← Nederland

Welstandsnota Capelle aan den IJssel 2025 (Capelle aan den IJssel)

Welstandsnota Capelle aan den IJssel 2025De Welstandsnota 2025 is een herijking van de Nota Beeldkwaliteit uit 2017. Veel van de teksten en foto's zijn uit die nota overgenomen en zijn uitgangspunt geweest voor de herijking. A – BELEID 1.Inleiding Aanleiding Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning, of een nieuw stadsdeel. Het welstandsbeleid dient de samenhang binnen ruimtelijke gebiedseenheden te bewaken en moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het aanvragers vooraf inzicht in de criteria waar een bouwplan aan getoetst wordt. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan redelijke eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningprocedure soepeler kan worden doorlopen. Herijking beleid Deze Welstandsnota van Capelle aan den IJssel bevat de ruimtelijke kwaliteitscriteria waar alle bebouwing in de stad aan moet voldoen. Dit welstandsbeleid is een herijking van de Nota Beeldkwaliteit uit 2017. Deze herijking neemt de inhoud, opbouw en volgordelijkheid van de voorgaande herijking uit 2017 als basis. Gebiedstypen; Voor een aantal sinds 2017 gerealiseerde projecten geldt dat zij van dusdanige opzet, aard of omvang zijn geweest dat zij een 'nieuw' karakter in een gebied hebben toegevoegd. Het gaat hier vaak om grotere projecten die niet zijn geënt op de samenhang van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte in het omliggende gebied, maar een eigen nieuwe identiteit introduceren. Deze projecten zijn daarom ondergebracht bij een nieuw (ander) gebiedstype. Welstandsniveaus; In 2022 heeft de gemeente in samenwerking met onderzoeksbureau Contrei een onderzoeksrapport uitgebracht over de geschiedenis van Capelle aan den IJssel genaamd 'Het verhaal van Capelle 1945-1990'. Hierbij is er speciale aandacht uitgegaan naar Post-'65 erfgoed uit de periode 1965-1990. Op basis van dit onderzoek heeft het International New Town Institute (INTI) met een vervolgonderzoek een selectie gemaakt van bijzondere gebouwen en structuren binnen Capelle die van waarde zijn voor deze bouwperiode. Omdat een aantal van deze projecten zich in gebieden met een luw welstandsniveau bevonden in de Nota Beeldkwaliteit 2017 is het welstandsniveau in de Welstandsnota 2025 aangepast naar 'regulier'. Zodoende kan er welstandshalve meer zorg worden gedragen voor de algehele samenhang van deze projecten. Criteria; Er is in deze versie met name aandacht besteed aan een aantal nieuwe toetsingskaders die vanwege diverse nieuwe ontwikkelingen in de gebouwde omgeving toegevoegd moesten worden. Ook is met terugwerkende kracht gekeken naar de relevantie van de reeds bestaande toetsingskaders, om deze te herschikken, scherper te stellen en waar mogelijk te reduceren. Kortom; waar werken de regels goed? Waar zijn nieuwe regels voor nodig? En waar kunnen we bestaande regels schrappen zonder in te boeten op de kwaliteit van een bouwplan en de kwaliteit van het omliggende gebied? Met deze aanpassing van de Welstandsnota maakt de gemeente haar welstandsbeleid actueler, tijdsbestendiger en klantvriendelijker. Onveranderd blijft dat initiatiefnemers van bouwplannen aan de hand van dit document in een vroeg stadium informatie over de criteria van een welstandsbeoordeling kunnen krijgen. Tegelijkertijd mag diezelfde initiatiefnemer aannemen dat de gemeente aan de hand van dit document de ruimtelijke kwaliteit van het omliggende gebied (van de beoogde bouwontwikkeling) vanuit diezelfde criteria waarborgt. De Omgevingswet Een tweede reden om de Nota Beeldkwaliteit te herijken, is de sinds 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet. De beoordelingsregels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van het omgevingsplan. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Om deze koppeling met het omgevingsplan duidelijk te maken is ook expliciet gekozen om de oude nota beeldkwaliteit van naam te wijzigen naar welstandsnota Capelle aan den IJssel. Onder de Omgevingswet dient de gemeente voor 1 januari 2032 haar eigen omgevingsplan te hebben waarbinnen zij de kwaliteit van het leefgebied van de stad wil behouden, beschermen en versterken. In de Stadsvisie 2021 heeft de gemeente Capelle aan den IJssel hiervoor ambities beschreven en richtlijnen opgesteld, welke verder zijn geconcretiseerd in de Omgevingsagenda 2024. In de Omgevingsagenda 2024 is geprioriteerd waar en waarom we in bepaalde gebieden aan de slag gaan met kwaliteitsverbeteringen. Aan de hand van 10 keuzes is beschreven welke uitgangspunten de gemeente nastreeft in relatie tot toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Het is van belang dat de in deze beleidsdocumenten gestelde ambities ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van de stad hun verdere uitwerking krijgen bij wijzigingen aan de gebouwde omgeving. Voortvloeiend uit de Omgevingsagenda zijn (van grof naar fijn) gebiedsvisies, kavel- en gebiedspaspoorten, en natuurlijk afzonderlijke bouwinitiatieven in elkaars verlengde onderdeel van deze ruimtelijke uitwerking. In sommige gevallen is een herijking van het welstandsbeleid hier onderdeel van. Verderop in dit document, en in Bijlage 5 en 6 wordt dit toegelicht. Opvolging Het streven is dat de welstandsnota op termijn als breder inzetbaar instrument onder de Omgevingswet gebruikt gaat worden. Direct na de vaststelling van dit document zal daarom worden (door)gewerkt aan een nieuwe herijking van de welstandsnota, met een veelzijdiger gebruik als doel. In deze periode zal ook de keuze worden gemaakt of de regels uit de welstandsnota in het omgevingsplan worden verwerkt of dat de nota een bijlage wordt van het omgevingsplan. Op basis van een grondige kennis van de verschillende tijdslagen en de daarbij behorende stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische kenmerken kan gerichter worden gereageerd op de ruimtelijke (dus ook bouwkundige) ingrepen die daarin plaatsvinden. Om aan te geven welke criteria op welke plek in de stad gelden, is een gelaagde beschrijving van de identiteit, het karakter, en de samenhang van wijken en buurten belangrijk. Een toekomstige herijking van de nota zal daarom vooral gericht zijn op een hernieuwde opzet en indeling van de gebiedsomschrijving en een actualisatie van de verschillende gebiedstypen die de stad heeft. Functie Allereerst zal de nota als instrument om bouwplannen te toetsen, blijven fungeren. Daarnaast moeten ook de bewoners en pandeigenaren erin kunnen vinden welke kwaliteiten en kenmerken er in hun omgeving belangrijk zijn omdat de nota deze duidelijk benoemd en toelicht. Aannemers en bouwkundigen zullen direct op zoek gaan naar de criteria waar bouw- of verbouwplannen aan moeten voldoen. Maar ook architecten en ontwikkelaars moeten erin kunnen vinden wat de bredere context en criteria zijn waarbinnen een bouwplan ontwikkeld wordt, en stedenbouwkundigen moeten kennis en voorbeelden halen uit de beschrijvingen en criteria om daaraan verwante ruimtelijke plannen en gebiedsvisies en –paspoorten op te stellen. Status De welstandsnota Capelle aan den IJssel of de beoordelingsregels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van het omgevingsplan. In artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet is opgenomen dat voor de welstandsnota specifiek overgangsrecht geldt. Sinds 1 januari 2024 is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt voor de beoordeling of een bouwwerk. Deze beleidsregels zijn zoveel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken. Dit betekent dat de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota van rechtswege van kracht zijn. Welstandsregels moeten zijn gebaseerd op zowel algemene als gebiedseigen kwaliteiten en kenmerken en voor de aanvrager transparant en navolgbaar zijn. Reikwijdte van de nota De welstandsnota Capelle aan den IJssel 2025 bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwplannen op welstandsaspecten worden getoetst. De nota legt voor een bepaald gebied op wijkniveau een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving en dat de samenhang binnen gebieden gewaarborgd blijft. Naast welstand wordt onder andere door middel van de Nota Buitenreclame, (stedenbouwkundige) visies, buitenruimtebeleid, beeldkwaliteitsplannen, kavel- en gebiedspaspoorten en erfgoedbeleid gestuurd op de ruimtelijke kwaliteit van de stad. Het behouden en het liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt. Aansturen op ruimtelijke kwaliteit houdt in: zorg dragen om wijzigingen in de gebouwde omgeving aan te laten sluiten bij bestaande gebiedskenmerken; de waarden die er al zijn. Een nieuw plan dient de aanwezige kwaliteit tot zich te nemen, daarop in te spelen, en waar mogelijk hier nieuwe kwaliteit aan toe te voegen. Dit draagt bij aan de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van gebieden. Dit raakt diverse disciplines van architectuur, stedenbouw, landschap en ecologie. Ruimtelijke kwaliteit De noodzaak om aan te geven welke criteria op welke plek in de stad gelden, vraagt om een duidelijke beschrijving van het karakter en de samenhang van wijken en buurten. Hiermee verschuiven accenten van de welstandstoetsing van de kwaliteit van het bouwwerk naar de kwaliteit van de omgeving. Weliswaar zijn de welstandscriteria in de eerste plaats en formeel nog steeds bedoeld om erop toe te zien dat bouwplannen van voldoende kwaliteit zijn om te passen in de omgeving. Maar zij worden tegelijkertijd gebruikt als middel om de identiteit van en de samenhang in de gebouwde omgeving in stand te houden of te versterken. Als logisch voortvloeisel uit de Omgevingsagenda 2024 is de welstandsnota daardoor een belangrijk instrument geworden voor het handhaven en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van Capelle. Werken aan een duurzame stad Ruimtelijke kwaliteit zal nu en in de toekomst meer en meer in relatie komen te staan met het brede duurzaamheidsvraagstuk waarmee de stad is gemoeid. Omdat we met elkaar willen we bouwen aan een duurzame toekomst van onze stad, is een attitude van ontwikkelaars en bouwers nodig die daaraan bijdraagt. Dit vraagt inspanningen op alle duurzaamheidsthema's. Niet alleen energietransitie, maar ook biodiversiteit, klimaatadaptatie en circulariteit. Extreme regenval, hittestress, netcongestie en afnemende biodiversiteit zijn slechts een paar aspecten waar de stedelijke ruimte op in moet spelen. Hoe deze aspecten van invloed zijn op de bouwcultuur, en hoe Capelle aan den IJssel hier enerzijds verplichtingen, en anderzijds ambities aan verankerd, is vastgelegd in de Duurzaamheidsleidraad voor bouwen. Zowel de inrichting en de materialisering van de buitenruimte als de wijze van bouwen kan hier nadrukkelijk aan bijdragen. Daarnaast kan de organisatie en oriëntatie-, het fysieke gebruik-, de vormgeving, detaillering, en de keuze van bouwmaterialen van een gebouw een rol spelen. Het welstandsbeleid probeert hierin te ondersteunen en waar mogelijk aan bij te dragen. 2.Gebiedsgericht beleid 2.1Identiteit De identiteit van Capelle aan den IJssel is in de tweede helft van de vorige eeuw flink gewijzigd. Van een dorp langs de Hollandse IJssel, onder de rook van Rotterdam, is de stad uitgegroeid naar een woonkern met een eigen identiteit. De groei die de stad heeft doorgemaakt is in de ruimtelijke structuur goed herkenbaar. De verschillende wijken uit de verschillende tijdsperioden (de jaarringen) zorgen voor de nodige afwisseling in het straatbeeld. Hierbij hoort een gebiedsgericht beleid. 2.2Welstandstypologie Bij het adviseren over of toetsen van een plan voor nieuwbouw of verbouw aan redelijke eisen van welstand wordt in de eerste plaats gekeken of de bij de bebouwing behorende karakteristieken van het gebied in stand wordt gehouden of wordt versterkt. Daarnaast wordt gekeken naar de algehele kwaliteit van het gebouw zelf. Voor welstandstoetsing is een goed beeld van de bestaande situatie daarom van groot belang. Die bestaande situatie wordt beschreven en geanalyseerd in deze welstandsnota (zie bijlage 3, Gebiedsbeschrijvingen). Op grond daarvan zijn Gebiedscriteria opgesteld (uitgewerkt in deel B) op basis waarvan het bouwplan wordt beoordeeld. Omdat veel gebieden beschikken over overeenkomstige karakteristieken als gevolg van een vergelijkbare ontstaansgeschiedenis, ontwikkelingswijze en samenhang van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte, is het onnodig om elke wijk of buurt afzonderlijk te beschrijven. Gebieden met dezelfde karakteristieken worden ondergebracht bij een gebiedstype. De opbouw en onderverdeling in verschillende gebiedstypen wordt de gebiedstypologie genoemd. De gebiedstypologie vormt de basis van de welstandsnota. Ook bepaalt de gebiedstypologie voor een groot deel welk welstandsniveau van toepassing is. Er zijn 12 gebiedstypen onderscheiden. Op de Kaart Gebiedstypen (digitaal opvraagbaar) staat specifiek aangegeven tot welk gebiedstype een bepaalde locatie behoort. * Deze kaart is een momentopname en beschrijft zodanig de huidige situatie. De kaart zal worden geupdate indien veranderingen zijn doorgevoerd. 3.Welstandsniveau's Er zijn 4 Welstandsniveau's te onderscheiden: Luw Regulier Bijzonder Welstandsvrij De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang of ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door een aantal kenmerken van het gebied. Deze kenmerken zijn: Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gelegen ten opzichte van de straat, de verkaveling, de buitenruimte en elkaar Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap) In welke mate de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.) Of er sprake is van kenmerkend kleur- en materiaalgebruik en van specifieke details Of er sprake is van bijzondere cultuurhistorische waarden De verhouding tot het openbaar gebied en de inrichting daarvan De wijze van adviseren en toetsen en de uitwerking van de welstandscriteria zijn direct gekoppeld aan de welstandniveaus. Op de Kaart Welstandsniveaus (digitaal opvraagbaar) staat aangegeven tot welk welstandniveau een bepaalde locatie behoort. De wijze van adviseren en toetsen is apart opvraagbaar. De welstandscriteria zijn uitgewerkt in deel B van deze nota. 3.1Luw welstandsniveau Grote delen van de stad zijn op een uniforme manier opgebouwd en er is in deze gebieden gestandaardiseerd gebouwd. Het specifieke karakter van deze gebieden wordt niet bepaald door de bijzondere architectuur van de panden in het gebied, maar de eenduidige stedenbouwkundige opzet. Bouwinitiatieven in deze gebieden zijn er hoofdzakelijk op kleine schaal. Het gaat daarbij om de plaatsing van dakkapellen, aanbouwen, bijgebouwen etc. Inzet is een 'ontspannen' welstandsbeleid voeren. Van bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau wordt verwacht dat deze een beperkte invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt meer ruimte geboden voor het realiseren van dergelijke kleinschalige bouwopgaven. Er zijn voor welstandsluwe gebieden criteria opgesteld waar bouwplannen aan getoetst worden. Het zijn minimale eisen die initiatiefnemers niet 'dwingt' hun bouwwerk op een bepaalde manier te realiseren, maar stimuleert om een bouwwerk binnen ruime criteria vorm te geven. Hierbij wordt de 'vinger aan de pols' gehouden. Voor kleinschalige (veelvoorkomende) bouwopgaven zijn eenduidige criteria opgesteld (deel B; de Sneltoetscriteria). Voor grotere bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau zijn eenduidige criteria voor grotere bouwopgaven opgesteld (deel B; de Basiscriteria). Voor bouwwerken in welstandsluwe gebieden die direct grenzen aan de Capelse hoofdstructuren geldt vanwege de hoge belevingswaarde en zichtbaarheid (vaak over grote afstand) een regulier welstandsniveau. De hoofdstructuren zijn aangegeven op de kaart 'Welstandsniveaus'. 3.2Regulier welstandsniveau Gebieden die een specifiek karakter hebben of gebieden waarbij de beeldkwaliteit wordt bepaald door de samenhangende architectuur van de panden in het gebied hebben een regulier welstandsniveau. Ook gebieden waarbij de impact van een bouwwerk op de omgeving groot is, hebben een regulier niveau. Deze gebieden zijn de drager van het stedelijke weefsel en moeten ook als zodanig verzorgd worden. Ook de belangrijkste groengebieden en gebieden direct langs of op het spoor- en metrotracé, de hoofdwegen en hoofdwaterstructuren hebben een regulier welstandsniveau. Voor de gebieden met een regulier welstandsniveau zijn gebiedsgerichte criteria opgesteld (deel B; de Gebiedscriteria). Welstandscriteria zijn daarbij aangepast aan de karakteristiek van een gebied, als aanvulling op de Basiscriteria. Ook zijn in deze gebieden de Sneltoetscriteria van toepassing voor de (veelvoorkomende) kleinschalige bouwopgaven. 3.3Bijzonder welstandsniveau Er zijn enkele gebieden met een specifieke karakteristieke uitstraling of met een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht). Voor deze gebieden wordt een specifieke vorm van welstandsbeleid gehanteerd, anders dan het reguliere welstandsbeleid. Er is sprake van een bijzonder niveau van welstand. Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw, architectuur en/of landschap zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in de oude dorpskern van Capelle en aan het oude bebouwingslint in Schenkel, dan zal een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit worden gezien. Wanneer sprake is van een gebied met een grote samenhang door bijvoorbeeld een specifieke overeenkomstige architectonische stijl of stedenbouwkundige compositie is sprake van een sterke ensemblewaarde. Met welstandssturing (en de daaraan gekoppelde specifieke welstandscriteria) kan de ensemblewaarde in de gebieden worden gewaarborgd. In deze gebieden de Sneltoetscriteria (met aanvullende criteria voor beschermde dorpsgezichten en monumenten) voor de veelvoorkomende kleinschalige bouwopgaven van toepassing. Voor gebieden met een bijzonder welstandsniveau zijn ook de Basiscriteria en de Gebiedscriteria van toepassing, zowel voor kleinschalige als voor grotere bouwopgaven. Bij Gebiedscriteria worden de aanvullende criteria ten aanzien van de verschillende bijzondere gebieden apart benoemd. Hoogbouw In Capelle wordt vaker dan voorheen bij nieuwe ontwikkelingen de hoogte op gezocht vanwege de steeds minder beschikbare omliggende ruimte. Omdat hoogbouw per definitie beeldbepalend is wordt er altijd getoetst aan de eisen voor bijzondere welstand. Eventueel aangevuld met extra eisen uit een randvoorwaardendocument (zoals een beeldkwaliteitsplan of kavelpaspoort). Voor alle nieuwbouwplannen met een hoogte vanaf 30 meter of hoger (hoogbouwcatagorie M volgens de definitie in het Toetsingskader Hoogbouw 2024) geldt het bijzondere welstandsniveau. 3.4Welstandsvrij Het beleidsmatige uitgangspunt is regie te houden op de gebouwde omgeving. Bij welstandsvrije gebieden kan slechts achteraf worden ingegrepen bij gevallen (excessen) die een ernstige verstorende werking op de omgeving hebben. Sinds 2007 kunnen gemeenten echter een keuze maken om welstandsvrije wijken of bouwwerken aan te wijzen. Sindsdien is veel ervaring opgedaan met dit fenomeen en kan worden geconcludeerd dat zich geen excessen hebben voorgedaan. Welstandsvrij is in Capelle aan den IJssel alleen mogelijk bij: Bedrijventerreinen waar een BIZ (bedrijven investeringszone) is opgericht, zoals Capelle XL Nieuwe gebiedsontwikkelingen. Bij elke gebiedsontwikkeling kan hiervoor een expliciete afweging worden gemaakt * Deze kaart is een momentopname en beschrijft zodanig de huidige situatie. De kaart zal worden geupdate indien veranderingen zijn doorgevoerd. 4.Onderscheid in bouwopgaven In het welstandsbeleid is rekening gehouden met de verschillende bouwopgaven die in het kader van de omgevingsvergunning of het vooroverleg daarop zijn te onderscheiden. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen 3 typen bouwopgaven: Kleinschalige bouwopgaven Grotere bouwopgaven Grootschalige ontwikkelopgaven Grote gebieden in de stad hebben een planmatige en projectmatige opbouw. Daarvan zijn de meeste gebieden niet onderscheidend door een bijzondere architectuur of samenhangende stedenbouwkundige opbouw. Voor de gebieden met een minder onderscheidende opbouw is het niet nodig om bouwopgaven volgens een specifiek gebiedsgericht architectuurbeeld uit te voeren. Daarvoor is er in de huidige situatie al een te grote diversiteit in verschijningsvorm. Gebieden waar wel sprake is van een onderscheidende gebiedskarakteristiek zijn bijvoorbeeld de wijken en buurten Fascinatio, Paradijsselpark of 's-Gravenland. Hiervoor geldt dat er soms sprake is van een grote samenhang tussen al gerealiseerde bouwwerken, of er juist een grote verwantschap is met de architectuur of gebiedskarakteristiek. Er wordt onderscheid gemaakt in hoe de advisering en toetsing in het kader van de Nota Beeldkwaliteit Capelle aan den IJssel 2024 zal worden uitgevoerd en welke criteria daarbij worden gehanteerd. De schaal van een bouwwerk is medebepalend voor de impact die het heeft op de ruimtelijke kwaliteit. Het is hierbij van belang te omschrijven welke bouwopgaven te onderscheiden zijn. 4.1Kleinschalige bouwopgaven Bij de kleinschalige bouwopgaven gaat het om ondergeschikte bouwwerken met een beperkte invloed op de ruimtelijke kwaliteit, zoals een dakkapel, een ondergeschikt bijbehorend bouwwerk, een erfafscheiding of een beperkte gevelwijziging. Ook kan per welstandniveau de impact ervan verschillen. Daarom is het goed de kleinschalige bouwopgaven per welstandniveau te onderscheiden. Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau hebben een beperkte invloed op de omgeving. Er is vaak sprake van een veelvoud van al gerealiseerde kleinschalige bouwwerken. Hier kunnen bewoners met hun kleinschalige bouwopgave in verschijningsvorm aansluiten op de al gerealiseerde vergelijkbare bouwwerken in de omgeving. Deze categorie wordt getoetst aan de Sneltoetscriteria (deel B). Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een regulier welstandsniveau Er zijn gebieden in de stad die op een zorgvuldige manier zijn ontwikkeld en waar de ruimtelijke karakteristiek op dit moment samenhang vertoont. Deze gebieden hebben geen bijzondere architectonische of te beschermen waarde, maar toevoegen van kleinschalige bouwopgaven heeft invloed op het aanzicht van een pand of invloed op het straatbeeld. Kleine bouwopgaven zoals dakkapellen en aanbouwen komen veelvuldig voor en deze moeten zorgvuldig worden ingepast, passend bij de architectonische verschijningsvormen van de gebouwen, vooral woningen. Voor deze bouwopgaven zijn hier ook de Sneltoetscriteria (deel B) leidend, opdat verschijningsvorm, materiaal- en kleurgebruik geüniformeerd kunnen worden. Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een bijzonder welstandsniveau Enkele gebieden hebben een specifieke architectonische uitstraling of bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten). Kleinschalige bouwopgaven in deze gebieden maken vaak onderdeel uit van de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het toestaan van dakkapel of aanbouw zonder zorgvuldige advisering en toetsing zou hier voor ongewenste initiatieven kunnen leiden en afbreuk doen aan de te beschermen/behouden karakteristiek. Het is gewenst om kleinschalige bouwopgaven te beoordelen in samenhang met de vormgeving en uitstraling van de hoofdmassa. Deze categorie wordt getoetst aan de Sneltoetscriteria (deel B) (met aanvullende criteria voor beschermde dorpsgezichten en monumenten) voor de veelvoorkomende kleinschalige bouwopgaven van toepassing. Voor gebieden met een bijzonder welstandsniveau zijn ook de Basiscriteria en de Gebiedscriteria van toepassing indien de Sneltoetscriteria ontoereikend zijn. Bij Gebiedscriteria worden de aanvullende criteria ten aanzien van de verschillende bijzondere gebieden apart benoemd. 4.2Reguliere bouwopgaven Bij de reguliere bouwopgaven gaat het om bouwwerken met een grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit, en bouwwerken die niet passen binnen de omschrijving van kleinschalige bouwwerken. Het gaat hierbij in hoofdzaak om nieuwbouwwoningen, bedrijfspanden, een grote verbouwing van een bestaand pand of bouwwerken in de openbare ruimte zoals een brug. Net als bij de kleinschalige bouwopgaven is de gebiedskarakteristiek bepalend voor de impact die het bouwwerk heeft op zijn omgeving. Daarom is het goed ook de reguliere bouwopgaven per welstandniveau te onderscheiden. Reguliere bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau Zoals eerder opgemerkt kenmerken grote delen van Capelle aan den IJssel zich door een repeterend stedenbouwkundig patroon en ‘standaardbouw’. Woongebieden zijn in bepaalde perioden letterlijk en figuurlijk uit de grond gestampt waardoor er los van de tijdsperiode grote overeenkomsten zijn in opbouw van de wijken. In deze gebieden is de bouwopgave beperkt. Het omgevingsplan geeft in deze gebieden maar een beperkte mogelijkheid om bestaande massa’s uit te breiden. Hier zal de bouwopgave veelal beperkt blijven tot het realiseren van kleinschalige bouwwerken aan of bij een pand. Er zal maar beperkt sprake zijn van grotere nieuwbouwplannen. Deze categorie wordt getoetst aan de Basiscriteria (deel B). Reguliere bouwopgaven in gebieden met een regulier en bijzonder welstandsniveau In gebieden met een regulier en bijzonder welstandsniveau zijn specifieke gebiedskarakteristieken aanwezig die gewaarborgd moeten blijven. De set basiscriteria voor grotere bouwopgaven is in deze gebieden niet toereikend om de welstandstoets uit te voeren. Er zijn gebieden waar een specifieke karakteristieke uitstraling of een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten) van kracht is. Reguliere bouwopgaven in deze gebieden hebben hoge mate van invloed op de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het is gewenst om reguliere bouwopgaven te beoordelen in samenhang met de vormgeving en karakteristiek van de omgeving. Deze categorie wordt getoetst aan de Basiscriteria en de Gebiedscriteria (deel B). Op hoogbouw (nieuwbouw vanaf 30 meter hoogte) is altijd bijzondere welstand van toepassing. 4.3Grootschalige ontwikkelopgaven Bij grootschalige ontwikkelopgaven gaat het om bouwopgaven zoals grootschalige herstructurering en nieuwbouw of bouwkundige ingrepen die over meerdere bouwwerken gaan en meerdere percelen omvatten. De herontwikkeling van Rivium, waar op termijn 5.500 nieuwe woningen gerealiseerd moeten gaan worden, is hiervan een voorbeeld. Dergelijke gebieden waar een grootschalige ontwikkelopgave zal plaatsvinden duiden we als ontwikkelgebied. Deze gebieden kunnen komen vanuit marktinitiatieven en de gemeente kan ook zelf gebieden als ontwikkelgebied aanwijzen. In de Omgevingsagenda 2024 zijn deze gebieden, die de komende jaren meer aandacht krijgen, aangeduid als de zogenaamde opgavegebieden. Grootschalige ontwikkelopgaven brengen veelal een wijziging van de bestaande karakteristiek met zich mee. Gebieden krijgen door een ontwikkeling vaak een nieuwe identiteit. Het reguliere welstandsbeleid is in deze situaties als advies- en toetsingskader vaak niet geschikt. Voor deze opgaven is het ontwikkelen van een beeldkwaliteitsplan of gebiedspaspoort nodig. Het beeldkwaliteitsplan, danwel beeldkwaliteitcriteria in een gebiedspaspoort dienen in de initiatiefase danwel definitiefase ter stimulering en borging van de beeldkwaliteit. Zij vormen uiteindelijk het advies- en toetsingskader voor de welstandsnota. Dat geldt voor zowel particuliere als gemeentelijk initiatieven. De borging van dit proces wordt integraal vastgelegd in de projectopdracht. De beeldkwaliteitsplannen voor deze gebieden zullen separaat worden vastgesteld door de gemeenteraad, als onderdeel van de gebiedsontwikkeling en van het omgevingsplan. Voor de ontwikkeling van verschillende, nu gerealiseerde bouwplannen, zijn al beeldkwaliteitsplannen of gebiedspaspoorten opgesteld. Beeldkwaliteitcriteria hebben niet altijd tot doel om een excellente beeldkwaliteit te realiseren. Ze worden opgesteld om de vooraf bepaalde architectuur en gewenste beeldkwaliteit in een gebied daadwerkelijk te bereiken. In Bijlage 6 is een lijst van beeldkwaliteitplannen en gebiedspaspoorten opgenomen. Bij voltooiing van plannen dienen de criteria tevens als het nieuwe toetsingskaders, ter vervanging van de oorspronkelijke kaders. Dit wordt op deze wijze ook besloten bij vaststellen van beeldkwaliteitsplannen of gebiedspaspoorten. Bij elke oplevering van een ontwikkeling dient er tevens een update plaats te vinden van de kaarten met Welstandstypologie en Welstandsniveau. De meest recente versie van deze kaarten zal altijd digitaal beschikbaar. Ook zal de lijst uit Bijlage 6 met beeldkwaliteitsplannen en gebiedspaspoorten worden bijgewerkt zodat deze representatief is voor de actuele situatie. Bijlage 5 toont een kaart met opgavegebieden welke in de Omgevingsagenda zijn geformuleerd. Voor deze gebieden worden momenteel of op termijn beeldkwaliteitplannen en gebiedspaspoorten gemaakt. 5.Welstand en overig beleid 5.1Welstand en het Omgevingsplan In het omgevingsplan (van rechtswege sinds 1 januari 2024) zijn naast de regels en plankaarten uit de bestemmingsplannen ook de welstandsnota en de erfgoedverordening opgenomen. De regels uit de voormalige bestemmingsplannen regelde onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Het omgevingsplan bevat regels die betrekking hebben op alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Op 1 januari 2024 is alleen hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van rechtswege gevuld. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of de inpassing, de vormgeving en het uiterlijk van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De welstandsnota is een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Wat betreft de verhouding tussen het omgevingsplan en welstandsregels moet onderscheid worden gemaakt in expliciete- ofwel harde kaders (bijvoorbeeld een maximaal toegestane nokhoogte) en impliciete- ofwel zachte kaders (bijvoorbeeld samenhang in kleuren en materialen). Expliciete normering dient bij de welstandstoetsing zonder meer in acht te worden genomen; er mogen dus geen beperkende welstandseisen worden opgesteld. Bij bouwmogelijkheden kan het welstandstoezicht ten opzichte van de overige (bouw)regels aanvullend werken, en mag nooit in strijd zijn met deze overige bouwregels. Dit is zo geregeld in het omgevingsplan. De gemeente geeft aan in hoeverre een plan past binnen het vigerende of voorgenomen planologische kader van de “Evenwichtige toedeling van Functies aan locaties” (EtFal). Zowel plannen die binnen als buiten deze kaders vallen worden voorgelegd aan welstand, opdat een integrale afweging plaats vindt. Bij deze afweging wordt de ruimtelijke kwaliteit integraal bekeken. Er kan zodanig alsnog een welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied. 5.2Welstand en erfgoedbeleid Naast regels in het omgevingsplan worden monumenten in principe getoetst in het kader van de Erfgoedwet en de Gemeentelijke erf-goedverordening. Maar bij veranderingen aan de buitenkant en uitbreidingen speelt ook het architectonische aspect. Daarop vindt dan in het kader van de Omgevingswet altijd een welstandstoets plaats. Die toets is vanzelfsprekend niet “luw of regulier’, maar altijd ‘bijzonder’. De directe omgeving van een monument, gevormd door de ring van naast en tegenover het monument gelegen panden, is belangrijk voor de beleving daarvan. Deze omgeving wordt in het kader van veranderende wetgeving steeds meer van belang. In een beschermd dorpsgezicht is dat reeds het geval; de toevoeging van bijzondere welstand voor de naaste omgeving geldt dan ook vooral voor gebieden, waar monumenten geïsoleerd in een omgeving van niet-monumentale objecten voorkomen die onder reguliere welstand vallen. Wanneer een monument duidelijk deel uitmaakt van een architectonische eenheid of stedenbouwkundig ensemble, bijvoorbeeld een kerk op een in samenhang daarmee ontworpen plein, geldt bijzondere welstand voor de architectonische eenheid / het stedenbouwkundig ensemble als geheel. Bouwplannen in een beschermd dorpsgezicht of aan- of bij een rijksmonument of gemeentelijk monument worden naast de welstandsnota en het omgevingsplan altijd getoetst aan de Erfgoedwet en/of het Erfgoedbeleid. Ingrepen aan alle gevelzijdes en het dak van een monument zijn object van advies en toetsing, evenals het interieur als dit is opgenomen in de redengevende omschrijving van het monument. Zij worden beoordeeld op de zorgvuldigheid waarmee de oorspronkelijke architectuur, materialen, details en kleuren worden gerespecteerd dan wel gerestaureerd. Vertrekpunt van die erfgoedtoets is een cultuurhistorische analyse van het gebouw en de redengevende omschrijving van de ‘status’. Bij het welstandsadvies worden naast de redengevende beschrijving de gebiedscriteria aangehouden, die vaak zijn aangevuld met specifieke criteria voor beschermd dorpsgezichten en monumenten. Wanneer die onverhoopt ontoereikend zijn kan teruggevallen worden op de ‘uitgangspunten van welstandstoetsing’. Er worden dus twee aparte adviezen opgesteld op grond van de Erfgoedwet en/of het Erfgoedbeleid en op grond van de welstandsnota Capelle aan den IJssel. In Bijlage 7 is een lijst van monumenten en beschermde dorpsgezichten opgenomen. In de komende periode zal vooral worden gekeken om mogelijk gebouwen en ensembles uit de Post-‘65 periode aan deze lijst toe te voegen. Rijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is naast de regels in het omgevingsplan geregeld in de Erfgoedwet en in het Erfgoedbeleid. Bouwen en verbouwen aan-, of in de directe omgeving van rijksmonumenten is vastgelegd in de Erfgoedwet. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet veelal een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen, te vernielen of onderhoud daaraan te onthouden. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van de belangen van zowel de belanghebbende(

  1. n)alswel de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de onafhankelijke Erfgoedcommissie. Deze afweging wordt doorgaans gemaakt door het dagelijks bestuur. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wordt alleen bij specifieke gevallen gevraagd om advies. In Bijlage 7 is een actuele lijst van rijksmonumenten opgenomen. Gemeentelijke monumenten Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(
  2. n)en het object zelf. Voor de welstandstoets zijn de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota Capelle aan den IJssel het advies- en toetsingskader. Bij een aanvraag omgevingsvergunning moet de Erfgoedcommissie verplicht om advies gevraagd worden. In Bijlage 7 is een actuele lijst van gemeentelijke monumenten opgenomen. Beschermde dorpsgezichten Delen van het oude dorp Capelle aan den IJssel zijn aangewezen tot gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Deze delen zijn niet bijzonder dankzij één enkel bijzonder gebouw maar vanwege een groter gebied met bebouwing, straten en/of openbare ruimte die als geheel grote historische waarde heeft. Dat willen we als stad graag behouden en beschermen. Wijzigingen aanbrengen in beschermde dorpsgezichten is zodoende aan aanvullende regels gebonden die zorg dragen voor het behoud van het aangezicht van het beschermde dorpsgezicht. Bij de eerste wijziging van het Omgevingsplan (van rechtswege) is om die reden een omissie weggenomen. In de oorspronkelijke teksten die betrekking hebben op vergunningsvrije omgevingsplanactiviteiten was uitsluiting hiervan alleen van toepassing op ‘Rijksbeschermd Stads- of dorpsgezicht’. In het gebied van de gemeente Capelle aan den IJssel zijn alleen ‘gemeentelijke stads- en dorpsgezichten’ aangewezen. Dat hield in dat diverse ongewenste activiteiten, zonder omgevingsvergunning konden worden gerealiseerd. Op verzoek van de raadscommissie is deze omissie weggenomen met de eerste wijziging van het Omgevingsplan. De regels in het omgevingsplan hebben primair betrekking op het respecteren van de lokale karakteristiek. Voor de beschermde dorpsgezichten zijn ook enkele aanvullende criteria opgenomen in de welstandsnota Capelle aan den IJssel. Plannen in beschermde dorpsgezichten worden altijd aan de Erfgoedcommissie voorgelegd. In Bijlage 7 is een actuele lijst van beschermde dorpsgezichten opgenomen. 5.3Beeldkwaliteitplannen en gebiedspaspoorten De welstandsnota bevat geen criteria voor grootschalige ontwikkelopgaven in een ontwikkelgebied. In Capelle aan den IJssel zal voornamelijk nog sprake zijn van herontwikkeling en herstructurering. In de Stadsvisie en de Omgevingsagenda 2024 wordt hier verder op ingegaan. Dergelijke projecten doorbreken de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek, zodat geen criteria kunnen worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. In ontwikkelgebieden moet worden gelet op de specifieke structuren en kwaliteiten van het gebied. Op deze plek is het gewenst een plan te realiseren met tenminste een regulier welstandsniveau dat kwaliteit toevoegt en representatief voor het gebied is. Zodra een grootschalige ontwikkelopgave aan de orde is, moeten er beeldkwaliteitcriteria worden opgesteld. Deze criteria zijn in eerste instantie bedoeld om de kwaliteit te borgen en goede planvorming te stimuleren. Ook worden ze onderdeel van een beeldkwaliteitplan en/of een gebiedspaspoort. De gemeenteraad stelt deze beeldkwaliteitkaders vast zodat deze ook daadwerkelijk als advies- en toetsingskader kan worden gebruikt. Deze beeldkwaliteitkaders vormen dan een aanvulling op de welstandsnota. Het opstellen van beeldkwaliteitkaders in beeldkwaliteitplannen en/of gebiedspaspoorten is een vast onderdeel van de stedenbouwkundige voorbereiding. Voor dergelijke beeldkwaliteitkaders geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere integrale aanpak van het betrekken van omwonenden en belanghebbenden bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Zodanig vormen ze de borging van de kwaliteitsafspraken bij de definitieve plan-toetsing. De criteria worden door de gemeenteraad vastgesteld voordat de planvorming van de concrete bouwplannen start, en worden bekend gemaakt aan potentiële opdrachtgevers in het gebied. In Bijlage 6 is een lijst van actuele beeldkwaliteitplannen, kavel- en gebiedspaspoorten opgenomen. 5.4Welstand en (nieuwbouw) hoogbouw Met name rondom OV knooppunten en voorzieningen zal in de toekomst een grotere verdichtingsvraag bestaan, waarbij de realisatie van nieuwe hoogbouw een logische ontwikkeling zal zijn. Voor nieuwe hoogbouwprojecten gelden in Capelle aan den IJssel additionele toetsingskaders. Deze zijn opgenomen in het Toetsingskader Hoogbouw. Daarbij wordt er bij een bouwhoogte van 30 meter of hoger altijd getoetst aan de eisen voor bijzondere welstand. Deze hoogtecategorie (hoogbouwcatagorie M volgens de definitie in het Toetsingskader Hoogbouw 2024) per definitie beeldbepalend wordt gevonden. De eisen kunnen in veel situaties worden aangevuld met extra eisen uit een randvoorwaardendocument (zoals een beeldkwaliteitsplan of kavelpaspoort). 5.5Bouwwerken in de openbare ruimte De openbare ruimten en groengebieden worden binnen de gemeentegrenzen over het algemeen begrensd door bebouwing. Deze nota gaat slechts in geringe mate in op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen. Het is dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota Capelle aan den IJssel, met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing, en diverse beleidsnota’s waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en het groen. Op termijn wordt gestreefd alle ruimtelijke kwaliteitsbeleid integraal vast te leggen. 5.6Reclamebeleid In de Nota buitenreclame 2024 is specifiek reclamebeleid vastgesteld, waar de beeldkwaliteit onderdeel van is. Er zijn om die reden geen aparte gespecificeerde criteria voor reclame-uitingen in deze nota opgenomen. Wel is bij de Basiscriteria en Gebiedscriteria omschreven hoe met inpassing van reclame-uitingen op een bouwwerk om te gaan bij grote verbouwingen en nieuwbouw. De advisering en toetsing vindt echter primair plaats op basis van de criteria zoals vermeld in de Nota Buitenreclame 2024. In welstandvrije gebieden vindt geen beoordeling plaats noch aan de Nota buitenreclame. 5.7Welstand en duurzaamheid Diverse gestelde beleidsdoelen op het gebied van Duurzaamheid zijn opgesteld in de Duurzaamheidsleidraad voor bouwen. In deze leidraad zijn eisen en ambities opgenomen waaraan nieuwbouw, groter renovaties en transformaties moeten voldoen. Deze eisen en ambities zijn voor heel Capelle van toepassing vanaf het schaalniveau van reguliere bouwopgaven en groter (grootschalige ontwikkelopgaven). Het doel van de duurzaamheidsleidraad is specifiek om duidelijkheid te geven over wat Capelle aan den IJssel als stad belangrijk vindt als het gaat om duurzaam bouwen en verbouwen. Duurzaamheidseisen en -wensen voor (bouw)projecten zijn er op verschillende vlakken. Bijvoorbeeld ten aanzien van de energiebehoefte/ energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Waar een (bouw)project duurzame ruimtelijke kwaliteit nastreeft, zal de stad maatregelen op alle schaalniveaus in samenhang met elkaar serieus moeten nemen, zoals de ontwerpende disciplines gewend zijn. Nadenken over duurzame stedenbouw en architectuur begint \bij nadenken over stedelijk milieu, over samenhang tussen functies, stedenbouwkundige opzet, mobiliteit, bouwvolume(s), bouwmethodiek, typologie, architectuur, openbare ruimte en landschap. Zonder integrale blik op ruimtelijke samenhang is het immers moeilijk in te schatten of een ontwikkeling of bouwwerk duurzaam is. Een duurzame omgeving wordt gekenmerkt door bestendig gebruik, variatie in functionele en ruimtelijke samenstelling, en door continuïteit als stedenbouwkundig fundament van elke ontwikkeling. Juist bij ruimtelijk ontwerp is de verbinding van schaalniveaus op positieve wijze van invloed op bestendige principes; kwaliteit en vakmanschap blijken een goede voedingsbodem voor duurzaam ontwerp, net zoals duurzame ruimtelijke principes een logische basis vormen voor kwalitatief hoogwaardige ontwikkelingen. Waar mogelijk ondersteund de Welstandsnota de duurzaamheidsleidraad door sturing aan de hand van verschillende criteria. Voor het bestaande erfgoed van Capelle, waarbij in basis ‘strengere’ welstandseisen gelden bij eventuele aanpassingen op-, aan-, in-, of rondom het bouwwerk, is verduurzaming uiteraard evengoed van belang. Om dit op een ruimtelijk wenselijke manier mogelijk te maken zijn handvatten om het bestaande erfgoed van Capelle te verduurzamen opgenomen in de Nota Verduurzaming Erfgoed. B – CRITERIA 6.Inleiding Het beeldkwaliteitbeleid is gebiedsgericht en schaalbewust opgezet. Voor de verschillende typen bouwopgaven zijn welstandscriteria opgesteld. De welstandscriteria zijn uitgesplitst in: Basiscriteria Gebiedscriteria Sneltoetscriteria De Basiscriteria zijn opgesteld om een basiskwaliteit vast te stellen waaraan een plan in ieder geval moet voldoen. Basiscriteria zijn voor alle gebieden van de stad gelijk. De Gebiedscriteria gelden als aanvulling op de Basiscriteria. Bij toetsing aan de Gebiedscriteria wordt dus ook getoets aan de Basiscriteria. Samen vormen ze de complete set criteria. De Sneltoetscriteria worden doorgaans los gehanteerd van gebiedsgericht beleid. Ze zijn er op gericht veelvoorkomende kleinschalige bouwwerken snel te kunnen toetsen. Echter kan bij toetsing van een bouwplan aan de Gebiedsgerichte criteria de set Sneltoetscriteria altijd als richtlijn worden gehanteerd. 7.Basiscriteria Tientallen jaren zijn wijken en buurten met de grootste zorg voor kwaliteit opgebouwd. Er is voor gekozen om dat wat gangbaar is voor wat betreft bouwen en materiaal- en kleurkeuze vooraf aan de bouwer kenbaar te maken in de basiscriteria. Daarmee worden handvatten gegeven voor het uiteindelijke resultaat. Het is gewenst dat er een basiskwaliteit gehandhaafd blijft als het gaat om de wijze van bouwen. De basiskwaliteit bestaat onder meer uit het realiseren van bebouwing van een gangbare vorm en in gangbaar bouwmaterialen en kleuren. De ruimtelijke kwaliteit van Capelle aan de IJssel blijft zo behouden of kan worden versterkt. De Basiscriteria zijn in drie schaalniveaus te onderscheiden: Ruimtelijke inpassing; Bouwwerk op zichzelf; Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering). Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven hebben geen verstorende werking op de stedenbouwkundige structuur. Bouwinitiatieven zijn in maat en schaal afgestemd op de omliggende bebouwing. Bouwinitiatieven behouden of versterken de kwaliteit van het openbaar gebied. Het buitenruimte-ontwerp sluit aan bij de het karakter en de inrichting van het aangrenzende openbaar toegankelijk gebied. Bouwwerk opzichzelf: Nieuwbouw heeft een herkenbare hoofdvorm die past in de omgeving. Als de locatie onderdeel is van een woonblok, bouwblok of ensemble met een specifieke hoofdvorm, dan moet deze worden gevolgd. De typologie en architectuurstijl is passend in de directe omgeving. Uitgangspunt voor bouwinitiatieven is de samenhang binnen de architectonische eenheid. Uitbreidingen en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Behoud van bestaande gebouwen of gebouwdelen wordt gestimuleerd. Duurzaamheidstoepassingen (ter versterking van o.a. biodiversiteit, waterretentie, verkoeling, energieopwekking) maken integraal onderdeel uit van het ontwerp van de gebouwschil. Het gevelontwerp is goed van verhouding, en de indeling en plasticiteit past bij de omliggende bebouwing. Grootschalige ingrepen in- of aan de gevel, waaronder nieuwe luifels, balkons of na-isolatie passen binnen de structuur, maat en schaal van het gevelontwerp. De hoofdingang van een gebouw is vanaf de straat herkenbaar. Entrees van gebouwen zijn hoogwaardig en uitnodigend vormgegeven. Beganegrondgevels grenzend direct aan het openbare gebied zijn kwalitatief goed vormgegeven; de functie achter de gevel is in de vormgeving afleesbaar. Reclames zijn (waar toegestaan) ondergeschikt aan en afgestemd op het gevelontwerp. Vanuit de omliggende bebouwing zichtbare platte daken worden als vijfde gevel behandeld en worden aantrekkelijk vormgegeven, bijvoorbeeld door dubbelgebruik met natuurlijk groen, waterretentie of energieopwekkking. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Materiaalgebruik, kleur en detaillering is afgestemd op het bouwwerk op zichzelf en (de bebouwing
  3. in)de omgeving. Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen het karakter en de kwaliteit van het gevelontwerp. Bouwwerken direct grenzend aan openbaar gebied zijn van kwalitatief goed materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. Materialen en detaillering wordt zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Toepassing van biobased, hergebruikte en circulaire materialen en gebouwonderdelen wordt aangemoedigd, zolang dit met overtuigende samenhang binnen het gevelontwerp wordt ingepast. Een architectonische inpassing van (dak- en gevel)installaties is vereist. 8.Gebiedscriteria In gebieden met een regulier of bijzonder welstandsniveau zijn specifieke gebiedskarakteristieken aanwezig. De Basiscriteria zijn in deze gebieden niet toereikend om de welstandstoets gebiedsgericht uit te voeren. Er zijn gebieden waar een specifieke karakteristieke uitstraling of een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten) van kracht is. Bouwopgaven in deze gebieden hebben hoge mate van invloed op de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het realiseren van bouwplannen die alleen getoetst zijn aan de set Basiscriteria zou hier tot ongewenste initiatieven kunnen leiden en afbreuk doen aan de te beschermen/behouden karakteristiek. De criteria zijn een op de karakteristiek van het gebied gerichte uitwerking, aanvullend op de set Basiscriteria en bevatten daarnaast criteria die de specifieke opbouw en uitwerking van de bebouwing in het gebied moeten waarborgen. In de Gebiedscriteria zijn ook criteria opgenomen die specifiek voor een bepaald deelgebied zijn opgesteld. Het aantal specifieke gebiedscriteria kan per deelgebied verschillen. Vanzelfsprekend zijn er meer specifieke gebiedscriteria in gebieden waar sprake is van een bijzonder welstandniveau. De Gebiedscriteria zijn in drie schaalniveaus te onderscheiden: Ruimtelijke inpassing Bouwwerk op zichzelf Uitwerking (Materiaal, kleur en detaillering) De 12 Gebiedscriteria in Capelle aan den IJssel: Historische dijklinten Historische polderlinten Planmatige woongebieden Individuele bouw Hoogbouw Architectonische ensembles Bedrijven en Kantoorlocaties Winkelcentra en Publieke voorzieningen Grootschalige bebouwing in het groen Historische landschappen en Begraafplaatsen Groenstructuren, Sport- en Recreatiegebieden Hoofdstructuren (wegen, water, spoor & metro) 1 Historische dijklinten Ruimtelijke inpassing: De rooilijn volgt het lint (de weg). Nieuwe bebouwing in lijn met de bestaande lintbebouwing situeren. Aan de linten blijft tussen de bebouwing een voldoende mate van openheid aanwezig. Daarmee blijft het water of ‘achterland’ (gebieden grenzend aan de achterzijden van percelen aan de linten) vanuit het lint zichtbaar. Bebouwing op een perceel in maat en schaal op elkaar afstemmen. Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin of aan de voet van de dijk. Wordt bebouwing aan het water gesitueerd dan wordt een nadrukkelijke relatie met het water gelegd. De oeverconstructie is onderdeel van het architectonisch en landschappelijk ontwerp. Aan linten blijven toegangsbruggen in afmeting en verschijningsvorm ondergeschikt om de continuïteit van waterlopen zo goed mogelijk zichtbaar te houden. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de typologieën binnen de variatie van het lint (kralensnoer). Zuiverheid in bouwstijl en uniek voor de locatie ontworpen. Als zodanig herkenbare eigentijdse systematische bouw (parallel) aan het dijklint is ongewenst. Aan de dijk eenvoudige rechthoekige of langwerpige hoofdvormen realiseren onder een kap (verplicht). Verschillende kapvormen mogelijk; zadeldaken, schilddaken en mansardekappen, zowel haaks op als evenwijdig aan de dijk. De voorgevel is georiënteerd op de dijk en heeft een horizontale of verticale geleding. Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbouwen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen. Wordt bebouwing aan het water gesitueerd dan is de uitstraling vanaf het water van groot belang en wordt de waterzijde ook gezien als voorgevel. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Bij een toevoegingen aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar. Uitsluitend erfafscheidingen passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte; metselwerk, begroeiing / hagen of houten of ijzeren hekwerken. Aan de voorzijde van de bebouwing zijn de erfafscheidingen laag. Gebruik van staande ramen. Rolluiken zijn niet toegestaan. Zeer terughoudend omgaan met reclame-uitingen; reclames (waar toegestaan) zijn ondergeschikt aan en afgestemd op het gevelontwerp. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen het karakter van het gevelontwerp en versterken de plastiek van de gevel. De detaillering is verfijnd en ambachtelijk. Daken met een overstek toepassen. Kleuren zijn afgestemd op het bouwwerk op zichzelf en de omliggende bebouwing / de omgeving. De gevel uitvoeren in baksteen / ijsselsteentjes van een passend baksteen formaat, metselverband, voeg en kleur (geen keimwerk). Het toepassen van pleisterwerk als hoofdmateriaal in de gevel is toegestaan, zolang dit niet ten koste gaat van aanwezige ambachtelijke details in de gevel. Baksteenkleur: donkere (aarde) tinten / ijsselsteentjes. Pleisterwerk: lichte tinten. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Materialen behouden hun oorspronkelijke afwerking. Kozijnen uitvoeren in hout. Toepassen van roeden in de ramen (niet op de ramen). Toepassen van afwerkingen langs gevel- en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken. Dakbedekking in de vorm van gebakken / gesmoorde pannen. Toepassen van karakteristieke bouwelementen zoals windveren, gootlijsten en makelaars. Kleurgebruik: Oudhollandse kleuren. 2 Historische polderlinten Ruimtelijke inpassing: De rooilijn volgt het lint (de weg). Nieuwe bebouwing in lijn met de bestaande lintbebouwing situeren. Aan de linten blijft tussen de bebouwing een voldoende mate van openheid aanwezig. Daarmee blijft het ‘achterland’ (gebieden grenzend aan de achterzijden van percelen aan de linten) vanuit het lint zichtbaar. Bebouwing op een perceel in maat en schaal op elkaar afstemmen. Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kop van het perceel, direct of op korte afstand van het lint. Aan linten blijven toegangsbruggen in afmeting en verschijningsvorm ondergeschikt om de continuïteit van waterlopen zo goed mogelijk zichtbaar te houden. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de typologieën binnen de variatie van het lint (kralensnoer). Zuiverheid in bouwstijl en uniek voor de locatie ontworpen. Als zodanig herkenbare eigentijdse systematische bouw (parallel) aan het polderlint is ongewenst. Woningen: uitgangspunt is een zadeldak, haaks op de weg. Bij (kleinere) individuele woningen (van oorsprong geen boerderij) zijn andere kapvormen zoals een mansardekap en een kaprichting parallel aan de wegrichting ook mogelijk, mits passend in het straatbeeld. Voor boerderijen, stallen, schuren en loodsen: kapvorm is een zadeldak haaks op de weg. De woning is georiënteerd op het lint. De voorgevel is vanaf het lint zichtbaar aanwezig. Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbouwen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Bij een toevoegingen aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar. Uitsluitend erfafscheidingen passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte; metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken. Aan de voorzijde van de bebouwing zijn de erfafscheidingen laag en landschappelijk ingepast (ingroenen). Gebruik van staande ramen. Rolluiken zijn niet toegestaan. Zeer terughoudend omgaan met reclame-uitingen; reclames zijn ondergeschikt aan- en afgestemd op het gevelontwerp. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen het karakter van het gevelontwerp en versterken de plastiek van de gevel. De detaillering is verfijnd en ambachtelijk. Daken met een overstek toepassen. Kleuren zijn afgestemd op het bouwwerk op zichzelf en de omliggende bebouwing / de omgeving. De gevel uitvoeren in baksteen/ijsselsteentjes van een passende baksteen formaat, metselverband, voeg en kleur (geen keimwerk). Het toepassen van pleisterwerk als hoofdmateriaal in de gevel is toegestaan mits passend bij de architectuurstijl. Baksteenkleur: donkere (aarde) tinten / ijsselsteentjes. Pleisterwerk: lichte tinten. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Materialen behouden hun oorspronkelijke afwerking. Kozijnen uitvoeren in hout. Toepassen van roeden in de ramen (niet op de ramen). Toepassen van afwerkingen langs gevel- en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken. Dakbedekking in de vorm van gebakken / gesmoorde pannen. Toepassen van karakteristieke bouwelementen zoals windveren, gootlijsten en makelaars. Kleurgebruik: Oudhollandse kleuren. 3 Planmatige woongebieden Ruimtelijke inpassing: Specifiek voor Oostgaarde: Parkeren vindt voor specifieke ensembles binnen Oostgaarde onder de woningen plaats. Specifiek voor Capelle West: Kleine verspringingen in de voorgevelrooilijn. Specifiek voor ’s-Gravenland: Rechte getande rooilijn. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt qua hoofdvorm aansluiting bij de bouwmassa van het bouwblok. Aansluiten bij de kapvorm en –richting die voorkomt binnen het bouwblok. Aanpassingen aan bestaande bebouwing mag ook op een eigentijdse wijze gebeuren, mits van een hoog niveau. Accenten op de hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur zijn toegestaan mits de uitstraling van het ensemble als totaal niet wordt aangetast. Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbouwen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen en volgen veelvoorkomende modellen. Bindende elementen binnen een gevelwand dienen in stand te blijven of worden op overeenkomstige manier vernieuwd: lateibalken boven ramen en deuren, doorlopende dakrand, doorlopende (houten) gevelbekleding (indien aanwezig). Binnen het hoofdkader van bindende elementen is ruimte voor verandering. Specifiek voor Oostgaarde: Voor specifieke ensembles binnen Oostgaarde toepassen van doorlopende dakvlakken. Specifiek voor Molenbuurt: Toepassen van een groot overstek bij dakvlakken. Specifiek voor Oude plaats: Bij een toevoegingen aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd. Uitsluitend erfafscheidingen in begroeiing/hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte. Gebruik van staande ramen. Rolluiken zijn niet toegestaan. Zeer terughoudend omgaan met reclame-uitingen; reclames zijn ondergeschikt aan en afgestemd op het gevelontwerp. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Kleuren en materialen zijn afgestemd op het bouwwerk op zichzelf, en de wijk als geheel; samenhang op blokniveau behouden danwel versterken. Gedekte kleuren toepassen. Specifiek voor Oostgaarde: Toepassen van lichte of donkere baksteen. Toepassen donkere kozijnen. Specifiek voor Oude plaats: Materialen behouden hun oorspronkelijke afwerking. Kozijnen uitvoeren in hout. Toepassen van afwerkingen langs gevel- en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken. Dakbedekking in de vorm van gebakken / gesmoorde pannen. Toepassen van karakteristieke bouwelementen zoals windveren, gootlijsten en makelaars. Kleurgebruik: Oudhollandse kleuren. 4 Individuele bouw Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven sluiten aan op de ontspannen ruimtelijke opzet van de wijk. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw is een passende toevoeging op de variatie van typologieën van de omliggende bebouwing. Er zijn meerdere kapvormen mogelijk. Accenten op de hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur zijn toegestaan mits de uitstraling van de buurt niet wordt aangetast. Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbouwen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen. Specifiek voor Bermweg en Kralingseweg: Hoofdrichting van de bouwmassa (en kap) ligt haaks op de weg. Specifiek voor Van Maerlantpark: Bouwmassa heeft een rechte hoofdvorm en een plat dak. De architectuur is in basis modernistisch. De gevelwand is (vrijwel) vlak. Geen zware plastiek door erkers, balkons etc. Erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn zijn laag en worden ingegroend. Specifiek voor Ringvaartpark: Zadeldak met ruime overstekken uitvoeren. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Materiaal, kleur en detaillering versterken het eigen karakter van het gevelontwerp. Variatie is de norm. Specifiek voor Bermweg en Kralingseweg: Per woning minimaal 2 kleursoorten baksteen toepassen, waarbij de basiskleur een lichte kleur is. Grote diversiteit in maten, kleuren en materialen vermijden. Dakpankleur is antraciet, ongeglazuurd. Betonpannen zijn uitgesloten. Langs goot- en dakranden boeiboorden aanbrengen. Specifiek voor Van Maerlantpark: Baksteen al dan niet witgeschilderd in combinatie met natuurlijke materialen en kleuren. Specifiek voor Ringvaartpark: Toepassen van een lichte baksteen met donkere pannen. Toepassen van een grijze gemetselde band in de plint. 5 Hoogbouw Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven zijn in maat en schaal afgestemd op de wijk en de stad als geheel. Hoogbouw is vaak specifiek georiënteerd. Aansluiting zoeken bij de overwegende oriëntatie in het gebied. Aan de rand van een gebied met hoogbouw dient de vorm van de massa te zorgen dat de gebouwen worden opgenomen in het (stads) landschap. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bestaande hoogbouw of indien van toepassing ook bij laagbouw binnen het stedenbouwkundig ensemble (bijvoorbeeld stempelplan). Gezien het alzijdig karakter van hoogbouw, wordt elke gevel van een complex als een voorgevel beschouwd. De gevelgeleding benadrukt de verticaliteit of gelaagdheid van het ontwerp. De plint (begane grond) kan een andere vormgeving krijgen ten opzichte van de bovengelegen verdiepingen. In woon-, winkel-, en kantoorgebieden zijn dichte (bergings)gevels aan de straat ongewenst. De functie achter de gevel is in de vormgeving zichtbaar. Vervanging van balkonhekken, balustrades en privacyschermen aanpakken per complex. Dichtbouwen van balkons is niet toegestaan. Plaatsen van technische voorzieningen (zoals schotelantennes of zonnepanelen) gebeurt gezamenlijk op het dak. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): De keuze voor materialen en detaillering versterken het uiterlijk van de hoogbouw. Kleuren zijn afgestemd op de logica van de hoogbouw opzichzelf. Beganegrondgevels grenzend direct aan openbaar gebied zijn uitgevoerd in kwalitatief hoogwaardig materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. 6 Architectonische ensembles Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven zijn in maat en schaal afgestemd op het ensemble als geheel. Uitgangspunt is herhaling van al voorkomende modellen. Specifiek voor Oostgaarde: Flats staan haaks of in een enkel geval evenwijdig aan de weg of het water. Specifiek voor Nederlandse Bergenbuurt: Behoud van het stedenbouwkundig patroon van aaneengesloten achthoekige gebouwen. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmassa binnen het ensemble. Aansluiten bij de kapvorm en –richting die voorkomt binnen het ensemble of bouwblok. Accenten op de hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur zijn toegestaan mits de uitstraling van het ensemble als totaal niet wordt aangetast. Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbouwen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen en volgen veelvoorkomende modellen. Bindende elementen binnen een gevelwand dienen in stand te blijven of worden op overeenkomstige manier vernieuwd: lateibalken boven ramen en deuren, doorlopende dakrand, doorlopende (houten) gevelbekleding (indien aanwezig). Binnen het hoofdkader van bindende elementen is ruimte voor verandering. Specifiek voor Fascinatio: Toegepaste kapvormen in het gebied zijn zadeldaken, lessenaarsdaken en gebogen daken. Specifiek voor Oostgaarde: De bouwmassa bestaat uit samengevoegde bouwmassa’s met haakse en schuine hoeken. Er is een parkeerdek onder bebouwing aanwezig. Specifiek voor Capelle West en Schenkel Oost: Clusters van seriematige woningen hebben een vaste ritmiek van ramen, deuren en schoorstenen. Door individuele aanpassingen mag deze ritmiek niet worden doorbroken. Specifiek voor Schenkel (totaal): Horizontale geleding van de woning. Eenvoudige en sobere gevelarchitectuur. Specifiek voor ’t Zandrak en Paradijsselpark: De bouwmassa bestaat uit een kubistische hoofdvorm met vormvrije, toegevoegde elementen. Specifiek voor Nederlandse Bergenbuurt: De bouwmassa bestaat uit samengevoegde bouwmassa’s met haakse en schuine hoeken. Elk element heeft één entree. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Kleuren zijn afgestemd op het ensemble. Gebouwde erfafscheidingen zijn onderdeel van de architectonische eenheid en blijven behouden. Specifiek voor Fascinatio: Daken met een groot overstek uitvoeren. Gevels bestaan hoofdzakelijk uit een rode of gele baksteen. Daken zijn gedekt met rode of oranje pannen. Specifiek voor Oostgaarde: Gevels worden opgebouwd uit donkere baksteen. Geleding door toepassing van witte vlakken of witte betonnen banden. Specifiek voor Capelle West en Schenkel oost: Handhaven van karakteristieke raamvormen in de voorgevel. Specifiek voor Schenkel (totaal): Gevels uitvoeren in rode baksteen. Kozijnen uitvoeren in hout met een witte kleur. Daken uitvoeren in rode gebakken pannen. Witte omlijsting rondom de voordeur toepassen. Specifiek voor ‘t Zandrak: Verschillende kapvormen zoals plat dak, piramidedak of lessenaarsdak. Toepassing van baksteen, donkere pannen en hout. Specifiek voor Paradijsselpark: Woningen aan de woonerven: gebogen dakvlak, witte bakstenen, donker hout, glas en staal. Behouden van karakterisitieke detaillering en materiaalafwerking. Specifiek voor Nederlandse Bergenbuurt: Toepassing van rode baksteen, gemetselde borstweringen en forse witte kozijnen. 7 Bedrijven en Kantoorlocaties Ruimtelijke inpassing: De totale compositie van de bebouwing op één perceel is samenhangend. Representatieve bebouwing is gericht op aangrenzende hoofdroutes, de (hoofd)straat of belangrijkste openbare ruimte. Aan de randen van de werkgebieden moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en/ of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmassa’s binnen het bouwblok als geheel. In de gebieden zijn voornamelijk platte daken of bijzondere dakvlakken toegepast. Abstracte gevelopzet met heldere geleding. Accenten binnen volume mogelijk. Entrées onderscheiden zich in of aan de gevel, mits in samenhang met de massa. Toepassen van open hekwerken en/of beplanting als erfafscheidingen. Bij nieuwbouw worden reclame-uitingen, rolluiken en installaties meeontworpen. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Entrées zijn uitgevoerd in kwalitatief hoogwaardig materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. Eén duidelijk en toekomstbestendig gevelmateriaal. Gedekte kleuren toepassen. 8 Winkelcentra en Publieke voorzieningen Ruimtelijke inpassing: De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. Gebouwen en complexen hebben een alzijdig karakter. Representatieve bebouwing is gericht op de straat of belangrijkste openbare ruimte. Aan de randen van de winkelcentra en gebieden met publieke voorzieningen moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en/of het landschap. Bij winkelcentra is sprake van een verbindende plint. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmassa binnen het bouwblok of ensemble. Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. Entrées onderscheiden zich in of aan de gevel, mits in samenhang met de massa. Entrées hebben een laagdrempelig karakter. Er is sprake van een levendig gevelbeeld; dichte plintgevels zijn ongewenst. Toepassen van open hekwerken als erfafscheiding. Bij nieuwbouw worden reclame-uitingen, rolluiken en installaties mee ontworpen. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Beganegrondgevels grenzend direct aan openbaar gebied zijn uitgevoerd in kwalitatief hoogwaardig materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. Gebouwen binnen een ensemble zijn in maatvoering, kleur- en materiaalgebruik op elkaar afgestemd. 9 Grootschalige bebouwing in het groen Ruimtelijke inpassing: De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. Representatieve bebouwing is gericht op de belangrijkste openbare ruimte. Bebouwing staat los in de ruimte / het groen. Aan de randen moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en / of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw heeft een bouwmassa die is afgestemd op de eigen positie binnen het groen. Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. Entrées onderscheiden zich, mits in samenhang met de massa. Entrées hebben een laagdrempelig karakter. Toepassen van open hekwerken en/of beplanting als erfafscheidingen. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Gebouwen binnen een ensemble zijn in maatvoering, kleur- en materiaalgebruik op elkaar afgestemd en op de omgeving. Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardige materialen en hebben een bij de omgeving passende gedekte kleur. Het nachtbeeld is onderdeel van de ontwerpopgave. 10 Historische landschappen en Begraafplaatsen Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven zijn afgestemd op de positie binnen het groen danwel het landschap. Bouwinitiatieven respecteren de nog aanwezige historische context en betekenis. De totale compositie van de bebouwing is samenhangend en ondergeschikt. Representatieve bebouwing is gericht op de belangrijkste openbare ruimte. Aan de randen moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en / of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. Bebouwing en kunstwerken passen binnen de historische context en betekenis. Gezien het alzijdig karakter van het bouwwerk binnen de voornamelijk groene omgeving, wordt elke gevel als voorgevel beschouwd. Inrichtingselementen (parkmeubilair, bruggen, hekwerken e.d.) zijn op elkaar afgestemd en passen bij de sfeer en het karakter van het terrein. Toepassen van open hekwerken en / of beplanting als erfafscheidingen. Zeer terughoudend omgaan met reclame-uitingen. Reclames overstemmen het groene karakter van de omgeving niet. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): De keuze voor materialen en kleuren is afgestemd op de omgeving. De detaillering is robuust. Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardige materialen en hebben een bij de omgeving passende gedekte kleur. 11 Groenstructuren, Sport- en Recreatiegebieden Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven zijn afgestemd op de positie binnen het groen danwel het landschap. Bouwinitiatieven respecteren belangrijke zichtlijnen. De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. Gebouwen en complexen hebben een alzijdig karakter. Het hoofdgebouw is gericht op de straat of belangrijkste functionele buitenruimte. Aan de randen van de sport- en recreatiegebieden moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en / of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw heeft een bouwmassa die is afgestemd op de eigen positie binnen het groen. Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. Bebouwing en kunstwerken passen binnen de groene context. Gezien het alzijdig karakter van het bouwwerk binnen de voornamelijk groene omgeving wordt elke gevel als voorgevel beschouwd. Dit geldt soms ook voor de boven- en onderkanten van bouwwerken. Inrichtingselementen (parkmeubilair, bruggen, hekwerken en dergelijke) zijn op elkaar afgestemd en passen bij de sfeer en het karakter van het terrein Toepassen van open hekwerken en / of beplanting als erfafscheidingen. Zeer terughoudend omgaan met reclame-uitingen. Reclames overstemmen het groene karakter van de omgeving niet. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): De keuze voor materialen is afgestemd op de omgeving. De detaillering is robuust. Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardige materialen en hebben een bij de omgeving passende gedekte kleur. Het nachtbeeld is onderdeel van de ontwerpopgave. 12 Hoofdstructuren (wegen, water, spoor & metro) Ruimtelijke inpassing: Bouwinitiatieven zijn afgestemd op de positie binnen danwel aan de infrastructuur. De totale compositie van gebouwen en complexen draagt bij aan het openbare karakter van de structuur waaraan het gelegen is. Representatieve bebouwing is gericht op de infrastructuur danwel belangrijkste openbare ruimte. Aan de randen van openbare gebieden moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en/of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: Nieuwbouw heeft een bouwmassa die is afgestemd op de eigen positie binnen of aan de openbare ruimte. Gezien het alzijdig karakter van het bouwwerk binnen de voornamelijk groene omgeving wordt elke gevel als voorgevel beschouwd. Dit geldt soms ook voor de boven- en onderkanten van bouwwerken. Bouwwerken in een eigenzinnige vormentaal zijn goed mogelijk; wel moet er een verband zijn met de architectuur van de omgeving. Reclames overstemmen het karakter van de omgeving niet. Geluidsschermen worden zodanig vormgegeven dat het zicht op de stad, het landschap en het water intact blijft. Ze worden vanaf de infrastructuur beschouwd als een voorgrond waar iets achter ligt, een intermediair tussen infrastructuur en omgeving. Geluidsschermen gelegen in groenstructuren worden landschappelijk ingepast (ingroenen). Toepassen van open hekwerken en/of beplanting als erfafscheidingen. Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering): Bouwwerken die behoren tot de openbare ruimte in of langs de hoofdstructuren moeten voldoen aan de eisen gesteld in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR). Kleuren zijn gedekt en afgestemd op de infrastructuur en omgeving. Toepassing van graffitivrij materiaal. Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardige materialen en hebben een bij de omgeving passende gedekte kleur. Het nachtbeeld is onderdeel van de ontwerpopgave. 9.Sneltoetscriteria Voor veelvoorkomende kleinschalige bouwopgaven die niet vergunningsvrij zijn, zijn eenduidige randvoorwaarden opgesteld. Deze randvoorwaarden worden sneltoetscriteria genoemd. Vanuit wel-standsoogpunt zijn de sneltoetscriteria minimale visuele kwaliteitseisen bedoeld om een bepaald ruimtelijk kwaliteitsniveau in stand te houden. Vanzelfsprekend zijn de gebiedscriteria van toepassing op gebieden waar sprake is van een bijzonder welstandniveau danwel op monumenten en op gebieden die als beschermd dorpsgezicht zijn aangewezen, tenzij anders vermeld. De aanvrager van een omgevingsvergunning kan aan de hand van de sneltoetscriteria voor veelvoorkomende bouwwerken zien of zijn of haar bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een bouwplan is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als: Het bouwwerk voldoet aan de sneltoetscriteria. Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits het oorspronkelijke bouwwerk formeel via een omgevingsvergunning vergund is danwel geen exces betreft. Soms bevatte het oorspronkelijke door de gemeente goedgekeurde ontwerp van het hoofdgebouw enkele optionele uitbreidingen (bijvoorbeeld een kopersoptie dakkapel). Indien het geplande bouwwerk gelijk is aan deze optionele uitbreiding dan is het bouwwerk niet strijdig met redelijke eisen van welstand. Het bouwwerk is passend binnen een specifiek beleid dat in een bepaalde straat of buurt specifiek voor een van de genoemde categorieën bouwwerken is opgesteld. Voorbeelden hiervan zijn trafohuisjes. Net als de Basiscriteria en de Gebiedscriteria zijn de Sneltoetscriteria in drie schaalniveaus te onderscheiden: Ruimtelijke inpassing; Vormgeving; Uitwerking (materiaal, kleur & detaillering). De 6 Categorieën Sneltoetscriteria: Bijbehorende bouwwerken Daktoevoegingen Gevelwijzigingen Technische voorzieningen Hekwerken en afscheidingen Zonwering en raambeveiliging 1 Bijbehorende bouwwerken Aangebouwde bouwwerken Ruimtelijke inpassing: Aangebouwde bouwwerken zijn per architectonische eenheid (zoals een afzonderlijk pand, rijwoningen of een ensemble van panden) gelijk en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen (bij nieuwbouw conform de aangeboden optionele aanbouw bij oplevering). Vormgeving: Een aangebouwd bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De gevelindeling sluit aan bij de vormgeving van het hoofdgebouw. Gevels gericht naar het openbaar gebied hebben een open karakter. De aanbouw heeft een plat dak of een bij het hoofdgebouw/de architectonische eenheid passende kapvorm. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Vrijstaande bouwwerken Ruimtelijke inpassing: Vrijstaande bouwwerken zijn per architectonische eenheid (zoals een afzonderlijk pand, rijwoningen of een ensemble van panden) gelijk en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen (bij nieuwbouw conform het aangeboden optionele bijgebouw bij oplevering). Vormgeving: Een vrijstaand bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Eenvoudige vormgeving, passend bij de functie van het bouwwerk en / of het hoofdgebouw. Het bouwwerk heeft een plat dak of een bij het hoofdgebouw passende kapvorm. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw of het tuin- of erfkarakter. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. 2 Daktoevoegingen Dakkapellen Ruimtelijke inpassing: Dakkapellen zijn per architectonische eenheid (zoals een afzonderlijk pand, rijwoningen of een ensemble van panden) gelijk en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen (bij nieuwbouw conform de aangeboden optionele dakkapel bij oplevering). Op één dakvlak (woningblok) herhaling van gelijke dakkapellen. De afstand tussen de dakkapel, overige dakelementen (zoals schoorstenen en dakdoorvoeren) en de rand van het dakvlak (per woning) is in alle situaties minimaal 0,5 meter. Bij stapeling van dakkapellen op hetzelfde dakvlak; afstand tussen bovenzijde onderste dakkapel en voet bovenstaande dakkapel minimaal 0,5 meter, verticaal gemeten Meerdere dakkapellen op hetzelfde dakvlak (woningblok) dienen regelmatig gerangschikt te worden op één horizontale lijn met naastgelegen dakkapellen; bovenzijde steeds op dezelfde hoogte. De hoogte van de dakkapel is maximaal 1,75 meter (incl. dakrand). Vormgeving: De dakkapel heeft in basis een plat dak (mits de oorspronkelijke architectuur van het gebouw een andere vormgeving kent). Herhaling van gelijke dakkapellen op één aaneengesloten dakvlak (woningrij, bouwblok of ensemble). Geen dichte panelen in het front van de dakkapel. Bij achterliggende dragende muur is een smalle strook toegestaan. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Dakopbouwen Ruimtelijke inpassing: Dakopbouwen zijn per architectonische eenheid (zoals een afzonderlijk pand, rijwoningen of een ensemble van panden) gelijk en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen (bij nieuwbouw conform de aangeboden optionele dakkapel bij oplevering). Bij plaatsing op een specifieke dakvorm gelden de Gebiedscriteria. Vormgeving: Op één dakvlak (woningblok) herhaling van gelijke dakopbouwen. Een dakopbouw is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De dakopbouw heeft een bij het daktype passende hoofdvorm. Bij dakopbouwen op een schuin dak; goothoogte nooit hoger dan de oorspronkelijke nok. De gevelindeling sluit aan bij de vormgeving van het hoofdgebouw. Bij dakopbouwen op een schuin dak; dichte panelen in het front (voorvlak) beperken. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Dakterassen Ruimtelijke inpassing: Dakterrassen zijn per architectonische eenheid (zoals een afzonderlijk pand, rijwoningen of een ensemble van panden) gelijk en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen (bij nieuwbouw conform het aangeboden optionele dakterras bij oplevering). Op één dakvlak (zoals een aaneengesloten woningrij of bouwblok) herhaling van gelijke dakterrassen, op uniforme wijze geplaatst. Aan gevelzijden die zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied worden balustrades minimaal 1,5 meter teruggeplaatst van de gevel (niet de uitkragende dakrand) of van de bovenrand van een schuin dakvlak. De dakopgang (kleine dakopbouw of dakluik) is minimaal 2,0 meter teruggeplaatst van de gevel of van de bovenrand van een schuin dakvlak. Vormgeving: Hoogte van de balustrade is maximaal 1,3 meter. Hoogte van de toegang naar het dakterras is maximaal 2,3 meter. Dakluiken hebben altijd de voorkeur. Oppervlakte dakopgang is maximaal 2m². Vormgeving van de opbouw is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Balustrade is uitgevoerd als open hekwerk (zoals verticale spijlen). Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering van de dakopgang en balustrade zijn terughoudend en afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering zijn afgestemd op de oorspronkelijke architectuur en per architectonische eenheid identiek. Toepassing van hoogwaardige materialen en detaillering, afgestemd op de oorspronkelijke situatie. 3 Gevelwijzigingen Kozijn- en gevelwijzigingen Ruimtelijke inpassing: De oorspronkelijke hoofdindeling van de gevel is het uitgangspunt. Bij een gevelwijziging blijft de samenhang en ritmiek van de gevel als onderdeel van een straatwand behouden. Kozijn- en gevelwijzigingen leiden niet tot grove verschraling van kenmerkende gevelonderdelen. Vormgeving: De oorspronkelijke kozijnindeling is het uitgangspunt. Indeling en detaillering van kozijnen is per architectonische eenheid hetzelfde (individueel pand, gevelwand, blok of ensemble). Uitwerking: De oorspronkelijke detaillering is het uitgangspunt. De maat van de negge, de breedte en de diepte van de kozijnprofielen en variërende posities van glasvlakken binnen een kozijn (zoals bij een verspringende glaslijn in een bovenlicht) zijn gebaseerd op het oorspronkelijke ontwerp. Materiaal, kleurgebruik en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw danwel het bouwblok als geheel. Detaillering en materialen worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Transparante geveldelen worden niet geblindeerd door zonwerend glas, panelen of schilderwerk. Ventilatieroosters worden niet zichtbaar of architectonisch ingepast. Zij mogen geen afbreuk doen aan de samenhang van het pand/de gevelwand, het blok of het ensemble. Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Raamindeling kozijnen gelijk aan oorspronkelijk ontwerp. Oorspronkelijke roedeverdeling behouden. Glas-in-lood behouden of op vergelijkbare wijze terugbrengen in de gewijzigde situatie. Kleur en detaillering volledig conform het oorspronkelijk ontwerp. Groene gevels Ruimtelijke inpassing: De oorspronkelijke hoofdindeling van de gevel is het uitgangspunt. De samenhang en ritmiek van de gevel als onderdeel van een straatwand blijft behouden. De groene gevel is qua positie, maat en schaal afgestemd op de bestaande gevelcompositie en heeft hierop geen verstorende werking. Vormgeving: Een ‘levende’ jaarlijks blijvend groene gevel is het uitgangspunt. Niet ‘levende’ beplanting wordt niet gerekend tot groene gevels. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Groene gevels en -daken niet aanbrengen op een beeldbepalend gevel- of dakvlak. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering van de achterconstructie is hoogwaardig en afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en detaillering van de achterconstructie worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: De ingreep moet reversibel (zonder grote aanpassing terug te draaien naar de situatie van vóór de betreffende ingreep) zijn en regulier onderhoud niet in de weg staan. Gevel- en dakisolatie Ruimtelijke inpassing: Na-isoleren van een pand dat onderdeel is van een architectonische eenheid (zoals seriematige woningen, rijwoningen of een ensemble van panden) is mogelijk als de samenhang en uitstraling van het totale gevelbeeld blijft bestaan. Na-isoleren van een individueel pand is mogelijk als het nieuwe gevelontwerp minimaal gelijkwaardig is aan het bestaande gevelontwerp. Per architectonische eenheid geldt de eerst vergunde aanvraag als ‘trendsetter’. Vormgeving: Na-isoleren is mogelijk op basis van een zorgvuldig gevelontwerp. Na-isoleren van een dak dat onderdeel is van een architectonische eenheid (zoals seriematige woningen, rijwoningen of een ensemble van panden) is mogelijk mits de goot in stand blijft en de dakbedekking gelijk blijft aan de bestaande dakbedekking. Na-isoleren van een dak van een individueel pand is mogelijk als de dakafwerking van gelijke uitstraling en kwaliteit is of op passende wijze wordt aangepast. Bindende gevelelementen en architectonische verbijzonderingen blijven voldoende afleesbaar of worden op gelijke wijze teruggebracht. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering is van gelijke kwaliteit als de bestaande architectonische eenheid en sluit hier op aan. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Na-isoleren aan de buitenzijde is niet toegestaan; gevels en daken mogen geen veranderingen kennen. Het plaatsen van voorzetgevels is niet toegestaan. Inpassing van natuurlijke ventilatie bij na-isolatie mag geen afbreuk doen aan het beschermde dorpsgezicht of het monument. Het na isoleren aan de binnenzijde van monumenten mag van binnenuit als hiermee geen monumentale waarden worden aangetast. Het na isoleren is niet zichtbaar vanaf de open- bare ruimte. 4 Technische voorzieningen Technische installaties Ruimtelijke inpassing: Warmtepompen, airco-units en andere technische installaties op gevels en op platte daken van dakkapellen zijn ongewenst. Op platte daken worden warmtepompen, airco-units en andere technische installaties met meer afstand dan 1,5 keer de totale hoogte van de installaties tot alle dakranden geplaatst. Op platte daken worden warmtepompen, airco-units en andere technische installaties zo compact en logisch mogelijk gegroepeerd. Uitmondingen van afvoerpijpen zijn op een plat dak niet hoger dan 1,5 meter. Afvoerpijpen steken op een schuine kap maximaal 1 meter boven de nok uit. Leidingen en bekabeling van toe- en afvoer van warmtepompen, airco-units en andere technische installaties worden in lengte en zichtbaarheid geminimaliseerd en nooit diagonaal geplaatst. Indien plaatsing van een warmtepomp of airco-unit op het dak niet mogelijk is; is plaatsing volgens de vergunningvrije regels het uitgangspunt; een vanaf de openbare ruimte onzichtbare inpassing van de technische voorziening. Vormgeving: Warmtepompen, airco-units en andere technische installaties worden voorzien van een nette, bij de bebouwing passende afwerking (bijvoorbeeld door middel van omkasting of omrastering). Uitwerking: De kleur van technische installaties en bijbehorende zichtbare onderdelen dient in samenhang met het gebouw uitgevoerd te worden. De kleur van technische installaties en bijbehorende zichtbare onderdelen mag geen afbreuk doen aan de architectonische samenhang. Materiaal en detaillering zijn eenvoudig. Schotelantennes en windturbines Ruimtelijke inpassing: Beperkt zichtbaar vanuit de omgeving. Plaatsing nooit voor de voorgevelrooilijn. Schotelantennes hebben een doorsnee van maximaal 1 meter aan de zichtzijde. Schotelantennes worden bij balkons aan de binnenzijde van de balustrade plaatsen. Bij plaatsing op een plat dak; afstand tot de dakrand is minimaal gelijk aan de opbouwhoogte. Bij plaatsing op het achtererf en op een vrijstaande bijgebouw; bovenzijde lager dan 5m boven maaiveld. Vormgeving: Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: Materiaal en detaillering zijn eenvoudig. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Schotelantennes en windturbines mogen geen afbreuk doen aan het aangezicht van het beschermde dorpsgezicht en of het monument. Zonnepanelen en -collectoren Algemeen: Plaatsing op een gevelvlak is mogelijk, mits zonnepanelen of -collectoren goed zijn ingepast in het ontwerp. Plaatsing nooit voor de voorgevelrooilijn. Aanvullende voor beschermd dorpsgezichten en monumenten: Ruimtelijke inpassing: Plaatsing is alleen mogelijk op het achterdakvlak of op een zijdakvlak dat niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied. Plaatsing op een beeldbepalend dak(vlak), zoals benoemd in de monumentenomschrijving is niet mogelijk. Plaatsing op een schuin dak; De afstand tussen het zonnepaneel of -collector en de rand van het dakvlak (per woning) is in alle situaties minimaal 0,5 meter. Afstand tot andere objecten op het dak (zoals schoorstenen en dakdoorvoeren) is minimaal 0,25 meter. De hellingshoek van het zonnepaneel of -collector is gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. Plaatsing op een plat dak; afstand tot de dakrand is minimaal gelijk aan de totale opbouwhoogte van het paneel of de collector. Plaatsing is in beginsel niet toegestaan op kappen met een bijzondere bekleding in kleur, patroon of materiaal. Vormgeving: Panelen en collectoren integraal opnemen in het ontwerp van het bouwwerk. Bij meerdere zonnepanelen of -collectoren; identieke maatvoering en logische rangschikking. Bij meerdere zonnepanelen of -collectoren op één dakvlak; herhaling van identiek geplaatste- en identiek gemaatvoerde zonnepanelen. Uitwerking: De ingreep moet omkeerbaar zijn en regulier onderhoud niet in de weg staan. Panelen / voorzieningen van hoge kwaliteit in een kleur passend bij het dakvlak. 5 Hekwerken en afscheidingen Erfafscheidingen Ruimtelijke inpassing: Voor de voorgevelrooilijn; hoogte maximaal 1 meter. Achter de voorgevelrooilijn; hoogte maximaal 2 meter. Langs / aan het water; hoogte maximaal 1 meter. Vormgeving: Oorspronkelijk meeontworpen erfafscheidingen blijven behouden en worden gevolgd. Transparante vormgeving en zorgvuldige detaillering, in samenhang met de architectonische eenheid en het omliggende gebied. Hoge erfafscheidingen direct grenzend aan openbaar toegankelijk gebied worden landschappelijk ingepast (ingroenen). In beplanting uitgevoerde afscheidingen hebben de voorkeur. Erfafscheidingen in openbaar gebied worden altijd uitgevoerd als open hekwerk. Uitwerking: Materiaal, kleur en detaillering zijn per architectonische eenheid identiek. Toepassing van hoogwaardige materialen en detaillering, afgestemd op de oorspronkelijke situatie. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Terrasschermen Ruimtelijke inpassing: In openbaar gebied; indien toegestaan, hoogte passend bij de functie. Schermen blokkeren het (uit)zicht niet. Vormgeving: Oorspronkelijk meeontworpen hekwerken blijven behouden en worden gevolgd. In openbaar gebied; hekwerken minimaal voor 2/3 transparant vormgeven. Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: Eenvoudige en ranke detaillering. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Balustrades en balkonafscheidingen Ruimtelijke inpassing: Bij vervanging blijven de hoogte-breedte verhoudingen gelijk. Bij de ophoging van galerijvloeren e.d. is sprake van een toevoeging van leuningelementen in plaats van het verhogen van een volledige balustrade. Vormgeving: Bij vervanging is het oorspronkelijk ontwerp het uitgangspunt. Hekwerken en balustrades transparant vormgeven (zoals verticale spijlen). Balustrades maken integraal onderdeel uit van de gevelverhouding van een gebouw. Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: Eenvoudige en ranke detaillering. Kleurgebruik passend bij het hoofdgebouw. Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. 6 Zonwering en raambeveiliging Terrasoverkappingen en zonneschermen Ruimtelijke inpassing: De maatvoering van een zonneschermen is afgestemd op het gevelontwerp. Vormgeving: De vormgeving is afgestemd op het gevelontwerp. Uitwerking: De kleur is terughoudend en afgestemd op het hoofdgebouw. Rolluiken en -hekken Ruimtelijke inpassing: Maatvoering afgestemd op de gevelopeningen in het gevelontwerp. Bij monumenten en in beschermde dorpsgezichten is plaatsing aan de buitenzijde niet toegestaan. In alle overige gebieden is plaatsing aan de buitenzijde toegestaan indien dit aan de binnenzijde om aantoonbare (bouwtechnische) redenen onmogelijk is. Vormgeving: Minimaal 75% over de gehele oppervlakte (in gesloten toestand) voorzien van glasheldere doorkijkopeningen. Bij nieuwbouw worden luiken en hekken geïntegreerd in het gevelontwerp. Uitwerking De kleur is terughoudend en is afgestemd op het hoofdgebouw. Rolkast en geleiders worden zijn geheel geminimaliseerd en weggewerkt in de detaillering van het gevelontwerp. De Welstandsnota is vastgesteld op 10-11-2025 door de gemeenteraad.C - BIJLAGEN 1.Algemene uitgangspunten van welstandstoetsing De hier volgende algemene uitgangspunten liggen ten grondslag aan een planbeoordeling die niet kan worden getoetst aan de beeldkwaliteitcriteria zoals omschreven in deel B. De uitgangspunten bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap bij de argumentatie van het welstandsadvies. Toepassing algemene uitgangspunten van wel-standstoetsing In bijzondere situaties, wanneer de Gebiedscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene uitgangspunten van wel-standstoetsing. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De Commissie voor welstand en monumenten’, in Capelle het Q-team genaamd, kan het college van burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de Gebiedscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene uitgangspunten van welstandstoetsing wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daar mee aan begrijpelijkheid en integriteit. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de Gebiedscriteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd worden gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen bijvoorbeeld naar zuilenstructuren, zuilen en/of pilasters van tempels. Transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Er kunnen dan concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgevingen betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door eenvoud verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreek-sen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden helderheid en complexiteit daarom als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Elk bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze eruitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevoelselementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofd-massa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groter. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 2.Excessenregeling Inleiding Bestaande bouwwerken, seizoensgebonden bouwwerken en te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplan-activiteit nodig is horen aan minimale kwaliteitseisen te voldoen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota worden opgenomen. Een omgevingsvergunningvrij bouwwerk wordt echter niet vooraf aan welstandseisen getoetst. Ook ontstaat er geen ‘illegale’ situatie als blijkt dat het opgerichte vergunningsvrije bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Desondanks het bovenstaande zijn er toch bepaalde grenzen aan wat er gebouwd mag worden. Het gaat hier om uitzonderingen, zogenaamde wel-standsexcessen; uitsluitend bij bouwwerken die ‘in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand’ kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde ‘repressieve welstandstoets’ ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden bouwwerken die ernstig uit de toon vallen aan te passen. Het gaat hierbij niet om gebouwen die mooi of lelijk zijn, maar niet als passend worden beschouwd in de omgeving. Deze afweging zal bij monumenten en in bijzondere en beschermde gebieden met een vastgelegde beeldwaarde uiteraard anders liggen dan in reguliere en luwe gebieden. Wettelijk kader Volgens artikel 22.7 van het omgevingsplan kunnen Burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat “in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand” aanschrijven om een dergelijke strijdigheid op te heffen. Concreet kan dit een aanpassing of verwijdering van een bouwwerk of een deel daarvan betekenen. Excessencriteria Er geldt dat bij ernstige strijdig-heid met redelijke eisen van welstand sprake moet zijn van een exces. Een bouwwerk is een exces als een groot deel van de mensen zich aan één of meerdere aspecten van de vormgeving ergert. Dit slaat op een duidelijk waarneembare buitensporigheid in het uiterlijk, die ook voor niet deskundigen overduidelijk is. Dit heeft hoofd-zakelijk betrekking op: Het visueel of fysiek afslui-ten van een bouwwerk voor de omgeving waarin het zich bevindt. Het ontkennen of vernieti-gen van architectonische bijzonderheden bij aanpas-sing van een bouwwerk. Armoedig materiaalgebruik. Toepassing van felle of contrasterende kleuren. Te opdringerige reclames of reclames die een grove inbreuk maken op wat in de omgeving gebruikelijk is. Ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouw-werk. Bijlage 3.Gebiedstype beschrijvingen Er zijn gebieden waar een specifieke karakteristieke uitstraling of een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten) van kracht is. Bouwopgaven in deze gebieden hebben hoge mate van invloed op de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het realiseren van bouwplannen wordt in goede banen geleid indien het bouwplan wordt getoetst aan Gebiedscriteria. Bijgaand zijn de gebiedsbeschrijvingen gevoegd die ten grondslag liggen aan de Gebiedsciteria en als ondersteuning bieden voor de beeldvorming. De 12 Gebiedscriteria in Capelle aan den IJssel: Historische dijklinten Historische polderlinten Planmatige woongebieden Individuele bouw Hoogbouw Architectonische ensembles Bedrijven en Kantoorlocaties Winkelcentra en Publieke voorzieningen Grootschalige bebouwing in het groen Historische landschappen en Begraafplaatsen Groenstructuren, Sport- en Recreatiegebieden Hoofdstructuren (wegen, water, spoor & metro) 1 Historische dijklinten Algemeen Dijklinten bevinden zich langs de grote rivieren. Kenmerkend is het hoogteverschil, de positie van de bebouwing ten opzichte van de dijk en de dichtheid van de bebouwing. Vanaf 1200 wordt Capelle aan den IJssel omdijkt en ontstonden er dijklinten. Er is een onderscheid te maken tussen de verschillende dijklinten in Capelle aan den IJssel. In Capelle was men genoodzaakt zich op of aan de voet van de dijk te vestigen, vanwege overstromingsgevaar in het achterland. De oeverwallen langs de Hollandsche IJssel zijn verschillend in breedte, zodat men zich niet alleen op of aan de dijk kon vestigen, maar tevens verder van de dijk af. De laatste jaren zijn veel dijken langs de grote rivieren verhoogd en verlegd in het kader van de dijkverbetering. In sommige gebieden worden dijken doorgestoken als bufferruimte voor de afvoer van rivierwater. Tussen de dijklinten bestaat verschil in dichtheid en in beleving van open- of beslotenheid. Op sommige plekken zijn nederzettingen en buurtschappen ontstaan en op andere is het dijklint juist landelijk gebleven. Om deze verschillen in dijk-linten te accentueren worden verschillende wel-standseenheden onderscheiden. In Capelle aan den IJssel is verschil gemaakt in ‘dorpse dijklinten’, ‘uitlopers/buurtschappen’ en ‘landelijke dijklinten’. Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. Dorpse dijklinten In Capelle aan den IJssel is het dijklint van de oude kern Capelle aan den IJssel een dorps dijklint (Dorpsstraat en de Kerkweg). Dorpse dijklinten worden gevormd door een fysieke verdichting in bebouwing en een visuele verdichting in het beeld. Historische dorpsgebieden zijn ontstaan als een verdichting van de dijklinten. In deze verdichtingen vestigden zich naast de agrarische functie ook de dienstverlenende en maatschappelijke functies. Het dijklint van de oude kern Capelle aan den IJssel is een dorps dijklint. Dorpsstraat en Kerklaan De bebouwing aan de Dorpsstraat en de Kerklaan vormen twee gesloten wanden langs de dijk en de weg. Veel van de woningen aan de Dorpsstraat zijn recht op de dijk gezet waardoor er geringe rooilijnverspringingen ontstaan. De bebouwing bestaat uit staafvormige panden, die van dakvorm, nok en goothoogte sterk van elkaar verschillen. De bouwhoogte van de woningen is 1,5 tot 2 lagen met een kap. In het centrumgebied komen er verschillende kappen voor als mansardekap, schilddak of zadeldak. Het kleur- en materiaalgebruik in het centrumgebied loopt uiteen van wit pleisterwerk tot bakstenen. De voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in een boven- en onderstuk. Het onderstuk is meestal niet symmetrisch, bij sommige woningen is het bovenstuk in zijn geheel symmetrisch. De gevels zijn op veel plaatsen sierlijk vormgegeven met klok-, trap- en lijstgevels. De gevels zijn op veel plaatsen sierlijk vormgegeven met details als muurankers, muurschotels, rollagen, strekken, windveren en gootlijsten. Sommige gevels zijn zeer opvallend door hun witte speklagen. De Dorpsstraat kent een smal wegprofiel evenals de Kerklaan die haaks op de Dorpsstraat ligt. De Dorpsstraat en de Kerklaan wordt gedomineerd door de hoge toren van de kerk en heeft een directe relatie met de dijk en de rivier. Uitloper/buurtschappen In Capelle aan den IJssel ligt de uitloper van het dijklint ligt aan de Dorpsstraat, een gedeelte van de Nijverheidstraat en de Ketensedijk. De uitlopers van dijklinten zijn kleine clusters van bebouwing, soms op de kruin en soms aan de voet van de dijk gelegen; soms direct aan de kern, als uitloper van de verdichting in de dorpskern en soms als buurtschap solitair aan de dijk. Dorpsstraat, Nijverheidstraat en Ketensedijk De uitlopers van de dijklinten zijn nog goed aanwezig in het landschap. De lange uitlopers vormen dichtbij de oude kern aaneengesloten bebouwing en verder van de kern vrijstaande bebouwing. Onder aan de dijk liggen vrijstaande woningen al dan niet met een agrarische functie. De hoofd-bouwmassa’s verschillen van staafvormige boerde-rijachtige woningen tot kleinere staaf- en blokvormige woningen. Deze woningen hebben veelal een bouwhoogte van 1,5 tot 2 bouwlagen. De nok- en goothoogte van de bebouwing varieert sterk in het dijklint. In de uitlopers komen verschillende kap-vormen voor als een zadeldak, een mansardekap en een schilddak. De diversiteit is enorm, zowel in hoofdvorm, kleur- en materiaalgebruik, als in positie en richting. De bebouwing bestaat uit traditionele materialen als baksteen en rode of grijze dakpannen. Toegepaste kleuren zijn wit en (stand) groen. De panden zijn vaak rijkelijk gedetailleerd met details als windveren, gootlijsten, speklagen en dergelijke. Bij de recente invulling zijn het juist deze eenvoudige ambachtelijke en fijnzinnige middelen die ontbreken. Tevens zijn er erg grote dakkapellen geplaatst op sommige dakvlakken van historische woning, hierdoor wordt het beeld enigszins verstoord. Landelijke dijklinten In Capelle aan den IJssel ligt het landelijke dijklint aan een gedeelte van de Nijverheidstraat. Landelijke dijklinten bestaan uit overwegend vrijstaande bebouwing. Deze kan van oorsprong een relatie hebben met het water of het achterliggende agrarische gebied. Hierdoor bevinden zich aan de dijklinten zowel (voormalige) agrarische bebouwing als eenvoudige arbeiders- en visserswoningen. De bebouwing staat overwegend op een behoorlijke afstand van elkaar. In een aantal gevallen staan enkele gebouwen dichter bij elkaar. Het beeld van een landelijk dijklint wordt echter gekenmerkt door een zekere openheid. Deze wordt versterkt door de situering van de bebouwing (overwegend) aan de voet van de dijk. De Nijverheidstraat Dit dijklint heeft veelal een open karakter met doorkijkjes naar het achterland. De bebouwing in dit gebied bestaat uit staafvormige agrarische bouwmassa’s en kleinere staafvormige bouwmassa’s. Deze liggen binnendijks aan de voet van de dijk. Net als in de uitlopers is ook in het landelijke dijklint de diversiteit enorm, zowel in hoofdvorm, kleur en materiaalgebruik, als in positie en richting. De bebouwing bestaat uit traditionele materialen als baksteen, rode of grijze dakpannen en riet. Toegepaste kleuren zijn wit en (stand)groen. De (historische) boerderijen zijn vaak gedetailleerd met details als windveren, gootlijsten, muurankers en speklagen. 2 Historische polderlinten Algemeen Polderlinten worden gekenmerkt door langgerekte landschappelijke lijnen met bebouwing in verschillende dichtheden. Capelle aan den IJssel is verkaveld en in cultuur gebracht vanaf de oeverwallen van de rivier de Lek en de Hollandsche IJssel, later gevolgd door binnenwaartse nederzettingen langs de weteringen: de polderlinten. De bebouwing aan het polderlint heeft overwegend dezelfde richting als de verkaveling. De dichtheid en de beleving van open- dan wel beslotenheid van bebouwing in de polderlinten verschilt. Soms zijn er nederzettingen aan de linten ontstaan. Om deze verschillen in polderlinten te accentueren worden verschillende welstandseenheden onderscheiden. In Capelle aan den IJssel is verschil gemaakt in ‘dorpse polderlinten‘, ‘uitlopers / buurtschappen’ en ‘landelijke polderlinten‘. Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. Uitlopers van en buurtschappen in het polder-lint De uitlopers van polderlinten zijn kleine clusters van bebouwing soms direct aan de kern, als uitloper van de verdichting in de dorpskern en soms als buurtschap solitair aan het lint. In Capelle aan den IJssel zijn de Kerklaan, De Ruyterstraat, de Trompstraat, de Piet Heinstraat, de Kanaalweg, Capelseweg, Goudenregenstraat, ’s-Gravenweg en de Bermweg uitlopers van het polderlint. De Kerklaan De Kerklaan ligt haaks op het dijklint en loopt door tot de oude kern van Capelle aan den IJssel. De kleinschalige bebouwing is gesitueerd op de kop van het kavel, aan de weg en een oude wetering. De bebouwing in het lint is divers, maar heeft een duidelijke richting. Kenmerkend voor de Kerklaan is de woonbebouwing met een expressionistische architectuurstijl. Deze bebouwing is in de jaren ‘20/30 in veel polderlinten gebouwd. De bebouwing vormden als het ware de eerste uitbreidingen van de kern. Deze woningen hebben veelal een bouwhoogte van 1,5 tot 2 bouwlagen met een variërende nok- en goothoogte. In deze uitlopers komen verschillende kapvormen voor zoals een mansardekap, een zadelkap en een schildkap. Alle kapvormen hebben een ruime overstek. De Kerklaan heeft een breed wegprofiel. Op de foto zijn een aantal woningen te zien met een verticale geleding. De hoofdmassa staat in een rechte rooilijn ten opzichte van de weg. De woningen zijn opgebouwd uit donker rode bakstenen en hebben witte Oud Hollandse kozijnen De Ruyterstraat, de Trompstraat en de Piet Hein-straat De Piet Heinstraat en De Ruyterstraat liggen haaks op de dijk, de Nijverheidstraat. De Trompstraat verbindt deze twee polderlinten met elkaar. De woningen zijn op de kop van de kavel gesitueerd en hebben geen voortuin. Ook hier is de bebouwing gegroeid en erg divers. In de linten komt woonbebouwing met een expressionistische architectuur-stijl voor. De woningen in de linten hebben veelal een bouwhoogte van 1 tot 1,5 bouwlagen met een variërende nok- en goothoogte. In deze uitlopers komen verschillende kapvormen voor zoals een mansardekap en een zadelkap en een schildkap. Deze woningen beschikken over kappen met een ruime overstek. Het kleur- en materiaalgebruik is uiteenlopend van donkere en lichte bakstenen tot wit pleisterwerk. Boven de kozijnen zijn er rollagen en strekken aangebracht in de gevel. Sommige woningen hebben klokgevels. Door het gebruik van verschillende kleurstellingen in de voorgevel is de eenheid van het woongebied enigszins aangetast. De Kanaalweg, Capelseweg, ’s-Gravenweg en de Bermweg uitlopers van het polderlint. De bebouwing in deze polderlinten zijn gesitueerd op de kop van de kavel, aan het polderlint. Er is hier sprake van een zekere verdichting in het lint en vormt hierdoor een buurtschap. In deze linten komen hoofdzakelijk niet-agrarische bebouwing voor. De bebouwingsvorm is divers, maar heeft een duidelijke richting. Ook de kapvormen variëren sterk. Naast zadeldaken komen er mansardekap-pen voor. Ook hier is de expressionistische architectuurstijl bij woonbebouwing kenmerkend voor de uitl

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.