Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Hardenberg 2026 Deze beleidsregels zijn op 11 november 2025 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en treden in werking op 1 januari
(2019)en voor de gemeente Amsterdam (maatstaf hulp bij het huishouden, februari 2017). Module 1: basisuren schoon en leefbaar huis De taken binnen de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Het gaat om een mix van de volgende activiteiten binnen de bovengenoemde vertrekken: stof afnemen, stofzuigen, dweilen, opruimen, reinigen van ramen binnen, keuken opruimen en schoonmaken, afwassen, bed verschonen en schoonmaken van het sanitair. Wanneer een inwoner vanwege medische belemmeringen (bijvoorbeeld door ernstige fysieke beperkingen, medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is, of medische beperking die leiden tot een snellere vervuiling van het huis) extra noodzakelijke schoonmaak nodig heeft, dan wordt dit vanuit de maatwerkvoorziening ingezet (module ‘extra uren voor medische beperking’). Module 2: extra uren voor medische beperking Deze module kan alleen worden ingezet als ook de module ‘basis uren schoon en leefbaar huis’ is ingezet. Bepaalde factoren kunnen ervoor zorgen dat er in individuele gevallen meer huishoudelijke hulp dan de basis uren noodzakelijk is. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: Gezondheid inwoner: bij aandoeningen als astma of longemfyseem moet het huis zoveel mogelijk stofvrij zijn en aanwezigheid van aandoeningen waarvoor vaker geknoeid wordt. Bedlegerigheid en incontinentie of andere aandoeningen waardoor het bed sneller kan vervuilen. Ziekte. Ernst van de problematiek bij inwoners c.q. de mate waarin zij niet in staat zijn om zelf op te ruimen. Module 3: schone en draagbare kleding, beddengoed Ondersteuning vanuit dit resultaat voor het wassen van beddengoed en het beschikken over schone kleding wanneer de inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoonhouden van zijn kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het wassen, het drogen, strijken van de bovenkleding, vouwen van de was en terugleggen van de was in de garderobekast. Deze module kan alleen worden ingezet als ook de module ‘basis uren schoon en leefbaar huis’ is ingezet. 6.5 Kortdurende hulp In de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026 is in artikel 13 lid 2 onder e als voorwaarde opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, dat de voorziening ‘langdurig noodzakelijk’ moet zijn. Bij de verlening van hulp bij het huishouden bestaat een uitzondering op die voorwaarde. Kortdurende hulp bij het huishouden kan onder de Wmo 2015 vallen, bijvoorbeeld als er sprake is van een situatie waarbij jonge kinderen zijn betrokken of bij het aanleren van vaardigheden waardoor een inwoner meer zelfredzaam wordt. 6.6 Wisselen van aanbieder De Wmo 2015 verplicht gemeenten om voldoende keuzevrijheid te waarborgen bij de inzet van gecontracteerde aanbieders (artikel 2.6.4 Wmo 2015). De inwoner heeft daardoor gedurende de looptijd van een maatwerkvoorziening de mogelijkheid om te wisselen tussen gecontracteerde aanbieders van diensten, zoals huishoudelijke ondersteuning. Voor de overstap geldt een opzegtermijn van één kalendermaand. Deze termijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner meldt de overstap bij de gemeente en stemt de overgang in overleg af met zowel de nieuwe aanbieder als de huidige aanbieder. De gemeente bewaakt de continuïteit van de ondersteuning. Hoofdstuk 7: Begeleiding 7.1 Doelgroep Begeleiding is bedoeld voor inwoners die door beperkingen op lichamelijk, psychiatrisch, psychogeriatrisch, verstandelijk of zintuiglijk gebied niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke ondersteuning, mantelzorg of hun sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of deel te nemen aan de maatschappij. Begeleiding ondersteunt inwoners bij het vergroten van hun zelfredzaamheid en participatie, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Dit kan individueel of in groepsverband plaatsvinden. 7.2 Afwegingskader Als de problematiek niet kan worden opgelost op basis van stap 4 in het stappenplan van de CRvB (zoals eerder beschreven in Hoofdstuk 3.2), moet deze worden gecompenseerd met een maatwerkvoorziening. 7.3 Normenkader Factum Advies Het onderzoek, zoals beschreven in Hoofdstuk 3, wordt op het gebied van begeleiding uitgebreid met een weging volgens de laatste versie van het “Normenkader Begeleiding” van Factum Advies en Bureau HHM. Het normenkader ondersteunt bij de bepaling van de aard en omvang van de in te zetten ondersteuning. 7.3.1 Bepaling vorm van begeleiding, omvang en frequentie Bij het bepalen of een inwoner aangewezen is op individuele begeleiding, groepsbegeleiding of een combinatie daarvan, zijn de volgende factoren van belang: De te behalen doelen/resultaten. De persoonskenmerken en omstandigheden van de inwoner. Welke vorm van begeleiding het meest doelmatig is. De toekomstige mogelijkheden van de inwoner. De mate van beperkingen van de inwoner. In het ondersteuningsplan wordt vastgesteld en onderbouwd welke vorm(
- en)van begeleiding nodig zijn, evenals de omvang en frequentie hiervan. Soms is een combinatie van individuele en groepsbegeleiding wenselijk. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat deze vormen van begeleiding niet altijd gelijktijdig kunnen plaatsvinden. Het oplossen van problematiek in het kader van de Wmo gebeurt in overleg met de inwoner, waarbij eigen regie centraal staat. Als een inwoner ervoor kiest om bepaalde problematiek niet aan te pakken, dan kan dat. Wel kan dit gevolgen hebben voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden. Als blijkt dat deze problematiek eerst opgelost moet worden om andere hulp effectief te maken, dan zal hier eerst aan gewerkt moeten worden voordat andere ondersteuning wordt ingezet. 7.4 Begeleiding individueel Begeleiding individueel richt zich op activiteiten die de inwoner helpen bij het bevorderen van de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen omgeving kan blijven wonen. Bij individuele begeleiding gaat het niet om het overnemen van taken, maar om het ondersteunen van de inwoner bij het uitvoeren van deze taken. Individuele begeleiding is nodig wanneer de inwoner door een beperking op lichamelijk, psychiatrisch, psychogeriatrisch, verstandelijk of zintuiglijk gebied niet in staat is om op eigen kracht, met gebruikelijke ondersteuning, mantelzorg of het sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of deel te nemen aan de maatschappij. Zelfredzaamheid betekent het vermogen om dagelijkse dingen zelfstandig te doen, goed te zorgen voor jezelf en sociale contacten te onderhouden. Het kan ook gaan om psychosociale zelfredzaamheid: het vermogen om goed te functioneren in het dagelijks leven, zowel thuis als in je vrije tijd of op school of werk. Individuele begeleiding helpt de inwoner beter om te gaan met de uitdagingen in het leven en vergroot de mogelijkheden van de inwoner. De inwoner leert zelfstandiger te worden door nieuwe vaardigheden te oefenen en structuur aan te brengen in het dagelijks leven, het draagt bij aan het stabiliseren of verbeteren van de situatie. De maatwerkvoorziening begeleiding individueel kent twee vormen: ontwikkelingsgericht en stabilisatiegericht. 7.4.1 Begeleiding individueel ontwikkelingsgericht De maatwerkvoorziening begeleiding individueel ontwikkelingsgericht wordt ingezet met het doel om de zelfstandigheid van de inwoner zoveel mogelijk te vergroten. De inwoner en zijn omgeving leren vaardigheden om goed te kunnen deelnemen aan de samenleving, dagelijkse dingen zelf te doen en het persoonlijke leven goed te organiseren. De begeleiding is individueel gericht en maakt gebruik van begeleidingsmethoden die ook aandacht hebben voor de omgeving van de inwoner. In afstemming met de inwoner kan de begeleiding thuis plaatsvinden. Dit kan een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en omgeving. Een inwoner kan ontwikkelingsgerichte individuele begeleiding krijgen als hij aan de volgende voorwaarden voldoet: De inwoner heeft moeite met zelfredzaamheid en/of deelname aan de samenleving, maar kan door begeleiding verbeteren. De inwoner kan de beperkingen niet zelf verminderen of wegnemen, zelfs niet met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van anderen uit zijn sociale netwerk, of vrijwilligers, of door gebruik te maken van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen en diensten. Er is vastgesteld dat de inwoner nog vooruitgang kan boeken. Zonder begeleiding zou de situatie verslechteren. De inwoner komt niet in aanmerking voor voorliggende wettelijke zorgvoorzieningen (zoals de Wet langdurige zorg (Wlz). De ontwikkelingsgerichte individuele begeleiding wordt in eerste instantie voor maximaal twee jaar gegeven. Vóór het einde van deze periode wordt onderzocht of de begeleiding kan stoppen, voortgezet moet worden of dat een andere vorm van ondersteuning nodig is. 7.4.2 Begeleiding Individueel stabilisatiegericht Bij stabilisatiegerichte begeleiding wordt de inwoner geholpen om op het hoogst haalbare niveau van zelfredzaamheid aan de samenleving te kunnen blijven deelnemen. Het doel is om stabiliteit te creëren, participatie te stimuleren en terugval te voorkomen. De begeleiding is individueel gericht en maakt gebruik van begeleidingsmethoden die ook aandacht hebben voor de omgeving van de inwoner. In afstemming met de inwoner kan de begeleiding thuis plaatsvinden. Dit kan een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en omgeving. Een inwoner kan stabilisatiegerichte individuele begeleiding krijgen als hij aan de volgende voorwaarden voldoet: De inwoner heeft moeite met zelfredzaamheid en/of deelname aan de samenleving, maar door deze begeleiding kunnen de vaardigheden van de inwoner behouden blijven en kan achteruitgang worden voorkomen. De hulpvraag van de inwoner is matig tot goed voorspelbaar. Onverwachte hulpvragen kunnen worden gepland of uitgesteld naar een volgend contactmoment of telefonisch contact tijdens kantooruren. De hulpvraag is licht tot matig complex en kan niet worden opgelost door de lokale basiszorg of andere algemeen (gebruikelijke) voorzieningen. De inwoner kan de beperkingen niet zelf verminderen of wegnemen, zelfs niet met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van anderen uit zijn sociale netwerk of vrijwilligers. Zonder begeleiding zou de situatie thuis verslechteren. De inwoner komt niet in aanmerking voor andere wettelijke voorliggende zorgvoorzieningen zoals de Wet langdurige zorg (Wlz). 7.5 Begeleiding groep Begeleiding groep is bedoeld voor inwoners die (nog) niet kunnen deelnemen aan werk of school, ook niet met aanpassingen. Begeleiding groep wordt aangeboden in de vorm van dagactiviteiten. Ze bieden een zinvolle dag invulling, structuur en sociale contacten. Daarnaast dragen ze bij aan de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner langer zelfstandig in zijn eigen omgeving kan blijven wonen. Begeleiding groep kan worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. De noodzakelijke begeleiding, zodat de inwoner kan deelnemen aan dagactiviteiten, is inbegrepen. Zo nodig kan een inwoner ook in aanmerking komen voor het vervoer van en naar de locatie. Een inwoner kan begeleiding groep krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria: De inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door deelname aan dagactiviteiten zijn zelfredzaamheid en participatie behoudt of mogelijk verbetert, en De ondervonden beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke ondersteuning, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en vrijwilligers, dan wel met gebruikmaking van algemene (gebruikelijke) voorzieningen en met algemeen gebruikelijke zaken of diensten kan verminderen of wegnemen, en De inwoner (nog) geen (aangepast) werk of vrijwilligerswerk kan verrichten, of De inwoner (nog) niet beschikt over arbeidsvermogen, of Zonder dagactiviteiten moet verblijven in een instelling of thuis zou vereenzamen, of De inwoner een mantelzorger heeft die moet worden ontlast, als er risico is op overbelasting, of De inwoner heeft of kan geen indicatie vanuit wettelijk voorliggende voorzieningen (zoals de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw)) krijgen. De maatwerkvoorziening begeleiding groep kent twee vormen: ontwikkelingsgericht en belevingsgericht. 7.5.1 Begeleiding Groep ontwikkelingsgericht Begeleiding groep ontwikkelingsgericht is gericht op het ontwikkelpotentieel van de inwoner op lange(
- re)termijn. Het doel is gericht op uitstroom naar een vervolgplek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk óf een onderwijs- of opvangplek. Met begeleiding groep wordt gewerkt aan het aanleren van (werk)vaardigheden ter bevordering van zelfredzaamheid en participatie. Er wordt gewerkt aan persoonlijke ontwikkeling en inzet op maximaal haalbare in een arbeidsmatige omgeving of het behalen van een hogere trede op de participatieladder. Waar nodig is begeleiding groep ontwikkelingsgericht ondersteunend aan behandeling en gericht op herstel. De inzet is groepsgericht, de sociale interactie in een groep; het leren van elkaar, steun ervaren en tips krijgen wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt. Een inwoner kan begeleiding groep ontwikkelingsgericht krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria: De inwoner heeft ondersteuning en groepsbegeleiding nodig om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen, de schoolgang te herstellen/starten (als er nog geen startkwalificatie is of er zonder scholing geen kans is op de arbeidsmarkt) en te profiteren van effecten op zijn welbevinden en welzijn, en Als het de verwachting is dat de inwoner in een groep beter de gestelde doelen kan behalen, en De inwoner ondersteuning nodig heeft om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken. 7.5.2 Begeleiding Groep belevingsgericht Begeleiding groep belevingsgericht richt zich op dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven. Er wordt gewerkt aan het verkrijgen en onderhouden van sociale contacten en aan het versterken van het sociaal netwerk. De dagactiviteiten zijn veelal recreatief van aard en hebben als doel ‘beleven’. Activiteiten zijn bijvoorbeeld wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen of samen koken en andere mensen ontmoeten. Deze dagactiviteiten zorgen voor sociale contacten en voorkomen dat iemand geïsoleerd raakt. De begeleiding groep belevingsgericht kan ook worden ingezet om de mantelzorger te ontlasten. Een inwoner kan begeleiding groep belevingsgericht krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria: De inwoner specifieke behoeften heeft door chronische, psychische en/of psychosociale problemen, en De inwoner meer ondersteuning nodig heeft dan in een laagdrempelige ontmoetingsvoorziening, het voorliggend veld en/of andere algemene (gebruikelijke) voorzieningen geboden kan worden, en Begeleiding groep ontwikkelingsgericht voor deze inwoner een stap te ver of niet meer mogelijk is, en Beperkingen van de inwoner vragen om specialistische begeleiding door een medewerker, of Ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is. 7.5.3 Vervoer begeleiding groep Een inwoner kan voor begeleiding groep vervoer krijgen als: De inwoner niet op eigen kracht, met behulp van het netwerk, met behulp van algemeen gebruikelijke voorzieningen (bijvoorbeeld openbaarvervoer) of met behulp van andere voorziening van de gemeente (bijvoorbeeld een scootmobiel) bij de locatie van begeleiding groep kan komen, en Er geen passende begeleiding groep geboden wordt in de nabijheid van de woonplaats van de inwoner. 7.5.4 Stages en begeleiding richting dagbesteding De gemeente kan in bijzondere gevallen een stageplek vergoeden vanuit de Wmo. Dit geldt voor leerlingen in de laatste fase van het praktijkonderwijs (PRO) en het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) met uitstroomprofiel dagbesteding. Deze laatste fase bestaat uit een transitiestage, die de overgang van school naar dagbesteding ondersteunt. De stage-instelling biedt deze leerlingen, begeleiding die overeenkomt met begeleiding groep ontwikkelingsgericht: gericht op het versterken van (werk)vaardigheden, persoonlijke ontwikkeling, zelfredzaamheid en participatie. Eindstages van leerlingen met uitstroomprofiel dagbesteding kunnen vanaf 17 jaar vanuit de Wmo worden bekostigd, mits de leerling geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, zoals de Wlz. 7.6 Wisselen van aanbieder De Wmo 2015 verplicht gemeenten om voldoende keuzevrijheid te waarborgen bij de inzet van gecontracteerde aanbieders (artikel 2.6.4 Wmo 2015). De inwoner heeft daardoor gedurende de looptijd van een maatwerkvoorziening de mogelijkheid om te wisselen tussen gecontracteerde aanbieders van diensten, zoals begeleiding. Voor de overstap geldt een opzegtermijn van één kalendermaand. Deze termijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner meldt de overstap bij de gemeente en stemt de overgang in overleg af met zowel de nieuwe aanbieder als de huidige aanbieder. De gemeente bewaakt de continuïteit van de ondersteuning. Hoofdstuk 8: Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Dit hoofdstuk is gebaseerd op artikel 13 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026: Aanvullende criteria Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. 8.1 Doelgroep De voorzieningen voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn bedoeld voor inwoners die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen of zichzelf niet kunnen redden in de samenleving. Vaak is er sprake van meervoudige of complexe problematiek, zoals: Psychische of psychosociale problemen. (Lichte) verstandelijke beperking. Verslaving. Schulden of dakloosheid. Gebrek aan een sociaal netwerk. 8.2 Maatwerkvoorzieningen Maatwerkvoorzieningen binnen beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn erop gericht om inwoners tijdelijk te ondersteunen en toe te werken naar herstel en zelfstandigheid. De ondersteuning is kortdurend van aard, niet langer dan noodzakelijk en gericht op het vergroten van de eigen regie. In alle voorzieningen is sprake van een ketengerichte aanpak. Samen met de inwoner wordt gewerkt aan het versterken en onderhouden van een passend netwerk. Dit helpt bij het toewerken naar een stabiele woonsituatie en het verminderen van afhankelijkheid van hulp. De verschillende maatwerkvoorzieningen worden in de volgende paragrafen verder toegelicht. 8.3 Beschermd wonen Om in aanmerking te komen voor beschermd wonen geldt dat de inwoner intensieve begeleiding en toezicht nodig heeft om stabiel te kunnen functioneren. Daarbij moet er sprake zijn van ontwikkelmogelijkheden. Bij beschermd wonen verblijft de inwoner in een accommodatie van een instelling. Er is sprake van psychische of psychosociale problemen, waardoor iemand zich niet zelfstandig in de samenleving kan redden. De begeleiding en het toezicht zijn gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en het stimuleren van participatie. De inwoner kan te maken hebben met meerdere en complexe problemen, zoals verslaving of een (lichte) verstandelijke beperking. Er zijn twee vormen van toezicht mogelijk: 24/7 toezicht en begeleiding op locatie: begeleiding is dag en nacht aanwezig. Planbare zorg met bereikbaarheidsdienst: begeleiding vindt plaats op vaste momenten, maar is 24/7 oproepbaar en indien nodig binnen 30 minuten ter plaatse. Begeleiders hebben een signalerende functie en onderhouden regelmatig contact met de inwoner. Behandeling maakt geen deel uit van deze voorziening. Toegangscriteria beschermd wonen: De inwoner heeft een indicatie op basis van het “Beoordelingskader Beschermd Wonen Regio IJsselland”; Er is sprake van een duurzame behoefte aan begeleiding en/of toezicht. Er is geen sprake van een acute behandelbehoefte; behandeling valt buiten deze voorziening. Productvormen: Product Wonen Begeleiding Veiligheid Beschermd wonen Basis Inwoner verblijft in accommodatie van aanbieder. Dagelijks geplande en ongeplande begeleiding 24/7 Toezicht en fysieke aanwezigheid in de nabijheid van de Inwoner. Beschermd wonen Plus Inwoner verblijft in accommodatie van aanbieder. Intensieve begeleiding, 24/7 toezicht en gedragsregulering 24/7 Toezicht en fysieke aanwezigheid in de nabijheid van de Inwoner. 8.4 Begeleid Wonen Begeleid wonen is een vorm van beschermd wonen waarbij de inwoner zelfstandig woont met intensieve begeleiding. Deze regionale voorziening stopt op 1 juli 2026. Toegangscriteria begeleid wonen: De inwoner woont zelfstandig of semi-zelfstandig en heeft behoefte aan intensieve begeleiding. De begeleiding vindt plaats op afspraak en is voornamelijk signalerend. 24/7 bereikbaarheid is noodzakelijk voor ondersteuning in noodgevallen. 8.5 Beschermd Thuis Beschermd thuis is en onderdeel van Beschermd Wonen bedoeld voor inwoners die zelfstandig wonen. Wonen en begeleiding zijn daarin niet meer gekoppeld, zoals dat binnen Beschermd Wonen wel het geval is. Er is sprake van intensieve begeleiding en bereik- en beschikbaarheid buiten kantooruren. De hulpvraag moet iets kunnen worden uitgesteld. De criteria en invulling van dit product kunnen nog worden aangepast, omdat het product in ontwikkeling is. Het wordt binnen de gemeente Hardenberg vormgegeven met een aantal zorgaanbieders. Toegangscriteria beschermd thuis: De inwoner kan (met hulp) zelfstandig wonen, maar heeft intensieve begeleiding nodig. Er is een vorm van bereikbaarheid nodig buiten kantooruren. Hulpvragen kunnen maximaal 45 minuten worden uitgesteld. 8.6 Maatschappelijke opvang Deze voorziening is bedoeld voor mensen die dakloos zijn of dreigen te worden en zelf geen oplossing hebben voor onderdak. Mogelijke oorzaken zijn: Huiselijk geweld. Psychische problemen. Schulden. Verslaving. Werkloosheid. Maatschappelijke opvang is tijdelijk en gericht op een snelle doorstroom naar een eigen woning of andere passende woonvorm. De begeleiding wordt geboden door de maatschappelijke opvanginstelling. De maatschappelijke opvang voor de regio IJssel-Vecht is gevestigd in Zwolle en wordt gecoördineerd via de Centrale Toegang van de GGD IJsselland. Centraal binnen de regio is ‘De Herberg’ in Zwolle de voorziening voor nachtopvang voor dak- en thuislozen. In Hardenberg is er ook sprake van een noodvoorziening die in geval van crisis ingezet kan worden. Toegangscriteria maatschappelijke opvang: De inwoner heeft geen vaste woon- of verblijfplaats (dakloos) of dreigt dakloos te worden. De inwoner is 18 jaar of ouder. Er zijn sociale, financiële of psychische problemen die de inwoner niet zelf kan oplossen. 8.7 Housing first Housing first is een aanpak waarbij eerst een woning wordt geboden aan dakloze mensen met meervoudige problemen. Nadat een periode van gewenning en rust volgt intensieve, ambulante begeleiding. Dit is een omgekeerde benadering van de traditionele ‘woonladder’ en heeft zich bewezen als effectieve methode in het tegengaan van dakloosheid. Toegangscriteria Housing first: Er is sprake van langdurige dakloosheid in combinatie met meervoudige problemen. Reguliere opvangtrajecten zijn eerder mislukt of niet passend gebleken. De inwoner is bereid tot deelname aan begeleiding op basis van vrijwilligheid en vertrouwen. 8.8 Aanvullende modules Naast beschermd en begeleid wonen kunnen ook aanvullende producten worden afgegeven in de vorm van modules: Module dagbesteding: Dagbesteding binnen een toekenning voor beschermd wonen is een structurele tijdsbesteding met een concreet en goed omschreven doel waarbij de inwoner actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Onder dagbesteding wordt niet verstaan een reguliere dag structurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke. Als er voorliggende mogelijkheden zijn (opleiding, een traject toeleiding naar werk, betaald of vrijwilligerswerk), dan dienen deze mogelijkheden eerst te worden onderzocht en zo mogelijk ingezet. Module kind bij ouder: Als de ouder met een Beschermd Wonen-indicatie de zorg heeft voor het kind wordt deze module ingezet zodat het kind mee kan naar de Beschermd Wonen-locatie. Module nazorg: Nazorg kan ingezet worden na afronding van een Beschermd Wonen-traject. Time-outvoorziening: Een Time-out-voorziening kan ingezet worden als tijdens de periode van Beschermd Wonen of Begeleid Wonen er omstandigheden zijn dat verblijf elders tijdelijk nodig is. 8.9 Beoordelingskader Voor het beoordelen van de toegang tot beschermd wonen wordt gebruikgemaakt van het “Beoordelingskader Beschermd Wonen Regio IJsselland”. Hierin staan de voorwaarden en eisen zoals die vanaf 1 juli 2023 gelden voor regionaal ingekochte producten. De toegang tot maatschappelijke opvang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang MO van de regio IJssel-Vecht. 8.10 Woonplaatsbeginsel Binnen beschermd wonen is de gemeente van herkomst verantwoordelijk voor het bieden van zorg (woonplaatsbeginsel). Dit woonplaatsbeginsel is landelijk nog niet vastgesteld, maar binnen de regio IJssel-Vecht wordt hier wel mee gewerkt in het kader van de landelijke toegankelijkheid. Op basis van die afspraken blijft de herkomstgemeente verantwoordelijk voor de zorg aan die inwoner. Dat moet wel gebeuren in afstemming met de wensgemeente. In onderling overleg kan de zorg en de verantwoordelijkheid na 1 jaar overgedragen worden aan de wensgemeente. Inwoners uit de regio IJssel-Vecht hebben binnen de regio vrije keuze als het gaat om de gewenste woonplek binnen de regio. De herkomstgemeente blijft ook in deze situatie verantwoordelijk voor de zorg aan de desbetreffende inwoner als deze in een andere gemeente binnen de regio verblijft. Het is de bedoeling dat de inwoner terugkeert naar de gemeente van herkomst. Hoofdstuk 9: Woonvoorzieningen 9.1 Inleiding In artikel 11, 12 en 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 zijn bepalingen opgenomen over wanneer een inwoner in aanmerking kan komen voor een woonvoorziening. Deze regels worden in dit hoofdstuk verder toegelicht. De Wmo 2015 stelt dat de gemeente de zelfredzaamheid en participatie van haar inwoners met een beperking en/of psychisch en/of psychosociaal probleem moet bevorderen, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen. Ook minderjarigen en mensen met een Wlz-indicatie die thuis wonen, kunnen problemen hebben met hun zelfredzaamheid en participatie. Met ‘zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen’ wordt bedoeld dat inwoners zo lang mogelijk extramuraal moeten kunnen blijven wonen. Dit betekent niet dat dit in de huidige woning moet plaatsvinden. Uitgangspunt is dat iedere inwoner zelf voor een eigen woning moet zorgen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions), intramurale Wlzinstellingen en intramuraal vanuit een beschermd wonen indicatie, vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. In het algemeen geldt dat een woonvoorziening langdurig nodig moet zijn. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, zoals een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen. 9.2 Afwegingskader De gemeente kan woonvoorzieningen verstrekken aan een inwoner in de vorm van een woningaanpassing en/of hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen. Tijdens het onderzoek wordt eerst gekeken of de inwoner met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen. Zie hiertoe hoofdstuk 3. Onder het normale gebruik van de woning wordt verstaan dat de inwoner gebruik kan maken van elementaire woonfuncties van zijn woning. Voorbeelden van elementaire woonfuncties zijn: Eten, douchen en slapen. De veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning. Het gebruik maken van de keuken. Het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby die helemaal van de verzorging van de inwoner afhankelijk is. Het doen van de huishoudelijke werkzaamheden, zoals wassen van kleding. Daarbij geldt dat er een direct verband moet bestaan tussen de beperkingen die de inwoner ondervindt en één of meer bouwkundige of woon technische kenmerken van de woning, bijvoorbeeld de trap, het bad, drempels, de keuken of de breedte van de deuropeningen. Ook moeten de beperkingen de inwoner belemmeren in het toegang verkrijgen tot en/of gebruik maken van essentiële woonruimten. Hobby- en recreatieruimten vallen hier niet onder, tenzij de woning of één van de essentiële woonruimten uitsluitend via (een van) deze ruimten te bereiken is. Er worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutische baden. Wanneer een beperking optreedt, dan zijn er twee mogelijkheden: De woning aanpassen, eventueel met aanvullende woonvoorzieningen, of Verhuizen naar een geschikte(
- re)woning. 9.3 Een woonvoorziening Als uit onderzoek blijkt dat de inwoner, niet met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen, kan de gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening verstrekken. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de in redelijkheid te verwachten ontwikkelingen. Bij een woonvoorziening kan het om losse voorzieningen gaan, maar ook om bouwkundige aanpassingen. Losse voorzieningen gaan doorgaans voor op bouwkundige aanpassingen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift. Losse woonvoorzieningen Onder losse woonvoorzieningen wordt verstaan: voorzieningen die niet aard- en nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een tillift). Dit wordt ook wel ‘roerende woonvoorzieningen’ genoemd. Deze losse (roerende) woonvoorzieningen worden als uitgangspunt in natura verstrekt op basis van bruikleen. Deze kunnen opnieuw ingezet worden waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. De gemeente vergoedt na verstrekking ook de kosten van onderhoud, keuring en reparatie. Voor het aanschaffen van een losse (roerende) woonvoorziening kan op verzoek van de inwoner een Persoonsgebonden budget (Pgb) worden verstrekt. Voor het bepalen van het budget, zie hiertoe hoofdstuk 12.13. Bouwkundige woonvoorziening Onder bouwkundige voorzieningen wordt verstaan: voorzieningen die aard- en nagelvast aan het huis vast zitten. Bij bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt de gemeente altijd met een Programma van Eisen (PvE), met uitzondering van kleine aanpassingen. Dit PvE wordt opgesteld door een medewerker van Samen Doen of een extern adviseur, die bij complexe bouwkundige aanpassingen om advies kan worden gevraagd. Op basis van het PvE wordt bij grote/complexe woningaanpassing een bestek opgesteld. Dit is ter beoordeling van Samen Doen. Aan de hand van het bestek worden door de inwoner offertes opgevraagd. De gemeente beoordeelt welke offerte als basis geldt voor het vaststellen van de kosten van de woonvoorziening. Wanneer het om een huurwoning gaat, geldt het Convenant Wmo tussen Vechtdal Wonen en gemeente Hardenberg en de onderliggende werkafspraken. 9.4 Aanvullende criteria woonvoorziening Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening moet de inwoner, behalve aan de algemene criteria voor een maatwerkvoorziening (zie hoofdstuk 5), ook aan een aantal specifieke criteria voldoen. Het gaat hierbij om de criteria zoals genoemd in artikel 15 lid 1 onder a en b van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026: Er is sprake van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag; Een zelfstandige woonruimte heeft in ieder geval een eigen toegangsdeur die op slot kan, keuken en wc. Sinds 1 maart 2024 moet de woning ook een eigen douche of badkamer hebben. Intramurale WLZ-instellingen vallen niet onder het begrip zelfstandige woning’. De aan te passen woning staat in de gemeente Hardenberg. 9.5 Weigeringsgronden woonvoorziening De gemeente verstrekt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening in een aantal situaties. Deze weigeringsgronden staan in artikel 15 lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 en worden hierna beschreven: > De inwoner heeft niet zijn hoofdverblijf in de aan te passen woning. De inwoner moet wonen in de woning die hij wil laten aanpassen en hij moet hier zijn hoofdverblijf hebben. Als dat niet zo is, kan een woonvoorziening worden geweigerd. > Als het gaat om woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Hierbij gaat het om woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen, zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions. > Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat. Voorzieningen worden immers individueel toegekend. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Een aantal voorzieningen kunnen echter wel in gemeenschappelijke ruimten worden verstrekt, zoals: Automatische deuropeners. Hellingbanen. Het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren. Het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten van doelgroepengebouwen worden geweigerd. Een woonvoorziening kan algemeen gebruikelijk zijn voor een doelgroepengebouw. Dit betekent dat de kosten voor de voorziening voor de eigenaar van het gebouw zijn. Een voorziening voor een doelgroepengebouw is algemeen gebruikelijk als deze onmisbaar is voor de doelgroep. Dit is ook van toepassing op gebouwen die niet specifiek bestemd zijn voor een bepaalde groep bewoners, maar die in de praktijk wel grotendeels door de doelgroep wordt bewoond. > De inwoner vraagt om een woonvoorziening terwijl hij in een nieuwbouwwoning of gerenoveerde woning woont en de woonvoorziening zonder veel meerkosten aangebracht had kunnen worden; Het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor aanpassingen in bijvoorbeeld de keuken of badkamer is mogelijk. Bij een bouw of renovatie van een woning kan het zijn dat dergelijke aanpassingen zonder (al te veel) meerkosten kunnen worden meegenomen waardoor geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. Denk aan de situatie waarin een inwoner bouwt of renoveert en voor een vergoeding in aanmerking wenst te komen op grond van de wet, terwijl het geen meerkosten met zich meebrengt. Dat wil zeggen dat bij de bouw en renovatie rekening kan worden gehouden met de kosten van een geschikte keuken of badkamer. > De beperkingen van de inwoner in het normale gebruik van zijn woning zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt, slechte staat van onderhoud of omstandigheden dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; De gemeente hoeft de kosten van een woningaanpassing niet te betalen als de beperkingen van de inwoner worden veroorzaakt door de aard van het materiaal in de woning. Dit moet blijken uit een extern advies. De gemeente hoeft ook geen woonvoorziening te verstrekken als de problemen van de inwoner worden veroorzaakt door achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen, tenzij: De inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen, en Er vanwege de gezondheidstoestand van de inwoner er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht is op het wegnemen van de beperkingen. Als uit medisch onderzoekt blijkt dat er sprake is van onverwacht optredende meerkosten waarvoor een inwoner niet heeft kunnen sparen, kan de gemeente wel een woonvoorziening verstrekken. Vorenstaande moet zorgvuldig worden onderzocht door een onafhankelijk (extern) adviseur. > De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning naar een ongeschikte woonruimte; Als een inwoner verhuist vanuit een woning die geschikt was naar een woning die niet geschikt is, hoeft de gemeente geen woonvoorziening te verstrekken. Dit is anders als er een belangrijke reden was voor de verhuizing. Om te bepalen of de vorige woning geschikt was doet de gemeente onderzoek naar de geschiktheid van de vorige woning. Als een inwoner verhuist vanwege een ‘normale wooncarrière’ kan mogelijk wel een woonvoorziening worden verstrekt. Wel moet dan verhuisd worden naar de meest geschikte woning. Er kan natuurlijk wel een andere weigeringsgrond van toepassing zijn. Ook als een inwoner verhuist naar een niet-adequate woning, maar als de gemeente toestemming heeft gegeven voor de verhuizing, dan verstrekt de gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening. Voordat een inwoner gaat verhuizen, mag van hem verwacht worden dat hij eerst contact opneemt met de gemeente. 9.6 Bezoekbaar maken woning Wanneer de inwoner in een WLZ-instelling woont (daar zijn hoofdverblijf heeft), kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van de ouders) bezoekbaar worden gemaakt. Het moet dan wel zo zijn dat er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner: Toegang heeft tot de woning Toegang heeft tot één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer), en Het toilet bruikbaar is, als deze wordt gebruikt. Er worden geen aanpassingen verricht en vergoed om het logeren mogelijk te maken. Bij gescheiden ouders wordt alleen de woning aangepast waar het kind het meest verblijft (hoofdverblijf). De inwoner kan hiervoor maximaal het bedrag, zoals genoemd in het Financieel besluit Wmo en Jeugd Hardenberg, toegekend krijgen. 9.7 Het primaat van verhuizen De gemeente verstrekt in het geval ondersteuning nodig is in het kader van de Wmo 2015 altijd de goedkoopst compenserende voorziening. In het geval van een woonvoorziening kan dit ook een verhuiskostenvergoeding in het kader van ‘het primaat van verhuizen’ zijn. Het ‘primaat van verhuizen’ houdt in dat de gemeente een inwoner vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen. Dit kan het geval zijn als de woning niet adequaat is en niet adequaat te maken is. Als de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ toepast, ontvangt de inwoner éénmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding is bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de inwoner wordt dan niet aangepast. 9.7.1 Criterium ‘primaat van verhuizen’ Het ‘primaat van verhuizen’ kan pas worden toegepast als de totale kosten van de benodigde woningaanpassing(
- en)meer bedragen dan het bedrag dat is vastgelegd in het geldende Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg 2026. 9.7.2 Belangenafweging Het toepassen van het ‘primaat van verhuizen’ is geen automatisme. Voordat de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ oplegt en overgaat tot het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding, maakt de gemeente een belangenafweging. Dat de belangenafweging erg zwaar is, is niet vreemd vanwege het feit dat toepassing van het ‘primaat van verhuizen’ een behoorlijk ingrijpende gebeurtenis in het leven van een inwoner is. Er moeten soms veel belangen worden afgewogen, afhankelijk van de individuele situatie van de inwoner. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om: De aanwezigheid van een passende woning. De kostenvergelijking tussen de huidige woning aanpassen en verhuizen. De gezondheidssituatie van de inwoner en zijn huisgenoten. De afstand tot voorzieningen waar de inwoner gebruik van maakt. De wil van de inwoner om te gaan verhuizen. De leeftijd van de inwoner en zijn huisgenoten. In hoeverre is de huidige woning al aangepast. De medisch aanvaardbare termijn. De sociale omstandigheden. De afstemming met andere voorzieningen. De werksituatie van de inwoner. De eventuele stijging in de woonlasten. Of de huidige woning eigendom is van de inwoner. De aanwezigheid van familie, vrienden en mantelzorg. Als de gemeente na afweging van de belangen tot de conclusie komt dat er een passende woning voorhanden is, dan kan de gemeente de inwoner compenseren door een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is neergelegd in het Financieel Besluit Wmo en jeugd Hardenberg. Als er geen passende woning aanwezig is, wil dat echter niet zeggen dat het ‘primaat van verhuizen’ niet kan worden toegepast. De gemeente heeft de mogelijkheid om, naast een verhuiskostenvergoeding, ook noodzakelijke woningaanpassingen te verstrekken, waardoor het ‘primaat van verhuizen’ in geval van een woning die niet passend is, toch kan worden toegepast omdat de niet-passende woning passend wordt gemaakt. De woningaanpassing aan de niet-passende woning wordt dan vergoed. 9.7.3 Beschikbare woning In het geval de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ oplegt, moet er wel een beschikbare woning zijn. De gemeente heeft de taak om te bekijken of er een woning beschikbaar is binnen de medisch aanvaardbare termijn. Voor de vraag of er een passende woning beschikbaar is of komt, overlegt de gemeente met de woningcorporatie. De gemeente hoeft niet te bemiddelen bij het verkrijgen van een andere woning. 9.7.4 Medisch aanvaardbare termijn Om te weten wat in een individuele situatie de medisch aanvaardbare termijn is, vraagt de gemeente een medisch advies op. Beoordeeld moet worden binnen welke termijn er, ook uit medisch oogpunt, een oplossing voor het probleem gerealiseerd moet zijn. Dat zal per situatie verschillen en moet blijken uit het medisch advies. 9.7.5 Inwoner wil niet verhuizen De gemeente past het ‘primaat van verhuizen’ niet dwingend toe. Als een inwoner niet wil verhuizen terwijl het ‘primaat van verhuizen’ wel kan worden toegepast, kent de gemeente de inwoner een verhuiskostenvergoeding toe. De inwoner kan die verhuiskostenvergoeding besteden aan het aanpassen van de huidige woning volgens het opgestelde programma van eisen. Als de gemeente een verhuiskostenvergoeding toekent terwijl de inwoner niet verhuist, worden afspraken gemaakt met de inwoner. De gemeente compenseert in dat geval geen nieuwe beperkingen in het normale gebruik van de woning meer, tenzij het gaat om beperkingen in het normale gebruik van de woning die ook zouden zijn opgetreden als de inwoner wel zou zijn verhuisd naar de passende woning. 9.8 Uitraasruimte Een uitraasruimte is een maatwerkvoorziening in de vorm van een verblijfsruimte waarin een inwoner die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Vanwege de beperking, de gedragsstoornis van de inwoner, zal de ruimte beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer: het tot rust laten komen. De ruimte moet dus prikkelarm en veilig zijn, en zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Op basis van een deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) wordt op individuele basis vastgesteld of een uitraaskamer noodzakelijk is en aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk worden bestaande ruimtes aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraasruimte nodig is. Een uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn. Hoofdstuk 10: Rolstoelvoorziening 10.1 Rolstoelvoorziening De gemeente kan een inwoner een (aanpassing op een) rolstoel verstrekken als de inwoner zich niet goed kan verplaatsen in en om zijn woning en daardoor beperkingen heeft bij: De algemene dagelijkse levensverrichtingen (zie hierover ook hoofdstuk 3) of Het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De gemeente verstrekt een inwoner een (aanpassing aan een) rolstoel als de rolstoel bedoeld is voor dagelijks zittend gebruik en de inwoner zich daarmee in en om zijn woning kan verplaatsen. Dat betekent dat het vooral gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning van de inwoner worden gedaan. Het gaat om inwoners die een rolstoel nodig hebben omdat ze geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin iemand niet in staat is om zelfstandig korte afstanden af te leggen, ook niet met een loophulpmiddel. Het hoeft niet zo te zijn dat de inwoner de hele dag is aangewezen op zittend verplaatsen. Als de inwoner bijvoorbeeld wel een bepaalde afstand lopend (bijvoorbeeld 100 meter) kan afleggen, maar daarna is aangewezen op zittend verplaatsen, dan kan een rolstoelvoorziening nodig zijn. Het moet dan wel duidelijk zijn dat andere loophulpmiddelen (zoals een rollator of trippelstoel) geen oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. 10.1.1 Kortdurende noodzakelijkheid In principe komen alleen inwoners die door de aard van hun beperking of probleem langdurig op een rolstoel zijn aangewezen hiervoor in aanmerking op grond van de Wmo 2015. Als een inwoner maximaal 6 maanden een rolstoel nodig heeft, dan kan deze verstrekt worden op grond van de Zorgverzekeringswet. 10.1.2 Incidenteel gebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zorgverzekeringswet. Een rolstoel voor incidenteel gebruik kan geleend worden bij een thuiszorgwinkel voor de duur van maximaal 6 maanden. Na deze 6 maanden kunnen inwoners gebruik maken van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. 10.1.3 (Medisch) onderzoek De gemeente kan door een (medisch) onderzoek bepalen of er een rolstoel nodig is. De gemeente onderzoekt welke soort rolstoel het beste past bij de inwoner. Bij het selecteren van een soort rolstoel wordt ook gekeken hoe de rolstoel wordt bewogen. Bij het selecteren van bijvoorbeeld een duwrolstoel kijkt de gemeente of de begeleider over voldoende kracht en uithoudingsvermogen beschikt om de inwoner in een rolstoel voort te duwen. 10.1.4 Onderhoud, keuring en verzekering De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de rolstoel zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle elektrische rolstoelen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Rolstoelen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden elektrische rolstoelen WA verzekerd. 10.2 Inwoners met een Wlz-indicatie Inwoners met een Wlz-indicatie kunnen een beroep doen op de Wmo 2015, afhankelijk van hoe hun zorg wordt geleverd. Wanneer iemand in een instelling woont (Wlz met leveringsvorm verblijf), is de gemeente niet verantwoordelijk voor het verstrekken van bepaalde Wmo-voorzieningen. De gemeente verstrekt dan bijvoorbeeld geen rolstoel aan deze persoon, omdat dit binnen de Wlz wordt geregeld. Als een inwoner een Wlz-indicatie heeft en thuis woont, (Wlz leveringsvormen mpt en vpt), kan hij wél in aanmerking komen voor een Wmo-voorziening. In dat geval is het mogelijk om bijvoorbeeld een rolstoel te ontvangen via de gemeente, als daar een duidelijke noodzaak voor is. Als er reden is om aan te nemen dat een inwoner wel aanspraak kan maken op een Wlzindicatie, maar de inwoner niet mee wil werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit van het CIZ, dan verstrekt de gemeente ook geen maatwerkvoorziening. 10.3 Sportbeoefening Een sporthulpmiddel wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg. Het bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening voor een periode van minimaal 3 jaar voor een nietelektrisch aangedreven sportvoorziening. Voor een elektrische aangedreven sportvoorziening wordt de financiële tegemoetkoming in beginsel verstrekt voor een periode van zes jaar. Het sporten moet een structureel karakter hebben. De sport wordt al gedurende minimaal 4 maanden beoefend en is passend. Sportrolstoelen voor topsport moeten worden verstrekt uit sponsoring of uit eigen middelen. Sportrolstoelen of andere sport gebonden hulpmiddelen die worden gebruikt om therapeutische doelen te bereiken vallen onder de Zorgverzekeringswet. Er bestaat geen aanspraak op een vergoeding als de voorziening op grond van aanpalende wet- en regelgeving zoals de Zvw of Wlz wordt vergoed. Kosten voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten zoals entreegelden of lidmaatschapsbijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Hoofdstuk 11: Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer 11.1 Doel van Wmo-vervoer De gemeente zorgt ervoor dat inwoners met een beperking kunnen meedoen in de samenleving en gebruik kunnen maken van maatschappelijk vervoer. Zo helpt de gemeente om eenzaamheid of isolement te voorkomen. Dit betekent dat een inwoner, ondanks zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015, net zoals anderen in aanvaardbare mate: mensen moet kunnen ontmoeten; contacten moet kunnen onderhouden; boodschappen moet kunnen doen; zich moet kunnen verplaatsen, en aan maatschappelijke activiteiten moet kunnen deelnemen. 11.2 Vervoersbehoefte Om te bepalen welke hulp nodig is, stelt de gemeente de vervoersbehoefte van de inwoner vast. Hierbij bekijkt de gemeente de individuele situatie van de inwoner en zijn behoeften, voorkeuren en persoonskenmerken. De gemeente kijkt hierbij naar de beperkingen van de inwoner, maar ook naar waar de inwoner naar toe wil gaan en waarom hij hiernaartoe wil gaan. Daarnaast wordt ook gekeken naar zaken als de leeftijd van de inwoner en de daarbij passende behoeften, de gezinssamenstelling van de inwoner en bijvoorbeeld de aanwezigheid van jonge kinderen. De vervoersbehoefte moet aantoonbaar gericht zijn op: onderhouden van sociale contacten; deelname aan maatschappelijke activiteiten; voorkomen van isolement. Om de vervoersbehoefte van een inwoner te bepalen gaat het er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat niet zo ver dat de inwoner in dezelfde of misschien een betere positie gebracht wordt dan vóór de ondersteuning. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de inwoner was vóór hij de ondersteuning nodig had (CRvB 18-05-2016, ECLI:NL: CRVB:2016:1402). 11.3 Reikwijdte en omvang lokaal verplaatsen Een vervoersvoorziening is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen. Onder lokaal verplaatsen wordt verstaan: een afstand van maximaal 25 kilometer van het woonadres van de inwoner. De gemeente hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte. Verder mag de gemeente volstaan met een voorziening waarmee de inwoner 1.500 kilometer per jaar kan reizen. Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat dit zo is. Een inwoner betaalt per rit (lokaal of regionaal) een reizigersbijdrage die is vastgelegd in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg. Voor bovenregionale verplaatsingen kan een inwoner een beroep doen op Valys. Zie hoofdstuk 11.6 11.4 Vervoersvoorziening De gemeente kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een vervoersvoorziening als een inwoner een beperking heeft zoals bedoeld in de Wmo 2015 en daardoor niet goed kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Deze beperking kan dan niet worden verminderd of weggenomen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen, via het sociale netwerk (zoals hulp van buren), of met het openbaar vervoer. Zie hiervoor ook hoofdstuk 3 over het onderzoek. 11.4.1 Beroep op een andere regeling De gemeente hoeft geen maatwerkvoorziening te verstrekken als de inwoner zijn beperkingen voldoende kan verminderen of wegnemen door een beroep op een andere regeling te doen. Voorbeelden van andere regelingen zijn: De Zorgverzekeringswet (Zvw) voor bijvoorbeeld: Zittend ziekenvervoer bij nierdialyses, chemotherapie/ radiotherapie; Permanente rolstoelafhankelijkheid; en Een zodanig beperkt gezichtsvermogen dat zonder begeleiding verplaatsen niet mogelijk is. Het leerlingenvervoer. De Jeugdwet, voor ondersteuning en zorg die valt onder jeugdhulp. 11.5 Collectief vervoer Een mogelijkheid voor de inwoner is om gebruik te maken van het collectief vervoer. Uitgangspunt is dat het vraagafhankelijk vervoer geschikt is voor lokale verplaatsingen. Het collectief vervoer wordt vaak ingezet voor verplaatsingen naar bestemmingen waar afspraken over gemaakt kunnen worden met anderen. Denk hierbij aan sociale contacten, maar ook aan een ziekenhuisbezoek. In de meeste gevallen zal het collectief vervoer de goedkoopst compenserende voorziening zijn. Hierdoor wordt vaak, als het collectief vervoer passend is voor de inwoner, voorrang gegeven aan het gebruik van deze voorziening boven andere maatwerkvoorzieningen. Een eventuele wachttijd voor het brengen en ophalen met het collectief vervoer is niet een reden om het collectief vervoer als niet passend te zien voor een inwoner. Ook het niet samen kunnen reizen met het gezin hoeft niet te betekenen dat het collectief vervoer niet passend is, als een gezamenlijke bestemming nog wel bereikt kan worden. 11.6 Valys Als een inwoner verder wil reizen dan 25 kilometer enkele reis dan kan dat met Valys. De inwoner kan daarvoor een Valys-pas aanvragen. Zie voor de voorwaarden de website van Valys; www.valys.nl . 11.7 Een auto-aanpassing De gemeente is van mening dat de goedkoopst compenserende vervoersvoorziening in vrijwel alle gevallen het vraagafhankelijk collectieve vervoer is. Als uit onderzoek blijkt dat de beperkingen van een inwoner ten aanzien van het verplaatsen niet kunnen worden weggenomen door gebruikmaking van de Wmo-vervoer, kan er een pgb verstrekt worden voor de kosten van het aanpassen van de eigen auto. De noodzaak van de aanpassing moet wel zijn vastgesteld en het betreft geen aanpassing die algemeen gebruikelijk is (zie voor het begrip algemeen gebruikelijk hoofdstuk 4). Een auto-aanpassing wordt aangebracht op een door de inwoner zelf aangeschafte auto. Hierbij wordt ook gekeken naar de technische staat van de auto en hoe oud de auto is. Is een auto ouder dan 7 jaar, dan verstrekt de gemeente in principe geen auto-aanpassing meer. Een plateaulift wordt pas verstrekt nadat uit een extern advies is gebleken dat de specifieke aanpassing aan de personenbus noodzakelijk is om de inwoner te vervoeren. Als afschrijvingstermijn wordt een periode van 7 jaar gehanteerd. 11.8 Vergoeding voor gebruikskosten eigen auto of (rolstoel)taxi Als een inwoner door aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, kan de gemeente een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de gebruikskosten van een eigen auto of (rolstoel)taxi als dit aantoonbaar leidt tot meerkosten ten opzichte van de als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten. Het moet daarbij gaan om meerkosten die voortkomen uit de beperking en die hoger zijn dan wat voor iedereen gebruikelijk is. Deze tegemoetkoming wordt verstrekt als het medisch is vastgesteld dat het gebruik van eigen vervoer of een taxi noodzakelijk is. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt berekend op basis van maximaal 1.500 kilometer per jaar, vermenigvuldigd met de kilometerprijs voor de variabele kosten van een middenklasse auto, zoals vastgesteld in de geldende ‘Prijzengids Nibud’. Het exacte bedrag wordt jaarlijks opgenomen in het ‘Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg’ en wordt éénmaal per jaar verstrekt. Voor huishoudens waarin de vervoersbehoeften van meerdere personen niet samenvallen, geldt een maximum van anderhalf keer dit bedrag. 11.9 Scootmobiel De gemeente kan de inwoner een maatwerkvoorziening (een vervoersvoorziening) in de vorm van een scootmobiel verstrekken als dit de goedkoopst compenserende oplossing is voor de beperkingen van de inwoner, als hij voldoende rijvaardig is en als er een stalling aanwezig is of kan worden gemaakt. Wat betreft de beperkingen van de inwoner, moet er sprake zijn van een loopbeperking van langdurige aard waardoor met gebruikelijke loophulpmiddelen (rollator, wandelstok) een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten niet te overbruggen is. Een scootmobiel kan worden geïndiceerd als een inwoner een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving heeft en de scootmobiel bijdraagt aan participatie en dreigende vereenzaming voorkomt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een inwoner met een scootmobiel zelf kan winkelen, familie kan bezoeken en andere vormen van vrijetijdsbesteding heeft. De scootmobiel is bedoeld voor het compenseren van een vervoersprobleem op de korte en middellange afstanden. De maximumsnelheid van een scootmobiel is 15 kilometer per uur en de actieradius is 20 – 40 kilometer. In principe worden alleen de scootmobiel types zoals vermeld op de prijslijst van de leverancier verstrekt. Een zwaarder of sneller model is voor eigen rekening. Een opvouwbare scootmobiel wordt niet verstrekt, omdat deze niet geschikt is voor zelfstandig gebruik over korte en middellange afstanden. Het opvouwbare karakter veronderstelt dat de scootmobiel per auto naar een bestemming wordt vervoerd, wat strijdig is met het doel van de voorziening: zelfstandig lokaal vervoer vanuit de woning van de inwoner. Bij aflevering van elektrische hulpmiddelen, waaronder een scootmobiel, krijgt de inwoner een gewenning/instructie les van maximaal 60 minuten. Zodat de inwoner veilig en adequaat gebruik kan maken van het hulpmiddel. Als RSR na de gewenningsles een inschatting maakt dat de scootmobiel niet veilig gebruikt kan worden, doet RSR hiervan een melding aan de gemeente. De gemeente maakt dan de afweging of een scootmobiel wel een verantwoorde passende voorziening is voor de inwoner. Als een extra rijles noodzakelijk is om een inwoner veilig te laten participeren met de scootmobiel, kan de inwoner een rijles volgen bij de daarvoor aangewezen ergotherapeut. Als er geen ergotherapeut betrokken en/of beschikbaar is kan de gemeente RSR de opdracht geven de rijlessen uit te voeren. 11.9.1 Onderhoud, keuring en verzekering De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de scootmobiel zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle scootmobielen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Scootmobielen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden de scootmobielen WA verzekerd. 11.10 Fietsvoorziening Voor korte en middellange afstanden kan een fietsvoorziening worden toegekend. Dit kan bijvoorbeeld een driewielfiets of een handbike zijn. Voor deze voorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. De voorziening wordt alleen verstrekt als deze de beperkingen bij het verplaatsen voldoende compenseert. De fietsvoorziening wordt niet gecombineerd met een scootmobiel of een andere voorziening die ook bedoeld is voor korte en middellange afstanden. De gemeente verstrekt de voorziening die het beste past bij de vervoersbehoefte van de inwoner. Een gewone tweewielfiets, met of zonder elektrische trapondersteuning en/of lage instap is een algemeen gebruikelijke voorziening. De inwoner wordt geacht deze zelf aan te schaffen. 11.10.1 Onderhoud, keuring en verzekering De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de fietsvoorziening zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle elektrische fietsvoorzieningen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Fietsvoorzieningen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden de elektrische (gemotoriseerde) fietsvoorzieningen WA verzekerd. Hoofdstuk 12: Financieringsvormen maatwerkvoorziening Wanneer een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, zijn er drie manieren waarop de gemeente de ondersteuning kan financieren: Zorg in natura (ZIN): de gemeente regelt de hulp via een zorgaanbieder. Persoonsgebonden budget (pgb): de inwoner krijgt zelf een budget en regelt daarmee de hulp. Financiële tegemoetkoming: de inwoner ontvangt een geldbedrag als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. In tegenstelling tot een Pgb hoeft een financiële tegemoetkoming niet precies toereikend te zijn (zie artikel 21 in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026) Het belangrijkste verschil is wie de hulp organiseert. Bij ZIN doet de gemeente dat, bij één van de gecontracteerde aanbieders. Bij een pgb doet de inwoner dat zelf. Een financiële tegemoetkoming wordt ingezet voor voorzieningen waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is, bijv. bij verhuiskosten en kosten van vervoer met de eigen auto. In dit hoofdstuk gaan we verder in op het pgb. Deze financieringsvorm vraagt meer van de inwoner, maar biedt ook keuzevrijheid en regie. 12.1 Wat is een Pgb? Een pgb is een geldbedrag waarmee iemand zelf zorg of ondersteuning kan inkopen. Dit is een alternatief voor zorg die door de gemeente geregeld wordt. De regels hierover staan in de Wmo 2015 en in hoofdstuk 6 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026. 12.2 Informeren financieringsvorm Als uit het onderzoek van Samen Doen blijkt dat iemand recht heeft op een maatwerkvoorziening, wordt de inwoner geïnformeerd over de keuze tussen zorg in natura of een pgb. Dit is wettelijk verplicht. De consulent legt mondeling uit wat een pgb is, wat de voor- en nadelen zijn, en verwijst naar onafhankelijke cliëntondersteuning en de website van Per Saldo. De inwoner dient te motiveren waarom hij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wil. 12.3 Voorbereiding bewuste keuzegesprek Vervolgens onderzoekt een pgb-specialist van Samen Doen of de inwoner (of zijn beheerder) het pgb goed kan beheren. Samen Doen geeft vooraf de volgende documenten mee: Informatie over pgb-vaardigheden check van het ministerie VwS. Een invulinstructie en het pgb-budgetplan. Overige benodigde formulieren. Deze documenten moeten binnen 10 werkdagen worden ingevuld en teruggestuurd. Alleen dan kan het keuzegesprek plaatsvinden. De persoon die het pgb gaat beheren, moet hierbij aanwezig zijn. Als de inwoner (of zijn pgb-beheerder) het budgetplan (of andere relevante formulieren) niet of niet volledig invult of niet meewerkt aan de gesprekken over het pgb wordt, na het bieden van een hersteltermijn, geen pgb verstrekt. 12.4 Het bewuste keuzegesprek Tijdens het bewuste keuzegesprek bespreekt de pgb-specialist van Samen Doen met de inwoner of het passend is om de ondersteuning via een pgb te ontvangen. Dit gesprek is een wettelijke stap in de besluitvorming. Er wordt getoetst of voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015. Dat artikel noemt drie eisen: Bekwaamheid De inwoner (of zijn vertegenwoordiger) moet in staat zijn om zijn belangen te overzien en de taken die bij een pgb horen, goed uit te voeren. Motivering De inwoner moet gemotiveerd aangeven waarom hij ondersteuning via een pgb wil en waarom dat voor hem een betere keuze is dan zorg in natura. Kwaliteit De ondersteuning die via een pgb wordt geregeld, moet veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. Deze drie voorwaarden worden zorgvuldig getoetst. Het bewuste keuzegesprek richt zich op zowel de motivatie van de inwoner als de praktische uitvoering van het pgb. Ook de kennis en vaardigheden van de inwoner of zijn vertegenwoordiger worden besproken. Daarbij kijkt de pgb-specialist of het realistisch is dat de ondersteuning met een pgb verantwoord geregeld kan worden. Het oordeel van de pgb-specialist over het pgb beheer is leidend in het al dan niet toekennen van een pgb. 12.5 Het kiezen van een (geschikte) pgb-beheerder De inwoner heeft, als deze niet zelf het pgb gaat beheren, de mogelijkheid om een pgbbeheerder aan te wijzen. Omwille van de administratieve lasten en continuïteit in het beheer van het pgb, gaat de gemeente ervan uit dat de inwoner een langdurige relatie aangaat met de pgb-beheerder en dat wijzigingen in pgb-beheerder tot een minimum beperkt blijft. Voorkeur gaat uit naar iemand die dicht bij de inwoner staat. Het betreft hier dan een eerste of tweedegraads familielid. Familie (bloed- en aanverwant) in de eerste graad van de hulpvrager (ouders of (schoon)kinderen). Familie (bloed- en aanverwant) in de tweede graad (grootouders, broers (of zwagers) of (schoon)zussen). Als er geen eerste of tweedegraads familielid is die het pgb kan of wil beheren, dan mag iemand uit het sociale netwerk, zoals een vriend, buur of mentor, het beheer op zich nemen. 12.5.1 Mentor, curator, bewindvoerder Als een mentor, curator of bewindvoerder het pgb gaat beheren, is het belangrijk dat alle taken die bij het pgb-beheer horen, worden uitgevoerd. Het is niet voldoende als alleen de financiële administratie wordt gedaan. De beheerder moet ook in staat zijn om de kwaliteit van de zorg te beoordelen, zodat de belangen van de inwoner goed worden behartigd. Als de bewindvoerder uitsluitend verantwoordelijk is voor de financiële administratie, dan moet er een andere persoon zijn die de overige taken van het pgb-beheer op zich neemt. Alle verantwoordelijkheden moeten dus altijd samen worden afgedekt. De kosten voor het pgb-beheer mogen niet uit het pgb zelf worden betaald. 12.5.2 Kosten beheer pgb Een inwoner die een bewindvoerder, mentor of curator heeft of kiest om zijn pgb te beheren, kan te maken krijgen met kosten voor dit beheer. Deze kosten mag de vertegenwoordiger bij de inwoner in rekening brengen. Als de inwoner onvoldoende inkomen en vermogen heeft om deze kosten zelf te betalen, kan hij bijzondere bijstand aanvragen. Bij de beoordeling van de noodzaak van de kosten zal getoetst worden of de gevraagde zorg wél via ZIN geleverd kan worden. Als blijkt dat de zorg in natura geleverd kan worden, dan is een pgb niet noodzakelijk maar een keuze. In dat geval moet de inwoner er rekening mee houden dat er géén bijzondere bijstand toegekend zal worden voor het beheren van het pgb. Daarom is het belangrijk dat de inwoner goed wordt geïnformeerd vóórdat hij kiest voor een pgb met professioneel beheer. Als hij kosten gaat maken die hij niet kan dragen en die niet vergoed worden vanuit de Wmo of bijzondere bijstand, is het mogelijk beter om te kiezen voor zorg in natura. 12.5.3 Vereisten pgb-beheerder Een pgb-beheerder moet betrouwbaar, onafhankelijk en goed bereikbaar zijn. Daarom gelden de volgende voorwaarden: De pgb-beheerder mag niet dezelfde persoon zijn als de zorgverlener (pgbaanbieder) of de informele ondersteuner waarvoor het pgb wordt ingezet. Ook personen die verbonden zijn aan de zorgverlener, zoals medewerkers, familieleden, organisatieadviseurs of bemiddelaars van de zorgverlener, mogen geen pgb beheren. Er mag geen (financiële of andere persoonlijke) relatie bestaan tussen de pgbbeheerder en de zorgverlener of informele ondersteuner. Er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling tussen de pgb-beheerder en de zorgverlener. De pgb-beheerder moet voldoende beschikbaar zijn. Dat betekent dat hij fysiek aanwezig kan zijn als dat nodig is, en genoeg tijd heeft om het beheer goed uit te voeren. Als de vertegenwoordiger een bemiddelingsbureau is, dan moet dit bureau beschikken over het keurmerk voor pgb-bemiddeling van Per Saldo. 12.5.4 Bekwaamheid pgb-beheerder Een pgb kan alleen worden verstrekt wanneer de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is het budget op een verantwoorde manier te beheren. Dit betekent: het kunnen voeren van de administratie, het afsluiten van contracten, het inkopen van passende en veilige zorg en het afleggen van verantwoording. Een pgb wordt niet verstrekt als er sprake is van één of meer van de