Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026De raad van de gemeente Wijchen gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025; Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Artikelen 3.8 en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1 van de Jeugdwet; Gezien het advies van het Adviesorgaan Sociaal domein Wijchen; Overwegende dat: Inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; Van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; Inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; Het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; Het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp; Het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en in één verordening onder te brengen. Besluit vast te stellen de: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Artikel1.Definities Alle begrippen die in deze verordening inclusief bijlagen worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Gemeentewet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo), Jeugdwet en de productenboeken/programma’s van eisen van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB) zie: Producten & Tarieven - ROB regio Nijmegen - Regionaal Ondersteuningsbureau Wmo & Jeugdhulp. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van het college een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening levert (ook: zorgaanbieder); Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening; Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; Andere voorziening: voorziening anders dan op het gebied van jeugdhulp, (jeugd)zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; Budgethouder: een persoon met een pgb op grond van deze verordening; Cliënt: persoon die woont in de gemeente Wijchen en die op grond van Jeugdwet of Wmo gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouder; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen; Deskundige: een (netwerk)medewerker van het Sociaal team Wijchen; Formele ondersteuning: ondersteuning geleverd door personen die: In loondienst zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning, die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; Aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een Beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning, voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.; Herindicatie: het opnieuw vaststellen van de aard en mate van de zorgbehoefte; Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp. Informele hulp: hulp die niet voldoet aan het gestelde onder i. van dit artikel of die geleverd wordt door iemand uit het sociaal netwerk, een vrijwilliger of een eerste- of tweedegraads bloedverwant; Ingezetene: cliënt die in het kader van maatschappelijke ondersteuning woonachtig is in de gemeente Wijchen; Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening; Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt; Overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of op grond van enig wettelijk voorschrift of andere (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder of budgethouder zijn gemaakt; Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid; Pgb: bedrag waaruit de budgethouder een maatwerkvoorziening kan betalen; Pgb-aanbieder: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die ondersteuning geeft aan een cliënt met een persoonsgebonden budget (budgethouder); Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 en artikel 14 van deze verordening, belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde in of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft; Vrij toegankelijk aanbod: algemene voorziening waar gebruik van gemaakt kan worden zonder dat daarvoor een verwijzing of een besluit van het college nodig is. Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en/of de Jeugdwet. Artikel2.aMelding hulpvraag (Wmo) 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college, worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding. 3.Indien melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(
- s)dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6. 4.In spoedeisende gevallen verstrekt het college na de melding meteen een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 5.Het college legt het verlenen dan wel afwijzen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 9. Artikel2.bAanvraag (Jeugdwet) 1.Een hulpvraag kan door of met toestemming van de cliënt namens de cliënt bij het college worden gemeld. 2.Voor jeugdhulp kan direct een aanvraag gedaan worden. 3.Het college bevestigt de ontvangst van een melding of aanvraag. 4.In spoedeisende gevallen vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan de rechter. 5.Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij een andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar jeugdhulp. Deze beoordeelt vervolgens welke maatwerkvoorziening nodig is met een onderzoek. Dit onderzoek gaat op dezelfde manier zoals het college dit doet. In de beoordeling wordt de eigen kracht, het sociaal netwerk, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen, voorzieningen die vanuit andere wetten verkregen kunnen worden en de goedkoopst passende voorziening betrokken. 6.Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de cliënt verwijzen naar jeugdhulp. Als de aanbieder niet gecontracteerd is door het college of geen subsidie ontvangt van het college, wordt er geen vergoeding voor deze hulp verstrekt. Dit geldt alleen wanneer het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder 7.Het college legt het verlenen dan wel afwijzen van een maatwerk voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 9. Artikel3.Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Hierbij is het belang van de cliënt uitgangspunt. 2.Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon zoals bedoeld in de Jeugdwet. 3.Het college wijst de cliënt en mantelzorger voorafgaande het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel4.Vooronderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo snel mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voordat het gesprek plaatsvindt, deelt de cliënt alle informatie met het college die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3.De cliënt verstrekt op verzoek van het college een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage, tenzij de spoedeisendheid zich hiertegen verzet. 4.Als de cliënt voldoende bekend is bij de gemeente, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste, tweede en/of derde lid. 5.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om de hulpvraag schriftelijk te beschrijven in een persoonlijk plan en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn. 6.Het college brengt de jeugdige en zijn ouder op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen. Artikel5.Onderzoek 1.Het college onderzoekt voor zover nodig in samenspraak met de degene die de hulpvraag kenbaar heeft gemaakt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; Het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; De mogelijkheden om zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang: op eigen kracht, of met gebruikelijke hulp, of met een algemene voorziening, of met een algemeen gebruikelijke voorziening, of met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk, of met een andere voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdrage in de kosten de cliënt voor de maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheid te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aan het college of de andere organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 4.Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 5.Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij de hulpvraag voldoende bekend is. Dan kan het college of de andere organisatie hier in overleg met de cliënt van afzien. 6.Het college kan een deskundige instantie om een advies vragen als het college dit van belang acht voor het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag. 7.Het college zorgt ervoor dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de aanbieder die de jeugdhulp uitvoert, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp en het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel6.Verslag 1.Het college zorgt voor een verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan. 2.Na het onderzoek verstrekt het college het verslag aan de cliënt. 3.Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. Artikel7.Aanvraag 1.Een cliënt, zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger kan een Wmo aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is afgerond. 2.Voor jeugdhulp kan direct een aanvraag gedaan worden. 3.Een aanvraag zoals bedoeld in lid 1 en 2moet door aanvrager voorzien zijn van alle informatie en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4.Het tweede en derde lid is niet van toepassing op een aanvraag voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader. 5.Heeft de aanvraag betrekking op: Een minderjarige die jonger is dan 12 jaar, dan is instemming van de minderjarige niet vereist, maar wel de toestemming van diens wettelijke vertegenwoordiger(s). Een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar, maar nog niet die van 16 jaar heeft bereikt, dan is zowel de toestemming van de minderjarige als van de wettelijke vertegenwoordiger(
- s)vereist. Is de minderjarige niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is alleen de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger(
- s)vereist. Een minderjarige die ouder is dan 16 jaar, dan is toestemming van de minderjarige vereist, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake en geen sprake is van jeugdhulp met verblijf. Artikel8.Maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: Ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen Op eigen kracht; Met gebruikelijke hulp; Met mantelzorg; Met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; Met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of Met algemene voorzieningen; De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of zijn ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige of de ouder een oplossing kan vinden voor de ondersteuningsvraag: Op eigen kracht of met zijn ouder; Met gebruikelijke hulp; Met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; Met gebruikmaking van algemene voorzieningen; Met gebruikmaking van andere voorzieningen. De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige in staat, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld Gezond en veilig op te groeien; Te groeien naar zelfstandigheid, en Voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 3.Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: Als er een (mogelijke) aanspraak op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; Als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; Als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Wijchen, met uitzondering van beschermd wonen1Tijdelijk verblijf LVB valt niet onder beschermd wonen. Voor deze voorziening is het ingezetenencriterium dus onverkort van toepassing. en opvang, of als de cliënt volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Wijchen valt; Als de client de gevraagde hulp of voorziening zelf al heeft ingeroepen of ingekocht voordat een Wmo melding of Jeugdwet aanvraag is gedaan; Als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; Als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond; Voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie; Voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst en/of adequate voorziening kan worden aangemerkt; Voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht; Als de inzet van de voorziening niet doeltreffend geacht kan worden en/of niet aannemelijk is dat de inzet van de voorziening in voldoende mate zal bijdragen aan een oplossing voor de hulpvraag. Het college kan in nadere regels vaststellen welke voorzieningen aantoonbaar niet effectief zijn; In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening. Als het gaat om een scootmobiel of een ander elektrische vervoersvoorziening en hiervoor geen brandveilige stallingsplek beschikbaar is. 4.Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, op grond van de Wmo 2015, geldt bovendien dat: De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest; Deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn; In het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakte. 5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze maatwerkvoorziening slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, Tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; Tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de vervangingskosten, of Als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 6.Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat geen woonvoorziening wordt verstrekt: Als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet binnen 6 maanden zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; In het geval de aantoonbare beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen en/of als de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning; Ten behoeve van woonruimten die niet geschikt en/of bedoeld zijn voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, trekkerswoonwagens, campers, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐ clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft. In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen; Als het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen; Als het voorzieningen betreft die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; Als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; Als de inwoner een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz. 7.Voor beschermd wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld. 8.Voor opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: Een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; Een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; Een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; Er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; Een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënt in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; De eigen bijdrage (na meerdere waarschuwingen) niet betaald wordt; Er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. Artikel8a.Beoordeling eigen kracht 1.Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij zetten daarvoor hun eigen kracht in. Pas als binnen het eigen gezin, sociaal netwerk en met gebruik van algemeen beschikbare voorzieningen geen toereikende oplossing mogelijk is, kan een beroep worden gedaan op een individuele voorziening. Onder het benutten van eigen kracht wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp door ouders, ook bij ziekte of beperking van de jeugdige; hulp van ouders die daar bovenuit gaat (bovengebruikelijke hulp), tenzij dat niet van hen gevergd kan worden; inzet van hulp uit het sociale netwerk, voor zover redelijkerwijs beschikbaar; Het benutten van andere voorzieningen, zoals een aanvullende zorgverzekering. 2.Gebruikelijke hulp is de hulp die in redelijkheid van ouders mag worden verwacht, en die past bij de leeftijd en ontwikkeling van de jeugdige. Om te bepalen wat gebruikelijk is, maakt het college gebruik van de richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), zoals opgenomen in het levensloopmodel van Opvoeden en Opgroeien 3.Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf. Als er uitzicht is op herstel wordt bovengebruikelijke hulp aangemerkt als kortdurend. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een tijdelijke voorziening inzetten. De voorziening duurt niet langer dan nodig is om de verhouding tussen draagkracht en draaglast te herstellen. 4.Bij langdurige of structurele hulpvragen beoordeelt het college of: De inzet van bovengebruikelijke hulp de draagkracht van ouders overstijgt; Er sprake is van (dreigende) overbelasting; Er andere factoren spelen, zoals problematiek binnen het gezin of financiële gevolgen. 5.Van ouders wordt verwacht, dat zij ook als er geen uitzicht is op herstel voor een langere periode, bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Dat kan het geval zijn als ouders niet langer beschikbaar en in staat zijn de hulp te leveren, zoals bij (dreigende) overbelasting, of als ouders door het bieden van bovengebruikelijke hulp financieel in de problemen raken. 6.Kent het college een maatwerk voorziening toe, dan zorgen ouders ervoor dat zij binnen hun mogelijkheden meewerken aan het vergroten van de draagkracht van het gezin en het verminderen van belasting. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of maatschappelijke activiteiten. Artikel8b.Gebruikelijke hulp 1.Gebruikelijke hulp is de mate waarin de inwoner met gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Huisgenoten van een inwoner zijn altijd zelf als eerste verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de huisgenoten deze hulp zelf uitvoeren. De gebruikelijke hulp kan de inwoner ook door andere personen laten doen of met eigen geld inkopen. Bij uitval van een persoon wordt door huisgenoten, ook naast een fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten. De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd: Van kinderen onder de 18 jaar wordt verwacht dat zij helpen in het huishouden. Van iedere volwassene van 18 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Van iedere volwassene vanaf 23 jaar wordt in ieder geval verwacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van huisgenoten in het kader van hun eigen maatschappelijke participatie. Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van iedere volwassene wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: De aard van de benodigde ondersteuning. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. Gebruikelijke hulp geldt niet of minder als uit objectief onderzoek blijkt dat huisgenoten niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen door: langdurige fysieke afwezigheid een aantoonbare beperking of een aantoonbaar beperkte leerbaarheid. (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de huisgenoten de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Artikel8cVervoer (jeugd) 1.Uitgangspunt is dat ouder(
- s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.Vervoer is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college is aangetoond dat de jeugdige niet zelf of met behulp van het netwerk in vervoer kan voorzien. Er is geen passend vervoer aanwezig (bijv. inzet van vrijwilligers) en het vervoer niet valt onder de gebruikelijke zorg. 3.Inzet van vervoer in het kader van de Jeugdwet kan alleen in combinatie met de volgende producten: Voorschoolse dagbehandeling; Naschoolse dagbehandeling; Naschoolse dagbehandeling LVB+; BSO+; Onderwijs-toeleidende dagbesteding; Logeeropvang specialistische GGZ. 4.Het college beschouwt een aantal keer per week zelf rijden in ieder geval als behorend tot de eigen mogelijkheden. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering hiervan. 5.Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 6.Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouder(
- s)onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor vervoer op zich te nemen. 7.Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waardoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend. Artikel8dKinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp. 2.Voor vormen van opvang die wel onder de jeugdwet vallen is deels sprake van algemeen gebruikelijke kosten. Dit zijn kosten die ook een persoon zonder beperking heeft voor opvang. 3.Uitsluitend de meerkosten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. De meerkosten zijn de bruto kosten van de reguliere kinderopvang of buitenschoolse opvang na aftrek van de kinderopvangtoeslag. 4.Het onder lid 2 en 3 bepaalde is niet van toepassing als het doel van de inzet van de voorziening uitsluitend voor de jeugdige noodzakelijke zorg is die (alleen) middels deze voorziening geboden kan worden. Artikel8ePrimaat van verhuizen 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. 2.De gemeente beoordeelt of een woningaanpassing of een verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is. Hierbij spelen de volgende factoren een rol: zijn er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen? de kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Als de woningaanpassing meer gaat kosten dan € 15.000,00 wordt verhuizen als de goedkoopste adequate oplossing gezien; volkshuisvestelijke afwegingen en noodzakelijke vergunningen; de woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn; sociale omstandigheden; afstemming met andere voorzieningen; werksituatie; verandering in woonlasten; wooncomfort; is de inwoner huurder of eigenaar van de woning; de wil van de inwoner om te verhuizen; mantelzorg in de buurt; overige specifieke omstandigheden. Artikel8fWonen en zorg Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij: Het verblijf onderdeel is van de indicatie. Dit is het geval bij de maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen intramuraal en Trainingshuis. Het verblijf onderdeel van tijdelijke verhuur is. De verhuur moet als doel hebben de cliënt in staat te stellen zelfstandig te wonen. Het college moet hier vooraf mee instemmen. Artikel8gNiet meewerken 1.De ouder(
- s)en/of jeugdige zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de ouder(
- s)en/of jeugdige naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de noodzaak en/of de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan door het college worden besloten geen of een andere vorm van een individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. 3.Lid 1 en 2 gelden ook voor cliënten en hun netwerk wanneer sprake is van een melding Wmo. Artikel9.Inhoud beschikking 1.Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af. 2.In een beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval of deze als zorg in natura of als pgb wordt verstrekt en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura staat in ieder geval in de beschikking: Wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; Wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; Wat de omvang van de voorziening is, en Indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb staat in ieder geval in de beschikking: Wat het beoogde resultaat van de met het pgb te bekostigen voorziening is; Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; Welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5.Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt in de beschikking zowel daarover, als over de kostprijs van de voorziening dan wel de maximaal verschuldigde bijdrage geïnformeerd. Artikel10.Regels voor pgb algemeen 1.De cliënt die een pgb wenst moet zelf een pgb-plan invullen. Het college geeft de cliënt leeg pgb-pan om in te vullen. De cliënt motiveert schriftelijk in zijn pgb-plan: Waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk, van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; Waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wil hebben of waarom hij een maatwerkvoorziening in natura in het kader van de Jeugdwet niet passend acht; Hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden. 2.Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en WA-verzekering van een voorziening voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en dit geen onderdeel is van het pgb. 3.De hoogte van een pgb: is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld pgb plan of (bij een eenmalig pgb) een offerte aangeleverd door de cliënt; is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen zorgverleners; voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt; voor dienstverlening geldt bij formele ondersteuning dat: Het formele tarief voor hulp bij het huishouden is gelijk aan 90% van het tarief zoals door het college afgesproken met gecontracteerde aanbieders; Het formele tarief voor begeleiding en verzorging, beschermd thuis en trainingshuis is gelijk aan 85% van het zorg in natura tarief; Het formele tarief voor behandeling (Jeugdwet) en dyslexiezorg is gelijk aan 90% van het zorg in natura tarief; Het formele tarief voor locatie-gebonden zorg zoals dagbesteding, logeeropvang en (Jeugdwet) dagbehandeling is gelijk aan 90% van het zorg in natura tarief zoals; Het formele tarief voor beschermd wonen intramuraal licht, middel en zwaar is gelijk aan respectievelijk 55%, 62% en 66% van het zorg in natura tarief; Het formele tarief voor vervoer is gelijk aan het zorg in natura tarief; Het informele tarief voor jeugdhulp is gebaseerd op het minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag en -uren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen wordt het budget met die lasten verhoogd. Het informele tarief voor Wmo-voorzieningen is gebaseerd op het minimumloon vermeerderd met het vakantiegeld en -uren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen wordt het budget met die lasten verhoogd. De tarieven worden jaarlijks, per 1 januari, door het college vastgesteld en bekendgemaakt. Voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van een appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten. Is een all-in tarief. Er is geen bestedingsvrij budget buiten het pgb-plan. 4.Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen: kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor bemiddeling; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het Pgb; huur; eten en drinken; bijdrage in de kosten; contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt; zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen; ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen. 5.Indien de jeugdige nog geen achttien jaar is, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 6.Budgethouders moeten de zorgverlener(
- s)via een declaratie of factuur laten uitbetalen. Budgethouders mogen geen vaste maandlonen afspreken met hun zorgverlener(s). Declaraties of facturen kunnen tot uiterlijk 1 april van het volgende kalenderjaar worden ingediend bij de SVB. 7.Een pgb moet binnen zes maanden na toekenning door de cliënt zijn aangewend ten behoeve van het beoogde resultaat waarvoor het is verstrekt. 8.Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het Pgb. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen, genoemd in de financiële bijlage. 9.Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen 8f en 10 tot en met 13. 10.Bij tussentijdse wijziging van zorgaanbieder mogen uitgaven uit het pgb budget pas gedaan worden nadat door het college is vastgesteld dat de nieuwe zorgaanbieder voldoet aan alle wettelijke en aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen. 11.Verstrekking in de vorm van pgb vindt niet of niet langer plaats als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking; De kosten zijn gemaakt voordat de melding (Wmo) of aanvraag (Jw) is gedaan. Artikel11.Regels voor pgb formele ondersteuning 1.Dit artikel heeft betrekking op de formele zorgaanbieder die middels een pgb wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. 2.In het hulpverleningsplan leggen budgethouder en het college vast binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte zorg aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het pgb-plan is aangegeven. 3.Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie ook aan te geven welk resultaat met het pgb is behaald en of aan de voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte zorg aan de kwaliteitseisen voldoet, is voldaan. 4.De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 5.De zorgaanbieder die formele ondersteuning biedt moet voldoen aan alle wettelijke, bovenwettelijke en/of aanvullende gemeentelijke criteria en kwaliteitseisen zoals vastgelegd in bijlage 3 en/of de productenboeken/programma’s van eisen van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB). Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college (bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject) en het college is van oordeel dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets, wordt geen pgb toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw getoetst te worden aan de kwaliteitseisen. 6.Als de zorgaanbieder niet (meer) voldoet aan de kwaliteitseisen, er sprake is verwijtbaar handelen of van voortdurende wanprestatie, kan het college een waarschuwing geven of de zorgaanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb. Artikel12.Regels voor pgb informele zorg (sociaal netwerk en hulp die niet voldoet aan de eisen voor formele ondersteuning) 1.Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden en kennissen. 2.De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling nadere voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. 3.De cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan de hulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Bij de beoordeling van de aanvraag maakt de gemeente voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de cliënt gebruik van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ. 4.Als een pgb wordt verstrekt voor hulp die geboden wordt door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor formele ondersteuning. 5.Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: Het type hulp dat wordt geleverd (pgb kan niet worden ingezet voor behandeling); De frequentie van de hulp; Een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; De mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?); Kwaliteit van de ondersteuning. Deze kwaliteit wordt gevormd door de nabijheid van ondersteuner; Pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is; Als volgens (landelijk) geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben; De persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. De cliënt moet een pgb-plan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het pgb-plan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een maatwerkvoorziening nodig is. Deze activiteiten worden vervolgens in uren of dagdelen per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder. 6.In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden is een pgb voor hulp uit het sociale netwerk met uitzondering van hulp bij het huishouden alleen mogelijk in uitzonderingssituaties en bij zwaarwegende omstandigheden en als voldaan is aan alle hierna genoemde voorwaarden. Degene die de hulp geeft is aantoonbaar deskundig. De deskundigheid moet worden aangetoond met een relevante opleiding en/of werkervaring. Degene die de hulp op grond van de Wmo geeft lijdt een vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van intensieve mantelzorg, of moet extra kosten maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden. Bij jeugdhulp kan geen pgb worden gegeven bij inkomstenderving of extra kosten, tenzij het geven van de hulp leidt tot en structureel financieel gezinsprobleem. Pgb door het sociaal netwerk leidt tot aantoonbaar betere/efficiëntere ondersteuning. Professionele afstand van de zorgverlener niet nodig is om de beoogde doelen te behalen. Artikel13.Regels voor pgb-beheer 1.Alleen als de pgb-beheerder tevens ouder of familie in de eerste of tweede graad van de cliënt is kan een pgb voor de voorziening begeleiding, dagbesteding of beschermd wonen Wmo 2015 worden toegekend aan een cliënt die niet zelf in staat is om regie te voeren op de ingekochte ondersteuning. In alle andere gevallen kan de pgb-beheerder de cliënt ondersteunen in het Pgb-beheer, maar niet volledig in de plaats treden van de cliënt. 2.Pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional met inachtneming van artikel 10 lid 4 van deze verordening. 3.De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. 4.De pgb-beheerder stelt het belang van de cliënt centraal, er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatieadviseur of een op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen. 5.De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6.De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de cliënt en de zorgverlener. 7.De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 8.Kosten voor pgb-beheer mogen niet worden voldaan uit het pgb. Artikel14.Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) 1.Een cliënt is in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten verschuldigd: Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als de aanbieder die bijdrage vraagt en voor Ambulante begeleiding die als algemene voorziening wordt aangeboden. Voor het gebruik van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, tenzij de specifieke voorziening is uitgezonderd. 2.Voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden. 3.De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 4.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: Door een aanbesteding; Na een consultatie in de markt, of In overleg met de aanbieder. 5.De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag. 6.In de financiële bijlage bij deze verordening wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 7.Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de voor een maatwerkvoorziening voor opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt. Artikel15Bijdrage in de kosten van collectief vervoer 1.Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van de eigen bijdrage voor de voorziening AVAN (GR BVO Dran). 2.De eigen bijdrage bestaat uit een opstaptarief en een bedrag per kilometer. Deze bijdrage valt niet onder het abonnementstarief. 3.De hoogte van het opstaptarief en het bedrag per kilometer kan ieder opvolgend jaar worden gewijzigd aan de hand van ontwikkelingen ten aanzien van de gehanteerde prijsindex (NEA index en CPI index), en gewijzigde btw- en vervoerstarieven. 4.Als toepassing is gegeven aan lid 3, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel16.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 2.De zorgaanbieder dient zelfregie en redzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie en sociale netwerkstrategieën, inzet van deskundig personeel en het toepassen van de zelfredzaamheidsmatrix. 3.De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving. 4.Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid, cultuurintensief en LHBTIQ+ sensitief werken. 5.Zorgaanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 6.Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van zorgaanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 7.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de zorgaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 8.Indien een zorgaanbieder aan het college toestemming vraagt voor het inschakelen van een onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 3. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college en het college is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende zorgaanbieder niet als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer. Als de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen. Artikel17.Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. 2.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen. 3.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening meteen aan de toezichthoudend ambtenaar. 4.De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 5.Aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Wijchen. 6.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel18.Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen voorzieningen, misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet 1.Het college informeert de cliënt of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Een cliënt doet op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing. 3.Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing had geleid; De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen; De maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; De cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of; De cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt; De cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening; Onzorgvuldig gebruik van een in natura verstrekte voorziening. 4.Een beslissing tot verstrekking van een pgb kan worden ingetrokken als na onderzoek door het college blijkt dat het pgb niet binnen zes maanden na toekenning is aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 5.Als het college een beslissing over een voorziening op grond van de Wmo 2015 heeft ingetrokken en de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6.Als het college een beslissing over een voorziening op grond van de Jeugdwet heeft ingetrokken kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7.Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening of de restwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd. 8.Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering. Artikel18aOpschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt sprake is van een ernstig vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 eerste lid onder a, d of e van de Wet. 2.Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18 derde lid onder d. 3.Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel18b.Maatregelen bij wangedrag 1.Bij herhaald en/of ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, treft het college – al dan niet tijdelijk – maatregelen jegens de cliënt ter bescherming van de (medewerker van
- de)zorgverlener of andere cliënten of ter voorkoming van (verdere) schade aan de (in bruikleen) verstrekte voorziening. 2.Bij een herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik zal dit leiden tot schorsing of beëindiging van de verstrekte maatwerkvoorziening of beëindiging van de toegang tot de algemene voorziening. 3.Het college kan nadere regels stellen Artikel19.Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers wordt vastgelegd in de financiële bijlage bij deze verordening. 2.Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en vorm de waardering kan worden verstrekt. Artikel20.Bijdrage extra kosten chronisch zieken 1.Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. 2.Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. Artikel21.Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: Een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: Overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: De aard en omvang van de te verrichten taken; De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; Een redelijke toeslag voor overheadkosten; Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; De kosten voor bijscholing van het personeel; Cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; Kosten voor indexering. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6.Het bepaalde in artikel 21 is van overeenkomstige toepassing bij subsidieverlening aan een derde. Artikel22.Klachtregeling 1.Het college draagt er zorg voor dat er een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.Aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel23.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door het college gecontracteerde instellingen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college nadere regels treffen ten aanzien van medezeggenschap en ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel24.Controle en onderzoek 1.Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 (kwaliteit en rechtmatigheid) of Jeugdwet (rechtmatigheid). 2.Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 3.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel25Reikwijdte 1.Toezicht en handhaving in het kader van deze verordening heeft betrekking op de ondersteuning die op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. 2.Deze verordening heeft betrekking op zowel de hulp en ondersteuning die als maatwerkvoorziening door de gemeente Wijchen wordt verstrekt als op ondersteuning die op basis van een persoonsgebonden budget door de gemeente Wijchen wordt bekostigd. 3.Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken “bij of krachtens de wet”, wordt bedoeld de Jeugdwet, Wmo 2015, nadere regelgeving en ter uitvoering van de wettelijke taken afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten. 4.Voor het toezicht op het bij of krachtens de Jeugdwet gestelde geldt dat toezicht door of namens het college zich beperkt tot rechtmatigheidsaspecten. Artikel26Toezicht 1.Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels en op basis daarvan opgestelde overeenkomsten. 2.Het college wijst daartoe toezichthouders aan die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde bij of krachtens de wet. 3.De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels. 4.Een onderzoek kan bestaan uit onderzoek naar de werkwijze, kwaliteit alsmede rechtmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning. 5.Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden. 6.Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten. 7.De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: Kwaliteitscontrole, een onderzoek of de geleverde hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is; Materiële controle, een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze valt binnen een afgegeven indicatie of aanwijzing; Formele controle, een onderzoek of het gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overeenkomst of subsidieafspraken; Detailcontrole, onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten die hun woonplaats hebben in de gemeente Wijchen, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek; Fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel27Bevel 1.De toezichthouder zoals bedoeld in artikel 24 van deze verordening kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een pgb, dan wordt de budgethouder onmiddellijk door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel. 2.Indien de toezichthouder van oordeel is dat een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan het bevel mondeling worden gegeven. De toezichthouder draagt direct zorg voor een schriftelijke weergave van het bevel. Een afschrift zal tevens worden verzonden naar het college. 3.Het bevel, bedoeld in het eerste en tweede lid, is maximaal zeven dagen geldig. Dit bevel kan door het college worden verlengd. 4.De aanbieder dient de maatregelen binnen de bij het bevel gestelde termijn te nemen en schriftelijk te melden aan de toezichthouder dat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd. Betreft het een pgb-aanbieder, dan liggen deze verantwoordelijkheden bij de budgethouder. Artikel28Inspectierapport 1.De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 25 vast in een inspectierapport. 2.Voordat het inspectierapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de aanbieder in een bijlage bij het rapport. 3.De toezichthouder zendt het definitieve inspectierapport onmiddellijk aan de aanbieder en het college. Het college stuurt het door naar eventuele budgethouders. 4.Het inspectierapport wordt na vaststelling openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten. Artikel29Aanwijzing 1.Als gebleken is dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-
- en)en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2.Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot: het opleggen van sancties, of het ontbinden van de overeenkomst, of intrekken van het subsidiebesluit. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college gemotiveerd aan: Op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd; De in verband daarmee te nemen maatregelen; De hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 4.Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit wordt in de schriftelijke aanwijzing opgenomen. 5.Als de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan of meerdere keren toe te passen. Artikel30Hersteltermijn 1.Een hersteltermijn duurt maximaal 12 weken. 2.Als beëindigen van de overtreding binnen 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is kan het college in afwijking van lid 1 een andere hersteltermijn bepalen. Artikel31Cliëntenstop en verscherpt toezicht 1.Tijdens het hersteltraject kan het college besluiten dat: Geen (her)indicaties worden afgegeven waarbij de aanbieder als leverancier genoemd wordt. Zorgovereenkomsten waarin de aanbieder als pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd worden. De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een pgb ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder. 2.De aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 3.De aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) moet tijdens de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering. Artikel32Vervolgonderzoeksrapport 1.Na de in artikel 30 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw. 2.De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 28 is ook van toepassing op het vervolgonderzoeksrapport. Artikel33Handhavingsmaatregelen 1.Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder de volgende herstelsancties opleggen: (Opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; Een last onder bestuursdwang opleggen; Een last onder dwangsom opleggen. 2.Het college kan: De aanbieder verbieden de hulp te leveren, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt. Het toekenningsbesluit op grond van artikel 2.3.10, eerste lid van de wet intrekken, waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een pgb onverlet laat. Artikel34Inzet privaatrechtelijke maatregelen 1.Op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het College en de aanbieder zijn gemaakt kunnen privaatrechtelijke maatregelen worden ingezet. 2.Als een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet (volledig) heeft voldaan aan de opgelegde verplichting tot verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3.Als de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. Artikel35Register 1.Door en/of namens het College wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen. 2.Als voor een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld. Artikel36Meldingsplicht 1.Een aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) is verplicht het college direct schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, kan worden voldaan. 2.Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (bij een pgb: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan. Artikel37.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel38.Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024 wordt ingetrokken. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatieperiode is verstreken. 3.Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening. Artikel39.Nadere regels en hardheidsclausule 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2.Het college kan nadere regels en/of beleidsregels stellen voor de uitvoering van deze verordening. 3.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel40.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Wijchen op 27 november 2025.De voorzitterR. Helmer-EnglebertDe griffierL. BerendsenBIJLAGE1Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt: Huishoudelijke hulp Rolstoel Woonvoorzieningen Woningaanpassingen Vervoersvoorzieningen Vervoersregeling Sportvoorzieningen Begeleiding Persoonlijke verzorging Dagbesteding Kortdurend verblijf Beschermd wonen Opvang Waakvlambegeleiding* De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn op grond van de Wmo 2015 beschikbaar: poolvoorzieningen inloop- en ontmoeten vrijwilligersvervoer OpStap vrij toegankelijke dagbesteding Wijk GGZ Hulp die door (netwerk) medewerkers van het Sociaal Team zelf wordt geleverd Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd Schoolmaatschappelijk werk Opvoedondersteuning en opvoedadvies Hulp die door (netwerk) medewerkers van het Sociaal Team zelf wordt geleverd De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Reguliere begeleiding Specialistische begeleiding Persoonlijke verzorging Onderwijs-toeleidende dagbesteding Voorschoolse- en naschoolse dagbehandeling Naschoolse dagbehandeling LVB+ BSO+ Consultatie en advies** Vaktherapie Kortdurend verblijf (logeeropvang) Casemanagement Vervoer Orthopedagogische behandeling basis Orthopedagogische behandeling specialistisch Ambulante spoedhulp GGZ (behandeling basis Jeugd GGZ, specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek) en dyslexie en Jeugd GGZ-beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg) Pleegzorg Gezinshuis Beschermd wonen jeugd Fasehuis Kamertraining Residentiële jeugdhulp met terreinvoorziening Residentiële jeugdhulp zonder terreinvoorziening Moederkindhuis Multi Systeem Therapie (MST) intersectorale InVerbindingsTeam ( IVT) met JIM Jeugdbescherming Jeugdreclassering Drang Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen: Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. Twee dezelfde bouwstenen kunnen niet tegelijkertijd worden ingezet. Onderwijs-toeleidende dagbesteding, Dagbehandeling en Kortdurend Verblijf Jeugd kan alleen geleverd worden als de zorgaanbieder ook het noodzakelijk geachte vervoer verzorgt of laat verzorgen. Casemanagement Jeugd is een stapel-Bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door het sociaal team of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. Vrij toegankelijk aanbod gaat voor op een maatwerkvoorziening. Groepsaanbod gaat voor op individueel aanbod. Persoonlijke verzorging kan alleen worden gegeven als onderdeel van begeleiding. Waakvlambegeleiding (Wmo) kan aansluitend op een bestaande indicatie voor reguliere of specialistische begeleiding gegeven worden in dezelfde bouwsteen voor maximaal 12 uur per jaar. * De praktijk heeft uitgewezen dat er situaties zijn waarin iemand ondersteuning heeft gehad maar dat nu niet meer standaard nodig heeft. Toch kan zich de situatie voordoen waarin diegene dan toch behoefte heeft om -ad hoc- te kunnen schakelen met een voor hem/haar vertrouwde zorgverlener. Waakvlambegeleiding voorziet in die behoefte; Consultatie en advies (Jw) kan aansluitend op een bestaande indicatie gegeven worden in dezelfde bouwsteen voor maximaal 20 uur per jaar. ** Deze bouwsteen voorziet in de behoefte aan op afroep beschikbare zorg met een geringe omvang, uitgevoerd door de aanbieder van de voorgaande indicatie, omdat deze bekend is met problematiek van de cliënt; Alleen in bijzondere individuele situaties kan een ruimere indicatie worden gegeven dan: een volume overeenkomend met 4 dagdelen per week voor dagbesteding; 3 uur per week voor reguliere, specialistische en praktische begeleiding. Bijlage2Financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze bijlage wordt verstaan onder: Eenmalig persoonsgebonden budget: een pgb dat eenmalig door de gemeente betaald wordt voor een (vervoers)voorziening, een vervoerskostenvergoeding of een woningaanpassing. Instandhoudingskosten: de noodzakelijke kosten om een voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. Artikel 2 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als pgb worden verstrekt is een bijdrage in de kosten verschuldigd. Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, komen de meerkosten van deze voorziening voor rekening van de cliënt. Over de meerkosten is geen eigen bijdrage verschuldigd. In afwijking van het onder lid 1 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: Rolstoelvoorziening, duwondersteuning, rolstoelaccessoires, met uitzondering van incidentele (handbewogen) rolstoelen; Collectief vervoer of de vervoersvergoeding die als alternatief wordt verstrekt; Woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); Huurderving; Maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; Arbeidsmatige dagbesteding; Ondersteuning aan zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; Problematische schuldensituatie van cliënt voor zover de cliënt meewerkt aan een schuldregeling en maximaal voor zolang de schuldregeling duurt; Handbike; Pendel; Eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten; Jeugdhulp; Casemanagement; Onderhoud en reparatie van woningaanpassingen (o.a. traplift); Waakvlambegeleiding in de vorm van reguliere of specialistische begeleiding tot maximaal 12 u per jaar. Artikel 3 Omvang van de bijdrage in de kosten Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening vindt plaats door het CAK met in achtneming van de door de gemeente Wijchen vastgestelde regels. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt van een algemene voorziening plaats door de aanbieder van deze voorziening. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt. De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet bepaald in lid 5 en voor zover niet begrenst door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald: Bij de verstrekking (ook vervanging) in natura: Huurprijs per zorgperiode of Kostprijs (verstrekt bedrag) van de maatwerkvoorziening. Bij verstrekking als pgb: verstrekt bedrag voor de maatwerkvoorziening. Bij verstrekking als pgb voor hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding: verstrekt bedrag per zorgperiode. De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door de duur van de verstrekking. HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING Paragraaf 2.1 Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 Hulp bij het huishouden De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding door de gemeente bedongen uurtarieven. Het pgb wordt berekend naar een bedrag per uur (zie bijlage). Indien er sprake is van hulp bij het huishouden gedurende een deel van een uur, wordt het pgb naar evenredigheid berekend. Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura na 4 weken beëindigd. Paragraaf 2.2 Huisvesting Artikel 5 Woonvoorzieningen Het pgb voor de aanschaf en indien van toepassing het onderhoud van een woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura, dan wel het bedrag zoals vermeld in een door het college geaccepteerde offerte die voldoet aan het programma van eisen. Als eenmalige tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten van een verhuizing naar een gelet op de beperkingen voor de cliënt op dat moment voor de cliënt meest geschikte eengezinswoning geldt als normbedrag | € 2.040,-; Als eenmalige tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten van een verhuizing naar een gelet op de beperkingen van de cliënt op dat moment voor de cliënt meest geschikte extramuraal appartement geldt als normbedrag € 1.020,- . Als eenmalige tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten van een verhuizing naar een gelet op de beperkingen van de cliënt op dat moment voor de cliënt meest geschikte intramuraal appartement geldt als normbedrag € 510,- Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als pgb) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 4.629, -. De tegemoetkoming is gebaseerd op de netto (kale) huurprijs en kan maximaal zes zorgen worden verstrekt. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met tijdelijke huisvesting kan maximaal zes maanden worden verstrekt. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van € 495,- per maand in de kosten van het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte en het langer aanhouden van de verlaten woonruimte. Bij het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte geldt een maximum van € 250,- per maand. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor het bezoekbaar maken van een woning bedraagt maximaal € 2.000, -. Een eenmalige tegemoetkoming voor verhuiskosten voor het vrijmaken van een woning bedraagt de werkelijk gemaakte verhuiskosten, indien door het vrijkomen van de woning wordt voorkomen dat een andere woning voor een persoon met beperkingen moet worden aangepast voor meer dan € 4.629, -. Voor de inrichtingskosten wordt aangesloten bij de bedragen die door het NIBUD worden gehanteerd voor inrichting. Artikel 6 Waardestijging woning bij verkoop De waardestijging van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening ontstaat, moet bij verkoop van de woning of verhuizing van de cliënt gedeeltelijk aan de gemeente Wijchen te worden betaald. Voor het bepalen van de waardestijging wordt uitgegaan van: Het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald; Een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening is gerealiseerd. Paragraaf 2.3 Verplaatsen en vervoer Artikel 7 Rolstoelvoorzieningen Het pgb voor een rolstoel wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura inclusief onderhoud en reparatie en (indien van toepassing) goedkoopste WA-verzekering voor vergelijkbare rolstoelen over een periode van 7 jaar (bij volwassenen) of 5 jaar (bij minderjarigen). Als onderhoud en reparatie niet beschikbaar zijn als onderdeel van een maatwerkvoorziening in natura, geldt voor een handbewogen rolstoel een vast bedrag van maximaal 5% van de aanschafwaarde per jaar en voor een elektrische rolstoel een bedrag van maximaal € 400, - per jaar. Het bedrag voor onderhoud en reparatie en (indien van toepassing) WA-verzekering wordt jaarlijks betaald nadat is aangetoond dat de kosten worden gemaakt. Artikel 8 Vervoersvoorzieningen Het pgb voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening (indien van toepassing) inclusief onderhoud en reparatie in natura en (indien van toepassing) goedkoopste WA-verzekering over een periode van 7 jaar (bij volwassenen) of 5 jaar (bij minderjarigen). Als onderhoud en reparatie niet beschikbaar zijn als onderdeel van een maatwerkvoorziening in natura, geldt hiervoor een bedrag van maximaal € 400, - per jaar. Het bedrag voor onderhoud en reparatie en (indien van toepassing) WA-verzekering wordt jaarlijks betaald nadat is aangetoond dat de kosten worden gemaakt. Artikel 9 Primaat bij collectief vervoer Bij het compenseren van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen ligt het primaat bij het collectieve vervoerssysteem via AVAN. Artikel 10 Vervoersvergoedingen De cliënt die als gevolg van aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of voor wie het openbaar vervoer niet compenserend is, kan in aanmerking komen voor een Wmo-vervoerspas voor gebruik van het collectief vervoer. Met deze vervoerspas kan een korting worden verkregen op het normale tarief van dit collectief vervoer. Bij een Wmo-vervoerspas voor AVAN betaalt de gemeente het verschil tussen het AVAN-tarief per kilometer en het reguliere OV-tarief per kilometer. De persoon met de Wmo-vervoerspas betaalt een eigen bijdrage per kilometer aan de vervoerder. De persoon met een Wmo-vervoerspas kan per jaar maximaal 1500 kilometer reizen met AVAN. Als AVAN geen compenserende voorziening is en iemand geïndiceerd is voor ander vervoer, dan kan een eenmalig pgb worden verstrekt tot de volgende maximale bedragen per jaar: Maximaal € 454 voor gebruik van een (eigen) auto of vervoer door derden; Maximaal € 2.686 bij vervoer per taxi; Maximaal €3.022 bij vervoer per rolstoeltaxi. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. De in lid 4 genoemde bedragen worden gehalveerd voor personen die verblijven in een instelling, tenzij blijkt dat deze halvering niet met de vervoersbehoefte van de persoon in overeenstemming is. Voor personen die beschikken over een ander vervoermiddel waarmee binnen Wijchen zelfstandig in de vervoersbehoefte voorzien kan worden, worden de bedragen genoemd in lid 4 met 40% verlaagd. Het eenmalig pgb dat wordt verstrekt ten behoeve van kinderen voor gebruik van auto, taxi of rolstoeltaxi bedraagt: Bij kinderen < 4 jaar: nihil; Bij kinderen > 4 jaar en < 12 jaar: de helft van het bedrag genoemd in lid 4; Bij kinderen > 12 jaar: het bedrag genoemd in lid 4. Indien sprake is van een zeer geringe mobiliteit bedraagt het aanvullende eenmalig pgb €115,- per jaar. Bij een aanpassing van een auto die uit medisch oogpunt noodzakelijk is, worden de noodzakelijke aanpassingskosten vergoed. Bij een aanpassing van een auto die niet uit medisch oogpunt noodzakelijk is, beperkt het eenmalig pgb zich tot de strikt noodzakelijke kosten met een maximum van €5.712,-. De vergoeding wordt alleen verstrekt indien voldaan is aan beide onderstaande voorwaarden: Er is een indicatie voor het collectief vervoer afgegeven, maar de klant kiest ervoor om gebruik te maken van een eigen aangepaste auto én De indicatie is verstrekt aan een kind dat jonger is dan 12 jaar of aan een ouder met beperkingen die zich gezamenlijk met (een) eigen jonger(
- e)kind(eren) in een aangepaste eigen auto wil verplaatsen. Paragraaf 2.4 Maatschappelijke participatie Artikel 11 Sportvoorziening De eenmalige tegemoetkoming in de meerkosten van een niet lichaamsgebonden sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.614, -- Dit bedrag is een tegemoetkoming in de aanschaf en het onderhoud van een niet lichaamsgebonden sportvoorziening voor een periode van drie jaar en wordt jaarlijks geïndexeerd. Paragraaf 2.5 Geestelijke gezondheid Artikel 12 Beschermd wonen De tarieven voor beschermd wonen in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. De vaststelling van een pgb voor beschermd wonen (beschermd wonen intramuraal, trainingshuis of beschermd thuis) vindt plaats op basis van acht producten (tabel in lid 4). De hulpvraag bepaalt welk product beschermd wonen wordt toegekend. Binnen beschermd wonen wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door formele zorgverleners en informele zorgverleners. Bij formele zorgverleners wordt een standaardtarief per dag gehanteerd. Voor informele zorgverleners wordt gerekend met een uurtarief. De vaststelling van het pgb voor beschermd wonen is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag, binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen. Categorie Aantal uren groepsbegeleiding per week Aantal uren Individuele begeleiding per week Beschermd thuis: licht 0 2-3 Beschermd thuis:middel 0 4-6 Beschermd thuis zwaar 0 6-9 Beschermd wonen intramuraal: licht 7 4-6 Beschermd wonen intramuraal:middel 7 7-9 Beschermd wonen: zwaar 7 10-14 Trainingshuis licht 7 2,5-4,5 Trainingshuis middel 7 5-7 Met het aantal in te zetten uren individuele en/of groepsbegeleiding mag worden gewisseld, waarbij we gebruikmaken van de omrekenfactor 1 op 6. Dat wil zeggen dat 6 groepsuren gelijk staan aan 1 individueel uur. In bepaalde gevallen wordt het pgb niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het zal dan gaan om de volgende situaties: De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van informele ondersteuning. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet informele en formele ondersteuning. Na uitsplitsing van het aantal formele en informele uren die de budgethouder nodig heeft, worden deze toegekend conform de vastgestelde uurtarieven. Als de indicatiesteller (GGD Gelderland-Zuid, Toegang beschermd wonen) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen zal de GGD een advies geven over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft. Indien een cliënt met een pgb voor beschermd wonen zowel zorg inkoopt bij een formele zorgverlener als bij een informele zorgverlener, dan leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Het totaal aantal uren kan de uren in bovenstaande tabel niet overschrijden Paragraaf 2.6 Begeleiding en dagbesteding Artikel 13 Tarieven voor begeleiding en dagbesteding De tarieven voor begeleiding en dagbesteding in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. De vaststelling van een pgb voor begeleiding en dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Voor het vaststellen aan wie een bijdrage in de kosten wordt opgelegd bij de maatwerkvoorziening begeleiding, is bepalend op wiens naam deze voorziening wordt verstrekt. Paragraaf 2.7 Opvang Artikel 14 Opvang Een bijdrage in de kosten is verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van opvang. De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. De bijdrage in de kosten voor opvang is gebaseerd op het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, of van de gehuwde cliënten samen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, of 4% van de opgetelde vermogens bij de gehuwde cliënten. Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) geen voeding aan de cliënt verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nibud berekent als gemiddelde voedingskosten. Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten. Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm. HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS OVER HET PGB Artikel 15 Budgetperiode en tussentijdse verstrekking Het eenmalig pgb wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode overeenkomend met de gemiddelde levensduur die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het pgb te kopen voorziening. Indien de periode waarvoor een eenmalig pgb is gegeven nog niet is verstreken kan een aanvullend pgb alleen worden gegeven in de volgende situaties: Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die aanpassing dan wel vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk maken. Er is sprake van een calamiteit die belanghebbende niet te verwijten is. Als de met het eenmalig pgb aangeschafte voorziening na het verstrijken van de budgetperiode nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw pgb gegeven. In de situatie als bedoeld in lid 3 kan wel een pgb voor instandhoudingskosten worden gegeven. Artikel 16 Betaling van het eenmalig pgb Het eenmalig pgb wordt uitsluitend betaald door overschrijving op een door de cliënt of diens gemachtigde opgegeven bankrekeningnummer of rechtstreeks aan de leverancier. Artikel 16a Roerende voorziening niet meer in gebruik Wanneer een roerende voorziening of hulpmiddel dat met een eenmalig pgb is aangeschaft niet meer door de cliënt gebruikt wordt of kan worden moet de cliënt of zijn erfgenaam de restwaarde aan de gemeente vergoeden. Voor het bepalen van de restwaarde wordt uitgegaan van: Het toegekende bedrag voor de voorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de voorziening is betaald; Een afschrijving van 15% voor elk vol jaar dat de voorziening is aangeschaft. HOOFDSTUK 4 JEUGDHULP Artikel 17 Tarieven jeugdhulp De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. De vaststelling van een pgb voor jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. HOOFDSTUK 5 OVERIG Artikel 18 Mantelzorgwaardering Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor de mantelzorgwaardering bedraagt maximaal € 50,-. De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd door de mantelzorgontvanger. De mantelzorgontvanger woont extramuraal binnen de gemeente Wijchen. De mantelzorg die aan de in lid 2 bedoelde persoon wordt verleend overtreft de gebruikelijke zorg en vindt gedurende tenminste 8 uur per week gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 3 maanden in het jaar waarin wordt aangevraagd plaats. De aanvraag voor mantelzorgwaardering kan worden ingediend vanaf 1 april tot uiterlijk 31 december van het betreffende jaar. Er kan zowel tijdens de behandeling van de aanvraag als na toekenning steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) controle plaatsvinden. Artikel 19 Bijdrage extra kosten chronisch zieken De tegemoetkoming aan de cliënt met een chronische lichamelijke of psychische beperking en die in verband daarmee aannemelijke meerkosten heeft bedraagt € 325,- per kalenderjaar. De tegemoetkoming wordt op aanvraag verstrekt. De aanvraag voor de tegemoetkoming kan worden ingediend tot uiterlijk 31 december van het betreffende jaar. De beleidsregel Bijdrage extra kosten chronisch zieken Wijchen 2023 is van toepassing. Er kan zowel tijdens de behandeling van de aanvraag als na toekenning steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) controle plaatsvinden. Artikel 20 Doorberekening kosten (medisch) advies (no-show-tarief) De kosten (no-show-tarief) die door de adviesinstantie bij de gemeente in rekening worden gebracht, voor het zonder bericht wegblijven van een cliënt op een afspraak, worden in rekening gebracht bij de desbetreffende cliënt. Indien de cliënt een geldige reden heeft voor het wegblijven op een afspraak wordt het “no-show-tarief” niet in rekening gebracht bij de desbetreffende cliënt. Artikel 21 Doorberekening medisch advies na indicatie gebruik collectief vervoer Indien op voorhand duidelijk is dat er geen medische beperkingen zijn voor het gebruik van het collectief vervoer wordt geen medisch advies opgevraagd. In afwijking van lid 1 kan op verzoek van de cliënt een medisch advies worden opgevraagd bij de adviesinstantie van de gemeente, maar de kosten van dit advies worden doorberekend aan de cliënt. Als het medisch advies alsnog leidt tot een positieve indicatie, worden de advieskosten terugbetaald aan de cliënt. Paragraaf 2. Persoonsgebonden budget Artikel 21 Bewaartermijn pgb administratie De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar. Bijlage3Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Deze bijlage betreft een nadere uitwerking van artikel 11 lid 5 van de Verordening. Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven. Algemene criteria Geschiktheidseisen Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en; De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen en afhankelijk van de te leveren ondersteuning: bij jeugdhulp: een bewijs als geregistreerd professional jeugd (SKJ-registratie), bij Wmo: certificering Wmo* en; De zorgaanbieder beschikt over de vereiste capaciteit, kennis en ervaring opgedaan in en blijkend uit tenminste één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten), of Pgb referentie geanonimiseerd (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten) Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer. Dit geldt niet voor pgb-zorgaanbieders die behoren tot het sociaal netwerk. * Kwaliteitsborging: de zorgaanbieder waarborgt de systeemkwaliteit van zijn organisatie door een goed functionerend kwaliteitsmanagementsysteem waarmee de kwaliteit van dienstverlening en veiligheid van medewerkers (Arbo en RI&E) en cliënten systematisch wordt geborgd. De opdrachtnemer moet de kwaliteit van de geboden hulp systematisch bewaken, beheersen en verbeteren. De zorgaanbieder komt alleen in aanmerking voor de opdracht indien hij in bezit is van een keurmerk-certificaat of een aantoonbaar werkzaam eigen kwaliteitssysteem. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de volgende keurmerken: HKZ, ISO 9001(-2015), KIWA, Blik op werk keurmerk. Zorgaanbieders die niet over een certificering beschikken moeten op een andere manier aantonen dat zij een werkend systeem hebben geïmplementeerd voor het beheersen, bewaken, borgen en verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening door het overleggen van een adequaat kwaliteitsplan. Dit plan kent een gelijkwaardig niveau als de gestelde eisen bij de hiervoor genoemde keurmerken, e.e.a. te beoordelen door de opdrachtgever. Uitsluitingsgronden Er is bij de zorgaanbieder sprake van: Het niet betalen van belasting en/of sociale premies Deelneming in een criminele organisatie Fraude Terroristische misdrijven Witwassen Kinderarbeid/mensenhandel Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht Faillissement Vervalsing van mededinging Een belangenconflict Valse verklaring(
- en)Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie Onrechtmatige beïnvloeding Ernstige beroepsfouten: Doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; Verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; Handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; Begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; Het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; Alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep. Screening kan bestaan uit: Het door een zorgaanbieder overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob. Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeente is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan cliënten. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders moeten voldoen aan alle wettelijke, bovenwettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen, werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) te kortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie onder kwaliteitseisen). 1. Het hulpverleningsplan en evaluatieverslag moet aan de volgende eisen te voldoen: Onderstaande is alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en/of evaluatieverslag is vereist. De gemeente hecht (
- er)veel waarde aan: “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid); dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden; methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties, blijkend uit een (bij de aanvraag) door de zorgaanbieder te overleggen anoniem hulpverleningsplan. Er moet een check zijn gedaan van alle leefdomeinen. Leefdomeinen: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Er zijn doelen geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Er zijn activiteiten geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieverslag evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Er zijn afspraken gemaakt over hoe de afstemming tussen de betrokkenen eruit ziet. Er wordt beschreven wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, het Sociaal team, of Gecertificeerde Instelling. Er is een goede balans tussen formele en informele zorg: er wordt goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en de informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). Er wordt ook beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met motivatie waarom dit al dan niet (nog)mogelijk is. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. Er staat beschreven hoe er wordt gewerkt aan versteviging van de eigen regie van de cliënt en de versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (= leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan. 2. Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle Inwoners met een ondersteuningsvraag, bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van de zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving. 3. Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig. 4. Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen groot verloop van personeel is. Voor de kwaliteitseisen wordt verwezen naar de aanbestedingsdocumenten: Externe link: Documentatie & Downloads - ROB regio Nijmegen - Regionaal Ondersteuningsbureau Wmo & Jeugdhulp. https://robregionijmegen.nl/documentatie-downloads/ Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. De Wmo 2015 en de Jeugdwet maken onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. De Wmo taken komen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. In de Jeugdwet zijn de taken opgenomen uit de Wet op de Jeugdzorg, een aantal taken uit de Zorgverzekeringswet (jeugd-ggz) en de AWBZ (zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking). Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij dat van de Wmo 2015. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. In de Jeugdwet is een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten, op een wijze zoals eerder is gebeurd in de Wmo. Het doel van het jeugdhulpstelsel blijft echter overeind: jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en (niet vrij-toegankelijke) maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouder. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouder zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouder eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige dat in het verslag op. Het college neemt een besluit en verwijst de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Deze verordening ziet met name op de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder(
- s)precies nodig heeft (hebben). Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders (zorg in natura) die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente of het Regionaal Ondersteuning Bureau (ROB) heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken gaan verder ook in op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multi-problematiek, wordt geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij of krachtens verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2, vijfde lid). Artikel 10 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang, beschermd wonen of jeugdhulp ten onrechte wordt onthouden, kan cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, ofwel in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige (netwerk-)medewerkers, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de