← Nederland

Warmteprogramma Zwijndrecht (Zwijndrecht)

/akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR749202 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0642/2025/warmteprogramma /join/id/stop/work_019 2025-12-08 2025-12-08 /akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR749202/nld@2025-12-09 /join/id/proces/gm0642/2025/WarmteprogrammaPROD 2025-12-09 2025-12-09 /akn/nl/act/gm0642/2025/warmteprogramma/nld@2025-12-06 /akn/nl/act/gm0642/2025/warmteprogramma /akn/nl/act/gm0642/2025/warmteprogramma/nld@2025-12-06 /join/id/stop/work_019 1 Warmteprogramma Zwijndrecht Voorwoord wethouder De energietransitie is in volle gang en ook in de gemeente Zwijndrecht zetten we stappen richting een duurzame, aardgasvrij toekomst. Daarbij draait het niet alleen om techniek en beleid, maar vooral om mensen. We doen het samen, stap voor stap, buurt voor buurt. Dit warmteprogramma beschrijft hoe we de komende jaren toewerken naar betrouwbare, toekomstbestendige warmtevoorzieningen en de aanpak van isolatie. Voor een flink aantal woningen en gebouwen is het collectieve warmtenet de meest logische oplossing, maar een oplossing is pas echt goed als de inwoners er ook vertrouwen in hebben. Op het moment van schrijven is in de Tweede Kamer de Wet Collectieve Warmte in behandeling. Een belangrijke wet, die al veel gaat regelen. En dat is nodig, want het warmtenet ontlast het stroomnet ten opzichte van volledig elektrische oplossingen zoals de warmtepomp. Dat is belangrijk voor de gemeente Zwijndrecht, waar het stroomnet al onder druk staat en ruimte nodig is voor woningbouw, ondernemers en duurzame initiatieven Zo kunnen we de schaarste verdelen: warmtenet waar het kan, elektrische oplossingen waar het moet. Met een realistisch financieel perspectief. Klinkt logisch, eerlijk en simpel. De praktijk is weerbarstiger, veel weerbarstiger. Inwoners die op het warmtenet zijn of worden aangesloten, moeten kunnen rekenen op duidelijkheid over de kosten, ook op de langere termijn. Ik hoop dat de nieuwe wet straks is aangenomen en hier snel helderheid over komt. Het warmtenet is juist voor veel buurten met de kwetsbaarste huishoudens een kans. Huishoudens die kampen met hoge energierekeningen en zelf vrijwel geen mogelijkheden om daar verandering in te brengen. Juist daarom is het extra belangrijk dat die betrouwbare en betaalbare warmte er komt. Met vaart, want deze huishoudens kunnen geen twintig jaar meer wachten. Stilstand is geen optie, dit warmteprogramma zet de stap vooruit. Jacqueline van Dongen Samenvatting Alle gemeenten stellen uiterlijk in 2026 een warmteprogramma op. Het warmteprogramma is een programma onder de Omgevingswet. In dit programma beschrijft Zwijndrecht haar plannen voor de verduurzaming en het aardgasvrij maken van buurten en wijken voor de komende 10 jaar. En daar waar dit bekend is wordt ook het perspectief van de overige buurten of wijken gegeven. Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte die in 2021 is vastgesteld. De warmteprogramma’s voor de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht zijn in een gezamenlijk proces opgesteld. Er is hier nauw samengewerkt met de woningcorporaties, warmtebedrijf HVC en netbeheerder Stedin. Met dit warmteprogramma wordt duidelijkheid en handelingsperspectief geboden aan inwoners, professionele partners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Ook draagt dit programma bij aan een zorgvuldige basis voor de uitvoeringsplannen die worden opgesteld om een wijk of buurt aardgasvrij te maken. Daarnaast zorgt dit programma voor een basis om te rapporteren over de plannen van de lokale warmtetransitie en de voortgang daarvan. Het warmteprogramma wordt iedere 5 jaar herijkt met de meest actuele informatie, dit kan ook eerder indien nodig. Sinds 2021 is er veel gebeurd op het gebied van de warmtetransitie. Allereerst is er in de afgelopen jaren een warmtenet gerealiseerd in de wijken Kort-Ambacht en Walburg. Woningcorporaties Woonkracht10 en Trivire zijn hiervan de startmotor geweest en hebben gezamenlijk zo’n 1000 woningen verduurzaamd en aangesloten op het warmtenet. Daarnaast is er inmiddels een isolatieaanpak waarmee voortvarende de woningvoorraad wordt verduurzaamd. Hoewel er positieve ontwikkelingen zijn, zijn er ook nog steeds obstakels die de warmtetransitie in de weg staan. De warmtetransitie gaat nog niet op het gewenste tempo doordat de afhankelijkheid van subsidies voor de uitrol te groot is, de koppelleidingen van het net niet zijn gesocialiseerd en er een duidelijk handelingsperspectief ontbreekt. Uitgangspunten voor dit warmteprogramma De uitgangspunten uit de Transitievisie Warmte zijn als basis gebruikt voor dit warmteprogramma. De warmtetransitie slaagt alleen als het voor iedereen haalbaar en betaalbaar is en als iedereen mee kan doen. Op dit moment is dat nog niet overal het geval, omdat niet alle randvoorwaarden op orde zijn. We pakken de warmtetransitie stap voor stap aan en gaan aan de slag waar dit kan. Daar waar de overstap naar aardgasvrij nog niet haalbaar en betaalbaar is, gaan we op zoek naar tussenstappen. Een belangrijke eerste stap is het toepassen van isolatie en andere vormen van energiebesparing. Warmte perspectiefkaart De combinatie van de uitgangspunten, technische en maatschappelijke afwegingen en lokale verrijking hebben geleid tot een warmte perspectiefkaart waar per buurt de beste warmteoptie met bijbehorend tijdspad is aangegeven. Er is zorgvuldig onderzocht welke warmteoptie per buurt de beste keuze is met de kennis van nu. Er is gekeken naar de laagste nationale kosten volgens de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving 2025, naar het perspectief op duurzame bronnen, de impact op de openbare ruimte, koppelkansen en de duurzaamheid van de warmteopties. Er zijn minder perspectieven dan op de warmte perspectiefkaart in de Transitievisie Warmte. Zo is er nog maar één variatie van de besparingsbuurt, namelijk dat bij de volgende herijking de warmteoptie opnieuw beoordeeld wordt. Eerst was hier ook de variant met een perspectief voor klimaatneutraal gas, vanwege de onzekerheden rondom klimaatneutraal gas wordt dit nu niet meer als eindperspectief gezien. Daarnaast is vanwege (dreigende) netcongestie besloten alle buurten met een all-electric perspectief de einddatum 2050 te geven, in de Transitievisie Warmte werd hier nog het onderscheid gemaakt tussen 2040 en

  1. De warmte perspectiefkaart is het perspectief van de gemeente en stakeholders op de korte en lange termijn warmtetransitie. Echter staat de gemeente open voor andere initiatieven via het uitnodigingskader. Voor bronnetten en andere kleinschalige duurzame warmteoplossingen bestaat binnen de Drechtsteden het uitnodigingskader. Dit uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers uit om met de gemeente in gesprek te gaan voor deze ontwikkelingen. Dit uitnodigingskader geldt voor zowel bewonersinitiatieven (die kunnen opgroeien naar warmtegemeenschappen) als kleinschalige initiatieven die gebruik maken van de uitzonderingspositie in de Wcw. Dit gaat ook om initiatieven die eventueel gebruik willen maken van het toegangsmodel voor derden (nTPA) voor het warmtenet van HVC. Figuur
  2. Perspectiefkaart gemeente Zwijndrecht Aanpak tot en met 2035 We gaan aan de slag met de volgende buurten: Gekozen oplossing Buurtnamen Korte termijn 2025-2035 Warmtenet Bloemenbuurt B(egonia) – C(rocus) Bloemenbuurt H(yacinth) – L(Obelia) Bloemenbuurt M(adelief) – Z(onnenbloem) Corridor-Oost Corridor-West Dichtersbuurt-Midden Dichtersbuurt-West Eem- en Zonnestein Europesebuurt Koloniënbuurt Langeraarstraat en omgeving Ooievaar- en Vinkplein Planetenbuurt Sterrenbeeldenbuurt Staatsliedenbuurt-Zuid Swinhove – De Lus Vogelbuurt-Oost Vogelbuurt-West Voormalig veilingterrein Winkelcentrum Walburg Korte termijn Besparingsbuurt Bloemenbuurt A(kelei) Componistenbuurt-Zuid Develzijde Nederhoven Hilverbeek en omgeving Hooge Nespolder Kijfhoek Kleine Lindt Polder Moermond-Zuid Officiervliet-West Polder Heerjansdam Vervolgstappen Er is een enquête uitgezet onder inwoners om op te halen hoe zij geïnformeerd willen worden bij het vervolg van de warmtetransitie en of en hoe zij willen meedenken over de uitvoeringsplannen. Uit de enquête wordt onderschreven dat de huidige visie op participatie (inwoners uitgebreid betrekken op buurt- of wijkniveau in plaats van op gemeentelijk niveau) de voorkeur heeft. In de uitvoering van het warmteprogramma en de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen wordt hier verder vorm aangegeven. Om de voortgang naar een aardgasvrije gemeente in 2050 te kunnen bijhouden is het belangrijk om te monitoren. Dit zal actief worden gedaan zodat er zorgvuldig kan worden geëvalueerd voor de herijking van het warmteprogramma.
  3. Inleiding In dit hoofdstuk is de context rondom het warmteprogramma geschetst, wat de veranderingen zijn ten opzichte van de Transitievisie Warmte en hoe dit programma tot stand is gekomen. 1.1 Context (landelijk, regionaal, lokaal) In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het verduurzamen van de gebouwde omgeving. In 2050 zijn alle Nederlandse gebouwen verduurzaamd, we gebruiken dan geen aardgas meer in onze woningen en bedrijven. De ambitie van het Klimaatakkoord is om in 2030 1,5 miljoen woningen van het aardgas of aardgasvrij-ready te hebben. Ook is afgesproken dat de regierol voor deze warmtetransitie bij de gemeenten ligt. Hoe de gemeenten deze transitie vormgeven, is in de Transitievisie Warmte voor het eerst vastgelegd. Echter ontbrak in 2021 het wettelijk kader om gemeenten ook daadwerkelijk de bevoegdheden te geven die nodig zijn om regie te voeren in de warmtetransitie. 1.1.1 Drechtsteden: regionale samenwerking aan 100% procent aardgasvrij In de afgelopen jaren is in de Drechtsteden verder gewerkt aan het gezamenlijk groeien naar 100% aardgasvrij, uiterlijk in
  4. Deze belangrijke opgave kan alleen worden gerealiseerd met samenwerking en collectieve inzet van alle partijen op de warmtetransitie. De samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, HVC, provincie en Stedin loopt al geruime tijd en is geborgd in het Versnellingsprogramma Drechtsteden. We zijn trots op deze basis en de reeds behaalde resultaten in het aardgasvrij maken van de Drechtsteden. We concluderen ook dat de huidige processen en inzet nog niet leidt tot de benodigde snelheid en realisatie van zowel het collectieve spoor, als het individuele spoor van de landelijke en regionale ambitie. De regio Drechtsteden zet hiervoor actief in op lobby richting het Rijk vanuit de gehele samenwerking met partners. 1.1.2 Ambitie regionaal warmtenet Het warmtenet in Zwijndrecht is onderdeel van het gezamenlijke Drechtsteden warmtenet. De ambitie van dit gezamenlijke warmtenet is om tenminste 60.000 aansluitingen op het warmtenet te realiseren in 2050, dit is exclusief bedrijventerreinen. Anno februari 2025 zijn er in heel de Drechtsteden ruim 12.000 warmtenetaansluitingen gerealiseerd. Daarnaast is in de Regionale Energiestrategie (RES) Drechtsteden opgenomen dat er tenminste een aanvullende 12.000 woningequivalenten (WEQ) aardgasvrij wordt gemaakt voor 2030 door middel van aansluiting op een warmtenet. Liever nog sluiten we voor 2030 tenminste 25.000 WEQ op een warmtenet aan. Deze doelstelling komt bovenop de 7.500 WEQ die toen al reeds was aangesloten. De RES Drechtsteden is vastgesteld in
  5. Momenteel is er nog veel onduidelijkheid en onzekerheid omtrent de wet- en regelgeving voor de warmtetransitie. Deze wet- en regelgeving is essentieel voor het behalen van onze ambitie. In dit warmteprogramma zijn de randvoorwaarden zoals betaalbaarheid en subsidies opgesteld die nodig zijn om onze ambitie te halen, zie paragraaf 2.
  6. 1.2 Ambitie van de gemeente De verplichting is om als gemeente Zwijndrecht in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. Samen met de andere Drechtsteden heeft zij de ambitie om de warmtetransitie als geheel te versnellen. In dit warmteprogramma is een perspectiefkaart opgenomen waar de aardgasvrije voorkeursoplossing per buurt is aangegeven, zie hoofdstuk
  7. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingezoomd op de buurten waar de komende 10 jaar mee aan de slag wordt gegaan. Uiterlijk iedere 5 jaar wordt dit warmteprogramma herijkt en de perspectiefkaart en de plannen voor de komende 10 jaar geactualiseerd. 1.3 Doel van dit warmteprogramma Het warmteprogramma is een programma onder de Omgevingswet. Grote inhoudelijke thema's zoals de warmtetransitie worden onder de Omgevingswet uitgewerkt in een programma, waarmee de gemeente haar taken en bevoegdheden voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving concretiseert. In het warmteprogramma beschrijft een gemeente haar plannen voor de verduurzaming van de wijken voor de komende 10 jaar. Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte (TVW) die gemeenten in 2021 hebben vastgesteld. Het aardgasvrije spoor (individueel of collectief) is voor het eerst vastgelegd in de Transitievisie Warmte van
  8. In dit warmteprogramma zijn deze sporen geactualiseerd en is aangegeven waar we de komende 10 jaar aan de slag gaan. Daarnaast is het belangrijk om met dit nieuwe warmteprogramma te bereiken dat er: duidelijkheid en handelingsperspectief is voor bewoners, professionele partners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Onder andere door het benoemen van buurten of wijken die voor en na 2035 zullen worden aangepakt. een zorgvuldige basis ligt voor de wijk- of buurtgerichte aanpak. gerapporteerd wordt over de plannen van de lokale warmtetransitie en de voortgang daarvan. Dit warmteprogramma legt een basis voor de wijk- of buurtgerichte aanpak met de kennis van nu, de uiteindelijke aanpak kan afwijken van wat in dit warmteprogramma is opgeschreven. De aardgasvrije oplossingen gepresenteerd in dit warmteprogramma kunnen veranderen. Dit kan bijvoorbeeld komen door het initiatief voor een bronnet van inwoners of door een afweging van criteria die op wijk- en buurtniveau ervoor zorgen dat een ander alternatief beter scoort. Of door toekomstige ontwikkelingen die nu nog niet kunnen worden voorzien, zoals technische innovaties en door veranderend beleid vanuit het Rijk. 1.4 Veranderingen ten opzichte van de Transitievisie Warmte De veranderingen tussen de Transitievisie Warmte en het warmteprogramma volgen uit het juridisch kader en de inhoud. Juridisch Juridisch betekent dit dat het warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet is. Dit programma verplicht de gemeente om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de doelen uit het programma worden gehaald. Die verplichting gold niet voor de Transitievisie Warmte omdat de TVW een beleidsstuk is zonder de bindende verplichtingen van een programma. Daarnaast krijgt de gemeente uit de toekomstige Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) de instrumenten in handen die noodzakelijk zijn om de warmtetransitie te versnellen. De Wcw geeft de gemeente de bevoegdheid om bestaande gebieden aan te wijzen die van aardgas overstappen naar een collectieve oplossing en om te bepalen wie dat exploiteert. Met de Wgiw krijgt de gemeente de aanwijsbevoegdheid voor het beëindigen van het aardgastransport voor alle oplossingen binnen een bepaalde termijn. In hoofdstuk 4 geven we duidelijkheid over de toepassing van de Wgiw en Wcw in onze gemeente. Inhoudelijk In de Transitievisie Warmte werd gesproken over maatschappelijke kosten. In het warmteprogramma is dit aangepast naar nationale kosten. Onder nationale kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Niet-financiële en indirecte effecten zoals luchtvervuiling en geluidshinder zijn geen onderdeel van deze nationale kosten. Onder maatschappelijke kosten vallen ook deze indirecte effecten die niet meetbaar zijn. Vandaar dat in dit warmteprogramma wordt gerekend met de nationale kosten. In de Transitievisie Warmte zijn enkele gebieden voor een warmtenet aangewezen die relatief ver van elkaar vandaan liggen met daartussen geen kansrijk warmtenetgebied. Het is dan erg kostbaar om deze gebieden met elkaar te verbinden. De positionering van de duurzame bron en mogelijke meekoppelkansen zijn dan bepalend voor welke gebieden daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet. In dit warmteprogramma is voor de perspectiefkaart deze slag gemaakt met de kennis die nu voor handen is. Er zijn minder perspectieven dan op de perspectiefkaart in de Transitievisie Warmte. Zo is er nog maar één variatie van de besparingsbuurt, namelijk dat bij de volgende herijking de warmteoptie opnieuw beoordeeld wordt. Eerst was hier ook de variant met een perspectief voor klimaatneutraal gas, vanwege de onzekerheden rondom klimaatneutraal gas wordt dit nu niet meer als eindperspectief gezien. Voor een verdere toelichting zie paragraaf 3.1.
  9. Daarnaast is vanwege (dreigende) netcongestie besloten alle buurten met een all-electric perspectief de einddatum 2050 te geven, in de Transitievisie Warmte werd hier nog het onderscheidt gemaakt tussen 2040 en
  10. Ten slotte is er in de afgelopen jaren een warmtenet gerealiseerd in de wijken Kort-Ambacht en Walburg. Woningcorporaties Woonkracht10 en Trivire zijn hiervan de startmotor geweest en hebben gezamenlijk zo’n 1000 woningen verduurzaamd en aangesloten op het warmtenet. Ten opzichte van de Transitievisie Warmte is dit een verschil omdat er destijds nog geen warmtenet in Zwijndrecht was. Voor het bepalen van perspectieven voor de buurten is dit gegeven een belangrijke factor geweest. Zo is het logisch om in de omringde buurten van waar nu al een warmtenet ligt de komende tien jaar aan de slag te gaan met verdere uitbreiding. 1.5 Proces warmteprogramma Bij het opstellen van het warmteprogramma zijn verschillende partijen betrokken. Samen met woningcorporaties Woonkracht 10 en Trivire, netbeheerder Stedin, warmtebedrijf HVC, gemeente ambtenaren en de regio Drechtsteden is dit warmteprogramma in co-creatie opgesteld. Ook is er een enquête uitgezet onder inwoners om op te halen hoe zij geïnformeerd willen worden bij het vervolg van de warmtetransitie en of en hoe zij willen meedenken over de uitvoeringsplannen, zie paragraaf 2.
  11. Uit de enquête wordt onderschreven dat de huidige visie op participatie (inwoners uitgebreid betrekken op buurt- of wijkniveau in plaats van op gemeentelijk niveau) de voorkeur heeft. In de uitvoering van het warmteprogramma en de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen wordt hier verder vorm aangegeven. Om de plannen in dit warmteprogramma tot uitvoering te brengen zal er een uitvoeringsstrategie worden opgesteld. Om deze uitvoeringsstrategie ook tot uitvoering te kunnen brengen zal er aan voorwaarden voldaan moeten worden. Dit houdt in dat de Wgiw en de Wcw in werking zijn getreden, dat er een definitie is bepaald voor betaalbaarheid en dat de beschikbare warmteoplossingen betaalbaar zijn voor verhuurders, huurders en particulieren.
  12. Regie, samenwerking en participatie In dit hoofdstuk is de invulling van de regierol van de gemeente toegelicht. Ook wordt er ingegaan op de samenwerking met partnerorganisaties en inwonerparticipatie. Het hoofdstuk eindigt met de uitgangspunten, deze punten vormen de basis voor de warmtetransitie van de zes genoemde gemeenten in de Drechtsteden. 2.1 Invulling regierol Met het opleveren van de Transitievisie Warmte in 2021 heeft de gemeente haar regierol opgepakt in de warmtetransitie. Hoewel wettelijk (nog) niet is vastgelegd hoe de regierol er precies uitziet, hebben de Drechtsteden gezamenlijk in hun uitgangspunten wel strategisch gekozen voor een visie op deze regierol. Onze visie: - We willen voor inwoners en stakeholders helderheid scheppen over de opties voor aardgasvrij en de volgorde van wanneer de buurten of wijken van het gas afgaan. Het realistiche verhaal staat centraal in de aanpak voor het Warmteprogramma. - We willen tempo blijven maken met de warmtetransitie en vinden het versnellen van de resultaten belangrijk. Ondanks dat de randvoorwaarden nog niet op orde zijn, is stilstand geen optie en houden we vaart in de warmtetransitie. De uitrol van het warmtenet zien we daarbij als belangrijke motor om het elektriciteitsnet te ontlasten en de gehele energietransitie te versnellen. - We werken in co-creatie met vele stakeholders aan het Warmteprogramma. Deze multi-stakeholderaanpak borgt een zorgvuldige belangenafweging in de gekozen aardgasvrij oplossing per buurt of wijk. De gemeente vervult hierbij een regierol. - We pakken de warmtetransitie aan in samenhang met ruimtelijke en sociaaleconomische opgaven. We werken hierin samen met partners en andere afdelingen van de gemeente. We streven met deze aanpak naar het beperken van kosten, werk en hinder voor inwoners door opgaven slim te combineren. - We kiezen voor daadkrachtig sturen om leiding te geven aan deze complexe en maatschappelijke opgave. Dit is de regio waar we het waar kunnen maken, wij zijn er klaar voor en leveren het voorbeeld voor heel Nederland. De regio neemt daarin zijn verantwoordelijkheid en werkt heel goed samen voor het realiseren van de warmtetransitie 1 Sturende regisseur uit Argumentenfabriek – rollen TVW en filmpje Smart Delta over netcongestie. . We pakken deze rol ook in de landelijke lobby onder andere op het gebied van betaalbaarheid en subsidieregelingen omdat we relatief veel praktijkervaring hebben met de inzet hiervan. 2.2 Partnersamenwerking In de Drechtsteden wordt er op veel vlakken met elkaar samengewerkt zoals bijvoorbeeld met deze warmteprogramma’s. Ook zijn er verschillende samenwerkingsovereenkomsten gesloten zoals het Energieakkoord Drechtsteden en het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij. Warmteprogramma’s Zes van de zeven Drechtsteden, te weten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht hebben in een gezamenlijk regionaal traject gewerkt aan de warmteprogramma’s
  13. Deze zes gemeenten hebben ook gezamenlijk de Transitievisies Warmte in 2021 opgesteld. Door dit gezamenlijke proces wordt optimale afstemming binnen de regio verzekerd. De Drechtsteden groeien met elkaar naar een 100% aardgasvrije regio in uiterlijk
  14. Deze belangrijke opgave kan alleen worden gerealiseerd met samenwerking en collectieve inzet op de warmtetransitie. De samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, warmtebedrijf HVC, Provincie Zuid-Holland, Stedin en Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) loopt al geruime tijd. Energieakkoord Drechtsteden In de regio Drechtsteden werken ruim 35 partners aan het Energieakkoord Drechtsteden. De partners vertegenwoordigen organisaties die elk hun eigen ambities en planning hebben als het gaat om de energietransitie, maar die samen meer kunnen bereiken. Met elkaar zijn we bereid om kennis, mensen en middelen in te zetten om het gebruik van fossiele energiebronnen terug te dringen. De doelstelling in de regio is een betaalbare, betrouwbare, duurzame en rechtvaardige energievoorziening 2 RES 1.0 Drechtsteden . Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij In het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij is vastgelegd dat zowel individuele oplossingen als het collectieve spoor in de warmtetransitie versnelling nodig heeft. Anders wordt het doel om in 2050 energieneutraal te zijn niet gehaald. Dit Versnellingsprogramma is ondertekend in januari 2024 door alle gemeenten en woningcorporaties in de regio Drechtsteden, de provincie Zuid-Holland, HVC en Stedin. Met het Versnellingsprogramma onderstrepen we de urgentie en ambitie om de warmtetransitie in de Drechtsteden op basis van solidariteit en samenwerking tijdig te realiseren. Waarbij we ons nadrukkelijk inzetten om de uitvoering van de warmtetransitie fors te versnellen. Het Versnellingsprogramma beschrijft hoe wij elkaar in deze opgave vasthouden en ons individueel en gezamenlijk inzetten om deze ambitie en versnelling tot stand te brengen. De inzet heeft zowel betrekking op collectieve oplossingen zoals een warmtenet, als op het collectief organiseren van individuele oplossingen zoals warmtepompen. Een van de afspraken uit het Versnellingsprogramma is dat de gemeenten in 2025 de warmteprogramma’s hebben opgesteld. Dit is eerder dan de wettelijke actualisatietermijn van 31 december
  15. Met deze planning wordt voldaan aan het zo snel mogelijk inzichtelijk maken van de gewenste duidelijkheid waar welke warmteoptie de voorkeur heeft. Warmtebod Op initiatief van het Uitvoeringsoverleg Gebouwde Omgeving en het Nationaal Klimaat Platform is in het voorjaar van 2024 een aantal partijen bij elkaar gebracht om te doorgronden waarom de ontwikkeling van warmtenetten stagneert. Deze partijen, genoemd de Warmtealliantie, zijn zich gaan verdiepen in de analyse en het vinden van oplossingen om de ontwikkeling van warmtenetten weer op de rails te krijgen. Dit heeft geleid tot het Warmtebod. In het Warmtebod beschrijft de Warmtealliantie de positieve impact op de warmtemarkt indien aan de juiste randvoorwaarden wordt voldaan. De belangrijkste randvoorwaarden volgens de Warmteallantie zijn: a. Beheersing van de betaalbaarheid van het warmtenet. b. Meer toegesneden financiering en optimalisering van subsidiesystemen voor warmtenetten. c. Snelle duidelijkheid over de marktordening. Alle Drechtsteden gemeenten hebben zich aangesloten bij deze Warmtealliantie en steunen het Warmtebod. Het op orde krijgen van alle randvoorwaarden zoals omschreven in het Warmtebod zal tijd en aanvullende Rijksmiddelen vragen. 2.3 Visie op inwonerparticipatie De warmtetransitie raakt vroeg of laat iedere inwoner in gemeente Zwijndrecht. Het is een grote en ingrijpende opgave om de gehele bebouwde omgeving aardgasvrij te maken. De warmtetransitie is alleen succesvol als iedereen meedoet en de nodige stappen zet naar een aardgasvrije woning of gebouw. Regionaal hebben de Drechtsteden een participatieblauwdruk opgesteld om invulling te geven aan het participatietraject voor de warmteprogramma’s. In twee sessies waarbij alle gemeenten, de regio en HVC vertegenwoordigd waren is deze blauwdruk opgesteld, zie bijlage . Vervolgens heeft de gemeente Zwijndrecht deze blauwdruk verder uitgewerkt tot een participatiestrategie. Een onderdeel van deze participatiestrategie is een gemeentelijke landingspagina over het warmteprogramma op het platform duurzaam-drechtsteden.nl, zie voor een verdere toelichting van deze strategie bijlage
  16. Het warmteprogramma is nog een vrij abstract document voor (de meeste) inwoners, omdat hier de plannen voor de komende 10 jaar worden geduid, maar nog niet wordt ingezoomd op buurtniveau. Uit de huidige trajecten in buurten en wijken, weten we inmiddels dat de uitvoeringsplannen meer invloed op de directe leefomgeving van inwoners, bedrijven en organisaties hebben. Voor de meeste inwoners is het daarom relevanter om vanaf buurtniveau actief mee te denken. Er is daarom gekozen om inwoners niet te laten meedenken over de regionale en gemeentebrede keuzes die zijn gemaakt in de warmteprogramma’s, maar om uit te vragen hoe zij bij het vervolg van de warmtetransitie geïnformeerd en betrokken willen worden. En de uitgebreide warmteopties te bespreken in het buurt- of wijkuitvoeringsplan, waar inwoners kunnen meedenken over de verschillende warmteopties. Uiteindelijk bepaalt de woningeigenaar voor welke oplossing hij of zij kiest. Inwoners hadden van 17 februari tot en met 9 maart 2025 de mogelijkheid om dit door middel van een enquête aan te geven. Uit de enquête kwam naar voren dat de meeste deelnemers op de hoogte willen worden gehouden via e-mail of huis-aan-huisbladen. Jongeren (18-35 jaar) hebben vaker een voorkeur voor communicatie via sociale media. Bijna een kwart van de deelnemers aan het onderzoek geeft aan zeker mee te willen denken over de keuzes die gemaakt worden in een uitvoeringsplan. Veel bewoners zijn bereid om mee te denken over het uitvoeringsplan, mits hun inbreng daadwerkelijk invloed heeft. Er heerst een sterke behoefte aan transparantie en keuzevrijheid, vooral op financieel gebied. Mensen willen niet alleen op de hoogte worden gehouden, maar ook actief kunnen meebeslissen over de kosten en de warmteoplossingen die worden aangeboden. De grootste zorg ligt bij de betaalbaarheid (zie ook paragraaf 2.4): bewoners willen niet verplicht worden tot dure systemen zonder voldoende alternatieven. Daarnaast is er ook behoefte aan betere informatie. Bewoners vragen om duidelijke en toegankelijke uitleg over de verschillende mogelijkheden, kosten en gevolgen, zodat ze goed geïnformeerd kunnen deelnemen aan het proces. Zie bijlage 4 voor alle resultaten van deze enquête. 2.4 Uitgangspunten De keuzes die in dit warmteprogramma zijn gemaakt zijn gebaseerd op de uitgangspunten die samen met bewoners en professionele partners zijn opgesteld in 2021 voor de Transitievisie Warmte. De zes Drechtsteden die onderdeel zijn van het regionale traject om gezamenlijk tot de warmteprogramma’s te komen hebben samen met hun professionele partners deze uitgangspunten herijkt, wat heeft geleid tot de volgende uitgangspunten:
  17. Voortvarend aan de slag met isolatie en andere vormen van energiebesparing Goede isolatie, ventilatie en de overstap naar elektrisch koken zijn essentieel om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving is een stapsgewijs proces. Ook in buurten waar nog geen betaalbare of passende oplossing is om van het aardgas af te gaan, kunnen woningen en gebouwen al worden voorbereid op de transitie. In die buurten is het van belang gebouweigenaren te stimuleren en te ondersteunen om gebouwen ‘transitiegereed’ te maken door aan de slag te gaan met tussenstappen zoals isoleren, elektrisch koken en hybride oplossingen. Binnen de Drechtsteden zijn een aantal gemeenten (Alblasserdam, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht) gestart met het Meerjarige Collectieve Ontzorgingsprogramma (MCO). Het MCO-Programma heeft als doel om de verduurzamingsimpact te maximaliseren binnen de beschikbare tijd, middelen, expertise en capaciteit. Het MCO-Programma heeft een doorlooptijd tot en met 31 augustus 2028 met de optie om tweemaal te verlengen met 12 maanden. Met deze aanpak worden eigenaren van grondgebonden koopwoningen ontzorgd met het verduurzamen van hun woning. Alle deelnemende woningeigenaren worden ontzorgd in de vorm van een advies en soms ook financieel. In eerste instantie is gekozen voor een doelgroep benadering Hierbij is vooral gekeken naar gebouwkenmerken en of sprake is van energiearmoede. Met het in beeld komen van verschillende transitiepaden in dit warmteprogramma wordt binnen het MCO-Programma gekeken naar een meer gebiedsgerichte aanpak. Immers die gebieden die het eerst aardgasvrij worden gemaakt moeten ook als eerste transitiegereed zijn voor wat betreft isolatie. In deze aanpak wordt voor alle deelnemende woningen toegewerkt naar de standaard isolatiewaarde. Met deze isolatiewaarde is een woning voldoende geïsoleerd voor zowel warmtenetten als warmtepompen. Daarnaast heeft de gemeente Zwijndrecht een subsidie ontvangen van het Volkshuisvestingsfonds voor de wijk Kort-Ambacht. Een aanzienlijk deel van deze subsidie zal in de komende tien jaar worden aangewend om 242 woningen in Kort-Ambacht te verduurzamen en om achterstallig onderhoud aan deze woningen aan te pakken. De verduurzamingsmaatregelen omvatten onder andere het isoleren van de woningen.
  18. Iedereen moet mee kunnen doen Betaalbaarheid is voor inwoners van de Drechtsteden een belangrijk vraagstuk. Er is nog veel onzekerheid over de kosten van de warmtetransitie en de verdeling ervan, er ligt een taak bij de Rijksoverheid om dit op te lossen. Wat we wel weten is dat de warmtetransitie alleen kan slagen als iedereen mee kan doen, ook mensen met lagere inkomens, en dat daar oplossingen voor moeten komen. Sommige gebouwen, bijvoorbeeld monumenten, zijn moeilijk aardgasvrij te maken, ook deze gebouweigenaren hebben handelingsperspectief nodig. Daarom pakken we de transitie gefaseerd aan en gaan we pas van het aardgas af als het alternatief voor aardgas maatschappelijk aanvaardbaar en voor iedereen toegankelijk is. Ook dient er sprake te zijn van een gelijkwaardig aanbod voor zowel corporaties als particulieren. We erkennen dat deze transitie veel meer is dan een technische operatie. De sociaal-maatschappelijke kant van de transitie is essentieel. Voldoende beschikbaarheid van goede begeleiding en ondersteuning voor gebouweigenaren is daarbij een randvoorwaarde.
  19. Bij een collectieve voorkeursoplossing is er altijd een opt-out mogelijkheid Gebouweigenaren en/of bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun buurt of wijk. De gebouweigenaar maakt zelf de keuze over het alternatief voor zijn of haar woning of gebouw. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd sprake is van een vrije keuze uit alle oplossingen, vanwege technische of financiële beperkingen. Er is bijvoorbeeld niet overal een grootschalig warmtenet mogelijk. Ook is het niet realistisch om te verwachten dat overal duurzaam gas beschikbaar zal komen, de verwachting is dat dit zeer beperkt beschikbaar zal worden voor de gebouwde omgeving. Het is belangrijk een balans te vinden tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid, want meer van het één betekent soms minder van het ander. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer in een wijk meerdere eigenaren kiezen voor een individuele oplossing in een gebied waar een collectieve oplossing de (nationaal) meest betaalbare optie is. Die keuze maakt de collectieve oplossing minder betaalbaar. In wijken waar een collectieve warmteoplossing voor de hand ligt, is het daarom niet vanzelfsprekend om particulieren aan te moedigen te kiezen voor een individuele warmtepomp. Desalniettemin heeft een gebouweigenaar altijd de optie om niet mee te doen met de eventueel aangeboden collectieve oplossing, de zogenoemde opt-out. Gebouweigenaren kunnen ook samen met buurtgenoten werken aan een gezamenlijke aardgasvrije oplossing, denk hierbij bijvoorbeeld aan een mini-warmtenet. Zie paragraaf 3.5 voor een toelichting op dit uitnodigingskader. In ieder geval is aardgas op termijn geen optie meer.
  20. Randvoorwaarden op orde In uitgangspunt 2 ‘iedereen moet mee kunnen doen’ is het al beschreven: betaalbaarheid is cruciaal. Zolang de warmtetransitie niet betaalbaar en haalbaar is, zal er geen grootschalige uitrol van aardgasvrije woningen plaatsvinden. Bij de Rijksoverheid ligt nu de taak om het betaalbaarheidsvraagstuk op te lossen. Ook wordt door het Rijk gewerkt aan de benodigde wet- en regelgeving. De regio Drechtsteden zet zich actief in voor de lobby om deze randvoorwaarden op orde te krijgen en neemt daar waar dit mogelijk is het initiatief om zelf oplossingen te vinden. Zo is door de gemeenten gewerkt aan eigen betaalbaarheidskader, zie paragraaf 4.
  21. Op deze manier verwachten we dat we de warmtetransitie in het benodigde tempo te realiseren. Voor de warmtetransitie is ook veel elektriciteit nodig, genoeg ruimte hiervoor op het elektriciteitsnet is noodzakelijk. Momenteel is hier niet genoeg ruimte op het elektriciteitsnet voor, er wordt gewerkt aan verzwaring en verslimming van het net maar dit kost tijd en vraagt om een slimme fasering van maatregelen ten behoeve van de energietransitie. De uitkomsten van dit warmteprogramma zijn getoetst aan het energiesysteem, zie paragraaf 3.
  22. Transitiepaden en fasering In dit hoofdstuk zijn de mogelijke duurzame warmteopties voor een buurt toegelicht. Ook zijn de criteria voor het bepalen van de beste warmteoptie en de criteria voor de volgorde van de buurten benoemd. De warmte perspectiefkaart laat de beste warmteoptie zien per buurt. Daarna is de warmte perspectiefkaart getoetst aan het energiesysteem. 3.1 Duurzame warmteopties In deze paragraaf zijn de verschillende mogelijke aardgasvrije perspectieven voor een buurt toegelicht. Dit zegt nog niets over de fasering of planning per buurt, dit is nader toegelicht in paragraaf 3.
  23. Ook is benoemd hoe koeling wordt meegenomen. 3.1.1 Isolatie Ongeacht de beoogde warmteoptie voor een buurt of wijk is het van belang dat de warmtevraag wordt teruggedrongen en andere noodzakelijke gebouwaanpassingen worden gemaakt. Dit zijn schilmaatregelen, zoals isolatie van de gevel, dak en vloer en vervanging van glas, aanpassingen in de binnen installatie, zoals radiatoren, ventilatie, het dichten van kieren en elektrisch koken. Ook kan er worden gekozen voor een hybridewarmtepomp als tussenoplossing. Bij gebouwgebonden maatregelen is het altijd de vraag hoever er moet worden gegaan om transitiegereed te zijn. In dit warmteprogramma wordt als uitgangspunt genomen dat aan het einde van de warmtetransitie zoveel mogelijk gebouwen het standaardniveau voor isolatie hebben bereikt. Deze zogenoemde isolatiestandaard is een niveau dat als toekomstbestendig kan worden beschouwd. De betreffende woning hoeft dan voor 2050 niet nogmaals geïsoleerd te worden, bij aansluiting op duurzame (warmte)bronnen met een lagere temperatuurwarmte, mits de temperatuur daarvan ten minste 50°C is (voor vooroorlogse woningen 70°C). Isoleren naar de Standaard zorgt ervoor dat een naoorlogse woning in ieder geval met 70 graden kan worden verwarmd en ook met 50 graden als de binneninstallatie daarvoor geschikt wordt gemaakt. Dit is dus een no-regretniveau waarmee een gebouw transitiegereed is voor bijna alle warmteopties. In 2021 zijn op nationaal niveau Standaard en Streefwaarden 3 ​https://www.rvo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/standaard-streefwaarden-woningisolatie ingevoerd, die per woningtype inzicht geven in de manier waarop het no-regretniveau kan worden behaald. De isolatiestandaard is voor de ene woning lastiger te bereiken dan voor de andere. Nieuwere woningen zitten vaak al op dit niveau en oude gebouwen, veelal vooroorlogs of monumentaal, zijn zo oud dat je een relatief hoge warmtevraag overhoudt, ook al doe je het maximale binnen de bestaande schil. Voor deze woningen zijn de geschikte warmteopties beperkt, hier zal met maatwerk aan de slag moeten worden gegaan zodra de gemeente in deze buurt of wijk begint met een uitvoeringsplan. Het is belangrijk om te benoemen dat, ongeacht het woningtype, het isoleren van woningen altijd samen moet gaan met het zorgen voor voldoende ventilatie. Uit ervaring is gebleken dat een blok voor blok aanpak voor isoleren niet werkt, inwoners kiezen zelf wanneer het beste (natuurlijke) moment is voor hen om te isoleren. Het MCO-Programma gaat uit van een continu aanbod voor bewoners. Om urgentie te creëren wordt binnen dit aanbod wel gewerkt met een zogenaamde call to action datum. Dat betekent enerzijds dat inwoners geactiveerd worden om over te gaan tot het nemen van verduurzamingsmaatregelen. Anderzijds betekent dit dat inwoners op een voor hun natuurlijk moment ontzorgd kunnen worden. Je hoeft niet in één keer je gehele woning te isoleren, je kunt dit ook in stappen doen. Voor zowel isoleren in stappen als in één keer is Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) beschikbaar. Inwoners kunnen terecht bij het platform duurzaam-drechtsteden.nl voor meer informatie over subsidiemogelijkheden. 3.1.2 Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse, geïsoleerde leidingen die warm water vervoert naar meerdere gebouwen. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. De woning heeft in vergelijking met all-electric over het algemeen minder ingrepen aan de schil en de binneninstallatie nodig en in de woning is qua techniek alleen een afleverset aanwezig. De temperatuur van het aangeleverde warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen en in samenhang zijn met de temperatuur van de bron. Voor veel woningen is een middentemperatuur warmtenet dat 70 graden levert op de koudste dagen van het jaar de oplossing met de laagste nationale kosten. Bij dit temperatuurniveau is er een technisch en economisch optimum met de warmtevraagbeperking die hoort bij het standaardniveau van isolatie voor vooroorlogse en naoorlogse woningen. Warmtenetten hebben als belangrijk kenmerk dat er grote investeringen in de infrastructuur nodig zijn. Hierdoor zijn warmtenetten alleen haalbaar in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Door het stedelijke karakter van de Drechtsteden is een groot deel van de bestaande bouw geschikt voor warmtenetten. Een ander belangrijk kenmerk van warmtenetten is dat een warmtenet in een relatief kort tijdsbestek moet worden ontwikkeld, om zodoende snel voldoende aansluitingen te krijgen waarmee je voorinvesteringen voorkomt en zo snel mogelijk de bron kunt verduurzamen. Het regionale net wordt op dit moment voornamelijk verwarmd door de slibverbrandingscentrale in Dordrecht, dit geldt niet voor Zwijndrecht. Er wordt op termijn gestart met de bouw van een geothermiecentrale in Sliedrecht. Wanneer het gehele regionale net verbonden zal is, wordt Zwijndrecht verwarmd via deze geothermiecentrale. Zolang de warmtenetten van de verschillende Drechtsteden gemeenten niet met elkaar verbonden zijn wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke bronnen. Op dit moment is er nog geen tijdelijke duurzame bron in Zwijndrecht. De komende periode gaat de gemeente deze wel realiseren. Een variant op het warmtenet op 70 graden aanvoer is een laagtemperatuur warmtenet met een maximale aanvoertemperatuur met circa 40 graden. Deze variant is voor de bestaande bouw minder logisch vanwege de hogere gebouwgebonden investeringen. Voor grootschalige nieuwbouwontwikkelingen kan het interessant zijn om een laagtemperatuurwarmtenet te ontwikkelen. Dit moet per project bekeken worden. In principe is een warmtenet geen koudenet waar je gebouwen ook mee kunt koelen, zoals bij een bronnet met WKO (zie all-electric) wel het geval is. Voor grote complexen wordt het warmtenet soms gecombineerd met een koel- en ventilatiesysteem. Voor grondgebonden woningen met zijn andere maatregelen zoals zonwering vaak vele malen (kosten)effectiever. 3.1.3 All-electric All-electric betekent dat er in principe alleen nog een elektriciteitsnet in de buurt aanwezig is. Er is dan een warmte-opwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt om woningen te verwarmen. Bijvoorbeeld een warmtepomp die warmte haalt uit de buitenlucht of de bodem. Elke individuele vastgoedeigenaar kan op ieder moment de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat of buurt. De capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet moet worden verzwaard, niet alleen op buurtniveau, maar ook op gemeentelijk-, regionaal-, nationaal- en internationaal niveau. Dit is een ingrijpend en langdurig traject. Een variant van all-electric is het lokale bronnet. Een bronnet is een lokale, kleinschalige warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur warmtenet waar één of enkele gebouwen op zijn aangesloten. Net zoals bij all-electric staat in het gebouw of de woning een warmtepomp. In plaats van de bodem of buitenlucht gebruikt deze warmtepomp het aangevoerde water van het bronnet. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling. Ook bij een bronnet moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de buurt vaak worden verhoogd. Bronnetten worden veel toegepast op utiliteitsgebouwen, omdat deze gebouwen naast een vraag naar warmte ook een koudevraag hebben. Door de omvang van het gebouw is het elektriciteitsgebruik vaak hoog. Vanwege de lage energiebelasting op elektriciteit zijn de kosten voor het aardgasvrij maken met warmtepompen daarom relatief laag. Buurten waar all-electric oplossingen de laagste nationale kosten hebben zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na
  24. In deze buurten zullen vaak niet alleen de radiatoren en het gasfornuis vervangen worden, maar komt er ook een warmtepomp en eventueel een verzwaring van de elektriciteitsaansluiting om de overstap naar all-electric te kunnen maken. In deze buurten is het gasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels. Tegelijkertijd zijn deze buurten al goed geïsoleerd, waardoor er relatief weinig klimaatwinst valt te behalen. Dit geeft de mogelijkheid om in deze buurten in een eigen tempo de transitie te doorlopen. Bovendien zijn binnen all-electric nog veel innovaties te verwachten. De belangrijkste innovaties zijn warmtepompen die ook efficiënt hoge temperaturen kunnen maken en innovaties op het gebied van energieopslag in de woning. Deze innovaties kunnen op termijn leiden tot een besparing van nationale kosten, bijvoorbeeld doordat het elektriciteitsnet minder hoeft te worden verzwaard of omdat ook oude, complexe buurten gasvrij kunnen worden. Ook vanwege deze innovaties is het onwenselijk om een all-electricbuurt in hoog tempo gasvrij te maken. 3.1.4 Besparingsbuurt Voor sommige buurten is het momenteel lastig om het aardgasvrije voorkeursperspectief te bepalen. Dit komt bijvoorbeeld doordat de buurt een diverse woningvoorraad heeft met verschillende typen woningen van verschillende bouwjaren. Een buurt heeft bijvoorbeeld een lage woningdichtheid waardoor een warmtenet zeer kostbaar is, maar ook een minimale isolatiegraad wat een all-electric oplossing ook kostbaar maakt. Voor deze buurten moet verder onderzoek worden gedaan om bij een herijking van het warmteprogramma een eindperspectief te kunnen bieden. Het perspectief voor deze woningen is om nu toe te werken naar de isolatiestandaard. Ook kan worden gekozen voor een hybridewarmtepomp als tussenoplossing. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in deze buurten 3.1.5 Klimaatneutraal gas In de Transitievisie Warmte van 2021 werd voor sommige buurten het perspectief klimaatneutraal gas geschetst. Er werd toen als randvoorwaarde genoemd dat er op termijn voldoende duurzaam gas is, zoals groengas of waterstofgas. En dat er ook rekening mee moet worden gehouden dat duurzaam gas ook voor andere doeleinden nodig is, zoals in de industrie en het zware transport. In de afgelopen 5 jaar is er niet meer perspectief gekomen wat betreft klimaatneutraal gas; er is nog steeds erg veel onzekerheid. Het verdelingsprincipe van klimaatneutraal gas is nog heel onzeker, de landelijke infrastructuur is nog onbekend. Er is nog zoveel onzekerheid rondom klimaatneutraal gas dat dit in de Drechtsteden niet wordt gezien als een eindoplossing, een enkele uitzondering, het oude centrum van Dordrecht, daargelaten. Voor deze uitzonderingen geldt dat er voor een warmtenet weinig ruimte is in de ondergrond en de graafwerkzaamheden de fundering van de woningen zouden kunnen aantasten. Isoleren van deze woningen is voor een all-electric oplossing lastig vanwege de leeftijd van de woningen en de eventuele monumentenstatus. 3.1.6 Koeling Door het veranderende klimaat, met langere warme periodes als gevolg, is het van steeds groter belang dat woningen ook koel blijven in de zomermaanden. Isolatie helpt de warmte buiten het huis te houden in de zomer. Maar wanneer de warmte eenmaal in het huis is gekomen, is een goed geïsoleerd huis lastig om te koelen. Vanuit het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA) is de ladder van koeling ontwikkeld: waarbij de meest duurzame koelmaatregelen als eerste worden gestimuleerd. Dit betekent eerst werken aan koelte in de omgeving, daarna warmte zoveel mogelijk buiten houden en afvoeren en tot slot pas milieuvriendelijk koelen. Voor de integratie van het thema koeling in het warmteprogramma, is koeling in 3 uitwerkingen van het warmteprogramma meegenomen. 1) In de isolatieaanpak wordt voorkomen van hitte meegenomen door voorlichting en adviseren van maatregelen voor het weren van directe zoninval, mogelijkheden voor ventilatie of het doorluchten van de woning. 2) Bij het buurt- of wijkuitvoeringsplan worden opgaves zoveel mogelijk integraal gecombineerd. De klimaateffectkaarten en aanpak voor hittestress worden meegenomen in de ontwikkeling van de buurt- of wijkuitvoeringsplannen. We wegen alternatieven die naast verwarming ook koeling kunnen leveren in buurten die gevoelig zijn voor hittestress mee in de keuze voor het alternatief en organiseren maatregelen conform de ladder van koeling. 3) Voor nieuwbouw is het vanaf januari 2021 verplicht om maatregelen te nemen om oververhitting te voorkomen. De indicator hiervoor heet TOjuli. Deze woningen zijn beter bestand tegen hittestress en hebben als voordeel dat actieve koelmaatregelen (die de energievraag in de woning vergroten) voorkomen kunnen worden. Meer over de aanpak bij nieuwbouw in paragraaf 6.
  25. 3.2 Criteria voor warmteoptie per buurt Om te bepalen welke toekomstige warmteoptie per buurt de voorkeur heeft, zijn in 2021 voor de Transitievisie Warmte met inbreng van inwoners, de gemeenteraad en stakeholders afwegingscriteria opgesteld. Deze afwegingscriteria zijn nog steeds leidend in het bepalen van de warmteoptie per buurt. 3.2.1 Laagste nationale kosten We streven naar warmteopties met de meest gunstige verhouding van kosten en baten. Onder nationale kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Niet-financiële en indirecte effecten zoals luchtvervuiling en geluidshinder zijn geen onderdeel van deze nationale kosten. Daarnaast hebben we rekening gehouden met de kosten voor het totale systeem, dus niet alleen naar de kosten die specifiek gelden voor een betreffende gebied of buurt om versnippering van infrastructuren te voorkomen. Zoals ook eerder in paragraaf 2.4 genoemd blijft betaalbaarheid een heikel punt in de warmtetransitie. Met dit warmteprogramma worden niet alle vragen rondom betaalbaarheid opgelost, maar sorteert wel voor op de meest betaalbare transitie door per buurt de warmteoptie met de laagste nationale kosten te kiezen. De laagste nationale kosten per warmteoptie zijn in de Transitievisie Warmte van 2021 bepaald aan de hand van een onderzoeksbeeld. Voor het warmteprogramma hebben wij dit onderzoeksbeeld meegenomen en vergeleken met de Startanalyse 2025 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Deze Startanalyse is een wat-als studie en schetst het beeld wanneer heel Nederland dezelfde aardgasvrije optie heeft, bijvoorbeeld iedere woning gebruikt een warmtepomp, en daarna worden de nationale meerkosten vergeleken. De data geven een goed gemiddeld beeld voor Nederland, maar voor specifieke situaties zullen andere uitgangspunten gelden. Er wordt in deze Startanalyse geen rekening gehouden met bestaande plannen en beleid, zoals afspraken met de woningcorporaties. De gemeente en haar stakeholders hebben een beter zicht op de lokale situatie, hierdoor kan het voorkeursperspectief per buurt in dit warmteprogramma afwijken van het gegeven perspectief in de Startanalyse. In de Startanalyse wordt ook klimaatneutraal gas meegenomen, er is hiervoor een aanname gemaakt hoeveel klimaatneutraal gas er in de toekomst beschikbaar zal zijn. Er is nog zoveel onzekerheid rondom klimaatneutraal gas dat dit in de Drechtsteden niet wordt gezien als een eindoplossing, een enkele uitzondering daargelaten. 3.2.2 Duurzaamheid Bij de keuze van warmteopties krijgt de infrastructuur die de meeste CO2-reductie levert en waarbij lokale energiebronnen kunnen worden ingezet de voorkeur. Het gaat hierbij niet alleen om verduurzaming op korte termijn, maar ook om het kiezen voor de infrastructuur die toekomstige duurzame bronnen het beste kan ontsluiten. In de Regionale Energiestrategie (RES) is de voorkeursvolgorde van bronnen voor nieuwe manieren van verwarming vastgesteld, deze voorkeursvolgorde is leidend voor dit warmteprogramma en is als volgt:
  26. Direct bruikbare warmte (bijvoorbeeld restwarmte uit afvalverbranding en diepe geothermie)
  27. Op te waarderen warmte (elektrische warmtepompen met omgevingswarmte uit bijvoorbeeld een bronnet, bodemlussen of lucht). Aandachtspunten zijn het energetisch rendement (dat bijvoorbeeld veel beter is voor een bronnet dan voor individuele warmtepompen) en het beperken van piekbelasting op het elektriciteitsnet (voor een collectief systeem kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een batterij om energie op te slaan).
  28. Te maken warmte (duurzame brandstoffen zoals groene waterstof en groen gas) Vanuit de RES is bekend dat er in de regio Drechtsteden beperkte ruimte is voor het opwekken van duurzame elektriciteit. Daartegenover staat dat er een grote aanwezigheid van warmtebronnen is. Concreet wordt de slib- en afvalverbranding van warmteleverancier HVC gebruikt als duurzame bron voor het warmtenet en wordt er op termijn gestart met de bouw van een geothermiecentrale in Sliedrecht. Zolang de warmtenetten van de verschillende Drechtsteden gemeenten niet met elkaar verbonden zijn wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke bronnen. Er wordt ook rekening gehouden met de samenhang in brontemperaturen, temperaturen waarmee gebouwen verwarmd worden en infrastructuren. Het behoud van lucht-, bodem- en waterkwaliteit is een randvoorwaarde voor een duurzame transitie. De milieueffecten van verschillende bronnen zijn in de RES verder geïnventariseerd. 3.2.3 Inpasbaarheid in de ondergrond en de openbare ruimte Een alternatief voor aardgas moet inpasbaar zijn in de ondergrond en de openbare ruimte. Zo is het aanleggen van een warmtenet niet altijd mogelijk door de complexe ondergrond die bijvoorbeeld voorkomt in een historische dijklint of binnenstad. All-electric vraagt vaak om extra verzwaring van het elektriciteitsnet, wat impact heeft op de openbare ruimte in de vorm van extra transformatorhuisjes in de wijk. De inpasbaarheid van warmteopties is meegenomen in de afweging. 3.3 Criteria voor volgorde buurten Naast het bepalen van de beste warmteoptie per buurt is er ook een volgordelijkheid tussen de buurten. De buurten waar reeds gestart is met de aanleg van een warmtenet zijn meestal buurten waar woningcorporatiebezit en/of nieuwbouw zit. Woningcorporaties fungeren als startmotor in de warmtetransitie onder andere door de inzet van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH). Woningcorporaties zitten inmiddels aan het einde van hun ‘startmotorfase’, mogelijke startmotors voor de toekomst zijn andere grootverbruikers als VvE’s of maatschappelijk vastgoedobjecten. Er kunnen ook meekoppelkansen zijn, zoals bijvoorbeeld riolering die moet worden vervangen in de komende paar jaar, dan hoeft de straat slechts één keer te worden opengebroken in plaats van twee keer. Of een nieuwbouwproject dat wordt aangesloten op het warmtenet. Ook speelt de ligging van de buurt ten opzichte van de duurzame bron een rol en/of als er al warmtenet is aangelegd in omliggende buurten. Vanwege netcongestie wordt er bewust nog niet gestart met een buurtaanpak in buurten waar all-electric de beoogde warmteoptie is. Dit is een overzicht in willekeurige volgorde van criteria die meespelen om prioritering tussen buurten aan te brengen: Haalbaarheid Betaalbaarheid Netcongestie Woningvoorraad Investeringsagenda infrastructuur Investeringsagenda vastgoed Buurtontwikkeling Sociale karakteristieken van de buurt Contracteerbaarheid Daarnaast wordt de uitrol van het warmtenet bepaald door een combinatie van de kennis van het gebied, de expertise van alle betrokken partijen, de warmtenettracés die reeds gerealiseerd zijn en het aardgasvrije perspectief dat eerder ontwikkeld is. 3.4 Perspectiefkaart per buurt Voor het bepalen van de warmteoptie per buurt worden de uitgangspunten uit paragraaf 2.4, de afwegingscriteria uit paragraaf 3.2 en de prioriteringscriteria uit paragraaf 3.3 meegenomen. Buurten met een hoge dichtheid aan woningequivalenten en corporatiebezit zijn aantrekkelijk voor de aanleg van het warmtenet. Door de hoge dichtheid is er veel volloop van het warmtenet dat zorgt voor een goedkoper warmtenet ten opzichte van een warmtenet in een dun bebouwd gebied. In de Transitievisie Warmte zijn enkele gebieden voor een warmtenet aangewezen die relatief ver van elkaar vandaan liggen met daartussen geen kansrijk warmtenetgebied. Het is dan erg kostbaar om deze gebieden met elkaar te verbinden. De positionering van de duurzame bron en mogelijke meekoppelkansen zijn dan bepalend voor welke gebieden uiteindelijk daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet. In dit warmteprogramma is voor de perspectiefkaart deze slag gemaakt met de kennis die wij nu voor handen hebben. Figuur 2: Perspectiefkaart Gemeente Zwijndrecht De kaart is redelijk gelijk gebleven aan die van de Transitievisie Warmte (TVW). De belangrijkste verschillen zijn: Er is een perspectief bijgekomen: reeds aardgasvrij gemaakt. Dit zijn buurten waarvan de volledige woningvoorraad over is op het warmtenet; Voor buurten met het all-electric perspectief is er geen onderscheid meer gemaakt tussen korte en lange termijn. Vanwege de aangekondigde netcongestie is het niet verantwoord op buurten op korte termijn volledig all-electric te maken; Voor buurten in Heerjansdam geldt dat veel buurten van besparingsbuurt over zijn gegaan op all-electric. Dit heeft te maken met het feit dat de komst van het warmtenet in Heerjansdam is uitgesloten, ten tijde van de TVW was dit nog niet het geval. In bijlage 5 is dezelfde kaart terug te vinden met hierbij alle buurtnamen. Daarnaast staat hier ook per buurt beschreven wat het perspectief van elke buurt is en op basis waarvan deze keuze is gemaakt. 3.5 Uitnodigingskader De perspectiefkaart is het perspectief van de gemeente en stakeholders op de korte en lange termijn warmtetransitie. Echter staat de gemeente open voor andere initiatieven via het uitnodigingskader. Voor het regionale warmtekavel in de Drechtsteden is HVC de beoogde partij voor het publieke warmtebedrijf. Dit is de partner waar de Drechtsteden met stakeholders afgelopen jaren stappen hebben gezet in het zelfstandig ontwikkelen van een haalbaar en duurzaam regionaal warmtenet. Voor bronnetten en andere kleinschalige duurzame warmteoplossingen bestaat binnen de Drechtsteden het uitnodigingskader. Dit uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers uit om met de gemeente in gesprek te gaan voor deze ontwikkelingen. Dit uitnodigingskader geldt voor zowel bewonersinitiatieven (die kunnen opgroeien naar warmtegemeenschappen) als kleinschalige initiatieven die gebruik maken van de uitzonderingspositie in de Wcw. Dit gaat ook om initiatieven die eventueel gebruik willen maken van het toegangsmodel voor derden (nTPA) voor het warmtenet van HVC. 3.6 Energiesysteem toets Een energiesysteem is het samenspel tussen de vraag en het aanbod van energie, en het transport en opslaan van energie. Onze vraag naar energie verandert. Het huidige systeem is daar niet meer goed op ingericht. Het stoppen met aardgas als belangrijkste bron voor het verwarmen van onze huizen heeft ook impact op het energiesysteem. Om de gevolgen in beeld te brengen maken we gebruik van een digital twin. De digital twin is een online simulatiemodel met daarin de energiehuishouding per buurt voor alle sectoren (gebouwde omgeving, industrie, land en tuinbouw, mobiliteit en transport), en de energieuitwisseling tussen de buurten in de regio, en tussen de regio en de rest van het land. De twin is al toegepast voor het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) en perspectiefscenario’s voor de transitie, en is daarnaast ook geschikt voor het warmteprogramma. Met de twin kunnen analyses worden uitgevoerd op regio-, gemeente-, en buurtniveau. 3.6.1 Uitgangspunten De warmte perspectiefkaarten van alle 6 de gemeenten zijn ingeladen in de digital twin. Om het effect van de gewenste warmteopties goed in beeld te brengen is het belangrijk om alle sectoren, zoals vervoer en opwek van duurzame energie, in het model te zetten. Voor deze analyses zijn wij uitgegaan van een duurzaam toekomstbeeld met gemiddelde groeiprognoses voor duurzame energie en besparing. De belangrijkste aannames hierin zijn dat alle RES-doelstellingen zijn behaald, transport en personenvervoer grotendeels elektrisch zijn, en er flinke percentages zon op dak en thuisbatterijen zijn geïnstalleerd. Daarnaast zijn we uitgegaan van de aansluitpercentages op het warmtenet zoals gehanteerd in de volloopscenario’s van het warmtebedrijf (HVC). Hiermee heeft een buurt die is aangegeven als warmtenetbuurt dus niet een aansluitpercentage van 100%, maar een deel hiervan. Dit deel is gebaseerd op een aangenomen aansluitpercentage per type woning en eigenaarschap (sociale huur, particulieren, grondgebonden, meergezinswoning), bijvoorbeeld 35-60% bij grondgebonden woningen in particulier eigendom en 85% bij appartementen in eigendom van een woningcorporatie. Scenario’s We hebben de huidige situatie in beeld gebracht. Hierbij maakt warmte ongeveer 30% uit van de totale vraag naar energie, naast motorbrandstoffen en elektriciteit. Vervolgens zijn er twee toekomstscenario’s doorgerekend: Het eerste scenario is als de warmte perspectiefkaart zoals in dit warmteprogramma is beschreven wordt gerealiseerd. Het tweede scenario laat zien wat er gebeurt als het warmtenet in de Drechtsteden blijft steken op het huidige niveau, en alle andere buurten kiezen voor warmtepompen. Voor beide scenario’s geldt dat aardgas voor een klein deel als warmtebron wordt meegenomen. Dit komt door hybride warmteoplossingen in de industrie en een aantal buurten. 3.6.2 Effecten op het energiesysteem Regionaal De hoeveelheid benodigde energie voor warmte neemt zowel in scenario 1 als 2 af, met respectievelijk 57% en 71%, zie figuur
  29. Dat komt deels door isolatie en besparing. Het grootste deel wordt veroorzaakt door de efficiëntie van warmtepompen ten opzichte van cv-ketels. Warmtepompen kunnen van 1 kilowattuur elektriciteit ongeveer 4 kilowattuur warmte produceren, gebruikmakend van de omgevingswarmte. Dit is ook de reden dat het energiegebruik voor warmte in scenario 2 lager is dan in scenario
  30. Het warmtenet wordt hierin vervangen door warmtepompen, waarvan het elektriciteitsgebruik lager is om dezelfde hoeveelheid warmte mee te creëren. Dit leidt wel tot een veel hogere elektriciteitsvraag ten behoeve van warmte. Dit leidt samen met de toegenomen elektriciteitsvraag, voornamelijk veroorzaakt door de elektrificering van vervoer, tot problemen met netcongestie. Figuur 1: Energieverbruik naar sector in de Drechtsteden Belangrijke kanttekening is dat in een toekomstbestendig energiesysteem voor elektriciteitsgebruik van warmtepompen in de winter veel opslag nodig zal zijn. De huidige (thuis)batterijen zijn hier te klein voor. Veel technieken voor seizoensopslag (denk bijvoorbeeld aan waterstof) hebben erg hoge verliezen, vaak wel tot twee derde van de origineel opgewekte elektriciteit. Als we kijken naar een uitsplitsing van het energiegebruik voor warmte, figuur 2, zien we dat op dit moment aardgas verreweg de meest dominante warmtebron is. In het warmteprogramma scenario (scenario 1) zien we dat het warmtenet voor de 6 deelnemende Drechtsteden gemeenten 46% van het energiegebruik van warmte voor zijn rekening neemt. Kijkend naar de totale warmtevraag wordt zelfs in dit scenario meer warmte geleverd door warmtepompen dan door het warmtenet, echter door de eerder benoemde efficiëntie van warmtepompen is de elektriciteitsvraag kleiner dan de vraag van warmte uit het warmtenet. In scenario 2 zijn warmtepompen de dominante warmtebron, met als gevolg een stijging van 28% van de huidige elektriciteitsvraag alleen al ten behoeve van warmte. Figuur 2: Uitsplitsing energiegebruik voor warmte naar bron Scenario 1 heeft twee grote voordelen ten opzichte van het scenario
  31. De eerste is de eerdergenoemde betere seizoensbalans en dus minder verliezen in opslag en conversie. De tweede is het verlagen van de piekbelasting op het elektriciteitsnet, momenteel een van de grootste bottlenecks in het energiesysteem. In beide toekomstscenario’s zal de piekbelasting op het elektriciteitsnet enorm toenemen (zie figuur 3). Dit komt voornamelijk door het elektrificeren van vervoer en transport, en door warmtepompen. Ondanks dat er in beide toekomstscenario’s veel extra verzwaring nodig is, is de piekbelasting in scenario 1 13% lager dan in scenario
  32. Hiermee is het warmtenet een van de meest effectieve middelen tegen netcongestie. Figuur 3: Piekbelasting afname elektriciteitsnet. Let op, dit is de piekbelasting van het volledige systeem, waarin naast warmte ook een flinke toename in de piekbelasting t.b.v. elektrische mobiliteit en andere elektrische apparaten is te zien. 3.6.3 Energiesysteemtoets Zwijndrecht In Zwijndrecht wordt 42% van de energievraag t.b.v. warmte ingevuld worden door het warmtenet in het warmteprogramma scenario. Hiermee is Zwijndrecht erg vergelijkbaar met de regio als geheel, met ook een piekbelasting op het elektriciteitsnet die 14% lager is. Figuur 1: Energiegebruik naar sector in de Drechtsteden Figuur 2: Uitsplitsing energiegebruik voor warmte naar bron Figuur 3: Piekbelasting afname elektriciteitsnet. Let op, dit is de piekbelasting van het volledige systeem, waarin naast warmte ook een flinke toename in de piekbelasting t.b.v. elektrische mobiliteit en andere elektrische apparaten is te zien.
  33. Juridisch kader In dit hoofdstuk zijn de ontwikkelingen uit de Wgiw toegelicht en is er een vooruitblik gegeven op de stappen na invoering van de Wcw. Tot slot is de uitgevoerde plan-mer-beoordeling toegelicht. Het warmteprogramma is de eerste stap van een aantal instrumenten die vereist zijn vanuit verschillende wetgeving. Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Dit programma verplicht de gemeente om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de doelen uit het programma worden gehaald. In onderstaand processchema is weergegeven hoe de volgorde van stappen eruit zou kunnen zien vanuit de Omgevingswet, de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw) en de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Van dit processchema kan worden afgeweken. 4.1 Ontwikkelingen uit de Wgiw In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie krijgen in de wijkgerichte aanpak om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken. Deze regierol is wettelijk verankerd in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en voor collectieve warmtesystemen ook in de Wet Collectieve Warmte (Wcw). De Wgiw treedt naar verwachting 1 januari 2026 in werking. Vanuit de Wgiw wordt de regierol geconcretiseerd in de beschrijving van de stappen van het planproces die uiteindelijk kunnen leiden tot de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Met de aanwijsbevoegdheid kunnen gemeente vanuit hun regierol gebieden aanwijzen die binnen een bepaalde termijn aardgasvrij moeten worden en overgaan op een duurzame warmtevoorziening. De stappen in het planproces bestaan uit: 1) Warmteprogramma – de eerste stap is een verplicht programma onder de Omgevingswet (warmteprogramma). Gemeenten worden verplicht om het warmteprogramma uiterlijk 31 december 2026 vast te stellen en deze elke 5 jaar te actualiseren. In het warmteprogramma wordt het voornemen beschreven van de wijken waar mogelijk binnen 10 jaar de aanwijsbevoegdheid zal worden ingezet. Verder wordt (voor zover bekend) het handelingsperspectief van alle buurten of wijken beschreven. 2) Buurt- of wijkuitvoeringsplan – Als tweede stap in het planproces in de Drechtsteden wordt het (vrijwillige) buurt of wijkuitvoeringsplan gemaakt. In het buurt- of wijkuitvoeringsplan werken we de volgende 6 stappen uit in samenspraak met de buurt of wijk. De verwachting is dat de totstandkoming van een uitvoeringsplan minimaal 2 jaar duurt. a. Samen starten – kaders, uitgangspunten en procesplan voor besluitvorming vaststellen. b. Onderzoeken – variantenstudie warmteoplossingen en een wijkbesluit over de optimale aanpak nemen. c. Uitwerken- de gekozen aanpak uitwerken in een definitief ontwerp en uitvoeringsplan. d. Besluiten – go/no go om tot uitvoering van het plan over te gaan. e. Aanbieden – aanbod aan bewoners en contracten voor werkzaamheden. f. Uitvoeren – het uitvoeren van het plan voor een aardgasvrije wijk. 3) Wijziging omgevingsplan – Het daadwerkelijk aanwijzen van een gebied waar de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, gebeurt in het omgevingsplan. In het warmteprogramma (stap 1) bereiden we het besluit om een gebied aan te wijzen beleidsmatig voor en geven we de begrenzing van het gebied aan. Daarnaast moet de motivatie van de inzet van de aanwijsbevoegdheid en de wijziging van het omgevingsplan aan een aantal vereisten voldoen: De haalbaarheid van de gekozen warmteoplossing en de aanpak, voor bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren. De betaalbaarheid van de gekozen warmteoplossing, zowel de nationale kosten als de eindgebruikerskosten. De totale kosten voor de maatschappij die de realisatie van de energie-infrastructuur met zich meebrengt. De gevolgen voor de aanleg en het beheer van de energie-infrastructuur. 4 https://www.nplw.nl/uploads/files/Warmteprogramma/Handreiking-Warmteprogramma-NPLW.pdf Hiermee ontstaat vanuit de wet een juridische bevoegdheid om de levering van gas te beëindigen. Deze vereisten hebben als doel dat inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen, verhuurders en netbeheerder duidelijkheid over het beoogde tijdspad naar aardgasvrij krijgen. De redelijke termijn die nu als minimaal wordt gezien voor dit tijdspad is 8 jaar. De gemeenteraad is bevoegd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tegen het wijzigingsbesluit zelf staat beroep open bij de Raad van State. Daarmee is dit instrument vatbaar voor beroep. Het wijzigen van het omgevingsplan is een nieuw instrument. Op dit moment bestaat er nog geen duidelijkheid over de inhoud van een wijziging van het omgevingsplan voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Voordat de Drechtsteden gemeenten de aanwijsbevoegdheid kunnen inzetten, zal het Rijk eerst duidelijkheid moeten geven via de uitwerking van de Wgiw in lagere uitvoeringsregelgeving: het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). Het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) is (anno april 2025) een concept algemene maatregel van bestuur (AMvB). De Drechtsteden, met uitzondering van Dordrecht, zullen met deze versie van het warmteprogramma dan ook de aanwijsbevoegdheid niet kunnen inzetten. Een (partiële) herijking van het warmteprogramma zal bij meer duidelijkheid als eerste stap ingezet worden, alsook het voldoen aan de uitgangspunten van dit warmteprogramma zoals de beschikbaarheid van een haalbaar en betaalbaar aanbod voor alle bewoners. 4.2 Vooruitblik overgangsregeling en aanwijzingen na invoering Wcw Voor de uitwerking van de stappen volgend uit de invoering van de Wcw zijn op moment van schrijven de volgende stappen voorzien. Vaststellen (voorlopig) warmtekavel De Drechtsteden bepalen met elkaar de grootte van een of meerdere warmtekavels. De inrichting van de warmtekavel is voor een groot deel afhankelijk van de lokaal beschikbare warmtebronnen en de verbondenheid daarvan. De grootschalige warmtebronnen in de regio worden op termijn met elkaar verbonden (Dordrecht, Sliedrecht, Papendrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht). Voor de uitwerking van de kavelstrategie wordt gezamenlijk met de gemeenten in de regio en de betrokkenen bij het warmteprogramma een proces opgestart om de opties en definitieve keuze rondom kavels te bepalen. Een warmtekavel kan na verdere uitwerking gewijzigd worden (Wcw artikel 2.8) Dit proces is op dit moment qua termijn en inhoud nog niet verder te bepalen omdat de ontwikkeling van de Wcw nog niet is afgerond en het onduidelijk is wanneer de wet wordt ingevoerd. Aanwijzen publiek warmtebedrijf De hoofdregel uit de Wcw is dat alleen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang kunnen worden aangewezen als publiek warmtebedrijf. In de regio is op basis van vrijwilligheid al meer dan 10 jaar met HVC gewerkt aan de ontwikkeling en de totstandkoming van het huidige warmtenet. De insteek is daarbij altijd geweest om een publiek warmtebedrijf neer te zetten. Daarmee loopt de regio voor op de invoering op de vereisten van de Wcw waarbij een warmtebedrijf in publieke handen voorgeschreven wordt. De inschatting is dan ook dat invoering van de Wcw voor het aanwijzen van een warmtebedrijf en de kavelstrategie een pragmatisch proces wordt. Overgangsrecht De Wcw geldt straks voor bestaande warmtenetten en warmtebedrijven. Warmtebedrijven die momenteel een warmtenet exploiteren dat onder het overgangsrecht valt, worden op grond van de Wcw voor maximaal 30 jaar aangewezen als warmtebedrijf en het gebied waarover het warmtenet zich uitstrekt wordt aangemerkt als een warmtekavel. Visie betaalbaarheid Als gemeente doen we er alles aan om de overstap naar aardgasvrij wonen betaalbaar te maken voor onze inwoners. We weten dat er zorgen zijn over de kosten van de overstap en dat inwoners verschillend denken over het begrip betaalbaarheid. Daarom willen we dat er duidelijkheid komt, zodat iedereen precies weet wat we met betaalbaarheid bedoelen. Zwijndrecht bepaalt niet zelfstandig wat betaalbaar is. Het Rijk is bezig om dit uit te werken. De verwachting is dat er eind 2025 meer duidelijkheid over komt. Dat betekent niet dat we nu niets kunnen doen. Ook wij houden ons bezig met dit vraagstuk. De gemeente Dordrecht heeft meegedaan aan een landelijk onderzoek met vijftien andere gemeenten over wat inwoners betaalbaar vinden en welke randvoorwaarden daarbij gelden. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder verwoord in onze visie. Bij het bepalen of een warmteperspectief betaalbaar is voor een buurt of wijk hanteren we, in ieder geval tot er duidelijkheid is vanuit het Rijk, de volgende uitgangspunten: We streven ernaar dat zoveel mogelijk inwoners hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als de huidige maandelijkse kosten, of minder. We werken dit het liefst uit op basis van de verwachte eindverbruikerskosten op buurt- of wijkniveau. We kunnen gelijkblijvende of lagere kosten niet in individuele situaties garanderen. We houden bij het bepalen van de eindverbruikerskosten natuurlijk rekening met eventuele subsidies voor inwoners, maar ook voor het warmtebedrijf. Voor zover dat binnen onze bevoegdheden ligt, zorgen we ervoor dat een warmtebedrijf transparant is over de opbouw van de te hanteren tarieven. We streven ernaar om samen met het warmtebedrijf op buurt- of wijkniveau te onderzoeken onder welke voorwaarden individuele inwoners willen overstappen. Aspecten zoals mate van ontzorging, de timing, de verdeling van de lusten en de lasten in de wijk kunnen hierbij een rol spelen. We zijn duidelijk over welke andere voordelen overstappen op duurzame warmte er zijn en over de duurzaamheid van de warmtetechniek op buurt- of wijkniveau. Betaalbaarheid is niet hetzelfde als financierbaarheid. Toegang tot financiële instrumenten, zoals subsidies en leningen met geen of een lage rente, zijn in sommige situaties noodzakelijk om de overstap te kunnen financieren. 4.3 Plan-mer-beoordeling In het kader van het warmteprogramma is een zogeheten plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen. In de plan-mer-beoordelingsprocedure moet het bevoegde gezag (in dit geval de gemeente Zwijndrecht) nagaan of de ontwikkelingen in het warmteprogramma kunnen leiden tot aanzienlijk (negatieve) milieueffecten, die het doorlopen van een (uitgebreide) plan-mer-procedure voor het warmteprogramma noodzakelijk maken. De gemeente Zwijndrecht heeft een plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen, hieruit is gebleken dat naar verwachting de ontwikkelingen in dit programma niet zullen leiden tot aanzienlijke (negatieve) milieueffecten. Er is voor de Drechtsteden gekozen voor een plan-mer-beoordelingsprocedure in plaats van een plan-mer-procedure. Er is geen meerwaarde gezien voor een plan-mer-procedure en het brengt ook meer kosten met zich mee. De warmtestrategieën zijn namelijk redelijk logisch en geven geen aanleiding voor alternatievenonderzoek. Een plan-mer-beoordeling geeft ook inzicht in milieueffecten, alleen op een hoger abstractieniveau dan een plan-mer-procedure. Daarnaast worden er geen juridische risico’s verwacht, het warmteprogramma is alleen bindend voor de overheid die het opstelt en daarmee niet voor anderen voor hoger beroep vatbaar. Ook het plan-mer-beoordelingsbesluit is niet voor hoger beroep vatbaar, het is alleen bindend voor diegene die wel of geen plan-mer moet opstellen, in dit geval de gemeente.
  34. Aanpak tot en met 2035 De komende 10 jaar gaan de gemeente en haar partners in Zwijndrechtse buurten aan de slag. Het is niet mogelijk om in alle buurten tegelijkertijd aan de slag te gaan en daarom wordt er gestart in een aantal buurten, een toelichting op de volgordelijkheid is te lezen in paragraaf 3.
  35. In het volgende warmteprogramma wordt opnieuw bepaald welke buurten logisch zijn om in de 10 daaropvolgende jaren mee aan de slag te gaan. In de paragrafen van dit hoofdstuk wordt de aanpak per buurt beschreven, deze aanpak ligt nog niet vast. De aanpak in het warmteprogramma vormt het startpunt voor het buurtproces. Samen met bewoners, ondernemers, onze partners en andere belangrijke organisaties in de buurt werken we aan een uitvoeringsplan waarin we deze aanpak vertalen naar de praktijk. De inbreng van bewoners heeft een bepalende rol in de aanpak per buurt, waardoor de hierna beschreven plannen nog kunnen wijzigen. Per gebied/groep: 5.1 Bloemenbuurt B(egonia) – C(rocus) Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De woningen zijn allemaal VvE’s met collectieve ketels, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast zijn we gestart met het aansluiten van woningen in omliggende buurten, dit maakt deze buurt een logische vervolgstap voor een verdere uitrol van het warmtenet. Wanneer we aan de slag gaan met het besteden van de subsidie van het Volkshuisvestingsfonds in dit gebied (voor verduurzaming van de panden), zal er samen met de inwoners ook worden gekeken naar een aansluiting op het warmtenet. Haalbaarheid De buurt bestaat volledig uit particulier bezit. Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. 5.2 Bloemenbuurt H(yacinth) – L(Obelia) Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De woningen in deze buurt zijn vrij oud met lage isolatiewaarden, dit maakt een warmtenet een geschikte oplossing. Voor het alternatief, all-electric, moeten woningen namelijk veel meer worden geïsoleerd waardoor het overstappen hiernaar een stuk kostbaarder is. Daarnaast zal het warmtenettracé door deze buurt lopen, vanwege omliggende buurten die worden aangesloten op het warmtenet. Het zou een gemiste kans zijn om woningen langs het tracé niet aan te sluiten. De verdere uitwerking voor deze buurt wordt meegenomen in het wijkuitvoeringsplan voor de gehele wijk Kort-Ambacht. Haalbaarheid De buurt bestaat voornamelijk uit grondgebonden particuliere woningen. Een aansluiting op het warmtenet is op dit moment niet betaalbaar voor deze doelgroep. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de wijkgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particulieren op orde is. 5.3 Bloemenbuurt M(adelief)-Z(onnenbloem) Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's en bezit van Woonkracht
  36. Woonkracht10 is voornemens om in de komende 10 jaar hun bezit aan te sluiten op het warmtenet, dit maakt het voor de omliggende VvE's ook een logische stap om aan te sluiten. Daarnaast zijn we gestart met het aansluiten van woningen in omliggende buurten, dit maakt deze buurt een logische vervolgstap voor een verdere uitrol van het warmtenet. Wanneer we aan de slag gaan met het besteden van de subsidie van het Volkshuisvestingsfonds in dit gebied (voor verduurzaming van de panden), zal er samen met de inwoners ook worden gekeken naar een aansluiting op het warmtenet. Haalbaarheid De buurt bestaat uit woningcorporatiebezit en particuliere VvE's. Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. 5.4 Corridor-Oost Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet en all-electric oplossing. Deze buurt ligt naast andere buurten waar op korte termijn een warmtenet wordt aangelegd en de woningen van de woningcorporatie Woonkracht10 in deze buurt lenen zich voor een aansluiting op het warmtenet. Hierom is onder andere voor het warmtenet gekozen als oplossing. De aanleg van het warmtenet volgt de planning van de woningcorporatie. Er is ook een deel nieuwbouw in deze buurt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het warmtenet maar all-electric worden, dit is een keuze van de ontwikkelaar. Haalbaarheid De bestaande bouw in dit gebied zijn enkel corporatiewoningen welke zullen worden aangesloten op het warmtenet. De rest van de buurt is nieuwbouw. Deze woningen zullen all-electric worden verwarmd. Hiervoor is voldoende capaciteit op het net. 5.5 Corridor-West Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast ligt de buurt naast andere buurten waar een warmtenet komt. Voor de grondgebonden particuliere woningen in deze buurt geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente de komende jaren in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is. Haalbaarheid Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het voor de VvE's wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. 5.6 Dichtersbuurt-Midden Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De duurzame bron waar het warmtenet in Zwijndrecht op zal worden aangesloten bevindt zich boven deze buurt, hierdoor zal het warmtenettracé door deze buurt lopen. Het zou een gemiste kans zijn om woningen hier niet aan te sluiten. Ook leent de woningvoorraad zich goed voor het warmtenet, het is namelijk een dichtbebouwd gebied. De verdere uitwerking voor deze buurt wordt meegenomen in het wijkuitvoeringsplan voor de gehele wijk Kort-Ambacht. Haalbaarheid Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. De overige helft van de buurt is corporatiebezit. De corporaties zijn voornemens hun bezit aan te sluiten wanneer de CV-ketels worden vervangen. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. 5.7 Dichtersbuurt-West Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De duurzame bron waar het warmtenet in Zwijndrecht op zal worden aangesloten bevindt zich in de buurt en omringende buurten zijn ook aangewezen als warmtenet gebieden. Daarnaast beschikken de woningen in deze buurt over het algemeen over een lage isolatiegraad, dit maakt het alternatief voor een warmtenet, all-electric, te duur. De verdere uitwerking voor deze buurt wordt meegenomen in het wijkuitvoeringsplan voor de gehele wijk Kort-Ambacht. Haalbaarheid Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. We verwachten dat er voor de VvE's wel al eerder wat mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. Mogelijk gaan we hier al eerder mee aan de slag. 5.8 Eem- en Zonnestein Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De gehele buurt bestaat uit meergezinswoningen (appartementen) met een collectieve verwarming. Dit soort bebouwing leent zich erg goed voor het warmtenet. De woningcorporatie Woonkracht10 gaat inventariseren wanneer de collectieve ketel vervangen zou moeten worden om vervolgens dan de overstap te maken naar het warmtenet. Haalbaarheid Het feit dat het om grote meergezinswoningcomplexen gaat maakt een aansluiting op het warmtenet haalbaar. Het grootste deel van deze complexen is van de woningcorporatie. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. De corporatie en de particulieren delen de collectieve warmtevoorzienig, dit maakt hen ook afhankelijk van elkaar. 5.9 Europesebuurt Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast ligt de buurt naast andere buurten waar een warmtenet komt. Voor de grondgebonden particuliere woningen in deze buurt geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente de komende jaren in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is. Haalbaarheid Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het voor de VvE's wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. 5.10 Koloniënbuurt Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Het bezit van Woonkracht10 in deze buurt is al aangesloten op het warmtenet en er komt een nieuwbouwontwikkeling welke ook zal worden aangesloten. Voor het bezit van Trivire geldt dat de corporatie voornemens is om dit na 2035 aan te sluiten. Voor de grondgebonden particuliere woningen in deze buurt geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Daarnaast zou het een gemiste kans zijn deze woningen niet aan te sluiten wanneer het warmtenet al in deze buurt ligt. Haalbaarheid Zoals aangegeven ligt het warmtenet al in deze buurt en zijn de corporaties voornemens om al corporatiebezit op den duur aan te sluiten. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. 5.11 Langeraarstraat en omgeving Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Hoewel het overgrote deel van deze buurt niet voor 2035 aangesloten zal worden, is er één complex van Woonkracht10 dat mogelijk wel al voor 2035 zal worden aangesloten. Vanwege het feit dat de rest van de buurt ook pas na 2035, geldt dat de particuliere woningen in dit gebied ook niet voor dit jaartal zullen worden aangesloten. Haalbaarheid Het ene complex van Woonkracht10 welke mogelijk aangesloten zal worden kan een belangrijke factor vormen in het wel/niet verkrijgen van Rijkssubsidies. Wanneer we deze subsidies verkrijgen, is het warmtenet goed betaalbaar voor de woningcorporatie. Dit maakt het haalbaar. 5.12 Ooievaar- en Vinkplein Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De volledige buurt bestaat uit meergezinswoningen van woningcorporatie Trivire. Meergezinswoningen lenen zich goed voor het warmtenet. Woningcorporatie Trivire heeft aangegeven dat het voornemens is om voor 2035 deze complexen aan te sluiten op het warmtenet. Haalbaarheid De woningen lenen zich goed voor het warmtenet en er is voor woningcorporaties subsidie beschikbaar om hun woningen aardgasvrij te maken. Dit maakt het warmtenet in deze buurt goed haalbaar. 5.13 Planetenbuurt Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. In de buurt gaat woningcorporatie Trivire nieuwe woningen bouwen en bestaande woningen renoveren. Voor al deze woningen geldt dat woningcorporatie Trivire voornemens is deze aan te sluiten. Naast de corporatiewoningen zitten er nog particuliere meergezinswoningcomplexen (VvE’s), welke zich goed lenen voor het warmtenet, en een aantal grondgebonden particulieren woningen in de buurt. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente in 2026 in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is. Haalbaarheid Voor de woningen van woningen van Trivire geldt dat de aansluitingen kunnen worden meegenomen in de nieuwbouw/renovatie werkzaamheden. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. We verwachten dat dit voor de VvE’s op korte termijn al zal lukken maar dat het voor de particuliere grondgebonden woningen nog even op zich zal laten wachten (wel binnen 10 jaar). 5.14 Sterrenbeeldenbuurt Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Woningcorporatie Trivire is voornemens om haar bezit in deze buurt op korte termijn (voor 2035) aan te sluiten op het warmtenet. Voor het bezit van Woonkracht10 en de particulieren geldt dat deze woningen zich goed lenen voor het warmtenet. Zo zijn een groot deel van de woningen meergezinswoningen en bezitten de eengezinswoningen over een lage isolatiegraad, wat een all-electric oplossing duur maakt. Deze woningen zullen alleen pas wel na 2035 worden aangesloten. Haalbaarheid Voor de woningen van de woningcorporaties geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er voor de corporaties subsidie beschikbaar is om hun woningen aardgasvrij te maken. Dit maakt een warmtenet haalbaar. Voor de particuliere woningen geldt dat de betaalbaarheid niet op orde is. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren ook op orde komt in deze buurt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. 5.15 Staatsliedenbuurt-Zuid Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Er zijn in de buurt al woningen van Woonkracht10 aangesloten en hier komen in de loop van 2025 nog woningen bij. Het feit dat er al een stuk warmtenet ligt en dat particuliere grondgebonden woningen een lage isolatiegraad hebben, maken een warmtenet de meest geschikte oplossing voor deze buurt. Haalbaarheid De corporatiewoningen in deze buurt zijn en worden al aangesloten op het warmtenet. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten/aan is gesloten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is 5.16 Swinhove – De Lus Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Nagenoeg alle woningen in deze buurt zijn meergezinswoningen van Woonkracht
  37. Meergezinswoningen lenen zich uitstekend voor een warmtenet en woningcorporatie Woonkracht10 is voornemens om de woningen voor 2035 aan te sluiten op het warmtenet. Daarnaast ligt er al een stuk warmtenet in omringende buurt wat dit gebied een logische vervolgstap is. Tenslotte beschikken de woningen in deze buurt over het algemeen over een lage isolatiegraad, dit maakt het alternatief voor een warmtenet, all-electric, te duur. Haalbaarheid Voor de woningen van de woningcorporatie geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er subsidie beschikbaar is om deze woningen aardgasvrij te maken. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten/aan is gesloten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. 5.17 Vogelbuurt-Oost Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Voorlopig is op korte termijn alleen woningcorporatie Trivire voornemens om voor 2035 woningen aan te sluiten. Voor alle woningen, zowel de corporatie als particuliere grondgebonden woningen in de buurt, geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Haalbaarheid Voor de woningen van de woningcorporatie geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er subsidie beschikbaar is om deze woningen aardgasvrij te maken. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. Het aandeel van corporatiewoningen in deze buurt is ook klein wat er voor zorgt dat de benodigde volumes om het betaalbaar te maken nog achterwegen blijven. De verwachting is dat de betaalbaarheid hier niet binnen 10 jaar op orde is. 5.18 Vogelbuurt-West Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De woningcorporaties zijn voornemens om het bezit in deze buurt op korte termijn (voor 2035) aan te sluiten op het warmtenet. Voor de particulieren geldt dat deze woningen zich goed lenen voor het warmtenet. Zo bezitten de eengezinswoningen over een lage isolatiegraad, wat een all-electric oplossing duur maakt. Haalbaarheid Voor de woningen van de woningcorporatie geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er subsidie beschikbaar is om deze woningen aardgasvrij te maken. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten/aan is gesloten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. 5.19 Voormalig Veilingterrein Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. In de buurt gaat woningcorporatie Woonkracht10 nieuwe woningen bouwen en bestaande woningen renoveren. Al deze woningen zullen worden aangesloten op het warmtenet. Naast de corporatiewoningen zitten er nog particuliere meergezinswoningcomplexen (VvE’s), welke zich goed lenen voor het warmtenet, en een aantal grondgebonden particulieren woningen in de buurt. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente binnen de komende 5 jaar in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is. Haalbaarheid Voor de woningen van woningen van Woonkracht10 geldt dat de aansluitingen kunnen worden meegenomen in de nieuwbouw/renovatie werkzaamheden. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. We verwachten dat dit voor de VvE’s op korte termijn al zal lukken maar dat het voor de particuliere grondgebonden woningen nog even op zich zal laten wachten (wel binnen 10 jaar). 5.20 Winkelcentrum Walburg Warmteoplossing Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur Warmtenet. De buurt bestaat bijna volledig uit meergezinswoningen van woningcorporatie Woonkracht
  38. Meergezinswoningen lenen zich uitstekend voor een warmtenet waardoor de woningcorporatie onlangs al is gestart met het aansluiten van een deel van hun bezit en voornemens is om de overige woningen, met uitzondering van complex ‘Het Anker’, voor 2035 aan te sluiten op het warmtenet. Naast de corporatiewoningen zitten er nog particuliere meergezinswoningcomplexen (VvE’s), welke zich goed lenen voor het warmtenet, en een aantal grondgebonden particulieren woningen in de buurt. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente binnen de komende 5 jaar in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is. Haalbaarheid Voor de woningen van woningen van Woonkracht10 geldt dat de aansluitingen kunnen worden meegenomen in de nieuwbouw/renovatie werkzaamheden. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. We verwachten dat dit voor de VvE’s op korte termijn al zal lukken maar dat het voor de particuliere grondgebonden woningen nog even op zich zal laten wachten (wel binnen 10 jaar).
  39. Warmtetransitie per doelgroep Tot nu toe is er in dit warmteprogramma steeds per buurt gekeken, maar in een buurt bevinden zich verschillende doelgroepen. In dit hoofdstuk is per paragraaf het perspectief geschetst per doelgroep. 6.1 Utiliteit Het Klimaatakkoord heeft voor utiliteitsbouw dezelfde ambitie vastgelegd als de woningbouw. Dit betekent dat ook voor utiliteitsbouw geldt dat deze in 2050 aardgasvrij zijn. Gemeenten zijn ook voor deze verduurzamingsopgave verantwoordelijk. Het gaat daarbij om commercieel en maatschappelijk vastgoed, zoals kantoren, bedrijfspanden, winkels, scholen, musea, zorg- en sportaccommodaties. Er zijn een aantal losse initiatieven met name op het gebied van verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. Verder benadert HVC actief utiliteit voor het aansluiten van het warmtenet. Daarnaast lopen er 3 sporen op specifieke doelgroepen: Convenant zorg (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) (Toekomstig) convenant scholen (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) Ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed (Provincie Zuid-Holland) De landelijke kaders waaruit verder doelgroepgericht de utiliteit benaderd worden: Energiebesparingsplicht geldt voor bedrijven en maatschappelijke instellingen, met een jaarlijks energieverbruik boven de grens van 50.000 kWh of 25.000 m
  40. Deze bedrijven en instellingen moeten alle maatregelen voor verduurzaming van het energiegebruik treffen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Potentieel wordt dit naar 7 jaar uitgebreid. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht. Financiering loopt via verschillende landelijke regelingen onder andere voor sportclubs, maatschappelijk vastgoed en investeringssubsidies voor duurzame energie, en verschillende fiscale regelingen voor ondernemers voor milieu- en energie investeringen 5 ​Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) . Wat zijn de uitdagingen? Er bestaat momenteel geen regionale aanpak voor utiliteit buiten bedrijventerreinen, dus alle gemeenten zijn individueel aan zet voor deze aanpak. De Provincie ondersteunt alleen op verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. Gebiedsgericht versus doelgroepgericht – lopende initiatieven zijn met name op specifieke doelgroepen gericht. Dit is een andere aanpak dan de gebiedsgerichte aanpak van de uitvoeringsplannen. Het is zinvol om de synergie tussen deze sporen te gaan zoeken. De bedrijventerreinen aanpak (paragraaf 6.6) is hier een goed voorbeeld van. Gemeentelijk vastgoed als voorbeeldfunctie – idealiter is het gemeentelijk vastgoed koploper en het voorbeeld voor het aardgasvrij maken van de utiliteit. De voorbeeldfunctie van gemeentelijk vastgoed vanwege het bereiken van de diverse doelgroepen is een belangrijke stap in het creëren van draagvlak voor de warmtetransitie in de directe omgeving van inwoners. Uitgangspunten voor dit Warmteprogramma Iedere gemeente werkt met HVC een uitvoeringsplan uit voor het aansluiten van gemeentelijk vastgoed, waarin gewerkt wordt naar het aansluiten onder redelijke voorwaarden en binnen een tijdspad dat past in de natuurlijke vervanging van installaties. Uitbouwen ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed vanuit de provincie met de kaders en perspectieven van de warmte perspectiefkaarten. 6.2 Sociale woningbouw De woningcorporaties in de Drechtsteden werken met de gemeenten en HVC gezamenlijk aan het aansluiten van woningen op het warmtenet. De woningcorporaties hebben de afgelopen jaren de rol van startmotor op zich genomen, zoals beschreven in het Klimaatakkoord van 2019 en de Nationale Prestatieafspraken van
  41. Dit betekent dat de woningcorporaties de eerste partij zijn in een wijk of buurt waar het warmtenet wordt aangesloten. Ook worden de belangen van de huurders meegenomen in deze trajecten door waardevolle samenwerkingen met huurdersverenigingen. De woningcorporatie is het aanspreekpunt voor huurders bij het aansluiten van het warmtenet en informeert huurders zodra de woning aan de beurt is. HVC is verantwoordelijk voor afhandeling van de contracten met de huurders en de realisatie van de aansluitingen. In de perspectiefkaarten is te zien op welke termijn verwacht wordt dat dit gaat spelen. Is de aardgasvrije oplossing nog niet gekozen, dan is de gemeente dit nog met stakeholders aan het onderzoeken. Ondertussen kunnen huurwoningen wel transitiegereed of voorbereid worden op de aardgasvrije oplossing door isolatie en ventilatie te verbeteren en over te schakelen op elektrisch koken. 6.3 Overige huurwoningen Ook voor huurwoningen in de vrije sector van woningcorporaties, institutionele beleggers, zakelijke verhuurders en particuliere verhuurders is de overstap naar aardgasvrij belangrijk. De eigenaren van deze woningen maken ook aanspraak op subsidie zoals de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH). Er zijn binnen de Drechtsteden geen collectieve afspraken voor de verduurzaming van deze woningen. Wel zullen al deze woningen ook in het buurt- of wijkuitvoeringsplan worden meegenomen door de gemeente. 6.4 VvE’s Vereniging van Eigenaren (VvE) moeten gezamenlijk besluiten over de verduurzaming van hun gebouw en een aansluiting. De voorbereiding van deze besluitvorming kost veel tijd en begeleiding. Het is te adviseren minimaal 3 jaar voor de feitelijke uitvoering te starten met het proces rondom de besluitvorming. Voor VvE's die niet actief zijn (geen beslissingen maken over onderhoud) is een veel langer traject nodig en kan de doorlooptijd tussen de 7 en 10 jaar variëren. De Rijksoverheid heeft een aantal belemmeringen in beeld gebracht om de verduurzaming van VvE's te versnellen. Met name de opkomsteis en een verhoogde meerderheid bij VvE-vergaderingen met besluitvorming zijn aangemerkt als vertragende factor. De overheid werkt daarom aan wetgeving en trajecten voor: Eenvoudigere besluitvorming Betere ondersteuning bij verduurzaming Aanstellen van procesbegeleiders en landelijk vve-verduurzamingsloket Verbeterde subsidies en leningen Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) met een collectieve aansluiting hebben een strategische positie binnen de warmtetransitie en specifiek bij de uitrol van het warmtenet. VvE’s vertegenwoordigen doorgaans een groot volume aan woningen, aangezien het vaak om meergezinswoningen gaat, en delen bij een collectieve aansluiting de kosten onder de bewoners. Hierdoor is een aansluiting op het warmtenet voor deze doelgroep relatief betaalbaar. Bovendien draagt het aansluiten van VvE’s bij aan de betaalbaarheid voor andere doelgroepen: hoe meer aansluitingen er gerealiseerd worden, hoe lager de eenmalige aansluitkosten per woning. Daarmee kunnen VvE’s een belangrijke impuls geven aan de verdere uitrol van het warmtenet. De gemeente is voornemens een projectleider aan te stellen die als procesbegeleider voor VvE’s zal optreden. Deze projectleider zal, in lijn met de aansluitplanning van de woningcorporaties en het warmteprogramma, aan de slag gaan met VvE’s die in de nabijheid liggen van corporatiebezit dat op korte termijn wordt aangesloten. Voor VvE’s die eerst moeten verduurzamen voordat zij kunnen worden aangesloten op het warmtenet – bijvoorbeeld vanwege een te lage isolatiegraad voor een middentemperatuur warmtenet – zal de projectleider een begeleid traject doorlopen. Dit traject bestaat uit het contact leggen met de VvE, het inventariseren van de huidige staat van het vastgoed en de verduurzamingsopgave, het begeleiden bij het opstellen van een verduurzamingsplan, het ondersteunen bij het aanvragen van subsidies en financiering, en het afstemmen met het warmtenetprogramma om tot een toekomstbestendige aansluiting te komen. 6.5 Eigenaar grondgebonden woning Voor particuliere eigenaren van grondgebonden woningen is er minder complexiteit in de besluitvorming om over te stappen naar andere warmteoptie. Daarentegen is de betaalbaarheid een groter punt omdat de kosten niet collectief kunnen worden gedeeld. Iedere woningeigenaar bepaalt voor zich. Echter zorgt dit er meteen ook voor dat het tempo waarin dit gebeurt niet te sturen valt. De ervaring, ook met isolatieaanpak, leert dat een blok voor blok aanpak bij eengezinswoningen niet werkt. De natuurlijke momenten voor besluitvorming binnen een blok wisselen daarvoor te veel. Wel is uiteraard gebruik te maken van eigen inzet en groepsvorming van bewoners zelf (bottom-up). Voor eigenaar-bewoners is individuele ondersteuning te krijgen via het Energieloket van de Drechtsteden (duurzaam-drechtsteden.nl). 6.6 Bedrijventerreinen De aanpak voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen is deels een andere opgave dan die van woonwijken. Dit is de reden dat in de perspectiefkaart deze terreinen een ander label krijgen. Er zijn verschillende redenen waarom bedrijventerreinen een ander label krijgen: De warmtebehoefte is anders. Bedrijventerreinen hebben een grotere verscheidenheid in energiegebruik en warmtebehoefte. Een lagere warmtevraag voor kantoren en specifieke temperatuurvereisten voor industriële processen maken bijvoorbeeld een standaard aanpak minder geschikt. Dit maakt een uniforme aanpak complexer dan in woonwijken. De verduurzaming van bedrijven, kantoren en de industrie vallen vaak onder andere beleidskaders en regelgeving ten aanzien van bijvoorbeeld aardgasvrij en energiebesparing. Het is echter belangrijk om te kijken naar bedrijventerreinen, vooral als er kansen zijn voor uitwisseling van restwarmte met de omgeving of collectieve warmteoplossingen. Geen perspectief bieden aan bedrijven, leidt tot situatie van een ‘standstill’ of bedrijven besluiten te elektrificeren en dat moeten we willen voorkomen. Collectieve oplossingen hebben de voorkeur boven individuele oplossingen in verband met netcongestie. De kans die er speelt voor bedrijventerreinen is het volgende: In de gehele Drechtsteden bevinden zich 64 bedrijventerreinen en in 2025 zijn 17 daarvan reeds gestart met het opzetten van energiecoöperaties. De regio werkt in de komende 4 jaar toe om op nog 45 bedrijventerreinen energiehubs op te richten. Hiertoe werkt de regio nauw samen met de Werkgevers Drechtsteden. De ondernemers zijn hierbij in de lead en zetten een zogeheten Innovatietafel Energiedelen op. De gemeenten zijn faciliterend door het beschikbaar stellen van een energie expert en digital twin (zie paragraaf 3.6). Energiecoöperaties zijn lokale samenwerkingen tussen gebruikers en producenten van energie. In een energiehub wordt energieopwek, -transport, -opslag, -conversie en -verbruik op elkaar afgestemd. Deze afstemming wordt in eerste instantie gebruikt om netcongestie tegen te gaan, maar energiecoöperaties gaan niet alleen over elektriciteit. Een energiecoöperatie kan bijvoorbeeld ook worden gebruikt om samen warmte en duurzame gassen te verbruiken, uit te wisselen en/of te produceren. De uitgangspunten voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen: We zetten een fasegewijze aanpak op voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen per
  42. Hierbij doorlopen we de volgende stappen: Het identificeren van kansen Het creëren van betrokkenheid van ondernemers Het (nader) onderzoeken van warmtealternatieven Het organiseren van financiering en ondersteuning We starten met een onderzoek naar het identificeren van kansen voor de warmtetransitie op bedrijventerreinen. Welke bedrijven hebben restwarmte en/of kunnen bijvoorbeeld aansluiten bij het warmtenet? Of zijn er bedrijventerreinen die naast woonwijken liggen waar mogelijke synergie in uitwisseling van energie kan worden gerealiseerd? We sluiten aan bij lopende projecten en initiatieven. In de aanpak van de energiecoöperaties wordt warmtetransitie als een vast onderdeel meegenomen. Nieuwe bedrijventerreinen worden sinds 1 juli 2018 gasloos opgeleverd. Op elk nieuw bedrijventerrein dat wordt gerealiseerd is de ambitie om aan de voorkant te starten met een energiecoöperatie en hier ook meteen de warmtevraag in mee te nemen. 6.7 Nieuwbouw Sinds 2018 moet alle nieuwbouw aardgasvrij worden opgeleverd. De eisen voor bijna energie-neutrale gebouwen (BENG) zorgen ervoor dat nieuwbouw goed geïsoleerd is en een lage warmtevraag heeft. Het uitgangspunt om nieuwbouw wel of niet op een warmtenet aan te sluiten wordt door een gemeente bepaald op basis van het beleid in haar warmteprogramma. Indien een initiatiefnemer van woningbouw de kosten van de aansluiting op het warmtenet te hoog vindt, moet deze dit aantonen door een vergelijkende berekening tussen warmtenet en warmtepomp (of gelijkwaardig). Deze berekening dient gemaakt te worden door een onpartijdige en deskundige derde. Het nadeel van nieuwbouwwoningen is dat de koelbehoefte bij goed geïsoleerde woningen groter is. Met name wanneer de verplichte TOjuli eis niet is nageleefd, de indicator die sinds 2021 geldt voor de risico voor temperatuuroverschrijding in de maand juli. Ontwerpen met deze indicator, zorgen voor een woning die beter bestand is tegen hittestress. En hebben als voordeel dat actieve koeling (die de energievraag van de woning vergroten) voorkomen kan worden. Uitgangspunten voor de technische oplossing: Netbewust – Dit betekent dat energiesystemen worden gezocht die minder elektriciteit verbruiken (met name op piekmomenten) en dus het elektriciteitsnet minder belasten. Collectieve oplossingen hebben daarin de voorkeur (vanwege het beheersen van de piekbelasting). Passief koelen heeft de voorkeur, inclusief warmtewering, nachtventilatie en de inrichting van de buitenruimte. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de ladder van koeling. 6.8 Warmtegemeenschap In het uitnodigingskader van dit warmteprogramma en ook de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) wordt nadrukkelijk de rol van lokale initiatieven benadrukt. Deze initiatieven kunnen groeien naar de status van officiële warmtegemeenschap zoals bedoeld in de Wcw of energiegemeenschap zoals bedoeld in de Energiewet. We denken hierbij aan buren die met elkaar een eigen warmtebron of bronnet willen aanleggen of een onderzoek willen doen naar de alternatieven. Ook een bestaande energiecoöperatie van bedrijven valt onder deze definitie. Financiële ondersteuning in de aanloopfase van deze initiatieven wordt o.a. verzorgd door Provincie Zuid-Holland via de Lokale initiatieven regeling

(2023). Deze regeling is beschikbaar tot medio
  1. Vereisten voor deze aanvraag zijn onder andere: er is draagvlak in de buurt of wijk voor het initiatief, naast de gemeente en het initiatief is er een andere privaatrechtelijke partij bij de samenwerking betrokken en er is aandacht voor inclusiviteit. Organisatorisch kunnen bewonersinitiatieven via verschillende instanties zoals Energiesamen Zuid-Holland en LSA Bewoners ondersteuning ontvangen in kennis, proces en organisatie voor het initiatief.
  2. Monitoring en evaluatie Om de voortgang naar een aardgasvrije gemeente in 2050 te kunnen bijhouden is het belangrijk om te monitoren. Dit is verplicht voor buurten waar in de komende 10 jaar voornemens zijn de Wgiw in te zetten. Men moet zeker weten dat een alternatief voor aardgas voor alle gebouweigenaren daadwerkelijk beschikbaar en toegepast is voordat de levering van aardgas stopt. Dit heet de vergewisplicht. Ook is het belangrijk om de aanpak te evalueren en waar nodig bij te stellen. In dit hoofdstuk zijn de monitorings- en evaluatieaanpak toegelicht. 7.1 Monitoring Om de voortgang van de warmtetransitie goed te kunnen monitoren worden een aantal indicatoren bijgehouden, deze zijn toegelicht in de volgende tabel. Indicator Uitwerking Frequentie Bron/actiehouder Isolatiegraad Zie toelichting onder deze tabel Jaarlijks Gemeente Hoofdverwarmings-installatie Samenvatting per buurt (cv-ketel, warmtenet, warmtepomp, anders) Jaarlijks CBS Betaalbaarheid van de warmtetechnieken Actualisatie van de inschatting van eindgebruikerskosten voor de gekozen warmtetechnieken per buurt Incidenteel Gemeente Gasverbruik gebouwen Gemiddeld gasverbruik per buurt Jaarlijks CBS Bewonersbewustzijn Bewonersenquête of andere vorm, ophalen wat het kennisniveau en de behoefte van inwoners is Tweejaarlijks Gemeente Aantal aansluitingen warmtenet* Aantal aangesloten gebouwen op het warmtenet voor gebieden waar een warmtenet wordt gerealiseerd, zie toelichting onder deze tabel Halfjaarlijks HVC Opt-out* Aantal gebouweigenaren dat gemeld heeft een alternatieve warmteoplossing te willen realiseren en het aantal dat dit al gerealiseerd heeft in een gebied waar een collectieve oplossing wordt gerealiseerd Jaarlijks Gemeente Aantal aardgasvrije gebouwen* Aantal gebouwen zonder aardgasaansluiting Jaarlijks Stedin * Alleen in gebieden waar de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet, moet deze data gedeeld worden. Isolatiegraad De wens is om op termijn voor iedere woning de isolatiegraad inzichtelijk te hebben, dit is een grote opgave. De focus ligt daarom in eerste instantie op de buurten die nu een besparingsbuurt perspectief hebben. Voor deze buurten zal de komende 5 jaar actief de isolatiegraad gemonitord worden zodat bij de herijking van het warmteprogramma het perspectief voor deze buurt kan worden geactualiseerd. Het monitoringsplan hiervoor moet nog verder worden vormgegeven. Aantal aansluitingen warmtenet Aantal gerealiseerde warmtenetaansluitingen (peildatum 6 juni 2025): 445 WEQ Aantal aansluitingen per buurt (gerealiseerd + in aanleg) (peildatum 6 juni 2025): Buurt Aantal WEQ Wijk Walburg 276.2 Europesebuurt 120 Oud- en Gerbrandyplein 156.2 Wijk Noord 95 Langeraarstraat en omgeving 20 Schildersbuurt 75 Wijk Kort Ambacht 168.2 Kapiteinflats 139.2 Koloniënbuurt 29 7.2 Evaluatie en herijking De uitkomsten van de monitoring worden jaarlijks besproken met het ambtelijk projectteam. Daarbij betrekken we onze partners en de regio. We maken een monitoringsverslag dat zal worden gedeeld met de gemeenteraad. Hierin doen we ook een aanbeveling voor het uitvoeringstempo in relatie tot de risico’s en kansen met betrekking tot betaalbaarheid, netcongestie en draagvlak. Bij de vaststelling van het volgende warmteprogramma in 2030 beschrijven we de voortgang van de periode 2025-
  3. Het huidige warmteprogramma kijkt terug op de periode 2021-2025, zie bijlage
  4. De plannen in dit warmteprogramma zullen worden aangepast als de evaluaties daar aanleiding tot geven. Als dit gevolgen heeft voor budget, planning of doelen neemt het managementteam van de gemeente hierover een besluit. In andere gevallen besluit het projectteam. Het is denkbaar dat de evaluatie ertoe leidt dat dit warmteprogramma gewijzigd moet worden. Bijvoorbeeld om een volledig andere warmteoplossing mogelijk te maken dan hier is beschreven. Voor een dergelijke wijziging van het warmteprogramma is een nieuw besluit van het college van B&W nodig. Bijlage I Begrippen aanwijsbevoegdheid Onderdeel van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) is de aanwijsbevoegdheid. Die biedt gemeenten de mogelijkheden om in het omgevingsplan binnen hun grondgebied gebieden aan te wijzen die binnen een bepaalde termijn overgaan op een duurzame warmtevoorziening en waar het aardgastransport dan dus eindigt. aardgasvrij Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. Dit betekent niet altijd gasloos, er kan duurzaam gas worden toegepast. afleverset Bij een warmtenet wordt er gebruik gemaakt van een afleverset in de woning. De afleverset bevindt zich in de meterkast, berging of andere technische ruimte en zorgt ervoor dat de warmte van het warmtenet de verwarmingsinstallatie van de woning bereikt. all-electric Warmteoptie waarbij een gebouw alleen aangesloten is op het elektriciteitsnet en verwarmen en koken gebeurt met gebruik van elektriciteit (vaak een warmtepomp). aquathermie Thermische energie uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater dat kan worden gebruikt als bron voor een warmtenet of lokaal bronnet. buurt Gemeenten in Nederland zijn onderverdeeld in wijken en buurten. Buurten vormen het laagste regionale niveau. Het is op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogee

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.