Algemene plaatselijke verordening Soest 2025De raad van de gemeente Soest; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 3 juni 2025; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening Soest 2025 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1:1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bromfiets; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; toezichthouder: een toezichthouder in de zin van artikel 6:2 van deze verordening. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, voor zover in deze verordening of in andere wet- of regelgeving geen andere termijn is bepaald voor het nemen van het betreffende besluit. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 4.In afwijking van het eerste lid wordt op de aanvraag van een vergunning voor het geven van circusvoorstellingen beslist aan het eind van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Artikel1:3Indiening aanvraag (vervallen) Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor (
- te)kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2.Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling1.Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke gebouwen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet of afgesloten. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6.Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid bedoelde openbare plaatsen of in de in dat lid bedoelde gebouwen een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben. 7.Het is verboden een voorwerp dat door het bevoegd gezag ter afzetting of afsluiting van een openbare plaats of gebouw als bedoeld in het derde lid is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen. 8.De verboden in dit artikel gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:2Optochten [gereserveerd] Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel2:4Afwijking termijn (vervallen) Artikel2:5Te verstrekken gegevens (vervallen) Artikel2:6Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [gereserveerd] Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen) Artikel2:8Dienstverlening (vervallen) Artikel2:9Vertoningen op openbare plaatsen 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel2:10Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.[gereserveerd]. 3.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Soest 2022, en diens rechtsopvolger(s). Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; de uitweg zonder compensatie ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, verzamelpunt van afvalcontainers, oplaadpunt voor elektrische auto’s, bushalte of ander gebruik van de openbare ruimte; indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de uitweg niet bijdraagt aan een toename van de verkeersveiligheid; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel2:13Veroorzaken van gladheid (vervallen) Artikel2:14Winkelwagentjes 1.Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2.Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2:16Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:17Kelderingangen e.d. 1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (vervallen) Artikel2:20Vallende voorwerpen (vervallen) Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel2:23Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 3. Evenementen Artikel2:24Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een klein evenement; een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3.Onder klein evenement wordt verstaan: een eendaags buurt- en wijkevenement. Onder een buurt- en wijkevenement wordt verstaan: een evenement dat door en in de buurt c.q. wijk georganiseerd wordt, zoals een buurtbarbecue, buurtfeest, wijkdag of spellenmiddag; een tocht, zoals een toertocht, wandeltocht en oldtimerdag; wedstrijden die in het omgevingsplan aangewezen natuurgebied plaatsvinden zijn hiervan uitgezonderd; De volgende andere eendaagse evenementen: een tentoonstelling; een opening; een schoolevenement zijnde een evenement dat door een erkende onderwijsinstelling wordt georganiseerd en dat is gericht op aan onderwijs gerelateerde activiteiten; een informatief evenement zijnde een evenement dat in hoofdzaak is gericht op een onderwerp of thema met als doel er meer over te weten te komen of er iets van te leren. Artikel2:25Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Een vergunning voor een evenement dient minimaal zestien weken voor aanvang van het evenement te worden aangevraagd, tenzij een afwijkende termijn is bepaald in de Beleidsregels voor de uitvoering van het Beleidsplan Veilige evenementen in een gastvrij Soest, en diens rechtsopvolger(s). 3.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1 eerste lid van het Besluit Brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 gelijktijdig aanwezige personen; en het evenement plaatsvindt op: maandag t/m donderdag van 09.00 uur tot 18.00 uur, of vrijdag en zaterdag van 09.00 uur tot 24.00 uur, of zondag van 13.00 uur tot 23.00 uur; en slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per object; en er uitsluitend sprake is van akoestisch geluid of licht versterkt muziekgeluid (achtergrondmuziek); en het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, trottoir of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten en de organisator minimaal zeven werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; danwel het evenement wel plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, trottoir of parkeerplaats en de organisator minimaal zes weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5.De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:27Definities 1.In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, afhaalzaak, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. 2.Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3.Verder wordt in deze afdeling verstaan onder: vergunninghouder: de ondernemer - rechtspersoon of natuurlijke persoon - zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd. leidinggevende: de (rechts)persoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd. de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting. Artikel2:28Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3.Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 4.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 5.De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitanten / leidinggevenden van de openbare inrichting: de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; onder curatele staan. 6.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 7.Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 8.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover sprake is van een mengformule als bedoeld in het ‘Retailbeleid 2016-2026’, en diens rechtsopvolger(
- s)en het parapluplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets 2017’, en diens rechtsopvolger(s): ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; een zorginstelling; een museum; of een bedrijfskantine of -restaurant. 9.In afwijking van het hiervoor in lid 4 en lid 8 sub a bepaalde, is de voorwaarde, dat er geen terras mag worden geëxploiteerd, niet van toepassing voor die exploitanten die op 8 februari 2018 reeds onder de hiervoor genoemde mengformule vielen én een terras exploiteerden. Voor dit terras dient wel een vergunning als bedoeld in het eerste lid aanwezig te zijn. 10.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:29Sluitingstijd 1.Openbare inrichtingen zijn gesloten dagelijks tussen 24.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd). In afwijking van de vorige zin geldt voor een bij de openbare inrichting behorend terras dat dit niet door bezoekers gebruikt mag worden dagelijks tussen 23.00-06.00 uur. 2.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 4.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, achtste lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5.Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 6.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel2:31Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel2:31aAanwezigheid leidinggevende Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien niet in deze inrichting aanwezig is: een leidinggevende die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31b is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist. Artikel2:31bMelden leidinggevende 1.De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij te schrijven dan wel door te halen. 2.Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3.De ontvangst van de melding wordt onverwijld bevestigd. 4.Direct na bevestiging van ontvangst van de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn. Artikel2:32Handel binnen openbare inrichtingen 1.In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel2:34Intrekking en verval van vergunning 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting in, indien: niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28, vijfde lid, gestelde eisen; zich in of vanuit de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:31b is aangemeld. 2.De vergunning vervalt van rechtswege indien: de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen; de aard van de inrichting is gewijzigd zonder dat daarvoor een nieuwe vergunning is verleend. Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel2:34aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichting, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen 1.Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, categorie buitensport, kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op: maandag tot en met vrijdag vanaf 18.00 uur tot 24.00 uur; zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 21.00 uur. 2.Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, categorie binnensport, kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op: maandag tot en met vrijdag vanaf 18.00 uur tot 24.00 uur; zaterdag en zondag vanaf 15.00 uur tot 24.00 uur. 3.Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op maandag tot en met zondag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur. 4.Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van culturele aard kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op: zondag tot en met donderdag vanaf 12.00 uur tot 23.00 uur; vrijdag en zaterdag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur. 5.In afwijking van het vorige lid mag vereniging Artishock alcoholhoudende drank verstrekken maandag- tot en met vrijdagochtend tot 01.00 uur op zaterdag- en zondagochtend tot 02.00 uur, voor zover een vergunning(voorschrift) op grond van artikel 2:29 van deze verordening (sluitingstijd) toestaat tot die tijd de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben. 6.Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt (zoals Stichting Welzijn Ouderen Soest) kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op maandag tot en met zondag vanaf 13.30 uur tot 24.00 uur. 7.Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op maandag tot en met zondag van 12.00 uur tot 23.00 uur. 8.De Stichting Welzijn Ouderen Soest kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste twaalf bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard. 9.Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van religieuze aard kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste zes bijeenkomsten per jaar die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 10.De burgemeester kan maximaal 10 keer per jaar met het oog op bijzondere gelegenheden (sponsorbijeenkomsten, vrijwilligersavonden e.a.) van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen aan de onder lid 1 en lid 2 genoemde paracommerciële rechtspersonen (categorieën buitensport en binnensport) ontheffing verlenen van de vastgestelde schenktijden. Deze bijeenkomsten moeten een directe relatie hebben met de doelstellingen van de betrokken vereniging. Een paracommerciële rechtspersoon vraagt deze ontheffing uiterlijk vijftien werkdagen voordat de festiviteit plaatsvindt aan. 11.Voor het overige verstrekken paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 12.Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk tien werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het achtste en negende lid melding hiervan aan de burgemeester. 13.De burgemeester kan maximaal 6 keer per jaar met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen aan een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verlenen van de in het eerste tot en met het zevende lid vastgestelde schenktijden. Een paracommerciële rechtspersoon vraagt deze ontheffing uiterlijk vijftien werkdagen voordat de festiviteit plaatsvindt aan. Artikel2:34cBeperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting waarin uitsluitend of in hoofdzaak activiteiten gericht op minderjarigen plaatsvinden. 2.De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Artikel2:34dKoppeling toegang aan leeftijden [gereserveerd] Artikel2:34eBeperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven [gereserveerd] Artikel2:34fVerbod "happy hours" (vervallen) Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:35Definities In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel2:36Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2:37Nachtregister (vervallen) Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:39Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40Kansspelautomaten 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelspeelautomaten toegestaan. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens een dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden (vervallen) Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d. (vervallen) Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen of hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3.Het is verboden op een openbare plaats, in de nabijheid van winkels, een tas of andere voorwerpen bij zich te hebben die er kennelijk toe uitgerust zijn om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel2:46Rijden over bermen e.d. [gereserveerd] Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen; zich zonder redelijk doel op te houden onder de overkapping van een winkel of wooncomplex. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages, rijwielstallingen, winkelcentra, tunnels, speelplaatsen en schoolpleinen. Artikel2:50aMessen en andere voorwerpen als steekwapen 1.Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2.Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3.Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie. Artikel2:51Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:52aVerboden toegang fietsen e.d. Het is verboden in voor het publiek toegankelijke door-, achter- en brandgangen of op voor het publiek toegankelijke toegangspaden tot achtertuinen te rijden met een fiets, bromfiets of motorvoertuig op twee wielen, tenzij deze gangen en paden (mede) bestemd zijn voor het rijden met voertuigen met meer dan twee wielen. Artikel2:53Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden. Artikel2:54Bewakingsapparatuur (vervallen) Artikel2:55Nodeloos alarmeren (vervallen) Artikel2:56Alarminstallaties (vervallen) Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, op begraafplaatsen of op een andere door het college aangewezen plaats; op een openbare plaats, zonder dat die hond aangelijnd is; op een openbare plaats indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen (zgn. losloopterreinen). 3.Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4.Het is verboden om een losloopterrein te gebruiken met meer dan drie honden per persoon. 5.Het college kan nadere regels vaststellen waarbij met een vergunning van het college kan worden afgeweken van het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, tot een maximum van vijf honden per persoon. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats binnen de bebouwde kom begeeft, is verplicht: ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd; een schepje of zakje bij zich te dragen om de uitwerpselen op te ruimen; het onder b bedoelde schepje of zakje op eerste vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van dit artikel, aan deze ambtenaar te tonen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 3.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen (uitlaatterreinen). Artikel2:59Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings-, en verdedigingswerk. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: Op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; Het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en Het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2:60Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of te voeren. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. Artikel2:61Wilde dieren [gereserveerd] Artikel2:62Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:63Duiven [gereserveerd] Artikel2:64Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:65Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel2:66Definities In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover van toepassing - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3.Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [gereserveerd] Artikel2:70Handel in horecabedrijven (vervallen) Afdeling10. Consumentenvuurwerk en carbidschieten Artikel2:71Definities In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen [gereserveerd] Artikel2:73Verbod consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden om consumentenvuurwerk (categorie F2 en F3) tot ontbranding te brengen. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:73aCarbidschieten 1.Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:74aOpenlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:26 of 2:31, aanhef en onder a, van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een andere voor ieder toegankelijke plaats. Artikel2:78Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. 5.Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 6.Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel2:79Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel2:80Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt de mededeling van het sluitingsbevel tevens aangebracht op of nabij de toegang(
- en)van het gebouw of erf. 3.Eenieder is verplicht toe te laten dat een bekendmaking van de sluiting wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4.De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 5.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 6.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 7.Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 8.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Artikel2:81Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2.De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4.De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; het nummer van inschrijving in het Handelsregister; voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien een of meer exploitanten of beheerders van de bedrijfsmatige activiteit binnen drie jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijfsmatige activiteit heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 6.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. Onverminderd het bepaalde in het negende lid en artikel 1:6, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken als de melding niet binnen een maand na de verandering is ingediend. 7.Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8.De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: door de bedrijfsmatige activiteit de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10.Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11.De burgemeester brengt een bekendmaking van de sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12.Eenieder is verplicht toe te laten dat de bekendmaking van de sluiting wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13.Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven. 14.De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15.In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk3.Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel3:1Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel3:2Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen al dan niet tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel3:3Vergunning 1.Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2.Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 3.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 4.Een vergunning kan uitsluitend voor één seksinrichting worden verleend. 5.De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar. Artikel3:4Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Artikel3:5Maximum aantal vergunningen voor seksinrichtingen Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen en het aantal werkruimten in een seksinrichting waarvoor vergunning kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente. Artikel3:6Aanvraag 1.Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. 2.Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding. 3.Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel3:7Weigeringsgronden 1.Een vergunning wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijk gesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom of geldboete minder dan € 375 bedraagt. 3.De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5.Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend; als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend. Artikel3:8Eisen met betrekking tot vergunning 1.De vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant; indien van toepassing, die van de beheerder; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning. 2.De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en dat tevens aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel3:9Intrekkingsgronden 1.De vergunning wordt ingetrokken als: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2.De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4; er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt. Artikel3:10Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel3:11Verlenging vergunning 1.Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden. 2.Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten. Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf3.1Regels voor alle seksbedrijven Artikel3:12Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1.Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met zaterdag tussen 23.00 en 08.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald; van zaterdagavond 23.00 uur tot maandagochtend 08.00 uur. 2.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. 3.Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksinrichting: op maandag tot en met zaterdag tussen 24.00 en 07.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald; van zaterdagavond 24.00 uur tot maandagochtend 07.00 uur. 4.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting. Artikel3:13Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Paragraaf3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees Artikel3:14Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf 1.Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. 2.Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. 3.Het is een prostituee verboden: te handelen in strijd met het eerste lid; werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. Artikel3:15Bedrijfsplan 1.Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten. 2.De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(
- en)die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt. 3.Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning. 4.De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld. 5.De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant. 6.In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken. Artikel3:16Minimale verhuurperiode werkruimte Een werkruimte wordt bij aanvang van het huren voor ten minste vier aaneengesloten weken verhuurd. Artikel3:17Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend. 2.De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval: de voor of bij werkzame prostituees; de verhuuradministratie; met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; de werkroosters van de beheerders; de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; onverwijld bij de politie en het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting; onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur; gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf. Paragraaf3.3Raam- en straatprostitutie Artikel3:18Raamprostitutie Het is een prostituee verboden: zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden. Artikel3:19Straatprostitutie Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie. Artikel3:20Handhaving straatprostitutie 1.Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 2.Een toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostituees of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen. 3.Met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven een bevel geven zich gedurende ten hoogste drie maanden niet op te houden op krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen wegen. 4.De burgemeester beperkt het in het derde lid bedoelde bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Afdeling 4. Overige bepalingen Artikel3:21Verbodsbepalingen klanten 1.Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. 2.Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee. Artikel3:22Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Hoofdstuk4.Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel4:1Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan LAeq 80 dB(A), LCeq 93 dB(C) en LAmax 95 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 7.De geluidsnorm als bedoeld in het voorgaande lid is inclusief onversterkte muziek. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, met dien verstande dat een maximale eindtijd van 00.00 uur geldt indien de afstand tussen de erfgrens van de inrichting en de gevel van de dichtstbijzijnde woning minder dan 50 meter bedraagt. Artikel4:3Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar, waarvan maximaal drie dagen of dagdelen in de buitenruimte behorend bij de inrichting, incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. In afwijking van de vorige zin geldt voor inrichtingen in het buitengebied een aantal van maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar. 2.In afwijking van het eerste lid geldt voor het openluchttheater gelegen aan de Soesterbergsestraat 140 te Soest een maximum van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar voor het houden van incidentele festiviteiten waarbij de in het eerste lid genoemde geluidsnormen niet van toepassing zijn, mits de houder van die inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. In afwijking van de vorige zin geldt voor inrichtingen in het buitengebied een aantal van maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar. 4.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6.De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7.Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt vanuit de binnenruimte van de inrichting bedraagt niet meer dan: Geluidnormen dag-, avond- en een deel van de nachtperiode 7.00 uur – 19.00 uur 19.00 uur – 23.00 uur 23.00 uur – 01.00 uur Gemiddelde muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) Gemiddelde muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Piek-muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is 90 dB(A) 85 dB(A) 80 dB(A) Piek-muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) Bas-muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 68 dB(C) 63 dB(C) 58 dB(C) Bas-muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is 83 dB(C) 78 dB (C) 73 dB(C) 8.Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt vanuit de buitenruimte van de inrichting bedraagt niet meer dan: Geluidnormen dag-, avond- en een deel van de nachtperiode 7.00 uur – 19.00 uur 19.00 uur – 23.00 uur 23.00 uur – 01.00 uur (alleen op vrijdag- en zaterdagavond) Gemiddelde muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is 80 dB(A) 80 dB(A) 80 dB(A) Piek-muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is 95 dB(A) 95 dB(A) 95 dB(A) Bas-muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is 93 dB(C) 93 dB(C) 93 dB(C) 9.In afwijking van het achtste lid bedraagt het equivalente geluidsniveau, gemiddeld over vijf minuten, veroorzaakt vanuit het in het tweede lid genoemde openluchttheater niet meer dan: 130 dB(A) en 143 dB(C) gemeten op een meter van de bron; 95 dB(A) en 103 dB(C) gemeten op de bovenste ring van de tribune. 10.De geluidswaarden als bedoeld in het zevende, achtste en negende lid zijn inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 11.Op de dagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de in het eerste lid genoemde geluidsnorm, in de binnenruimte uiterlijk om 01.00 uur beëindigd en in de buitenruimte uiterlijk om 23.00 uur (van zondag t/m donderdag) respectievelijk om 01.00 uur (op vrijdag en zaterdag) beëindigd. Artikel4:4Verboden incidentele festiviteiten [gereserveerd] Artikel4:5Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is het bepaalde in de Nota geluidsregels Soest 2024 en diens rechtsopvolger(s), van toepassing. 2.[Gereserveerd]. 3.Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 4.[Gereserveerd]. Artikel4:6Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 4.Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op besloten tuinfeesten, zolang men zich aan de volgende regels houdt: (muziek)geluid mag tot uiterlijk 24.00 uur ten gehore worden gebracht; de omwonenden in een straal van 100 meter worden vooraf schriftelijk over het feest geïnformeerd, waarbij een telefoonnummer wordt vermeld waarop de organisator tijdens het feest bereikbaar is; er mag geen overmatige overlast voor de omgeving worden veroorzaakt, dit ter beoordeling van het college of een toezichthouder. 5.Het college kan een tuinfeest verbieden, indien niet is voldaan aan één of meer van de voorwaarden, genoemd in het vorige lid, of de woonomgeving reeds blootstaat aan een onevenredige geluidsbelasting, dit ter beoordeling van het college of een toezichthouder. Artikel4:6aMosquito 1.Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2.In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4.Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5.Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen. Afdeling2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Straatvegen [gereserveerd] Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buitengebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling3. Het bewaren van houtopstanden Artikel4:10Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1, aanhef en onder a, Wet natuurbescherming. Beleid: de beleidsnota Bescherming en kap van bomen 2012 “Bomen de groene parels van Soest”, en diens rechtsopvolger(s). Beschermwaardige boom: boom in categorie 1 tot en met 3 van het Beleid en vastgelegd op de Bomenkaart "de groene parels van Soest". Bomeneffectanalyse (BEA): een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen activiteiten voor het duurzaam behouden van bomen of houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen zoals neergelegd in het Handboek ‘Bomen’ van het Norminstituut Bomen. Boom: een houtachtig overblijvend gewas met kroon en opgaande stam(men), zowel levend als afgestorven, met een stamomtrek van minimaal 30 cm, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid, geldt de stamomtrek van de dikste stam. Boombeschermingszone: te beschermen groeiruimte van een boom in volgroeide toestand, waarbij als basis wordt uitgegaan van de kroonprojectie plus anderhalve meter. Boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden en/of begrensd gebied met houtopstanden dat tezamen een functioneel geheel vormt. Bouwvlak: een krachtens het omgevingsplan geometrisch bepaald vlak waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten. Dunnen: het vellen van een houtopstand uitsluitend bedoeld als voorzorgmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand. Eigenaar: degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Hoofdgebouw: hetgeen daarover is bepaald in het omgevingsplan, dan wel, bij gebreke daarvan, hetgeen daarover is bepaald in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk deel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of heg, met de onder sub e genoemde minimale stamomtrek. Ingrijpende vormsnoei: het voor het eerst ingrijpend snoeien van een uitgegroeide kroon, (zoals kandelaberen) waarbij het risico bestaat van ernstig beschadigen of ontsieren van de boomkroon. Kavelgrootte: totale oppervlakte van de kavel, zoals bekend bij het Kadaster, inclusief eventuele aangekochte aangrenzende gronden van dezelfde eigenaar. Bij huurwoningen is de kavelgrootte van de gehuurde woning van toepassing, niet de kavelgrootte in bezit van de eigenaar (corporatie). Parkwijk: begrensd woongebied met houtopstanden die tezamen een functioneel geheel vormen. Vellen: het kappen, rooien, verplanten, dunnen en ingrijpende vormsnoei van/bij een boom, alsmede het verrichten van handelingen in de boombeschermingszone, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Vormsnoei: het verwijderen van uitgelopen takhout op de oude snoeiplaats bij vormbomen, zoals knot- en leibomen. Wet natuurbescherming: Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel4:11Beschermwaardige bomen (categorieën 1 t/m 3): Bomenkaart en register 1.Het bevoegd gezag stelt een Bomenkaart "de groene parels van Soest" met register vast. De kaart met bijbehorend register bevat een samenhangend geheel van beschermwaardige bomen. Op de Bomenkaart staan alle beschermwaardige bomen vermeld. 2.Het bij de Bomenkaart behorende register bevat een omschrijving van de in het Beleid onder de categorieën 2 en 3 bedoelde monumentale en waardevolle bomen. Het register bevat minimaal de plaatsaanduiding, soort houtopstand, redengevende beschrijving, kadastrale gegevens, eigendomsgegevens en een of meer foto's van de betreffende houtopstand. 3.De eigenaar van een beschermwaardige houtopstand is verplicht het bevoegd gezag schriftelijk melding te doen van: de eigendomsoverdracht van de houtopstand; het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning; de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet zal gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook of door stormschade. 4.De melding dient te geschieden binnen vier weken na de eigendomsoverdracht respectievelijk het geheel of gedeeltelijk tenietgaan, dan wel onmiddellijk indien sprake is van de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet zal gaan. Artikel4:11aBeschermwaardige bomen: toetsingscriteria Bij de beslissing omtrent plaatsing van een houtopstand op de Bomenkaart worden de criteria gehanteerd zoals neergelegd in het Beleid. Artikel4:11bBeschermwaardige bomen: verbod op vellen behoudens vergunning 1.Het is verboden beschermwaardige bomen op de Bomenkaart "de groene parels van Soest": te vellen of te doen vellen; in hun groeiruimte aan te tasten, zodat duurzaam behoud niet gewaarborgd is. 2.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het vellen van beschermwaardige bomen slechts bij uitzondering en onder verwijzing naar het beleid verlenen indien: een zwaarwegend maatschappelijk belang, het belang van verkeersveiligheid of het belang van dunning zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de beschermwaardige boom en daarbij een of meerdere alternatieven voor behoud zijn onderzocht; naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade; het vellen van de houtopstand geen onevenredige afbreuk doet aan het karakter en het behoud van de bomenstructuur/parkwijk; of de houtopstand zich binnen een krachtens het omgevingsplan bestaand bouwvlak van een hoofdgebouw bevindt. 3.Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens vergunning geldt eveneens voor: een houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingplicht op grond van artikel 4:11c en artikel 4:11h; een houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan. 4.Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op: houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag of een rechterlijke uitspraak, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11c, artikel 4:11g of artikel 4:11h van deze verordening; het vellen van houtopstanden in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, mits het bevoegd gezag hiervoor toestemming heeft verleend, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11c, artikel 4:11g of artikel 4:11h van deze verordening; of het vellen van houtopstanden die een grotere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of meer bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, gelegen buiten de bebouwde kom en niet op erven of in tuinen, in het kader van bos- en natuurbeheer (multifunctioneel bosbeheer) en productiebos. 5.Als een velling is uitgevoerd in de zin van artikel 4:11b, vierde lid, aanhef en onder a of b, moet er naderhand een vergunning aangevraagd worden. Artikel4:11cBeschermwaardige bomen: compensatie 1.Het bevoegd gezag legt een herplantplicht op onder nader te stellen voorschriften. 2.In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag afzien van het opleggen van een herplantplicht indien de te vellen bomen onderdeel uitmaken van een bomenstructuur/parkwijk en herplant niet noodzakelijk of gewenst is om de groene structuur of het groene karakter van de omgeving te behouden. 3.Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voor het vellen van een houtopstand het voorschrift verbinden dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een financiële bijdrage is gestort in het gemeentelijke Bomenfonds, indien niet of niet geheel ter plaatse kan worden herplant. Artikel4:11dOmgevingsvergunning voor het vellen van bomen die niet op de Bomenkaart staan (categorie 4 en 5 en overige particuliere bomen) 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan: te vellen of te doen vellen; in hun groeiruimte aan te tasten, zodat duurzaam behoud niet gewaarborgd is. 2.Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens vergunning geldt voor de bomen uit de categorieën 4 en 5 en eveneens voor: een houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingplicht op grond van artikel 4:11c, artikel 4:11f en artikel 4:11h; een houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan. 3.Het in het eerste lid onder a gestelde verbod is niet van toepassing op houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan en die: ongeacht hun stamomtrek, privaat eigendom zijn en op percelen met een kavelgrootte van minder dan 175 m² staan; privaat eigendom zijn, een stamomtrek van minder dan 80 cm hebben, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld, en op percelen met een kavelgrootte van meer dan 175 m² staan; gemeentelijk eigendom zijn en een stamomtrek van minder dan 80 cm hebben, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld. 4.Het in het eerste lid sub a gestelde verbod is eveneens niet van toepassing op: houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag of een rechterlijke uitspraak; het vellen van houtopstanden in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, mits het bevoegd gezag hiervoor toestemming heeft verleend, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11f, artikel 4:11g en artikel 4:11h van deze verordening; het vellen van houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd zijnde: wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populier of wilg, tenzij deze zijn geknot; vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; kweekgoed; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; het vellen van houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom en niet op erven of in tuinen en die een grotere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of meer bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen; het vellen van uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: ten minste eens per tien jaar worden geoogst; bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013. 5. Als een velling is uitgevoerd in de zin van artikel 4:11d, vierde lid, aanhef en onder a of b, moet er naderhand een vergunning aangevraagd worden. Artikel4:11eWeigeringsgronden voor bomen die niet op de Bomenkaart staan 1.Vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 4:11d lid 1 wordt onder verwijzing naar het Beleid geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende criteria: de boom heeft beeldbepalende waarde; de boom heeft cultuurhistorische waarde; de boom heeft dendrologische waarde; de boom heeft natuur-/natuurwetenschappelijke waarde; het betreft een herplantboom; de boom heeft educatieve waarde. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op houtopstanden die zich bevinden binnen een krachtens het omgevingsplan bestaand bouwvlak. Artikel4:11fCompensatie van bomen die niet op de Bomenkaart staan 1.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 2.Indien niet of niet geheel ter plaatse kan worden herplant, kan in afwijking van het eerste lid aan een vergunning tot vellen het voorschrift verbonden worden dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een financiële bijdrage is gestort in het gemeentelijke Bomenfonds. Artikel4:11gVergunningsvoorschriften Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren: voorschriften in het belang van de criteria genoemd in artikel 4:11e, ter bescherming en het behoud van de houtopstand en ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna; voorschriften over de inrichting van de ondergrondse ruimte bij te herplanten bomen; het voorschrift dat pas tot vellen op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichtingen of reconstructies mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende is gewaarborgd. Artikel4:11hInstandhoudingplicht 1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gedaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen: te herplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn, of indien niet of niet geheel ter plaatse kan worden herplant, een financiële bijdrage te storten in het gemeentelijke Bomenfonds. 2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3.Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd ofwel een redelijk vermoeden daartoe bestaat, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen: om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; een Bomeneffectanalyse (BEA) op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. Deze verplichting kan in geval van een initiatief tot een ruimtelijke ontwikkeling reeds vroegtijdig in de planontwikkeling opgelegd worden. Artikel4:11iAanvraag De omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd door, of met toestemming van, de eigenaar van de houtopstand. Artikel4:11jSchadevergoeding (vervallen) Artikel4:12Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen of te doen vellen; conform richtlijn