Algemeen In deze nieuwe beleidsregels is er sprake van harmonisatie van oud beleid rondom de bestuurlijke boete van de voormalig gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne. Ook zijn geschreven (werkinstructies) en ongeschreven uitvoeringsregels opgenomen in deze beleidsregels, daar waar nodig aangevuld met nieuwe beleidskeuzes. Ook is er sprake van nieuw beleid, waaronder de invoering van de krediethypotheek en de artikelen die anticiperen op het wetsvoorstel Participatiewet in balans. Dit betekent ook dat – na inwerkingtreding van het wetsvoorstel – voor sommige onderdelen van dit beleid de wet leidend zal worden. Indien nodig zullen de beleidsregels hierop worden aangepast. De diverse onderwerpen zijn onderverdeeld in hoofdstukken, zie hiervoor de index, waarin naast de beleidsregels ook de
staat vermeld. Artikel 1.1 Begrippen Dit artikel spreekt voor zich. Daar waar nodig zal in deze beleidsregels een nadere uitleg van begrippen worden opgenomen. Artikel 1.2 Toepasbaarheid De beleidsregels zijn geschreven voor de uitvoering van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. De IOAW en IOAZ kennen echter ten opzichte van de Participatiewet andere regels ten aanzien van het vermogen. Dit heeft gevolgen voor de toepasbaarheid van een aantal van de beleidsregels op de IOAW en IOAZ. In dit artikel staat nader bepaald welke beleidsregels niet voor de IOAW en IOAZ van toepassing zijn. Hoofdstuk2Aanvraag Beleidsregels Artikel2.1Verkorte aanvraag 1.Als binnen twaalf maanden na het eindigen van een algemene uitkering voor levensonderhoud volgens de Participatiewet, IOAW of IOAZ opnieuw een aanvraag wordt ingediend kunnen de gegevens van de eerdere bijstandsverlening worden gebruikt als hierin geen wijzigingen zijn opgetreden. 2.Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.2Hersteltermijn onvolledige aanvraag De hersteltermijn op grond van artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht bedraagt in beginsel 5 werkdagen. Als belanghebbende redelijkerwijs meer of minder tijd nodig heeft kan deze termijn langer of korter worden vastgesteld. De maximale hersteltermijn bedraagt 8 weken. Artikel2.3Ingangsdatum terugwerkende kracht 1.Volgens het bepaalde in artikel 44 Participatiewet en in afwijking van artikel 16a IOAW/IOAZ kan het college als het noodzakelijk is in individuele omstandigheden bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld voor bijstand. 2.Om in aanmerking te komen voor toekenning van bijstand met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld dat de inwoner in de voorgaande periode in bijstandsbehoevende omstandigheden leefde. Artikel2.4Ingangsdatum na afwijzing Bbz, IOAW of IOAZ Als een belanghebbende zich onverwijld na een afwijzing van een aanvraag voor een uitkering op grond van artikel 78f IOAW/IOAZ meldt voor een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet, geldt de datum van de melding voor de aanvraag voor de uitkering op grond van artikel 78f IOAW/IOAZ ook als meldingsdatum bedoeld in artikel 44 Participatiewet. Artikel2.5Ingangsdatum na afwijzing aanvraag bij andere sociale zekerheidsinstelling 1.De ingangsdatum van de bijstand is gelijk aan de ingangsdatum die zou hebben gegolden voor de uitkering van de andere sociale zekerheidsinstelling als belanghebbende zich onverwijld gerekend vanaf de dag van datering van de afwijzing voor de uitkering meldt voor bijstand. 2.Voor belanghebbende die zich niet onverwijld gerekend vanaf de dag van datering van de afwijzing voor de uitkering meldt voor bijstand geldt het bepaalde in artikel 44 Participatiewet. Artikel2.6Ingangsdatum bij verhuizing vanuit een andere gemeente 1.De verhuisdatum en de daarbij horende inschrijving in het BRP is in beginsel bepalend voor het moment waarop recht op bijstand in de gemeente Voorne aan Zee ontstaat. 2.Ter voorkoming van het niet aansluiten van uitkeringen van de vertrekkende gemeente en onze gemeente, kan in belang van belanghebbende gemotiveerd worden afgeweken van lid 1.
Algemeen Met de bepalingen in dit hoofdstuk wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de voorgestelde aanpassingen in het wetsvoorstel Participatiewet in balans. Artikel 2.1 Verkorte aanvraag Het college controleert de juistheid en actualiteit van de gegevens van de aanvrager aan de hand van de voor het college ter beschikking staande bronnen of indien nodig bij de belanghebbende. De belanghebbende hoeft hierdoor alleen informatie aan te leveren over eventuele mutaties in de tussenliggende periode, bijvoorbeeld in geval van verhuizing, scheiding, huwelijk of gezinsuitbreiding. Door de verkorte aanvraagprocedure worden de administratieve lasten voor het college en de belanghebbende verlaagd. Binnen 12 maanden wordt de werkwijze beschreven in dit artikel gevolgd, maar in geest van dit artikel kunnen ook aanvragen na 12 maanden worden ingenomen. Bij een IOAW- of IOAZ-uitkering herleeft het eerder ontstane recht volgens artikel 7 van beide wetten. Artikel 2.2 Hersteltermijn onvolledige aanvraag Als belanghebbende van mening is dat hij niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen om zijn aanvraag aan te vullen, moet hij binnen de gestelde aanvultermijn om verlenging van de hersteltermijn vragen. Afhankelijk van de omstandigheden wordt een hersteltermijn bepaald. Artikel 2.3 Ingangsdatum terugwerkende kracht Het college wordt de mogelijkheid geboden af te wijken van het principe dat aanvraagdatum de ingangsdatum van de uitkering is. Bij het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht wordt uitgegaan van het moment waarop het recht op bijstand is ontstaan tot maximaal drie maanden terug. Het criterium “individuele omstandigheden” vraagt om een individuele invulling. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht dat de belanghebbende in de periode voorafgaande aan de melding alles heeft gedaan om volledig zelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien of een crisissituatie waardoor een te late melding is gedaan. Ook in geval van een oproepcontract, na detentie of echtscheiding kan het wenselijk zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken. Door bijstand eerder dan de meldingsdatum toe te kennen kan worden voorkomen dat inwoners onnodig in schulden terecht komen. Artikel 2.4 Ingangsdatum na afwijzing Bbz, IOAW of IOAZ De meldingsdatum van de aanvraag om een uitkering op grond van artikel 78f IOAW of IOAZ wordt ook gehanteerd als meldingsdatum om een uitkering op grond van de Participatiewet als de aanvraag direct na de afwijzing wordt ingediend. Hiervoor dient belanghebbende zich in beginsel onverwijld te melden. Het is aan het college om gemotiveerd aan te geven of belanghebbende zich al dan niet onverwijld heeft gemeld. Er is bewust geen termijn verbonden aan onverwijld, zodat er ruimte blijft voor maatwerk. Als per abuis de verkeerde uitkering is aangevraagd wordt hiermee voorkomen dat de belanghebbende enkele weken tot meer dan een maand ondersteuning misloopt. Artikel 2.5 Ingangsdatum na afwijzing aanvraag bij andere sociale zekerheidsinstelling Zie wat hierboven bij Ingangsdatum na afwijzing Bbz, IOAW of IOAZ hierover is gesteld. Artikel 2.6 Ingangsdatum bij verhuizing vanuit een andere gemeente Hoofdregel is dat de daadwerkelijke verhuisdatum en de daarbij behorende inschrijving in het BRP bepalend is voor het moment waarop het recht op bijstand van de ene naar de andere gemeente overgaat. In de praktijk is de ingangsdatum bij verhuizing vanuit een andere gemeente maatwerk en wordt er aansluiting gezocht bij de beëindigingsdatum van de gemeente van waaruit belanghebbende is vertrokken zodat er geen inkomensgat ontstaat. Hoofdstuk3Inlichtingenplicht Beleidsregels Artikel3.1Inlichtingenplicht onverwijld/ redelijke termijn 1.Belanghebbende doet volgens artikel 17 lid 1 Participatiewet, artikel 13 IOAW/IOAZ aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 2.Onder onverwijld uit eigen beweging verstaat het college dat de belanghebbende de informatie die van belang is voor de (voortzetting) van de bijstand, zo spoedig mogelijk meldt doch uiterlijk binnen 5 werkdagen, gerekend vanaf het moment waarop zich het te melden feit zich heeft voorgedaan dan wel kenbaar werd voor belanghebbende 3.Hiervoor kan belanghebbende gebruik maken van de door de gemeente beschikbaar gestelde communicatiemiddelen. 4.Het college bepaalt of een feit of omstandigheid invloed heeft op het recht op bijstand. 5.Het college informeert belanghebbende over de op hem rustende inlichtingenplicht en ontvangt indien nodig aanvullend advies in ieder geval over het bepaalde in artikel 7.1 Giften en artikel 7.8 Vermogen algemeen van deze beleidsregels.
.1 Inlichtingenplicht onverwijld/ redelijke termijn Een van de uitgangspunten van de Participatiewet in balans is vertrouwen. Dit betekent dat er niet altijd direct sprake zal zijn van schending van de inichtingenplicht. Met name bij giften en het vermogen zal hierdoor niet altijd direct een gift of vermogenstoenname moeten worden gemeld. Hier ligt wel een risico en het is daarom van groot belang dat aan belanghebbende duidelijk wordt uitgelegd wat er van hem wordt verwacht, mogelijk zelfs voorzien van een duidelijk advies. Belanghebbende dient altijd uiterlijk binnen 5 werkdagen alles wat van invloed kan zijn op zijn uitkering en alle wijzigingen in zijn persoonlijke-, gezins- of financiële situatie door te geven, echter rekening houdend met het eventuele advies op basis van lid 5 van dit artikel. Op basis van het advies kan het namelijk zo zijn, dat belanghebbende informatie niet direct hoeft door te geven als dit geen gevolgen heeft voor het recht op bijstand en er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. Dit betreft in ieder geval inlichtingen over: Verkrijgen of wijzigen van inkomsten uit: Werk, uitkering, pensioen of voorlopige teruggave inkomstenbelasting. Verkopen op websites (bv. Marktplaats, Facebook eBay etc.). Gokken (bv. websites, Casino’s). Wijzigingen in het vermogen (niet bij IOAW en IOAZ) rekening houdend met het advies, zoals genoemd in lid 5: Ontvangen van een erfenis. Ontvangen van een schadevergoeding. Ontvangen van een geldprijs. Boedelscheiding. Nieuwe bankrekeningen. Nieuwe spaarrekeningen. Nieuwe beleggingsrekeningen. Nieuwe crypto-rekeningen. Op naam geregistreerde motorvoertuigen (RDW). Afkoop pensioenen Crowdfunding. Het ontvangen van giften, zie ook artikel 7.1 Giften rekening houdend met het advies, zoals genoemd in lid 5: Schenkingen Wijzigingen in de woonsituatie. Verhuizing. Vertrek of komst gezinsleden. Overlijden gezinsleden. Vertrek of komst kostendelers. Samenwoning. Detentie. Verblijf buiten de gemeente meer dan 28 dagen aaneengesloten. Verblijf in het buitenland (bv. vakantie of familiebezoek). De inlichtingenplicht voor belanghebbende geldt ook ten aanzien van zijn/haar partner en zijn/haar inwonende minderjarige kinderen. Het feit dat bij voorbaat al duidelijk is dat een wijziging mogelijk geen gevolgen heeft voor het recht op bijstand, ligt ter beoordeling bij de gemeente. Dit betekent dat belanghebbende ook deze wijzigingen altijd dient door te geven. Het niet of niet tijdig en/of onvolledig verstrekken van deze inlichtingen is schending van de inlichtingenplicht. Belanghebbende kan deze inlichtingen verstrekken via de volgende communicatiemiddelen: het mutatieformulier of op een andere schriftelijke of digitale manier door de gemeente ter beschikking gesteld. Schending van de inlichtingenplicht kan leiden tot een terugvordering en boete. Hoofdstuk4Verblijf buiten de gemeente Beleidsregels Artikel4.1Meldingsplicht vooraf 1.Belanghebbende is verplicht: een verblijf buiten Nederland, ongeacht het aantal dagen vooraf bij het college te melden; een verblijf buiten de gemeente in Nederland, meer dan 7 dagen aaneengesloten, vooraf bij het college te melden. 2.Hiervoor kan belanghebbende gebruik maken van de door de gemeente beschikbaar gestelde communicatiemiddelen. 3.Als de belanghebbende niet heeft voldaan aan de meldingsplicht, is er sprake van schending inlichtingenplicht. Op grond van artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ wordt een bestuurlijke boete dan wel een waarschuwing opgelegd. Artikel4.2Terugmeldingsplicht achteraf 1.De belanghebbende is verplicht zich terug te melden na een verblijf in het buitenland, ongeacht het aantal dagen in het buitenland, of na een verblijf buiten de woongemeente in Nederland dat langer heeft geduurd dan 28 dagen aaneengesloten. 2.Terugmelding geschiedt als volgt: belanghebbende meldt zich de eerste werkdag na terugkomst persoonlijk bij zijn klantmanager of diens vervanger; door middel van het overleggen van reisbescheiden waaruit de begin- en einddatum blijkt; in geval gehuwden/samenwonenden niet gelijktijdig terugkeren geschiedt de terugmelding door beide gehuwden/samenwonenden afzonderlijk. 3.Hiervoor kan belanghebbende gebruik maken van de door de gemeente beschikbaar gestelde communicatiemiddelen. 4.Als belanghebbende niet heeft voldaan aan de terugmeldingsplicht is er sprake van schending inlichtingenplicht. Op grond van artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ wordt een bestuurlijke boete dan wel een waarschuwing opgelegd. Artikel4.3Verzoek om toestemming 1.Op grond van artikel 55 Participatiewet kan een extra verplichting worden opgelegd om voorafgaand aan een verblijf in het buitenland of een verblijf buiten de woongemeente van meer dan 7 dagen aaneengesloten toestemming aan het college te vragen, als: belanghebbende een re-integratietraject volgt; belanghebbende een inburgeringstraject volgt. 2.Het schriftelijke verzoek dient minimaal 2 weken voorafgaand aan de datum van vertrek te worden ingediend, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. 3.Het verzoek wordt afgewezen als het college van oordeel is dat de afwezigheid leidt tot een belemmering voor de arbeidsinschakeling of het re-integratietraject van belanghebbende, tenzij er sprake is van een dringende reden. 4.Als belanghebbende heeft verzuimd vooraf toestemming te vragen is er sprake van schending van een aan de bijstand verbonden verplichting. Dit leidt tot afstemming overeenkomstig de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorne aan Zee 2023. Artikel4.4Verblijf in het buitenland 1.Op grond van artikel 13 Participatiewet is het een belanghebbende niet toegestaan gedurende langer dan 4 weken in het buitenland te verblijven. Bij overschrijding bestaat er geen recht meer op bijstand en dient de uitkering beëindigd te worden. 2.De dag van vertrek uit Nederland geldt als dag waarop de belanghebbende nog in Nederland is verbleven en dat de dag van terugkeer geldt als een dag waarop nog in het buitenland is verbleven.
.1 Meldingsplicht vooraf Op grond van artikel 13 Participatiewet mag de belanghebbende niet langer dan 4 weken in een kalenderjaar in het buitenland verblijven. Bij overschrijding van deze termijn bestaat er geen recht op bijstand meer. In de IOAW en de IOAZ zijn geen specifieke artikelen opgenomen over de maximale vakantieduur. Maar hierbij wordt aangesloten bij de bepalingen in de Participatiewet over de maximale verblijfsduur in het buitenland. Gedurende de periode dat een betrokkene te lang verblijft in het buitenland is diegene van de IOAW/IOAZ uitgesloten. Zodra de betrokkene terugkeert, is de uitsluitingsgrond niet meer van toepassing. De IOAW/IOAZ-uitkering zal in dat geval herleven, aangezien een eenmaal vastgesteld recht blijft bestaan tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Aangezien het recht op bijstand eindigt vanaf het moment waarop belanghebbende langer dan de toegestane periode in het buitenland verblijft, is het van belang dat de vertrek- en terugkomdata en ook de verblijfplaats bekend zijn bij het college. De termijn houdt verband met de verplichtingen in het kader van de re-integratie, waaronder inburgering. Bij een vakantieduur van maximaal 4 weken wordt ervan uitgegaan dat het behoud van werk of de kansen op (het vinden van) werk niet in gevaar wordt gebracht. Het recht op uitkering bestaat echter tegenover het college van de gemeente waarin belanghebbende domicilie heeft. De uitkering moet worden beëindigd wanneer het verblijf buiten de woongemeente leidt tot een wijziging van domicilie. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een wijziging van domicilie moet belanghebbende melden wanneer belanghebbende meer dan 28 dagen aaneengesloten buiten de woongemeente verblijft. Als belanghebbende het verblijf in het buitenland of buiten de woongemeente niet vooraf heeft gemeld wordt dit aangemerkt als schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Participatiewet of artikel 13 IOAW/IOAZ. In dat geval legt het college een bestuurlijke boete dan wel een waarschuwing op. Artikel 4.2 Terugmeldingsplicht achteraf Een belanghebbende die langer dan de wettelijk toegestane periode verblijf houdt buiten Nederland heeft geen recht op (algemene en bijzondere) bijstand (artikel 13 lid 1 onderdeel e Participatiewet jo artikel 13 lid 4 Participatiewet). Als de belanghebbende geen reisbescheiden of andere bewijsstukken kan of wil overleggen, dient de belanghebbende zich ook persoonlijk bij zijn klantmanager (of diens vervanger) te melden. Als de belanghebbende zich niet op de voorgeschreven wijze meldt, wordt ervan uitgegaan dat hij/zij nog in het buitenland verblijft en wordt het recht op bijstand ingetrokken met ingang van de dag van vertrek uit Nederland. Er kunnen verschillende redenen zijn waardoor de wettelijk toegestane periode wordt overschreden: belanghebbende meldt voorafgaand aan zijn vertrek of tijdens zijn verblijf in het buitenland dat hij langer dan de wettelijke vakantieduur in het buitenland zal verblijven; na terugkeer in Nederland meldt de belanghebbende dat hij langer dan de wettelijke vakantieduur in het buitenland is geweest; achteraf blijkt dat de belanghebbende langer dan de wettelijke vakantieduur in het buitenland is geweest terwijl hiervan geen melding heeft gemaakt; belanghebbende keert niet terug uit het buitenland; eén van de bijstandspartners keert niet terug uit het buitenland. Verblijf buiten Nederland langer dan de wettelijke toegestane periode heeft geen gevolgen voor het recht op bijstand als sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 lid 1 Participatiewet. Ook terugkeer van verblijf buiten de woongemeente, maar binnen Nederland, moet gemeld worden zodat beoordeeld kan worden of er al dan niet gerede twijfel over het domicilie bestaat. Als partners niet gelijktijdig terugkeren van een verblijf buiten de woongemeente is het noodzakelijk dat beide partners zich persoonlijk bij terugkomst melden. Om het individuele recht op bijstand te kunnen beoordelen. Als belanghebbende het verblijf in het buitenland of buiten de woongemeente niet terug meldt wordt dit aangemerkt als schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Participatiewet of artikel 13 IOAW/IOAZ. In dat geval legt het college een bestuurlijke boete dan wel een waarschuwing op Artikel 4.3 Verzoek om toestemming In dit artikel is bepaald in welke situaties een belanghebbende vooraf toestemming moet vragen voor verblijf in het buitenland of verblijf van meer dan 7 dagen aaneengesloten. Langdurig verblijf buiten de woongemeente kan betekenen dat belanghebbende zijn re-integratieverplichtingen onvoldoende of niet nakomt of dat arbeidskansen worden gemist. Als de periode waarin belanghebbende buiten de woongemeente wenst te verblijven, samenvalt met de re-integratieverplichtingen kan de toestemming worden onthouden. Indien belanghebbende echter kan blijven voldoen aan zijn verplichtingen, omdat hij bijvoorbeeld in de buurt verblijft, dan bestaat er geen reden de toestemming te onthouden. Bij het geven van de toestemming dient dan wel te worden aangegeven dat ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende zich aan zijn verplichtingen blijft houden. Houdt hij zich, ondanks toezeggingen, niet aan deze afspraak dan ligt afstemming van de bijstand op grond van het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen voor de hand. Van belanghebbende met een re-integratietraject of met een deeltijdbaan mag worden verwacht dat de voorgenomen afwezigheid in overleg met de organisatie of werkgever plaatsvindt. Als belanghebbende niet vooraf toestemming verzoekt, voldoet belanghebbende niet aan de aan hem extra opgelegde verplichting op grond van artikel 55 Participatiewet. Dit leidt tot afstemming overeenkomstig de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorne aan Zee
.1 Aanvullende begripsbepalingen Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen als terminologische basis voor het juiste gebruik en de interpretatie van de beleidsregels in dit hoofdstuk. Hieronder een korte toelichting op de in dit artikel genoemde begrippen. De term "belanghebbende" verwijst naar de uitkeringsgerechtigde die de inlichtingenverplichting mogelijk heeft geschonden. Deze neutrale, juridische aanduiding sluit aan bij het bestuursrechtelijke karakter van de beleidsregels in dit hoofdstuk. Het benadelingsbedrag is het netto uitkeringsbedrag dat onterecht is verstrekt door schending van de inlichtingenverplichting. Het verschil wordt berekend tussen het ontvangen en het rechtmatige bedrag. Dit vormt de grondslag voor de bestuurlijke boete. Op grond van artikel 58 Participatiewet kan het bedrag worden teruggevorderd. In bepaalde gevallen kan het college verrekenen of het bedrag matigen bij verzachtende omstandigheden, om een proportionele sanctie te waarborgen. Het Boetebesluit wordt expliciet genoemd, omdat dit een centrale rol speelt in het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete. Draagkracht: Draagkracht betreft de middelen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken voor het betalen van een boete. Daarbij wordt rekening gehouden met inkomen, vaste lasten, de beslagvrije voet en individuele omstandigheden zoals medische of sociale problematiek. Dit waarborgt een proportionele en uitvoerbare boeteoplegging. Van recidive is sprake wanneer een belanghebbende binnen twee jaar opnieuw de inlichtingenverplichting schendt nadat eerder een bestuurlijke boete is opgelegd of een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Deze definitie benadrukt het herhaald karakter van de overtreding en maakt het mogelijk om bij herhaling zwaarder te sanctioneren. De termijn van twee jaar sluit aan bij landelijk beleid en bestaande jurisprudentie, en dient ter bevordering van normnaleving. Verwijtbaarheid verwijst naar de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden toegerekend. Wij onderscheiden vier gradaties: Opzet: Bewuste misleiding met het oogmerk een uitkering te verkrijgen of behouden. Grove schuld: Ernstige nalatigheid, zoals herhaaldelijk niet melden terwijl men bekend is met de verplichting. Normale verwijtbaarheid: Geen bijzondere omstandigheden; men had redelijkerwijs moeten melden. Verminderde verwijtbaarheid: Verzachtende omstandigheden zoals psychische of sociale problemen, taalbelemmeringen of afhankelijkheid van derden. Een vorm van duurzame uitstroom kan ook als een verzachtende omstandigheid worden beschouwd in het kader van inkeer. Verminderde verwijtbaarheid leidt tot matiging van de boete of in uitzonderlijke gevallen tot het afzien van boeteoplegging. In lid 2 is een restbepaling opgenomen voor begrippen die niet expliciet zijn omschreven. Hierbij wordt verwezen naar de betekenis zoals die in de onderliggende wetgeving voorkomt. Het opnemen van deze bepaling voorkomt interpretatiegeschillen bij begrippen die niet zijn opgenomen of die onduidelijk zijn. Lid 3 biedt het college de mogelijkheid om in voorkomende gevallen nadere uitleg te geven over begrippen. Dit versterkt de uitvoerbaarheid en biedt ruimte voor maatwerk, mits die uitleg schriftelijk en gemotiveerd wordt vastgelegd. Artikel 5.2 Inlichtingenplicht en 60-dagen termijn De inlichtingenverplichting is een kernbepaling in de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Binnen deze beleidsregels betekent 'onverwijld melden' dat de belanghebbende binnen vijf werkdagen relevante wijzigingen moet doorgeven die van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering. Wordt deze termijn overschreden, dan is sprake van een schending. Echter, als belanghebbende uit eigen beweging binnen 60 dagen alsnog meldt, het college de situatie nog niet zelf heeft vastgesteld of heeft gecommuniceerd, dan kan het college op grond van volgend artikel 5.3 volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats van een boete. De 60-dagentermijn is daarmee geen verlengde meldplicht, maar een beleidsgrens voor het toepassen voor een lichtere boete. Deze mogelijkheid vervalt zodra het college de situatie zelfstandig heeft vastgesteld én kenbaar heeft gemaakt, of als de melding plaatsvindt naar aanleiding van een toezichtshandeling. Samengevat: de mogelijkheid voor de belanghebbende om alsnog uit eigen beweging melding te doen van onjuiste of onvolledige informatie (zoals bedoeld in lid 2) vervalt in de volgende situaties: wanneer het college het betreffende feit of de betreffende omstandigheid al op eigen initiatief heeft vastgesteld; én wanneer het college vervolgens de belanghebbende daarover expliciet heeft geïnformeerd; of wanneer de belanghebbende de betreffende informatie verstrekt op het moment dat al sprake is van een toezicht- of controleonderzoek naar de naleving van de inlichtingenplicht. Artikel 5.3 Waarschuwingen en uitzonderingen Dit artikel is gebaseerd op artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten en regelt wanneer het college afziet van het opleggen van een bestuurlijke boete. In lid 1 zijn de situaties beschreven wanneer deze omstandigheden zich voordoen. In de situaties beschreven in lid 2 is er geen sprake van een benadeling en kan er ook geen boete worden opgelegd. Bij recidive genoemd in lid 3 is geen sprake meer van een waarschuwing, maar dient een boete in overeenstemming met artikel 5.5 te worden opgelegd met een minimum van €150,- ook als het benadelingsbedrag ontbreekt of gering is. Artikel 5.4 Benadelingsbedrag Dit artikel regelt hoe het benadelingsbedrag wordt vastgesteld. Dit bedrag vormt de basis voor de hoogte van de bestuurlijke boete. Lid 1 definieert het benadelingsbedrag als het nettobedrag aan uitkering dat ten onrechte is ontvangen door schending van de inlichtingenverplichting. Lid 2 en 3 bepalen dat het college dit bedrag vaststelt op basis van het terug te vorderen bedrag of andere beschikbare gegevens. Het wordt berekend als het verschil tussen het daadwerkelijk verstrekte bedrag en het bedrag waarop recht bestond. Lid 4 voorkomt dat een boete wordt opgelegd over een bedrag dat feitelijk al is verrekend met de uitkering. Lid 5 beperkt zich uitsluitend binnen de formele bezwaarprocedure. De boetebepaler heroverweegt niet zelfstandig het primaire terugvorderingsbedrag. Alleen als belanghebbende actief en onderbouwd bezwaar maakt, wordt het volledige bedrag als benadelingsbedrag beschouwd, tenzij het tegendeel bewezen wordt. Artikel 5.5 Hoogte van de bestuurlijke boete De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op basis van het benadelingsbedrag en de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende. De percentages sluiten aan bij de ernst van de gedraging: opzet: 100% van het benadelingsbedrag; grove schuld: 75% van het benadelingsbedrag; normale verwijtbaarheid: 50% van het benadelingsbedrag; verminderde verwijtbaarheid: 25% van het benadelingsbedrag. Deze indeling volgt uit het Boetebesluit en waarborgt een proportionele sanctionering. Bij verzachtende omstandigheden, zoals psychische, medische of sociale problematiek, kan sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid. De boete wordt nooit hoger vastgesteld dan het wettelijke maximum uit het Wetboek van Strafrecht en wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van €10,-. Het college beoordeelt in elk individueel geval of de boete passend is, gelet op de ernst van de overtreding, de verwijtbaarheid en de persoonlijke en financiële omstandigheden, waaronder draagkracht. Als de standaardboete onevenredig uitpakt, kan deze worden gematigd of achterwege worden gelaten. Artikel 5.6 Verwijtbaarheid De mate van verwijtbaarheid bepaalt of een bestuurlijke boete wordt opgelegd, en zo ja, hoe hoog die boete is. De beleidsregels onderscheiden vier categorieën: opzet, grove schuld, normale verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. Bij de beoordeling kijkt het college naar: de aard en ernst van de schending; de persoonlijke omstandigheden (zoals medische, psychische of sociale belemmeringen); de vraag in hoeverre de belanghebbende redelijkerwijs aan de verplichting kon voldoen. Geen boete wordt opgelegd als het college vaststelt dat geen verwijtbaarheid bestaat. Dit is onder meer het geval bij: spontaan herstel vóórdat het college de schending vaststelt (volgens artikel 5.2, lid 2); aantoonbare overmacht, zoals ernstige psychische, medische of sociale beperkingen; feitelijke handelingsonbekwaamheid. Er is in elk geval geen sprake van verminderde of geen verwijtbaarheid als: de belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst maar redelijkerwijs hulp kon krijgen; langdurig geen actie is ondernomen zonder geldige reden of zonder hulp in te roepen. Artikel 5.7 Recidive Dit artikel regelt de toepassing van een bestuurlijke boete bij herhaalde schending van de inlichtingenverplichting binnen twee jaar na een eerdere waarschuwing of boete. Bij recidive legt het college altijd een boete op, ook als er geen benadelingsbedrag is. De hoogte wordt vastgesteld volgens de verwijtbaarheidsgradaties in artikel 5, met een minimum van €150,-. Bij opzet of grove schuld kan de boete worden verhoogd tot 150% van het benadelingsbedrag, met inachtneming van het wettelijke boetemaximum. Wanneer meerdere overtredingen binnen de recidivetermijn plaatsvinden, kan het college deze samenvoegen tot één boetebesluit. Daarbij moet het besluit proportioneel zijn en afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Artikel 5.8 Dringende redenen en bijzondere omstandigheden Het college kan in uitzonderlijke gevallen afzien van het opleggen van een boete als sprake is van dringende redenen. Dit geldt alleen wanneer de gevolgen van boeteoplegging aantoonbaar onredelijk zijn, bijvoorbeeld bij ernstige medische of sociale nood. Bij opzet of grove schuld wordt het aannemen van dringende redenen uiterst terughoudend toegepast. Verminderde verwijtbaarheid of draagkracht leiden eerder tot boeteverlaging, niet tot het volledig afzien van de boete. Daarnaast kan het college op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht in individuele gevallen afwijken van deze beleidsregels bij onbillijkheden van overwegende aard (zie artikel 10.1 Hardheidsclausule). Een besluit om wegens dringende redenen af te zien van boeteoplegging wordt altijd schriftelijk vastgelegd, mede in verband met een eventuele beoordeling van recidive in de toekomst. Sinds deze uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de RvS hebben de ontwikkelingen rond het evenredigheidsbeginsel niet stil gestaan. Met de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024 27 wordt het begrip dringende redenen voortaan ruimer uitgelegd. De CRvB ziet de dringende redenen voortaan als een open norm. Het uitgangspunt blijft dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald. Maar daarbinnen moeten de relevante feiten en omstandigheden zodanig afwegen, dat die een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan. De CRvB noemt daarbij met name het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het (materiële) zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Wat kunnen die relevante feiten en omstandigheden in de beoordeling van de oorzaak zijn? De Centrale Raad noemt aan de zijde van de gemeente onder meer: de wijze waarop nalatigheid van de gemeente in de besluitvorming van invloed is op de afweging, denk aan: trage besluitvorming met een langere terugvorderingsperiode als gevolg; gemaakte fouten; de hoogte van het terug te vorderen bedrag; het effect van het besluit op de financiële toekomstverwachting. De Centrale Raad noemt aan de zijde van de betrokken inwoner de aard van de schending van de inlichtingenplicht, waaronder: het doenvermogen van de inwoner, denk aan: wel of niet bewust; of een onoplettendheid; of ontbreken van verwijtbaarheid, maar wel op de hoogte van het feit dat er te veel bijstand is verstrekt; ingrijpende levensgebeurtenissen bij de inwoner; de gezinssituatie, waaronder de opvoeding van de kinderen en op de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner. Samengevat moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van een besluit, maar ook met de oorzaak. Ook fouten van de gemeente zelf kunnen daarbij een rol spelen. Evenredigheid moet dus standaard in de overwegingen worden meegenomen wanneer dringende redenen een rol spelen. Artikel 5.9 Berekening van de fictieve draagkracht Voor het vaststellen van een evenredige boete beoordeelt het college de fictieve draagkracht van de belanghebbende, gebaseerd op diens financiële situatie op het moment van het boetebesluit. De boete moet binnen een redelijke termijn kunnen worden voldaan, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid: opzet: binnen 24 maanden grove schuld: binnen 18 maanden normale verwijtbaarheid: binnen 12 maanden verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden De fictieve draagkracht bestaat uit: 100% van het inkomen boven 95% van de bijstandsnorm, of €45,- per maand bij geen of zeer laag inkomen (lager dan 90% van de norm), of bij toepassing van de kostendelersnorm. De maximale boete wordt bepaald door deze maandelijkse draagkracht te vermenigvuldigen met het aantal maanden van de toepasselijke termijn. Als de belanghebbende geen uitkering ontvangt of een IOAW/IOAZ-uitkering heeft, dient hij een inlichtingenformulier in te vullen. Dit geldt ook voor de partner. Bij het niet of niet tijdig aanleveren van deze gegevens houdt het college geen rekening met draagkrachtbeperking bij het bepalen van de boete. Bij de beoordeling van de maximale boete wordt, naast het inkomen, ook het beschikbare vermogen betrokken. Dit sluit aan bij vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat ook vermogen onder de vrijlatingsgrens meetelt, mits beschikbaar. Hoewel vermogen geen rol speelt bij de berekening van de maandelijkse draagkracht, wordt het wél meegewogen bij de beoordeling of een hogere boete, passend bij de mate van verwijtbaarheid, evenredig is. Het college betrekt daarbij de actuele inkomens- én vermogenspositie van de belanghebbende. Hoofdstuk6Normen individualisering Beleidsregels Artikel6.1Kostendelersnorm commerciële huurprijs 1.Er is sprake van commerciële verhuur als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: er is een huur- of kostgangersovereenkomst waarin een commerciële huurprijs staat; de huurprijs wordt periodiek aangepast via indexatie; de commerciële huurprijs moet in verhouding staan tot het geleverde; de huurprijs wordt aantoonbaar maandelijks betaald. 2.De beoordeling of er sprake is van een commerciële huurprijs kan achterwege blijven als een kamer wordt gehuurd van een commercieel kamerverhuurbedrijf. Artikel6.2Kostendelersnorm tijdelijke opvang 1.Dit artikel ziet toe op twee situaties: de belanghebbende met een bijstandsuitkering biedt tijdelijk onderdak aan een persoon die wegens een crisissituatie dakloos dreigt te worden of al dakloos is; de belanghebbende met een bijstandsuitkering maakt gebruik van tijdelijk onderdak in verband met een crisissituatie zoals genoemd onder sub a van dit lid. 2.De belanghebbende zoals genoemd onder lid 1 sub a, wordt niet aangemerkt als kostendeler. De bijstandsuitkering blijft ongewijzigd. 3.Het tijdelijk onderdak duurt maximaal zes maanden. Deze periode kan wegens bijzondere omstandigheden éénmaal worden verlengd met zes maanden. 4.Indien de persoon na zes of twaalf maanden nog steeds bij belanghebbende woont, wordt de woonsituatie vanaf dat moment als duurzaam verblijf aangemerkt en wordt de norm gewijzigd naar de geldende kostendelersnorm. 5.De belanghebbende zoals genoemd onder lid 1 sub b, wordt in beginsel aangemerkt als iemand die geen woonlasten heeft zoals omschreven in artikel 6.3 ontbreken woonlasten. Artikel6.3Ontbreken woonlasten 1.Woonlasten zijn alle kosten die verbonden zijn met het bewonen van een woning. 2.De verlaging van de uitkering vanwege de woonsituatie is: 20% van de gehuwden norm als de belanghebbende geen woning heeft; 20% van de gehuwden norm als de belanghebbende in een woning woont waarvoor de belanghebbende geen woonlasten hoeft te betalen. 20% van de gehuwden norm als de belanghebbende een postadres heeft, tenzij er aantoonbaar sprake is van woonlasten. Artikel6.4Permanent verblijf in een inrichting 1.Indien bij aanvang van de opname duidelijk is dat belanghebbende niet terugkeert naar zijn eigen woonadres wordt de algemene uitkering levensonderhoud beëindigd als belanghebbende in een inrichting buiten de gemeente verblijft. 2.Als belanghebbende in een inrichting binnen de gemeente verblijft dient de algemene uitkering levensonderhoud te worden omgezet naar de norm verblijf in inrichting. Artikel6.5Tijdelijke opname in een inrichting 1.Als bij de opname in een inrichting niet duidelijk is hoelang de opname zal duren blijft de van toepassing zijnde uitkeringsnorm in beginsel drie maanden ongewijzigd. 2.De termijn van drie maanden wordt met drie maanden verlengd als het realistisch is dat belanghebbende binnen die drie maanden terugkeert naar zijn eigen woonadres. 3.Als er sprake is van een kostendelersnorm of norm zonder woonlasten, wordt de van toepassing zijnde bijstandsnorm direct omgezet naar een norm verblijf in inrichting. 4.Als het niet realistisch is dat belanghebbende binnen zes maanden na de start van de opname zal terugkeren naar zijn eigen woonadres dient: de algemene uitkering levensonderhoud te worden omgezet naar de norm verblijf in inrichting als belanghebbende in een inrichting binnen de gemeente verblijft, of te worden beëindigd als belanghebbende in een inrichting buiten de gemeente verblijft. 5.Als zes maanden na de start van de opname alsnog blijkt dat belanghebbende niet kan terugkeren naar zijn eigen woonadres dient: de algemene uitkering levensonderhoud te worden omgezet naar de norm verblijf in inrichting als belanghebbende in een inrichting binnen de gemeente verblijft, of te worden beëindigd als belanghebbende in een inrichting buiten de gemeente verblijft. Artikel6.6Gedeeltelijke opname in een inrichting 1.De algemene uitkering levensonderhoud van de belanghebbende die in een inrichting verblijft en in een vast patroon naar zijn woonadres gaat wordt de norm naar rato aangepast. 2.De alleenstaande belanghebbende kan de eerste zes maanden van zijn verblijf in een inrichting voor de vaste kosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Artikel6.7Gedwongen opname in een inrichting Bij een gedwongen opname gelden dezelfde regels als beschreven in de artikelen 6.4 tot en met 6.6 van dit hoofdstuk. Artikel6.8Geharmoniseerde aanvullende jongerennorm 1.Als een jongere tot 21 jaar redelijkerwijs niet kan beschikken over onderhoudsbijdragen van zijn ouders, wordt een aanvullende norm gehanteerd die in beginsel overeenkomt met het bestaansminimum rekening houdend met het gestelde in artikel 20 Participatiewet. 2.Het college kan op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet van deze norm afwijken rekening houdend met het volgende: Het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie. Het kan gaan om een alleenwonende of een kostendeler (artikelen 21 en 22a Pw); Het totaalbedrag mag niet hoger zijn dan het voor de jongere geldende wettelijk minimumjeugdloon. Het bedrag kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere, waarbij de woonsituatie van de jongere bepalend is.
.1 Kostendelersnorm commerciële huurprijs Een commerciële prijs moet in verhouding staat tot het geleverde en is in het commerciële verkeer gebruikelijk. Belanghebbende moet aan de hand van schriftelijke stukken aantonen dat sprake is van een overeenkomst en een commerciële prijs. Bovendien moet betrokkene betalingsbewijzen kunnen overleggen. De commerciële prijs en de zakelijke relatie kan worden getoetst aan de hand van schriftelijke bewijsstukken en de vergelijking van commerciële huurprijzen. Bij de beoordeling of een huurovereenkomst of de relatie tussen verhuurder en medebewoner gezien kan worden als commercieel, kijkt de CRvB onder meer naar het volgende: staat de hoogte van de huur in relatie tot het woonoppervlak; zijn zowel de huurprijs als ook de indexatie marktconform; vindt de huurbetaling plaats volgens het contract, dito inning achterstand; had eigenaar/verhuurder geen invloed of betrokkenheid op de verdeling van de huur/betaling daarvan; zijn er omstandigheden die doen vermoeden dat er geen sprake is van een zuiver commerciële relatie, zoals ingang medebewoning veel eerder dan huurcontract praktisch gebruik woning/voorwerpen in woning veel ruimer dan in contract vermeld overige diensten/verzorging gaan verder dan bij puur commerciële relatie. De commerciële huurprijs moet in verhouding staan tot het geleverde. Een instrument om dit objectief te meten is de huurprijscheck zoals deze door de huurcommissie wordt aangeboden. Hierin kan door het invullen van een aantal velden vrij snel een realistische huurprijs worden berekend. https://checkjeprijs.huurcommissie.nl/onderwerpen/huurprijs-en-punten/nieuwe-huurprijscheck/huurprijscheck-onzelfstandige-woonruimte Om te bepalen wat de afgesproken commerciële huurprijs is als er sprake is van een all-in huur, kan aansluiting worden gevonden bij de methodiek van de huurcommissie; minimaal 55% is kale huur en minimaal 25% is servicekosten/nutsvoorzieningen. Hier kan dan de berekende prijs van hierboven tegen worden afgezet. Volgens de jurisprudentie is een toelaatbare werkwijze. https://www.huurcommissie.nl/huurders/sociale-huurwoning/huurprijs-splitsen Om een goede afweging te kunnen maken moet de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 22a, lid 4 en 5 Participatiewet de volgende onderdelen bevatten: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van beide partijen; aanduiding van de ruimte; de ingangsdatum; het overeengekomen bedrag; de wijze van betaling; de looptijd van de overeenkomst; jaarlijkse indexering, huurverhoging. Onverminderd de onderdelen van de overeenkomst hierboven genoemd geldt in geval van kostgangers aanvullend: dat in de overeenkomst dient te zijn opgenomen welke diensten in de overeenkomst zijn begrepen; dat in de overeenkomst dient te zijn opgenomen welke ruimten de kostganger mag gebruiken. Inkomsten uit commerciële verhuur, onderverhuur of een kostganger worden op basis van artikel 33 lid 4 Participatiewet in mindering gebracht op de bijstandsnorm. Artikel 6.2 Kostendelersnorm tijdelijke opvang Er kan een situatie ontstaan dat een belanghebbende met een uitkering tijdelijk onderdak biedt aan een persoon in crisissituatie in dat geval heeft dat geen invloed op de lopende bijstandsuitkering gedurende een vastgestelde periode. Er dient te worden vast gesteld dat het gaat om tijdelijk verblijf in verband met een crisis. Daarnaast kunnen er individuele situaties zijn, waarin het wenselijk is om individueel maatwerk te verlenen met betrekking tot de hoogte van de uitkering. Op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet kan de bijstandsuitkering worden afgestemd. In artikel 2.23 BRP is opgenomen dat wanneer is vastgesteld dat een belanghebbende dak- of thuisloos is, de belanghebbende een gemeentelijk briefadres verkrijgt. De belanghebbende met een gemeentelijk briefadres (i.v.m. dak- of thuisloosheid) heeft zijn feitelijk verblijfplaats in de gemeente. Als getwijfeld wordt of belanghebbende binnen de gemeente verblijft, kan belanghebbende worden gevraagd of hij controleerbare gegevens aanlevert over zijn feitelijke verblijfsituatie (slaap en/of verblijfplaatsen). Belanghebbende dient voldoende bereikbaar te zijn en dient zijn post eens per twee weken op te halen bij het gemeentelijk briefadres. Als belanghebbende nalaat zijn post op te halen kan dit een signaal zijn of belanghebbende wel feitelijk in de gemeente verblijft. Op grond van artikel 17 Participatiewet wordt belanghebbende dan gevraagd om aan te geven waar hij feitelijk verblijft. Voldoet hij daar niet aan, dan volgt een hersteltermijn en eventueel beëindiging van de bijstandsuitkering. Reden daarvoor is dat niet kan worden vastgesteld of belanghebbende feitelijk in de gemeente verblijft. Hierdoor kan het recht niet worden vastgesteld. Artikel 6.3 Ontbreken woonlasten Als belanghebbende lage of geen woonlasten heeft wordt de bijstandsnorm verlaagd. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Participatiewet kan de norm lager worden vastgesteld als er sprake is van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de vertrokken partner bij een scheiding de woonlasten doorbetaalt, de hypotheek volledig is afgelost, anti-kraak wordt gewoond of als belanghebbende in een woning woont waarvoor geen huur of energiekosten hoeven worden betaald, dit komt bijvoorbeeld voor bij tijdelijk wonen in een noodwoning. Wat onder woonlasten wordt verstaan volgt uit de wetgeving en jurisprudentie. Onder woonlasten wordt verstaan de huur. Bij een eigen woning bestaan de woonlasten uit: de hypotheekrente; de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten; een bedrag voor het onderhoud van de woning. Een vergoeding die anti-krakers moeten betalen voor het recht van bewoning, valt op basis van deze omschrijving niet onder de woonlasten. Dat betekent dat iemand die anti-kraak woont, formeel geen woonlasten heeft. Naar aard en karakter komen anti-kraakvergoedingen echter wel met woonlasten overeen. Een gemeente kan ervoor kiezen om ter invulling van artikel 27 Participatiewet beleid te formuleren. Een toercaravan kan onder voorwaarden worden beschouwd als een woning. Omdat enkele elementaire voorzieningen zoals water, elektriciteit, toilet en douche van elders moeten komen, kan een toercaravan niet worden beschouwd als een zelfstandige woning. Een gemeente kan beleid formuleren voor het geval er sprake is van lagere algemene kosten van bestaan dan waarin de norm voorziet. Iemand die geen gebruik maakt van een woning is adresloos of thuisloos. Thuisloos is daarnaast degene die wel regelmatig op een adres overnacht, maar die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Het feitelijk verblijf adres is niet gelijk aan de vermelding in de basisregistratie personen (BRP). In beide gevallen heeft iemand geen woonkosten, mogelijk wel kosten voor de nachtopvang. De norm kan in die gevallen verlaagd worden. De uitkering wordt niet verlaagd als de kostendelersnorm van toepassing is. Deze norm is al lager omdat de woonkosten gedeeld kunnen worden. In de situatie dat er sprake is van een postadres (bijvoorbeeld op het adres van de gemeente), vindt er ook een verlaging plaats van de geldende norm, tenzij er aantoonbaar sprake is van woon-lasten (bijvoorbeeld belanghebbende verblijft in een caravan en is stageld en/of overige kosten verschuldigd). Algemeen verblijf in inrichting Indien belanghebbende door omstandigheden moet worden opgenomen in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 Participatiewet, heeft dit invloed op de te ontvangen bijstandsnorm. In de artikelen 6.4 tot en met 6.7 wordt beschreven hoe met de verschillende situaties dient te worden omgegaan. Artikel 6.4 Permanent verblijf in een inrichting Als belanghebbende die permanent in een inrichting verblijft is gehuwd is artikel 23, lid 3, Participatiewet van toepassing van het bepalen van de norm. Als blijkt dat de norm inrichting onvoldoende is vanwege (hoge) woonkosten van de inrichting kan, afhankelijk van de omstandigheden, de norm op grond van artikel 18 Participatiewet verhoogd worden met de verschuldigde woonkosten. Artikel 6.5 Tijdelijke opname in een inrichting In de meeste gevallen is het bij aanvang niet duidelijk hoelang de opname van belanghebbende in de inrichting zal duren. In dit artikel worden daarom handvaten gegeven om met deze situatie om te gaan. Bij een tijdelijke opname in een inrichting dient namelijk voorkomen te worden dat binnen korte tijd de norm tweemaal moet worden aangepast. Daarnaast dient de belanghebbende in de gelegenheid te worden gesteld om zijn betalingsverplichtingen/uitgavenpatroon af te stemmen op de gewijzigde situatie. De termijn van drie maanden start vanaf de dag van opname in een inrichting. In de derde maand wordt in samenspraak met belanghebbende en de inrichting beoordeelt of het realistisch is dat belanghebbende binnen drie maanden (feitelijk zes maanden na de start van de opname) zal terugkeren naar zijn eigen woonadres. In ieder geval wordt na 6 maanden de uitkering beëindigd als op dat moment niet duidelijk is in hoeverre belanghebbende zal terugkeren. Maatwerk blijft echter altijd het uitgangspunt mocht dit tot onevenredige gevolgen voor belanghebbende leiden (hardheidsclausule). Is er geen sprake is van woonlasten is de termijn van drie/zes maanden niet nodig. De norm kan dan direct worden aangepast naar norm verblijf in inrichting. Als belanghebbende gehuwd is, is artikel 23, lid 3, Participatiewet van toepassing. Als belanghebbende terugkeert naar zijn eigen woonadres wordt de norm aangepast vanaf de dag na de dag van terugkeer naar het eigen woonadres. Artikel 6.6 Gedeeltelijke opname in een inrichting Bij het vaststellen van de norm is bepalend hoeveel dagen per week belanghebbende in de inrichting en op zijn woonadres is. Op basis daarvan wordt de rato bepaald. Bijvoorbeeld bij weekendverlof: 2/7 van de volledige norm; 5/7 van de norm inrichting. Door deze aanpassing van de norm, kan de situatie ontstaan dat de alleenstaande belanghebbende onvoldoende middelen van bestaan heeft voor het (noodzakelijk) aanhouden van de woning en kan hij in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Deze bijzondere bijstand is niet hoger dan de norm zoals deze geldt onder normale omstandigheden. Het betreft de volgende vaste kosten: huur woning minus huurtoeslag; vastrecht voor energie en water. De bijzondere bijstand wordt in beginsel voor een periode van zes maanden verstrekt. Verstrekking na zes maanden is alleen mogelijk als er een reëel uitzicht bestaat op een spoedige terugkeer naar het eigen woonadres. Als belanghebbende terugkeert naar zijn eigen woonadres wordt de norm aangepast vanaf de dag na de dag van terugkeer naar het eigen woonadres. Artikel 6.7 Gedwongen opname in een inrichting De artikelen 6.4 tot en met 6.7 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing als er sprake is van een gedwongen opname van belanghebbende naar aanleiding van de Wet verplichte ggz. Artikel 6.8 Geharmoniseerde aanvullende jongerennorm De geharmoniseerde aanvullende jongerennorm zorgt ervoor dat jongeren in vergelijkbare situaties in alle gemeenten dezelfde hoogte van bijstand ontvangen, mits zij niet kunnen rekenen op steun van hun ouders voortvloeiend uit artikel 3:395a van het Burgerlijk wetboek. Dit voorkomt dat jongeren in het ene deel van het land beter of slechter worden ondersteund dan in het andere. Het college behoudt de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verstrekken als de omstandigheden dat vragen. Het niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht, zoals neergelegd in artikel 3:395a BW wordt in ieder geval aangenomen als: de jongere gedurende een periode langer dan 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag niet in gezinsverband met zijn ouders heeft gewoond; de jongere met een partner en/of kind een gezin vormt; er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de jongere en zijn ouders; beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen; één van de ouders is overleden en de andere ouder in het buitenland woont. Als er sprake is dat jongere wel zijn ouders kan aanspreken op hun onderhoudsplicht, kan dit een grond zijn om een lagere norm vast te stellen. Eén en ander dient wel goed gemotiveerd te worden mede gezien de kwetsbare positie van belanghebbende. Jongeren die in aanmerking komen voor een verhoging van de jongerennorm, krijgen op grond van het nieuwe lid 3 bij artikel 20 een vast bedrag. De gemeente houdt ruimte om van dit bedrag af te wijken als dat nodig is, maar moet daarbij rekening houden met het volgende: Het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie. Het kan gaan om een alleenwonende of een kostendeler (artikelen 21 en 22a Pw); Het totaalbedrag mag niet hoger zijn dan het voor de jongere geldende wettelijk minimumjeugdloon. Een hoger bedrag neemt de prikkel om in loondienst te gaan werken weg. Dit is niet wenselijk; Het bedrag kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. Dit blijft mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet. De woonsituatie van de jongere kan hierbij bepalend zijn. Bij (tijdelijke) hoge woonkosten kan de aanvulling hoger en tot een toereikend niveau worden vastgesteld, bij lage woonkosten (zoals bij anti-kraak wonen of inwonend bij een familielid) kan de aanvulling lager worden vastgesteld. Vult het college aan met een hoger bedrag dan de aanvulling uit artikel 20 lid 3? Dan is het belangrijk om dit bedrag goed te motiveren in de beschikking. Als een jongere tot 21 jaar in een inrichting verblijft is er op basis van artikel 13 lid 2 onder a. van de Participatiewet geen recht op de aanvullende jongerennorm, maar kan hij mogelijk wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Hoofdstuk7Middelen en vermogen Beleidsregels Artikel7.1Giften 1.Onder gift wordt verstaan een ontvangst in geld of in natura uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of instelling waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of een verplichtend karakter. 2.Het college rekent giften niet tot de middelen, voor zover giften in totaal niet meer bedragen dan het in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet genoemde bedrag per kalenderjaar. 3.Het in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet genoemde bedrag geldt zowel voor een alleenstaande (ouder) als voor gehuwden/ samenwonenden. 4.Als het totaalbedrag aan giften in een kalenderjaar onder het in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet genoemde bedrag blijft, hoeft de belanghebbende de giften niet bij het college te melden. Zodra het totaalbedrag aan giften in een kalenderjaar meer dan in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet genoemde bedrag bedraagt, geldt de inlichtingenplicht, zie artikel 3.1 Inlichtingenplicht van deze beleidsregels. Indien nodig wordt met belanghebbende wordt een advies opgesteld op welk moment een gift moet worden gemeld om schending van de inlichtingplicht te voorkomen. 5.Giften boven in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet genoemde bedrag worden aangemerkt als middelen indien zij niet verantwoord zijn uit oogpunt van bijstandsverlening. 6.Een gift van de voedselbank of kledingbank of een vergelijkbare instelling wordt niet aangemerkt als gift en telt niet mee voor het vrijlatingsbedrag. Deze gift hoeft niet aan het college te worden gemeld. Artikel7.2Materiële en immateriële schadevergoeding 1.Materiële schadevergoeding: Een materiële schadevergoeding wordt vrijgelaten als belanghebbende de vergoeding gebruikt om de schade te herstellen. Als de materiële schadevergoeding niet wordt gebruikt om de schade te herstellen wordt de vergoeding aangemerkt als vermogen. Een schadevergoeding voor het verlies van inkomsten uit werk wordt aangemerkt als inkomen. Dit wordt verrekend met de uitkering. 2.Immateriële schadevergoeding: De immateriële schadevergoeding wordt vrijgelaten als de vergoeding lager is dan de vermogensgrens alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, lid 3 onder a, Participatiewet. Van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat meer bedraagt dan de vermogensgrens alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, lid 3 onder a, Participatiewet, wordt 1/3 vrijgelaten en 2/3 van dit bedrag wordt in aanmerking genomen. Artikel7.3Transitievergoeding 1.Als een belanghebbende een transitievergoeding ontvangt gedurende de periode dat er recht op algemene bijstand bestaat, wordt deze vergoeding beschouwd als een middel volgens artikel 31 Participatiewet, artikel 8 IOAW/IOAZ. 2.Als de transitievergoeding (deels) een periode beslaat waarop belanghebbende geen recht had op algemene bijstand, dan wordt de transitievergoeding over deze periode tot het vermogen gerekend. 3.Als in de transitievergoeding is bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk moet worden gebruikt voor re-integratiedoeleinden, wordt dit deel van de vergoeding vrijgelaten. Artikel7.4Verrekening inkomsten teruggave renteaftrek 1.Vanaf 1 januari 2026 wordt in alle gevallen de hypotheekrenteaftrek volledig verrekend met de bijstand. Er zijn twee situaties mogelijk: Belanghebbende ontvangt de hypotheekrenteaftrek via een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het lopende jaar; Belanghebbende ontvangt de hypotheekrenteaftrek via een definitieve aanslag inkomstenbelasting over een voorgaand jaar. 2.Bij de situatie genoemd onder lid 1a worden de maandelijkse inkomsten toegerekend naar de maand waarin de bijstand wordt ontvangen. 3.Bij de situatie genoemd onder lid 1b wordt op basis van de meest recente definitieve aanslag de ontvangen hypotheekrenteaftrek volledig teruggevorderd. 4.Jaarlijks wordt op basis van de definitieve aanslag inkomstenbelasting beoordeeld of de verrekening van de hypotheekrenteaftrek genoemd in lid 2 van dit artikel met de bijstand in het betreffende jaar juist heeft plaatsgevonden. 5.Belanghebbende dient op grond van artikel 55 Participatiewet desgevraagd en/of uit eigen beweging zowel de voorlopige (indien van toepassing) als de definitieve aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar te overleggen. Artikel7.5Parttime ondernemerschap (zelfstandige op bescheiden schaal) 1.Mits voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden kan het de uitkeringsgerechtigde worden toegestaan om met behoud van uitkering werkzaamheden als zelfstandige op bescheiden schaal te verrichten belanghebbende kan niet of komt niet in aanmerking voor een voorliggende voorziening waaronder ook het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 en; het niet gaat om activiteiten of soortgelijke activiteiten die voorheen als zelfstandige werden verricht en; belanghebbende vraagt vooraf toestemming bij de gemeente om de werkzaamheden te mogen verrichten en; de werkzaamheden nemen gemiddeld niet meer dan 23,5 uur per week (1225 uur per jaar) in beslag en; de werkzaamheden mogen directe inschakeling in arbeid niet belemmeren en; aan de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling moet onverkort worden voldaan en; er moet worden voldaan aan de wettelijke vestigingseisen en; belanghebbende dient de in de branche gebruikelijke tarieven te hanteren in verband met concurrentievervalsing en; belanghebbende mag geen langdurige contracten of verplichtingen aangaan, opdat de werkzaamheden per direct kunnen worden beëindigd bij arbeidsinschakeling en; de werkzaamheden moeten een inkomen opleveren belanghebbende dient aan te tonen dat er geen sprake is van concurrentievervalsing en dient marktconforme tarieven te hanteren. 2.De uitkeringsgerechtigde die als parttime ondernemer werkzaam is kan geen beroep doen op een voorbereidingskrediet of bedrijfskrediet. 3.Om te kunnen vaststellen of er sprake is van werkzaamheden op bescheiden schaal en de inkomsten op juiste wijze verantwoord worden, dient een deugdelijke boekhouding te worden gevoerd, welke aan alle volgende eisen dient te voldoen: kasboek (kassabonnen) en; in en verkoopboek en; bankafschriften en; ontvangen en verzonden facturen (ook BTW verplichtingen) en; afgesloten contracten en overeenkomsten en; urenverantwoording. 4.De geschatte inkomsten worden bij voorkeur maandelijks op het rechtmatigheidsformulier vermeld en op de uitkering in mindering gebracht. Als dit niet mogelijk is worden de inkomsten verwerkt als beschreven in de leden 5 en 6 van dit artikel. 5.Bij beëindiging/intrekking van de uitkering of na afloop van het kalenderjaar worden de inkomsten binnen drie maanden vastgesteld na overlegging van de boekhouding. 6.Eventueel nog niet verrekende inkomsten worden alsnog met de uitkering verrekend op grond van artikel 58, lid 4 Participatiewet c.q. teruggevorderd van belanghebbende op grond van artikel 58, lid 2 sub e of f, Participatiewet. 7.De kosten die te herleiden zijn tot de werkzaamheden of het product en aangetoond kunnen worden via overlegging van bewijsstukken worden in aanmerking genomen. Artikel7.6Vrijlating bijverdiensten van jongeren tot 27 jaar Van het inkomen uit arbeid van een jongere tot 27 jaar wordt gedurende een periode van maximaal twaalf maanden 15% vrijgelaten, met een mogelijkheid tot verlenging als de individuele omstandigheden van de jongere daartoe aanleiding geven. Artikel7.7Vermogensvaststelling definities 1.Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet. 2.Vermogensgrens: de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, lid 3, Participatiewet. Artikel7.8Vermogensvaststelling algemeen 1.Het vermogen wordt vastgesteld volgens artikel 34 Participatiewet. 2.Als de toename van het vermogen lager is dan de voor belanghebbende geldende vermogensvrijlating als genoemd in artikel 34 van de Participatiewet, hoeft belanghebbende in beginsel deze toename niet te melden. Met belanghebbende wordt een advies opgesteld op welk moment een vermogenstoename moet worden gemeld om schending van de inlichtingplicht te voorkomen. 3.Bij de vermogensvaststelling wordt op het totale saldo van de lopende betaalrekeningen één keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering gebracht als het totale saldo van de lopende betaalrekeningen positief is. Als toepassing van dit lid resulteert in een negatief saldo van de lopende betaalrekeningen, wordt het saldo vastgesteld op € 0,00. 4.Wanneer de uitkomst van de vermogensvaststelling negatief is, wordt het vermogen negatief vastgesteld. 5.De peildatum voor de vermogensvaststelling is de datum van aanvang van de bijstandsverlening of de datum van de wijziging van de (financiële) situatie van de belanghebbende. 6.Als belanghebbende voor aanvang van de bijstand aantoonbaar vermogen heeft weggesluisd, kan dit grond zijn om de bijstand als lening te verstrekken, omdat belanghebbende mogelijk kon beschikken over in aanmerking te nemen vermogen boven de vrijlatingsgrens. Artikel7.9Vermogensvaststelling bij vestiging vanuit andere gemeente Bij vestiging vanuit een andere gemeente wordt het vermogen opnieuw vastgesteld als dit in het voordeel van de belanghebbende is en er geen sprake is van een normwijziging. Artikel7.10Vermogensvaststelling bij echtscheiding of verlating 1.Bij echtscheiding of verlating wordt het vermogen bij de bijstandsverlening dan wel op het moment van normwijziging (opnieuw) vastgesteld. 2.Bij een (nog niet afgeronde) boedelscheiding wordt het vermogen na afronding van de boedelscheiding vastgesteld. Artikel7.11Vermogensvaststelling bij wijziging leefvorm Bij wijziging van leefvorm tijdens de bijstandsverlening wordt het vermogen opnieuw vastgesteld. Artikel7.12Vermogensvaststelling bij erfenis Bij het verkrijgen van een erfenis wordt het vermogen opnieuw vastgesteld per datum van het overlijden van de erflater. Artikel7.13Vermogensvaststelling bij reservering voor uitvaart of crematie Vermogen dat is bestemd voor begrafenis- of crematiekosten wordt niet bij de vermogensvaststelling in ogenschouw genomen als er geen of geen dekkende verzekering is afgesloten en is voldaan aan de volgende voorwaarden: Het vermogen is uitdrukkelijk bestemd voor de kosten van de uitvaart. Het vermogen kan op geen enkele wijze vroegtijdig te gelde worden gemaakt. Artikel7.14Vermogensvaststelling bij auto, motor, bromfiets of scooter 1.De waarde van een auto, motor, bromfiets of scooter wordt voor het vaststellen van het vermogen als volgt in aanmerking genomen en vastgesteld: Bij een waarde tot een bedrag van € 3.500,- wordt het vervoersmiddel als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten van de vermogensvaststelling; Als het vervoersmiddel medisch noodzakelijk is, wordt de waarde van het vervoersmiddel vrijgelaten. 2.De waarde van de elektrische fiets wordt niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. 3.Caravans, campers, vrachtwagens, tractoren en boten/ jachten worden niet als algemeen gebruikelijk aangemerkt en dienen volledig te worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. Artikel7.15Vermogensvaststelling bij eigen woning 1.Voor de vaststelling van de waarde van een eigen woning wordt aangesloten bij de WOZ-waardebeschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken jaarlijks aan de eigenaar wordt uitgereikt. 2.Als belanghebbende van oordeel is dat de waarde van de eigen woning lager is dan wordt op kosten van de belanghebbende een taxateur ingeschakeld.
.1 Giften De problematiek rond giften heeft vooral te maken met het feit dat gemeenten op dit moment de complementariteit heel strikt uitleggen. Complementariteit betekent compleet maken of aanvullen. Voor giften en andere (onkosten)vergoedingen geldt al sinds het ontstaan van de bijstandswetgeving dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, voor zover dat naar het oordeel van de gemeenten verantwoord is. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om de vrijgevigheid van instellingen of personen te ontmoedigen. En uitkeringsgerechtigden moe(s)ten ook van deze vrijgevigheid kunnen profiteren. Giften ontvangen is niet onbeperkt mogelijk, gezien het vangnetkarakter van de Participatiewet. Maar op dit moment roepen bijschrijvingen, giften en kasstortingen al snel een rechtmatigheidsvraag op. Het onderzoek dat daarop volgt creëert wederzijds wantrouwen, en dat belemmert de dialoog over de ondersteuningsbehoefte die in het kader van de Participatiewet juist gevoerd zou moeten worden. Giften en bijdragen tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per uitkering vrijlaten moet ertoe leiden dat uitkeringsgerechtigden weer meer kunnen profiteren van de vrijgevigheid van hun omgeving. Daarnaast is het doel dat consulenten door deze vrijlating minder geneigd zijn om iedere bijschrijving uitvoerig te controleren. Natuurlijk is handhaving en tegengaan van misbruik belangrijk, maar uitkeringsgerechtigden moeten binnen de wettelijke kaders gebruik kunnen maken van hun netwerk, juist omdat zij zich al in een (financieel) kwetsbare positie bevinden. Daarnaast moeten zij op vergelijkbare wijze gebruik kunnen maken van de gangbare betalingsvormen (denk aan betaalverzoeken, tikkies en overschrijvingen), zonder dat dit direct rechtmatigheidsvragen oproept. Een grensbedrag geeft rechtszekerheid aan de bijstandsgerechtigde, maar op individuele basis mag de gemeente ook hogere bedragen vrijlaten. Dit artikel maakt duidelijk tot welk bedrag giften binnen een kalenderjaar altijd worden vrijgelaten en niet gemeld hoeven te worden. Het bedrag geldt ongeacht of de bijstandsgerechtigde het hele jaar of maar een deel van het jaar een uitkering ontvangt en ongeacht het soort huishouden. Het college zal ten aanzien van giften die niet binnen de bepaling van dit artikel valt, altijd nog een aparte afweging moeten maken of de gift niettemin uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Deze beleidsregel is alleen van toepassing op de Participatiewet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, dat onderdeel uitmaakt van de Participatiewet. Het is niet van toepassing op uitkeringen die verstrekt worden op basis van de IOAW en IOAZ. Het begrip middel, en daarmee ook de inhouding van inkomsten op de uitkering, is wat betreft deze wetten vastgelegd in artikel 8 IOAW en IOAZ. Andere vormen van middelen/inkomen die hierin niet zijn genoemd, moeten buiten beschouwing worden gelaten en zijn niet van invloed op het recht op uitkering. Hieruit vloeit voort dat voor deze uitkeringen giften niet als middel aangemerkt kunnen worden. Het niet in aanmerking van middelen als bedoeld in artikel 31, lid 2, Participatiewet (waaronder giften) ziet in beginsel alleen op vaststelling van de algemene bijstand. Vrijlaten van giften kan zowel bij aanvang als tijdens een lopende uitkering van toepassing zijn. Verschil tussen schenking en een gift: een schenking is altijd een gift, maar niet elke gift is een schenking. Een schenking wordt altijd zonder tegenprestatie van de andere partij gegeven. Een gift wordt vaak voor een specifiek doel gegeven. Artikel 7.2 Schadevergoeding Dit artikel geeft aan hoe materiële en immateriële schadevergoedingen (artikel 31, lid 2 onder m, Participatiewet) moeten worden beoordeeld. Het zijn handvatten om tot een redelijke afweging te komen wat uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het één en ander mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand is de vrijlating dan ook niet onbeperkt. De vrijlating van de schadevergoeding vindt plaats per toekenning. Bij schadevergoeding wordt er onderscheid gemaakt tussen een materiële en een immateriële schadevergoeding. Een materiële schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Een materiële schadevergoeding is bedoeld om kosten te betalen als gevolg van vermogensschade, bijvoorbeeld als gevolg van brand of een ongeval. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten voor huishoudelijke hulp, schade aan de auto of bromfiets. De belanghebbende dient aan te tonen waarvoor de materiële schadevergoeding is verstrekt en waaraan de vergoeding is besteed of besteed zal worden. Als de materiële schadevergoeding niet wordt gebruikt om de schade te herstellen wordt de materiële schadevergoeding aangemerkt als vermogen en overeenkomstig de bepalingen over vermogen beoordeeld. Een schadevergoeding voor het verlies van inkomsten uit werk is inkomen. Het is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom verrekend met de uitkering. Bij de beoordeling van deze schadevergoeding moet onderzocht worden voor welke periode de schadevergoeding is bedoeld. De schadevergoeding kan dan ook gaan over een periode die in het verleden ligt. Er dient daarom beoordeeld te worden op welke periode de vergoeding betrekking heeft. Het bedrag van de schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft. Het wordt dan maandelijks gekort op de uitkering. In de meeste gevallen gaat het echter om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De belanghebbende moet aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen/daling van inkomen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld door middel van salarisspecificaties of jaaropgaven worden aangetoond. Bij een immateriële schadevergoeding gaat het om een vergoeding van schade door pijn, gederfde levensvreugde of het verdriet ten gevolge van een foutieve handeling van een derde die aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade. Uit jurisprudentie volgt dat voor de uitkeringsverlening pas met een immateriële schadevergoeding rekening mag worden gehouden met ingang van de dag waarop belanghebbende hier daadwerkelijk over kan beschikken, tenzij er sprake is van verwijtbaar handelen van belanghebbende waardoor er nog niet tot uitbetaling is overgegaan. De vrijlating van de immateriële schadevergoeding is voor alleenstaanden en gehuwden hetzelfde. De vermogensgrens alleenstaande, zoals neergelegd in artikel 34, lid 3 onder a, Participatiewet, is daarom de norm. Van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat meer bedraagt dan de vermogensgrens alleenstaande wordt 1/3 vrijgelaten en 2/3 in aanmerking genomen4 als vermogen, artikel 34, lid 1 onder b, Participatiewet. Artikel 7.3 Transitievergoeding Uit jurisprudentie blijkt dat de vastgestelde transitievergoeding tot het inkomen wordt gerekend. Deze vergoeding is immers bedoeld om in de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De gedachte hierachter is dat het doel en de berekening van de transitievergoeding niet veel verschilt van de vroegere ontslagvergoeding. De ontslagvergoeding werd volgens vaste rechtspraak gezien als inkomen, dus de transitievergoeding ook. De vergoeding op grond van een beëindigingsovereenkomst is geen wettelijke transitievergoeding, maar wordt eveneens gezien als inkomen, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft (denk bijvoorbeeld aan een omscholingscursus of ander re-integratiedoel). Het aantal maanden dat de vergoeding door betrokkene moet worden besteed aan de kosten van levensonderhoud is te berekenen door de transitievergoeding te delen door het nettosalaris inclusief vakantiegeld (dus niet de bijstandsnorm!) waarop die vergoeding is berekend. Als de transitievergoeding (deels) een periode beslaat waarop betrokkene geen recht had op bijstand, dan wordt de transitievergoeding over deze periode tot het vermogen gerekend door het resterend vrij te laten vermogen aan te passen. Als is vastgelegd dat een bepaald bedrag van de transitievergoeding is bestemd voor re-integratiedoeleinden, wordt het bedrag dat werkelijk voor re-integratiedoeleinden wordt gebruikt vrijgelaten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de situatie waarin een opleiding nog moet starten en het aannemelijk is dat het bedrag gebruikt gaat worden voor de studiekosten. Als een deel van de transitievergoeding gelet op de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betrekking heeft op de periode die is gelegen voor de ingangsdatum van de bijstand, dan wordt dit aangemerkt als vermogen (lid 2). De aanspraak op dat vermogen bestaat in dat geval al op de ingangsdatum en kan bij latere ontvangst van het bedrag in het kader van een eventuele terugvordering wegens achteraf ontvangen middelen (artikel 58, lid 2, onderdeel f, ten 1e, Participatiewet,) naar de ingangsdatum (= peildatum) worden teruggerekend. Als het bedrag van het vrij te laten bescheiden vermogen op die peildatum wordt overschreden, kan de gemeente tot terugvordering van de netto bijstand overgaan tot maximaal het bedrag van de overschrijding of het eventuele lagere bedrag van de verstrekte bijstand tussen peildatum en ontvangstdatum. Er kan namelijk nooit meer teruggevorderd worden dan dat er daadwerkelijk aan bijstand is verstrekt. De hierin te volgen lijn is vergelijkbaar met die van een erfenis waarop aanspraak ontstaat voordat de bijstandsverlening ingaat. Met ingang van de ontvangstdatum is het naar maandbasis omgerekende deel van de vergoeding als inkomen aan te merken. Mogelijk is dat inkomen hoger dan de bijstandsnorm en moet de bijstand beëindigd worden. Als de ontslagdatum binnen de bijstandsperiode ligt, dan geldt het naar maandbedrag omgerekende deel van de vergoeding vanaf die datum als inkomen. Mogelijk leidt dat tot herziening (inkomen lager dan de norm) of tot intrekking (hoger dan de norm) en beëindiging van de bijstand. Artikel 7.4 Verrekening inkomsten teruggave hypotheekrenteaftrek Dit artikel voorziet in een eenduidige werkwijze over verrekening inkomsten bij teruggave hypotheekrente. In de drie voormalig gemeenten werd er verschillend omgegaan met de verrekening van de ontvangen hypotheekrenteaftrek. Deze hypotheekrenteaftrek is op basis van artikel 31, lid 2 onder f, Participatiewet een middel dat verrekend moet worden met de bijstand. Lid 1 biedt de mogelijkheid om de komende periode de gevolgen van dit artikel te inventariseren en de betrokken belanghebbende voor te bereiden op de wijziging per 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.