Verordening op de heffing en de invordering van liggeld voor woonschepen gemeente Haarlemmermeer 2026De raad van de gemeente Haarlemmermeer; gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 23 september 2025, nummer 12550138; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van liggeld voor woonschepen gemeente Haarlemmermeer 2026 ("Verordening liggeld voor woonschepen 2026"). Artikel1Definities Deze verordening verstaat onder woonschip: een vaartuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk als woning wordt gebruikt of tot woning is bestemd. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam 'liggeld voor woonschepen' wordt een recht geheven voor het innemen van een ligplaats met een woonschip binnen de gemeente. Artikel3Belastingplicht 1.Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven van de hoofdbewoner van het woonschip. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2.Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde hoofdbewoner, wordt het recht als bedoeld in artikel 2 geheven van de vergunninghouder van het woonschip. 3.Bij gebreke van de in het eerste en tweede lid bedoelde belastingplichtigen wordt het recht geheven van de eigenaar van het woonschip. Artikel4Maatstaf van heffing en tarieven Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar de lengte van het woonschip en bedraagt per belastingjaar per woonschip: voor de eerste 15 meter lengte van het woonschip, € 403,27; voor elke meter of gedeelte daarvan waarmee het woonschip de lengte van 15 meter overschrijdt, bovendien € 56,56. Artikel5Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel6Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel7Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.Het recht als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht. 2.Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingjaar verschuldigde recht als er in dat belastingjaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingjaar verschul-digde recht als er in dat belastingjaar, na het eindigen van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Het verzoek om ontheffing dient binnen zes weken na de opgetreden wijziging te zijn ingediend. Artikel8Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. 2.In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,00 en minder is dan € 10.000,00 en zolang de ver-schuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. 3.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel9Inwerkingtreding en citeertitel 1.De "Verordening liggeld voor woonschepen 2025", vastgesteld bij raadsbesluit van 24 oktober 2024
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.