Verordening rioolheffing 2026De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2025 (raadsvoorstel nr. 25bb006556/25bo007415); 25bb006566; gelet op de artikelen 216 en 228a van de Gemeentewet; overwegende dat: de heffing en invordering van de rioolheffing bij verordening wordt geregeld; besluit: Artikel1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: gemeentelijke riolering: voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; niet-woning: perceel, niet zijnde een woning; woning: perceel dat in hoofdzaak tot woning dient. Artikel2Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven voor de kosten verbonden aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel3Belastbaar feit en belastingplicht 1.De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 2.Ingeval het perceel een onroerende zaak is, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat diegene op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel4Voorwerp van de belasting 1.Voorwerp van de belasting is een perceel. 2.Als perceel wordt aangemerkt: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; de roerende zaak die duurzaam aan een plaats is gebonden; een gedeelte van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel b dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer van de roerende zaken als bedoeld in onderdeel b of gedeelten van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel c die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; het binnen de gemeente Rotterdam gelegen deel van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel b, van een gedeelte van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel c of van een samenstel van twee of meer onroerende zaken als bedoeld in onderdeel d. Artikel5Maatstaf van heffing 1.De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel. 2.Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde belastingjaar geldt. 3.Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel6Belastingtarieven 1.Het tarief voor woningen bedraagt per perceel per belastingjaar: € 63,80, indien de waarde, als bedoeld in artikel 5 in het economische verkeer minder bedraagt dan € 50.000; € 319,10, indien de waarde, als bedoeld in artikel 5 in het economische verkeer € 50.000 of meer bedraagt. 2.Het tarief voor niet-woningen bedraagt per perceel per belastingjaar: € 63,80, indien de waarde, als bedoeld in artikel 5 in het economische verkeer minder bedraagt dan € 50.000; € 319,10, indien de waarde, als bedoeld in artikel 5 in het economische verkeer € 50.000 of meer bedraagt maar niet meer dan € 200.000; € 319,10, verhoogd met 0,1270% van het deel van de waarde dat hoger is dan € 200.000, indien de waarde, als bedoeld in artikel 5 in het economische verkeer meer bedraagt dan € 200.000, met dien verstande dat het tarief maximaal € 2.765,20 bedraagt. Artikel7Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel8Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel9Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar. Artikel10Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen voor woningen betaald in één termijn welke 62 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt. 2.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen voor niet-woningen betaald in één termijn welke 62 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt. 3.In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen worden betaald in twaalf termijnen. De eerste termijn vervalt 31 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens 31 dagen later. 4.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. Artikel11Intrekking en overgangsrecht De Verordening rioolheffing 2025 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2026 hebben voorgedaan. Artikel12Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.