← Nederland

Reglement van Orde voor Provinciale Staten 2010 (Limburg)

REGLEMENT VAN ORDE VOOR PROVINCIALE STATEN 2010 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Voorzitter: de voorzitter van Provinciale Staten; Vic

evoorzitter: de vicevoorzitter van Provinciale Staten; Presidiumvoorzitter: de voorzitter van het Presidium; Hamerstukken: voorstellen die blijkens unaniem advies van de desbetreffende Statencommissie geen behandeling door Provinciale Staten meer behoeven; Gedragscode Bestuurlijke Integriteit: gedragscode vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 5 maart 2004; Statencommissie: een commissie als bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet. Artikel 2 De voorzitter De voorzitter is belast met: Het schriftelijk oproepen van de Statenleden tot de vergadering; Het leiden van de vergadering; Het handhaven van de orde in de vergadering; Het doen naleven van dit reglement van orde; Hetgeen de wet of dit reglement hem verder opdraagt. Artikel 3 De griffier 1De griffier is in elke vergadering van Provinciale Staten aanwezig. 2 Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door de waarnemend griffier, daartoe aangewezen door het Presidium. Artikel 4 Het Presidium en het seniorenconvent. Provinciale Staten stellen een Presidium in. Het Presidium is een Statencommissie als bedoeld in art. 82 Provincie Wet. De werkzaamheden van het Presidium worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement; zij betreffen in elk geval de agenda en de dagorde van de vergadering van Provinciale Staten, huishoudelijke zaken betreffende de werkzaamheden van Provinciale Staten en de Statencommissies, de organisatie en het functioneren van de griffie en de begroting van de griffie. Het Presidium bestaat uit de voorzitters van de fracties uit Provinciale Staten of hun plaatsvervangers en de vicevoorzitter van Provinciale Staten; de voorzitter van Provinciale Staten is adviseur van het Presidium. Elk lid van het Presidium heeft een stem. De Presidiumvoorzitter en de voorzitter van Provinciale Staten hebben een adviserende stem. De vicevoorzitter van Provinciale Staten fungeert als presidiumvoorzitter. De griffier of diens vervanger is in elke vergadering van het Presidium aanwezig. De griffier draagt zorg voor de ondersteuning van het Presidium. De voorzitter stelt de agenda samen voor de vergaderingen van het Presidium. In principe worden alle onderwerpen achter gesloten deuren behandeld. De voorzitter legt m.b.t. stukken, die achter gesloten deuren behandeld worden, op grond van artikel 91, lid 2 Provinciewet, vertrouwelijkheid op tot het Presidium een besluit genomen heeft zoals bedoeld in lid 8 van dit artikel. Voor afloop van de besloten vergadering besluit het Presidium op grond van artikel 91, eerste lid van de Provinciewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. Van alle punten, waaromtrent geen geheimhouding wordt opgelegd, wordt een openbare besluitenlijst gepubliceerd, voorzien van alle daarop betrekking hebbende voorstellen. Er is een seniorenconvent. Het seniorenconvent is een commissie ex art.82 Provinciewet. Het wordt voorgezeten door de Commissaris van de Koningin. De leden zijn de fractievoorzitters uit Provinciale Staten. De vicevoorzitter van Provinciale Staten is adviserend lid en plaatsvervangend voorzitter van het seniorenconvent. Het Presidium kan nadere regels stellen m.b.t. de werkwijze van het seniorenconvent. De leden 7 en 8 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 5 De agendacommissie Er is een agendacommissie met als leden de voorzitters van de Statencommissies en de controlecommissie en hun vervangers; de commissie wordt voorgezeten door de voorzitter van het Presidium. De agendacommissie overlegt over en coördineert de agendering van de vergaderingen van de Statencommissies alsmede de werkwijze van de commissies en de activiteitenplanning; zij ziet toe op een juiste toedeling en evenwichtige spreiding van de onderwerpen in de commissie. De agendacommissie heeft daarnaast tot taak de bewaking en afstemming van de voorraadagenda van de Statencommissies; bij ontbreken van eenstemmigheid beslist het Presidium. De commissie adviseert voorts het Presidium over de voorraadagenda van Provinciale Staten. Artikel 6 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging 1Ten behoeve van het onderzoek van de geloofsbrieven van de door Statenverkiezingen gekozen Statenleden stelt de voorzitter van Provinciale Staten uit hun midden twee commissies van elk vijf leden in. 2 In geval van tussentijdse benoeming van één of meer Statenleden stelt de voorzitter van Provinciale Staten ten behoeve van het onderzoek van de geloofsbrieven uit hun midden een commissie van drie leden in. 3De commissies als bedoeld in het eerste en tweede lid onderzoeken de geloofsbrieven en alle naar aanleiding van de verkiezingen ingekomen of daarop betrekking hebbende stukken, die door de voorzitter ter hand worden gesteld. 4De commissies als bedoeld in het eerste en tweede lid brengen na hun onderzoek onmiddellijk mondeling verslag uit aan Provinciale Staten en doen daarbij een voorstel voor een besluit. Van een minderheidsstandpunt wordt melding gemaakt. 5Na een Statenverkiezing roept de voorzitter de toegelaten Statenleden op om in de eerste vergadering van Provinciale Staten in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Provinciewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 6 In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd Statenlid op voor de vergadering van Provinciale Staten, waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 7Een commissie als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt ook ingesteld in geval een kandidaatgedeputeerde wordt voorgedragen, die geen lid van Provinciale Staten is. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven van de kandidaat. Van deze geloofsbrieven maken ook een verklaring omtrent gedrag alsmede de bevindingen van de Commissaris van de Koningin omtrent de kandidaat uit. De Commissaris van de Koningin draagt er zorg voor dat zijn bevindingen tijdig beschikbaar zijn. De commissie rapporteert aan Provinciale Staten en brengt advies uit. Artikel 7 Fractie 1De Statenleden, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één Statenlid verkozen, dan wordt dit Statenlid als een afzonderlijke fractie beschouwd. 2Van veranderingen die nadien in de samenstelling van een fractie optreden, doet de fractie mededeling aan de voorzitter. 3Elke fractie doet van de samenstelling van haar bestuur mededeling aan de voorzitter. 4Statenleden kunnen slechts lid zijn van één fractie. 5 Indien een of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan opereren, twee of meer fracties als een fractie gaan optreden, een of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie, wordt dit zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de voorzitter van Provinciale Staten meegedeeld. Hoofdstuk 2 De vergadering Artikel 8 Vergaderfrequentie 1Het Presidium stelt vóór aanvang van ieder kalenderjaar een schema vast van de data en tijdstippen waarop in het betreffende jaar vergaderingen van Provinciale Staten en de Statencommissies plaatsvinden. 2De vergaderingen van Provinciale Staten vinden in de regel plaats in het Gouvernement. 3 De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en/of aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg met het Presidium. Artikel 9 Oproep 1De voorzitter zendt ten minste negen dagen vóór een vergadering de Statenleden en de leden van Gedeputeerde Staten een schriftelijke oproep onder vermelding van de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter de schriftelijke oproep minder dan negen dagen voor de vergadering verzenden. 2De voorlopige agenda en de daarbij behorende statenstukken respectievelijk initiatiefvoorstellen worden zoveel mogelijk tegelijkertijd met de schriftelijke oproep aan de Statenleden verzonden met uitzondering van de stukken bedoeld in artikel 25 van de Provinciewet. 3De voorzitter kan een aanvulling op de voorlopige agenda versturen. Deze wordt zo spoedig mogelijk verzonden samen met de daarbij behorende stukken. Indien de aanvullende agenda betrekking heeft op voorstellen van Gedeputeerde Staten worden de agenda en de voorstellen uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering toegestuurd. 4Indien omtrent statenstukken op grond van artikel 25, eerste dan wel tweede lid, van de Provinciewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze achterliggende stukken onder berusting van de griffier en verleent de griffier de Statenleden inzage. Artikel 10 De agenda 1Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het Presidium de voorlopige agenda van de vergadering vast. 2Bij aanvang van de vergadering stellen Provinciale Staten de agenda vast. Provinciale Staten kunnen op voorstel van een Statenlid of de voorzitter bij de vaststelling van de agenda besluiten onderwerpen op de agenda te plaatsen of van de agenda te verwijderen. 3De hamerstukken worden geclusterd als eerste vermeld op de agenda onder de rubriek "statenvoorstellen". 4Brieven van derden alsook van Gedeputeerde Staten of van een lid van het college worden op de agenda onder de rubriek “ingekomen stukken” geplaatst, voorzien van een voorstel tot afdoening. 5De agenda bevat voor zover mogelijk tevens de concept-voorlopige agenda's van de volgende vergaderingen. 6Op voorstel van een Statenlid of van de voorzitter kunnen Provinciale Staten de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen. 7 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 34 en 37 en spoedeisende omstandigheden daargelaten kan een Statenlid tot uiterlijk een week voor de dag van de vergadering het Presidium schriftelijk verzoeken een onderwerp op de voorlopige agenda te plaatsen. Het onderwerp dient voldoende nauwkeurig omschreven te zijn en betrekking te hebben op een actuele ontwikkeling van provinciaal beleid. In geval van spoedeisende omstandigheden, zulks ter beoordeling van de voorzitter, kan van deze termijn worden afgeweken Artikel 11 Collegevoorstel 1Een voorstel van Gedeputeerde Staten gericht aan Provinciale Staten kan door het Presidium – gehoord de agendacommissie en blijkens advies van Gedeputeerde Staten - ter afdoening in handen worden gesteld van een Statencommissie behoudens in gevallen dat de Algemene wet bestuursrecht of een andere wettelijke regeling zich hiertegen verzet. 2 Het Presidium stelt Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten van zijn besluit in kennis. Artikel 12 Jaarverslagen Jaarverslagen die aan Provinciale Staten worden aangeboden worden behandeld door de desbetreffende Statencommissie. Vervolgens worden ze onder de rubriek ingekomen stukken ter kennisneming opgenomen op de agenda voor Provinciale Staten. Artikel 13 Burgerinitiatief Dit artikel is vervallen bij de vaststelling van de Verordening Burgerinitiatief Provincie Limburg

  1. Artikel 14 Ter inzage leggen van stukken 1Achterliggende stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen de agenda dienen, worden zo spoedig mogelijk voor een ieder bij de griffie ter inzage gelegd. De voorzitter maakt van de terinzagelegging melding in de openbare kennisgeving bedoeld in artikel 19 van de Provinciewet. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de Statenleden en zo mogelijk in een openbare kennisgeving. 2Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het Gouvernement gebracht. 3Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste dan wel tweede lid, van de Provinciewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze achterliggende stukken onder berusting van de griffier en verleent de griffier de Statenleden inzage. Hoofdstuk 3 Vergaderorde Artikel 15 Presentielijst Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder Statenlid presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld. Artikel 16 Zitplaatsen De voorzitter, de Statenleden en de griffier hebben een vaste zitplaats te bepalen door de voorzitter. Voor de leden van Gedeputeerde Staten zijn zitplaatsen gereserveerd. Artikel 17 Opening Aan het begin van een vergadering spreekt de voorzitter de volgende tekst uit: "Aan het begin van deze vergadering, waarin wij samenkomen om de belangen van de provincie Limburg en haar inwoners te dienen, spreken wij de hoop uit, dat onze arbeid vrucht zal dragen. Mogen wij kracht en inspiratie putten uit onze geloofs- en levensovertuiging met juiste waardering voor elkaars mening. Dat is onze bede aan God of elkaar". Artikel 18 Spreekrecht burgers 1Na de opening van de vergadering kunnen burgers gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde voorstellen of onderwerpen. 2Het woord kan niet gevoerd worden: over een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van het provinciebestuur; over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; over een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over een gedraging van het provinciebestuur; een onderwerp waarover door dezelfde persoon c.q. instantie in een vergadering van een Statencommissie is of wordt ingesproken; brieven geplaatst op de lijst van ingekomen stukken als bedoeld in artikel 20, eerste lid. 3 Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk aan de voorzitter. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres, telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. 4De voorzitter kan de ingediende bijdrage verwijzen naar een commissie, indien naar zijn oordeel de behandeling van de ingediende bijdrage door een commissie gewenst is. De voorzitter stelt degene die van het spreekrecht gebruik wil maken en Provinciale Staten hiervan in kennis. 5De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 6Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 7De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter of een Statenlid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger. Artikel 19 Notulen
  2. De ontwerpnotulen van de voorgaande vergadering worden, zo mogelijk, aan de leden toegezonden gelijktijdig met de schriftelijke oproep. De ontwerpnotulen worden gelijktijdig aan de overige personen die tijdens deze vergadering het woord gevoerd hebben, toegezonden.
  3. Bij het begin van de vergadering worden de notulen van de vorige vergadering vastgesteld.
  4. Een Statenlid of de voorzitter van Provinciale Staten kan een voorstel tot verandering van de notulen doen, indien de notulen naar zijn oordeel onjuistheden bevatten of niet duidelijk weergeven hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot verandering wordt uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering bij de griffier ingediend.
  5. De voorzitter meldt de voorgestelde wijziging tijdens de vergadering waarin de desbetreffende ontwerpnotulen geagendeerd zijn. De tekstwijzigingen worden aangebracht in de notulen die berusten bij de griffie. Bovendien wordt van deze wijzigingen melding gemaakt in de notulen van de vergadering waarin deze zijn opgenomen.
  6. Overige personen die tijdens de vergadering het woord hebben gevoerd kunnen eveneens tot 48 uur voor aanvang van de vergadering de voorzitter verzoeken aan Provinciale Staten voor te stellen de notulen te wijzigen, indien die naar hun oordeel onjuistheden bevatten of niet duidelijk weergeven hetgeen gezegd of besloten is.
  7. De notulen moeten ten minste inhouden: a. de namen van de voorzitter, de griffier en de in de vergadering aanwezige Statenleden, alsmede van de Statenleden die afwezig waren en andere aanwezigen die het woord gevoerd hebben; b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van de namen van aanwezigen die het woord voerden; d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding van de namen van de Statenleden die voor of tegen stemden bij hoofdelijke stemming, onder aantekening van de namen van de Statenleden die zich overeenkomstig de Provinciewet of de Gedragscode Bestuurlijke Integriteit van stemming hebben onthouden; e. de tekst van de ter vergadering ingediende en/of behandelde initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen; f. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van artikel 25 toegestaan is deel te nemen aan de beraadslagingen; g. de tekst van de genomen besluiten.
  8. De notulen worden opgesteld onder de zorg van de griffier.
  9. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend of gewaarmerkt. Artikel 20 Ingekomen stukken 1De aan Provinciale Staten of aan de leden van Provinciale Staten gerichte brieven worden op de lijst van ingekomen stukken geplaatst. Elke brief wordt op de lijst voorzien van een afdoeningsvoorstel van het Presidium. De lijst en het afdoeningsvoorstel maken deel uit van de vergaderstukken. De brieven worden direct na ontvangst digitaal aan de leden van Provinciale Staten ter kennis gebracht met de mededeling dat ze op de lijst met ingekomen stukken zullen worden geplaatst. 2 Ingekomen brieven, waarvan de griffier constateert dat agendering in een Statencommissie voor de hand ligt, worden bij de informerende stukken geplaatst als de agenda van de desbetreffende Statencommissie eerder verzonden wordt dan de agenda van de eerstvolgende Statenvergadering. 3Brieven ontvangen na verzending van de agenda van de Statenvergadering en die binnenkomen tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van de Statenvergadering worden op een lijst geplaatst; deze lijst wordt aan de agenda toegevoegd en -voorzien van een afdoeningsvoorstel- op de dag van de vergadering zelf aan de Statenleden uitgedeeld. Brieven, die binnen 48 uur voor de Statenvergadering binnen komen, maar betrekking hebben op een agendapunt van die Statenvergadering worden alsnog ter kennis van de Statenleden gebracht. 4Ingekomen stukken, die Provinciale Staten doorverwijzen naar een Statencommissie worden daar zo spoedig mogelijk geagendeerd. Artikel 21 Volgorde sprekers 1Behoudens in het geval er sprake is van een hamerstuk kunnen de leden zich als spreker op de daartoe bestemde sprekerslijst laten inschrijven, zodra de voorlopige agenda is gepubliceerd. Ieder lid dat zich als spreker laat inschrijven geeft daarbij een indicatie van de totale spreektijd, die hij aan het betreffende voorstel wenst te besteden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de spreektijd in tweede termijn een derde bedraagt van die in eerste termijn. 224.00 uur voorafgaande aan het begin van de vergadering wordt de sprekerslijst gesloten. 3Een Statenlid voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben. De voorzitter verleent het woord in de volgorde van intekening tenzij de voorzitter anders besluit. 4 In voorkomende gevallen kan het Presidium besluiten in afwijking van de voorgaande leden de spreektijd fractiegewijs toe te delen, waarbij de grootte van de fractie richtinggevend is voor deomvang van de spreektijd. 5In het belang van de vergaderorde kan de voorzitter besluiten af te wijken van de gevraagde spreektijden. 6De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een Statenlid het woord vraagt over een persoonlijk feit of over de orde van de vergadering. 7De voorzitter verleent het woord voor een persoonlijk feit niet dan na een voorlopige aanduiding van dat feit. De beslissing of iets een persoonlijk feit vormt, berust bij de voorzitter. 8Een voorstel over de orde van de vergadering kan door de voorzitter of door een Statenlid worden gedaan. Over een voorstel over de orde van de vergadering beslissen Provinciale Staten terstond. 9De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op de voorzitter, het lid van Gedeputeerde Staten dat met de verdediging van een voorstel is belast, en de indiener van een initiatiefvoorstel. De voorzitter kan voor hen een spreektijd bepalen die in verhouding staat tot die van de leden. Artikel 22 Aantal spreektermijnen 1De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij Provinciale Staten anders beslissen. 2Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. 3Een Statenlid mag, behoudens interrupties, in een termijn niet meer dan één keer het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4Het derde lid is niet van toepassing op: de gedeputeerde, die in het bijzonder is belast met het in behandeling zijnde onderwerp; de rapporteur van een commissie; het Statenlid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel. 5Bij de bepaling hoeveel malen een Statenlid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een persoonlijk feit of over de orde van de vergadering. Artikel 23 Handhaving orde 1Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij: de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren; een Statenlid hem interrumpeert; de voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. 2 Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, of indien een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt deze door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de desbetreffende spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. Artikel 24 Schorsing of sluiting van de vergadering 1Met het oog op de handhaving van de orde in de vergadering kan de voorzitter de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen of haar sluiten. 2De voorzitter kan de vergadering eveneens schorsen indien door een of meer Statenleden daarom wordt verzocht in verband met nader beraad. Artikel 25 Deelname aan de beraadslaging door anderen Provinciale Staten kunnen beslissen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige Statenleden of de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of een Statenlid genomen voordat met de beraadslaging over het desbetreffende onderwerp of voorstel een aanvang wordt genomen. Artikel 26 Stemverklaring 1Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is behandeld, sluit hij de beraadslaging. Na het sluiten van de beraadslaging en voordat Provinciale Staten tot stemming overgaan, heeft ieder Statenlid het recht zijn uit te brengen stem kort te motiveren. 2Een zelfde recht komt het Statenlid toe bij een hamerstuk. Artikel 27 Algemene bepalingen over stemming 1De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen of verworpen. 2Indien geen stemming plaatsvindt kunnen in de vergadering aanwezige Statenleden aantekening in de notulen vragen, dat zij geacht worden te hebben tegen- of voorgestemd of zich van stemming te hebben onthouden. 3 Indien een Statenlid daarom vraagt of op voorstel van de voorzitter vindt de stemming plaats met de elektronische stemapparatuur. Indien de elektronische stemmachine om technische redenen niet in werking gesteld kan worden, vindt de stemming plaats door het opsteken van de hand of door zitten en opstaan. 4Heeft een Statenlid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen vóórdat het volgende Statenlid heeft gestemd. Bemerkt het Statenlid zijn vergissing pas later, dan is herstel niet meer mogelijk, maar kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening ervan vragen dat hij zich heeft vergist. 5 De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit. Artikel 28 Hoofdelijke stemming 1Indien de voorzitter of een Statenlid dat verlangt, vindt stemming plaats door hoofdelijke oproeping. Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig Statenlid, dat zich niet van deelneming aan de stemming onthoudt, verplicht zijn stem uit brengen. 2Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de Statenleden bij naam op hun stem uit te brengen. Het lot bepaalt welk Statenlid als eerste zijn stem uitbrengt. Wordt de vergadering door de vicevoorzitter voorgezeten, dan brengt deze als laatste zijn stem uit. 3De Statenleden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging. 4De voorzitter maakt de uitslag van de stemming bekend met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Artikel 29 Stemming over amendementen en moties 1Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd. 2Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement. 3Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht. 4Indien over een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. 5Ten aanzien van hetzelfde voorstel komen achtereenvolgens eerst de subamendementen en de amendementen, het ontwerpbesluit en als laatste moties in stemming. 6 Indien het ontwerpbesluit bij (sub-)amendement gewijzigd is, leest de voorzitter de nieuwe tekst eerst voor alvorens het in stemming wordt gebracht. 7Over moties die geen verband houden met een op de agenda opgenomen onderwerp of voorstel wordt aan het eind van de vergadering gestemd. De artikelen 26 t/m 28 zijn dan van overeenkomstige toepassing. Artikel 30 Stemming over personen 1Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 Statenleden tot stembureau. 2Ieder ter vergadering aanwezig Statenlid dat zich niet op grond van de Provinciewet of de daaruit voortvloeiende Gedragscode bestuurlijke Integriteit van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn. 3Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De vergadering kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal Statenleden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden. 5Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid, bedoeld in artikel 30 van de Provinciewet, worden Statenleden geacht geen stem te hebben uitgebracht die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan: een blanco ingeleverd stembriefje; een ondertekend stembriefje; een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, een stembriefje waarbij, indien het een benoeming of voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen; een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt. 6In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslissen Provinciale Staten, op voorstel van de voorzitter. 7Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd. Artikel 31 Herstemming over personen bij meervoudige voordracht 1Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan. 2Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen de twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben. 3 Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot. Artikel 32 Beslissing door het lot 1Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. 2Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud. 3Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen. Hoofdstuk 4 Rechten van Statenleden Artikel 33 Amendement 1 Een amendement is een voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de inhoud en de vorm geschikt om daarin letterlijk te worden opgenomen. Het maakt deel uit van de beraadslagingen zodra het, ondertekend door tenminste een lid, bij de voorzitter is ingediend. 2Een subamendement is een voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de inhoud en de vorm geschikt om letterlijk te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft. 3 Ieder Statenlid kan tot het sluiten van de beraadslagingen (sub)amendementen indienen. Een (sub)amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. 4Er kan alleen beraadslaagd worden over (sub)amendementen die ingediend zijn door Statenleden, die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn. 5Een (sub)amendement wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde - oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan. 6Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvorming door Provinciale Staten heeft plaatsgevonden. Artikel 34 Motie Een motie is een korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oproep, oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken. Een motie kan geen opdracht aan Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koningin bevatten. Hij maakt deel uit van de beraadslagingen zodra hij ondertekend door tenminste een lid bij de voorzitter is ingediend. Ieder Statenlid kan ter vergadering een motie indienen. Een motie wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld. Er kan alleen beraadslaagd worden over moties die zijn ingediend door Statenleden die de presentielijst hebben getekend en die in de vergadering aanwezig zijn. Artikel 35 Initiatiefvoorstel 1Een initiatiefvoorstel is een voorstel voor een verordening of een kaderstellend voorstel. 2Ieder Statenlid heeft het recht voorstellen aan Provinciale Staten te doen, die buiten de agenda vallen. 3Een initiatiefvoorstel wordt gemotiveerd en voorzien van een ontwerpbesluit schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het dient ondertekend te zijn door de indiener(s). 4Voordat een initiatiefvoorstel kan worden ingediend, wordt het ontwerpinitiatief eerst in de desbetreffende Statencommissie ter sondering besproken. Gedeputeerde Staten worden voor en tijdens de commissiebehandeling in de gelegenheid gesteld op het ontwerpinitiatief hun reactie te geven. 5Het initiatiefvoorstel wordt zo spoedig mogelijk na indiening met in achtneming van termijnen voor de desbetreffende Statencommissie geagendeerd. 6Gedeputeerde Staten krijgen de gelegenheid tot het geven van schriftelijk commentaar op het initiatiefvoorstel tot 14 dagen voor de vergadering van Provinciale Staten, waar het geagendeerd wordt. 7 De voorzitter plaatst het initiatiefvoorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering na de commissiebehandeling. 8De behandeling van het voorstel vindt plaats voordat alle op de agenda voorkomende onderwerpen of voorstellen worden behandeld, tenzij Provinciale Staten oordelen dat het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd onderwerp of voorstel wordt behandeld. Artikel 36 Bestuursopdracht 1Een bestuursopdracht is een initiatiefvoorstel, waarin een opdracht aan Gedeputeerde Staten wordt gegeven. 2 In de bestuursopdracht worden de te bereiken doelen, de wijze van aanpak, de termijnen, de beschikbare middelen en overige randvoorwaarden concreet aangegeven. 3Gedeputeerde Staten moeten door de indiener(s) in de gelegenheid worden gesteld om ter zake hun wensen en bedenkingen te uiten alvorens het ontwerpvoorstel in de commissie geagendeerd wordt. De voorzitter van Provinciale Staten ziet hier op toe. 4De behandeling is voorts conform artikel 35 van dit reglement van orde. Artikel 37 Vragenuur mondelinge vragen 1Aan het begin van elke reguliere vergadering van Provinciale Staten bestaat gedurende maximaal een uur de gelegenheid voor Statenleden mondeling vragen te stellen aan Gedeputeerde Staten, de Commissaris der Koningin ofwel aan andere Statenleden over actuele onderwerpen betreffende het gevoerde bestuur. 2Het Statenlid dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp en vermelding van de te stellen vragen uiterlijk vóór 14.00 uur de dag voorafgaand aan de vergadering bij de voorzitter. De voorzitter kan beslissen een vraag niet aan de orde te stellen, indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven, indien het een onderwerp betreft dat niet te maken heeft met provinciaal bestuur of het actualiteit ontbeert. Hij kan eveneens beslissen een vraag niet aan de orde te stellen indien het onderwerp reeds via schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 38 van dit reglement aan Gedeputeerde Staten is voorgelegd of het onderwerp reeds voor een vergadering van een Statencommissie of van Provinciale Staten geagendeerd is. Een verzoek tot het stellen van vragen wordt eveneens afgewezen indien het een onderwerp of schriftelijk stuk betreft waarvoor door Provinciale Staten, de Statencommissie, of Gedeputeerde Staten geheimhouding is opgelegd. 3De voorzitter beslist vóór 15.00 uur of het verzoek wordt ingewilligd. Bij afwijzing van het verzoek stelt hij de vragensteller terstond van zijn beslissing in kennis. 4De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen, tijdens het vragenuur, aan de orde worden gesteld. 5De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor de Commissaris der Koningin, voor de gedeputeerden en voor de Statenleden. Indien een onderwerp naar het oordeel van de voorzitter genoegzaam is behandeld sluit hij de behandeling van de vraag. 6Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen te stellen en een korte toelichting daarop te geven. 7Na de beantwoording door Gedeputeerde Staten, de Commissaris der Koningin of een ander Statenlid krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen. 8Vervolgens kan de voorzitter aan andere Statenleden het woord verlenen om aan de vragensteller, Gedeputeerde Staten, de Commissaris der Koningin ofwel aan andere Statenleden vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 9Vragen die vanwege tijdgebrek niet meer mondeling kunnen worden beantwoord worden schriftelijk beantwoord binnen twee weken na de vergadering. 10 Tijdens het vragenuur kunnen noch door de vragensteller noch door een ander Statenlid moties worden ingediend. Artikel 38 Schriftelijke vragen 1Een Statenlid kan door tussenkomst van de voorzitter van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten alsmede de Commissaris der Koningin schriftelijk vragen stellen betreffende het door Gedeputeerde Staten c.q. de Commissaris der Koningin gevoerde bestuur. 2 Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd. De voorzitter draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige Statenleden worden gebracht, behoudens indien het een onderwerp of een schriftelijk stuk betreft waarvoor door Provinciale Staten, de Statencommissie of Gedeputeerde Staten geheimhouding is opgelegd. In dat laatste geval doet de voorzitter hiervan onverwijld schriftelijk mededeling aan het Statenlid. 3Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende Statenvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt de verantwoordelijke gedeputeerde of de Commissaris der Koningin voor het verstrijken van de termijn de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis. Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn beantwoording alsnog zal plaatsvinden. 4De antwoorden worden door Gedeputeerde Staten c.q. de Commissaris der Koningin aan de leden van Provinciale Staten toegezonden. 5De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording, in de eerstvolgende Statenvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde Statenvergadering, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen, nadere inlichtingen vragen over het door de Commissaris der Koningin of Gedeputeerde Staten gegeven antwoord. Artikel 39 Voorstel van orde 1 De leden van Provinciale Staten hebben het recht zowel mondeling als schriftelijk een voorstel van orde te doen, betrekking hebbende op de orde van de vergadering. 2 De beraadslaging en de beslissing over een voorstel van orde hebben onmiddellijk na het indienen plaats, tenzij Provinciale Staten anders besluiten. Artikel 40 Interpellatie 1Een Statenlid kan Provinciale Staten verlof vragen om over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda, bedoeld in artikel 11, eerste lid, inlichtingen aan Gedeputeerde Staten of de Commissaris der Koningin te vragen. 2Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste achtenveertig uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen. 3De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige Statenleden en – voor zover het het beleid of bestuur van het college betreft – de leden van Gedeputeerde Staten. Het verzoek wordt geagendeerd onder ''vaststelling agenda''. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt zonodig via stemming besloten of en zo ja wanneer de interpellatie zal worden gehouden. 4De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige Statenleden niet meer dan eenmaal, tenzij Provinciale Staten hun hiertoe verlof geven. Hoofdstuk 5 Besloten vergadering Artikel 41 Algemeen Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing, voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering. Artikel 42 Notulen besloten vergadering 1De notulen van een besloten vergadering worden niet rondgedeeld, maar liggen uitsluitend voor de Statenleden en de overige personen die ter vergadering het woord hebben gevoerd ter inzage bij de griffier. 2Deze notulen worden zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering nemen Provinciale Staten een beslissing over het al dan niet openbaar maken van deze notulen. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend. Artikel 43 Geheimhouding Vóór de afloop van de besloten vergadering beslissen Provinciale Staten overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Provinciewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. Provinciale Staten kunnen de geheimhouding opheffen. Artikel 44 Opheffen geheimhouding Indien Provinciale Staten op grond van artikel 25, derde en vierde lid, of artikel 55, tweede en derde lid, of artikel 91, tweede lid, van de Provinciewet, voornemens zijn de geheimhouding op te heffen wordt, indien het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd dit verzoekt, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd over de opheffing van de geheimhouding. Hoofdstuk 6 Toehoorders en pers Artikel 45 Publieke tribune 1De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen van Provinciale Staten bijwonen. 2Indien de orde in de vergadering door toehoorders of vertegenwoordigers van de pers op enigerlei wijze wordt verstoord kan de voorzitter deze doen vertrekken of indien nodig de publieke en deperstribune volledig doen ontruimen. Artikel 46 Geluid- en beeldregistraties Degenen die in de vergaderzaal tijdens de Statenvergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervoor tijdig een verzoek aan de griffier en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 47 Uitleg reglement In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van het reglement, beslissen Provinciale Staten op voorstel van de voorzitter. Artikel 48 Overgangsbepaling Het reglement van Orde van Provinciale Staten 2009, zoals laatstelijk gewijzigd op 18 december 2008 wordt vervallen verklaard met ingang van de in werking treding van dit reglement. Dit besluit treedt in werking de dag na plaatsing in het Provinciaal Blad. Artikel 49 Citeertitel Dit reglement kan worden aangehaald als “Reglement van Orde voor Provinciale Staten 2010”. Provinciale Staten voornoemd, Dhr. L.J.P.M. Frissen, voorzitter Mw. Drs. J.J. Braam, griffier Uitgegeven, De griffier, Maastricht, 29 november 2010

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.