Subsidieverordening Archeologie 2005PROVINCIALE STATEN VAN FRYSLAN gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 31 augustus 2004, nr 568210 gelet op de Nota Erfgoed, Deelnota Archeologie Provincie Fryslân 2003 besluiten als volgt HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1 De Algemene Subsidieverordening Provincie Fryslân 1998 is van toepassing, tenzij hiervan in de navolgende artikelen wordt afgeweken. Artikel 2 Het bepaalde bij of krachtens deze verordening over de hoogte van de subsidie of voorschriften die van toepassing zijn kan door GS buiten toepassing worden gelaten indien en voor zover dat noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van goedkeuring van de Europese Commissie op grond van artikel 87 lid 1 van het EG-verdrag. Artikel 3 In deze verordening wordt verstaan onder FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (zie ook toelich-ting) ontwikkeling van de FAMKE: het doen van onderzoek om verwachte of aangetoonde archeologische waarden en verwachtingen te controleren en preciseren en eventueel het kaartbeeld van de FAMKE aan te passen. toevalsvondst: archeologische vondst die wordt gedaan bij een ingreep in de bodem zonder dat de FAMKE, archeologisch vooronderzoek of een Programma Van Eisen voor destructief onderzoek daartoe aanwijzingen gaven verstoorder: degene die volgens de herziene Monumentenwet 1988 aansprakelijk kan worden gesteld voor de kosten van archeologisch onderzoek destructief onderzoek: werkzaamheden met als doel het in kaart brengen of onderzoeken van archeologische vindplaatsen, waarbij de vindplaats geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt doordat verstoring van de bodem optreedt Programma Van Eisen: door bevoegd gezag goedgekeurd document waarin de probleem- en doelstelling van het archeologisch onderzoek en de daar uit af te leiden eisen met betrekking tot de uitvoering zijn vastgelegd Artikel 4 Met de subsidiëring van archeologische projecten wordt beoogd een substantiële bijdrage te leveren aan: - een goede overdracht van kennis over de (Friese) archeologie; - verbreding van het draagvlak voor de Friese archeologie; - behoud en beheer van waardevol archeologisch erfgoed van provinciaal belang in de bodem (in situ); - het behoud en beheer van waardevol archeologisch erfgoed van provinciaal belang buiten de bodem (ex situ) voor zover dit al opgegraven is dan wel nog opgegraven moet worden, wanneer behoud ter plekke in de bodem niet mogelijk is. Artikel 5 Subsidies worden slechts verleend voor in de tijd afgebakende activiteiten met een afgeronde doelstelling als bedoeld in artikel 4 lid 1, onder c van de Algemene Subsidieverordening. De activiteiten moeten betrekking hebben op een van de volgende onderwerpen: - archeologische voorlichting (hoofdstuk 2) - archeologisch onderzoek in het kader van de ontwikkeling van de FAMKE (hoofdstuk 3) - archeologisch onderzoek in het kader van toevalsvondsten (hoofdstuk 4) Artikel 6 1 Subsidie kan alleen worden verleend, indien en voor zover de door Provinciale Staten beschikbaar gestelde middelen dit toelaten. 2 Indien de beschikbare middelen onvoldoende lijken te zijn, kan de verdeling hiervan plaatsvinden op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de projecten. Artikel 7 1 De aanvrager die in aanmerking wenst te komen voor subsidie, moet zijn aanvraag indienen bij Gedeputeerde Staten. 2 De aanvraag moet ten tijde van de planvorming worden ingediend maar in ieder geval vóór de aanvang van de activiteit. 3 De aanvraag moet worden ingediend door middel van een door Gedeputeerde Staten te verstrekken aanvraagformulier. Het aanvraagformulier moet volledig zijn ingevuld en ondertekend. De aanvraag dient verder vergezeld te gaan van: een offerte van de uitvoerende instantie; een toelichting op de aanvraag; een begroting van het project waaruit blijkt dat de financiering sluitend is. 4 Indien de aanvraag wordt gedaan door of namens een rechtspersoon, dient bovendien melding te worden gemaakt van subsidies of andere vormen van staatssteun die de subsidieontvanger, alsmede het eventuele moederconcern en/of dochters van de onderneming hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Tevens dient melding te worden gemaakt van eventuele andere aanvragen die in behandeling zijn op het moment van de aanvraag voor subsidie op grond van deze verordening. 5 Het voorgaande lid is niet van toepassing, indien de subsidie wordt aangevraagd door burgemeester en wethouders van een Friese gemeente. Artikel 8 1 Gedeputeerde Staten beslissen op de aanvraag binnen 13 weken nadat deze is ontvangen. 2 Indien de subsidie valt onder de omschrijving van steunmaatregel in artikel 87 lid 1 van het EG-verdrag en voor het verlenen van subsidie goedkeuring is vereist van de Europese Commissie wordt de beslistermijn opgeschort vanaf de dag na verzending van de melding aan de Europese Commissie tot de dag waarop het besluit over goedkeuring van de maatregel door de Commissie is ontvangen. Artikel 9 Subsidie kan onder meer worden geweigerd indien: subsidie wordt aangevraagd voor de ontwikkeling dan wel uitvoering van een project dat naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet past binnen de in artikel 4 genoemde beleidsdoelen en de in artikel 5 genoemde onderwerpen; subsidie wordt aangevraagd voor de ontwikkeling en of uitvoering van een project dat naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een zuiver gemeentelijke taak is of zou moeten zijn; subsidie wordt aangevraagd voor de ontwikkeling en of uitvoering van een project tot behoud en beheer van waardevol archeologisch erfgoed dat naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een rijkstaak is of zou moeten zijn; subsidie wordt aangevraagd voor de uitvoering van zuiver wetenschappelijk onderzoek zonder dat er sprake is van een duidelijk aantoonbaar nut voor de in artikel 4 genoemde beleidsdoelen en de in artikel 5 genoemde onderwerpen; subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten die naar de mening van Gedeputeerde Staten voor rekening van de verstoorder dienen te komen; de financiering van het project niet sluitend is. Artikel 10 Aan de verlening van subsidies kunnen aanvullende voorschriften worden verbonden. Artikel 11 1 Aan een aanvrager, aan wie subsidie is verleend, kunnen Gedeputeerde Staten voorschotten verlenen tot maximaal 90% van de verleende subsidie. 2 Een voorschot kan worden aangevraagd nadat de activiteit waarvoor subsidie is ver-leend van start is gegaan. 3 Een voorschot moet schriftelijk worden aangevraagd en vergezeld gaan van informatie over de voortgang van de activiteit. Artikel 12 Indien tijdens de uitvoering van de activiteit de begroting dreigt te worden overschreden, dient de aanvrager dit onverwijld schriftelijk voorzien van een toelichting aan Gedeputeerde Staten te melden. Artikel 13 1 De activiteit dient te zijn uitgevoerd vóór een door Gedeputeerde Staten in de be-schikking tot subsidieverlening daarvoor aangegeven datum, maar in ieder geval binnen 2 jaar na de subsidieverlening. 2 Verlenging van deze termijn is alleen mogelijk als vooraf een schriftelijk verzoek wordt ingediend met een toelichting over de voortgang van de activiteit en de reden van de opgelopen vertraging en de verwachte duur van de vertraging. Artikel 14 1 De aanvrager moet binnen zes maanden na afronding van het onderzoek een conceptrapportage indienen van het archeologisch onderzoek waarvoor subsidie is verleend; 2 Gedeputeerde Staten beoordelen binnen dertien weken na ontvangst de conceptrapportage; 3 de aanvrager moet binnen drie maanden hierna de definitieve rapportage indienen bij Gedeputeerde Staten; 4 Gedeputeerde Staten beoordelen binnen dertien weken na ontvangst de definitieve rapportage; 5 de aanvrager moet binnen drie maanden na goedkeuring door Gedeputeerde Staten van de definitieve rapportage een verzoek tot vaststelling van de subsidie indienen. Het vaststellingsverzoek dient vergezeld te gaan van: 6 bij een zeer uitvoerig onderzoek kan van de termijnen in lid 1, 2 en 4 worden afgeweken indien de aanvrager van tevoren een schriftelijk verzoek bij Gedeputeerde Staten indient. Artikel 15 1 Gedeputeerde Staten stellen een subsidie niet hoger vast dan het verleende subsidiebedrag; 2 Gedeputeerde Staten stellen een subsidie evenredig lager vast dan het verleende subsidiebedrag als de subsidiabele kosten van de activiteit lager zijn uitgevallen dan geraamd. Artikel 16 Onverminderd het bepaalde in artikel 4:48 van de Algemene Wet Bestuursrecht kunnen Ge-deputeerde Staten de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk intrekken indien de activiteit waarvoor de subsidie is verleend niet binnen de in artikel 13 genoemde termijn is uitgevoerd. HOOFSTUK 2 Archeologische voorlichting Artikel 17 Subsidie ten behoeve van archeologische voorlichting kan worden aangevraagd door een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of Burgemeester en Wethouders van een Friese gemeente. Artikel 18 Gedeputeerde Staten toetsen de aanvragen aan de volgende criteria: de mate waarin de voorlichting naar de verwachting van Gedeputeerde Staten bij zal dragen tot de ontwikkeling en verspreiding van de kennis van het Friese archeologisch erfgoed onder inwoners en bezoekers van de provincie Fryslân; de mate waarin de voorlichting naar de verwachting van Gedeputeerde Staten het draagvlak en de participatie zal bevorderen van de inwoners van de provincie Fryslân in het behoud, beheer en studie van het Friese archeologisch erfgoed; de mate waarin de voorlichting naar de verwachting van Gedeputeerde Staten binnen het beleid van de provincie past dan wel van provinciaal belang is; de mate waarin de voorlichting naar de verwachting van Gedeputeerde Staten toegevoegde waarde zal hebben ten opzichte van de bestaande voorlichting. Artikel 19 1 De provinciale subsidie kan ten hoogste bedragen 1/3 van de door Gedeputeerde Staten als redelijk aangemerkte kosten met een maximum van €5.000,- 2 Er dient sprake te zijn van een gemeentelijke bijdrage voor de activiteit. 3 De provinciale subsidie bedraagt nooit meer dan de gemeentelijke bijdrage. Artikel 20 In afwijking van het in artikel 14 bepaalde gelden met betrekking tot de afrekening van subsidies ten behoeve van archeologische voorlichting de volgende bepalingen: De aanvrager moet binnen drie maanden na afronding van het project een verzoek tot vaststelling van de subsidie van het project indienen. Het vaststellingsverzoek moet vergezeld gaan van: een financiële verantwoording van de activiteit, waarin de inkomsten en uitgaven gespecificeerd zijn opgenomen; een verklaring van de aanvrager, dat de subsidie daadwerkelijk aan de activiteit is besteed; een staat van de werkelijke wijze van financiering; een kort verslag van de activiteit met vermelding van het aantal mensen dat is bereikt en, indien van toepassing, een exemplaar van het product. HOOFDSTUK 3 Archeologisch onderzoek in het kader van de ontwikkeling van de FAMKE Artikel 21 Subsidie ten behoeve van onderzoek in het kader van de ontwikkeling van de FAMKE kan alleen worden aangevraagd door Burgemeester en Wethouders van een Friese gemeente. Artikel 22 Subsidie kan worden aangevraagd voor onderzoek met als doel het controleren en preciseren van (verwachte) archeologische waarden en het naar aanleiding daarvan eventueel aan-passen van het kaartbeeld van de FAMKE. Artikel 23 In aanvulling op artikel 7 geldt dat de subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van een Programma Van Eisen (PVE) voor het archeologisch onderzoek waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Dit PVE dient voorzien te zijn van een duidelijke kaart van het onderzoeksgebied. Artikel 24 1 Gedeputeerde Staten toetsen de aanvragen aan de mate waarin verwacht wordt dat de activiteit bijdraagt aan verbetering van de kwaliteit van de FAMKE; 2 Gedeputeerde Staten kunnen nader aangeven op welke punten en in welke gebieden zij de FAMKE nader willen ontwikkelen. Artikel 25 Subsidie kan onder meer geweigerd worden indien het onderzoek verband houdt met een voorgenomen fysieke ingreep in de bodem; het Programma Van Eisen naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet voldoende kwaliteit biedt. Artikel 26 1 Subsidie wordt alleen verleend als het veldwerk door een erkend en bevoegd archeologisch onderzoeksbureau wordt uitgevoerd; 2 Alleen de direct aan het onderzoek verbonden loonkosten en/of materiële kosten kunnen subsidiabel zijn; 3 De provinciale subsidie kan ten hoogste bedragen 50% van de door Gedeputeerde Staten als redelijk aangemerkte kosten met een maximum van €30.000,-- 4 Er dient sprake te zijn van een gemeentelijke bijdrage aan de activiteit. 5 De provinciale subsidie bedraagt nooit meer dan de gemeentelijke bijdrage. HOOFDSTUK 4 Archeologisch onderzoek in het kader van een toevalsvondst Artikel 27 Subsidie ten behoeve van archeologisch onderzoek in het kader van een toevalsvondst kan worden aangevraagd door een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of Burgemeester en Wethouders van een Friese gemeente. Artikel 28 Subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten ten behoeve van het vastleggen van archeologische informatie. Artikel 29 Subsidie kan slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: dat er sprake is van een concrete dreiging van het verloren gaan van archeologisch erfgoed door een ingreep in de bodem; en dat er sprake is van een toevalsvondst; en dat de aanvraag vergezeld gaat van een offerte van een archeologisch onderzoeksbureau dat bevoegd is de activiteit uit te voeren. Artikel 30 Subsidie kan onder meer worden geweigerd indien het een vondst betreft die gedaan wordt bij een ingreep waarvoor de bouw- of aanlegvergunning is verleend zonder dat rekening is gehouden met het advies op de FAMKE. Artikel 31 Gedeputeerde Staten toetsen de aanvragen aan de mate waarin het betreffende archeologisch erfgoed naar de verwachting en het oordeel van Gedeputeerde Staten van provinciaal belang is. Artikel 32 1 Subsidie wordt alleen verleend als het onderzoek door een daartoe bevoegd archeologisch onderzoeksbureau wordt uitgevoerd. 2 Alleen de direct aan het onderzoek verbonden loonkosten en/of materiële kosten kunnen subsidiabel zijn. 3 De provinciale subsidie kan ten hoogste bedragen 50% van de door Gedeputeerde Staten als redelijk aangemerkte kosten met een maximum van €25.000,--. HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen Artikel 33 Gedeputeerde Staten kunnen aan de subsidieontvanger afwijkende of aanvullende verplichtingen opleggen. Artikel 34 In speciale gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de bepalingen van deze verordening. Artikel 35 Deze verordening kan worden aangehaald als ´Subsidieverordening Archeologie 2005´. Artikel 36 Deze verordening treedt in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.