Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2025 (raadsvoorstel nr. 25bb006556/25bo007415); 25bb006558; gelet op de artikelen 216, 220 tot en met 220f, 220h en 221 van de Gemeentewet; overwegende dat: de heffing en invordering van de belasting op roerende woon- en bedrijfsruimten bij verordening wordt geregeld; besluit: Artikel1Definities Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijfsruimte: ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte; ruimte: roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; woonruimte: ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel2Belastbaar feit en belastingplicht 1.Onder de naam belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten worden ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen geheven: gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 2.Bij de gebruikersbelasting wordt: gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld. 3.Degene die een bedrijfsruimte in gebruik heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of een deel daarvan in gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld. Artikel3Voorwerp van de belasting 1.Voorwerp van de belasting is een roerende woon- of bedrijfsruimte. 2.Als één ruimte wordt aangemerkt: een binnen de gemeente gelegen ruimte; een gedeelte van een ruimte als bedoeld in onderdeel a dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer ruimten als bedoeld in onderdeel a of gedeelten daarvan als bedoeld in onderdeel b die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; het binnen de gemeente gelegen deel van een ruimte als bedoeld in onderdeel a, van een gedeelte daarvan als bedoeld in onderdeel b of van een samenstel als bedoeld in onderdeel c. Artikel4Maatstaf van heffing 1.De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte wordt toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 2.De waarde van een bedrijfsruimte wordt, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: de aard en de bestemming van de ruimte; de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 3.De waarde van een ruimte in aanbouw wordt bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. 4.De waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, wordt bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte. 5.Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die wordt toegekend aan de gehele ruimte. Artikel5Uitzonderingen 1.Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten, de waarde van: glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw, waarbij onder cultuurgrond mede wordt begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken; ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt ten behoeve van begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning. 2.In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de bedrijfsruimte die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel6Waardepeildatum 1.De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de ruimte op die datum verkeert. 2.De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt bepaald. 3.In afwijking van het eerste lid wordt de waarde bepaald naar de staat van de ruimte aan het begin van het kalenderjaar indien de ruimte in het kalenderjaar voorafgaande aan het begin van het kalenderjaar: is opgegaan in een andere ruimte dan wel in meer ruimten; is gewijzigd als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of; een verandering in waarde is ondergaan als gevolg van een andere, specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid. Artikel7Belastingtarieven 1.Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: de gebruikersbelasting 0,2944% de eigenarenbelasting: voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0643%; voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,4129%. 2.Indien de heffingsmaatstaf lager is dan € 12.000, wordt geen belasting geheven. Artikel8Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel9Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen, betaald in één termijn welke vervalt 62 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, betaald in één termijn welke vervalt 62 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. 3.In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen worden betaald in twaalf termijnen. De eerste termijn vervalt 31 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens 31 dagen later. 4.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. Artikel10Intrekking en overgangsrecht De Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2025 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2026 hebben voorgedaan. Artikel11Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.