Verordening Zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing Delfland 2026De Verenigde Vergadering van Delfland, op voordracht van dijkgraaf en hoogheemraden van dinsdag 28 oktober dossiernummer 3561 gelezen het positieve advies van de commissie Bestuur, Financiën en Organisatie van donderdag 13 november; Gelet op artikel 5.23 lid 2 van de Waterwet en de artikelen 77 en 83 van de Waterschapswet; Overwegende Het tarief dat voor de verontreinigingsheffing en de zuiveringsheffing wordt gehanteerd, gebaseerd is op de begroting 2026. Voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing vanaf 1 januari 2026 een nieuwe verordening nodig is. Besluit: De de Verordening Zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing Delfland 2026 vast te stellen: Verordening zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing Delfland 2026 Hoofdstuk1Inleidende bepalingen Artikel1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: afvoeren: brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap; bedrijfsruimte: naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool; heffingsambtenaar: de daartoe aangewezen ambtenaar van de door het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling De Regionale Belasting Groep aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet; heffingsjaar: kalenderjaar; ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; lozen: het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap; openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna; stedelijkafvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater; stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen; waterschap: het Hoogheemraadschap van Delfland; watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; woonruimte: ruimte die gezien zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen gezien de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; zuiveringtechnisch werk: werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, of een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater. Artikel2Bijlagen Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen: bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening; bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet; De in bijlage I genoemde normbladen worden bekendgemaakt door terinzagelegging op het kantoor van het waterschap aan de Phoenixstraat 32 te Delft. a.Hoofdstuk 2 De zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing Artikel3Belastbaar feit en heffingsplicht 1.Als dekking van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuivering technisch werk. 2.Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een heffing ingesteld voor lozen. De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem van het waterschap 3.Aan de heffing worden onderworpen: als het gaat om een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; als het gaat om lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie dat openbaar vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk in beheer is; als het gaat om andere situaties dan als bedoeld in onderdeel a of b: degene die afvoert of loost. 4.Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, is heffingplichtig: in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de heffingsambtenaar is aangewezen; in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik: degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld. 5.Als stoffen met behulp van een openbaar vuilwaterriool worden afgevoerd, is degene bij wie dat openbaar vuilwaterriool in beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op het openbaar vuilwaterriool heeft gebracht aan een zuiveringsheffing onderworpen. 6.Het afvoeren door het Hoogheemraadschap van Delfland is vrijgesteld van de heffing. 7.Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld: lozingen die plaatsvinden met behulp van een openbaar vuilwaterriool; lozingen van stoffen vanuit een zuiveringtechnisch werk door het waterschap zelf; lozingen van stoffen afkomstig uit een zuiveringtechnisch werk anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen niet is toegenomen. 8.De opbrengst van de zuiveringsheffing kan ook worden besteed: aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met de zuivering van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden; aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken om een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen; aan het doen van uitgaven ter beperking van de afvoer van hemelwater op een zuiveringtechnisch werk of op een openbaar vuilwaterriool; aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van de zuivering van afvalwater en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. Artikel4Grondslag en heffingsmaatstaf 1.Voor de heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd of geloosd. 2.Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd of geloosd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden. 3.Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt voor: het zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof; gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink: 1,00 of hoger kilogram; gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 of hoger kilogram; gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 of hoger kilogram; gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 of hoger kilogram; gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 of hoger kilogram. 4.Het zuurstofverbruik van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd of geloosd, wordt bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal organisch koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal stikstof verminderd met de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof in de stoffen, zoals voorgeschreven in Bijlage 1. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde of geloosde stoffen. 5.Het aantal vervuilingseenheden voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage 1. 6.De stoffen zilver, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de zuiveringsheffing onderworpen. 7.De stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de verontreinigingsheffing onderworpen. Artikel5Afwijkende verhouding chemisch zuurstofverbruik en totaal organisch koolstof 1.Als de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde of geloosde stoffen in het kalenderjaar lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt op aanvraag van de heffingplichtige op zijn kosten, respectievelijk ambtshalve door de heffingsambtenaar op kosten van de betrokken beheerder, de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde of geloosde stoffen in afwijking van artikel 4, vierde lid, tweede volzin, gedeeld door tweeënhalf respectievelijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie. 2.De verhouding in het kalenderjaar tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof wordt bepaald door meting, bemonstering en analyse volgens de in artikelen 6 en 7 opgenomen voorschriften. Wanneer op grond van artikel 7 door de heffingsambtenaar is ingestemd met meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen, dan wordt de in deze etmalen vastgestelde verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof representatief gevonden voor het gehele kalenderjaar. 3.De heffingsambtenaar beslist op een in het eerste lid bedoelde aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking en neemt daarin in elk geval voorschriften op over: een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen die in het onderzoek worden betrokken; de tijdvakken waarin meting en bemonstering plaatsvinden, óf ieder etmaal van die tijdvakken, óf één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan; de manier waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot de verhouding in het kalenderjaar tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof over het heffingsjaar. 4.De heffingsambtenaar kan het besluit op aanvraag en de in het vorige lid bedoelde voorschriften opnemen in de beschikking als bedoeld in artikel 6, zesde lid of artikel 7, eerste lid. 5.Een op basis van dit artikel bepaalde afwijkende verhouding geldt met ingang van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar tot het heffingsjaar waarin dit artikel door de heffingplichtige of door de heffingsambtenaar opnieuw wordt toegepast. 6.De heffingplichtige meldt veranderingen in de bedrijfsomstandigheden, die aanleiding kunnen geven tot een wijziging in de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde of geloosde stoffen in het kalenderjaar, direct bij de heffingsambtenaar. 7.De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde of geloosde stoffen in het kalenderjaar, de beschikking waarom het gaat, bedoeld in het derde lid, ambtshalve dan wel op verzoek van de heffingplichtige wijzigen of intrekken, als deze veranderingen leiden tot een andere verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde of geloosde stoffen in het kalenderjaar dan in die beschikking is opgenomen. 8.De heffingsambtenaar neemt zijn beslissing, bedoeld in het zevende lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel6Meting, bemonstering en analyse 1.Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en niet-zuurstofbindende stoffen wordt berekend door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening vinden zo plaats dat de in Bijlage 1 opgenomen voorschriften worden nageleefd. 2.De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse vinden ieder etmaal van het heffingsjaar plaats, tenzij artikel 7 wordt toegepast. 3.De meting, bemonstering en analyse vinden zo plaats dat: de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit de bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan wordt afgevoerd of geloosd. 4.De heffingplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor het begin van het heffingsjaar ter kennis van de heffingsambtenaar. Als de apparatuur in de loop van het heffingsjaar in gebruik wordt genomen of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de heffingsambtenaar gebracht. 5.De heffingsambtenaar: kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering plaatsvinden in afwijking van één of meer van de in Bijlage 1, onderdeel A, opgenomen voorschriften, als deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b; beslist op aanvraag van de heffingplichtige, dat meting en bemonstering kunnen plaatsvinden in afwijking van een of meer van de in Bijlage 1, onderdeel A, opgenomen voorschriften, als de heffingplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b; beslist op aanvraag van de heffingplichtige, dat kan worden afgeweken van de in Bijlage 1, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, als de heffingplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed; kan over de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere voorschriften geven. 6.De heffingsambtenaar neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: de voorschriften van Bijlage 1, onderdelen A en B, waarvan wordt afgeweken; de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c; de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d; een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven. 7.De heffingsambtenaar kan twee of meer op grond van het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op dezelfde heffingplichtige, in één brief samenvoegen. 8.De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde of geloosde, respectievelijk af te voeren stoffen, de op grond van het vijfde lid genomen beschikkingen, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde lid. Artikel7Beperkte meting, bemonstering en analyse 1.Op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens die door meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de heffingsambtenaar dat meting en bemonstering plaatsvinden in afwijking van het bepaalde in artikel 6, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen die in het onderzoek worden betrokken; de tijdvakken waarin meting en bemonstering plaatsvinden, óf ieder etmaal van die tijdvakken, óf één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan; de manier waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een daar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar; een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven. 2.De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde of geloosde, respectievelijk af te voeren stoffen, de beschikking waarom het gaat, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, als toepassing van berekeningsvoorschrift C.2 van onderdeel C van Bijlage 1 leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen. 3.De heffingsambtenaar neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel8Hoedanigheidscorrectie 1.Op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik als bedoeld in artikel 3, vierde lid, in belangrijke mate wordt beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, besluit de heffingsambtenaar dat op die uitkomst een correctie wordt toegepast. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: de wijze van berekening van de correctie; de samenstelling van het afvalwater waarop de correctie van toepassing is; de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting, bemonstering en analyse. 2.De heffingsambtenaar kan het besluit op aanvraag en de in het vorige lid bedoelde voorschriften opnemen in de beschikking als bedoeld in artikel 6, zesde lid of artikel 7, eerste lid. 3.De aanvraag, het onderzoek en de berekening van de correctie geschieden met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen in onderdeel D van Bijlage 1. Artikel9Tabel afvalwatercoëfficiënten 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, wordt het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan vastgesteld met behulp van de in Bijlage 2 opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, mits door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal met de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald. 2.Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule: A x B, waarbij, A = het aantal m3 in het kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water; B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse 8 van de in Bijlage 2 opgenomen tabel of als de heffingplichtige of de heffingsambtenaar doet blijken dat een andere klasse dan 8 van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in Bijlage 2 opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde van het zuurstofverbruik per m3 voor de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen. 3.Als de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld met watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de heffingsambtenaar die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze. 4.De vervuilingswaarde van het zuurstofverbruik per m3 als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. 5.Als het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan de uitkomst van de berekening op de voet van artikel 6, eerste lid, beslist de heffingsambtenaar bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel. 6.De heffingplichtige meldt veranderingen in de bedrijfsomstandigheden, die aanleiding kunnen geven tot een wijziging in de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water, direct bij de heffingsambtenaar. Artikel10Heffingsvrije grens 1.Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 5 tot en met 9, te vermenigvuldigen met 0,0162. 2.Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 5 tot en met 9, te vermenigvuldigen met 0,0027. Artikel11Meetverplichting niet-zuurstofbindende stoffen 1.Als de vervuilingswaarde voor de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 6: het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld, tenzij de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 10, eerste lid, bedoelde aftrek te boven gaat; het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 10, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat. 2.Als de vervuilingswaarde van de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 6: het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, als de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 10, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat; het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, als de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 10, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat. Artikel12Vervuilingswaarde tuinbouwkassen 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd of geloosd vanuit een bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, gesteld op drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden. 2.Als in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de heffingplichtige begint of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte of dat onderdeel, voor een evenredig gedeelte aan de heffing onderworpen. 3.Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het eerste of tweede lid van minder dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld. Artikel13Totale vervuilingswaarde bedrijfsruimte De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend volgens de artikelen 6 tot en met 12, voor zover deze van toepassing zijn. Artikel14Vervuilingswaarde kleine bedrijfsruimten 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte worden afgevoerd of geloosd, gesteld op drie vervuilingseenheden wanneer door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid wanneer door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt. 2.De heffing voor het afvoeren of lozen vanuit bedrijfsruimten als bedoeld in het eerste lid is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij het begin van de heffingsplicht. 3.Als de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingplichtige kan daartoe binnen zes weken na afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar, binnen zes weken na het einde van de heffingsplicht een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar. Artikel15Vervuilingswaarde woonruimten 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd of geloosd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd of geloosd bedraagt één vervuilingseenheid. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat zo wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte. 3.Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag volgend op de dag waarin die situatie is ontstaan. Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op één vervuilingseenheid vastgesteld. 4.Als de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat na de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingplichtige kan daartoe binnen zes weken nadat de situatie is ontstaan een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar. 5.De heffing voor woonruimten als bedoeld in het eerste lid is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij het begin van de heffingsplicht. 6.Wanneer de heffingsplicht als bedoeld in het vijfde lid in de loop van het heffingsjaar begint, is de heffing verschuldigd voor een evenredig aantal kalenderdagen dat er in het heffingsjaar, na het begin van de heffingsplicht, nog overblijft. De dag van inschrijving in de basisregistratie personen geldt in dat geval als de datum waarop de heffingsplicht aanvangt. 7.Wanneer de heffingsplicht als bedoeld in het vijfde lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor een evenredig aantal kalenderdagen dat er in het heffingsjaar, na het einde van de heffingsplicht, nog overblijft. De dag vóór die van uitschrijving uit de basisregistratie personen geldt in dat geval als de datum waarop de heffingsplicht eindigt. 8.Als de in het zevende lid bedoelde situatie ontstaat na de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op ontheffing. De heffingplichtige kan daartoe binnen zes weken nadat de situatie is ontstaan een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar. 9.Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing als de heffingplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct aansluitend binnen het waterschap het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens wordt afgevoerd of geloosd. Artikel16Schatting De heffingsambtenaar kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk schatten wanneer door de heffingplichtige: de meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel heeft plaatsgevonden volgens de in deze verordening en Bijlage 1 opgenomen voorschriften; het aantal vervuilingseenheden niet is berekend door meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 9, eerste of vijfde lid, 11, eerste lid, 13, eerste lid, en 14, eerste lid, niet mogelijk is; het aantal vervuilingseenheden niet is berekend door meting, bemonstering, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 9, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in dat artikel is gedaan; niet of niet geheel is voldaan aan de voorschriften, verbonden aan het in artikel 5, 6, 7 of 8 bedoelde besluit. Artikel17Tarief Het tarief bedraagt € 115,33 per vervuilingseenheid. b.Hoofdstuk 3 Heffing en invordering Artikel18Wijze van heffing en termijnen van betaling 1.De heffing wordt geheven bij wege van aanslag. 2.De aanslag bedoeld in artikel 4 is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 3.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan de aanslag, indien deze het bedrag van € 15.000,00 niet te boven gaat, op verzoek van de belastingschuldige door middel van automatische incasso worden ingevorderd in maximaal 10 gelijke maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4.Het minimum termijnbedrag bij automatische incasso bedraagt € 15,00. Artikel19Aangifte 1.Het uitnodigen tot het doen van aangifte gebeurt door het uitreiken of toesturen van een aangiftebiljet of een aangiftebrief. 2.Het doen van aangifte gebeurt door het inleveren of toesturen van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde documenten of het op elektronische wijze toesturen van de door de programmatuur gevraagde gegevens. c. Artikel20Niet opleggen van aanslagen 1.Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet opgelegd. 2.Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt. 3.Het bepaalde in dit artikel geldt alléén voor aanslagen vastgesteld als gevolg van artikel 18, eerste lid. d. Artikel21Nadere regels Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering. e.Hoofdstuk 5 Slotbepalingen f. Artikel22Inwerkingtreding, citeertitel en intrekking huidige verordening 1.De “Verordening zuiveringsheffing Delfland 2025” wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.De “Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2025” wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 3.Deze verordening, die kan worden aangehaald als “Verordening Zuiverings- en verontreinigingsheffing Delfland 2026”, treedt, met de daarbij behorende bijlagen I (Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening) en II (Tabel afvalwatercoëfficiënten), in werking na bekendmaking, doch niet eerder dan 1 januari 2026. 4.De in bijlage I genoemde normbladen worden bekendgemaakt door terinzagelegging op het kantoor van het waterschap aan de Phoenixstraat 32 te Delft. BijlageIbehorende bij de Verordening Zuiverings- en verontreinigingsheffing Delfland 2026 Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening Inhoudsopgave Definitiebepalingen A. Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling Paragraaf A.1 Algemeen Paragraaf A.2 Meting A.2.1 Doorstroomsnelheid A.2.2 Inbouw en instellingen debietmeter A.2.3 Verificatie (controle debietmeter) A.2.4 Verificatierapport A.2.5 Kalibratie (controle meetsysteem) A.2.6 Kalibratiecertificaat Paragraaf A.3 Bemonstering Paragraaf A.4 Monsterbehandeling A.4.1 Algemeen A.4.2 Conservering en maximale bewaartermijn B. Analysevoorschriften Paragraaf B.1 Algemeen Paragraaf B.2 Analyse C. Berekeningsvoorschriften Paragraaf C.1 Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden Paragraaf C.2 Berekeningswijze van het aantal etmalen Paragraaf C.3 Correctie ingenomen oppervlaktewater D. Hoedanigheidscorrectie (artikel 7) Paragraaf D.1 De aanvraag Paragraaf D.2 Het onderzoek Paragraaf D.3 De berekening D.3.1 Toxiciteit Paragraaf D.4 De frequentie Definitiebepalingen In deze bijlage wordt verstaan onder: aantoonbaarheidsgrens: de laagste concentratie van een component in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden vastgesteld, zijnde driemaal de spreiding van binnen laboratoriumreproduceerbaarheid; bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het nemen van het etmaalverzamelmonster en de conserveringstermijn; conserveringstermijn: de periode tussen het nemen van het monster en het zekerstellen van het gehalte, zijnde het begin van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse; debiet: de hoeveelheid volume afgevoerd of geloosd afvalwater gedurende het etmaal; debietmeter: vloeistofmeter waarmee (bijvoorbeeld met magnetische inductie) het debiet gemeten wordt; etmaal: een aaneengesloten periode van 24 uur; etmaalverzamelmonster: een verzamelmonster dat wordt samengesteld in een etmaal; gesloten meetsysteem: systeem dat het debiet meet in een gesloten (druk)leiding waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht; ingesteld meetbereik: het meetbereik waarop een debietmeter is ingesteld; in-situ kalibratie: een kalibratie in ingebouwde toestand in het bestaande meetsysteem; justeren: het softwarematig aanpassen van (een) correctiefactor(en)/meterconstante(n)/het nulpunt; kalibreren: bepalen van de afwijking van een debietmeter ten opzichte van de van toepassing zijnde standaard waarbij een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter/het meetsysteem wordt geleid; meetbereik: totale bereik van de debietmeter (zoals opgegeven door de fabrikant); meetcyclus: de specifieke opstelling en procedure die wordt gebruikt om nauwkeurige metingen te verrichten, met inbegrip van de fysieke opstelling van de meetapparatuur, de kalibratie van de instrumenten en het verzamelen en analyseren van de gemeten data; momentaan debiet: de actuele hoeveelheid water; normale bedrijfsomstandigheden: de operationele omgeving waarbij sprake is van omstandigheden waaronder de debietmeter normaal functioneert; open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht; referentiemeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van een aangewezen instantie als bedoeld in artikel 12 van de Metrologiewet; verificatie: het controleren van een debietmeter door het elektronisch nabootsen van het meetsignaal; verzamelmonster: monster dat is samengesteld in een vooraf vastgestelde periode dat wordt verkregen door (deel)monsters die op basis van volume of tijd zijn genomen; werkgebied: het meetbereik van de te verifiëren en/of te kalibreren debietmeter onder normale bedrijfsomstandigheden. A. Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling Paragraaf A.1 Algemeen In deze paragraaf worden enkele voorschriften gegeven die gelden bij de wijze van meting, de wijze van monstername en –behandeling. Hierbij gelden de volgende algemene eisen: De meet- en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet- en monsternemingstoestellen en hulpmiddelen worden volgens onderstaande bepalingen respectievelijk NEN 6600-1:2019 nl geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd. Voor het bepalen van de hoeveelheid afvalwater is meting met een gesloten meetsysteem in beginsel de toe te passen methode. In paragraaf A.2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf A.3 op de bemonstering. In paragraaf A.4 wordt nader ingegaan op de monsterbehandeling. Paragraaf A.2 Meting Meting heeft tot doel de hoeveelheid afvalwater per etmaal (het debiet) vast te stellen. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten. Als het niet mogelijk is om het debiet in de afvalwaterstroom te meten kan het debiet in plaats daarvan worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van de bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan. In het laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde of geloosde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water. Afvalwater kan zowel onder druk (met pompen) of onder vrij verval worden afgevoerd of geloosd. De totaalteller waarmee registratie plaatsvindt mag niet worden gereset. Registratie van momentane meetgegevens en etmaalgegevens vindt plaats met een printer of datalogger of andere vorm van geautomatiseerd registratiesysteem. Het meetsignaal van het registratiesysteem moet overeenkomen met het meetsignaal van de debietmeter. A.2.1 Doorstroomsnelheid Voor een betrouwbare meting in een gesloten meetsysteem is de doorstroomsnelheid van het afvalwater van belang. Voor het bepalen van de geschiktheid van de debietmeter moet het debiet (als groter dan nul) van de te meten stroom in 95% van de tijd (etmaal) binnen het minimale en maximale debiet van de debietmeter liggen. A.2.2 Inbouw en instellingen debietmeter Bij nieuwe debietmeters wordt een ‘af fabriek’ kalibratiecertificaat meegeleverd waarop de meterspecifieke kalibratiefactoren zoals diameter, nulpunt, kalibratiefactor(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.