Verordening sociaal domein Winterswijk 20261Inleiding Verordening sociaal domein Winterswijk Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: werken; meedoen in de samenleving (participatie); uitkeringen; schuldhulpverlening; gezond en veilig opgroeien; vervoer naar school; hulp aan inwoners met een beperking; wonen in een veilige en gezonde omgeving; melden van verward gedrag. Waarom deze regels? In de gemeente Winterswijk vinden we het belangrijk dat inwoners: actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; hun financiën op orde hebben; een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig kunnen wonen; gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die goed bij hen past. De wetgever heeft wetten gemaakt om deze doelen te bereiken. Het gaat om de: Jeugdwet; Participatiewet (PW); Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet inburgering 2021 (Wib); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); Wet kinderopvang (Wko); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs (voor leerlingenvervoer); Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De regels in deze verordening zijn nodig om de wettelijke taken goed te kunnen uitvoeren. Deze vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en wethouders kunnen zulke uitvoeringsregels maken. Deze regels staan niet in deze verordening, maar in andere regelingen, zoals beleidsregels. Op verschillende plekken in de verordening zijn wetsartikelen opgenomen. Die artikelen zijn wel iets anders geformuleerd. Dat maakt ze beter leesbaar. Zo kunt u de hoofdlijnen van het gemeentelijke sociaal domein zien en de samenhang tussen de regels ontdekken. Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en samen met inwoners hulpvragen op te lossen; zijn goed leesbaar; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn afgestemd op elkaar; sluiten aan bij de wetten die hierboven zijn genoemd; helpen om belangrijke internationale regels na te komen; en houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit aansluit bij die doelen. De gemeente gaat bij het toepassen van de regels ook uit van een aantal kernwaarden: Iedere inwoner kan naar vermogen deelnemen aan de samenleving. Iedere inwoner heeft onderdak en een gezonde financiële huishouding. Kinderen groeien veilig en gezond op. Voorkomen is beter dan genezen. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat. De gemeente biedt extra ondersteuning aan kwetsbare inwoners. De gemeente stemt de ondersteuning en hulp op elkaar af. Wat zijn kernwaarden? Dat zijn principes en overtuigingen die we belangrijk vinden bij het uitvoeren van de verordening. De kernwaarden in deze paragraaf zijn van toepassing op alle hoofdstukken. Daarnaast staan in elk hoofdstuk nog bijzondere kernwaarden. Dat zijn kernwaarden die speciaal voor dat hoofdstuk gelden. Leeswijzer Wat leest u in deze verordening? In hoofdstuk 2 leest u eerst hoe en waar een inwoner hulp kan vragen en hoe die hulpvraag wordt opgepakt. Daarna leggen we in een aantal hoofdstukken de belangrijkste regels over de gemeentelijke taken uit. Die regels gaan bijvoorbeeld over hulp van de gemeente om de stap naar werk te zetten en de hulp bij de inburgering (H. 3), hulp bij de opvoeding van kinderen (H. 4), en hulp bij schulden (H. 7). In die hoofdstukken leest u wanneer u hulp kunt krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten u heeft. Daarna zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de hulp heeft, over wat inwoners en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe de hulp georganiseerd is (H. 8-12). De verordening eindigt met een uitleg van belangrijke begrippen uit deze verordening en met enkele slotbepalingen (H. 13 en 14). Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke bijzondere kernwaarde(
- n)voor dat hoofdstuk geldt/gelden. Daarna volgen de regels. Die regels zijn gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Bij elk artikel kunt u zien op welke wet of welke wetten het precies gebaseerd is. Dit kan per artikel en zelfs per hoofdstuk of paragraaf verschillend zijn. In deze verordening komt een aantal keer het woord ‘Gemeentewet’ voor. Dat is de wet die bepaalt dat de gemeenteraad zelf iets kan regelen. We noemen dat de algemene regelings- en aanvullingsbevoegdheid van de gemeenteraad (art. 108, eerste lid, 121 en 147, eerste lid, Gemeentewet). Bij een aantal artikelen in deze verordening leest u in de aanhef ook de afkorting ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht). Daarmee bedoelen we dat in de Awb specifieke bepalingen over dat onderwerp staan. Bijvoorbeeld in de artikelen 3.4.7 en 3.4.8 (over subsidies), art. 8.2 (over geld) en art. 11.1 t/m 11.3 (over klachten). 2De hulpvraag Soms lukt het inwoners niet om zelf hun problemen op te lossen. Inwoners kunnen dan hulp vragen aan de gemeente. In dit hoofdstuk staat hoe een inwoner die hulpvraag kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe de hulpvraag wordt behandeld en hoe de gemeente tot een besluit komt. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen in één keer kunnen worden gesteld. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. In dit hoofdstuk staat ook, hoe inwoners en hulpverleners signalen over inwoners die hulp nodig hebben, kunnen doorgeven aan de gemeente. Als de gemeente hulp geeft, zorgt de gemeente ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner worden gegeven. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De hulpvraag van de inwoner staat centraal. De gemeente helpt bij het verduidelijken van de vraag. De gemeente helpt de inwoner om zijn hulpvraag op de juiste plek te stellen. De gemeente maakt hulp makkelijk toegankelijk. Stap 1: Melding bij de gemeente 2.1.1Melden hulpvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wvggz, Llv] Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij sociaal team De Post van de gemeente Winterswijk. Voor jeugdhulp kan de inwoner ook terecht bij het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek. Als het nodig is helpen de medewerkers van deze teams inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de hulpvraag. Inwoners die Wmo wonen of maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich melden bij de gemeente Doetinchem (zie ook art. 5.2.3 en art. 5.2.4) of bij sociaal team De Post van de gemeente Winterswijk. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. Iemand anders kan ook een melding namens de inwoner doen. Voor sommige vormen van hulp kan de inwoner direct een aanvraag doen (zie art. 2.3.1). De gemeente maakt duidelijk voor welke vormen van hulp dat geldt en hoe de aanvraag kan worden gedaan. Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen. De gemeente biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Het advies- en meldpunt is te bereiken via telefoonnummer 0800-2000 (gratis) of via www.veiligthuis.nl. Een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet kan ook gemeld worden bij de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, zie hoofdstuk 4. 2.1.2Doel en procedure melding 1.Het doel van de melding is om de hulpvraag te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een vervolggesprek met een medewerker van de gemeente. De gemeente geeft aan waarover dat gesprek gaat, waar en wanneer het gesprek zal zijn en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil of als het van belang is voor de hulpvraag. 2.De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven. 3.De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dat noemen wij een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheden. 4.De gemeente kan na de melding afzien van een gesprek met de inwoner, als de gemeente al voldoende informatie heeft. De gemeente doet dit alleen in overleg met de inwoner zelf. 2.1.3Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens op te sturen of mee te nemen naar het gesprek met de medewerker van de gemeente. Stap 2: Gesprek na de melding 2.2.1Doel en procedure van het gesprek [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv] Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek om hem te ondersteunen. De inwoner kan ook gebruik maken van een cliëntondersteuner. De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. 2.2.2Gesprek en onderzoek 1.De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken. De medewerker onderzoekt: de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? Huisgenoten: of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan de gemeente de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onderzoek. de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? de rol van de gemeente: welke hulp kan de gemeente bieden? de rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner? 2.Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag. 3.Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen. 4.Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de voorwaarden om een persoonsgebonden budget (pgb) te kunnen krijgen. Als de inwoner een pgb wil ontvangen, dan onderzoekt de gemeente of de inwoner in staat is om het pgb te beheren. 5.Gaat het om Wmo-hulp-op-maat, dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten. 2.2.3Ondersteuningsplan [Jeugdwet, Wmo] Na het gesprek rondt de medewerker het onderzoek af. De medewerker verwerkt de uitkomsten van het onderzoek in het ondersteuningsplan. De medewerker stuurt het ondersteuningsplan naar de inwoner. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Als de inwoner Wmo- of jeugdhulp van de gemeente wil ontvangen, dan moet de inwoner het onderdeel ‘Aanvraag’ van het ondersteuningsplan invullen en ondertekend terugsturen. De medewerker kan er ook voor kiezen om tijdens het gesprek, samen met de inwoner, het ondersteuningsplan in te vullen. Dat kan de medewerker doen, als in het gesprek voldoende duidelijk wordt wat de inwoner nodig heeft van de gemeente. Ook dan moet de inwoner het onderdeel ‘Aanvraag’ van het ondersteuningsplan invullen en ondertekenen. De uitkomsten van het onderzoek door de medewerker worden dan opgenomen in het besluit, dat de inwoner later ontvangt. Stap 3: Aanvraag 2.3.1Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] De inwoner kan een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de hulpvraag is afgerond, maar in ieder geval na zes weken nadat de inwoner de melding heeft gedaan. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft. De inwoner kan in ieder geval direct een aanvraag doen voor de volgende vormen van hulp: een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, voor inwoners van 27 jaar of ouder; een IOAW- of IOAZ-uitkering; leerlingenvervoer; persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen (zie hoofdstuk 3.5); jeugdhulp Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend, tenzij een gesprek niet nodig is omdat de situatie duidelijk genoeg is. Als het gaat om een bijstandsuitkering voor levensonderhoud kan de inwoner die jonger is dan 27 jaar pas een aanvraag indienen als er na de melding vier weken voorbij zijn gegaan waarin de inwoner op zoek is gegaan naar werk of opleidingsmogelijkheden. Behalve als de melding is gedaan door: gehuwden en één van de echtgenoten 27 jaar of ouder is. inwoners die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven hebben gestaan bij het praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso). Deze uitzondering duurt een jaar; inwoners met een medische uren beperking; inwoners die loonkostensubsidie ontvangen of die mogelijk tot de doelgroep van loonkostensubsidie behoren. Zij kunnen de melding en aanvraag op hetzelfde moment doen. De werkgever kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier. De inwoner gebruikt een aanvraagformulier van de gemeente, om een aanvraag te doen. Voor Integrale Wmo ondersteuning, Wmo wonen en jeugdhulp geldt een ondertekend ondersteuningsplan ook als aanvraagformulier. Een aanvraag wordt gedaan bij de gemeente, behalve als het gaat om een digitale aanvraag voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, IOAW of voor een IOAZ -uitkering. Aanvragen voor een bijstandsuitkering levensonderhoud en IOAW worden gedaan via de website van UWV (www.werk.nl). In bijzondere situaties kan een uitkering voor levensonderhoud ook schriftelijk worden aangevraagd. Als het gaat om een aanvraag voor een IOAZ-uitkering, dan kan de inwoner voor meer informatie en het indienen van een aanvraag contact opnemen met ROZ via de website www.rozgroep.nl. 2.3.2Voorwaarden voor hulp-op-maat [Jeugdwet, Wmo, Wgs] Vraagt de inwoner hulp die speciaal is afgestemd op de inwoner (hulp-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, door gebruik te maken van algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen, organisaties of diensten; De hulp is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner. De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die geschikt is om het gewenste effect te bereiken. Als er sprake is van een levenslange beperking of aandoening en er geen zicht op verbetering is, wordt de afweging gemaakt of hulp-op-maat (Wmo; zowel pgb als zorg in natura) voor onbepaalde tijd passend is. De gemeente onderzoekt periodiek of de hulp-op-maat nog passend is. Tussentijdse wijzigingen in omstandigheden en/of beleid kunnen van invloed zijn op de indicatie voor hulp-op-maat. De gemeente kan hulp-op-maat in ieder geval weigeren als: de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner en hij deze hulpvraag had kunnen voorkomen; de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of achteraf de noodzaak nog vastgesteld kan worden; de gemeente de noodzaak van de hulp niet kan vaststellen. 2.3.3Advisering [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek voor wat betreft de Wmo, aantoonbaar beschikken over: Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; Ergonomische kennis; Bouwkundige/technische kennis; Gedragswetenschappelijke kennis. Voor wat betreft de Jeugdwet geldt in aanvulling op lid 1 dat de gemeente voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid inzet en ervoor zorgt dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ-, KJP- of BIG-geregistreerde professionals. Als dat noodzakelijk is, wordt extern (medisch) advies gevraagd. 2.3.4Beoordelen aanvraag [Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is en hoe die is ontstaan. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden, problemen of beperkingen er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. Stap 3: De gemeente brengt in kaart welk effect/resultaat de inwoner wil bereiken. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met hulp van huisgenoten, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of met hulp van andere organisaties. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. Bij de beoordeling als bedoeld in stap 4 onder lid 1 wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten; de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; De beoordeling van een aanvraag voor jeugdhulp is beschreven in hoofdstuk 4. 2.3.5Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen twee weken nadat de aanvraag voor Wmo-hulp is ontvangen. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de gegevens te verstrekken. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen. Stap 4. Beslissing 2.4Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner of zijn vertegenwoordiger. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Geeft de gemeente de hulp ‘in natura’ (een product of een dienst), dan staat in het besluit in ieder geval: welke hulp wordt toegekend, wat de omvang is en wat het doel van de hulp is; wie de hulp biedt of welke zorgaanbieder samen met de inwoner het hulpverleningsplan maakt; wanneer de hulp ingaat en wat de duur van de verstrekking is; een evaluatiedatum of einddatum; welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor de hulp; en hoe een inwoner bezwaar kan maken tegen het besluit. Zie hiervoor hoofdstuk 11. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: voor welke hulp het pgb bedoeld is; wat het doel is van die hulp; hoe hoog het pgb is en hoe dat berekend is; wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; hoe de inwoner duidelijk maakt hoe hij het pgb heeft besteed; welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden; en hoe een inwoner bezwaar kan maken. Zie hiervoor hoofdstuk 11. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: hoeveel het is; voor welk doel het geld wordt gegeven; wanneer het geld wordt betaald; hoe vaak het geld wordt betaald; en welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor het uitgeven van geld. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele eigen bijdrage in de kosten. 2.5Uitzonderingen 2.5.1Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs] In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. 2.5.2Inburgeringsplichtigen [Wib] Met de komst van de Wet inburgering 2021 is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe inburgeringsplichtigen. Asielmigranten worden vanuit een asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Winterswijk. Waar mogelijk begint de brede intake al op het asielzoekerscentrum. Gezinsmigranten krijgen van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een bericht over de brede intake. Daarnaast krijgen de inburgeringsplichtigen een andere brede intake dan de intake zoals in het stappenplan dat bij 2.1 tot en met 2.4 beschreven staat. 2.5.2.1Brede intake De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtigen een brede intake af. Dankzij deze brede intake krijgt de gemeente een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. De gemeente geeft in overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake invulling aan het inburgeringstraject. De brede intake wordt zo vroeg mogelijk afgenomen. Als het kan wordt de brede intake gepland zodra de inwoner bekend is bij de gemeente. Voor asielmigranten is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente. De brede intake bestaat in ieder geval uit: een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner; een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid; voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inwoner deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; en een leerbaarheidstoets. De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart: het taalniveau van de inwoner; de mogelijkheden tot (arbeids)participatie; de mate van zelfredzaamheid; en de wensen van de inwoner over inburgering en arbeidsparticipatie. De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast in het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (hierna: PIP). 2.5.2.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie De gemeente stelt na afronding van de brede intake en op basis van de hieruit ontvangen informatie het PIP op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In ieder geval worden in het gesprek over het PIP de volgende onderwerpen besproken: de uitkomsten van de brede intake; de persoonlijke einddoelen van de inwoner in het inburgeringstraject; welke leerroute als passend wordt gezien en waarom; de rechten en plichten van de inwoner tijdens het inburgeringstraject; de verwachtingen van de inwoner over het traject; de rol van de gemeente bij dit traject; en voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien. In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner. De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen tien weken na inschrijving van de inwoner in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het azc. Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Winterswijk stelt de gemeente het PIP opnieuw vast binnen tien weken na de inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP). De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld. 3Werken en meedoen in de samenleving Dit hoofdstuk gaat over werk en participatie (meedoen in de samenleving). Het is belangrijk dat inwoners in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De gemeente verwacht daarom van inwoners met een uitkering die kunnen werken, dat zij werk zoeken. De gemeente wil inwoners daarbij ondersteunen. Welke hulp de gemeente kan geven, staat in dit hoofdstuk. De hulp noemen we ook wel een voorziening. De gemeente kan ook iets terugvragen van inwoners met een uitkering. Dat wordt een tegenprestatie genoemd. In dit hoofdstuk wordt daar meer over uitgelegd. De gemeente vindt het ook belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving. Dat kan via werk, maar ook op andere manieren. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk staan de belangrijkste regels voor de hulp die de gemeente kan geven om mee te doen in de samenleving. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet of op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente ondersteunt de inwoner zo goed mogelijk in zijn ontwikkeling naar participatie of werk. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. 3.1Voor wie? [PW, IOAW, IOAZ, Wmo, Wib] Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden. Als dat niet lukt, kan de gemeente de volgende inwoners helpen om een stap richting werk te zetten, hierna te noemen de doelgroep: Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht of met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; Inwoners jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per persoon beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven; Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of onderwijs volgen, en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar passende hulpverlening of zorg. Inwoners moeten kunnen meedoen in de samenleving. Meedoen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van inwoners zelf. De gemeente helpt in ieder geval de volgende inwoners om mee te doen in de samenleving, als dat op eigen kracht of op andere manieren niet lukt: Inwoners met een beperking; Inwoners met een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. De gemeente zorgt voor begeleiding en ondersteuning voor inburgeringsplichtigen. 3.2.Samenwerking voor werk [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente werkt samen met werkgevers, UWV, regio-gemeenten, en andere organisaties. De gemeente doet dat om inwoners te helpen werk te vinden, dat bij hen past. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners uit de doelgroep werk willen aanbieden. De gemeente doet dat bijvoorbeeld via het Werkgeversservicepunt Achterhoek. 3.3.Budgetplafond [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan per soort voorziening een budgetplafond vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente per kalenderjaar kan uitgeven aan een bepaalde voorziening. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente zo’n voorziening niet meer. Voor wettelijke loonkostensubsidie en voor beschut werk kan de gemeente geen budgetplafond vaststellen. 3.4Voorzieningen – werk [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. De voorzieningen van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een voorziening ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de Participatiewet dat aangeeft. Sommige voorzieningen worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Dit kan op initiatief van de gemeente of op aanvraag van de werkgever. De gemeente houdt zich aan het preferente proces loonkostensubsidie dat voort komt uit landelijke samenwerkingsafspraken. Deze zijn te vinden op de website (www.fijnder.nl). Het kan ook zijn dat bepaalde voorzieningen niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per voorziening aangegeven. Het doel van een voorziening is het vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende voorzieningen inzetten: proefplaatsing; werkervaringsplaats; participatieplaats; sociale activering; beschut werk; hulp bij een leer-werktraject; plaatsingssubsidie; wettelijke loonkostensubsidie; scholing; hulp bij het leren van de Nederlandse taal; kinderopvang. Deze voorzieningen worden hieronder toegelicht. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn mogelijkheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn ook de voorwaarden uit artikel 2.3.2 van toepassing. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er tussen de gemeente en de inwoner zijn gemaakt. De gemeente zendt ieder jaar het jaarverslag aan de gemeenteraad met daarin de doeltreffendheid en de effecten van de inzet van de voorzieningen. 3.4.1Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een uitkeringsgerechtigde inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt wel een uitkering tijdens die periode. Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk. Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden. De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. Normaal duurt de proefplaatsing twee maanden. Met goede reden is er de mogelijkheid tot het verlengen van de proefplaatsing met maximaal vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee en zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden. De gemeente weigert de toestemming bedoeld in het eerste lid als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met plaatsingssubsidie. 3.4.2Werkervaringsplaats [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering. Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen: De inwoner doet werkervaring op; De inwoner leert om in een dienstverband te functioneren; De inwoner doet werkritme op. De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner kansen om te oefenen en te leren in het werk. De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt. De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. De werkervaringsplaats duurt maximaal zes maanden en kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden. 3.4.3Participatieplaats [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op loonvormend werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen. Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd. Een participatieplaats duurt maximaal twee jaar. Dit kan met twee keer één jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. De inwoner kan telkens na zes maanden een premie ontvangen. De gemeenteraad stelt deze premie vast op nihil. 3.4.4Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Dat kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk zijn. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3.4.5Beschut werk [PW] De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden. De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt. Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels wachtlijst Nieuw Beschut Werk Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: wettelijke loonkostensubsidie; aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; werk opsplitsen in kleinere taken; aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan ter overbrugging de volgende voorzieningen inzetten: sociale activering; participatieplaats; of een vergelijkbare voorziening. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor: sociale activering; scholing; participatieplaats; werkervaringsplaats; of een vergelijkbare voorziening. 3.4.6Hulp bij een leer- werktraject [PW] De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren: van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2. De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen. 3.4.7Plaatsingssubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt voor een korte periode plaatsingssubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8), en ook niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed. De plaatsingssubsidie is maximaal 50% van het Wettelijk minimumloon, tot maximaal € 500 per maand. De plaatsingssubsidie duurt maximaal zes maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. 3.4.8Wettelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever en inwoner moeten wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan ook vastgesteld worden na het begin van het dienstverband of proefplaatsing door inzet van de Praktijkroute. Informatie hierover kan worden opgevraagd bij het Werkgeversservicepunt Achterhoek. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de werkgever maximaal zes maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. De gemeente stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever plaatsingssubsidie van toepassing is. 3.4.9Scholing [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. 3.4.10Hulp bij het leren van de Nederlandse taal [PW, IOAW, IOAZ] Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren. Soms is het volgen van scholing verplicht. De gemeente heeft ‘Beleidsregels taaleis Participatiewet Fijnder’ vastgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl. Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. Deze ondersteuning kan plaatsvinden bij een onderwijsinstelling of binnen de gemeente via het Taalhuis. 3.4.11Kinderopvang [PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang] De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, als: de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden: De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening); Of: De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs; en De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau. 3.4.12Andere voorzieningen en vergoedingen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ. Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen als de inwoner die kosten niet op een ander manier vergoed kan krijgen. 3.4.13Innovatie [PW, IOAZ, IOAW] De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken. Een experiment duurt niet langer dan drie jaar. Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is. 3.5Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen 3.5.1.Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2., de volgende voorwaarden: de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd; de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken; de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWV-werkvoorzieningen (www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen); het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; het gaat niet om een mee te nemen voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; de kosten van de voorziening moeten in verhouding zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk of de opbrengsten van uitstroom naar werk. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Behalve als bij de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn. De gemeente kan een deskundig advies inwinnen, als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen. De gemeente spreekt met de werkgever en werknemer af op welke manier de ondersteuning wordt geboden en tot wanneer. De gemeente legt dit vast in een beschikking. 3.5.2.Persoonlijke ondersteuning bij werk [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van: jobcoaching door een jobcoach van Fijnder of een coach waarmee Fijnder een contract heeft. een subsidie aan de werkgever voor het inzetten van een jobcoach; subsidie aan de werkgever voor interne werkbegeleiding 3.5.3.Hulp op de werkplek van een jobcoach [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een inwoner een jobcoach vanuit Fijnder aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij zijn ontwikkeling op de werkplek. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet. Deze afspraken komen in een overeenkomst met de werkgever te staan. De jobcoaching wordt ingezet voor een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden, na deze periode kan jobcoaching eenmalig verlengd worden met zes maanden. Een externe jobcoach moet werken bij een erkende Jobcoachorganisatie, op basis van het erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV. Deze is te vinden op www.uwv.nl. Als de gemeente zelf één of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan. Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveaus ‘licht’, ‘midden’ en ‘intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een werknemer in deze situatie. Voor iedere werknemer die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welk maximumbedrag die werknemer jobcoaching kan krijgen. De maximumbedragen zijn gebaseerd op de normbedragen voorzieningen van het UWV zoals die zijn gepubliceerd in het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV. Bij wijziging van de normbedragen door het UWV worden de vergoedingen aangepast met ingang van het nieuwe kalenderjaar. 3.5.4.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. De werkgever kan daar een aanvraag voor doen. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.5.3 worden verleend. Daarnaast als: er een coachingsplan is vastgesteld waarin beschreven staat welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de beoordeling plaatsvindt; de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de werknemer; de werknemer voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3.5.5.Subsidie voor interne werkbegeleiding [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. Die subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker. De gemeente kan voor werkgevers een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers. 3.5.6.Ondersteuning bij een visuele of motorische beperking [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen. Dit is hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen. Dat dit niet lukt komt door problemen met zien of met bewegen. 3.5.7.Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor iemand om te kunnen werken. Er is geen lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een mee te nemen voorziening worden beschouwd, als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de voorziening krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de voorziening. 3.5.8.Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening [PW, IOAW, IOAZ, Wsw De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan de inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld. Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van. De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en kan niet carpoolen; en het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt. Bij reizen met eigen vervoer vergoedt de gemeente de reiskosten tot een bedrag van de maximale onbelaste kilometervergoeding (vastgesteld door de Belastingdienst). Bij reizen met het openbaar vervoer baseert de gemeente de vergoeding op de goedkoopste en meest passende manier van reizen. 3.6Tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] 3.6.1Doel van de tegenprestatie 1.De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2.De gemeente kan als tegenprestatie vragen om onbetaald werk te gaan doen dat de gemeente nuttig vindt voor de samenleving. 3.Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving. 3.6.2Voorwaarden tegenprestatie 1.Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2.De inwoner hoeft geen tegenprestatie te leveren als dit niet te combineren is met mantelzorg of vrijwilligerswerk. 3.6.3Duur en omvang tegenprestatie 1.De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen: De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten. De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. 2.Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd. 3.7Meedoen in de samenleving [Wmo, Jeugdwet, PW] De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners kunnen meedoen aan activiteiten in de samenleving. Door te werken doen inwoners mee aan de samenleving. Maar inwoners kunnen ook op andere manieren meedoen. Daarom zijn er in de gemeente: plekken waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten; activiteiten die voor alle inwoners worden georganiseerd; mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen; en maatschappelijke organisaties waar inwoners terecht kunnen. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om mee te doen. Een inwoner kan daar hulp bij nodig hebben vanwege een beperking of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente hulp vragen, als diegene zelf geen oplossing kan vinden voor zijn belemmeringen. De hulp kan verschillende vormen hebben. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. De hulp moet daarnaast langdurig nodig zijn. Hieronder staan vormen van hulp-op-maat die de gemeente kan inzetten. 3.7.1Wmo Herstelgerichte ondersteuning 1.Om te voorkomen dat mensen minder zelfstandig worden, richt de gemeente zich ook met andere manieren op ondersteunen van inwoners. Er is aandacht voor de verbetering van zelfstandigheid van ouderen in hun eigen leefomgeving. De ondersteuning is gericht op verbetering van de situatie van de inwoner in plaats van een voorziening of ondersteuning waarbij zaken worden overgenomen. Een gericht bewegingsprogramma onder begeleiding van daarvoor opgeleide fysiotherapeuten wordt aangeboden aan inwoners die zich (voor het eerst) melden bij de Wmo en waarvoor herstelgerichte ondersteuning een passende oplossing kan zijn voor hun hulpvraag. 2.Een inwoner kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning, als uit deskundig advies blijkt dat herstelgerichte ondersteuning een passende voorziening is. 3.Herstelgerichte ondersteuning kan op zichzelf staand worden geïndiceerd, maar kan ook gecombineerd worden met andere hulp-op-maat, als uit het deskundig advies hiervoor de noodzaak blijkt. 4.Andere hulp-op-maat wordt niet ingezet wanneer uit het advies van de deskundige blijkt dat die voorziening(
- en)anti-revaliderend werken voor de inwoner. Dat wil zeggen dat het herstel ermee wordt tegengewerkt. 5.Als de herstelgerichte ondersteuning eerder wordt beëindigd, ontvangt de gemeente een afrondende rapportage van de deskundige. 6.Als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopst passende voorziening (artikel 2.3.2 lid 3 van de verordening) en een inwoner maakt hier zonder gegronde reden geen gebruik van, dan kan de inwoner geen andere hulp-op-maat krijgen voor de ondersteuningsbehoefte waarvoor die voorziening is ingezet. De voorziening wordt daarmee beschouwd als voorliggende voorziening ten opzichte van andere hulp-op-maat. Gegronde reden wil zeggen dat uit het advies van de deskundige blijkt dat er redenen zijn waardoor deelname niet mogelijk is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het niet veilig kunnen deelnemen in de trainingsgroep, de instructies niet kunnen opvolgen of een acute klacht hebben waardoor bewegen niet kan of mag (bijvoorbeeld een gebroken been). 3.7.2Ondersteuning Wmo Wmo ondersteuning helpt inwoners vanaf 18 jaar die een verstandelijke of lichamelijke beperking hebben, of die (langdurige) psychische problemen, psychosociale problemen of verslavingsproblemen hebben. De hulp wordt zoveel mogelijk gegeven in de eigen omgeving van de inwoner. De hulp wordt alleen toegekend als andere voorliggende voorzieningen en hulp in de buurt zijn voor deze inwoner niet voldoende geschikt zijn. Begeleiding individueel De begeleiding richt zich op het vergroten of behouden van vaardigheden en/of het voorkomen van achteruitgang. Begeleiding heeft ook een signalerende functie; voorkomen van overvraging en signaleren van achteruitgang. Doel van de begeleiding is het vergroten of behouden van de eigen kracht en eigen regie met positief effect op een of enkele leefgebieden. De begeleiding wordt geboden op de beste plek. Dit kan thuis bij de inwoner zijn, maar ook elders. In aanvulling daarop kan begeleiding op afstand door middel van (beeld) bellen worden geboden, wanneer dit aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner. Begeleiding individueel extra De begeleiding helpt inwoners om stabiel te worden, te herstellen en zich te ontwikkelen. Bij de begeleiding wordt een plan gevolgd. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven. De begeleiding wordt gegeven op de beste plek. Dit kan thuis zijn, maar ook ergens anders. Daarnaast kan begeleiding op afstand via (video) bellen worden gegeven, als dit past bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner. Begeleiding individueel beschermd thuis De begeleiding helpt inwoners om te herstellen, zich te ontwikkelen en vast te houden wat ze hebben bereikt. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of met planbare hulp. De begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de inwoner (thuis) zijn. Begeleiding groep belevingsgericht De inwoner heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur geven en de dag zinvol maken, om sociaal isolement te voorkomen. De begeleiding helpt bij het behouden van vaardigheden en ontlast de mantelzorger of thuissituatie. Ontwikkelingsgerichte dag invulling is voor deze groep niet passend of niet meer mogelijk. De activiteiten zijn vooral recreatief en gericht op sociale contacten, het versterken van het sociale netwerk en ontmoeting. Voorbeelden van activiteiten zijn wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen, samen koken en andere mensen ontmoeten. Begeleiding groep ontwikkelgericht De begeleiding helpt inwoners om zich op lange(
- re)termijn te ontwikkelen. Het doel is dat inwoners uit de hulp op maat/maatwerkvoorziening1 gaan naar een volgende plek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk of onderwijs. De begeleiding helpt bij het aanleren van (werk)vaardigheden om zelfredzaam te worden en mee te doen in de samenleving: inzet op maximale persoonlijke ontwikkeling in een werkomgeving of een hogere trede op de participatieladder. Waar nodig ondersteunt de begeleiding bij behandeling en herstel. Logeren Logeren via de Wmo is bedoeld voor mensen die tijdelijk niet thuis kunnen blijven. Bijvoorbeeld omdat hun mantelzorger even rust nodig heeft. Tijdens het logeren krijgt de cliënt hulp bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (hierna ADL) zoals eten, wassen en aankleden. Ook zijn er activiteiten om tot rust te komen en weer energie op te doen. De begeleider let goed op signalen zoals overbelasting van de mantelzorger of onrust bij de cliënt. De zorg vindt plaats in een accommodatie van de aanbieder. Deze locatie is huiselijk ingericht en biedt comfort en veiligheid. De cliënt heeft hier een eigen slaapkamer en er is altijd toezicht, ook in de avond en nacht. De aanbieder zorgt voor ADL-ondersteuning. De begeleiding is persoonlijk en gebeurt op de locatie zelf. Beeldbellen wordt meestal niet ingezet, omdat het belangrijk is dat er iemand fysiek aanwezig is bij de cliënt. 3.7.3Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging helpt mensen om zichzelf beter te verzorgen in het dagelijks leven. Het doel is dat de cliënt zo zelfstandig mogelijk is en blijft bij activiteiten als wassen, aankleden, eten en uiterlijke verzorging. Het gaat om een cliënt die tijdelijk niet zelfredzaam is, maar waarbij er geen sprake is van een geneeskundige context of een verhoogd risico op geneeskundige zorg. De begeleider kijkt goed of er signalen bestaan die laten zien dat het moeilijker wordt voor de cliënt of dat de situatie onveilig is. De begeleiding gebeurt thuis bij de cliënt. Beeldbellen kan worden gebruikt, bijvoorbeeld om aan te sturen of uitleg te geven. Dit gebeurt alleen als het past bij wat de cliënt nodig heeft. Beeldbellen is een aanvulling en vervangt het persoonlijke contact niet. 3.7.4Vervoer in de eigen omgeving 1.De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis. 2.Het moet gaan om: het zich verplaatsen rondom de woning; of het zich verplaatsen over ten hoogste 20 kilometer van de woning. 3.De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Zo ja, dan kan de inwoner gebruik maken van collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV. De inwoner betaalt hiervoor een eigen bijdrage van € 60 per jaar. 4.De inwoner die geen gebruik kan maken van ZOOV, kan in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van een eigen auto, een taxi of een rolstoeltaxi. De bijdrage is: maximaal € 954 per kalenderjaar voor het gebruik van een eigen auto; maximaal € 2.961 per kalenderjaar voor het gebruik van een taxi; maximaal € 3.363 per kalenderjaar voor het gebruik van een rolstoeltaxi. 3.7.5Rolstoel De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel, als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik. 3.7.6Sportvoorziening/sporthulpmiddel 1.De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder een aangepaste sportvoorziening of hulpmiddel, kan eens in de drie jaar in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als bijdrage in de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening/sporthulpmiddel. Bijvoorbeeld een sportrolstoel of een handbike. 2.Deze bijdrage wordt één keer per drie jaar verstrekt en bedraagt maximaal € 2.281. 3.Via de uitleen van Uniek Sporten (https://www.unieksporten.nl/uitleen) kan een inwoner eerst voor vier maanden gratis een sporthulpmiddel uitproberen. Op deze manier kan een inwoner eerst uitproberen welke sport past, zonder daarvoor een hulpmiddel hoeft aan te schaffen. Via Uniek Sporten kan ook een (aanvullende) subsidie worden aangevraagd voor de aanschaf van het sporthulpmiddel. 3.7.7Aanpassing of vervanging voorziening Als een vervoermiddel of rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de gemeente dit alleen, als: die voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om; of die voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner; of de inwoner de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk zelf betaalt. 3.8Inburgeren 3.8.1Kernpunten van het inburgeringstraject De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtigen. Hierbij gelden de volgende kernpunten: de gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start). de inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van drie jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid). de gemeente zorgt voor iedere inburgeringsplichtige dat hij een passend traject kan volgen (maatwerk). de inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit). de gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit). 4Gezond en veilig opgroeien Jongeren moeten zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van ouders, jongeren en hun netwerk, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk geboden. Zo kan het beroep op gespecialiseerde hulp worden verminderd. Bij het geven van hulp staat de eigen kracht van ouders en jongeren voorop. Die moet worden versterkt. De hulp moet ook het probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving vergroten. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar, en in bepaalde situaties tot 23 jaar. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare jongeren. De zorg is afgestemd op het sociale en professionele netwerk van de jongere en zijn ouders. 4.1Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet] Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen hulp-op-maat verstrekt aan een jongere die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jongere van een bepaalde leeftijd. Voor de beoordeling hiervan verwijzen we naar bijlage 1. Hulp-op-maat wordt ook niet ingezet als de jeugdige en zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere voorziening en deze voorziening de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen kan verminderen of wegnemen. Een andere voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Als hulp-op-maat noodzakelijk is, verstrekt de gemeente de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Hulp-op-maat wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt de gemeente door vast te stellen of de hulp-op-maat wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(
- s)zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; of de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; of de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); of de Databank Effectieve Sociale Interventies van Movisie; of de Databank Erkende Interventies van het Trimbos Instituut; of de Grote Methodiekengids; of de Praktijkstandaarden van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie; of of een interventie die beschikt over een verglijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning. Als ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig hebben ten gevolge van eigen maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen en er geen jeugdhulpvraag is als bedoeld in deze verordening, komt de jongere of zijn ouder(
- s)niet in aanmerking voor jeugdhulp. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er naast de hulpvraag van de ouders ook sprake is van meervoudige problematiek in het gezin. De uitvoering van hulp-op-maat in het kader van de Jeugdwet kan extern zijn belegd of de besluitvorming op aanvragen voor jeugdhulp kan zijn gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders. In die gevallen zorgt de gemeente ervoor dat er geen vermenging van rollen is bij advisering, gemandateerde besluitvorming en het leveren van hulp-op-maat door deze partijen. Dit is ook van toepassing op heronderzoek. 4.2Eigen kracht [Jeugdwet] Alle hulp van de gemeente is gericht op het op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk. Hulp-op-maat wordt niet ingezet als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en zijn ouders op eigen kracht, of met behulp van het sociaal netwerk, kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft de gemeente als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
- s)tekortschiet, omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; of een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Bij de beoordeling van overbelasting of dreigende overbelasting als in lid 5c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(
- s)hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Daarbij mag redelijkerwijs verwacht worden dat de ouder(
- s)maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt de gemeente in ieder geval: De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; De planbaarheid van de benodigde hulp; De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan; De mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen om te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; Overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden. 4.3Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen [Jeugdwet, Awb] In bepaalde situaties kunnen ouders en jeugdigen hun problemen niet op eigen kracht of met het sociale netwerk oplossen. Als de gemeente deze inwoners kan ondersteunen met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het Ondersteuningsteam Oost-Achterhoek. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan kan hulp-op-maat worden ingezet als aan de voorwaarden van artikel 4.1, 4.2 en 2.3.2 wordt voldaan. 4.3.1Beoordelen aanvraag 1.Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, stelt de gemeente een onderzoek in: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de jeugdige en zijn ouders is en hoe die is ontstaan. Stap 2: De gemeente onderzoekt de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie. Stap 3: De gemeente onderzoekt of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(
- s)of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt de gemeente achtereenvolgens: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Stap 4: De gemeente onderzoekt in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
- s)en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Hiervoor onderzoekt de gemeente de punten zoals aangegeven in artikel 4.2 lid 7. Stap 5: De gemeente onderzoekt, voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening of met hulp-op-maat te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp. 2.De gemeente betrekt de voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke hulp wordt ingezet. De gemeente houdt daarbij zo goed mogelijk rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s). 3.De gemeente onderzoekt, indien van toepassing, hoe de hulp-op-maat zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 4.Als de jeugdige of zijn ouder(
- s)een familiegroepsplan hebben gemaakt, betrekt de gemeente dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. 5.Pas als de gemeente het stappenplan heeft doorlopen en duidelijk is dat hulp-op-maat nodig is, komt de vraag aan de orde of de jeugdhulp in natura of in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. Daarvoor meldt de gemeente aan de jeugdige of zijn ouders welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb en wat de gevolgen van hun keuze zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 8. 4.4Vormen van jeugdhulp 4.4.1Vrij toegankelijke jeugdhulp 1.De gemeente zet zich ervoor in dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met: opvoed- en opgroeiondersteuning; de inclusieve buitenschoolse opvang; informatie, advies en trainingen over opgroeien, opvoeding en ouderschap; jeugdgezondheidszorg; het jongerenwerk; ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes; een vertrouwenspersoon via het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ); cliëntondersteuning; mantelzorgondersteuning; het Ondersteuningsteam van de gemeente; een praktijkondersteuner jeugd (POH) op een aantal huisartsenpraktijken binnen de gemeente. Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen besluit van de gemeente nodig, en ook geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts. 2.De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedproblemen zo vroeg mogelijk kunnen worden opgevangen, en dat dan ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. 4.4.2Niet-vrij toegankelijke jeugdhulp 1.Als vrij toegankelijke hulp niet voldoende is, kan de gemeente hulp-op-maat aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, huisarts, een medisch specialist, of een gecertificeerde instelling. Art. 2.3.2. is van toepassing op een besluit van de gemeente. De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is: Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien; Ondersteuning individueel Ondersteuning groep Een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is Specialistische jeugdhulp: Behandeling individueel Behandeling groep Behandeling groep orthopedisch dagcentrum Behandeling basis GGZ Behandeling specialistisch GGZ Behandeling hoog complex GGZ Behandeling diagnostiek Medicatiecontrole Ambulante spoedhulp Dyslexiezorg Hulp bij persoonlijke verzorging Logeeropvang Crisishulp Hulp bij ernstige enkelvoudige dyslexie Jeugdbescherming Jeugdreclassering Integrale, hoog-specialistische hulp met verblijf 2.De volgende vormen van hulp-op-maat hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie: Ondersteuning groep: Ondersteuning groep wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. Behandeling individueel: Behandeling jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf
(12)maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Behandeling groep: Behandeling groep jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf
(12)maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Behandeling groep wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week. Behandeling basis GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf 12 maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met de gemeente en na een onderbouwing van de aanvraag. Behandeling specialistisch GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf 12 maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met gemeente en na een onderbouwing van de aanvraag. Ambulante spoedhulp: Ambulante spoedhulp wordt ingezet voor de duur van maximaal 28 dagen. 3.Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de toegang van de gecontracteerde aanbieders op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. 4.5Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jongere of zijn ouders(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als de gemeente soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. Dit geldt niet als de jeugdhulp via een pgb wordt ingezet en voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb-verstrekking. Van het tweede lid kan alleen worden afgeweken als er sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden. De gemeente moet dan voorafgaand aan de start van de zorgverlening schriftelijk toestemming hebben gegeven. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over doorverwijzingen. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 4.6Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat jongeren die jeugdhulp krijgen, ondersteuning houden als ze 18 jaar worden en die ondersteuning nodig blijft. Als de jongere begeleiding naar scholing of werk nodig heeft, dan kan de jongere gebruik maken van de diensten van Jouw Unit van werkleerbedrijf Fijnder. Jeugdhulp kan onder bepaalde voorwaarden worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt.. Er zijn een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als: de jongere al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp kreeg en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt; na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een termijn van half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering. Pleegzorg of verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. 4.7Afstemming met andere vormen van hulp [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met het onderwijs, hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over: procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; communicatie met andere organisaties; afbakening van taken en verantwoordelijkheden; een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en hulp-op-maat; De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm. 4.8Vervoer [Jeugdwet] Uitgangspunt is dat de ouders zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij worden twee contactmomenten (twee maal brengen en halen) per week in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige voor het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Er moet sprake zijn van een medische noodzaak of een beperking in zelfredzaamheid waardoor de jeugdige niet zelfstandig kan reizen, en ook niet met behulp van zijn sociaal netwerk van en naar de jeugdhulplocatie kan komen. Een gemeente beoordeelt, overeenkomstig artikel 4.2, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. De gemeente zal eerst kijken of er een voorliggende voorziening is. Een indicatie voor vervoer kan bestaan uit een kilometervergoeding, een vergoeding voor Openbaar Vervoer of taxivervoer via ZOOV. De gemeente onderzoekt eerst of een vergoeding voor Openbaar Vervoer een oplossing biedt, voordat een kilometervergoeding aan de orde is. Het inzetten van taxivervoer via ZOOV is pas mogelijk als alle andere opties naar het oordeel van de gemeente niet mogelijk zijn. De gemeente kan nadere regels stellen ter uitvoering hiervan. 5Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als inwoners zulke problemen niet zelf kunnen oplossen, kan de gemeente hen helpen. Welke hulp dat kan zijn, wordt in dit hoofdstuk uitgelegd. De gemeente kan ook helpen, als inwoners met een beperking niet goed voor zichzelf kunnen zorgen, en als inwoners opvang of Wmo wonen nodig hebben. Ten slotte speelt de gemeente een rol bij het ondersteunen van mantelzorgers. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan al deze inwoners kan geven. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarde: Inwoners kunnen zo lang mogelijk veilig wonen en leven in hun eigen omgeving. 5.1Uitgangspunten [Wmo] Het is belangrijk dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen doen en een huishouden kunnen voeren. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Het kan zijn dat een inwoner hulp nodig heeft, vanwege een beperking of door een langdurig psychisch of een psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente hulp vragen als hij zelf geen oplossing kan vinden voor zijn belemmeringen. De hulp kan verschillende vormen hebben. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.
- De hulp moet daarnaast langdurig nodig zijn. Als de inwoner hulp bij het (zelfstandig) wonen of opvang nodig heeft, dan moet de hulp van de gemeente eraan bijdragen dat de inwoner zichzelf zo snel mogelijk weer kan redden in de samenleving. Inwoners worden zoveel mogelijk thuis en in hun eigen wijk geholpen. De gemeente geeft alleen hulp-op-maat als dat nodig en passend is. De inwoner kan daarom in elk geval geen hulp krijgen, als: de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken; de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening, van eigen kracht, mantelzorg, (boven-) gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen of van zijn sociale netwerk; de inwoner onvoldoende meewerkt, zodat de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is; de voorziening niet hoofdzakelijk voor de inwoner is bedoeld; de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met de aard, omvang en ontwikkeling van zijn beperkingen. 5.2Zelfstandig en veilig wonen Voor de inwoner die voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5.1 zijn in bepaalde gevallen de volgende voorzieningen beschikbaar. 5.2.1Geschikte woning 1.De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, als: het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening. De woonvoorziening houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2.Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte woning. Deze bijdrage in de verhuiskosten is maximaal € 2.
- 3.De inwoner kan tijdelijk een andere woning nodig hebben om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt. In dat geval kan de inwoner in aanmerking komen voor een bijdrage in de extra kosten van tijdelijke huisvesting, indien dubbele woonlasten onvermijdelijk zijn. De bijdrage is maximaal vier maal de huurgrens voor huurtoeslag van het lopende jaar en € 1.260 voor tijdelijke onzelfstandige woonruimte (zoals een kamer). 4.De inwoner kan alleen een woonvoorziening krijgen als dat passend en nodig is. De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties: De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. De woonvoorziening is bedoeld voor een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen had kunnen worden. De inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning en er geen belangrijke reden voor de verhuizing was. De inwoner verhuisd is naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven. De belemmeringen die de inwoner ervaart, het gevolg zijn van de bouwkundige of woon technische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning; De gevraagde voorziening alleen maar gericht is op renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd. De gevraagde voorziening is niet grotendeels op de inwoner gericht. De inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de woning waarvoor de woonvoorziening wordt gevraagd. De kosten van de woonvoorziening zijn hoger dan € 50.
- Dat is anders als er volgens de gemeente zwaarwegende redenen zijn om de woning wel aan te passen. 5.De eigenaar-bewoner die een woningaanpassing heeft ontvangen en de woning verkoopt, moet de verkoop zo snel mogelijk melden aan de gemeente. Dat moet alleen bij verkoop van de woning binnen zeven jaar na gereed melding van de woningaanpassing. Is er bij verkoop een meerwaarde naar aanleiding van de woningaanpassing, dan moeten de kosten van de woningaanpassing worden terugbetaald. De gemeente heeft daarvoor een afschrijvingsschema vastgesteld. 5.2.2Een schone en leefbare woning 1.De inwoner met een beperking die zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden. 2.Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de hulp die kinderen normaal gesproken moeten bieden (gebruikelijke hulp). Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 3.De ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Naast schoonmaakhulp kan ondersteuning nodig zijn voor het aanbrengen van structuur in het huishouden en het aanleren van huishoudelijke vaardigheden. 5.2.3 Wmo wonen
- De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen (Wmo wonen), als de inwoner deze woonvorm nodig heeft als gevolg van complexe psychische of psychosociale problemen. Kan de inwoner gebruik maken van beschermd wonen op grond van de Wet langdurige zorg, dan gaat dat voor. Wmo wonen is niet bedoeld voor een (acute) crisissituatie waarin de gemeente nog geen noodzaak voor Wmo wonen kan vaststellen. Daarvoor is de voorziening maatschappelijke opvang beschikbaar (zie artikel 5.2.4). 2.Voor inwoners die reeds een indicatie voor Wmo wonen hebben die nog is afgegeven door de gemeente Doetinchem, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem en daarop gebaseerde regelingen. 3.De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als andere vormen van hulp-op-maat onvoldoende passend zijn. 5.2.3.1 Verschillende vormen van Wmo wonen Beschermd wonen Vanwege problemen is het nodig dat de inwoner in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in veilige omgeving, en helpt de inwoner om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom. De begeleiding is altijd dichtbij en de inwoner kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op. Dagbesteding of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Dagbesteding kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder. Beschut wonen De inwoner kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met zorg en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de inwoner om meer zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de inwoner zelfredzamer te maken en stabiliteit te waarborgen. Soms is het nodig om de sturing van de inwoner over te nemen, maar het doel is altijd om naar eigen regie te streven. Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ De inwoner heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven en zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongere of volwassene die is opgegroeid in een situatie die niet goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de inwoner heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De inwoner is klaar om een volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De inwoner werkt eraan om zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die daarvoor nodig zijn. 5.2.4Maatschappelijke opvang 1.De inwoner kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als de inwoner dakloos is en de opvang nodig heeft, omdat hij zich niet op eigen kracht kan redden in de samenleving door verslavingsproblematiek of door psychische of psychosociale problemen; of bij huiselijk geweld. 2.De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als andere voorzieningen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken. 3.Voor inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem en daarop gebaseerde regels. 5.2.5Safehouse Een Safehouse biedt herstelgerichte ondersteuning aan volwassen cliënten met verslavingsproblematiek en psychosociale en/of psychiatrische problemen. Deze voorziening biedt een veilige en gezonde, afgeschermde omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die noodzakelijk zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en wordt geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten. De ondersteuning in een Safehouse is met name voor mensen die net een behandeling tegen verslaving hebben afgerond, kampen met multi-problematiek, een terugval hebben gehad of gebaat zijn bij een een ‘’oefenplek’’ zonder de verleiding van hun oude (verslavings-)netwerk. Het doel is om te leren hoe je zonder verslaving kunt leven. De cliënt leert bijvoorbeeld hoe je een dagritme opbouwt, zelfstandig kunt wonen en omgaan met problemen. Ook is er aandacht voor psychische en sociale problemen. De begeleiders letten goed op hoe het met de cliënt gaat. Ze kijken of er signalen zijn van terugval of andere problemen. Als het nodig is, grijpen ze op tijd in. De cliënt leert ook om problemen te herkennen en ermee om te gaan. De begeleiders werken samen met behandelaars, familie of andere belangrijke mensen in het leven van de cliënt. De begeleiding gebeurt op een vaste locatie van de organisatie, in Nederland. De plek is veilig en geschikt voor de doelgroep. Het verblijf duurt maximaal een jaar. Er is overdag begeleiding aanwezig en er is altijd iemand bereikbaar. Bij spoed kan er binnen 45 minuten iemand op locatie zijn. Er is ook een gezamenlijke ruimte voor groepsactiviteiten. De cliënt woont samen met anderen die ook werken aan hun herstel. Ze kunnen elkaar helpen door ervaringen te delen. Begeleiding op afstand, zoals beeldbellen, gebeurt in principe niet. Wel kunnen begeleiders de cliënt telefonisch ondersteunen. Als er iets misgaat, kunnen zij snel in actie komen. De begeleiding gebeurt vooral op de plek waar de cliënt woont. Dat is belangrijk voor het gevoel van veiligheid en het herstelproces. 5.3Mantelzorg Inwoners die ziek zijn of een beperking hebben, worden vaak geholpen door familieleden, vrienden of kennissen. Deze hulp wordt mantelzorg genoemd als de hulp langdurig en onbetaald wordt gegeven en verder gaat dan wat gebruikelijk is tussen mensen. Degene die deze hulp geeft is de mantelzorger. Het is de taak van de gemeente, om mantelzorgers te ondersteunen bij de hulp die ze geven. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2 5.3.1Ondersteuning mantelzorger 1.De gemeente zorgt voor de noodzakelijke ondersteuning van mantelzorgers door het geven van informatie en voorlichting, advies en begeleiding en emotionele steun. 2.De inwoner die mantelzorg ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als dit niet vanuit een voorliggende voorziening of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin. Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of zijn omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen. 3.De gemeente zorgt ervoor dat mantelzorgers van inwoners hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. Voorwaarde is, dat de mantelzorg niet overgenomen kan worden door anderen, zoals vrijwilligers. 4.De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg voor een korte periode wordt overgenomen door een professionele hulpverlener. 5.3.2Mantelzorgwaardering 1.De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering te geven aan mantelzorgers. 2.De mantelzorgwaardering bestaat uit een attentie voor alle mantelzorgers. 5.3.3Mantelzorgwoning De gemeente kan inwoners die een mantelzorgwoning willen realiseren, ondersteunen. Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner en is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. Regels over het plaatsen van een mantelzorgwoning zijn vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor). De ondersteuning van Wmo consulent houdt in dat beoordeeld wordt of er sprake is van een mantelzorgsituatie waardoor een inwoner in aanmerking komt voor het vergunningsvrij plaatsen van een mantelzorgwoning. Zij verstrekken hierover een advies aan het team Ruimtelijke Ontwikkeling. Voor vragen over de regels voor de bouw van een mantelzorgwoning of woonunit kan een inwoner terecht bij het team Ruimtelijke Ontwikkeling. Tevens is meer informatie te vinden op https://www.winterswijk.nl/toelichting-op-mantelzorgwoning-bouwen 6Vervoer naar school (leerlingenvervoer) Ieder kind heeft recht op passend onderwijs dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school groot voor het kind, of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan in bepaalde gevallen een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarde: Kinderen moeten veilig kunnen reizen naar het basisonderwijs dat aansluit bij hun mogelijkheden, levensovertuiging en godsdienst. 6.1Uitgangspunten [Llv] Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat kinderen naar school gaan. Ouders kunnen bij de gemeente een aanvraag doen voor hulp bij het vervoer van hun kind van de woning naar school. De hulp van de gemeente heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten of om aangepast vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Als ouders een vervoersvoorziening krijgen en het kind wordt meerderjarig, dan wordt de vervoersvoorziening niet langer aan de ouders verstrekt. Het kind kan dan zelf in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij aan de voorwaarden uit artikel 6.3 voldoet. 6.2Onderzoek De gemeente onderzoekt of ouders in aanmerking kunnen komen voor een vervoersvoorziening. Als dat zo is gaat de gemeente na welke voorziening er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook gaat de gemeente na of er begeleiding nodig is bij het reizen. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de kortste afstand is van de woning van het kind naar school. 6.3Voorwaarden De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening aan ouders, voor hun kind dat in de gemeente Winterswijk verblijft, en: minimaal vier jaar oud is, of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; en naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; en vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer (OV) of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. De gemeente verstrekt ook een vervoersvoorziening aan ouders, voor hun kind dat in de gemeente Winterswijk verblijft, en: minimaal vier jaar oud is; en naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs volgt (niet voortgezet onderwijs); en de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school, meer dan zes kilometer van de woning van het kind afligt. Gaat het kind niet naar de dichtstbijzijnde school van dezelfde onderwijssoort, dan komen ouders alleen voor een vervoersvoorziening naar de verder weg gelegen school in aanmerking, als zij in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs of de richting van de dichterbij gelegen bijzondere school. Met toegankelijke school wordt in dit hoofdstuk bedoeld: een school die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke situatie, en van de gewenste levensbeschouwelijke of godsdienstige richting is, of het openbaar onderwijs, en waar plaats is voor het kind. Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind. De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. Het kind heeft in ieder geval begeleiding nodig, als het op de peildatum jonger is dan negen jaar. De peildatum is 1 augustus van het betreffende schooljaar. De ouders moeten wel overtuigend hebben aangetoond, dat het kind niet zonder begeleiding met het OV of de fiets kan reizen. 6.3.1Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer 1.De gemeente verstrekt ouders van een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoersvoorziening voor: het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie. het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd. 2.De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a. 6.4Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening De gemeente bepaalt de vervoersvoorziening aan de hand van de afstand tussen de woning of de opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Gaat het om een speciale school voor basisonderwijs, dan wordt de vervoersvoorziening vastgesteld over de afstand tussen de woning van het kind en de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de school waar het kind vandaan komt, of een andere speciale school voor basisonderwijs in dat samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder zou kosten dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs. Als aan de voorwaarden is voldaan, stemt de gemeente de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan krijgen de ouders een vergoeding voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, ook niet met begeleiding, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het OV. Als ouders in aanmerking komen voor aangepast vervoer, dan kunnen ouders daarvan gebruikmaken voor het vervoer van hun kind. Ouders kunnen het kind ook zelf vervoeren, als de gemeente toestemming geeft. Ouders komen in aanmerking voor aangepast vervoer als: het kind met het OV meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer kan worden teruggebracht tot 50% van de reistijd met het OV. OV naar school ontbreekt en het kind niet met de fiets naar school kan (ook niet met begeleiding). het kind niet begeleid kan worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk. het kind langdurige beperkingen heeft waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van één begeleider. Bestaat de vervoersvoorziening uit een vergoeding voor de reiskosten, dan is de hoogte van die vergoeding afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school. De reisafstand wordt bepaald via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. Als ouders recht hebben op een vervoersvoorziening op basis van het OV, dan is de vergoeding gebaseerd op de kosten van het OV. De gemeente houdt bij het vaststellen van de vervoersvoorziening rekening met andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten die ouders voor het kind ontvangen. Die andere vergoedingen trekt de gemeente af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag (de eigen bijdrage) bij de ouders in rekening. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een vergoeding van € 0,42 per kilometer voor dat vervoermiddel. Deze vergoeding wordt gerekend voor één keer de heenreis en één keer de terugreis. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de vergoeding van €0,42 per kilometer voor de auto. 6.5Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de ouders aangeven. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat. 7Inkomen en schulden Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen heeft de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen beschikbaar. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste aanvullingen. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente spant zich in om armoede en schulden van inwoners te voorkomen. De gemeente biedt in een vroeg stadium hulp bij (dreigende) schulden. 7.1Armoedebestrijding [PW, Wgs, Gemeentewet] De gemeente heeft als taak om armoede en schulden tegen te gaan. In deze paragraaf staat waar de gemeente rekening mee houdt bij het uitvoeren van die taak. 7.1.1Wat wil de gemeente? 1.De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de Participatiewet. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen. Voor bijzondere bijstand kan de gemeente andere vermogensgrenzen vaststellen. 2.De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3.De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan. 4.De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden. 5.De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt. 7.2Bijzondere bijstand [PW] Bijzondere bijstand is een belangrijke voorziening van de gemeente om inwoners financieel te helpen, als zij bepaalde onverwachte kosten niet kunnen betalen. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente over bijzondere bijstand. 7.2.1Vangnet 1.De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald door bijzondere omstandigheden. 2.Als de gemeente een aanvraag voor bijzondere bijstand beoordeelt, dan betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid daarbij. 3.De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe hoog de bijstand dan is. 7.3Studietoeslag [PW] Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Met een studietoeslag krijgen deze studenten een financiële steun in de rug. Het inkomen uit studiefinanciering wordt dan maandelijks aangevuld wanneer er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. De regeling over de studietoeslag staat in artikel 36b van de Participatiewet. Meer informatie staat in het besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet
- 7.4 Individuele inkomenstoeslag [PW] Met de individuele inkomenstoeslag kan het inkomen worden aangevuld. Het is een toeslag die jaarlijks kan worden aangevraagd. In deze paragraaf staat voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden. 7.4.1Doelgroep 1.De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die: in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm; geen financiële buffer heeft; en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. 2.Voor de toepassing van artikel 7.4.1, eerste lid onder a, wordt onder een ononderbroken periode van 36 maanden met een laag inkomen verstaan: een periode waarin het inkomen van de aanvrager onafgebroken lager is geweest dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. een onderbreking in deze periode wordt niet aangenomen indien sprake is van maximaal één aaneengesloten periode van ten hoogste 31 dagen waarin het inkomen hoger was dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. 7.4.2Hoogte van de toeslag 1.De hoogte van de toeslag is te vinden op www.fijnder.nl, wanneer u zoekt op inkomenstoeslag. De inkomenstoeslag wordt per jaar in één bedrag uitbetaald. 2.Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als één van de partners geen recht heeft op individuele inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet. 3.De bedragen uit dit artikel worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. 7.5Meedoenregeling [Gemeentewet] De gemeente wil mensen helpen die leven in armoede, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan sociale, culturele en sportieve activiteiten. De gemeente heeft maatregelen genomen om deze mensen te ondersteunen. 7.5.1Doelgroep meedoen voor kinderen 1.Een betrokken persoon moet voldoen aan de volgende voorwaarden: Staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente Winterswijk; Beschikte in de twee maanden voorafgaand aan de aanvraag en op het moment van aanvraag over een inkomen dat niet hoger was dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm en niet over vermogen boven de vermogensgrens. 2.Als het inkomen van de betrokken persoon hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm wordt de eigen draagkracht berekend. Het college heeft hiervoor beleidsregels opgesteld. 3.De faciliteiten en regelingen worden telkens voor één kalenderjaar toegekend. Als de situatie niet verandert wordt dit vanzelf verlengd. Jaarlijks wordt onderzocht of de situatie van de betrokken persoon niet veranderd is. 7.5.2Inhoud meedoen voor kinderen Vanuit de meedoenregeling voor kinderen kunnen de volgende zaken worden vergoed: 7.5.2.1 Vergoeding zwemlessen De gemeente vergoedt zwemles voor de kinderen van betrokken persoon die het zwemdiploma A nog niet hebben. Deze vergoeding ontvangt de ouder in de vorm van een voucher in de meedoenapplicatie. De vergoeding stopt zodra: Het zwemdiploma A is behaald; of De zwemles wordt beëindigd vóór het behalen van het zwemdiploma A. De vergoeding wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald, nadat de inwoner de voucher bij het zwembad heeft ingeleverd. 7.5.2.2 Participatieregeling voor kinderen van 0-18 jaar De gemeente geeft een vergoeding van € 200,- per kalenderjaar, voor het betalen van sociale-culturele, educatieve, sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit, voor ieder kind binnen het gezin van betrokken persoon in de leeftijd van 0 tot 4 jaar. De gemeente geeft een vergoeding van € 425,- per kalenderjaar, voor het betalen van sociale-culturele, educatieve, sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit, voor ieder kind binnen het gezin van betrokken persoon in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. De gemeente geeft een vergoeding van € 500,- per kalenderjaar, voor het betalen van sociale-culturele, educatieve, sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit, voor ieder kind binnen het gezin van betrokken persoon in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Deze activiteiten of producten kunnen worden uitgezocht in de meedoenapplicatie van Fijnder. Nadat een activiteit of product is uitgezocht krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de activiteit. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt. 7.5.2.3 Verstrekking van computer De gemeente verstrekt één computerconfiguratie aan een kind zodra het naar de middelbare school gaat, tot een maximum bedrag van € 500,- aan betrokken persoon. Deze computerconfiguratie is bedoeld voor de gehele middelbare schoolperiode van het kind. De computerconfiguratie kan worden aangeschaft bij een verkoper aangesloten bij de meedoenapplicatie van Fijnder. 7.5.3Doelgroep meedoen voor volwassenen Een betrokken persoon moet voldoen aan de volgende voorwaarden: Staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente Winterswijk; De betrokken persoon kan op het moment van aanvraag niet beschikken over een inkomen dat hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm; De betrokken persoon heeft op het moment van aanvraag geen in aanmerking te nemen vermogen volgens de voor hem geldende vermogensgrens. 7.5.4Inhoud meedoen voor volwassenen 1.Fijnder geeft een vergoeding aan een betrokken persoon van 18 jaar of ouder inzake het betalen van sociale-culturele, educatieve en sportieve activiteiten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit. 2.De vergoeding bedraagt maximaal €150,-. 3.Deze activiteiten of producten kunnen worden uitgezocht in de meedoenapplicatie van Fijnder. Nadat een activiteit of product is uitgezocht krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de activiteit. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt. 7.6Collectieve zorgverzekering [PW] Voor inwoners met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm heeft de gemeente een collectieve zorgverzekering afgesloten. Het college heeft beleidsregels gemaakt. Daarin staat wanneer en hoe deze inwoners kunnen meedoen aan de collectieve zorgverzekering. Inwoners kunnen zich aanmelden via www.gezondverzekerd.nl. 7.7Schuldhulpverlening [Wgs] De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen. De gemeente helpt bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente voor het geven van hulp. 7.7.1Samenwerking en toegang 1.De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners hoge schulden krijgen. 2.De gemeente