze bepalingen via de VFL op te nemen als juridisch kader, met het oog op latere integratie in het omgevingsplan. Daarbij worden ook de strafbepalingen uit de APV meegenomen om te zorgen voor een eenduidig en handhaafbaar regime.
.20 Parkeren van grote voertuigen Artikel 2.20 bevat een objectief verbod op het parkeren van voertuigen die langer zijn dan 6 meter of hoger dan 2,4 meter. Dit verbod geldt op alle wegen binnen de gemeente en is bedoeld ter bescherming van het straatbeeld, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het bevoegd gezag kan specifieke locaties aanwijzen waar parkeren wel is toegestaan, met een maximale parkeerduur van drie dagen. Ook zijn uitzonderingen opgenomen voor voertuigen die noodzakelijk aanwezig zijn vanwege werkzaamheden. Artikel 2.23 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Dit artikel (4:13 APV) is juridisch-technisch aangepast om te voldoen aan de terminologie van de Omgevingswet; het oude begrip "buiten een inrichting" is geschrapt. Het is herschreven onder voorstel van de ODRU om aan te sluiten bij het systeem van de Omgevingswet. Begrippen zoals "buiten een inrichting" zijn vervallen omdat het begrip inrichting in deze context geen juridische betekenis meer heeft. Afdeling 5: Ligplaatsen en openbaar vaarwater Toelichting op de afdeling Deze afdeling bevat bepalingen over het gebruik van openbaar vaarwater binnen de gemeente Oudewater. De regels zijn afkomstig uit afdeling 6 van de APV (artikelen 5:24 t/m 5:28). De bepalingen zijn gericht op het reguleren van ligplaatsen voor vaartuigen en het gebruik van watergebonden voorzieningen. De bepalingen zijn overgenomen vanwege hun directe ruimtelijke en fysieke impact op het watersysteem en de oevers. Door het opnemen van deze regels in de VFL wordt het mogelijk om lokale afwegingen te maken over de toedeling van ligplaatsen, het behoud van doorvaarbaarheid en het voorkomen van hinder of gevaarlijke situaties op en rondom het water. De regels zijn geschikt voor latere opname in het omgevingsplan, omdat zij: Invloed hebben op de inrichting en het gebruik van het watersysteem als onderdeel van de fysieke leefomgeving; Bijdragen aan een veilig, ordentelijk en bereikbaar gebruik van het openbaar vaarwater; Noodzakelijk zijn voor het handhaven van gemeentelijk beleid op het gebied van ligplaatsenbeheer en waterveiligheid. De bepalingen voorzien ook in een vergunningstelsel waarmee het college maatwerk kan leveren en toezicht kan houden op de toedeling en het gebruik van ligplaatsen. De juridische grondslagen sluiten aan bij de gemeentelijke bevoegdheden op basis van de Gemeentewet en de doelstellingen van de Omgevingswet. Niet alle bepalingen uit de APV over openbaar vaarwater zijn overgenomen in de VFL. Bepalingen over reddingsmiddelen, veiligheid op het water en overlast van vaartuigen. Deze bepalingen zien op het nautisch beheer en gedragsregulering van scheepvaartactiviteiten betreft, die niet binnen de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Hoofdstuk 3: Bescherming van de leefomgeving Afdeling 1: Cultureel erfgoed Toelichting op de afdeling Deze afdeling bevat bepalingen over de bescherming van gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologische waarden. De artikelen zijn afkomstig uit de Erfgoedverordening Woerden (artikelen 5 t/m 21 en 23) en artikel 5:38 van de APV. Ze zijn opgenomen vanwege hun directe relatie met de fysieke leefomgeving en hun juridische verplichte doorwerking naar het Omgevingsplan. Samen met de Omgevingswet vormt de Erfgoedwet het fundament voor de bescherming van monumenten. De Erfgoedwet bevat de algemene regels voor het behoud van cultureel erfgoed. In de Omgevingswet komen de meer specifieke regels over de instandhouding van monumenten, de omgang met de fysieke leefomgeving en de verlening van vergunningen. De opgenomen regels hebben betrekking op instandhoudingsplichten, vergunningsvereisten, weigeringsgronden en het gemeentelijk erfgoedregister. Voor een aantal bepalingen – de instandhoudingsplicht, de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten, de vergunningplicht voor gemeentelijke monumenten en de verbodsbepaling voor sloop in beschermde gezichten – geldt dat zij uiterlijk per 2032 moeten zijn overgezet naar het omgevingsplan, op grond van artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit en artikel 4.2 van de Omgevingswet. De bepalingen bieden het bevoegd gezag handvatten om zorgvuldig om te gaan met cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, structuren en gebieden. Tegelijkertijd is voorzien in een vergunningstelsel en beoordelingskaders om maatwerk mogelijk te maken en rechtszekerheid te bieden aan initiatiefnemers. De Erfgoedverordening is voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geactualiseerd. In de Omgevingswet wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Omgevingswet. Bepalingen betreffende roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen) en het erfgoedregister vallen buiten de scope van de Omgevingswet, omdat deze geen (of althans niet direct) betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Bepalingen hierover uit de Erfgoedverordening zijn daarom niet overgenomen in de VFL.
.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de verordening van vóór 2016 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen b
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.