Verordening afvalstoffenheffing 2026De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2025 (raadsvoorstel nr. 25bb006556/25bo007415); 25bb006564; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en artikel 216 en 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; overwegende dat: de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing bij verordening wordt geregeld; besluit: Artikel1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gebruik maken: gebruik van een perceel als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Artikel2Aard van de belasting en belastbaar feit 1.Onder de naam afvalstoffenheffing wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2.De afvalstoffenheffing wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel3Voorwerp van de belasting 1.Voorwerp van de belasting is een perceel. 2.Als perceel wordt aangemerkt: de onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16, onderdelen a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; een gedeelte van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel b dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer roerende zaken als bedoeld in onderdeel b of in gedeelten daarvan als bedoeld in onderdeel c die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; het binnen de gemeente gelegen deel van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel b, van een gedeelte daarvan als bedoeld in onderdeel c of van een samenstel als bedoeld in onderdeel d. Artikel4Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente, naar de omstandigheden beoordeeld, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel5Maatstaf van heffing en belastingtarieven 1.De belasting bedraagt per perceel en per kalenderjaar: € 381,90 voor één persoon; € 457,50 voor twee personen; € 495,30 voor drie personen of meer. 2.In afwijking van het eerste lid, is het tarief, indien het belastingtijdvak een gedeelte van een kalenderjaar omvat, gelijk aan de som van zoveel twaalfde delen van het voor het desbetreffende kalenderjaar geldende tarief als daarvan kalendermaanden behoren tot het belastingtijdvak. 3.De belasting bedraagt, indien de huishoudelijke afvalstoffen afkomstig zijn van onzelfstandige wooneenheden voor een perceel waarop meerdere personen verblijven, per kalenderjaar: het tarief genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wanneer het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door één persoon; het tarief genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wanneer het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door twee personen; het tarief genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wanneer het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door 3 tot en met 5 personen; € 1.517,10, wanneer het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door 6 tot en met 10 personen; € 2.371,50, wanneer het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door 11 tot en met 15 personen; € 2.371,50 vermeerderd met € 182,20 voor elke extra persoon vanaf 16 personen wanneer het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door 16 personen of meer. Artikel6Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel8Heffing naar tijdsgelang 1.De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingtijdvak verschuldigde belasting als er in dat belastingtijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belastingplicht voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingtijdvak verschuldigde belasting als er in dat belastingtijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.Indien het aantal personen dat gebruik maakt van het perceel in de loop van het jaar wijzigt, bestaat geen aanspraak op ontheffing van de belastingplicht. Artikel9Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, wordt de aanslag betaald in één termijn welke 62 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt. 2.In afwijking van het eerste lid, geldt dat zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen worden betaald in twaalf termijnen. De eerste termijn vervalt 31 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens 31 dagen later. 3.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. Artikel10Intrekking en overgangsrecht De Verordening afvalstoffenheffing 2025 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2026 hebben voorgedaan. Artikel11Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.