Beleidsregel Uitvoering- en handhavingstrategie Regio Utrecht Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, Gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit; Overwegende dat: Zij op grond van de artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn tot het vaststellen van een uitvoerings-en handhavingsstrategie; het gewenst is ter invulling van hun beleidsruimte een beleidsregel vast te stellen over het regionale VTH-kader dat de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) aanstuurt Besluiten de volgende beleidsregel vast te stellen: Hoofdstuk1Inleiding en kader Inleiding Dit is hét regionale kader van de Utrechtse gemeenten en de provincie Utrecht voor de taakuitvoering van de ODU. De ODU werkt vanaf 1 januari 2026 voor alle gemeenten in de provincie Utrecht en de provincie zelf. De U&H-strategie beschrijft welke maatschappelijke opgaven centraal staan in de regio en hoe de deelnemers de ODU inzetten om deze doelen te behalen. De U&H-strategie is gemaakt met en door de regio én met overheden van buiten de regio. De deelnemers, de ODU en haar partners trekken samen op. Vooral in de uitvoering. Want daarmee wordt de meeste milieuwinst behaald. Het gemeenschappelijk uitvoeringskader geeft richting en wordt gebruikt om de komende jaren te blijven sturen op de maatschappelijke impact van de ODU. Deze U&H-strategie is het gezamenlijk uitvoeringskader van alle gemeenten in de provincie Utrecht en de provincie Utrecht zelf. Een gezamenlijke U&H-strategie is wettelijk verplicht op grond van de Omgevingswet. Deze U&H-strategie gaat over de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering (VTHA) die gemeenten en provincie verplicht en facultatief hebben overgedragen aan de ODU. De U&H-strategie bestaat uit twee delen. In deel I is de U&H-strategie op hoofdlijnen beschreven. In deel II, de bijlagenbundel, zijn onder meer de strategieën verder uitgewerkt. De twee delen vormen gezamenlijk de U&H-strategie en worden beiden vastgesteld door de colleges van de deelnemers. Aanleiding De huidige regionale uitvoering- en handhavingstrategie loopt per 2026 af. De bevoegde gezagen en Utrechtse omgevingsdiensten hebben destijds bij de ontwikkeling van deze strategie al afgesproken dat er een opvolger zou komen, met een hogere kwaliteit. Een doorontwikkeling, waarbij het goede behouden blijft en verbeterd wordt wat beter kan. Dat heeft geresulteerd in een intensief traject met ruim 40 partners om te komen tot de U&H- strategie. Deze samenwerking en het behaalde resultaat vormen een belangrijke mijlpaal voor de regio. Achtergrond en scope De samenleving mag van de overheid een professionele kwaliteit van de uitvoering van de VTHA-taken verwachten. De gemeenten en de provincie zijn verantwoordelijk voor de VTHA-taken. Zij zijn de bevoegde gezagen. De ODU voert de wettelijke VTHA-basistaken op het gebied van milieu, asbest en bodem uit. De bevoegde gezagen kunnen ervoor kiezen om meer taken bij de ODU neer te leggen. Een overzicht van alle taken staat in de producten- en dienstencatalogus (PDC) van de ODU. Binnen de provincie Utrecht is er nog een omgevingsdienst verantwoordelijk voor de uitvoering van VTHA-taken: de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). De OD NZKG is verantwoordelijk voor de meest risicovolle bedrijven waarvoor uitsluitend de provincie bevoegd gezag is en valt buiten de scope van deze U&H-strategie. De U&H-strategie is enkel van toepassing op de VTHA taken die de ODU voor 26 gemeenten en de provincie Utrecht uitvoert. Governance Een gangbare definitie van governance is ‘het waarborgen van de onderlinge samenhang van de wijze van sturen, beheersen en toezicht houden van een organisatie, gericht op een efficiënte en effectieve realisatie van doelstellingen, als ook het daarover op een open wijze communiceren en verantwoording afleggen ten behoeve van belanghebbenden’. Governance gaat over het invullen van de randvoorwaarden om de regionale doelstellingen uit de U&H-strategie te realiseren. Of de uitvoering van deze taken nu wel of niet binnen de eigen organisatie gebeurt, de colleges van Burgemeester en Wethouders (B&W) en Gedeputeerde Staten (GS) blijven altijd verantwoordelijk voor- en aanspreekbaar op de realisatie van deze doelstellingen. De ODU is een vorm van verlengd lokaal bestuur. In dit geval een publiekrechtelijke samenwerking met een openbaar lichaam volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen. Binnen deze regeling kunnen takenpakketten, mandaat en kwaliteitsverordeningen per gemeente of provincie verschillen. De afgelopen jaren is sterk aangestuurd op een regionale U&H-strategie met regionale doelen waarbinnen ruimte is voor lokale prioriteiten. Doordat deze doelen voor alle bevoegde gezagen vergelijkbaar zijn, kan de ODU hier efficiënter en effectiever aan werken en zo meer maatschappelijke impact maken. Er is aanvullend ruimte voor extra of andere lokale ambities. Ieder bevoegd gezag werkt nog met een individuele dienstverleningsovereenkomst (DVO) met de ODU. De bevoegde gezagen brengen deze extra of lokale ambities in via de eigen DVO. De U&H-strategie is uniform voor de taken die uitgevoerd worden door de ODU en is één van de VTH-beleidstukken die door de gemeenten en provincie zijn vastgesteld. Dit betekent dat de gemeenten en provincie eigen strategieën vaststellen voor de taken die niet aan de omgevingsdienst zijn overgedragen. Gemeenten en de provincie kunnen de strategieën uit deze U&H-strategie ook van toepassing verklaren op hun eigen taken. De regionale U&H-strategie is gebaseerd op maatschappelijke opgaven, lokale strategieën kunnen daar ook op gebaseerd worden. Op deze wijze ontstaat er een regionale beleidscyclus op bepaalde opgaven met meer samenhang en effectiviteit in de uitvoering en een betere communicatie over bereikte resultaten. Naast een meerjarige U&H-strategie, eist de Omgevingswet ook regionale uitvoeringsprogramma’s en evaluaties die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen uit de meerjarige strategie. De deelnemers en de ODU stellen gezamenlijk het regionaal uitvoeringsprogramma op. De uitvoering daarvan wordt voorbereid door de ODU. Door alle deelnemers wordt de voortgang van de uitvoering bewaakt en geëvalueerd. Dit geheel vormt de beleidscyclus en staat bekend als de BIG 8-cyclus (zie afbeelding hieronder). VTHA is slechts één van de instrumenten om langere termijn doelen te bereiken. Strategisch beleid kent daarom meerdere BIG-8- achtige cycli, voor elk van de instrumenten die worden ingezet op dat specifieke beleid. Regionale Beleidscyclus (BIG-8) Hoofdstuk2Evaluatie uniforme regionale U&H Strategie 2022-2025 De regionale U&H-strategie 2022- 2025 had als belangrijkste doel om te voldoen aan het Besluit omgevingsrecht en is in die opzet geslaagd. De U&H-strategie 2022- 2025 was ook het vertrekpunt voor een blijvende doorontwikkeling van de kwaliteit van het werk dat door de Utrechtse omgevingsdiensten verricht wordt. Ook in die opzet is het geslaagd. Zo is er aan de hand van de subdoelen uit de U&H- strategie 2022- 2025 op inhoud verder gewerkt aan die doorontwikkeling. Enkele voorbeelden daarvan zijn: de pilot ‘afhandeling van klachten met een gezondheidscomponent’; de verdere professionalisering van informatiegestuurd- en datagericht werken; de ontwikkeling van het dashboard energiebesparing en; de sterk verbeterde jaarrapportages. Anderzijds zijn de geleerde lessen van de U&H-strategie 2022- 2025 en de implementatie ervan meegenomen in de nieuwe U&H-strategie. Die lessen gaan zowel over de inhoud van de U&H- strategie als over het proces om te komen tot een breed gedragen U&H-strategie. Ze staan in bijlage B. Hoofdstuk3Bijdrage aan missie en visie Deze U&H-strategie is hét regionale kader van de Utrechtse gemeenten en de provincie Utrecht voor de taakuitvoering van de ODU. Het beschrijft welke maatschappelijke opgaven de deelnemers centraal stellen in de regio en hoe de deelnemers de ODU inzetten om deze doelen te behalen. Door één centrale opdracht van de deelnemers aan de ODU creëren de deelnemers efficiënt, effectief, realistisch en doelmatig werk. Het document biedt toekomstperspectief waar op basis van prioriteiten uitvoering aan kan worden gegeven. Vanuit de centrale positie kan de ODU kennis en ervaring inbrengen en proactief en prikkelend adviseren. De ODU wordt als centrale partner gebruikt voor het signaleren van ontwikkelingen waar alle partners wat mee moeten. Hoofdstuk4Probleem/ omgevingsanalyse De doelen uit de Omgevingswet zijn het uitgangspunt. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Bij het beschermen gaat het om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Op basis van deze doelen herkennen we vijf maatschappelijke opgaven in de regio Utrecht. Deze opgaven vormen de basis voor de U&H- strategie. De opgaven komen grotendeels uit de omgevingsanalyse ten behoeve van de omgevingsvisie van de provincie Utrecht en zijn getoetst aan gemeentelijke omgevingsvisies. De keuze is expliciet om de klassieke methode van doelen stellen met deze probleem-/omgevingsanalyse aan te vullen en te verrijken. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage D. De vijf maatschappelijke opgaven die centraal staan: Gezonde leefomgeving Bodem en water Duurzaamheid Toekomstbestendige natuur Milieucriminaliteit. Hoofdstuk5Regionale doelen en prioriteiten Regionale doelen In de U&H-strategie staan doelen die focus aanbrengen binnen verschillende thema’s, welke allemaal onderdeel zijn van een maatschappelijke opgave. Op deze manier wordt er maximaal impact gemaakt op de belangrijkste maatschappelijke opgaven die de deelnemers met elkaar in de regio hebben. De inzet van VTHA-instrumenten draagt bij aan het bereiken van de doelen. Voor elk van de thema’s is samen met meer dan 200 experts van binnen en buiten de regio geformuleerd waar de ODU met de inzet van het VTHA-instrumentarium aan bijdraagt en wat ervoor nodig is om dat waar te kunnen maken. Hierdoor is er een transparant en vrijwel volledig beeld ontstaan van de opgaven die er liggen. Hieronder staat kort en bondig welke doelen er per opgave respectievelijk thema zijn gesteld, met enkele voorbeelden van de wijze waarop die doelen bereikt moeten worden. De opgaven en thema’s zijn onderling niet geprioriteerd. Voor alle thema’s geldt een wettelijke basis. Wel verschilt de aanpak tussen diverse thema’s, maar er is geen thema belangrijker dan het andere. Binnen de thema’s gelden wel prioriteiten. Een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop doelen tot stand zijn gekomen en hoe prioriteiten worden gesteld staat in bijlage E. Gezonde leefomgeving Geur Doel Hoe? Bijdragen aan het verminderen van geurhinder voor een gezonde woon- en leefomgeving, door regulering van geurbronnen. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Voorschriften opnemen in vergunningen over de toepassing van BBT. Toezicht op de werking van installaties. Overlast aanpakken bij de bron. Adviseren over geurnormen als onderdeel van lokale omgevingsplannen. Omgevingsveiligheid Doel Hoe? Bijdragen aan het beheersen van veiligheid- en gezondheidsrisico’s. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Extra aandacht voor nieuwe vormen van energie- opwekking, zoals (grote) batterijen voor energieopslag en waterstof. Extra aandacht bij oplevercontroles bij nieuwe bedrijven waar omgevingsveiligheid een issue is. Bijdragen aan het opstellen van een regionaal programma omgevingsveiligheid. Luchtkwaliteit Doel Hoe? Bijdragen aan het per 2030 voldoen aan de laatst vastgestelde EU- normen. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Strenger vergunnen. Vergunningen zijn gericht op doel (resultaatgerichte waarden) en minder of niet op middelen. De grootste vervuilers krijgen prioriteit in toezicht en bij actualisatie van vergunningen. Toezicht op de werking van installaties. Geluid Doel Hoe? Bijdragen aan het verminderen van geluidshinder voor een gezonde woon- en leefomgeving. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Voorschriften opnemen in vergunningen over de toepassing van BBT. Toezicht op de werking van installaties. Inzetten op het voorkomen van vermijdbaar geluid. Adviseren over geluidsnormen als onderdeel van lokale omgevingsplannen. Bodem & water Bodem sturend Doel Hoe? Bijdragen aan het duurzaam gebruiken en benutten van bodem- en watersystemen, zodat de leefomgeving beschermd wordt en klimaatbestendig en waterveilig is ingericht. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Risicogericht werken, sturen op naleefgedrag. Een integrale benadering van bodem- en watersystemen. Toezicht op de hele keten van (grond)stoffenstromen. Waterkwaliteit Doel Hoe? Bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit conform de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) door het voorkomen van lozen van chemische en organische stoffen in water door bedrijven. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: De BBT worden zoveel mogelijk toegepast, waar het kan BBT- plus. Er worden voorschriften opgenomen in vergunningen die de doelmatige werking van de lozingsketen beschermen. Bij het actualiseren van vergunningen worden de voorschriften afgestemd op de doelen uit de Kaderrichtlijn water (KRW). Er wordt nauw samengewerkt met de waterschappen. Toekomstbestendige natuur Biodiversiteit Doel Hoe? Bijdragen aan het herstel van de biodiversiteit. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Bij het toetsen van vergunningen wordt rekening gehouden met de cumulatie van effecten. Toezicht op basis van kwetsbaarheid van gebieden. Ecologische advisering bij aangevraagde evenementen. Ondersteuning bij de toepassing van Soortenmanagement plannen (SMP’s). Milieucriminaliteit Doel Hoe? Bijdragen aan de bestrijding van milieucriminaliteit op landelijke geprioriteerde thema’s: afvalverwerking, asbest, gewasbescher-mingsmiddelen en zeer zorgwekkende stoffen. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Vergunningaanvragen worden getoetst aan het gemeentelijk- en provinciaal BIBOB- beleid. Toezicht richt zich op de gehele keten van (afval)stoffen. De ODU sluit aan bij landelijke thematafels over de geprioriteerde thema’s. Duurzaamheid Circulaire economie Doel Hoe? De ODU stimuleert circulariteit (grondstofbesparing en afvalpreventie), zolang dat op een veilige en gezonde manier kan. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Hergebruik van afval wordt wel overwogen en risicogericht toegestaan door middel van proefnemingen. Via vergunningvoorschriften wordt grondstoffenbeperking gestimuleerd. In vergunningen wordt circulair ontwerp opgenomen. De actualisatie van verginningen is gebaseerd op sector en/ of op specifieke grondstofstromen. Energiebesparing Doelen Hoe? Een zo groot mogelijke bijdrage aan energiebesparing bij bedrijven. Een zo groot mogelijke bijdrage aan de vermindering van CO2-uitstoot door bedrijven als gevolg van energiecontroles. Bijdragen aan de verduurzaming van energiegebruik. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Toezicht op de verduurzaming van energieverbruik. Toezicht op koudemiddelen en stookinstallaties. Toezicht op energielabelverplichtingen. Toezicht op de inrichting van duurzame energiesystemen. Bodemenergie Doelen Hoe? Bijdragen aan het behouden van een juiste balans tussen het beschermen en benutten van het Utrechtse bodemenergiesysteem. Bijdragen aan een eerlijke verdeling van energie en water voor alle eindgebruikers. De inzet van het VTHA-instrumentarium staat in de bijlage. Het gaat in ieder geval om: Bij het beoordelen van vergunningaanvragen wordt getoetst of de verdeling van energie en water evenredig is. De van negatieve invloed op drinkwatervoorzieningen wordt zo veel mogelijk beperkt dan wel voorkomen. Kwetsbare gebieden worden beschermd door het voorkomen van onnodige doorboring van kleilagen. Toezicht op de werking van bodemenergiesystemen. Hoofdstuk6Uitgangspunten en werkwijzen Uitgangspunten Deze U&H- strategie is gebaseerd op een aantal uitgangspunten die ook doorwerken in de implementatie. Deze uitgangspunten zijn opgehaald tijdens de vele expertsessies en zijn randvoorwaardelijk bij het kunnen bereiken van de doelen uit de U&H- strategie. De uitgangspunten zijn: De ODU werkt informatiegestuurd en risicogericht om te bepalen hoe het VTHA-instrumentarium wordt ingezet. De deelnemers en de ODU hebben medewerkers die niet in primaire processen werken maar zorgdragen voor de implementatie van de U&H-strategie, blijvende aandacht voor de regionale beleidscyclus hebben en knelpunten en successen ophalen in de organisatie en bij de deelnemers. De “Best beschikbare technieken (BBT)” en de meest actuele richtlijnen en kaders worden toegepast waar mogelijk. De werkprocessen van de ODU voorzien in een warme overdracht van vergunningen naar toezicht, ook als het toezicht niet bij de ODU zelf ligt. Er wordt gehandhaafd volgens de Landelijke Handhavings- en Sanctiestrategie Omgevingsrecht (LHSO), en waar het kan op de specifieke zorgplicht. De regio opereert zo veel mogelijk als één overheid. De regio sluit zo veel mogelijk aan bij landelijke sporen, lobby’s en andere initiatieven. Op deze manier wordt zo snel mogelijk van elkaar geleerd en bijgedragen aan uniformiteit en duidelijkheid. De ODU signaleert en adviseert proactief over (uniforme) milieu gerelateerde regels in het omgevingsplan en brengt gemeenten hierover waar nodig bij elkaar. Werkwijzen Voor de uitvoering wordt gewerkt met diverse werkwijzen en volgens een aantal strategieën. Deze staan integraal in deel II. Het gaat om de volgende werkwijzen en strategieën: Informatiegestuurd- en risicogericht werken. Zie bijlage F. Reguleringstrategie. Zie bijlage G. Toezichtstrategie. Zie bijlage H. Handhavingstrategie. Zie bijlage I. Advisering. Zie bijlage J. Samenwerkingstrategie. Zie bijlage K. Gedoogstrategie. Zie bijlage L. Klachtafhandeling. Zie bijlage M Hoofdstuk7Kwaliteitsmanagement Kwaliteitsdoelstellingen Elke deelnemer van de ODU heeft een verordening uitvoering- en handhaving omgevingsrecht vastgesteld. In de verordeningen is een verplichting opgenomen om te voldoen aan de kwaliteitscriteria. Ook is in de verordening een verplichting opgenomen om doelen uit te werken op de volgende onderwerpen: Uitvoeringskwaliteit Dienstverlening Financiën Bij de uitvoering van de aan de ODU opgedragen taken worden kwaliteitsdoelen gesteld. Deze kwaliteitsdoelen staan in de tabel hieronder. Uitvoeringskwaliteit Doelstellingen Indicatoren De ODU koppelt in rapportages effecten op de leefomgeving (outcome) aan gerealiseerde activiteiten (output), zoals bijvoorbeeld het aantal uitgevoerde controles. In rapportages is per activiteitensoort een outcome analyse opgenomen. De met ketenpartners gemaakte uitvoeringsafspraken onder de Omgevingswet worden nageleefd. Steekproefsgewijs wordt gecontroleerd of de uitvoeringsafspraken worden gehanteerd. De door de ODU geleverde producten uit de producten- en dienstencatalogus voldoen aan de juridische eisen en gemaakte dienstverleningsafspraken. Aantal te actualiseren vergunningen volgens het jaarlijks uitvoeringsjaarprogramma Aantal daadwerkelijk geactualiseerde vergunningen. Dienstverlening Subdoelstellingen Indicatoren De ODU neemt ingekomen overlastmeldingen en klachten binnen 2 werkdagen inhoudelijk in behandeling en geeft een terugkoppeling aan de indiener van de melding. Aantal ingekomen klachten en meldingen Start behandeling Terugkoppeling De ODU handelt 100% van de aanvragen omgevingsvergunning af binnen de daarvoor geldende termijnen. Aantal aanvragen (per soort) Behandeltermijn per aanvraag (soort) Bij toezicht informeert de toezichthouder ondernemers proactief over wet- en regelgeving en BBT. De verstrekte informatie wordt in het dossier vastgelegd. Aantal controles Aantal vastgelegde informatiemomenten Financiën Subdoelstellingen Indicatoren De ODU is een robuuste omgevingsdienst die haar takenpakket deskundig kan uitvoeren. Daarom voldoet de ODU aan de landelijke (robuustheids)eis die gesteld wordt aan de omzet op de basistaken en milieu gerelateerde plustaken inclusief overhead. Robuustheidseis IBP VTH Omzet basis- en milieu gerelateerde plustaken Kwaliteitscriteria De organisaties die VTH-taken uitvoeren moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria 3.0 (hierna: KC 3.0), om op die manier voldoende deskundigheid in huis te hebben om de taken uit te voeren. Die deskundigheid wordt gemeten in termen van opleiding, ervaring, ingezette uren en competenties. De ODU wil op 1 april 2026 voldoen aan deze eisen op de deskundigheidsgebieden uit de KC 3.
- Procescriteria De procescriteria betreffen eisen aan het proces. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn: - Evaluatie - Beleid - Strategie - Uitvoeringsprogramma - Voorbereiding - Uitvoering VTH en advisering – Monitoring. Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie. De criteria bieden de kaders voor een kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. In de procescriteria wordt op een systematische wijze de samenhang tussen beleid en uitvoering beschreven. De samenhang tussen de beleids- en uitvoeringscyclus noemt men de regionale beleidscyclus (BIG-8). Het doorlopen van deze cyclus en hoe dit in de praktijk vorm te geven staat uitgebreid in de Handreiking regionale beleidscyclus van het Interbestuurlijk programma VTH (IBP-VTH). De regionale beleidscyclus gaat uit van een meerjarig regionaal uitvoeringsprogramma op basis van een uitvoering- en handhavingstrategie. Hierbij staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen voor het uitvoeren van (boven)wettelijke taken en het bereiken van de gestelde doelen centraal. Het regionale programma moet vervolgens worden doorvertaald naar de deelnemers waarbij aanvullende wensen van de gemeente in het uitvoeringsprogramma kunnen worden meegenomen. Deze U&H-strategie is nog niet doorvertaald naar een regionaal uitvoeringsprogramma. Dit is in het licht van de totstandkoming van de ODU en de fase waarin de regionale samenwerking zich bevindt op dit moment nog een te grote stap. De totstandkoming van een regionaal meerjaren uitvoeringsprogramma is wel een wenselijke ontwikkeling. Het stelt de ODU in staat om vanuit een uniforme en stabiele wijze te werken aan de regionale doelen en prioriteiten en de organisatie op de meest efficiënte wijze hierop in te richten. De deelnemers van de ODU richten daarom in 2026 een proces in om de basis voor een dergelijk regionaal meerjarenprogramma te ontwikkelen. In dit proces gaan de deelnemers en de ODU ook op zoek naar een manier om de BIG-8 cyclus (beter) af te stemmen op de planning en control (P&C)-cyclus. Hoofdstuk8Monitoring en evaluatie Monitoring De volgende vragen staan centraal bij de monitoring: Ligt de uitvoering op schema ten opzichte van het UVP? Is aanpassing van de afgesproken inzet nodig? Dit kan zowel op- als afschaling betekenen. Wordt het juiste instrumentarium ingezet om onze doelen te bereiken? Moeten de beleidsdoelen aangepast worden? Welke trends zijn zichtbaar? Hoe verhouden de resultaten zich tot die van andere omgevingsdiensten in een benchmark? Worden de juiste KPI’s gehanteerd? Evaluatie Jaarlijks evalueert de ODU samen met haar opdrachtgevers de effecten van de gepleegde inzet. Dit kan leiden tot het aanpassen van strategieën, prioriteiten en in te zetten middelen. De vertaling landt in het uitvoeringsprogramma voor het jaar erop. In het geval dat deze vertaling consequenties voor de begroting van de opdrachtgevers en/of de ODU heeft, moet deze tijdig in beeld zijn en doorgevoerd. Anders verwoord, de BIG 8 cyclus moet op de P&C- cyclus van de deelnemers aan gaan sluiten. Ook wordt er jaarlijks geëvalueerd of de U&H- strategie aangepast moet worden. Op bestuurlijk niveau (bevoegde gezagen) vindt er periodiek, bv. elke vierjaar, een evaluatie van de U&H-strategie plaats. Waar staan we nu? Deze U&H-strategie is de eerste die volledig gericht is op het bereiken van maatschappelijk effect op regionale opgaven. Dat vraagt om een andere manier van registreren en rapporteren. Op sommige onderdelen wordt dit al uitgevoerd, bijvoorbeeld bij energiebesparing. Op andere onderdelen moet dit nog nagenoeg geheel ontwikkeld worden. Die tijd heeft de ODU nodig. In gezamenlijkheid werken ODU en haar opdrachtgevers/deelnemers aan deze opgave. Denk aan het verder ontwikkelen van dashboards en het verder verbeteren van rapportages en de wijze van presenteren van resultaten. Voor een goede monitoring is het belangrijk om data aan kwalitatieve gesprekken te koppelen. Jaarlijks komen de regionale experts op verschillende thema’s bij elkaar om deze gesprekken te voeren. Dit worden “BIG-8 gesprekken” genoemd. De regionale U&H-strategie blijft hierdoor een levend document. Hoofdstuk9De uitvoeringsorganisatie Capaciteit en middelen De ODU richt zijn uitvoering in op basis van de door de opdrachtgevers afgenomen uren. Deze zijn vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst (DVO). De wijze waarop de uitvoering wordt ingericht, inclusief de inzet van middelen, is gebaseerd op de wettelijke taken, doelen en subdoelen die in deze U&H-strategie zijn vastgelegd. De opdrachtgevers en de ODU bepalen gezamenlijk hoe de hiervoor benodigde capaciteit eruitziet. Zij leggen dit vast in een (gezamenlijk) uitvoeringsprogramma (UVP), bij voorkeur voor meerdere jaren. De opdrachtgevers van de ODU borgen de benodigde middelen voor de uitvoering in hun begrotingen. Op basis van de in de DVO's opgenomen taken organiseert de ODU de hiervoor benodigde capaciteit, zodat de ODU in staat is om de door de deelnemers afgenomen taken uit te voeren. Voor eventuele aanvullende opdrachten wordt capaciteit ingehuurd, omdat het in beginsel tijdelijke opdrachten betreft. Projecten met een regionaal en/of gezamenlijk belang Om de doelen uit de U&H-strategie te bereiken kan niet alleen gewerkt worden vanuit de uitvoeringsprogramma’s van deelnemers, maar ook vanuit opdrachten waar deelnemers een gezamenlijk belang bij hebben. Dit kunnen allerlei vormen van opdrachten zijn om bijvoorbeeld nader onderzoek te doen naar een element uit de doelen of om een specifieke actie te initiëren. De deelnemers van de ODU hebben binnen hun DVO uren gereserveerd voor opdrachten met een regionaal belang. Deze uren worden onder andere ingezet om de noodzakelijke acties uit te voeren die in het belang van de realisatie van de doelen van deze U&H-strategie zijn. Scheiding vergunningverlening, toezicht en handhaving De omgevingsdienst heeft conform de kwaliteitscriteria een functiescheiding tussen vergunningverlening en toezicht ingericht. Het rouleren van toezichthouders voorkomt een vaste handhavingsrelatie en helpt om het kennisniveau van toezichthouders te vergroten. De frequentie van roulatie is afhankelijk van de branche waar toezicht op gehouden wordt. Bereikbaarheid en beschikbaar buiten kantooruren De milieuklachtentelefoon, flora en faunapiket en de zwemwatertelefoon (van 1 mei tot 1 oktober) is 24 uur per dag bereikbaar en wordt bemenst door een boodschappendienst. Tijdens een calamiteit verleent de ODU ondersteuning aan de ketenpartners zoals de VRU. Ongewone voorvallen worden gemeld aan het bevoegd gezag. Deze komen via de milieuklachtentelefoon, de zwemwatertelefoon of een formulier binnen. Werkprocessen De ODU is een jonge organisatie die zich richt op verdere harmonisatie. De ODU werkt met één zaaksysteem (Powerbrowser) en geharmoniseerde workflows en werkinstructies. De ODU werkt procesgericht vanuit een zaakgerichte benadering op basis van uniforme, efficiënte en toekomstbestendige processen en werkafspraken (primair proces en o.b.v. prioritering voor bedrijfsvoering-processen). De ODU werkt met de procesbeheerapplicatie Sensus, waarin alle workflows, processen, werkinstructies en werkafspraken (primair proces en o.b.v. prioritering voor bedrijfsvoering-processen) eenduidig en overzichtelijk beschikbaar en te beheren zijn. Er wordt continu gewerkt aan verdere optimalisatie. Hoofdstuk10Slotbepalingen Bekendmaking Deze U&H-strategie treedt per 1 januari 2026 in werking en vervangt de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie omgevingsdiensten regio Utrecht
- De U&H- strategie wordt openbaar bekend gemaakt, zodat ketenpartners, inwoners en ondernemers er kennis van kunnen nemen. Dat gebeurt via overheid.nl en de websites van de bevoegde gezagen en de ODU. Intrekking De Uitvoerings- en Handhavingsstrategie omgevingsdiensten regio Utrecht 2022 wordt ingetrokken. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari
- Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel Uitvoering-en handhavingstrategie overgedragen milieutaken Regio Utrecht. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, in de vergadering van 11 november 2025De burgemeester G.F. NaafsDe secretaris,M.J.T.H. HavekesBijlagenVoorwoord, inleiding en leeswijzer Voorwoord De regionale U&H- strategie is een document waar de hele regio trots op mag zijn. Veel verschillende mensen hebben hieraan bijgedragen, mensen vanuit de beleidshoek, maar misschien nog wel belangrijker; veel mensen vanuit de uitvoering. Tientallen organisaties uit de regio en daarbuiten hebben samen nagedacht en gewerkt aan een document waarin de maatschappelijke opgaven én uitvoering centraal staan. In mijn jaren als directeur van een omgevingsdienst heb ik ons traditionele VTH-domein zien veranderen. Advisering krijgt een steeds prominentere rol, en ons (VTHA) instrumentarium wordt steeds vaker ingezet om maatschappelijke opgaven met elkaar aan te pakken. Onze fysieke leefomgeving staat erg onder druk, veel problematiek zoals bijvoorbeeld milieucriminaliteit en de staat van onze waterkwaliteit en luchtkwaliteit overstijgt de gemeentegrenzen. De omgevingsdienst Utrecht heeft de juiste schaal en expertise om op een effectieve wijze deze complexe uitdagingen in de fysieke leefomgeving aan te pakken. Elke dag weer zorgen we voor een iets schonere leefomgeving. Of het nu de bodem is, ons oppervlaktewater of de lucht die we inademen, elke dag maken onze mensen zich hard voor de kwaliteit van onze leefomgeving. De regionale U&H- strategie is opgesteld met als doel een positieve impact te hebben op de kwaliteit van diezelfde leefomgeving. Dit strategisch kader in combinatie met de nieuwe omgevingsdienst Utrecht zorgt ervoor dat we samen een krachtig momentum hebben gecreëerd in de regio Utrecht. Door dit effectief en uitvoerbaar beleid slim te koppelen aan robuuste uitvoeringskracht, heeft de regio de juiste focus en slagkracht die nodig is om de leefomgeving te beschermen, nu en in de komende jaren. We staan samen aan de lat om deze regionale U&H- strategie te implementeren en onze regio nog veiliger en gezonder te maken. Dit document luidt de start in van een sterkere vorm van regionale samenwerking in de fysieke leefomgeving, als directeur van de Omgevingsdienst Utrecht zal ik daar in de toekomst verder op aansturen. Met vriendelijke groet, Hugo Jungen Inleiding De regionale uitvoering- en handhavingstrategie 2026 (hierna: U&H-Strategie) is een document dat beschrijft hoe in de regio Utrecht het instrumentarium voor vergunningverlening, toezicht, handhaving en advies (VTHA) zo effectief mogelijk wordt ingezet. Het is een sturingsinstrument voor de deelnemers van de omgevingsdienst Utrecht (hierna: ODU). De U&H- strategie bevat regionale doelen op diverse thema’s waar de ODU impact op maakt. De doelen passen bij de Omgevingswet en zijn gericht op maatschappelijke opgaven waar alle overheden in de regio gezamenlijk voor aan de lat staan. Ze zijn herkenbaar in omgevingsvisies van gemeenten en de provincie. De U&H- strategie committeert op deze manier alle gemeenten in de provincie, de provincie zelf en de ODU. In de gezamenlijke regionale doelen zit een ambitie die ervoor kan zorgen dat we in onze regio echt een verschil maken. De focus ligt op de opgaven op gezondheid, duurzaamheid, toekomstbestendige natuur, bodemsturend, waterkwaliteit en (het tegengaan van) milieucriminaliteit. Per opgave zijn voor één of meer thema’s specifieke doelen geformuleerd. Per thema is beschreven hoe vergunningen, toezicht en advies als instrumenten worden ingezet om een positieve bijdrage te leveren aan de thema’s én daarmee een positieve impact te hebben op de grotere maatschappelijke opgaven. Naast deze thema’s zet de ODU zich ook in op andere onderwerpen, zoals bodem, asbest, vuurwerk, luchtvaart etc. Ook voor die thema’s is de U&H- strategie het kader. Verder zijn er kwaliteitsdoelen opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de ODU kan leveren wat er gevraagd wordt binnen de financiële kaders. De U&H-strategie beschrijft op welke wijze het VTHA-instrumentarium wordt ingezet. Er zijn uitgangspunten opgenomen die gelden als basis voor de uitvoering door de ODU. In de bijlagen is een aantal werkwijzen uitgewerkt die medewerkers van de ODU in staat stelt om op uniforme en transparante wijze te werken. Ten slotte is beschreven waar monitoring en evaluatie zich op richten. Dit is het sluitstuk van de beleidscyclus. Zonder goede monitoring en evaluatie is de U&H- strategie niet meer dan een papieren tijger. Om die reden wordt er stevig ingezet op monitoring. De U&H- strategie is opgesteld in een samenwerking van ruim 40 organisaties en meer dan 200 experts. In een periode van 1,5 jaar is de hele regio Utrecht (en daarbuiten) steeds betrokken bij- of meegenomen in het proces, ook bestuurlijk. Daarmee is de U&H- strategie een breed gedragen document geworden. Door vaststelling van deze U&H-strategie conformeren de deelnemers zich aan de regionale ambities, doelen en prioriteiten. Dit betekent dat deze in de individuele uitvoeringsprogramma's van de deelnemers moeten worden vertaald, waarbij een adequate uitvoering van de wettelijke taken de ondergrens vormt. Leeswijzer Deze U&H-strategie bestaat uit twee delen. Deel 1 is het kerndocument en beperkt zich tot de hoofdlijn. Dit deel is kort, toegankelijk en leesbaar voor iedereen met interesse in het onderwerp. Deel 2 bevat alle bijlagen en is meer uitgebreid en gedetailleerd. Dit deel biedt verdieping en is er specifiek bij te pakken voor de details van een thema of onderliggende strategie. De U&H- strategie volgt de opbouw van de beleidscyclus voor VTHA. Het document begint met een inleiding en kader om de positie van dit document aan te geven (hoofdstuk 1). Verder komen kort aan de orde: de evaluatie van de vorige U&H-strategie de bijdrage van de U&H- strategie aan de visie en missie van de ODU een probleem- / omgevingsanalyse regionale doelen en prioriteiten de uitgangspunten die de ODU voor haar werk hanteert een overzicht van het instrumentarium In de bijlage zijn al deze onderdelen uitgebreid beschreven. Verder komt in deel 1 het kwaliteitsmanagement aan de orde, inclusief bijbehorende kwaliteitsdoelen, monitoring en evaluatie en tot slot beschrijft hoofdstuk 9 de uitvoeringsorganisatie. A. Productbladen Gezonde leefomgeving Omgevingsveiligheid Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het beheersen van veiligheid- en gezondheidsrisico’s. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? De juiste ketenpartners en toezichthouders worden, wanneer er sprake is van een risico voor de omgevingsveiligheid, bij aanvragen betrokken. Elke aanvraag waar dat van toepassing is, wordt aan de risico’s van nieuwe vormen van energie- opwekking en opslag, zoals (grote) batterijen en waterstof getoetst. Hoe zetten we toezicht in? Bij nieuwe bedrijven, met hogere omgevingsveiligheidsrisico’s voert de ODU altijd een oplevercontrole uit. Toezichthouders wijzen ondernemers op bovenwettelijke maatregelen en subsidiemogelijkheden hiervoor. Hoe zetten we advisering in? Er wordt geadviseerd over de risico’s van nieuwe vormen van energie- opwekking en opslag, zoals (grote) batterijen en waterstof. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatiebronnen. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Overzicht van ketenpartners en (hun) informatiebronnen. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Initiëren en bijdragen aan een regionaal beleidskader of omgevingsprogramma Omgevingsveiligheid, met daarin eenduidige definities, maatregelen die in een vergunning kunnen worden opgelegd (via Omgevingsplan of voorwaarden aan een BOPA) en bovenwettelijke ambities. Overzicht van risico’s op het thema omgevingsveiligheid. Deze risico’s zijn gekoppeld aan (nieuwe) bedrijven en activiteiten. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is) Niet van toepassing Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is) Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen? VRU, Gasunie, ProRail Monitoring. Hoe meten we dit? In elk dossier waarin sprake is van een risico voor de omgevingsveiligheid is vastgelegd op welke wijze hierop is getoetst. Het aantal nieuwe vergunningen voor bedrijven met hogere omgevingsveiligheidsrisico's waarbij een oplevercontrole is uitgevoerd. Het werkproces bevat een instructie wanneer welke ketenpartner wordt betrokken. Minimaal 5 % van de dossiers controleren op het op het tijdig betrekken van ketenpartners (representatieve steekproef). In elk dossier is vastgelegd op welke wijze er aandacht is voor nieuwe vormen van energie- opwekking en opslag (representatieve steekproef). Het aantal oplevercontroles ten opzichte van de verleende vergunningen/meldingen met een hogere omgevingsveiligheidsrisico. Gezonde leefomgeving Luchtkwaliteit Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het voldoen aan de laatst vastgestelde EU-grenswaarden per
- Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Er worden in vergunningen strengere voorwaarden opgenomen met betrekking tot luchtemissies, zowel bij nieuwe vergunningen als bij de actualisatie van bestaande vergunningen. Waar mogelijk wordt een verplichting opgenomen tot het monitoren van luchtemissies, mits passende normering binnen de BREF-range mogelijk is. Hoe zetten we toezicht in? Bedrijven die de meeste negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit krijgen de hoogste prioriteit. Projectmatig toezicht op de werking en keuring van (stook)installaties die een negatieve invloed op de luchtkwaliteit kunnen hebben. Toezichthouders geven aan bij welke bedrijven mogelijk winst te behalen valt door de vergunning te actualiseren. Hoe zetten we advisering in? Adviseren op basis van best practices en bewezen effectieve maatregelen. Bijdragen aan een duurzame regionale overlegstructuur voor het thema luchtkwaliteit. Op verzoek van gemeenten bijdragen aan de actualisatie van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Een overzicht van juridische mogelijkheden om striktere voorschriften in vergunningen op te nemen, waarbij het startpunt het rapport “resultaatgerichte waarden stellen” van KokxDeVoogd is. Een overzicht maken van het wettelijk kader voor luchtkwaliteit, inclusief EU-richtlijnen, landelijke wetgeving en de speelruimte in het omgevingsplan. Een overzicht van beschikbare en relevante data. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Inzicht in welke bedrijven het meeste bijdragen aan luchtvervuiling. In kaart brengen welke emissies er zijn bij verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een prioritering voor sectoren en stoffen maken. Opleiden van toezichthouders in het herkennen luchtemissies/installaties. Opleiden van VTHA-medewerkers in het kader van BREF/BBT, RIE en Europese ontwikkelingen. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is) Onderzoeken wat de pilot ten aanzien van fijnstof reductie bij agrariërs bij de OD De Vallei heeft opgeleverd. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is) Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen? Een aantal taken ligt altijd bij het bevoegd gezag, zoals het opstellen van het Omgevingsplan en hierin de mogelijkheden voor een betere luchtkwaliteit benutten. Daar is ook de GGDrU bij betrokken. Verder zijn er goede mogelijkheden om regionaal samen te werken, bijvoorbeeld om in beeld te brengen wel bedrijven emissies veroorzaken en afspraken over monitoring. Landelijk haakt de ODU aan bij ODNL en de SLA lobby, ook wordt er geïnvesteerd in de relatie met de brancheverenigingen. Monitoring. Hoe meten we dit? Het aantal vergunningen verleend en geactualiseerd op het thema lucht kwaliteit waarin strengere voorschriften zijn opgenomen. Door middel van het toezichtseffect van toezicht op bedrijven die de meeste negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit. De bereikte (theoretische) uitstootvermindering van stoffen naar de lucht, op basis van vergunningen actualisatie en het toezichtseffect. Het aantal toezichtacties welke hebben geleid tot een herstel van een overtreding met een luchtkwaliteits component. Gezonde leefomgeving Geur Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het verminderen van geurhinder voor een gezonde woon- en leefomgeving, door regulering van geurbronnen. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Bij het toetsen van aanvragen wordt rekening gehouden met lokale afwegingen en regels ten aanzien van geurhinder. Bij het toetsen van aanvragen wordt zoveel mogelijk ingezet op het toepassen van BBT. Voorschriften opnemen voor de toepassing van BBT. Streven naar uniforme toepassing handreiking 2025 in regio, met toepassing standaardwaarden en advies bij maatwerk tot aan de grenswaarde. Hoe zetten we toezicht in? Toezichthouders hebben inzicht in ‘basisinformatie’ als mate van hinder, afstand tot geurbron, etc. Toezicht op de werking van bedrijven, inclusief installaties en fysieke inrichting, zoals sluizen, filters en deuren. Toezicht op basis van klachten. Hoe zetten we advisering in? Vroegtijdig in het proces adviseren het beperken van geurhinder. Adviseren van bedrijven om geurbronnen te verminderen en te reguleren. Adviseren in het kader van de totstandkoming van Omgevingsplannen. bijdragen aan het in beeld brengen van de gezondheidseffecten van geuroverlast in het kader van aanpak bij de bron. Hiervoor maakt de ODU onder meer gebruik van een actueel klachtenregistratiesysteem. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: De pilot voor samenwerkingsafspraken over klachtenafhandeling over geur (en gezondheid) evalueren en de aanpak verder verbeteren. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Een overzicht welke milieubelastende activiteiten ernstige geurhinder veroorzaken. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is) Opnemen van relevante milieubelastende activiteiten als prioriteit in de actualisatiestrategie voor vergunningen en in de prioritering voor toezicht . Koppelen van relevante milieubelastende activiteiten aan een onderzoeksplicht voor bedrijven. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is) (Wetenschappelijke) inzichten in de gezondheidseffecten van geur vertalen in gerichte maatregelen die in de uitvoering te gebruiken zijn. Onderzoeken van de mogelijkheid om geur te reduceren via nieuwe technieken (Uv-stralen bijvoorbeeld). Samenwerking. Met wie werken we samen? GGDrU, VNG, politie, OD en gemeenten Monitoring. Hoe meten we dit? Registeren van klachten over geur in het klachtenregistratiesysteem, met aantallen ingediende en gevalideerde klachten over geur. Aantal verleende vergunningen met voorschriften voor de toepassing van BBT. Aantal toezichtsacties bij bedrijven op de algehele werking en het aantal geconstateerde overtredingen en constateringen per soort. Actualisatie van de vergunde situatie Veehouderijbedrijven in het Fundament Omgevingsinformatie Landelijk Gebied (FOLG) en provincie dekkende Geuratlas. Gezonde leefomgeving Geluid Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het verminderen van geluidshinder boven de geldende normen. Bijdragen aan het beperken van gezondheidsrisico’s door geluidsbelasting. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Maatwerkvoorschriften opleggen ten aanzien van vermijdbaar geluid. De negatieve gezondheidseffecten van geluidoverlast worden getoetst. Hierbij wordt een gebiedsgerichte aanpak gehanteerd. Zo wordt op industrieterreinen een andere norm gehanteerd dan in woonwijken. Er wordt rekening gehouden met cumulatieve en gezamenlijke geluidseffecten in plaats van enkel individuele geluidseffecten. Er worden voorschriften opgenomen die gaan over gedrag, bijvoorbeeld de sluis bij de toegangsdeur van horecagelegen-heden. Waar mogelijk, worden in vergunningen voorschriften opgenomen voor de toepassing van de Best Beschikbare Technieken (BBT) zodat een lagere geluidsnorm kan worden bereikt. Hoe zetten we toezicht in? Bij algemene bedrijfsbezoeken wordt ook het aspect geluid betrokken. Toezichthouders hebben extra aandacht voor het aanpakken van vermijdbaar geluid, dat eenvoudig verminderd of voorkomen kan worden. Hoe zetten we advisering in? Adviseren ten behoeve van omgevingsplannen. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Het bestaande protocol voor het meten en beheersen van laagfrequent geluid is gedeeld met- en bekend bij met bevoegde gezagen. Vergunningverleners volgen een training over het (cumulatieve) effect van geluid op de gezondheid van de mens en/of weten bij wie ze terecht kunnen om advies te vragen over dit thema. Er is een overzicht welke info en data waar beschikbaar is. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Stel checklists op om te bepalen wanneer advies nodig is van OD of in samenspraak met de GGD. Er wordt een centrale locatie worden ingericht waar klachten over geluid worden verzameld, geanalyseerd en snel opgepakt voor verdere actie. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande klachtenanalysetool. Er zijn/ worden voldoende toezichthouders opgeleid om te werken met geluidsmeetapparatuur. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is) Vergunningverleners volgen een training over het (cumulatieve) effect van geluid op de gezondheid van de mens en/of weten bij wie ze terecht kunnen om advies te vragen over dit thema. De ODU informeert grote organisaties/installatiebedrijven, bijvoorbeeld voor de plaatsing van warmtepompen en airco's, om overlast te verminderen. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is) Vergunningen worden op het onderdee geluid geactualiseerd. Adviseurs stellen, samen met de afdeling communicatie een vierjaarlijkse communicatiestrategie op over bepaalde geluidsthema’s (bijvoorbeeld geluidsdempers op ventilatoren). Samenwerking. Met wie werken we samen? De partijen die in elk geval betrokken worden zijn geluidsadviseurs, RO-adviseurs, beleidsadviseurs, GGD, en RIVM (voor het geluidsregister) Monitoring. Hoe meten we dit? In elk vergunningendossier is vastgelegd op welke wijze er aandacht is voor de negatieve gezondheidseffecten van geluidoverlast (representatieve steekproef). Aantal verleende vergunningen met voorschriften voor de toepassing van BBT. In elk vergunningendossier is vastgelegd op welke wijze rekening gehouden is met cumulatieve en gezamenlijke geluidseffecten in plaats van enkel individuele geluidseffecten (representatieve steekproef). Toezichtseffect op het thema geluid (representatieve steekproef in combinatie kwalitatieve evaluatie). Bodem & water Bodemsturend Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het duurzaam gebruiken en benutten van bodem- en watersystemen, zodat de leefomgeving beschermd wordt en klimaatbestendig en waterveilig is ingericht. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Gebruik maken van de juiste informatiesystemen (BIS, BRO, LGR, DSO) om vergunningen aanvragen te beoordelen. Zorgvuldige en tijdige registratie van bodemkwaliteitsgegevens in de systemen. Hoe zetten we toezicht in? Risicogericht, op basis van naleefgedrag en op basis van locatie historie (BIS). Zorgvuldige en tijdige registratie van bodemkwaliteitsgegevens in de systemen. De hele keten van (grond)stoffenstromen betrekken bij het toezicht. Hoe zetten we advisering in? Actief meewerken aan het ontwikkelen van toetsingskaders, passend bij een integrale benadering van bodem en water in de ondergrond. Gebruik maken van de juiste informatiesystemen. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Een informatieprotocol met duidelijke werkafspraken over het aanleveren, beheren en toegang tot informatie. Toezichthouders geven beleidsmakers actief feedback over wat zij tijdens het werk signaleren (BIG 8 gesprek). Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: De ODU draagt bij aan het opzetten van een regionale overlegstructuur waar op zijn minst kennis en ervaring wordt uitgewisseld. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is) Een regionaal bodeminformatiesysteem dat aansluit op landelijke voorzieningen. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is) Een SamenWerkingsFunctionaliteit ontwikkelen, zodat (digitale) samenwerking beter kan verlopen. Samenwerking. Met wie werken we samen? Provincie, gemeenten, omgevingsdienst, drinkwaterbedrijven, waterschappen, de veiligheidsregio, Rijkswaterstaat, ondernemers en inwoners. Monitoring. Hoe meten we dit? Minimaal 25 dossiers controleren op het toepassen van de meest actuele informatie (representatieve steekproef). Verleende vergunningen (minimaal 25 dossiers) beoordelen op zorgvuldige registratie van bodemkwaliteitsgegevens in de systemen. De toepassing van het 4 ogen principe in de werkprocessen op het gebruik van juiste informatie bij vergunningverlening en advies (minimaal 25 dossiers). Bodem & water Waterkwaliteit Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit conform de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) door het voorkomen van lozen van chemische en organische stoffen in water door bedrijven. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? In vergunningen worden voorschriften opgenomen die de waterkwaliteit , de doelmatige werking van de openbare voorzieningen voor de inzameling en transport van afvalwater beschermen en de werking van rioolwater- zuiveringsinstallaties blijven garanderen. De best beschikbare technieken (BBT) worden zo veel mogelijk toegepast, en waar nodig BBT plus. De aangepaste richtlijn industriële emissies en veehouderijen (RIE) is onderdeel van het toetsingskader bij vergunning-verlening. In de vergunningsprocedure wordt er ten aanzien van lozingsactiviteiten advies gevraagd aan het waterschap en bij milieubelastende activiteiten (“indirecte lozingen”) aan de gemeente, conform de regionale samenwerkingsafspraken vanuit de regio. Vergunningen worden conform het programma geactualiseerd waarbij de voorschriften in de vergunning worden afgestemd op de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Hoe zetten we toezicht in? Bedrijven die de meeste negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit krijgen de hoogste prioriteit in het toezicht. Toezicht wordt ingezet bij gezamenlijke controles (ODU en waterschap) op lozingen, inclusief bemonstering en aandacht voor foutieve lozingen/lozingsrouten. Toezichthouders dragen bij aan een groter bewustzijn van ondernemers door informatie te geven over bepaalde stoffen (ZZS, medicijnresten, microplastics, PFAS) en lozingen bij bedrijven en koepelorganisaties. Vanuit het toezicht worden bedrijven aangedragen waar mogelijk winst te behalen valt door de vergunning te actualiseren. Toezicht heeft een signalerende functie voor het waterschap en reageert op signalen vanuit het waterschap. Er wordt toezicht gehouden op afspoeling bij bedrijven. Hoe zetten we advisering in? Het bewustzijn over stoffen (ZZS, medicijnresten, microplastics, PFAS) en lozingen bij bedrijven wordt vergroot door hier informatie over te geven aan ondernemers. Bijdragen - en deelnemen aan het reeds opgezette Platform Water. Inzetten op het zo uniform mogelijk formuleren van omgevingsplanregels met betrekking tot afvalwatersystemen en lozingen. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: De richtlijn industriële emissie industrie en veehouderijen
(2024)implementeren. Een overzicht samenstellen van de locaties waar de geprioriteerde KRW- én Zeer zorgwekkende stoffen worden geloosd (via platform water) Lozingsroutes in kaart brengen (via platform water). De verschillende wettelijke bevoegdheden en taken in het kader van waterkwaliteit inzichtelijk maken. Een big8 gesprekscyclus inrichten om de voortgang op dit onderwerp te monitoren. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Er zijn uren in de DVO’s gereserveerd voor het adequaat oppakken van signalen van het waterschap en andere bevoegde gezagen, voor bemonstering en laboratorium-analyse. Juridische uitwerking maken van de mogelijkheden voor het toepassen van de specifieke zorgplicht. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Niet van toepassing Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen? Actief inzetten op het bestaande Netwerk Water en Klimaat, en het Platform Water. Waterschappen, gemeente, provincie, GGDrU, VRU en Rijkswaterstaat. De activiteiten uit dit productblad worden verbonden met het “Uitvoeringsprogramma Impuls KRW” van de Provincie Utrecht. Lees hier meer over het programma. Monitoring. Hoe meten we dit? Steekproefsgewijs controleren van de juiste toepassing van de richtlijn industriële emissie industrie en veehouderijen en de uitvraag van adviezen aan het waterschap bij vergunningen. Het aantal volgens het programma geactualiseerde vergunningen, waarin voorschriften zijn opgenomen afgestemd op de doelen van de KRW. Het aantal hoog geprioriteerde bedrijven waarbij toezicht is uitgevoerd en het aantal bij deze bedrijven geconstateerde overtredingen bij deze bedrijven. Het toezichtseffect van toezicht op bedrijven die de meeste negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. De bereikte potentiële uitstootvermindering van stoffen naar water via lozingen, op basis van afvalwaterbemonstering. Het aantal toezichtacties op basis van signalen waterschap. Toekomstbestendige natuur Biodiversiteit Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het herstel van de biodiversiteit. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Ecologische aspecten worden betrokken bij vooroverleg. Initiatiefnemers worden tijdig gewezen op verplicht uit te voeren onderzoeken en aan te vragen toestemmingen. Voorschriften opnemen in vergunningen ter compensatie van de ingreep en verdere verslechtering van biodiversiteit voorkomen. Rekening houden met cumulatie van negatieve effecten door ingrepen in natuur en landschap. Hoe zetten we toezicht in? Toezicht op basis van risicogerichte analyses. Toezicht op basis van signalen van medeoverheden, partners en inwoners over (mogelijke) overtredingen. Toezichthouders en Boa’s zijn aanspreekpunt voor inwoners en ondernemers (informeren). Andersom signaleren en melden inwoners en ondernemers toezichthouders over overtredingen en trends. Toezicht in gebieden prioriteren op basis van kwetsbaarheid en erkend waardevol en als zodanig aangewezen in de Omgevingsvisie provincie Utrecht. Hoe zetten we advisering in? Advisering op aangevraagde evenementen. Advisering op in ontwerp zijnde projecten. Ondersteuning bij de toepassing van soorten management plannen ( SMP’s). Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Onderzoek of de aanhaakplicht voor natuur teruggebracht kan worden, op zijn minst regionaal. Een (al dan niet indirecte) lobby voor de terugkeer van de wettelijke aanhaakplicht van natuuractiviteiten. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: De capaciteitsbehoefte ecologie in beeld brengen en indien nodig de beschikbare capaciteit vergroten. Kennisbijeenkomsten voor ecologen organiseren om hiermee kennisdeling en ontwikkeling op gang te brengen. Bevoegdheden en taken in de vergunning- en toezichtprocessen beschrijven. Wie doet wat en wanneer? Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Inventariseer van beschikbare (basis)gegevens (Zaaksystemen, NDFF, Geoloket etc.) Overzicht van informatiebehoefte bij en van ketenpartners. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Ontwikkelen van een Meldingsapp , waarbij de ODU aanjager hiervan is. Samenwerking. Met wie werken we samen? Samenwerking en communicatie tussen OD, provincie, waterschap en gemeenten. Monitoring. Hoe meten we dit? Dossiercontrole op tijdige en inhoudelijk volledige advisering bij evenementen en in ontwerp zijnde projecten (minimaal 25 dossiers). Het aantal vooroverleggen waar natuur een rol speelt en in hoeverre ecologie daadwerkelijk is betrokken. Het aantal aanvragen waarbij natuur een rol speelt en in hoeverre initiatiefnemers zijn gewezen op de verplicht uit te voeren onderzoeken en aan te vragen toestemmingen. Milieucriminaliteit Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan de bestrijding van milieucriminaliteit op landelijke geprioriteerde thema’s: afvalverwerking, asbest, gewasbescher-mingsmiddelen en zeer zorgwekkende stoffen. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Medewerkers informeren initiatiefnemers vroegtijdig (preventief) over wettelijke (
- on)mogelijkheden en gezonde(
- re)alternatieven bij de toepassing van stoffen. Aanvragen worden getoetst aan het gemeentelijk en provinciaal BIBOB-beleid (BIBOB = Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). Hoe zetten we toezicht in? Er wordt “afvalstoffen balansonderzoek” gedaan in de ketens van de geprioriteerde thema’s. Samen met de ketenpartners projectmatig ketentoezicht uitvoeren. De uitkomsten van toezichtacties worden geanalyseerd om inzicht te krijgen in waar crimineel gedrag zich voordoet. Hoe zetten we advisering in? Er wordt aan de opdrachtgevers geadviseerd over het op te stellen (en te voeren) BIBOB-beleid. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Prioritering per landelijk thema, omdat het niet mogelijk is om alle onderwerpen tegelijk aan te pakken. BIBOB-beleid voor vergunningen opstellen dat regionaal wordt toegepast. Afspraken maken over uniforme uitvoering van de BIBOB-toets door gemeenten en de ODU. Een kwartiermaker aanstellen die het ketentoezicht gaat inrichten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de aanwezige kennis bij Omgevingsdienst Rivierenland (ODR), Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) en Milieu- en Omgevingsdienst Rijnmond (DCMR). Afstemmen met gemeentelijke communicatieafdelingen over publicaties met aansprekende voorbeelden. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Onderzoeken of- en in hoeverre lokale regels bijdragen aan het voorkomen van milieucriminaliteit en ondermijning. Opstellen van een communicatiekalender over het voorkomen van milieucriminaliteit. Gegevensuitwisseling mogelijk maken met behulp van de handreiking informatiedeling van het IBP-VTH en DPIA (DPIA = data protection impact assessment). Toezichthouders opleiden met het oog op het herkennen van milieucriminaliteit(thema’s). Toezichthouders en opsporingsambtenaren opleiden ten aanzien van de afstemming tussen bestuursrecht en strafrecht. Onderzoeken of lokale regels bijdragen aan het voorkomen van ondermijning en milieucriminaliteit (bijvoorbeeld regels voor horeca) en het delen van inzichten hierover. Onderzoeken welke uitrusting toezichthouders voor welke taken nodig hebben (persoonlijk beschermingsmiddel ofwel PBM). Een centraal overleg en meldpunt inrichten waar signalen en meldingen samenkomen. Een regionaal team opzetten voor ketentoezicht, zoals bij DCMR, om onze regio beter te bedienen. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Aansluiten bij het platform Veilig Ondernemen. Werken aan bewustwording rondom het voorkomen van ongewenste informatielekken via sociale media. Bijeenkomsten organiseren om van elkaar te kunnen leren en kennis uit te wisselen om zo brede en diepgaande expertise te ontwikkelen bij toezichthouders en Boa’s (buitengewoon opsporingsambtenaren). Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen? Samen met Openbaar Ministerie (en andere partners, zie onder), analyseren wat de meest effectieven ketenaanpak is. Provincie, gemeenten, ondernemers, waterschappen, politie, DCMR (Milieu- en Omgevingsdienst Rijnmond), CCV (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid), Riec (Regionale Informatie- en Expertisecentra), EZ (ministerie van Economische Zaken), NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit), IL&T, Landelijke Bijeenkomst Afstemming (LBA), Inlichtingen- en opsporingsdienst van de Inspectie leefomgeving en transport (ILT-IOD). Monitoring. Hoe meten we dit? In elk dossier is vastgelegd hoe is beoordeelt of BIBOB-toetsing relevant is (representatieve steekproef). Het aantal screenings dat wordt uitgevoerd binnen de BIBOB-toets. Het aantal projectmatig uitgevoerde ketentoezichtsacties en het resultaat hiervan. Het aantal verstrekte adviezen aan deelnemers over BIBOB-beleid. Duurzaamheid Circulaire economie Wat willen wij bereiken? De ODU stimuleert circulariteit (grondstofbesparing en afvalpreventie), zolang dat op een veilige en gezonde manier kan. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Er wordt getoetst of bedrijven voldoen aan het Bbl ten aanzien van herbruikbare materialen. Het hergebruiken van afval wordt wel overwogen en risicogericht toegestaan d.m.v. proefnemingen. Het stimuleren van grondstoffenbeperking (in vergunningen) door middel van voorschriften. Circulair ontwerp opnemen in vergunningen, zodat bedrijven verplicht zijn circulaire principes toe te passen bij hun activiteiten en ontwikkelingen. Het actualiseren van vergunningen is gebaseerd op sector- en/of specifieke grondstofstromen, zodat de vergunningen altijd relevant blijven voor de geldende situatie en eisen. Hoe zetten we toezicht in? Toezicht op de KPI’s die door bedrijven uitgevoerd moeten worden, mits daar duidelijke voorschriften voor geformuleerd zijn. Het toezicht sluit aan op circulaire materialenplannen, zodat het beleid en de uitvoering goed op elkaar afgestemd zijn. Er is een risicoanalyse voor bodemenergiesystemen en gebieden t.b.v. VTHA. Hoe zetten we advisering in? De ODU draagt bij aan de totstandkoming van regionaal beleid waardoor eerlijke verdeling van energie en water voor alle gebruikers mogelijk wordt. Advisering draagt bij het beter informeren van initiatiefnemers. Advisering richt zich op het stimuleren van circulaire ideeën bij ondernemingen. Adviseren van de opdrachtgevers over proefnemingen en experimenten, waarbij rekening wordt gehouden met landelijke voorbeelden, de financiële draagkracht van initiatiefnemers en eigen ervaring. Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: Een overzicht opstellen van grondstoffen en afvalstromen (bijvoorbeeld de effecten van de naleving op de MPG). Een inventarisatie uitvoeren naar kansen en knelpunten binnen de regelgeving, waarbij er ook gekeken wordt naar de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Training en opleiding van medewerkers. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Toezichthouders trainen en begeleiden in de taak en verantwoordelijkheid om zowel te controleren als te registreren, zodat de naleving van de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) -normen gewaarborgd is. Een monitorings- en evaluatielogica opstellen. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Definiëren hoe de resultaten (zoals CO2-reductie) gemeten en gerapporteerd worden, met de nadruk op output die direct relateert aan impact. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen? Provincie, gemeenten, Omgevingsdienst, waterschappen, VRU, GGDrU. Monitoring. Hoe meten we dit? Aantal geactualiseerde vergunningen dat is gebaseerd op sector- en/of specifieke grondstofstromen. Controle of systemen voor MPG-monitoring die worden ingevoerd goed gekoppeld zijn aan de bestaande systemen van gemeenten. Aantal bedrijven dat is gecontroleerd op de voorschriften (KPI'
- s)opgenomen in vergunningen en het aantal overtredingen dat daarbij is geconstateerd. Het effect van toezicht . Duurzaamheid Energiebesparing Wat willen wij bereiken? Een zo groot mogelijke bijdrage aan energiebesparing bij bedrijven. Een zo groot mogelijke bijdrage aan de vermindering van CO2-uitstoot door bedrijven als gevolg van energiecontroles. Bijdragen aan het verduurzaming van energiegebruik. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? De vergunningplicht komt slechts in zeer beperkte mate voor. Dat is maatwerk, om die reden wordt er geen algemene tactiek voor geformuleerd. Hoe zetten we toezicht in? Toezicht bij bedrijven op verduurzaming van het energiegebruik. Toezicht op koudemiddelen en stookinstallaties. Toezicht op de energielabelverplichtingen. Toezicht op de inrichting van duurzame energievoorzieningen zoals OBES en GBES. Toezicht op persoonsgebonden mobiliteit. Toezicht op de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPDB IV). Hoe zetten we advisering in? De ODU informeert bedrijven over het nemen van (bovenwettelijke) energiebesparende maatregelen, verbruiken van energie buiten de ‘spits’, verduurzaming van vervoer en het inrichten van duurzame energievoorzieningen. De ODU geeft bedrijven met innovatieve ideeën voor duurzame energieopwekking de ruimte om deze toe te passen, ook al levert dat op korte termijn (2 jaar) nauwelijks besparing op. De ODU verzorgt presentaties bij scholen/universiteiten (de ondernemers van de toekomst). Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Monitoring. Hoe meten we dit? Oppakken in 2026: Definieer de nul situatie voor energieverbruik en Co2- emissie. Breng de top 3 knelpunten in beeld ten aanzien van betrouwbare data. De regio Utrecht organiseert een competitie voor het meest duurzame bedrijf en zet ondernemers die het goed doen in het zonnetje. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Er is een overzicht welke werkafspraken er per opdrachtgever gelden ten aanzien van vooroverleg bij bedrijfsmatige ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven bij bedrijven. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Maak werk- en procesafspraken over welke data op welke wijze geregistreerd wordt en beschikbaar wordt gemaakt. VTH systemen worden aangepast op basis van de afspraken. Landelijk benchmarken. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Er is een overzicht van de informatiebehoeften van alle stakeholders binnen de driehoek (Omgevingsdienst, Provincie en Gemeenten). Daaruit komt een algemeen databasis-systeem met een dashboard voor het delen en analyseren van relevante informatie. Samenwerking. Met wie werken we samen? Omgevingsdiensten/ODNL, Ministerie, RVO, Gemeenten Provincie (Team energietransitie & Team duurzaamheid), Installateurs, Stedin. Monitoring. Hoe meten we dit? De ODU onderzoekt of het gebruik van een dashboard, waaruit realtime blijkt hoeveel energiebesparing er gerealiseerd is dankzij de uitvoering van energiecontroles, kan worden toegepast. In dit dashboard wordt de besparing uitgedrukt in gemiddeld energieverbruik of CO2 equivalent per huishouden per jaar. Dit wordt uitgedrukt in zowel bespaarde- KWH als Co2 uitstoot. Het dashboard is gebaseerd op een landelijk model. De ODU het aantal controles, aantal geconstateerde en type/ soort overtredingen en het berekende besparingspotentieel. Duurzaamheid Bodemenergie Wat willen wij bereiken? Bijdragen aan het behouden van een juiste balans tussen het beschermen en benutten van het Utrechtse bodemenergiesysteem. Bijdragen aan een eerlijke verdeling van energie en water voor alle eindgebruikers. Hoe zetten we ons instrumentarium in? Hoe zetten we vergunningverlening in? Er wordt getoetst of de verdeling van energie en water evenredig is. De van negatieve invloed op drinkwatervoorzieningen wordt zo veel mogelijk beperkt dan wel voorkomen. Kwetsbare gebieden worden beschermd door het voorkomen van onnodige doorboring van kleilagen. In vergunningen worden voorschriften opgenomen over monitoring van bodemenergiesystemen. Bij het toetsen van aanvragen en bij vooroverleg wordt beoordeeld of er eventueel bij een alternatieve inrichting (collectief systeem) kan worden aangesloten. Hoe zetten we toezicht in? Toezicht wordt ingezet om de bestaande GBES (Gesloten Energie Systeem)- en OBES-systemen (Open Bodem Energie Systeem) te controleren, waarbij rekening wordt gehouden met het verschil tussen een optimale en een werkende inrichting. Er wordt verder gekeken dan enkel de vergunningvoorschriften. Het doelmatig gebruik staat voorop. Toezichthouders informeren initiatiefnemers over regels en voorschriften. Niet (goed) werkende bodemenergiesystemen in kaart brengen. De ODU houdt toezicht op de boring van lussen t.b.v. warmtepompen bij aanleg. Hoe zetten we advisering in? Advisering gaat uit van een helikopterview (breed belangen afwegen). Er wordt geadviseerd over de ordening van bodemenergiesystemen onderling t.o.v. andere ondergrondbelangen (positie bodemenergie in bronnenmix warmtetransitie). Initiatiefnemers wordt geadviseerd om meer gebruik te maken van één collectief systeem in plaats van meerdere losse systemen. Er wordt geadviseerd over het voorkomen van netcongestie en voorkomen een onterecht grote claim op de ondergrond. Advisering wordt ingezet om de informatievoorziening voor initiatiefnemers te verbeteren (BasisRegistratieOndergrond). Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Oppakken in 2026: De basis is op orde, dat omvat in ieder geval: Er is een overzicht wat wel en niet onder bodemenergie valt (definiëring). Er is een overzicht van bevoegdheden ten aanzien van bodemenergie, I< is hier ook bij betrokken. Er is een geografisch overzicht /afbakening van kwetsbare gebieden, verbodsgebieden, beperkingengebieden en aandachtsgebieden voor bodemenergie. Er is een overzicht van bestaande en nieuw aangevraagde bodemenergiesystemen en hun belangrijkste kenmerken. Er is een overzicht van beschikbare databronnen. Er is een sanctietabel voor in ieder geval: Het overtreden van regels rondom het doorboren en afsluiten van kleilagen. Het toevoegen van verboden stoffen in gesloten systemen. Het inschakelen van niet-gecertificeerde bedrijven. Het overtreden van de regels rondom grondwater beschermingsgebieden. Gestructureerde informatievoorziening. Onderzoek welke data ten aanzien van bodemenergie-systemen nodig is om het zaaksysteem op in te richten. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027: Er is een risicoanalyse voor bodemenergiesystemen en gebieden t.b.v. VTHA. VTHA draagt bij aan de totstandkoming van regionaal beleid waardoor eerlijke verdeling van energie en water voor alle gebruikers mogelijk wordt. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Niet van toepassing Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum
- is)Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen? Naast de samenwerking tussen gemeenten, ODU en provincie, wordt de taakverdeling met IL&T afgestemd. De ODU is vertegenwoordigd in verschillende overlegvormen: het platform bodem, het kennisnetwerk bodemenergie (landelijk, provincie en gemeenten), het kennisnetwerk bodemenergie (branche- en ketennetwerken), het Vakberaad bodemenergie, de warmtetafels van de RES en de Club Groot Merwede. Monitoring. Hoe meten we dit? De ODU controleert minimaal 5 % van de dossiers bodemenergie op evenredige verdeling, bescherming van kwetsbare gebieden en drinkwatervoorzieningen en opgenomen voorschriften. Het werkproces bevat een instructie waarin deze inhoudelijke toetsingscriteria zijn opgenomen. Het aantal door toezicht geconstateerde onbekende bodemenergiesystemen. Het aantal uitgevoerde controles, aantal geconstateerde overtredingen en het toezichtseffect. B. Evaluatie U&H-strategie 2022-2025 Wat ging er goed en blijft behouden? Alle bevoegde gezagen en de omgevingsdiensten hebben de neuzen dezelfde kant op. De basis is beter op orde. Samen werken aan kwalitatieve doorontwikkeling op basis van de subdoelen. Wat ging er goed, maar gaat nu beter? Samenspel tussen regievoerders en VTH-adviseurs. Beide rollen waren voldoende betrokken, maar het kan altijd beter. In het proces dat nu gevolgd is, zijn beide rollen veel vaker geïnformeerd en nadrukkelijker in positie gebracht door het regionale kernteam. Doelen stellen. De abstracte doelen zijn uitgewerkt in concrete subdoelen, waarmee de vraag ’wat is ervoor nodig om het doel te bereiken?’ beantwoord wordt. De doelen zijn gebaseerd op maatschappelijke opgaven, waardoor de relevantie van doelen en de impact van het werk van de ODU zichtbaar worden gemaakt. Hierdoor maakt de ODU een stap vooruit in het werken onder de Omgevingswet. De doelen en subdoelen zijn letterlijk met en door de hele regio opgesteld en getoetst bij alle bevoegde gezagen, waardoor er breed draagvlak is. De subdoelen zijn realistisch en scherp in beeld, hoe groot de opgave ook is. De U&H-strategie 2022-2025 is door het Interbestuurlijk Toezicht van de provincie Utrecht officieus beoordeeld. De verbeterpunten zijn grotendeels verwerkt in de nieuwe U&H- strategie. Wat moest er echt beter? Communicatie In plaats van de communicatie te beperken tot ’need to know’ en communicatie via centrale contactpersonen bij de bevoegde gezagen, is er nu een brede communicatiestrategie opgesteld, inbegrepen deze onderdelen: stakeholderanalyse; identificatie doelgroepen; analyse boodschap (meeweten, meedenken, meedoen); inzet van een nieuwsbrievenapplicatie; redactie van communicatieadviseurs; bestuurlijke roadshows door het regionale kernteam; bezoeken door het regionale kernteam van diverse overleggen, waaronder die van de regievoerders, ambtelijk- en bestuurlijk PSO, RHBO, MT- vergaderingen van de omgevingsdiensten, coördinatoren overleggen bij de omgevingsdiensten, vergaderingen van de Algemeen Besturen van de omgevingsdiensten, afstemming met de VTH- portefeuillehouders van de omgevingsdiensten en een door het regionale kernteam georganiseerd VTH-event met de U&H- strategie als onderwerp. Voortgangsrapportage U&H-strategie 2022- 2025 De monitoring en evaluatie van de (sub)doelen zijn opgenomen in voortgangsrapportages. Er zijn er inmiddels twee met de bevoegde gezagen gedeeld. De eindrapportage is eind 2025 opgesteld en ter informatie met de bevoegde gezagen gedeeld. C. Missie en visie van de OD Missie Een gezonde, veilige en duurzame provincie Utrecht; nu en in de toekomst. Dat is waar de ODU voor staat. Visie “Dagelijks werkt de ODU aan een veilige, gezonde, schone en duurzame leefomgeving in de hele provincie Utrecht. Dit gebeurt samen met en voor gemeenten en provincie, in contact met regiopartners en ten behoeve van inwoners en bedrijven. Er wordt bijgedragen aan de realisatie van plannen, met voortdurende focus op de impact ervan op de leefomgeving. Dit gebeurt toetsend aan wet- en regelgeving, in het belang van natuur en milieu. ODU stimuleert betrokkenheid van jong en oud op het gebied van milieu, natuur en duurzaamheid. De ODU is een impactgedreven werkgever. ODU fungeert als stuwende en verbindende kracht in de regio en geldt als autoriteit binnen het werkgebied. De organisatie faciliteert samenwerking tussen partijen bij opgaven die gemeentegrenzen en domeinen overstijgen. Dankzij de centrale positie in het speelveld, in combinatie met kennis en ervaring, neemt ODU een proactieve, adviserende en soms prikkelende rol in bij het signaleren en oplossen van lokale en regionale maatschappelijke opgaven. ODU adviseert, verleent vergunningen, houdt toezicht en handhaaft waar nodig. Deze taken worden in mandaat uitgevoerd met professionaliteit, integriteit en kwaliteit. Dit gebeurt op een realistische, doelmatige, effectieve en efficiënte wijze. Gedreven en deskundige professionals handelen objectief, zelfstandig en onafhankelijk. Er wordt risicogericht gewerkt, op basis van feiten, data en objectieve waarnemingen. Tegelijkertijd is er kennis van de lokale situatie en ontwikkelingen in het werkgebied. Transparantie, consequent handelen en duidelijkheid richting alle belanghebbenden staan centraal. ODU blijft voortdurend vernieuwen om de dienstverlening optimaal te laten aansluiten op de toenemende complexiteit van toekomstige vraagstukken. Dit zijn wij. De Omgevingsdienst Utrecht, de omgevingsdienst van de toekomst.” D. Probleem/ omgevingsanalyse Werkingsgebied regionale Uitvoerings- en Handhavingsstrategie De U&H-strategie ziet op het gehele werkgebied van de ODU. Deze is gelijk aan het grondgebied van de provincie Utrecht, met daarin de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunnik, Bunschoten, De Bilt, De Ronde Venen, Eemnes, Houten, Leusden, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Soest, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Woudenberg, IJsselstein en Zeist. Karakteristiek van de provincie Utrecht Utrecht vervult als centraal gelegen provincie een belangrijke functie binnen ons land. De mix van historische steden en dorpen en gevarieerd landschap, erfgoed en natuur op korte afstand van elkaar maakt onze provincie uniek. Zij fungeert als draaischijf en verbindt de Randstad met de rest van ons land. Deze draaischijffunctie heeft betrekking op het wegen- en spoornet Nederland en op het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek. De provincie Utrecht wordt aan de zuidzijde grotendeels begrensd door het Rivierengebied en heeft een belangrijke rol in de zoetwatervoorziening van West-Nederland. Het Groene Hart, de Hollandse Waterlinies en het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug zijn in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) door het Rijk benoemd als waardevolle landschappen. De Hollandse Waterlinies (Nieuwe Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam) en de Neder-Germaanse Limes zijn UNESCO Werelderfgoed. En de Grebbelinie ligt als waterlinie tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Deelgebieden en kenmerken De provincie Utrecht bestaat uit een aantal deelgebieden die verschillen in kenmerken en karakteristiek. De te onderscheiden deelgebieden zijn: Stadsgewest Utrecht In het stadsgewest Utrecht is sprake van de grootste dynamiek binnen de provincie. Het is ook een van de snelst groeiende regio’s van Nederland. Het gebied kenmerkt zich door: de centrale ligging in Nederland; een in het algemeen plezierig woon-, werk- en leefklimaat; een groot aantal kennisinstellingen; een hoog opgeleide beroepsbevolking; veel werkgelegenheid in de zakelijke en financiële dienstverlening; de vele infrastructuur die hier bij elkaar komt, weg, spoor en water; de grote verscheidenheid aan aantrekkelijke en cultuurhistorische landschappen in en om het stadsgewest; een hoogwaardig aanbod van cultuur en erfgoed; een sterke groeibehoefte voor wonen en werken. Een deel van deze kenmerken is niet uniek, maar deelt het stadsgewest met de rest van de provincie. Kromme Rijngebied, Langbroekerwetering en de Utrechtse Heuvelrug Dit betreft het landelijk gebied met enkele grotere kernen aan de oostzijde van het stadsgewest Utrecht. Het omvat 3 delen: de Utrechtse Heuvelrug. Die ligt in alle drie de deelgebieden van de Omgevingsvisie. Het centrale deel ervan ligt grotendeels in de regio Amersfoort. In de U16 bevindt zich de Stichtse Lustwarande, een aaneengesloten zone met historische buitenplaatsen; het Kromme Rijngebied. Hier heeft de landbouw een belangrijke positie. Het Kromme Rijngebied kent goede productieomstandigheden voor met name de fruitteelt; de Langbroekerwetering. Dit is een cultuurhistorisch waardevol gebied met diverse landgoederen en buitenplaatsen, waar landbouw en natuur duurzaam samengaan. Utrecht West Dit is het landelijk gebied aan de westzijde van het stadsgewest Utrecht dat in het landschap van het Groene Hart ligt, evenals het Noorderpark en Vijfheerenlanden die onderdeel van het stadsgewest Utrecht zijn. Het Groene Hart loopt door in Noord- en Zuid-Holland, het is de centrale open ruimte in de Randstad. Utrecht-West heeft uitgestrekte (veen)weidegebieden, doorsneden door de Vecht, Oude Rijn en Hollandsche IJssel met kenmerkende natuurgebieden, dorpen en historische stadjes. Langs de Vecht bevinden zich veel historische buitenplaatsen. De landbouw bestaat voornamelijk uit grondgebonden melkveehouderij. De stedelijke dynamiek concentreert zich van oudsher langs de Vecht en de Oude Rijn. Door het gebied heen lopen twee infrastructuurbundels: de A12 met de spoorverbinding Utrecht – Den Haag en de A2 met de spoorverbinding Utrecht – Amsterdam en het Amsterdam-Rijnkanaal. In het gebied liggen diverse plassen, rivieren, kanalen en weteringen die onderdeel zijn van een waternetwerk dat eveneens doorloopt in Noord- en Zuid-Holland en van groot belang is voor natuur, recreatie, toerisme en watersport. Aan de westzijde van de U16 ligt het veenweidegebied. Dit is een waterrijk gebied met een weids en open karakter en een kenmerkende historische verkavelingsstructuur. Het is een belangrijk gebied voor natuur, rust en recreatie. Van oorsprong was het hele gebied bedekt met veen en nog steeds is op veel plekken in de bodem veen te vinden. Het typische patroon van smalle weiden en sloten laat de geschiedenis van de ontwatering en veenontginning zien. Ontwatering maakte het land geschikt als akker- of weidegrond, maar het leidde ook tot daling van de bodem. Op sommige plaatsen is deze daling vanaf de ontginning wel 5 tot 6 meter geweest. In dit landschap speelt het vraagstuk van het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit terwijl er invulling wordt gegeven aan de transities in energie en landbouw en de opgaven van klimaatadaptatie en bodemdaling. Eemland Het deelgebied bestaat uit het laaggelegen veenweidegebied, de flanken van de Utrechtse Heuvelrug en het stuk van de Gelderse Vallei dat ligt in de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten-Spakenburg, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg. De Eempolder ligt in het noordoosten van de provincie, aan weerszijden van de rivier de Eem. De Eempolder maakt deel uit van het Nationale Landschap Arkemheen-Eemland. Het is een open, vlak veenweidegebied met slagenverkaveling (smalle stroken) en is vooral in gebruik als landbouwgebied met melkveehouderij. De ondergrond bestaat uit klei op veen. De Eempolder is ook één van de beste weidevogelgebieden in Nederland. Bedrijvenbestand in onze regio Het bedrijvenbestand in de regio Utrecht is pluriform. Er is veel bedrijvigheid in de vorm van kantoren, veehouderijen, lichte en zwaardere milieu categorie bedrijven tot en met (lichte) industrie en een aantal Seveso bedrijven. Er zijn geen zware industriële complexen binnen de regiogrenzen zoals Pernis en Chemelot, maar wel meerdere industriegebieden. Er zijn meer dan 30.000 milieu relevante bedrijven waarvan ongeveer 1000 vergunningplichtige bedrijven. Maatschappelijke opgaven en thema's De Omgevingswet is gebaseerd op vier pijlers: duurzaamheid, volksgezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit. Om het VTH-instrumentarium maximaal te laten bijdragen aan de doelen van de Omgevingswet en de uitdagingen waar de regio Utrecht voor staat, is er in deze U&H-strategie voor gekozen de klassieke methode van doelen stellen aan te vullen en te verrijken met 5 belangrijke maatschappelijke opgaven waar de deelnemers in de regio Utrecht voor staan. De vijf maatschappelijke opgaven die centraal staan: Gezonde leefomgeving Bodem en water Duurzaamheid 4 Toekomstbestendige natuur Milieucriminaliteit De opgaven zijn gebaseerd op de doelen van de Omgevingswet. Zij zijn gedestilleerd uit de omgevingsvisies van de provincie én de gemeenten. Daardoor zijn de opgaven breed erkend en gedragen. De opgave “milieucriminaliteit” komt voort uit de aanbeveling uit het rapport van de Commissie Van Aartsen om de afstemming tussen bestuursrecht en strafrecht te versterken. In de praktijk betekent dit dat de deelnemers de regio verbinden aan landelijke prioriteiten en programma’s op het vlak van dit thema. Binnen elke opgave is gekeken op welke thema’s de ODU de meeste impact kan maken. Het zijn herkenbare thema’s voor alle gemeenten en de provincie, de opgaves van nu: van luchtkwaliteit tot omgevingsveiligheid en van bodem tot geur en geluid. Inzet van de omgevingsdienst op deze thema's draagt bij aan de maatschappelijke opgaven in de regio. Overige taken Naast de inzet op de opgaven en thema's die hiervoor zijn genoemd zet de ODU ook in op reguliere taken waarvoor al regionale en/of provinciale kaders bestaan en waar er op basis van een risicoanalyse prioriteiten gesteld zijn. Dit zijn de volgende taken: Asbest Vuurwerk Luchtvaart Zwemwater Bodemsaneringen Toepassing van grond Grondwateronttrekkingen Voor deze taken geldt dat ze geen onderdeel uitmaken van de opgaven en thema's maar wel tot het VTH-takenpakket van de ODU behoren. Soms is er een relatie aan te wijzen met de opgaven, omdat de inzet van VTHA op deze taken ook bijdraagt aan de opgave. Op deze taken zijn echter geen specifieke regionale doelen geformuleerd omdat dit niet of nauwelijks van toegevoegde waarde is boven op het wettelijke kader van deze taken. De uitgangspunten en strategieën uit deze U&H-strategie zijn wel op deze taken van toepassing. Specifiek voor het onderwerp Bodem geldt dat de ODU een Kennisagenda ontwikkelt, gefinancierd met subsidie vanuit de VNG. Wanneer blijkt dat voor dit onderwerp “BIG-8 gesprekken” en specifiekere doelen voor de bestaande wet-en regelgeving meerwaarde hebben, kan dit in de implementatiefase van de U&H-strategie vorm krijgen. Bouwen De ODU voert ook taken uit op het gebied van bouwen. Dat doet zij voor drie gemeenten en de provincie. Er is geen specifieke strategie voor deze taak opgenomen in deze U&H-strategie, de uitgangspunten zijn wel van toepassing. De vier deelnemers die bouwtaken door de ODU laten uitvoeren werken aan een uniforme strategie voor deze taken. Deze strategie is uiterlijk in 2026 gereed en zal de basis zijn voor alle deelnemers die in de toekomst bouwtaken dor de ODU uit wil laten voeren. Zo ontstaat er ook op dat gebied een meer “level playing field” en ligt er een kader dat bijdraagt aan een uniforme- en effectieve werkwijze door de ODU. E. Regionale doelen en prioriteiten Regionale doelen In de U&H-strategie staan doelen die focus aanbrengen binnen verschillende thema’s, die allemaal onderdeel zijn van een maatschappelijke opgave. Op deze manier wordt er maximaal impact gemaakt voor de belangrijkste maatschappelijke opgaven die de deelnemers met elkaar in de regio hebben gedefinieerd. De inzet van VTHA-instrumenten draagt bij aan het bereiken van deze doelen. Voor elk van deze thema’s is er met meer dan 200 experts van binnen en buiten de regio geformuleerd waar de ODU met de inzet van het VTHA-instrumentarium aan bijdraagt en wat ervoor nodig is om dat waar te kunnen maken. Hierdoor is er een transparant en vrijwel volledig beeld ontstaan van de opgaven die er liggen. Het heeft geresulteerd in 11 productbladen waarin per thema de doelen voor VTHA staan, inclusief de acties die nodig zijn om deze te bereiken. De uit te voeren acties zijn beoordeeld op basis van zowel urgentie, als op de tijd en capaciteit die nodig zijn om deze te realiseren. Dit levert vier categorieën op, die gebruikt worden om acties te agenderen vanaf 2026. Tabel: Weergave van de wijze waarop acties geprioriteerd zijn. Toelichting op de prioritering van acties Resultaat Laaghangend fruit Direct oppakken
(2026)Lage kosten en urgent Urgent, maar vraagt om een investering. Budgetteren en plannen voor 2026 & 2027 Hoge(
- re)kosten en urgent Niet het allerbelangrijkste, maar eenvoudig uit te voeren. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien wel doen omdat er momentum
- is)Hoge(
- re)kosten en belangrijk Prioriteiten Regionale basis Artikel 1.3 Omgevingswet geeft een opgave aan ieder bestuursorgaan, namelijk het in onderlinge samenhang van beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. Dat moet gebeuren met inachtneming van in ieder geval: ‘veiligheid’, ‘gezondheid’ en ‘omgevingskwaliteit’. De ODU zet in op deze thema's in de fysieke leefomgeving om de naleving van wet- en regelgeving op die thema's te controleren en te bevorderen en uitvoering te geven aan de (wettelijk) opgedragen taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving en advisering. De opgaven en thema’s zijn onderling niet geprioriteerd. Voor alle thema’s geldt een wettelijke basis. Wel verschilt de aanpak van de diverse thema’s, maar er is geen thema belangrijker dan het andere. Binnen de thema’s zelf wordt wel geprioriteerd. Per thema zijn de benoemde acties, die ook als subdoelen gezien worden, gerangschikt. Dit alles is per thema in een productblad uitgewerkt. De productbladen zijn opgenomen in bijlage A. Regionale ambitie Op een groot deel van de thema's wordt al jaren ingezet en is een stevige basis gelegd. Deze thema's, zoals geur en energiebesparing, hebben heldere wettelijke kaders en toegepaste strategieën voor de inzet van de VTH-instrumenten. Dat wil niet zeggen dat het niet beter kan en soms ook moet. Daar waar winst te behalen is voor de leefomgeving zet de ODU extra in, bijvoorbeeld door scherper te vergunnen en te zorgen dat op basis van geactualiseerde vergunningen beter kan worden gehandhaafd op zeer zorgwekkende stoffen. Op de wat nieuwere thema's Waterkwaliteit en Milieucriminaliteit liggen kansen om met de inzet van VTHA veel meer impact te maken dan nu. Het grootste potentieel zit hem in het versterken van (boven) regionale samenwerking. Samenwerking is belangrijk om de inzet van VTHA goed af te stemmen en zo effectiever te maken. Daar ligt de prioriteit voor de ODU, maar ook voor de partners in de regio. Op het gebied van waterkwaliteit bijvoorbeeld, hebben waterschappen als kennishouder, de gemeenten als bevoegd gezag en de provincie als regisseur gezamenlijk veel meer potentie dan wanneer deze partijen individueel te werk gaan of in kleine(
- re)coalities samenwerken. Vanzelfsprekend wordt er ook landelijk kennis opgehaald en naar goede voorbeelden gekeken. Op het gebied van de bestrijding van milieucriminaliteit zit de winst in het, samen met het Openbaar Ministerie, verbinden van landelijke strategische doelen op geprioriteerde thema’s met de regionale verschijningsvormen binnen die thema’s. Dat bevordert de programmatische aanpak en is een voorwaarde voor de tijdige toekenning van capaciteit. De thema's Biodiversiteit en Circulaire economie staan de afgelopen jaren steeds meer in de belangstelling. Voor circulaire economie zijn de wettelijke kaders en beleidskaders op deze terreinen nog niet volledig ontwikkeld. Voor drie aanvullende thema’s, te weten de soortenbescherming, gebiedsbescherming en bos en landschap zijn de opgaven en verantwoordelijkheden in wetgeving vastgelegd en uitgewerkt in beleidskaders, maar de vertaalslag in een gerichte inzet van VTHA is vooralsnog onvoldoende gebleken. Bij circulaire economie zetten we daarom vooral in op het leveren van een bijdrage aan de verdere ontwikkeling van wettelijke kaders en beleidskaders, vanuit het perspectief van VTHA (uitlegbaar, uitvoerbaar en handhaafbaar én gericht op kansen). Het thema Biodiversiteit zal in samenspraak moeten worden aangevuld met de hiervoor genoemde opgaven (nieuwe thema’
- s)en gericht moeten zijn op een bijdrage aan het halen van deze wettelijke (provinciale) doelstellingen. Dit moet in concrete doelen worden geformuleerd vanuit het perspectief van de natuur- en bosopgave. Lokale ambitie Individueel kunnen deelnemers hogere (boven wettelijke) ambities hebben op thema’s. De U&H-strategie biedt de mogelijkheid deze hogere ambities te vertalen in het gemeentelijk of provinciaal uitvoeringsprogramma. Zo is er ruimte voor lokale accenten. De ODU kan deelnemers adviseren over de mogelijkheden om bestuurlijke wensen voor hogere ambities op thema's te vertalen naar de uitvoering. Landelijk geprioriteerde risicovolle thema’s De ODU zet zich, naast de in deze U&H- strategie uitgewerkte thema’s, vanzelfsprekend ook in op de landelijke (klassieke) risico thema’s bodem (milieu), asbest, brandveiligheid opslag gevaarlijke stoffen en risicovolle milieubelastende activisten. Deze landelijke thema’s komen ook terug in de thema’s van de producten- en diensten catalogus van de ODU. Per thema worden er uren begroot in het uitvoeringsprogramma voor de uitvoering van de programmering op deze thema’s. F. Informatiegestuurd- risicogericht werken De ODU werkt voor een groot deel informatiegestuurd en risicogericht. Dit betekent dat beslissingen in de uitvoering van de VTHA-taken worden genomen op basis van betrouwbare data en objectieve waarnemingen, waarbij de focus ligt op efficiëntie, effectiviteit en transparantie. Risicogericht werken Risicogericht werken houdt in dat beschikbare data en informatie worden gebruikt om risico's in te schatten en prioriteiten te stellen. Dit verhoogt de efficiëntie en helpt bij het maken van bewuste keuzes over de inzet van middelen. Het doel is om de kans en het effect van (milieu)risico’s te verlagen en om beleidsdoelen te realiseren door strategische, tactische en operationele analyses. Het risicogericht werken is onder te verdelen in drie niveaus: Strategisch niveau: Landelijke of regionale omgevingsanalyses van maatschappelijke thema's en opgaven, met focus op veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Prioriteiten stellen tussen en binnen thema's zoals lucht, licht, bodem, energie, geluid, geur en water. Tactisch niveau: Gerichte probleem- en doelgroepanalyses en benoemen van interventies. Hierbij is ook aandacht voor de redenen voor niet naleving van wet- en regelgeving. Focus aanbrengen in bepaalde (sub)branches/sectoren/groepen en locaties, zoals ketentoezicht. Operationeel niveau: Object- en subjectanalyses om te bepalen waar capaciteit en welke interventies worden ingezet, zoals het uitvoeren van controles of informeren. Dit kan zich richten op verschillende aspecten of een enkel aspect, zoals transportcontroles of branchegericht toezicht. Informatiegestuurd werken Informatiegestuurd werken is een continu proces waarbij ruwe data worden verzameld, geanalyseerd en toegepast als informatie in besluitvormingsprocessen. Dit verbetert de prestaties van de organisatie en zorgt voor meer inzicht voor de organisatie zelf en transparantie naar opdrachtgevers en belanghebbenden. Het informatiegestuurd werken is onder te verdelen in 3 niveaus: Dataverzameling en analyse: Het verzamelen van ruwe data en deze analyseren om bruikbare informatie te verkrijgen. Dit omvat onder andere het gebruik van “business intelligence tools” met data uit het zaaksysteem, data uit bronsystemen van andere organisaties, bodemkwaliteitskaarten het ontwikkelen van GIS-kaarten en risicomodellen. Toepassing in besluitvorming: De geanalyseerde data wordt na bewerking en/of verrijking als informatie gebruikt om beslissingen te nemen die de prestaties van de organisatie verbeteren. Voorbeelden zijn het gebruik van PowerBrowser voor interne rapportages en BI dashboards, externe rapportages zoals Inspectieview en het LMA en het toepassen van strafrecht volgens de LHSO. Toepassing in informatieproducten: Van de data en informatie waar de organisatie over beschikt, kunnen informatieproducten gemaakt worden die relevant zijn voor bijvoorbeeld inwoners, bedrijven of publieke partners van de organisatie. Bijvoorbeeld een kaart met alle locaties voor gasopslag in de provincie. Of een risicobeeld van een sector. De ODU werkt op dit moment al deels informatiegestuurd en risicogericht. In hoeverre en op welke wijze verschilt per milieuthema nog sterk. Goede voorbeelden hiervan zijn: de “RGT-systematiek” voor milieucontroles bij bedrijven en brancheplannen; business intelligence tools voor het ontdekken van trends en het automatiseren van de werkverdeling; rapportages uit het zaaksysteem voor de monitoring van de datakwaliteit en; het knooppunt bodeminformatie dat gegevens vanuit de hele provincie verzamelt en via een kaart beschikbaar stelt. De toepassing en (door)ontwikkeling van dergelijke systemen en methodieken kent een aantal algemene uitdagingen: Datakwaliteit en integriteit: Betrouwbare data zijn essentieel om verkeerde conclusies te voorkomen. Het belang van betrouwbare data wordt benadrukt. De “zelfevaluatie datavolwassenheid”, die vanuit het IBP VTH is ontwikkeld, draagt bij aan een analyse voor de verbetering hiervan binnen de ODU. Capaciteit: Beperkte middelen vereisen efficiënte werkwijzen. Er is een grote noodzaak om efficiënt te werken binnen de beschikbare capaciteit. Het is belangrijk om te beseffen dat risicogericht werken vooral moet leiden tot kwaliteitsverbeteringen en inzet daar waar de impact het grootst is. Weerstand op technologie: Weerstand tegen automatisering en kunstmatige intelligentie (AI) is een fenomeen dat binnen organisaties voorkomt, zoals bij alle veranderingen en innovaties. Het is belangrijk om deze weerstand te overwinnen door bewustwording en training waardoor de hele organisatie wordt meegenomen in de mogelijkheden die deze toekomstige ontwikkelingen kunnen bieden voor ons werk. Samenwerking: Verbeterde interne en externe samenwerking is noodzakelijk. Dit omvat bijvoorbeeld intensievere samenwerking ten behoeve van ketentoezicht en de verbetering van waterkwaliteit. Ook is het essentieel om te monitoren wat de effecten van bepaalde risico gerichte of informatie gestuurde keuzes zijn voor de hele productieketen. Zo kunnen bijvoorbeeld prioriteiten in het toezicht leiden tot een toename van meldingen voor vergunningverlening en vice versa. Toekomstvisie De toekomstvisie is om gefaseerd steeds meer data en informatie op interactieve kaarten te verwerken (kaartgericht werken). Kaartgericht werken geeft medewerkers een vollediger beeld van diverse belangen en risico’s. Het helpt ook bij het in beeld brengen van zogeheten “blinde vlekken” (potentieel risicovolle activiteiten die niet gemeld of vergund zijn). Dit is belangrijk omdat het criterium van onlosmakelijkheid onder de Omgevingswet los is gelaten. De koppeling van kaarten met het zaaksysteem verlaagt de administratieve last en verkleint de kans op fouten. Medewerkers krijgen een vollediger beeld van hun zaken en kunnen ze beter in context plaatsen. Zo kunnen potentiële risico’s in beeld komen. Kaartgericht werken geeft ook de mogelijkheid om nieuwe informatie inzichtelijk te maken en hierop direct te in te spelen. Tot slot biedt het de kans om informatie direct te verwerken via koppelingen met het zaaksysteem. Andere tools, zoals dashboards en rapportages worden ook steeds meer samengebracht en ontsloten in overzichtelijke rapportages. Ambitie De ambitie van de ODU op informatiegestuurd en risico gericht werken is onder te verdelen in een aantal pijlers: Datakwaliteit: Monitoring Blinde vlekken (validatie) Analyses Aansluiting op landelijke standaarden en uitwisseling met externe bronnen Vastlegging/borging Automatisering: Verlagen administratieve last Verminderen foutgevoeligheid Optimaliseren en versnellen processen Methodieken: Vraag gestuurd werken ook op basis van risicogerichte prioritering en informatie gestuurde werkwijzen Risicogericht planbare systematiek voor toezicht, prioritering in de actualisatie van vergunningen Tools: Integrale GIS-applicaties Business intelligence toepassingen (dashboards, rapportages) Zo wil de ODU-processen versoepelen door automatisering toe te passen waar mogelijk (denk bijvoorbeeld aan bepaalde administratieve werkzaamheden). Vervolg De ambitie wordt verder uitgewerkt in een plan van aanpak voor de komende jaren. Aanvullende ontwikkelingen Voor meer vraaggestuurd werk, zoals vergunningverlening en advisering, kan door middel van het samenbrengen van verschillende relevante informatiebronnen een meer informatiegestuurde uitvoering worden bereikt. Er kan een prioritering worden ontwikkeld voor het actualiseren van vergunningen gebaseerd op risico of thema uit deze U&H- strategie. Ook wil de ODU een toename van de data uitwisseling faciliteren met ketenpartners. Het raadplegen van externe bronnen en aanhaken op landelijke standaarden en ontwikkelingen maakt het mogelijk om hierin actief voorstellen te doen. Dit om van alle beschikbare data zoveel mogelijk noodzakelijke en nuttige informatie (ook op kaart) te maken voor onze opdrachtgevers, inwoners en bedrijven om integrale afwegingen en samenwerking te vergroten. Daarnaast is het borgen en continue monitoren van de interne datakwaliteit van de systemen van groot belang, omdat hier veel applicaties en toepassingen van risicogericht werken (RGW) op draaien. Betrouwbare data en de borging hiervan is de basis en noodzakelijk voor risico gericht en informatie gestuurd werken. Randvoorwaardelijk voor al deze innovaties is het meenemen van het thema Mens en Organisatie. Voor het slagen van de ambitie zijn medewerkers vereist met een nieuwe houding, vaardigheden en kennis om de ontwikkeling voort te zetten. Ook de samenwerking met andere organisaties kan nodig zijn om bijvoorbeeld de juiste data te delen en analysecapaciteit geconcentreerd in te zetten voor zo veel mogelijk gebruikers. G. Reguleringstrategie Scope In deze strategie wordt onder regulering verstaan: het verlenen, (gedeeltelijk) weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een omgevingsvergunning mogelijk als onderdeel van een legalisatietraject; het afdoen van de informatieplicht het behandelen van een melding; het opstellen en/of het intrekken van een maatwerkvoorschrift en/ of gelijkwaardigheid; het nemen van een besluit over het al dan niet vereisen van een milieueffectrapportage (m.e.r.-beoordeling); het actualiseren van een vergunning; het afgeven van advies in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Uitgangspunten Uitgangspunten van de vergunningenstrategie zijn: toepassen van het ‘ja, mits’ principe; kernwoorden zijn integraliteit, uniformiteit waar mogelijk, vergelijkbaar in vergelijkbare situaties; vergunningen zijn begrijpelijk geschreven en openbaar en digitaal beschikbaar dan wel opvraagbaar; vergunningentrajecten eindigen met een oplevering naar toezicht; vergunningen zijn handhaafbaar; voorschriften zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken (BBT) met primair toepassing van zogenoemde doelvoorschriften; vergunningen/meldingen worden per bedrijf overzichtelijk vastgelegd, zodat alle verplichtingen van het bedrijf op ieder moment inzichtelijk zijn. Maatwerkvoorschriften Besluiten voor activiteiten die bij niet naleven schade kunnen veroorzaken aan leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur worden intensiever behandeld en bevatten meer maatwerkvoorschriften. De aanvraag (wat wordt precies gevraagd), het besluit (wat wordt toegestaan) en de voorschriften (wat zijn de exacte condities) worden in detail geformuleerd. Maatwerkvoorschriften gelden wanneer landelijke voorschriften onvoldoende helder zijn in de toepassing op een specifieke situatie en/of bij sprake van slecht naleefgedrag. Maatwerkvoorschriften geven het bedrijf ten opzichte van doelvoorschriften minder speelruimte en meer duidelijkheid, ook voor toezicht en handhaving. Inzet van maatwerkvoorschriften Veel (milieubelastende) activiteiten vallen onder algemene rijksregels, wat betekent dat initiatiefnemers aan voorschriften moeten voldoen zonder dat een vergunning nodig is om de activiteit te mogen verrichten. Er kan wel een informatie- of meldingsplicht gelden. Daarnaast is het vaak mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen. Deze maatwerkvoorschriften kunnen worden ingezet om daarmee bij te dragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet en de doelen in deze U&H-strategie. Scherper vergunnen De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om resultaatgerichte emissiegrenswaarden te stellen. Het bevoegd gezag krijgt in de Omgevingswet diverse instrumenten om op maat emissiegrenswaarden te kunnen stellen: streng op basis van de regel dat alle passende preventieve maatregelen moeten worden getroffen tegen verontreiniging van het milieu; streng op basis van de regel dat alle passende preventieve maatregelen moeten worden getroffen ter bescherming van de gezondheid; streng bij het stellen van een emissiegrenswaarde op basis van de toepassing van BBT; streng om significante verontreiniging te voorkomen, ook in relatie tot de regels in het gemeentelijke omgevingsplan om de functies van de leefomgeving evenwichtig toe te delen; streng op basis van aanvullende provinciale regels in de omgevingsverordening; streng op basis van de concretisering van de specifieke zorgplicht van iedere milieubelastende activiteit (MBA); streng op basis van effecten die in beeld komen door een milieueffectrapportage; streng op basis van de oplossingen die deelnemers inbrengen tijdens participatieprocessen. Het huidige gebruik van de beslissingsruimte om bepaalde emissiegrenswaarden te stellen, is mede gebaseerd op de interpretatie van die beslissingsruimte in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarin ligt de nadruk op de toepassing van BBT en minder op de andere maatstaven uit het beoordelingskader. Hierdoor is het stellen van emissiegrenswaarde die zich richten op het doel dat in de U&H-strategie wordt gesteld lastig. Dat komt ook doordat bedrijven in de praktijk vaak leidend zijn bij het kiezen van een BBT in hun vergunningaanvraag en bij het doen van voorstellen voor een bepaalde mate van milieubescherming door middel van de maatregelen die zij wensen te nemen2. De ODU gaat – mede in het licht van de actualisatie van vergunningen (zie hieronder) onderzoeken op welke manier strenger vergunnen kan worden ingezet, zodat maximaal wordt bijgedragen aan de opgaven op het gebied van (met name) schone lucht. De resultaten hiervan worden voorgelegd aan de deelnemers en na besluitvorming betrokken bij de vergunningverlening en het programma Actualisatie. Actualisatie vergunningen Artikel 5.38 van de Omgevingswet schrijft voor dat het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Geactualiseerde vergunningen voldoen aan de actuele wet- en regelgeving met daarin de laatste inzichten over normstelling en best beschikbare technieken. Daarmee zijn actuele vergunningen van belang voor een optimale bescherming van het milieu en inwoners. Daarnaast wordt hierdoor voorkomen dat er ongelijkheid ontstaat in de verplichtingen voor bedrijven als gevolg van verouderde vergunningen en/of voorschriften. De aanleidingen voor actualisatie zijn als volgt: naar aanleiding van gewijzigde BBT-conclusies of BAT Reference documents (BREF's); naar aanleiding van een nieuw en/of gewijzigd afvalbeheerplan; naar aanleiding van nieuwe Nederlandse BBT documenten; naar aanleiding van beleidsambities en regionale aspecten; naar aanleiding van gedateerde vergunningen; naar aanleiding van handhavings- of incidentbevindingen; naar aanleiding van jurisprudentie. De ODU beoordeelt doorlopend welke BBT gewijzigd zijn en of als gevolg hiervan vergunningen moeten worden geactualiseerd. Daarnaast vindt eens per 5 jaar een algehele actualisatietoets plaats. De selectie van de te actualiseren bedrijven wordt gedaan via een risicomatrix, met scores op meerdere criteria. De volgende onderwerpen wegen zwaarder: handhaafbaarheid en gedateerdheid. Tijdens het vaststellen van de uitvoeringsprogramma's wordt jaarlijks, op basis van het actualisatieprogramma, bepaald welke middelen er beschikbaar (moeten) zijn voor het uitvoeren van de actualisatie. Intrekken vergunningen De Omgevingswet geeft mogelijkheden voor het intrekken van vergunningen om te voorkomen dat er onnodig milieugebruiksruimte vergund blijft. Een vergunning komt voor intrekken in aanmerking als de activiteit in strijd is met de beoordelingsregels: bij niet of niet volledig gebruikmaken van de omgevingsvergunning; op verzoek van de vergunninghouder; bij intrekken van een samenhangende wateractiviteit; op verzoek van een instemmingsorgaan; als toepassen beste beschikbare technieken niet mogelijk blijkt; bij een gesloten stortplaats; als het doelmatig beheer afvalstoffen onvoldoende is; als preventieve maatregel ter bescherming van de gezondheid; in het kader van handhaving. De ODU voert een actief intrekkingsbeleid en overlegt met de deelnemers vóórdat een intrekkingstraject start. Uitvoeren vergunningverlening Voor veel activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving is toestemming nodig van het bevoegd gezag. Deze toestemming van het bevoegd gezag gaat gepaard met het toetsen van de aanvraag aan de wettelijke kaders (voorschriften). Vergunningverlening is voor het bevoegd gezag een belangrijk instrument om het beleid vorm te geven in concrete afwegingen, kaders en voorschriften. De vergunningenstrategie beschrijft hoe dit instrument wordt toegepast bij de geldende wet- en regelgeving. Deze strategie levert daarmee een belangrijke bijdrage in de ontwikkeling en vaststelling van het uitvoeringsbeleid van het bevoegd gezag om de doelen voor de omgeving en de uniforme uitvoering daarvan te bereiken. De vergunningenstrategie is een ondersteunend model bij het komen tot een bij de omgeving passend kader bij elk besluit. Door ieder bevoegd gezag dezelfde uitgangspunten te laten vastleggen in de U&H-strategie ontstaat meer uniformiteit in de besluitvorming. De strategie maakt de afhandeling van zaken reproduceerbaar en eenduidig, dat wil zeggen dat in het dossier het procesverloop en de beslissingen in het belang van de omgeving genomen, terug te vinden zijn. De uniformiteit in de besluitvorming en reproduceerbare afhandeling van vergelijkbare zaken draagt bij aan de transparantie van het besluitvormingsproces voor bedrijven, inwoners en andere instanties. Het niveau van beschikken op een vergunningaanvraag kan langs twee assen worden gelegd. Deze assen zijn de technisch-inhoudelijke complexiteit; en de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de situatie, die klein of groot kunnen zijn. De assen worden als volgt beschreven: Technisch-inhoudelijke complexiteit Elke vergunning bestaat uit een mix van standaard- en specifieke voorschriften. Als de technisch-inhoudelijke complexiteit van de specifieke situatie (de activiteit in kwestie en/of het gebied waar de activiteit plaatsvindt) klein is, ligt het accent vooral op standaardvoorschriften en minder op specifieke voorschriften. Omgekeerd ligt het accent vooral op specifieke voorschriften en minder op standaardvoorschriften als de technisch-inhoudelijke complexiteit van de situatie activiteit en/of omgeving) groot is. Sociaal-maatschappelijke complexiteit De omgeving wordt ingedeeld naar objectieve en subjectieve kwetsbaarheid. De objectieve kwetsbaarheid van de omgeving wordt bepaald door de aanwezigheid van kwetsbare objecten op korte afstand. Dit is belangrijker naarmate de potentiële impact van een bedrijf groter is. Daarnaast moet worden geïnventariseerd of er sprake is van weerstand in de omgeving. Het kan zijn dat er veel klachten zijn of dat er een actiegroep actief is. Hier betreft het de subjectieve typering van de omgeving. Wanneer de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de omgeving gering is, kan het proces van tot stand brengen van een vergunning eenvoudig zijn. Als de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de omgeving daarentegen groot is, ligt het totstandbrengingproces gecompliceerder. Bijvoorbeeld vanwege de impact van de activiteiten, een eventuele voorgeschiedenis of economisch belang en/of aanwezige belangenorganisaties die zich roeren. In dit geval moet de bestuurlijke afwegingsruimte worden ingevuld en is het proces minstens zo belangrijk als de inhoud; afstemming, overleg en/of samenwerking zullen noodzakelijk zijn tussen het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk) en bijvoorbeeld de omgevingsdienst, de initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden. NB: Hier ligt ook een link met de LHSO, waarin verschillende typen normadressaten worden onderscheiden (belanghebbende personen of organisaties en bedrijven waarvoor de regels gelden). Een vergelijkbare werkwijze is gebruikt in deze strategie, in de as sociaal-maatschappelijke complexiteit. De beoordeling op sociaal-maatschappelijke complexiteit kan worden bepaald via: internet en andere open bronnen (bedrijf/naam aanvrager); klachtenregistratie; de accounthouder; personen met gebied specifieke kennis/branche kennis; andere afdeling of overheid. Vier typen vergunningen en meldingen Er zijn vier typen vergunningen en meldingen. Eerst wordt ingegaan op de vergunningentypen. Daarna volgen de meldingen. Vergunningen In combinatie leiden beide assen tot vier typen vergunningen (zie figuur 1): Vergunning eenvoudig Vergunning specifiek Vergunning eenvoudig+ Vergunning specifiek+ Toelichting op de vier typen vergunningen: Vergunning eenvoudig Technisch-inhoudelijk noch sociaal-maatschappelijk complex: stel een vergunning op die vooral bestaat uit standaardvoorschriften. Voorbeeld: een betonmortelbedrijf wil de grondstoffenopslag verplaatsen en de productiecapaciteit niet verhogen. Het bedrijf ligt op een gezoneerd bedrijventerrein. Er zijn geen locatie specifieke problemen te verwachten. Technisch-inhoudelijk noch sociaal-maatschappelijk complex. Toepassing van o.a. het geluidbeleid van het bevoegd gezag. Vergunning specifiek Technisch-inhoudelijk complex, sociaal-maatschappelijke complexiteit klein: de vergunning bestaat voor het technisch-inhoudelijk complexe deel uit specifieke voorschriften. Voorbeeld: een laboratoriumbedrijf wil een aantal experimenten uitvoeren. Bij de experimenten worden genetisch gemodificeerde organismes (ggo’
- s)gebruikt (aangewezen EU-categorie, waarvoor vergunningplicht geldt). Het bedrijf is gevestigd op een bedrijventerrein, sociaal-maatschappelijk gezien zijn er geen problemen te verwachten. Technisch-inhoudelijk is het een lastige aanvraag waarmee bevoegd gezag en omgevingsdienst geen ervaring hebben voor wat betreft risico’s en bepaling van de specifieke vergunningvoorschriften. Via de landelijke kennis- en infrastructuur komen casemanager en vergunningverlener in contact met een soortgelijke aanvraag. Vergunning eenvoudig+ Technisch-inhoudelijk gezien niet complex, sociaal-maatschappelijke complexiteit groot: de vergunning bestaat hoofdzakelijk uit standaardvoorschriften. De sociaal-maatschappelijke complexiteit leidt tot extra aandacht voor zorgvuldige communicatie, overleg en/of samenwerking tussen het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), de uitvoerende dienst, het bedrijf of initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden. Vergunning specifiek+ Zowel technisch-inhoudelijk als sociaal-maatschappelijk complex: de vergunning bestaat voor het technisch-inhoudelijk complexe deel uit specifieke voorschriften; de sociaal-maatschappelijke complexiteit leidt tot extra aandacht voor zorgvuldige communicatie, overleg en/of samenwerking tussen het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), de uitvoerende dienst, het bedrijf of initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden. Voorbeeld: een groot agrarisch bedrijf dat valt onder de IPPC-richtlijn (preventie en bestrijding verontreiniging) wil uitbreiden met een co-vergistingsinstallatie. Er is een aanpassing van het bestemmingsplan nodig en daarnaast een meervoudige omgevingsvergunning. Omwonenden hebben eerder bezwaar gemaakt tegen het bedrijf i.v.m. geuroverlast. Technisch-inhoudelijk en sociaal-maatschappelijk een complexe aanvraag, waarin casemanagement een belangrijke rol vervult. Toepassing van o.a. het geurbeleid van het bevoegd gezag. Meldingen Er zijn vier typen meldingen: Melding eenvoudig Melding specifiek Melding eenvoudig+ Melding specifiek+ Toelichting op de vier typen meldingen: Melding eenvoudig Melding beoordelen en in beginsel geen actieve opvolging geven. Voorbeeld: een bedrijf meldt het plaatsen van een propaantank. Het bedrijf is gevestigd in het buitengebied, de tank wordt volgens de bijgeleverde tekening geplaatst op een afstand van 20 meter van enig bouwwerk. Een erkende installateur plaatst de tank. De melding wordt beoordeeld op indieningsvereisten, gepubliceerd en overgedragen aan toezicht. Melding specifiek Melding beoordelen en actief opvolgen door het stellen van maatwerkvoorschriften en/of gelijkwaardigheid. Voorbeeld: een meldingsplichtig bedrijf (type B) met een opslag voor gevaarlijke stoffen (< 10 ton) is van plan gevaarlijke stoffen af te tappen uit verpakkingen in de opslag en meer gevaarlijke stoffen als werkvoorraad buiten de opslag aan te houden dan de wet toestaat. Er is een melding Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vereist die moet worden beoordeeld op indieningsvereisten en specifieke omschrijving van aard en omvang van de nieuwe activiteiten. Voor deze activiteiten is een maatwerkbesluit vereist en afstemming nodig met de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (medebevoegd gezag) en eventueel advies van de veiligheidsregio (brandveiligheid werkvloer, doorvoeringen in brandcompartiment). Melding eenvoudig+ Melding beoordelen en actief opvolgen met extra aandacht voor het informeren van belanghebbenden (bevoegd gezag ambtelijk/bestuurlijk, belanghebbende derden). Voorbeeld: naar aanleiding van een melding dat in een horecagebouw een sekswinkel wordt gevestigd informeert het bevoegd gezag omwonenden voordat de melding in de krant wordt gepubliceerd. Melding specifiek+ Melding beoordelen en actief opvolgen door het stellen van maatwerkvoorschriften en/of gelijkwaardigheid met extra aandacht voor het informeren en betrekken van belanghebbenden (bevoegd gezag ambtelijk/bestuurlijk, belanghebbende derden). Voorbeeld 1: een groot bouwwerk staat op de nominatie om te worden gesloopt. In verband met asbest in het bouwwerk is een melding Besluit bouwwerken leefomgeving vereist voor de sloop (> 10m3 bouw- en sloopafval) en de aanwezigheid van asbest. Voor de verwerking van het steenachtig bouw- en sloopafval wordt een mobiele puinbreker ingezet. Daarvoor is een melding nodig voor de relevante wetgeving. De helft van een rijbaan wordt tijdelijk gestremd inclusief een parkeerstrook. De omwonenden worden in een bijeenkomst geïnformeerd over de plannen en de voorgestelde maatregelen ter voorkoming van overlast (stof, geluid) en ter voorkoming van onrust vanwege de verwijdering van asbest (mannen in witte pakken…). Voorbeeld 2: een Seveso-bedrijf is van plan een meldingsplichtige wijziging (Bal) doorvoeren. Het betreft het verni