Verordening reinigingsheffingen 2026De raad van de gemeente Mook en Middelaar, gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders d.d. 4 november 2025; gelet op artikelen 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15:33 van de Wet milieubeheer; gelet op het advies van de raadscommissie d.d. 4 december 2025, besluit: de volgende verordening vast te stellen: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Mook en Middelaar 2026. HOOFDSTUKI ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten. Artikel2Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: gebruikmaken in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: ‘gebruikmaken’ in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; groep van percelen: een groep van meerdere percelen, waarvoor op grond van de Algemene plaatselijke verordening Mook en Middelaar voor de inzameling van restafval en/of groente-, fruit- en tuinafval gemeenschappelijk gebruik wordt gemaakt van één of meerdere verzamelcontainers; huishoudelijk afval: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreffen, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; bedrijfsafval: afval, afkomstig van kleine bedrijven, kantoren en winkels dat naar aard, omvang en samenstelling gelijk is te stellen aan huishoudelijk afval; container: het van gemeentewege voor de inzameling van groente-, fruit- en tuinafval en/of restafval verstrekt inzamelmiddel; PMD-zak: het van gemeentewege voor de inzameling van plastic, blik en drankkarton verstrekt inzamelmiddel; centrale verzamelcontainer: het van gemeentewege voor de inzameling van restafval centraal beschikbaar gesteld inzamelmiddel, te openen met een daartoe verstrekte pas en waarvan het aantal klepopeningen wordt geregistreerd; verzamelcontainer: het van gemeentewege voor de inzameling van groente-, fruit- en tuinafval en/of restafval verstrekt inzamelmiddel van 180 liter of 1.100 liter die behoren bij een groep van percelen. De ledigingen van een verzamelcontainer worden omgerekend naar een aantal fictieve klepopeningen; kalenderweek: een aaneengesloten periode van zeven dagen, beginnende met een maandag en eindigende met een zondag. HOOFDSTUKII AFVALSTOFFENHEFFING Artikel3Aard van de belasting en belastbaar feit Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruikmaken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, dan wel het aanbieden van afvalstoffen bij een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel 2.1 tot en met 2.25, van de tarieventabel behorende bij deze verordening. Artikel4.Voorwerp van de belasting Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel5Belastingplicht De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, onderdeel 2.26 tot en met 2.28, wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikmaakt van een perceel. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel 2.1 tot en met 2.25, van de tarieventabel wordt geheven van degene die afval aanbiedt bij een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats. Artikel6Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de hoofdstukken 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel met inachtneming van de overige leden van dit artikel. Voor de berekening van de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.3, 1.6 en 1.7, van de tarieventabel wordt uitgegaan van het aantal ledigingen dat is vastgesteld met behulp van de meetapparatuur op de inzamelauto. De vaststelling van het totaal aantal ledigingen per belastingjaar ingezameld restafval van een perceel vindt plaats door een optelling van het aantal ledigingen van het vierwekelijks ingezamelde restafval van dit perceel in het betreffende belastingjaar. Voor een perceel behorende tot een groep van percelen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een verzamelcontainer, wordt het totaal aantal ledigingen van een verzamelcontainer omgerekend naar een aantal fictieve klepopeningen, zoals bepaald in de leden 5 en 6 van dit artikel. Het totaal van de fictieve klepopeningen wordt evenredig verdeeld over de percelen van de groep van percelen. Het aantal fictieve klepopeningen wordt afgerond naar beneden op hele eenheden. Het fictief aantal klepopeningen wordt gesteld op 5 bij een verzamelcontainer van 180 liter. Het fictief aantal klepopeningen wordt gesteld op 30 bij een verzamelcontainer van 1.100 liter. Artikel7Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel8Wijze van heffing De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel9Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.1, van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.2 tot en met 1.7, van de tarieventabel is verschuldigd na afloop van het belastingjaar. Indien de belastingplicht in de loop van een belastingjaar aanvangt, is de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.1 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.1, van de tarieventabel, als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruikmaakt. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. Artikel10Minimum bedrag aanslag Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingaanslag. Artikel11Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de vigerende Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Artikel12Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet vermelde aanslag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.