Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2026De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2025 (raadsvoorstel nr. 25bb006556/25bo007415); 25bb006568; gelet op de artikelen 154, 156, tweede lid, onderdeel h, 216, 225, 234 en 235 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; overwegende dat: de heffing en invordering van parkeerbelastingen en de parkeerregulering bij verordening worden geregeld; besluit: Artikel1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijf: natuurlijk persoon of rechtspersoon, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; bedrijfsurenvergunning: vergunning verleend aan een bedrijf voor het parkeren van voertuigen van bezoekers dan wel medewerkers zonder bedrijfsparkeervergunning voor een maximaal aantal uren per maand; bezoekersvergunning: vergunning verleend aan een bewoner ten behoeve van bezoekers; centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Rotterdam een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam; dag: periode van 00.00 uur tot en met 23.59 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig wordt beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het kentekenregister, bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994 als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het kentekenregister stond ingeschreven; mantelzorgvergunning: vergunning verleend aan een hulpbehoevende bewoner ten behoeve van zijn mantelzorg; motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met inbegrip van brommobielen; parkeerapparatuur: parkeerautomaten, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting voor het overige onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerplaats bij parkeerapparatuur: weggedeelte bestemd voor het parkeren van een motorvoertuig, waarbij parkeerapparatuur is opgesteld, of dat op andere wijze onder de werkingssfeer van parkeerapparatuur is gebracht; parkeerplaats voor belanghebbenden: weggedeelte aangeduid door het zonale bord E9 van Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, al dan niet voorzien van een onderbord, waarop uitsluitend geparkeerd mag worden door een vergunninghouder; parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; vergunning: door het college verleende toestemming om een motorvoertuig te parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur of op parkeerplaatsen voor belanghebbenden, met een voor dat doel verstrekte informatiedrager of kenteken; vergunninghouder: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend. Artikel2Het verlenen van een vergunning 1.Het college kan op een aanvraag, een vergunning verlenen voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur of parkeerplaatsen voor belanghebbenden. 2.Een vergunning wordt verleend voor een jaar, met stilzwijgende verlenging van telkens één jaar. 3.Een vergunning vermeldt ten minste: naam en adres van de vergunninghouder en het kenteken van het motorvoertuig van de vergunninghouder; het gebied, het weggedeelte of de weggedeelten waarop de vergunninghouder met zijn motorvoertuig mag parkeren; de geldigheidsduur van de vergunning. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot: het verlenen, intrekken en weigeren van vergunningen; de geldigheid van vergunningen; het gebruik van vergunningen. Artikel3Overschrijven en aanpassen van de vergunning 1.De vergunning is niet aan anderen overdraagbaar, met uitzondering van personen die deel uitmaken van het huishouden van de vergunninghouder en op hetzelfde adres als de vergunninghouder woonachtig en ingeschreven zijn. 2.Indien de vergunninghouder het motorvoertuig vervangt door een ander motorvoertuig, kan het college op verzoek de vergunning aanpassen. Artikel4Verbodsbepaling 1.Het is verboden enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan op een parkeerplaats bij parkeerapparatuur of op een parkeerplaats voor belanghebbenden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. 3.Het is verboden zonder vergunning of in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften op een parkeerplaats voor belanghebbenden te parkeren. 4.Overtreding van het eerste of het derde lid wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel5Belastbaar feit Onder de naam parkeerbelasting worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van een verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze; een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening door het college te bepalen aangewezen plaats, tijdstip en wijze. Artikel6Belastingplicht 1.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. 2.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3.Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; de houder van het motorvoertuig, zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 5, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat: indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huur- of leaseovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren de huurder of gebruiker van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder of gebruiker wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 4.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, wordt niet geheven van de houder van het motorvoertuig als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren tegen zijn wil een ander van het motorvoertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Artikel7Maatstaf van heffing, belastingtarieven, belastingtijdvak en de straten waarop deze van toepassing zijn Met betrekking tot de belasting, bedoeld in artikel 5, onderdeel b, worden de maatstaf van heffing, het belastingtarief, het belastingtijdvak en de straten waarop deze van toepassing zijn, vermeld in het door het college, op grond van artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet vastgestelde Tarievenoverzicht straatparkeren Rotterdam. Artikel8Wijze van heffing 1.De belasting, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, wordt geheven via een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waartoe ook wordt gerekend een nota of een ander document. 2.De belasting, bedoeld in artikel 5, onderdeel b, wordt geheven via voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij aanvang van parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college vastgestelde Tarievenoverzicht straatparkeren Rotterdam. 3.Bij de voldoening op aangifte wordt het kenteken opgegeven van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt. Artikel9Tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld 1.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 2.Een bezoekersvergunning, mantelzorgvergunning of bedrijfsurenvergunning wordt in parkeereenheden afgenomen die naar evenredigheid en gebruik worden afgerekend. 3.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. 4.Indien de vergunning, bedoeld in artikel 2, in de loop van een jaar wordt verleend of beëindigd, is het tarief naar evenredigheid verschuldigd, gerekend van de eerste dag van de maand volgend op de datum van verlening, dan wel tot de eerste dag van de maand na beëindiging. Artikel10Termijnen van betaling 1.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, wordt betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, dan wel de binnen de bij schriftelijke kennisgeving gestelde termijn. 2.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, waarvan het tarief per kalenderjaar is vastgesteld, kan tevens door middel van automatische incasso in vier kalenderkwartalen worden betaald. 3.De belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, wordt overeenkomstig de aangifte betaald bij de aanvang van het parkeren. 4.Indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer, wordt de belasting overeenkomstig de aangifte betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren. 5.Indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt met een bezoekersvergunning, mantelzorgvergunning of een bedrijfsurenvergunning, wordt de belasting overeenkomstig de aangifte betaald door middel van automatische incasso per kalenderkwartaal. 6.Een naheffingsaanslag wordt onmiddellijk betaald. Artikel11Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaats 1.De aanwijzing van de plaats, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belastingen, bedoeld in artikel 5, kan worden geparkeerd, geschiedt bij besluit van het college. 2.Het eerste lid geldt ook voor de vergunning voor het parkeren op parkeerplaatsen voor belanghebbenden. Artikel12Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1.Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag over de belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, kan aan het motorvoertuig een wielklem worden aangebracht. 2.Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast. 3.Indien na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken, kan het motorvoertuig worden overgebracht en in bewaring worden gesteld. Artikel13Kosten 1.De kosten van de naheffingsaanslag van de belasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, worden vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.De kosten van het aanbrengen en het verwijderen van de wielklem, als bedoeld in artikel 12, worden vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 3.Het bedrag, genoemd in de bijbehorende tarieventabel, van de op grond van het tweede lid in rekening te brengen kosten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Artikel14Nadere regels door het college 1.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en invordering van de parkeerbelastingen. 2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de parkeerbelasting, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, moet worden betaald. Artikel15Intrekking en overgangsrecht De Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2025 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2026 hebben voorgedaan. Artikel16Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.