← Nederland

Toezicht- en handhavingswerkwijze gemeente Borne 2025 (Borne)

Toezicht- en handhavingswerkwijze gemeente Borne 2025De burgemeester van Borne Besluit vast te stellen: De Toezicht- en handhavingswerkwijze gemeente Borne 2025. 1.Inleiding In deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze staat hoe de gemeente Borne toeziet op de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving. Wat houdt het in? Iedereen moet veilig en prettig kunnen werken en wonen in de gemeente Borne. Als iedereen zich aan de wet- en regelgeving houdt, kan dat ook. In deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze staat hoe de gemeente Borne toeziet op deze wet- en regelgeving. Op 10 december 2024 heeft de gemeente Borne een geactualiseerde Uitvoerings- en Handhavingsstrategie1Ook wel genoemd: Vergunningverlening, toezicht en handhavingsbeleid (VTH-beleid). (U&H-Strategie) vastgesteld.2Met kenmerk: 24bij12058. In de U&H-strategie wordt ingegaan op diverse ontwikkelingen binnen de gemeente Borne en de visie op de uitvoering van gemeentelijke toezicht- en handhavingstaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarnaast worden in dat kader in de bij de U&H-Strategie behorende Risicomodule en in de Uitvoerings- en Handhavingsjaarprogramma3Ook wel genoemd: Vergunningverlening, toezicht en handhavings-uitvoeringsprogramma (VTH-uitvoeringsprogramma). (U&H-Jaarprogramma) prioriteiten vastgesteld. Deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze sluit aan bij de U&H-strategie en omvat een nadere uitwerking van de U&H-strategie, waarbij wordt gefocust op de gemeentelijke toezicht- en handhavingstaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en geeft op hoofdlijnen aan hoe en op welke wijze de gemeente uitvoering geeft aan toezicht en handhaving. Het accent ligt daarbij op de volgende onderwerpen: ruimtelijke ordening; bouwen en wonen; brandveiligheid; milieu; afvalstoffen; kap van bomen; algemene plaatselijke verordening (APV); Alcoholwet en bijzondere wetten. Deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze ziet niet op de taken op het gebied van milieu die zijn ondergebracht bij de Omgevingsdienst Twente (ODT). Toezicht bij bedrijven en handhavingszaken omtrent milieu worden uitgevoerd door de ODT. Voor deze taken is er regionaal beleid opgesteld en vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Borne.423-05-2023 Uniforme VTH beleid voor de ODT- taken inclusief nadere uitwerking. Ook het toezicht op brandveiligheid maakt geen onderdeel uit van deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze en wordt primair uitgevoerd door Veiligheidsregio Twente c.q. Brandweer Twente, behoudens voor zover naar aanleiding van hun toezicht en/of adviezen deze zaken vervolgens door de gemeente Borne worden opgepakt. Deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze is een dynamisch document en kan worden geactualiseerd indien ontwikkelingen in de toekomst daartoe aanleiding geven. Team Handhaving & Uitvoering Binnen de gemeente Borne worden de gemeentelijke toezicht- en handhavingstaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uitgevoerd door Team Handhaving & Uitvoering. Meer specifiek zijn hierbij toezichthouders en handhavingsjuristen betrokken. Er zijn in dit kader drie toezichthouders te onderscheiden: Toezichthouder bouw- en woningtoezicht: deze is op grond van verschillende wetten aangewezen om toezicht te houden op de betreffende wetten en daarop bestuursrechtelijk te handhaven; Buitengewoon opsporingsambtenaar (boa): deze is in uitgangspunt enerzijds toezichthouder (en kan daarmee bestuursrechtelijk optreden) en anderzijds boa domein I en kan ook strafrechtelijk optreden; Groene boa, deze is in dienst bij de Omgevingsdienst Twente (ODT) en is in uitgangspunt enerzijds toezichthouder (en kan daarmee bestuursrechtelijk optreden) en anderzijds boa domein II en kan ook strafrechtelijk optreden. De groene boa focust zich voornamelijk op domein II taken, illegale kap, afvaldumping, afvalverbranding, etc. Ten aanzien van de boa’s en groene boa’s (de toezichthouders ad 2 en 3) kan het voorkomen dat een (groene) boa enkel aangesteld is als toezichthouder (bestuursrechtelijk) dan wel als boa domein I/II (strafrechtelijk). In dat geval maakt de (groene) boa enkel gebruik van de aan hem/haar toegekende bevoegdheden als toezichthouder dan wel als boa domein I/II. In deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze wordt omwille van de leesbaarheid gebruik gemaakt van het begrip ‘toezichthouder’. Daarmee worden alle drie toezichthouders ad 1, 2 en 3 bedoeld. Ingeval uitsluitend op een van deze drie toezichthouders wordt gedoeld, dan wordt dat in deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze nader aangeduid. 2.Uitgangspunten werkwijze toezicht en handhaving Het uitgangspunt van de gemeente Borne is dat iedereen die woont, werkt of recreëert in de gemeente, dit op een duurzame, veilige en gezonde manier moet kunnen doen. Om dit te bereiken wordt er veel aan inwoners en ondernemers overgelaten om zaken zelf op te lossen. Waar dat niet mogelijk blijkt te zijn, kan de gemeente bemiddelend optreden en zal zij als laatste redmiddel niet schromen om handhavend op te treden. Meldingen, incidenten en constateringen worden geprioriteerd op basis van de in deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze genoemde factoren, waaronder de in de bij de U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma genoemde risico’s, prioriteiten en inzetkaders. Aan de hand van deze factoren worden de meldingen, incidenten en constateringen op een bepaalde manier opgepakt. De volgende visie-elementen zijn van belang voor een leefbare, veilige en gezonde gemeente Borne: We werken zichtbaar en integraal; We werken gericht aan onze taak; We werken informatiegestuurd; We werken aan veiligheid en leefbaarheid voor bewoners en onszelf; We werken samen met partners; We gaan uit van vertrouwen en werken met oog voor de menselijke maat. We werken zichtbaar en integraal De boa’s van de gemeente Borne zijn in beginsel zichtbaar aanwezig op straat (herkenbare handhavingsauto, lopend of fietsend in uniform). Hierdoor zijn ze makkelijk aanspreekbaar voor inwoners en bezoekers. In bijzondere situaties, bijvoorbeeld wanneer herkenbaarheid ongewenst is, dan werken de boa’s in burger. Ook de toezichthouder bouw- en woningtoezicht en de groene boa’s zijn zichtbaar aanwezig. Naast een zichtbare aanpak is ook integrale aanpak nodig. Dit betekent dat als de toezichthouders de straat op gaan, ze breed kijken naar de taken de ze tegenkomen. Zaken die zij tegenkomen en die niet passen in hun eigen bevoegdheden, worden gedeeld met interne en externe partners. Ook is er aandacht voor prioritering en worden taken gezamenlijk en in samenhang met handhavingspartners uitgevoerd. Samenwerking en prioritering is voor de gemeente Borne van extra groot belang aangezien er maar beperkt handhavingscapaciteit beschikbaar is. De bij de U&H-Strategie behorende actuele Risicomodule en het actuele U&H-Jaarprogramma geven – samen met de in paragraaf 4 van deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze – een afwegingskader of de zaak direct, op lange termijn of niet wordt opgepakt. De geprioriteerde thema’s worden verder uitgewerkt in de hiervoor genoemde stukken. Als gevolg van de beperkte handhavingscapaciteit beoordelen primair de medewerkers van Team Handhaving & Uitvoering conform deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze welke zaken zij met welke prioriteit oppakken. Dat betekent dan ook dat zaken die andere medewerkers van de gemeente Borne aandragen niet altijd zonder meer direct worden opgepakt. Ook die zaken worden door de medewerkers van Team Handhaving & Uitvoering aan de hand van deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze afgewogen en vervolgens waar nodig en opportuun opgepakt. Verder is er een leidraad die de toezichthouders op straat handvatten biedt voor eenduidige behandeling van gelijksoortige gevallen. In de gemeente Borne is de landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO) (bijlage 1) de leidraad voor het optreden, dat soms uit een preventief waarschuwingsgesprek kan bestaan, maar soms ook tot een repressief sanctiegesprek kan leiden. We werken gericht aan onze taak De toezichthouders werken gericht aan hun taken. Zij sluiten waar nodig aan bij partners op leefbaarheid en veiligheid, zoals wijkagenten, sociale partners, Brandweer Twente, etc. De toezichthouder speelt een actieve rol in de informatie-uitwisseling met interne en externe partners. Ook inwoners hebben een actieve rol bij het aandragen van problemen in hun leefomgeving en bij het oplossen ervan. Door actief aanwezig te zijn in de wijk kunnen de toezichthouders problemen voorkomen. De toezichthouder stimuleert de inwoners om mee te denken en bij te dragen aan een leefbare omgeving. Het takenpakket van de toezichthouder is helder geformuleerd en afgestemd met interne en externe partners. De toezichthouders weten waar ze van zijn en zijn in staat de informatie van inwoners door te geleiden naar andere partners. Er worden periodiek (in uitgangspunt wekelijks) handhavingsoverleggen gehouden, zodat de toezichthouders en handhavingsjuristen goed op de hoogte zijn van prioriteiten, actuele informatie en lopende zaken. Er is een goede registratie van meldingen, waarnemingen, constateringen, waarschuwingen, boetes, resultaten en correspondentie. Dit stelt de toezichthouders en handhavingsjuristen in staat hun taak efficiënt en informatiegericht uit te voeren. De toezichthouders werken op straat en zijn zo min mogelijk bezig met administratieve of juridische afhandeling. Hiervoor is administratieve en juridische ondersteuning noodzakelijk. We werken informatiegestuurd Onder “informatiegestuurd” handhaven verstaan we: ‘Informatie en kennis verzamelen, delen en analyseren om op basis van overzicht en inzicht beslissingen te nemen over een effectieve aanpak van problemen in de gemeentelijke maatschappij en in dat kader de naleving van toepasselijke wet- en regelgeving’. De toezichthouders werken op basis van actuele informatie. Bronnen voor informatie zijn bijvoorbeeld eigen waarnemingen, sancties en waarschuwingen en informatie van interne en externe partners. De informatie die verzameld en geanalyseerd is, wordt, voor zover de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en – ten aanzien van de (groene) boa’s – de Wet politiegegevens (WPG) dit toelaat, gedeeld met interne en externe partners. Daar waar de leefbaarheid onder druk staat, kan de gedeelde informatie leiden tot handhavingsacties. De actuele informatie vormt de basis van de operationele inzet, waarbij ook hetgeen tijdens een handhavingsoverleg wordt besproken wordt meegenomen. De inzet van toezicht en handhaving wordt ieder jaar vastgelegd in het U&H-Jaarprogramma. De prioriteiten in het U&H-Jaarprogramma worden zoveel mogelijk vertaald naar kaders waarop de inzet zal plaatsvinden. De inzet is een bewuste keuze op basis van de bestuurlijk vastgelegde prioriteiten. Voor de aansturing is informatiegestuurd handhaven van belang. Door het informatiegestuurd handhaven is het Team Handhaving & Uitvoering goed in staat om de effecten van handhaving bestuurlijk te verantwoorden. Dit draagt bij aan de zichtbaarheid van het team. We werken aan veiligheid en leefbaarheid voor bewoners en onszelf De toezichthouders richten zich primair op het vergroten van de leefbaarheid en de naleving van wet- en regelgeving in de gemeente Borne. Leefbaarheid en de naleving van wet- en regelgeving raakt de veiligheidsbeleving van inwoners. Toezichthouders zetten zich in om het veiligheidsgevoel van inwoners te vergroten. Dit geldt overigens niet alleen voor de boa’s, maar ook voor de toezichthouders bouw- en woningtoezicht; deze hebben bijvoorbeeld ook een rol in het tegengaan van verloedering van panden. Bij (potentieel) onveilige situaties is het van belang om de samenwerking met de politie op te zoeken om snel te kunnen schakelen. Geweldsincidenten worden gerapporteerd en besproken. Verschillende ontwikkelingen in het takenpakket van in het bijzonder de boa’s zorgen ervoor dat ze steeds meer op het snijvlak van leefbaarheid en veiligheid acteren. Dit vraagt om meer aandacht voor de eigen veiligheid van de boa’s. Inwoners verwachten ook handelend optreden door de boa’s. Goede afspraken met de politie over het handelingsperspectief in geweldssituaties zijn dan ook noodzakelijk, omdat het waarborgen van de veiligheid primair de taak is van de politie en niet van de boa’s. We werken samen met partners Het Team Handhaving & Uitvoering is gericht op samenwerken in de (leefbaarheids)keten en samenwerken met interne partners. Daarnaast hebben en onderhouden zij hun eigen netwerk. Er wordt zowel beleidsmatig als uitvoerend samengewerkt met partners. Het team is betrokken bij en adviseert over beleidsontwikkeling op handhavingstaken. Samenwerking intern Vergunningen Een belangrijk uitgangspunt binnen de gemeente Borne is een scheiding tussen vergunningverlening en toezicht/handhaving (degene die de vergunning verleent houdt zich niet bezig met controle van de vergunning). Dit betekent dat er een goede samenwerking moet zijn tussen de vergunningverleners en de toezichthouders en handhavingsjuristen, bijvoorbeeld bij het adviseren over legaliseerbaarheid bij handhavingszaken. Ruimtelijke ordening De medewerkers van ruimtelijke ordening spelen vanuit hun expertise een belangrijke rol bij de ondersteuning in toezicht- en handhavingszaken, bijvoorbeeld bij vraagstukken over de legaliseerbaarheid van geconstateerde overtredingen. Beheer openbare ruimte De directievoerders en andere medewerkers van de buitendienst hebben een oor- en oogfunctie, gaan ook het gesprek aan bij misstanden in de openbare ruimte en geven in voorkomend geval een eerste waarschuwing. Beheer openbare ruimte ondersteunt ook bij bijv. controles van in- en uitritten bij particulieren. Juridische zaken (handhavingsjuristen) Zij ondersteunen toezichthouders bij vragen over handhavingszaken en bij bezwaar en beroep. Daarnaast pakken zij zaken met handhavingsverzoeken op. Openbare orde en veiligheid Zij zijn de spil in het web als het gaat over vraagstukken met betrekking openbare orde en veiligheid en ondermijning. Burgerzaken Hierbij is, met name, een samenwerking op het gebied van adresonderzoek. Sociaal domein Bij diverse casussen blijkt dat er ondersteuning nodig is om bijvoorbeeld het eigen leven weer op orde te krijgen, dan kan toezicht en handhaving ondersteunen om deze contacten tot stand brengen. Andersom kan toezicht en handhaving ingezet worden als instrument om specifieke doelen te bereiken. ICT Er is ondersteuning nodig bij de applicatiebeheer van o.a. Sigmax, RX Mission en Corsa. Samenwerken extern Politie Leefbaarheid en veiligheid zijn nauw met elkaar verbonden. Binnen het domein veiligheid hebben zowel de politie als de boa’s een eigen taak. De primaire taak van de politie hierin is de handhaving van de veiligheid en voor de boa’s is dit het bevorderen van de leefbaarheid. Er is wel een verschuiving in taken zichtbaar, waarbij boa’s steeds meer een rol krijgen in openbare orde taken. Waar de politie uitsluitend strafrechtelijk kan optreden, zijn de boa’s bevoegd om (ook) bestuursrechtelijk op te treden. Met name op het grensvlak van leefbaarheid en veiligheid biedt samenwerking mogelijkheden om problemen adequater aan te pakken. Voor een effectieve samenwerking is het van belang om elkaars taken en bevoegdheden goed te kennen. Politie en boa’s delen vanuit hun taken privacygevoelige informatie, bijvoorbeeld om jeugdgroepen in beeld te brengen en informatie uit te wisselen bij vermoedens van ondermijning. Het delen van informatie is noodzakelijk om goed informatiegestuurd te handhaven. In dat kader moet rekening worden gehouden met het opslaan en verwerken van politiegegevens conform de AVG en WPG. Omgevingsdienst Twente Het Team Handhaving & Uitvoering werkt ook samen met de Omgevingsdienst Twente (ODT), mede omdat zij beiden onder hetzelfde bevoegd gezag vallen, waarbij de wettelijke milieutaken bij de ODT zijn belegd en de overige taken bij de gemeente zijn gebleven. VRT (brandveiligheid) De Veiligheidsregio Twente en o.a. Brandweer Twente houdt zich bezig met de advisering van de gemeente en controles op brandveiligheid. Overige samenwerking Naast de hiervoor genoemde partners, zijn het Waterschap en de Provincie Overijssel ook belangrijke samenwerkingspartners. We werken vanuit vertrouwen en met oog voor de menselijke maat De gemeente Borne vertrouwt erop dat haar inwoners, ondernemers en bezoekers de verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen omgeving en activiteiten. Handhaven gebeurt dan ook vanuit dit vertrouwen en met oog voor de menselijke maat. Loslaten waar dat kan en focussen op zaken die écht belangrijk zijn. Dit betekent ook dat wij onze toezicht- en handhavingsstijl afstemmen op de betreffende zaak. Wij willen vooral inzetten op het stimuleren van het goede gedrag (bijvoorbeeld door advisering of voorlichting). Dit neemt natuurlijk niet weg dat, wanneer dat nodig is, er ook kordaat opgetreden kan worden. 3.Strategie De meeste mensen in de gemeente Borne houden zich aan de regels die zijn vastgelegd in de wet- en regelgeving, maar de naleving van sommige regels is nog niet optimaal. In zo’n geval is het belangrijk dat de gemeente op de juiste manier op een overtreding reageert. Welke handhavingsmiddelen ter beschikking zijn staat in de strategie die als volgt is opgebouwd: Toezichtstrategie: Hoe houden we toezicht en voorkomen we overtredingen? Deze strategie is er vooral op gericht om met de beperkte capaciteit efficiënt aanwezig te zijn, te verbinden en de verantwoordelijkheid daar te leggen waar die hoort. Efficiënte aanwezigheid houdt in dat een beperkte inzet van capaciteit toch een maximaal gevoel van veiligheid bij inwoners en ondernemers tot gevolg heeft. Zo kunnen bijvoorbeeld de toezichthouders afspraken maken met de overtreder, voordat handhavend wordt opgetreden. Een ander voorbeeld van efficiënte aanwezigheid is de aanwezigheid tijdens 'hot-times' of op 'hotspots'; daar waar de kans groter is op overtredingen, willen we aanwezig zijn. In paragraaf 3.1 wordt de toezichtstrategie nader uitgewerkt. Sanctiestrategie: Hoe treden we op bij overtredingen? Voor de sanctiestrategie wordt er in grote mate opgetreden volgens de landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO) (bijlage 1). De LHSO raakt zowel de toezichtstrategie als de gedoogstrategie. Zo is aanspreken tijdens toezicht ook een interventie en erkent de LHSO dat er omstandigheden kunnen zijn om van (bestuursrechtelijk) handhaven af te zien. Dit laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet. Conflictbemiddeling: Hoe kunnen wij bijdragen aan een oplossing bij een conflict? Naast de inzet van de verschillende handhavingsinstrumenten, is het soms nodig om ook andere instrumenten in te zetten. Deze instrumenten komen aan de orde op het moment dat er sprake is van een conflict tussen partijen. Mediation: We kunnen inwoners en/of ondernemers aanraden om een onafhankelijke bemiddelaar in arm te nemen die samen met de partijen op zoek gaat naar een oplossing voor een probleem. Omdat partijen, onder leiding van een mediator, zelf op zoek gaan naar een oplossing, is de oplossing vaak beter dan een gang naar de rechter. Buurtbemiddeling: Deze vorm lijkt erg op mediation, alleen wordt hierbij gebruik gemaakt van vrijwillige en opgeleide buurtbemiddelaars. In de gemeente Borne biedt Stichting Wijkracht diensten op het gebied van buurtbemiddeling. Gedoogstrategie: Wanneer en hoe zien we af van handhaving? In bijzondere gevallen kan worden afgezien van handhaving. Bijvoorbeeld als er concreet en reëel zicht is op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Gedogen houdt in dat het bestuursorgaan (tijdelijk) niet gaat handhaven. Een gedoogsituatie is in beginsel van tijdelijke aard doordat het strijdige handelen binnen afzienbare tijd ophoudt of gelegaliseerd is. Een belanghebbende kan dus tegen de illegale situatie alsnog een handhavingsverzoek indienen, waarop het bestuursorgaan moet beslissen. In paragraaf 8 wordt nader omschreven op welke wijze de gemeente Borne omgaat met gedogen. 3.1Toezichtstrategie De toezichtstrategie is verdeeld in drie thema’s: Voorlichting en communicatie; Toezicht; Vormen van toezicht. Voorlichting en communicatie De insteek van de gemeente Borne is om via voorlichting te bereiken dat overtredingen, die kunnen ontstaan uit een gebrek aan informatie en kennis, worden voorkomen. Inwoners en bedrijven worden geïnformeerd door de gemeente over de toepasselijke wet- en regelgeving en/of veelvoorkomende overtredingen. Zo kan bijvoorbeeld door middel van gerichte communicatie (voorlichting, brochures, website, huis-aan-huis bladen, social media) de naleving van de regels worden bevorderd. Het communicatietraject is een gezamenlijke opgave van het Team Handhaving & Uitvoering, de vakafdelingen en communicatie. Voorlichting en communicatie kan ingezet worden om: de omgeving voor te lichten en draagvlak te creëren; complexe en veranderende wetgeving uit te leggen; bewustwording te creëren; positieve voorbeelden te communiceren; aan te geven waarop toezicht en handhaving zich gaat richten (eenduidig en transparant); actief om te gaan met informatie en het signaleren van trends met betrekking tot klachten en meldingen; het naleefgedrag te stimuleren; kennis te nemen van de problemen of vragen van een doelgroep; hulp te bieden bij het invullen van een aanvraagformulier. Het streven is om communicatie zo gericht mogelijk plaats te laten vinden aan de hand van de volgende mogelijke communicatievormen: Publiekscommunicatie: via websites, social media en persberichten zo veel mogelijk mensen informeren over de regels en de handhaving ervan; Omgevings-/doelgroepgerichte communicatie: een doelgroep of gebied informeren over de specifieke regels en handhaving die voor hun/dat gebied van toepassing zijn (bijvoorbeeld informatieavond organiseren voor een specifieke branche); Persoonlijke communicatie: voorlichting aan een inwoner of ondernemer over de regels en de handhaving ervan. De wijze van communiceren wordt aangepast aan de doelgroep en het onderwerp. Daarnaast is een belangrijke rol weggelegd voor de toezichthouders; zij kunnen tijdens hun werk de bedrijven en inwoners individueel informeren. Door goede voorlichting kunnen onwenselijke situaties worden voorkomen en gedrag van inwoners en bedrijven positief worden beïnvloed (voorkomen is beter dan genezen). Hierdoor is de verwachting dat er minder tijdrovende en kostbare handhavingsmiddelen ingezet hoeven te worden. Overigens is het laten zien dat een ‘overtreder’ wordt aangepakt ook een vorm van preventieve handhaving. Het informeren is vooral bedoeld om mensen bewust te maken van een bepaalde regel. Veel overtredingen komen namelijk voort uit onwetendheid; als je een regel niet kent kun je die ook niet naleven (onbewuste overtreder). Het afschrikken richt zich vooral op diegenen die de regel kennen, maar het risico nemen dat overtreding niet wordt afgestraft (calculerende overtreder). Er is veelal sprake van goedwillende of onverschillige overtreders en van overtredingen die slechts beperkte gevolgen kennen of gevolgen die van belang kunnen zijn. Daarom wordt aan toezichthouders en handhavingsjuristen veel ruimte geboden voor informatieve gesprekken en waarschuwingen. Pas als dit niet leidt tot herstel van de situatie, wordt overgegaan op het daadwerkelijk opstellen en versturen van handhavingsbesluiten (de aanschrijving of lastgeving). Toezicht Bij het bepalen van de toezichtstrategie is er sprake van een zekere beleidsvrijheid. Daarbij dient natuurlijk wel een zekere ondergrens in het oog te worden gehouden. Immers, de gemeente heeft diverse wettelijke toezichtstaken uit te voeren en kan die taken niet verwaarlozen. Zowel in deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze als in de bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma zijn, gezien de beperkte toezichtcapaciteit, de keuzes verwerkt in de manier en diepte van toezicht houden. Toezichthouders Op grond van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht mag een bestuursorgaan toezichthoudende ambtenaren benoemen. Toezicht is een snelle manier om te controleren of de wetten en regels worden nageleefd. Ook is het een snelle manier om te bereiken dat overtredingen worden voorkomen of beëindigd. Het houden van toezicht heeft tot resultaat dat de voorschriften zonder verdere sanctiemiddelen worden nageleefd. Vanuit de toezichthoudende taak kunnen overtredingen worden geconstateerd. Wordt een overtreding geconstateerd, dan gaat de toezichthoudende taak over in de handhavingstaak. Het is goed om het verschil aan te geven tussen de toezichthoudende taak en de handhavingstaak: ‘Bij de toezichthoudende taak wordt vanuit de controletaak gezocht naar illegale situaties. Als dit het geval is wordt geprobeerd in goed overleg te komen tot een oplossing. Wil de betrokkene de strijdigheid niet opheffen, dan gaat de toezichthoudende taak over in de handhavingstaak.’ Bevoegdheden Toezichthouders hebben volgens de Algemene wet bestuursrecht een aantal bevoegdheden om hun taak goed uit te kunnen oefenen. Toezichthouders mogen: Plaatsen betreden zonder toestemming van de eigenaar. Hierbij is één uitzondering gemaakt: toezichthouders mogen geen woningen betreden zonder toestemming van de eigenaar. Dit mogen zij wel als zij daar een machtiging van de burgemeester voor hebben. Inlichtingen eisen. Inzage eisen in zakelijke gegevens en stukken en daar kopieën van maken. Monsters nemen. Iedereen is verplicht om mee te werken met de toezichthouders bij de uitoefening van hun bevoegdheden. Toezichthouders moeten zich legitimeren. Voor de bewijsvoering maken de toezichthouders een rapportage op van hun toezichthandelingen. Toezicht houden is controleren of en in hoeverre de wettelijke bepalingen worden nageleefd. Het is niet mogelijk om toezicht te houden op alles dat er in de gemeente gebeurt. Daarom bepaalt het college jaarlijks in het U&H-Jaarprogramma het hoe, wat en hoeveel van het toezicht. Zij laat zich hierbij in uitgangspunt leiden door de prioriteitenstelling die voortvloeit uit de risicoanalyse die wordt verwerkt in het bij de U&H-Strategie behorende Risicomodule en kan daarbij gebruik maken van de hierna genoemde toezichtinstrumenten. Gezien de beperkte toezicht- en handhavingscapaciteit kiest de gemeente Borne ervoor om het toezicht direct te vertalen in het bij de U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma. Vormen van toezicht Handhaving vraagt om verschillende vormen van toezicht. Het controleren van een evenement is bijvoorbeeld heel wat anders dan het toezicht houden op bijvoorbeeld overlast van hondenpoep of het controleren van constructieve elementen van een bouwwerk. De vormen van toezicht zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.3 van het U&H-Strategie. In het kort zijn er onder meer de volgende vormen van toezicht: RO-controle; Aspectcontrole (themacontrole); Controle bouw; Administratieve controle; Periodieke controle; Controle n.a.v. klachten/meldingen/handhavingsverzoeken; Vrije veld controles/surveillance (ad-hoc controle); Hercontrole. 4.Inzet handhaving De medewerkers van het Team Handhaving & Uitvoering werken zelfstandig en professioneel aan hun taak. Zij hebben een breed takenpakket waarin duidelijke prioriteiten zijn gesteld. Voor het vaststellen van de prioriteiten zijn o.a. de risicoanalyse en andere beleidsdocumenten gebruikt. De risico’s zijn ook gebaseerd op ervaring van eerdere jaren. De risicoanalyse en prioritering zijn vastgelegd in het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma. Bij iedere zaak van toezicht en handhaving zijn er drie uitkomsten mogelijk: de zaak wordt direct opgepakt; de zaak wordt op termijn opgepakt, of; de zaak wordt niet (meer) opgepakt. Op welke wijze de zaak wordt opgepakt is afhankelijk van een aantal factoren: Op welke wijze wordt de zaak geprioriteerd in het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma? Valt de zaak op grond daarvan in een hogere prioritering, dan zal de zaak sneller en diepgaand worden opgepakt dan wanneer deze in een lagere prioritering wordt geclassificeerd. Is er sprake van een handhavingsverzoek? Handhavingsverzoeken dienen binnen de wettelijk gestelde termijnen afgehandeld te worden. Handhavingsverzoeken worden daarom in uitgangspunt sneller en diepgaand opgepakt, ook als deze op grond van het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma in een lage prioritering wordt geclassificeerd. Is er sprake van een melding, klacht of ambtelijke constatering van een overtreding? Klachten en meldingen zijn geen aanvraag in de zin van de Awb (Algemene wet bestuursrecht). Hierop hoeft dus niet binnen een bepaalde termijn een besluit genomen te worden. Zaken naar aanleiding van klachten, meldingen of ambtelijke constateringen worden in uitgangspunt opgepakt conform de prioritering in het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma. Daarbij geldt de kanttekening dat toezichthouders en handhavingsjuristen een ruime beoordelingsruimte hebben om bepaalde meldingen, klachten of ambtelijke constateringen – die in het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma lager worden geprioriteerd, toch sneller en/of diepgaand op te pakken. Toezicht en handhaving blijft namelijk mensenwerk en ‘in het veld’ kan blijken dat het door omstandigheden toch gewenst kan zijn om in afwijking van het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma bepaalde zaken toch sneller op te pakken. Is er sprake van een zaak die door andere medewerkers van de gemeente Borne dan de medewerkers van het Team Handhaving & Uitvoering wordt aangedragen? Dergelijke zaken worden op dezelfde wijze behandeld als een melding, klacht of ambtelijke constatering, zoals hiervoor onder sub c uiteen is gezet. Is er sprake van een anonieme melding of klacht? Anonieme meldingen en klachten worden in uitgangspunt niet opgepakt, tenzij de toezichthouders en handhavingsjuristen van oordeel dat dat er (mogelijk) sprake is van een exces waardoor het wenselijk is om toch te acteren op de anonieme melding of klacht. Op basis van bovenstaande afwegingen wordt het veelal ook makkelijker om uit te leggen waarom er in het ene geval wel wordt opgetreden en in het andere geval niet. Hierdoor kunnen minder geprioriteerde thema’s direct voorrang krijgen, op termijn worden opgepakt of niet meer worden opgepakt. In het bij het U&H-Strategie behorende Risicomodule en het U&H-Jaarprogramma wordt meer in detail beschreven hoe de handhaving er per thema uitziet. Indien sprake is van bijzondere gevallen, bijvoorbeeld situaties waarin met gebruikmaking van de bestuurlijke afwegingsruimte een legaliseerbare situatie kan worden bereikt, dan kan altijd eerst de mogelijkheid geboden worden aan de overtreder om een vergunning aan te vragen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij afwijkingen die middels een binnenplanse of buitenplanse afwijkingsprocedure geformaliseerd kunnen worden. 5.Procedurestappen handhaving 5.1Minnelijk overleg Bij handhaving wordt vaak direct aan het opleggen van een sanctie gedacht. Maar het daadwerkelijk opleggen van een sanctie is een uiterste middel, en is bovendien slechts een deel van het gehele handhavingsproces. Tussen het tijdstip waarop de bevindingen gedaan zijn en het tijdstip dat er daadwerkelijk een sanctiebesluit wordt genomen, ligt een periode waarin veelal wordt gepoogd de overtreder zover te krijgen dat deze uit zichzelf de overtreding ongedaan maakt. Dit is het zogeheten ‘minnelijke overleg’. Via het minnelijk overleg met de overtreder wordt getracht aan de overtreding een einde te maken. In het kader van dit overleg kan ook worden onderzocht of legalisatie mogelijk is. Als legalisatie mogelijk is, wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld de overtreding te legaliseren. Maakt de overtreder geen gebruik van de mogelijkheid om de overtreding te legaliseren of is legalisatie van de overtreding niet mogelijk c.q. wenselijk, dan wordt een constateringsbrief of vooraankondiging verstuurd (zie de drie-stappen-procedure of de twee-stappen-procedure). Het minnelijk overleg kan ook gebruikt worden bij klachten, meldingen en handhavingsverzoeken. Middels telefonisch contact of een overleg kan aan de verzoeker gevraagd worden wat de achterliggende gedachte is, op welk onderwerp de klacht of het verzoek zich richt, wat de klager of verzoeker hoopt te bereiken en wat de verzoeker eventueel zelf al ondernomen heeft om de overlast bij de overtreder onder de aandacht te brengen. 5.2Drie-stappen-procedure ter voorbereiding op handhavingsacties Bij de voorbereiding op handhavingsacties wordt in beginsel gekozen voor het drie-stappen-model. Dat houdt in dat de gemeente Borne na een constatering van een overtreding als eerste stap een constateringsbrief stuurt voorafgaand aan de eventuele formele vooraanschrijving. Bijvoorbeeld bij overtredingen ten aanzien van brandveilig gebruik van bouwwerken (BBL) is veelal sprake van een gebruiksmelding waarbij nog niet voldaan wordt aan de wet- en regelgeving. In die situatie kan een constateringsbrief met een hersteltermijn al een belangrijke stimulans zijn om overtredingen op te heffen. Ook overtredingen waarbij afspraken gemaakt zijn met de overtreder over een legalisatie lenen zich ervoor om eerst de stap te zetten in de vorm van een afsprakenkader/constateringsbrief. Een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van een constateringsbrief is dat deze brief niet mag leiden tot een impliciete gedoogsituatie. Mocht de constateringsbrief niet leiden tot opheffing van de overtreding, dan stuurt de gemeente Borne als tweede stap een vooraankondiging waarin de overtreder op de hoogte gesteld wordt van het voorgenomen handhavingsbesluit en opnieuw een hersteltermijn krijgt om de overtreding ongedaan te maken. Dat handhavingsbesluit kan het opleggen van een last onder dwangsom zijn, of een last onder bestuursdwang. Een vooraankondiging is overigens geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De overtreder en eventuele andere belanghebbenden worden vervolgens in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het voorgenomen handhavingsbesluit naar voren te brengen. De overtreder (of een eventuele andere belanghebbende) moet zijn visie kunnen geven op de vraag of daadwerkelijk sprake is van een overtreding, dan wel of er redenen zijn om de handhaving (tijdelijk) achterwege te laten. De zienswijze of visie kunnen zowel schriftelijk als mondeling gegeven worden, al naar gelang de belanghebbende(

  1. n)wens(t)(en). Voorkomen moet worden dat er eindeloos gecorrespondeerd wordt naar aanleiding van een vooraankondiging, omdat daarmee de besluitvorming uitgesteld wordt. Maar het (eenmalig) bieden van de mogelijkheid tot het inbrengen van zienswijzen is een extra zorgvuldigheidsvereiste, dat duidelijk meerwaarde heeft als het gaat om het verifiëren van de deugdelijkheid van de informatie waarop het besluit wordt gebaseerd. De door de overtreder of belanghebbenden naar voren gebrachte zienswijzen moeten door de gemeente worden afgewogen tegen de maatschappelijke belangen, zoals de ruimtelijke kwaliteit, de wens tot consequente en eenduidige handhaving, precedentwerking en de belangen van derden. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot een heroverweging van het voorgenomen handhavingsbesluit. Als derde stap wordt vervolgens het handhavingsbesluit (de aanschrijving of lastgeving) opgesteld en verstuurd aan de overtreder. Daarin wordt een laatste keer een hersteltermijn geboden om de overtreding ongedaan te maken. Dit besluit is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Tegen een dergelijk besluit staan de rechtsmiddelen zoals opgenomen in de Awb open. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, worden handhavingsbesluiten ingeschreven in het register ingevolge de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). In dat geval geldt het handhavingsbesluit ook voor eventuele rechtsopvolgers van de overtreder(s). 5.3Twee-stappen-procedure Indien uit het minnelijk overleg of op andere wijze reeds op voorhand geconcludeerd kan worden dat een constateringsbrief niet zal leiden tot het opheffen van een overtreding dan wel anderszins blijkt dat het volgen van de drie-stappen-procedure niet wenselijk is, zal worden gekozen voor het twee-stappen-model. In dat geval zal direct gekozen worden voor het versturen van een vooraankondiging, gevolgd door de zienswijzemogelijkheid en, waar nodig, het handhavingsbesluit. Een en ander zoals toegelicht in de vorige paragraaf. 5.4Spoedeisende gevallen (een-stap-procedure) In spoedeisende gevallen kan worden afgezien van het versturen van een vooraankondiging. Dit moet altijd worden gemotiveerd. Indien mogelijk zal telefonisch of mondeling getracht worden om in ieder geval aan de hoorplicht te voldoen. Van dat gesprek wordt altijd een verslag gemaakt, dat aan het handhavingsdossier wordt toegevoegd. 5.5Legalisatieonderzoek In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift is het bevoegd gezag in de regel verplicht om op te treden (beginselplicht tot handhaving). Slechts onder bijzondere omstandigheden mag hiervan worden afgezien. Een van die bijzondere omstandigheden is dat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Voordat een handhavingstraject gestart wordt, dient dan ook onderzocht te worden of daar sprake van is. Daarom wordt eerst legalisatieonderzoek uitgevoerd. Een legalisatieonderzoek houdt in dat nagegaan wordt of datgene dat als een overtreding wordt aangemerkt, kan worden weggenomen door alsnog een vergunning te verlenen. Hierbij kunnen milieuaspecten, eisen uit het BBL en ecologische aspecten van toepassing zijn. Ook planologische aspecten worden meegewogen, waarbij onder meer het overgangsrecht in omgevingsplannen van belang kan zijn. De overtreder mag overigens niet gedwongen worden tot het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning of andere toestemming om zodoende over meer gegevens te beschikken voor het legalisatieonderzoek. Een legalisatietraject kan drie mogelijke uitkomsten hebben: De uitkomst van legalisatieonderzoek staat nog niet vast. In de constateringsbrief aan de overtreder wordt dan vermeld dat nog een (nader) onderzoek naar legalisering plaatsvindt en op welke onderwerpen nadere gegevens benodigd zijn. Wat al bekend is, wordt in de brief vermeld, evenals een termijn waarbinnen de gemeente uitsluitsel geeft over de legalisatiemogelijkheden. De overtreding is mogelijk te legaliseren. In reactie op de geconstateerde overtreding wordt schriftelijk bericht dat deze mogelijk (gedeeltelijk) kan worden gelegaliseerd en op welke wijze dat kan gebeuren. Indien voor het legaliseren van de overtreding aanpassingen of maatregelen noodzakelijk zijn, wordt dat zo veel mogelijk in de brief aangegeven. De overtreder kan worden uitgenodigd voor een gesprek, waarin de aanpassingen of maatregelen worden toegelicht. In vervolg hierop wordt de overtreder een termijn gegund voor het indienen van een aanvraag om vergunning, het doen van een melding of het op een andere wijze mee te werken aan legalisatie. Hiervoor geldt in principe een standaardtermijn van vier weken. Deze termijn kan verkort of verlengd worden als de omstandigheden hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld omdat de noodzakelijk geachte aanpassingen en maatregelen meer tijd vergen. Na het verlopen van deze termijn zijn er twee mogelijkheden: Indien binnen de gestelde termijn geen ontvankelijke aanvraag is ingediend of op een andere wijze medewerking is verleend, wordt het handhavingstraject vervolgd. Er is dan immers geen concreet zicht op legalisatie. Indien wel een ontvankelijke aanvraag is ingediend of op een andere wijze is voldaan aan de eisen die nodig zijn voor legalisatie, zal vanwege concreet zicht op legalisatie (vooralsnog) worden afgezien van handhaving. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet vanzelfsprekend is dat de aangevraagde activiteiten ook daadwerkelijk kunnen en zullen worden verleend, onder meer omdat in een aantal gevallen moet worden aangetoond dat de aangevraagde situatie voldoet aan de gestelde eisen. Indien de aangevraagde vergunning wordt geweigerd, krijgt de overtreder alsnog de standaardtermijn van vier weken om de overtreding te beëindigen. Deze termijn kan verkort of verlengd worden als de omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Indien de overtreding daarna niet is beëindigd, wordt de handhaving voortgezet door middel van het verzenden van een voornemen tot handhaving en eventueel het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. De overtreding is naar verwachting niet te legaliseren. Indien uit het legalisatieonderzoek blijkt dat de overtreding naar verwachting niet gelegaliseerd kan worden, wordt de overtreder hier schriftelijk van op de hoogte gesteld. Daarbij wordt gemotiveerd waarom legalisatie niet mogelijk is en zo nodig ook waarom geen vrijstelling of ontheffing wordt verleend. Vermeld wordt dat een eventueel in te dienen aanvraag naar verwachting zal worden geweigerd. Er is dan geen sprake van concreet zicht op legalisatie, en het handhavingstraject wordt voortgezet. Legalisatieonderzoeken worden in uitgangspunt uitgevoerd door de handhavingsjuristen en/of toezichthouders van het Team Handhaving & Uitvoering. Zij zullen waar nodig – met het oog op de benodigde deskundigheid en expertise – legalisatievraagstukken uitzetten bij vakdeskundigen van de gemeente Borne, in het bijzonder vergunningverleners op het gebied van de APV en bijzondere wetten en/of de Omgevingswet c.q. het ruimtelijk domein en/of beleidsmedewerkers/adviseurs ruimtelijke ordening. Dergelijke vakdeskundigen zullen proactief en schriftelijk aanleveren in hoeverre de overtreding in kwestie wel/niet gelegaliseerd kan worden, al dan niet middels het doorvoeren van aanpassingen in de situatie. Zo zullen zij – indien in een geval de overtreding niet gelegaliseerd kan worden – schriftelijk en gemotiveerd aanleveren waarom legalisatie niet mogelijk en/of wenselijk is. In dit verband is adequate interne communicatie van belang. 5.6Afronding van dossiers Elk handhavingsdossier moet op correcte wijze worden afgerond. Afhankelijk van de situatie zal een kennisgeving naar de overtreder en/of belanghebbenden worden gestuurd dat het handhavingsdossier wordt gesloten. Daarmee kan het dossier worden gesloten. Daarnaast wordt een eventuele registratie in het Wkpb-register uitgeschreven. Handhavingsdossiers inclusief rapportages worden tenminste bewaard totdat alle juridische procedures zijn afgerond. Vervolgens worden zij gearchiveerd conform de regels in de Archiefwet. 6.Sanctiemiddelen Voor het opleggen van bestuurlijke sanctiemiddelen kan uit de volgende instrumenten worden gekozen: Opleggen van een last onder dwangsom (LOD); Opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB); Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning; Opleggen van een bestuurlijke boete. a. Opleggen van een last onder dwangsom (LOD) Een last onder dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt indien of zolang de overtreding voortduurt. De last onder dwangsom bevat een last om de overtreding te beëindigen, en om voortzetting en herhaling te voorkomen. In de last onder dwangsom wordt een begunstigingstermijn opgenomen waarbinnen de overtreding ongedaan gemaakt moet worden. Als de overtreding tijdig ongedaan gemaakt wordt, is geen dwangsom verschuldigd. Wanneer de overtreding niet, of niet tijdig wordt beëindigd, dan wel wordt voortgezet of herhaald, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder. Daarmee wordt diegene bedoeld die “het in zijn macht heeft” om de last uit te voeren of na te komen, en daarmee de overtreding te beëindigen. Meestal gaat het om de eigenaar van het perceel of bouwwerk, maar het kan ook de huurder/gebruiker zijn. Per geval moet worden beoordeeld wie als “overtreder” kan worden aangemerkt en aangeschreven. Niet altijd kan een overtreding worden bestreden met een last onder dwangsom. Als het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet, mag niet gekozen worden voor een last onder dwangsom. Hierbij kan gedacht worden aan ernstige milieuovertredingen of overtredingen met onomkeerbare gevolgen. Direct optreden om verdere schade te voorkomen, door middel van bestuursdwang, is dan noodzakelijk. b. Opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB) Bestuursdwang houdt in dat het feitelijk beëindigen van een overtreding uitgevoerd wordt door het bevoegd gezag. Dit kan bij uitstek worden toegepast in de volgende situaties: Bij acuut dreigende calamiteiten en gevaarlijke situaties waarbij direct optreden noodzakelijk is. Dit geldt onder meer indien de overtreder niet bereikbaar is; Indien de overtreder niet genegen of (financieel) in staat is om de overtreding ongedaan te maken; Indien het opleggen van een last onder dwangsom niet tot het gewenste effect, te weten het ongedaan maken van de overtreding, heeft geleid. De kosten van het uitvoeren van bestuursdwang kunnen verhaald worden op de overtreder. Het uitgangspunt is dat de gemeente vervolgens ook daadwerkelijk tot het verhalen van de kosten overgaat. Van belang is om bij het opleggen van de last onder bestuursdwang te vermelden dat de kosten daarvan worden verhaald op de overtreder (artikel 5:25 lid 2 Awb). Dit kostenverhaal geschiedt bij een invorderingsbeschikking (artikel 4:86 lid 1 Awb), een en ander conform de wettelijke procedure zoals neergelegd in titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het tegelijk opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom voor één en dezelfde overtreding is niet mogelijk. Als er sprake is van twee of meer verschillende overtredingen, is een combinatie van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang wel mogelijk. Een voorbeeld waarbij wel gelijktijdig een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom opgelegd kan worden, is het opleggen van een bouwstop (= een last onder bestuursdwang) en het gelijktijdig opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er verder wordt gegaan met bouwen (= preventieve last onder dwangsom). De preventieve last onder dwangsom is in dit geval opgelegd om te voorkomen dat de overtreding (het verder bouwen) opnieuw plaatsvindt. c. Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning Een verleende vergunning kan eventueel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien niet overeenkomstig die vergunning is of wordt gehandeld. Ook kan een vergunning worden ingetrokken als de aan de vergunning verbonden voorschriften of regels niet worden nageleefd. Deze sanctie wordt ingezet bij 'onomkeerbare' overtredingen die niet legaliseerbaar zijn, bijvoorbeeld als het bouwwerk anders wordt uitgevoerd dan was aangevraagd en vergund. Tot intrekking van de vergunning kan pas worden overgaan als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het bouwwerk (of de activiteit) alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning. Zodra de vergunning is ingetrokken, is de betrokkene direct in overtreding als de activiteit wordt voortgezet, en kunnen andere maatregelen worden toegepast, zoals een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. d. Opleggen van een bestuurlijke boete Een bestuurlijke boete is een ‘bestraffende sanctie’ en verschilt daarmee van de andere sanctiemiddelen die ‘herstel van de overtreding’ tot doel hebben. Een bestuursorgaan kan bij besluit een bestuurlijke boete opleggen aan de overtreder. Het opleggen van een bestuurlijke boete kan alleen als er daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Zo is er bijvoorbeeld een wettelijke grondslag voor een bestuurlijke boete als de in een omgevingsplan gestelde regels over het gebruik of de staat van open erven of terreinen of het gebruik van gebouwen of over het tegengaan van hinder wordt overtreden (artikel 18.12 lid 1 sub a Omgevingswet). De strafbaarstelling moet in dat kader vóóraf kenbaar zijn geweest. In het bovengenoemde voorbeeld derhalve de voorschriften in het omgevingsplan. Daarnaast moet de maximale hoogte van de bestuurlijke boete kenbaar zijn (in het voorbeeld blijkt dat uit artikel 18.12 lid 2 Omgevingswet). Voor het overige dient bij het opleggen van een bestuurlijke boete de wettelijke en juridische eisen in acht genomen te worden. 7.Beleidslijn dwangsom en invordering Een bestuursorgaan komt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De hoogte van de dwangsom kan en moet op de ernst van de overtreding worden afgestemd (evenredigheid) en tot doel hebben de overtreding tegen te gaan of te voorkomen (effectiviteit) (art. 5:32 Awb). Het bestuursorgaan (college/burgemeester) is bevoegd een last onder dwangsom op te leggen (artikel 125 Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32 Awb). Het bestuursorgaan stelt een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, waarbij de bedragen in redelijke verhouding dienen te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom (artikel 5:32b). Deze beleidslijn biedt handhavingsjuristen enig houvast bij het bepalen van de hoogte van een dwangsom en het maximum te verbeuren bedrag. Deze beleidslijn is niet uitputtend bedoeld, maar bevat enkel voorbeelden. Het bestuursorgaan dient altijd zelf een deugdelijke motivering over de hoogte van de gekozen bedragen in het besluit op te nemen. De dwangsom dient voldoende prikkelend te werken, zodanig dat de overtreder de overtreding zal beëindigen. Echter mag de dwangsom niet zodanig hoog zijn dat deze als straf kan worden gezien. Aan wie wordt het opleggen van een last onder dwangsom gericht Overtreder De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder. Voorwaarde is dat deze het in zijn macht heeft de last uit te voeren of na te komen. Wie de overtreder is, is afhankelijk van de wettelijke bepaling die wordt overtreden. Zo kan de eigenaar naast de huurder overtreder zijn indien een voorschrift ook het laten gebruiken verbiedt. Rechtsopvolger Bestuursrechtelijke handhavingsbesluiten kunnen in bepaalde gevallen mede gelden tegen de rechtsopvolger van diegene aan wie het handhavingsbesluit is gericht (zie bijvoorbeeld artikel 18.4a Omgevingswet). Het handhavingsbesluit kan dan dus ook tegen de rechtsopvolger ten uitvoer worden gelegd, inclusief het kostenverhaal. Op deze wijze wordt voorkomen dat door (opeenvolgende) eigendomsoverdracht aan een ingezette bestuursrechtelijke handhavingsactie wordt ontkomen. Voorwaarde is wel dat een dergelijk handhavingsbesluit ingeschreven wordt in de openbare registers (artikel 2 lid 1 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken). Overigens is deze registratie niet voor alle overtredingen verplicht. Bepaling dwangsomhoogte en begunstigingstermijn Het opleggen van een dwangsom heeft tot doel overtredingen ongedaan te maken en eventuele vervolgovertredingen te voorkomen. Afhankelijk van de overtreding stelt of het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester een dwangsom vast, evenals een maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De hoogte van een dwangsom is afhankelijk van de aard van de overtreding en staat in (redelijke) verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang (zie artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht). De hoogte van een dwangsom is verder afhankelijk van: de (geschatte) kosten die de overtreder moet maken om de overtreding op te heffen of met andere woorden, de dwangsom moet hoger zijn dan het (geschatte) financiële voordeel; het wegnemen van ongerechtvaardigd voordeel dat de overtreder heeft genoten; de dwangsom moet voldoende dwang tot gevolg hebben om de overtreding op te heffen c.q. te beëindigen; voorkoming van herhaling, beperking van schade en herstel in de oorspronkelijke toestand; de bevestiging van normen gesteld in het bestuurlijk belang. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom, de daaraan verbonden maxima en herstel- c.q. begunstigingstermijn wordt in beginsel zoveel mogelijk aangesloten bij de actuele versie van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) (bijlage 1) en de daarbij behorende actuele versie van de Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen (bijlage 2). Bij de laatstgenoemde leidraad hoort ook een separate Leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen (in een Excelbestand) (bijlage 3), waarvoor ook steeds de actuele versie als uitgangspunt wordt genomen. De LHSO en de bijbehorende leidraden vermelden richtinggevende voorbeelden: in het concrete geval moet de geschikte hoogte van het dwangsombedrag worden bepaald aan de hand van deze uitgangspunten. Voor de overtredingen die niet in de LHSO en de bijbehorende leidraden zijn genoemd, dient per geval de hoogte en de duur van de begunstigingstermijn bepaald te worden. Afwijkingen van de LHSO en leidraden De geconstateerde feiten/omstandigheden zijn bepalend voor de individuele vaststelling van de hoogte en het maximaal te verbeuren bedrag. Afwijkingen naar boven/beneden van de dwangsomhoogte volgens de tabellen, waarvoor in het concrete geval goede reden kan zijn, moet steeds goed onderbouwd zijn en in de beschikking worden gemotiveerd. Dit geldt tevens voor de begunstigingstermijn. Dwangsomsoort Er zijn drie dwangsomsoorten (artikel 5:32b Algemene wet bestuursrecht): een bedrag ineens; een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd; een bedrag per overtreding van de last. Veelal wordt door het college/de burgemeester gebruik gemaakt van een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd. Indien het een overtreding is die qua aard en ernst zeer ernstig is, kan worden gekozen voor een bedrag ineens. Bij zogenaamde ‘flexibele’ overtredingen wordt gebruik gemaakt van een bedrag per overtreding van de last. Het gaat hierbij om overtredingen die eenvoudig te beëindigen zijn, maar ook eenvoudig te starten. Te denken valt hier aan bedrijfsmatige opslag op een agrarisch perceel: de opslag is eenvoudig weg te halen, maar ook eenvoudig weer terug te plaatsen. De effectiviteit van een dwangsom met een bedrag ineens of per tijdseenheid is hier verminderd, omdat men aan de last kan voldoen en men vervolgens de overtreding opnieuw kan begaan. In dit soort gevallen is een dwangsom met een bedrag per overtreding effectiever: per overtreding zal dan een dwangsom verbeuren, zodat de overtreder de prikkel zal krijgen de overtreding niet meer opnieuw te begaan. Preventieve dwangsom Het is niet altijd noodzakelijk dat er al sprake is van een feitelijke overtreding voordat een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Ook in situaties waar sprake is van een klaarblijkelijk gevaar van een overtreding in de toekomst (bijvoorbeeld bij het stilleggen van bouwwerkzaamheden zonder of in strijd met de vergunning of bij voorgenomen sloopwerkzaamheden zonder noodzakelijke asbestinventarisatie), kan ook vooraf een (preventieve) last onder dwangsom (of last onder bestuursdwang) worden opgelegd. Dit is geregeld in artikel 5:7 Awb. Verlengen van de begunstigingstermijn In een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat de dwangsom verbeurt (artikel 5:32a lid 2 Awb). Uitgangspunt is dat de begunstigingstermijn niet verlengd wordt, omdat de begunstigingstermijn op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen (de termijn is voldoende lang om de opgelegde last te kunnen uitvoeren en in de omstandigheden van het geval, redelijk is). In bijzondere omstandigheden kan de begunstigingstermijn worden verlengd wanneer de overtreder daarom verzoekt. Het gaat om de volgende omstandigheden: De overtreder kan, aan de hand van objectieve gegevens, aannemelijk maken dat binnen de begunstigingstermijn niet aan de last kan worden voldaan. De overtreder moet daarbij wel een concrete termijn geven waarbinnen de opgelegde last wel uitgevoerd kan zijn. Te laat aanvragen van offertes of het te laat geven van een opdracht leidt niet tot het verlengen van de begunstigingstermijn. De overtreder kan, aan de hand van objectieve gegevens, aannemelijk maken dat opheffing van de illegale situatie, bijvoorbeeld door bedrijfsverplaatsing, in het vooruitzicht ligt. Ook hierbij geldt dat de overtreder een concrete termijn voor het opheffen van de illegale situatie moet geven. De overtreder heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en deze is toegekend/er is met de rechtbank afgesproken om de begunstigingstermijn te verlengen tot het moment dat op het bezwaar/beroep een besluit is genomen. Dit betekent dat een begunstigingstermijn niet automatisch wordt verlengd als de overtreder een verzoek om een voorlopige voorziening indient. Een dergelijke automatische verlenging verhoudt zich namelijk niet met het uitgangspunt dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn zorgvuldig tot stand is gekomen en in principe niet wordt verlengd. Bovendien schept een dergelijk automatisme een ongelijke situatie ten opzichte van overtreders die in bezwaar niet om verlenging van de begunstigingstermijn verzoeken. Invorderen van een dwangsom Van rechtswege verbeuren Indien een overtreder, na het verstrijken van de begunstigingstermijn, aan de opgelegde last geen gehoor heeft gegeven, wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd (artikel 5:32a lid 2 jo. 5:33 van de Algemene wet bestuursrecht). Betaling van de dwangsom dient binnen 6 weken nadat deze van rechtswege is verbeurd (de overtreding is geconstateerd) plaats te vinden (art. 5.33 Awb). Verjaring invordering verbeurde dwangsom De bevoegdheid tot het invorderen van een verbeurde dwangsom verjaart een jaar na de dag waarop zij is verbeurd (art. 5:35 Awb en in afwijking van artikel 4:104 Awb). Om eventuele verjaring te voorkomen is het van belang om de verjaring te stuiten middels een stuitingsbrief. Invordering verbeurde dwangsom Betaalt de overtreder niet binnen genoemde termijn van 6 weken, dan volgt een zogenaamd invorderingsbesluit. Doel van een invorderingsbesluit is om de exacte omvang van de te betalen dwangsom vast te stellen. In dit invorderingsbesluit staan de volgende elementen: De reden van verbeuring; Het (maximaal) verbeurde bedrag; Een verzoek om alsnog binnen (een nieuwe) termijn van 6 weken het verschuldigde bedrag te betalen; Een waarschuwing dat als de overtreder niet betaald, hij dan ook de wettelijke rente moet betalen plus eventuele invorderingskosten van een gerechtsdeurwaarder. Tegen het invorderingsbesluit kan de overtreder bezwaar maken. Aanmaning Betaalt de overtreder vervolgens nog steeds niet, dan volgt een aanmaning om alsnog binnen 2 weken te betalen. Dwangbevel Als de overtreder dan nog niet betaalt, dan volgt een door een deurwaarder bij exploot betekend dwangbevel aan de overtreder. De overtreder moet dan ook de bijkomende invorderingskosten en de wettelijke rente vanaf het moment van verbeuring (=einde begunstigingstermijn) betalen. Een overtreder heeft er dus alle baat bij om zo snel mogelijk de dwangsom vanaf het moment van verbeuring te betalen. Anders moet hij dus ook al deze bijkomende kosten betalen. Tegen het dwangbevel kan de overtreder verzet aantekenen bij een burgerlijke rechter. Uitgangspunten invordering Bij de invordering van een dwangsom hanteren wij enkele algemene uitgangspunten. Hoofdregel De overtreder betaalt altijd de volledige dwangsom. Als wij namelijk afzien van inning, dan creëert dat een negatief voorbeeld. Handhaving is anders niet meer afschrikwekkend genoeg en ondergraaft de effectiviteit van de handhavende autoriteit. Bovendien kan dit leiden tot calculerend gedrag. Invordering van de gehele dwangsom is dus altijd het sluitstuk van elke handhavingsprocedure. Uitzondering Afzien van (volledige of gedeeltelijke) invordering van de dwangsom is alleen mogelijk in deze zeer uitzonderlijke gevallen: Objectief aantoonbare overmacht (dit verschilt per situatie); Ernstige onvoorzienbare ziekte of ongeluk van de overtreder of een direct gezinslid; Door plotseling overlijden van de overtreder of een direct gezinslid. Betalingsregeling Indien een overtreder (natuurlijk persoon of rechtspersoon) concreet aantoont dat hij de verbeurde dwangsom niet in zijn geheel of ineens kan betalen, kan een betalingsregeling getroffen worden. Om in aanmerking te komen voor een betalingsregeling moet de overtreder een schriftelijk verzoek indienen bij de gemeente. Hoe om te gaan bij herhaling Indien blijkt dat op een bepaald perceel door dezelfde persoon wederom een overtreding wordt begaan, wordt de last onder dwangsom in beginsel verhoogd met 25%. Voornoemd percentage kan hoger of lager worden vastgesteld als dat gelet op het karakter van de overtreding en de situatie rondom de herhaalde overtreding passender is. De betreffende overtreding moet wel binnen 2 jaar nadat de vorige last onder dwangsom is opgelegd en/of verbeurd, plaatsvinden. Na deze 2 jaar wordt weer volgens de reguliere uitgangspunten zoals omschreven in deze Toezicht- & Handhavingswerkwijze een last onder dwangsom opgelegd. 8.Gedogen en wraking Gedogen is het door een overheidsinstantie, bij constatering van een overtreding, afzien van handhavend optreden, dan wel het door een overheidsinstantie vooraf verklaren of anderszins de verwachting wekken dat tegen een overtreding niet zal worden opgetreden. Dit gedogen kan actief gebeuren, middels een gedoogbesluit, of passief/impliciet. In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen omschreven hoe de gemeente Borne omgaat met gedogen en wraking. In uitgangspunt wordt in dit kader aangesloten bij de actueel geldende Handreiking van VNG “Handhaving door en voor gemeenten - Een juridische handleiding voor de gemeentelijke praktijk”.5VNG Handreiking, “Handhaving door en voor gemeenten - Een juridische handleiding voor de gemeentelijke praktijk”, https://vng.nl/publicaties/handhaving-door-en-voor-gemeenten-een-juridische-handleiding-voor-de-gemeentelijke-praktijk. Uitgangspunt is dat gedogen slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar wordt geacht, en dat overtredingen ongedaan moeten worden gemaakt. Dat betekent dat in principe geen ruimte is voor permanente gedoogsituaties. De mate waarin wordt gedoogd moet zoveel mogelijk in omvang en/of tijdsduur moet worden beperkt. Beperking van de tijdsduur van gedogen is onder meer van belang om precedentwerking en daarmee een opwaartse druk tot verder gedogen te voorkomen. Als er gekozen wordt voor gedogen, betreft het dus altijd het tijdelijk afzien van optreden in afwachting van een definitieve oplossing. 8.1Actief gedogen Er is sprake van actief gedogen als het bevoegde bestuursorgaan expliciet te kennen geeft geen bestuursdwang of dwangsom toe te zullen passen. In een aantal gevallen kan een redelijke afweging van belangen leiden tot de conclusie dat handhavend optreden op dat moment niet redelijk is. Bij deze afweging wordt in beginsel aangesloten bij de criteria die zijn geformuleerd in de hiervoor genoemde VNG Handreiking en bij de zorgvuldigheidseisen zoals deze zijn neergelegd in de Awb. In principe komen alleen de volgende situaties voor het afzien van bestuursrechtelijk handhavend optreden in aanmerking: Overmachtssituaties. Van overmachtssituaties is bijvoorbeeld sprake bij vergunningen die uitsluitend op formele gronden zijn vernietigd, maar ook bij werkzaamheden die direct voortvloeien uit calamiteiten. Vooruitlopend op legalisatie kan tijdelijk worden gedoogd. Situaties waarin nader onderzoek nodig is. Er kan eveneens gedoogd worden als nader onderzoek nodig is naar de oplossing van geconstateerde overtredingen, en de gemeente in afwachting is van de uitkomsten van dat onderzoek. Situaties waarin handhavend optreden onevenredig is. Hierbij gaat om situaties die strikt genomen in strijd zijn met de wet- en regelgeving, maar die in de praktijk geen inbreuk maken op enig publiek belang. Overigens wordt er naar gestreefd om gemeentelijke regelgeving zodanig op te stellen en aan te passen dat dergelijke situaties niet (meer) als overtreding (behoeven
  2. te)worden aangemerkt. Situaties waarin sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit doet zich voor als de overtreding op het moment van constateren weliswaar in strijd is met de regelgeving, maar er concreet zicht is op mogelijke legalisering als gevolg van regelgeving in voorbereiding of beleidsontwikkeling waarmee de strijdigheid wordt opgeheven. Als gedogen aanvaardbaar wordt geacht en het bestuursorgaan dat expliciet te kennen wenst te geven, dan dient dat in uitgangspunt schriftelijk te worden bevestigd. Belanghebbenden hebben dan immers in ieder geval de mogelijkheid om het gedoogbesluit te laten toetsen door een rechter. Een positieve gedoogbeschikking is een besluit in de zin van de Awb. Het bevoegde bestuursorgaan dient het gedoogbesluit vast te stellen. Het besluit moet inzicht geven in de belangenafweging en de andere overwegingen die tot het gedogen hebben geleid. Bij de afweging om al dan niet tot handhaving over te gaan, spelen de beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke rol (motiveringsbeginsel, betrouwbare overheid, rechtsgelijkheid). 8.2Passief gedogen Van passief gedogen is sprake als het bevoegde bestuursorgaan wel op de hoogte is van de overtreding, maar geen actie onderneemt tegen de overtreding en evenmin expliciet te kennen geeft af te zien van handhavend optreden. Zodra overtredingen vastgelegd worden, bijvoorbeeld door het invullen van een controlerapport of het bijhouden van een lijst, maar ook bij het maken van foto’s van de overtreding door een toezichthouder, is duidelijk dat de gemeente op de hoogte is de illegale situatie. Er kunnen diverse redenen zijn waarom de gemeente in dergelijke gevallen (nog) niet overgaat tot handhavend optreden. Bijvoorbeeld door de beperkte capaciteit en andere prioriteiten of doordat bepaalde overtredingen in breder verband moeten worden aangepakt. Als een illegale situatie meerdere jaren heeft bestaan zonder dat daartegen is opgetreden, kan de overtreder hier overigens géén rechten aan ontlenen. Dit ligt anders als aangetoond kan worden dat de gemeente al geruime tijd op de hoogte was van de overtreding, aangezien dan sprake is van passief gedogen. Wanneer de gemeente in zo’n situatie alsnog wil optreden, zal dit nadrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de overtreding ten onrechte als ondergeschikt was aangemerkt, als het illegale handelen wordt geïntensiveerd, als er klachten, meldingen en/of handhavingsverzoeken binnenkomen of als de situatie rondom de overtreding wijzigt waardoor het belang groter is geworden om handhavend op te treden. 8.3Wraking Wraking is niet zozeer gedogen maar een vorm van uitgestelde handhaving. Een wrakingsbrief is géén besluit in de zin van de Awb. Door middel van een wrakingsbrief geeft de gemeente de overtreder te kennen dat het bevoegde bestuursorgaan niet berust in de overtreding, maar zich het recht voorbehoudt om op een nader te bepalen tijdstip handhavend op te treden tegen de geconstateerde overtreding als de overtreder deze zelf niet opheft. Bij bijvoorbeeld een verergering van de situatie, bij handhavingsverzoeken van derden en/of zodra de gemeente anderszins daartoe aanleiding ziet, kan alsnog handhavend worden opgetreden. Wraking wordt met name gehanteerd voor overtredingen die op het moment van constatering geen prioriteit hebben. Indien wraking gecombineerd wordt met een verzoek om handhaving, dient in de wrakingsbrief en/of de afwijzing van het handhavingsverzoek aangegeven te worden hoe lang de uitgestelde handhaving zal duren en vanaf wanneer alsnog een handhavingstraject gestart wordt (een tijdschema voor de verdere behandeling van een verzoek om handhaving nadat tot wraking is besloten). Uit jurisprudentie blijkt dat het beleid waarin prioriteiten bij handhaving zijn gesteld, in beginsel niet onredelijk wordt acht. Op alle momenten handhavend optreden tegen alle mogelijke overtredingen van wettelijke voorschriften kan, gelet op de beschikbare capaciteit, niet van het bevoegde bestuursorgaan worden gevergd. Dat wil echter niet zeggen dat volledig afgezien kan worden van handhavend optreden tegen overtredingen. Volgens jurisprudentie dient het bestuursorgaan de verzoeker, gelet op de beginselplicht tot handhaving, ten minste een moment in het vooruitzicht te stellen waarop het verzoek om handhaving alsnog kan worden ingewilligd. Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen die in de bij het U&H-strategie behorende Risicomodule en/of het U&H-Jaarprogramma een lage prioriteit hebben in het geheel niet handhavend zal worden opgetreden, is rechtens niet aanvaardbaar, omdat daarmee het te handhaven wettelijk voorschrift wordt ondergraven. Dit geldt overigens niet voor wraking in combinatie met een klacht of melding. Bij een klacht/melding kan wél aan de melder en aan de overtreder worden aangegeven dat de (vermeende) overtreding een lage prioriteit heeft en daarom wordt gewraakt. Datum 9-12-25De burgemeester, drs. J.H.R. PierikBijlage1- Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht LHSO versie oktober 2022. HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en achtergrond De Omgevingswet is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Deze wet heeft daarbij oog voor de duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. De wet is ook gericht op de intrinsieke waarde van de natuur, en op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Met de Omgevingswet is (nagenoeg) alle voorheen bestaande wet- en regelgeving die ter bescherming van de fysieke leefomgeving dient, gemoderniseerd en gebundeld. Het gaat om een stelselherziening waarmee zowel integratie als vereenvoudiging van het omgevingsrecht is beoogd. Dat is een grote hoeveelheid regels en voorschriften. Het omgevingsrecht is niet alleen neergelegd in de Omgevingswet, maar ook in de bijbehorende uitvoeringsregelgeving: het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de Omgevingsregeling (Or). Daarnaast maken ook Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen regels en voorschriften in het omgevingsrecht. Een groot aantal bestuursorganen en 29 regionale omgevingsdiensten zijn met de uitvoering van die regels belast. Die bestuursorganen en omgevingsdiensten, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten, de inspectie leefomgeving en transport (ILT), gemeenten, provincies, waterschappen, en het Openbaar Ministerie zijn met de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving belast. Tezamen vormen zij de handhavingspartners. De Omgevingswet gaat uit van vertrouwen. Bij vertrouwen hoort het nemen van verantwoordelijkheid. De overheid wil erop kunnen vertrouwen dat burgers en bedrijven zich houden aan de voor hen geldende regels. Burgers en bedrijven mogen erop vertrouwen dat de overheid degenen aanspreekt die de regels overtreden. Dat draagt bij aan een gelijk speelveld en doet recht aan het rechtsgevoel van de samenleving. Handhaving is dan ook één van de instrumenten waarmee de overheid het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit nastreeft. Handhaving is een essentieel element van de werking van de rechtsstaat. Om effectief te kunnen handhaven, moeten de handhavingspartners intensief en loyaal samenwerken. Dat geldt voor de bestuurlijke overheden onderling, voor de instanties binnen de strafrechtsketen en, omdat vrijwel alle omgevingsrechtelijke regels zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd, bovenal voor de bestuurlijke organen en instanties enerzijds en het Openbaar Ministerie en andere strafrechtelijke instanties anderzijds. Afstemming en samenwerking tussen bestuur en justitie zijn ook noodzakelijk omdat niet alleen via het strafrecht (strafrechter of OM ) een straf kan worden opgelegd, maar in toenemende mate ook het bestuur overtredingen kan bestraffen met een bestuurlijke boete. Afstemming en samenwerking tussen bestuur en justitie zijn bovendien in talloze wettelijke bepalingen voorgeschreven. Het gaat daarbij niet alleen om de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht, maar ook om het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is de aanleiding voor het vaststellen van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De LHSO heeft een breder werkings-bereik dan zijn voorganger, de Landelijke handhavingsstrategie (LHS) uit 2014. Een deel van de taken, het basistakenpakket, moet worden uitgevoerd door de regionale omgevingsdiensten. Voor die basistaken moeten de bestuursorganen die in een omgevingsdienst deelnemen gezamenlijk een uniforme handhavingsstrategie vaststellen. Die strategie moet zo nodig worden afgestemd met de instanties belast met de strafrechtelijke handhaving. Het Omgevingsbesluit stelt eisen aan de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De decentrale bestuursorganen stellen op basis daarvan kwaliteitscriteria vast voor het VTH-beleid. De LHSO is daarvan een belangrijk onderdeel. De decentrale bestuursorganen stellen op basis van deze eisen een uitvoerings-en handhavingsstrategie vast. Deze twee strategieën vormen in feite het uitvoerings- en handhavingsbeleid. Het is noodzakelijk dat hierin ook het handhavingsbeleid wordt opgenomen, bij voorkeur wordt er hier de LHSO voor gebruikt. Voor de omgevingsdiensten is het verplicht om, voor dit onderdeel, aan te sluiten bij de LHS en zijn opvolgers; nu dus de LHSO. 6Op grond van de modelverordening uitvoering en handhaving van de VNG en het IPO. De link voor de omgevingsdiensten met de LHS en de LHSO staat beschreven in deel C (procescriteria), onder de 9b (de sanctiestrategie). 1.2 Doelstelling en werkingssfeer De overheid is verantwoordelijk voor het handhaven van het omgevingsrecht. Voor het bestuur geldt (bij herstelsancties) de zogenoemde beginselplicht tot handhaving. Het Openbaar Ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De kwaliteitseisen die het Unierecht aan nationale handhaving stelt – handhaving moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn –, gelden door de toenemende invloed van het Unierecht op het omgevingsrecht voor een steeds groter deel van het omgevingsrecht en worden in de LHSO dan ook als uitgangspunt genomen. Wanneer regels worden overtreden – en het vertrouwen daardoor wordt geschaad –, is een passende interventie geboden. Welke interventie passend is, hangt af van de aard, zwaarte, oorzaken en gevolgen van de overtreding en van het verwachte effect van de interventie. Het gedrag van de overtreder speelt vooral bij bestraffende interventies ook een belangrijke rol. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid behoren interventies in vergelijkbare situaties op eenzelfde wijze te worden toegepast. Interveniëren is daarbij breder dan het opleggen van sancties; ook aanspreken, waarschuwen en informeren kunnen in een concreet geval passende interventies zijn. De LHSO biedt een afwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren. De LHSO dient als hulpmiddel voor een effectieve en rechtmatige handhaving. Brede toepasselijkheid; werkingssfeer ook naast de verplichte basistaken mogelijk De LHSO heeft betrekking op de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regels. Ze is bedoeld als instrument voor de organisaties belast met de handhaving daarvan. Toepassing van de LHSO leidt tot afgestemd en effectief bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreden. Daarom is de LHSO met de daarin neergelegde visie, uitgangspunten en richtsnoeren, breed toepasbaar. De LHSO kan dan ook door bestuursorganen worden vastgesteld voor andere taken dan de verplichte basistaken. Ook zou de LHSO kunnen worden toegepast door andere bestuursorganen. De uiteindelijke werkingssfeer hangt dus af van de mate waarin bestuursorganen de LHSO toepassen en in hun handhavingsbeleid overnemen. Alle bij de LHSO betrokken handhavingspartners hebben de wens en zien de verplichting om te komen tot integrale en effectieve handhaving op het geheel van ordeningswetgeving, en het omgevingsrecht in het bijzonder. De noodzaak ligt besloten in de wijze waarop de Europese en Nederlandse wetgever toezicht en opsporing en handhaving hebben geregeld. De noodzaak komt ook naar voren uit een reeks onderzoeksrapporten. De LHSO is de tussen de handhavingspartners afgestemde strategie om tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving af te wegen. Met de vaststelling van de LHSO door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb) vervalt de landelijke handhavings-strategie van 4 juni 2014. De LHSO zal vijf jaar na de vast-stelling op initiatief van het Interprovinciaal overleg worden geëvalueerd. 1.3 Opzet van dit document Het grote bereik van de Omgevingswet brengt mee dat de LHSO een brede reikwijdte heeft. Er is daarom gekozen voor de volgende opzet. In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten en beginselen voor de handhaving van het omgevingsrecht uiteengezet, waaronder die voor de noodzakelijk samenwerking tussen de handhavingspartners. Die beginselen en uitgangspunten spelen een belangrijke rol bij de wijze waarop de passende interventie wordt gekozen. De algemene strategie hiervoor is te vinden in hoofdstuk 3 (visie) en hoofdstuk 4 (stappenplan). In hoofdstuk 5 worden de randvoorwaarden en processtappen voor het werken met de LHSO gegeven. In aanvulling op de LHSO kunnen er handhavings- of sanctiestrategieën zijn voor specifieke deelterreinen van het omgevingsrecht vergelijkbaar met de aanvulling voor Seveso-overtredingen (Brzo) uit 2012. Landelijke handhavingsstrategie (algemeen/basis) De handhavingsstrategie bestaat inhoudelijk uit een visie op de handhaving, een beschrijving van de keuzes tussen interventies, de processtappen om – in het licht van de uitgangspunten en beginselen – in een concreet geval tot de juiste keuze voor een passende interventie te komen en de beslispunten voor het bevoegd gezag. De landelijke VTH kwaliteitscriteria7 In dit document wordt uitgegaan van de VTH Kwaliteitscriteria 2.2 uit 2019. vereisen voor het basistakenpakket een uniforme handhavingsstrategie op het niveau van de regio; door het overnemen van de landelijke handhavingsstrategie kan aan deze verplichting van met name de deelnemers aan een Omgevingsdienst worden voldaan. De handhavingsstrategie in hoofdstuk 3 ziet dan ook primair op de basistaken, waarvoor het vaststellen van een uniforme handhavingsstrategie op het niveau van de omgevingsdienst voor met name de deelnemers aan een Omgevingsdienst wettelijk verplicht is, maar kan ook worden vastgesteld voor en toegepast bij de uitvoering en handhaving van de niet-basistaken. De LHSO kan op deze manier worden gebruikt voor (veel) meer delen van of zelfs het gehele omgevingsrecht. Dat heeft als voordeel dat ook handhavingspartners zoals de politie en bijzondere toezicht- en opsporingsinstanties er meer mee zouden kunnen gaan werken. Keuzemodules niet-basistakenpakket: keuzestrategieën Vanwege de breedte van het omgevingsrecht is de handhavingsstrategie naar zijn aard algemeen. De keuze van bestuursorganen om de LHSO ook vast te stellen voor handhaving buiten de verplichte basistaken kan verder worden ondersteund met een aantal modules waarin bouwstenen en modellen zijn opgenomen voor specifieke deelterreinen van het omgevingsrecht buiten dat basistakenpakket. Te denken valt aan bouwregels en erfgoedregels, vanwege de daarvoor bestaande bestuurlijke boetebevoegdheden, maar het is denkbaar dat in de loop van de komende tijd andere modules worden toegevoegd die geschikt zijn voor een landelijke benadering.3 De landelijke handhavingsstrategie Brzo die van toepassing is bij de hand-having van Seveso-voorschriften, is een voorbeeld van een landelijke module die al bestond vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het gaat hier om een module ‘bovenop’ de algemene landelijke handhavingsstrategie voor een basistaak waarvoor de specifieke deskundigheid is vereist die bij een klein aantal

(6)omgevingsdiensten is gebundeld. Er valt ook te denken aan modules voor andere taken dan de verplichte basistaken. Deze domeinspecifieke strategieën kan het bevoegd gezag (het OM daaronder begrepen) naar keuze vaststellen, al dan niet aangepast aan de lokale situatie. Ook kan het bevoegd gezag ervoor kiezen samen met het vaststellingsbesluit LHSO of in een latere aanvulling daarop eigen lokale, bovenlokale of regionale strategieën vast te stellen voor bepaalde deelterreinen naar keuze. De elektronische bekendmaking van zo’n besluit maakt deze beleidskeuze transparant. HOOFDSTUK 2 Uitgangspunten en beginselen Aan het Unierecht en het Nederlandse geschreven en ongeschreven recht kan een aantal uitgangspunten en beginselen worden ontleend die centraal staan bij de handhaving van het omgevingsrecht en de samenwerking tussen de handhavingspartners. Dat zijn de volgende. 2.1 Uitgangspunten A.Veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Handhaving door de overheid van het omgevingsrecht draagt bij aan het bereiken van de doelen van de Omgevingswet: duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Ook handhaving is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en op het doelmatig beheren en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving. B.Vertrouwen. De Omgevingswet gaat uit van vertrouwen. Bij vertrouwen hoort het nemen van verantwoordelijkheid. De overheid wil erop kunnen vertrouwen dat burgers en bedrijven zich houden aan de voor hen geldende regels. Burgers en bedrijven moeten er op kunnen vertrouwen dat de overheid degenen die regels overtreden daarop aanspreekt. Het spreekt vanzelf dat burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat de overheid ook zelf de regels naleeft. En de instanties die met de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht zijn belast, handelen op basis van onderling vertrouwen en respect. C.Integraal, risico gestuurd en effectgericht. Handhaving in het omgevingsrecht is integraal (de activiteiten van de betrokken overheidsorganisaties zijn onderling afgestemd), risico gestuurd (prioritering op basis van regelmatige risico-inventarisatie om met beperkte capaciteit een zo groot mogelijke beperking van risico’s te bereiken) en effectgericht (het doel is een zo groot mogelijke naleving om bij te dragen aan de doelen van de Omgevingswet). Vanzelfsprekend wordt waar nodig en/of op verzoek van handhavingspartners ook buiten vooraf gestelde prioriteiten opgetreden. D.Onafhankelijk en professioneel. Het tot handhaving bevoegde gezag is sterk, slagkrachtig en onbevangen. Het heeft een onafhankelijke houding, is deskundig en professioneel, en handelt zonder vooringenomenheid. Handhavingsinstanties en hun medewerkers handelen consequent en vasthoudend op basis van de geldende wet- en regelgeving en de landelijke handhavingsstrategie. Het belang van sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhaving is groot. De handhavingsinstanties zijn daarom robuust, hebben voldoende kritische massa en beschikken over de benodigde professionele afstand tot het politiek-bestuurlijke gezag. Ook is het belangrijk dat er ruimte is voor medewerkers om hun professionele mening naar voren te brengen. Alle bevoegde bestuursorganen en handhavingsorganisaties dragen hier aan bij. Indien en voor zover omgevingsdiensten met de uitvoering van handhavingstaken op grond van de Omgevingswet zijn belast, verstrekken de bevoegde bestuursorganen deze diensten een duidelijke opdracht en een ruim mandaat om die opdracht op professionele wijze uit te kunnen voeren. E.Loyale samenwerking. Met het oog op effectieve handhaving werken de met handhaving belaste bestuurlijke, politiële en justitiële autoriteiten loyaal met elkaar samen, hebben ze regelmatig overleg en handelen ze op basis van vertrouwen en respect. Ze wisselen waar mogelijk en noodzakelijk informatie met elkaar uit en delen kennis met elkaar. Ze stemmen hun handhavingsprogramma’s op elkaar af om planmatig effectief en integraal te handhaven en ze stemmen hun handhavingsactiviteiten af om te komen tot passende interventies en de gekozen interventies effectief te doen zijn. Ze beseffen dat het delen van beschikbare informatie een noodzakelijke voorwaarde is voor een toereikende informatiepositie en effectieve handhaving. De handhavingspartners voldoen zo aan de verplichtingen uit het Unierecht die zijn neergelegd in vele richtlijnen en verordeningen en worden afgeleid uit de algemene verplichting tot loyale samenwerking bij handhaving. Ook de aangifteplicht uit artikel 162 Sv en de voorlegplicht bij bestuurlijke boetes op grond van artikel 5:44 Awb zijn invulling van loyale samenwerking. F.Adequate overlegstructuur. Effectieve handhaving gaat uit van een adequate overlegstructuur waarin de bevoegde instanties en de bij hen werkzame toezichthouders en opsporingsambtenaren elkaar op het juiste moment informeren, overleg hebben en de vereiste loyale samenwerking tot stand brengen. De LHSO gaat uit van het bestaan van deze adequate overlegstructuur op zowel zaaksniveau als op meer algemeen, strategisch en beleid vaststellend niveau, met inachtneming van organisatorische verschillen per regio. Met deze overlegstructuur wordt ook de samenwerking tussen het bestuur en de politie en het openbaar ministerie loyaal en effectief gemaakt. G.Dienstbaar. Het tot handhaving bevoegde bestuurlijk gezag verwacht van zijn bestuurders en medewerkers dat zij handelen in het algemeen belang en dat zij zich dienstbaar opstellen en rolvast zijn richting betrokken burgers en bedrijven, verzoekers om handhaving en overtreders. H.Transparant. Het tot handhaving bevoegde gezag is transparant over zijn afwegingen, beleid, prioriteiten, activiteiten en resultaten. 2.2 Beginselen A.Handhaving van het omgevingsrecht is gelijkwaardig, doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig om een goede naleving te bereiken. Het Unierecht normeert een steeds groter deel van het omgevingsrecht en in toenemend detail. Dat betekent dat de nationale handhaving aan unierechtelijke kwaliteitseisen moet voldoen. De handhaving van unierechtelijke regels dient gelijkwaardig te zijn aan die van nationale regels, en ze dient doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig te zijn. Deze algemene, op artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie gebaseerde eisen horen daarom thuis in de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht. Het evenredigheidsbeginsel brengt met zich dat de herstelsancties, bijvoorbeeld de hoogte van de dwangsom, evenredig zijn aan het doel ervan en dat bij bestuurlijke boetes maatwerk wordt betracht. Bij de strafrechtelijke handhaving geldt het opportuniteitsbeginsel en is het evenredigheidsbeginsel beter bekend als beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. B.Beginselplicht tot handhaving. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken (of een handhavingstraject in gang moeten zetten dat tot het gebruiken van die bevoegdheid zal of kan leiden). Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Het bevorderen van normconform gedrag staat bij handhaving centraal. In het omgevingsrecht is vaak herstel van de rechtmatige situatie mogelijk. Voor herstelsancties geldt de beginselplicht tot handhaven. Het overheidsoptreden is erop gericht dat eenieder zich uit eigen beweging normconform gedraagt. De beginselplicht tot handhaving biedt in veel gevallen ruimte om eerst te waarschuwen. Een bepaald gedrag of de aard van de overtreding kan echter aanleiding zijn om niet te waarschuwen, en dan wordt normconform gedrag in beginsel afgedwongen door de inzet van steviger handhavingsinstrumenten. Indien de geconstateerde overtreding nog voortduurt, is het handhavend optreden in ieder geval gericht op het beëindigen van de overtreding, herstel van de rechtmatige situatie (het naleven van de norm) en het voorkomen van herhaling, en bestraffing. Het bevoegd gezag beziet in voorkomende gevallen of er aanleiding is om ook een bestuurlijke boete op te leggen aan de overtreder of om in nauw overleg met het openbaar ministerie strafrechtelijk te reageren. Bestraffende sancties en herstelsancties kunnen immers naast elkaar voor dezelfde overtreding worden opgelegd. Met algemene kaders of in een concreet geval moet dan ook steeds worden bezien of er aanleiding is voor strafrechtelijke of bestuursrechtelijke bestraffing. C.Gelijkheidsbeginsel De overheid behoort gelijke gevallen gelijk te behandelen. Voor het bestuurlijk bevoegd gezag vloeit dat voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het waarborgen van een level playing field is daarvan een onderdeel. Bij handhaving is dat van zo mogelijk nog groter belang. Dit vergt van de handhavende instanties dat zij stelselmatig en consistent handelen. Het uitgangspunt van transparantie en het gelijkheidsbeginsel betekenen dat het bestuursorgaan voorspelbaar handelt bij overtredingen. Het Openbaar Ministerie weegt bij zijn strafrechtelijke beslissingen het opportuniteitsbeginsel met het gelijkheidsbeginsel af. De werking van dat beginsel is in het strafprocesrecht niet altijd gelijk aan de werking in het bestuursrecht. Onderlinge afstemming en overleg is van groot belang om recht te doen aan zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke invulling van het gelijkheidsbeginsel met het oog op effectieve handhaving en naleving. D.Verdedigingsbeginsel De persoon of onderneming die als overtreder of als klager te maken krijgt met handhavend overheidsoptreden moet in de gelegenheid worden gesteld haar of zijn zienswijzen kenbaar te maken, en daarvoor een redelijke termijn te krijgen. Bij bestuursrechtelijke handhaving heeft dit beginsel mede uitwerking gekregen in de hoorplicht van art. 4:7 en 4:8 Awb (spoedeisende gevallen uitgezonderd). In voorkomend geval betekent dit dat de verklaring van een deskundige of getuige moet kunnen worden ingebracht. Het draagvlak van de handhaving wordt versterkt door een overheid die recht doet aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verdedigingsbeginsel. Dat beginsel is ook neergelegd in tal van verdragsbepalingen (zoals artikel 6 EVRM) en in het Unierecht. In het strafrecht wordt de verdachte (onderneming) ook beschermd door zijn verdedigingsrechten. E.Respect voor fundamentele rechten Het spreekt vanzelf, en het staat zeker niet op de laatste plaats: respect voor fundamentele rechten. Juist bij handhaving – waar veel handelen inbreuk (kan) maken op deze rechten - is dat respect van groot belang. Er moet daarbij in het bijzonder worden gedacht aan fundamentele rechten zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het huisrecht en het zwijgrecht. HOOFDSTUK 3 Visie op een passende interventie De LHSO zet in op een passende interventie bij iedere overtreding. Handhavers hanteren de strategie bij iedere constatering van een overtreding en maken daarbij gebruik van de daarin aangegeven instrumenten. Dit waarborgt een effectieve en doelmatige handhaving. Het draagt bij aan passend en eenduidig optreden. Het waarborgt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Een passende interventie is een interventie die is gebaseerd op de verzamelde feiten en op een beoordeling van de aard en ernst van de overtreding en van de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, en die zo effectief en efficiënt mogelijk leidt tot spoedig herstel van de rechtmatige toestand, verdere naleving waarborgt, herhaling voorkomt en/of straft indien dit passend of noodzakelijk is om de normadressaat tot naleving te bewegen dan wel om de norm te bevestigen (speciale en generale preventie). Om in het omgevingsrecht tot een passende interventie te komen, zijn de volgende twee hoofdvragen leidend: Inzake herstel Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en is de vervolgvraag: Welke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het meest geschikt? Inzake bestraffing Is er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag: Welke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het meest passend? Dit zijn twee vragen met gelijk belang. Positieve beantwoording van de één betekent niet dat beantwoording van de andere hoofdvraag achterwege zou moeten worden gelaten. De vragen zijn nevengeschikt. Het zijn vragen die zowel door de bestuurlijke als door de strafrechtelijke handhavingspartners behoren te worden gesteld. In combinatie met het beginsel van loyale samenwerking betekent dit bijvoorbeeld ook dat het Openbaar Ministerie zich dient af te vragen of er herstel mogelijk is met bevoegdheden van de bestuurlijke handhavingspartners, en deze laatste partners of er bestraffende interventies kunnen zijn aangewezen waar het Openbaar Ministerie een taak heeft. Loyale samenwerking betekent onder meer ook dat waar mogelijk tijdig informatie wordt gewisseld om het beantwoorden van deze hoofdvragen op het juiste moment mogelijk te maken voor de ander in de handhavingssamenwerking. Ad 1a en 1b (inzake herstel) Centrale doelstelling van het omgevingsrecht is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat bij de handhaving van het omgevingsrecht herstel van de rechtmatige toestand altijd het eerste doel moet zijn, indien herstel uiteraard mogelijk is. Herstel wordt hier ruim opgevat: het beëindigen van de overtreding, het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding en/of het voorkomen van herhaling van de overtreding. Het aansturen op herstel ligt primair op de weg van het bestuur, dat zo nodig namelijk een herstelsanctie (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) kan opleggen en effectueren. Dit volgt ook uit de beginselplicht tot handhaving. Welke bestuurlijke interventie het meest passend is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en ernst van de overtreding, kenmerken van de overtreder en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd of ontstaan. De keuze vindt plaats aan de hand van het stappenplan en de interventiematrix uit hoofdstuk 4. Ad 2a en 2b (inzake bestraffing) In het kader van integrale handhaving moet steeds worden beoordeeld of er aanleiding is om de overtreder te bestraffen. Redenen voor bestraffing worden ontleend aan de feiten en omstandigheden rond de overtreding, de overtreder of een combinatie daarvan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de overtreder al eerder in de fout is gegaan (recidive) of dat de overtreder de overtreding calculerend of welbewust heeft gepleegd. Ook de ernst van de overtreding, de wens om wederrechtelijk genoten economisch voordeel af te romen, het belang van ontmoediging, normbevestiging, individuele en algemene preventie etc. kunnen dergelijke redenen vormen. Strafrechtelijke handhaving is vaak aangewezen bij overtreding van de regels door een bepaalde functionaris of onderneming die in ethisch opzicht of in verband met het bijzondere vertrouwen dat in haar of zijn nastreven van normconform gedrag wordt gesteld een voorbeeldrol heeft. Dit kan per geval en ook per domein verschillen en wordt beoordeeld aan de hand van het stappenplan en de toepasselijke interventiematrix alsmede aan de hand van tussen de betrokken handhavingspartners gemaakte (afgestemde) afspraken. Als herstel niet meer mogelijk is, kan geen herstelsanctie worden opgelegd. Dat kan een indicatie zijn om een bestraffende sanctie op te leggen. Zie verder hoofdstuk 4 van deze strategie. Indien in een concreet geval aanleiding bestaat voor bestraffing en het bestuursrecht voor de betrokken overtreding een bestraffende sanctie mogelijk maakt (bestuurlijke boete), moet worden bekeken welke weg in dat geval het meest passend is: de bestuursrechtelijke of de strafrechtelijke. Dit kan per geval en per domein verschillen. Het OM en het bestuur zullen hierover afspraken moeten maken. Bij deze afspraken zal in de eerste plaats rekening moeten worden gehouden met de wens van de wetgever in het betrokken domein over de verhouding tussen de bestuurlijke of strafrechtelijke bestraffing. Juist waar de wetgever bepaalde overtredingen niet uitsluitend beboetbaar heeft gesteld, maar zowel strafbaar als beboetbaar kan de wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteenlopen. Ook bij de inzet van het strafrecht is de effectiviteit in relatie tot de inzet van andere instrumenten leidend (optimum remedium in plaats van ultimum remedium). Doeltreffendheid, afschrikwekkendheid en evenredigheid zijn eisen die aan zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke handhaving worden gesteld. Echter, het accent van deze eisen ligt bij strafrechtelijke handhaving iets anders dan bij bestuursrechtelijke handhaving. Zo zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving. De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dat betekent vaak dat bestuursrechtelijke handhaving sneller en breder effect kan hebben, terwijl strafrechtelijke handhaving dieper kan en moet gaan, en mede daardoor in voorkomend wat meer tijd kan vergen. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken een rol zullen (moeten) spelen. OM, politie en andere opsporingsdiensten evenals het bestuur werken in voorkomende gevallen loyaal samen om tot een passende bestraffing te komen. HOOFDSTUK 4 Stappenplan om te komen tot een passende interventie Dit hoofdstuk geeft een stappenplan voor het toepassen van de visie uit hoofdstuk 3. Startpunt van het stappenplan zijn de bevindingen van het toezicht (al dan niet na een melding of aangifte): de constatering van feiten en omstandigheden en het oordeel van de toezichthouder, boa of handhaver daarover (de vaststelling dat sprake is van een overtreding). Het stappenplan is een hulpmiddel om de juiste afwegingen te maken en moet in geen geval als een rigide beslisboom worden beschouwd. De LHSO is immers vooral een afwegingsinstrument voor uitvoerders en richt zich tot hen. Aan de hand van het stappenplan, waartoe de hierna weer te geven interventiematrix behoort, kan worden gekomen tot onderling afgestemd en effectief handelen van de handhavingspartners.8 Dit is ook de reden waarom de LHSO – evenals haar voorgangster – niet als recht in de zin van artikel 79 RO kan worden beschouwd (zie onder meer HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:436 en Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2021, ECLI:NL:G-HARL:2021:640). Uit rechtspraak vloeit voort dat op het openbaar ministerie niet de verplichting rust om in individuele, concrete gevallen te motiveren waarom de omstandigheden van die zaak het OM tot afwijking van de LHSO deden besluiten. Het stappenplan bestaat uit de volgende vijf stappen: Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix. Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing. Stap 3: optreden aan de hand van de [algemene of domeinspecifieke] interventiematrix. Stap 4: bepalen of afstemmingsoverleg nodig is Stap 5: vastleggen stappen en beslissingen. Het stappenplan wordt hieronder per stap toegelicht. Het begrip ‘handhaver’ ziet op iedere functionaris –toezichthouder, opsporingsambtenaar, handhavingsjurist – die binnen de betrokken organisatie (een of meer onderdelen van) het stappenplan doorloopt. 4.1 Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix De handhaver9 Afhankelijk van de organisatie of het complexe karakter van de betrokken kwestie kan dit positioneren door twee (of meer) handhavers plaatsvinden. bepaalt in welk segment van de in figuur 1 opgenomen matrix (de basisinterventiematrix) hij zijn bevindingen positioneert door
(1)het beoordelen van de gevolgen van de overtreding voor de fysieke leefomgeving, zoals milieu, erfgoed, natuur, water, ruimtelijke ordening, veiligheid, gezondheid e.d., en
(2)het typeren van de (vermeende) overtreder.10 Uit een oogpunt van duidelijkheid wordt de term overtreder gebruikt, ook al kan in de praktijk op enig moment in een procedure blijken dat betrokkene toch niet als overtreder kan worden aangemerkt (bijvoorbeeld – vgl. bij rechts-personen – omdat de overtreding hem/haar niet kan worden toegerekend of omdat er achteraf beschouwd geen sprake was van een overtreding). 4.Aanzienlijk en/of onom-keerbaar A4 B4 C4 D4 3. Van belang A3 B3 C3 D3 2. Beperkt A2 B2 C2 D2 1. Vrijwel nihil A1 B1 C1 D1 [gevolgen ↑/ overtreder →] A. Goed-willend B. Onver-schillig C. Calcu-lerend D. Notoir/ crimineel Figuur 1 Basisinterventiematrix voor het positioneren van de overtreding naar gevolgen en typering overtreder Ad 1 Typering van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving De handhaver beoordeelt de gevolgen van de geconstateerde overtreding voor de fysieke leefomgeving als: (vrijwel) nihil; of beperkt; of van belang; of aanzienlijk en/of onomkeerbaar. Onder gevolgen worden ook dreigende gevolgen verstaan, dat wil zeggen als de overtreding (mogelijk) leidt tot (bij categorie 3 en 4: aanmerkelijke) nadelige gevolgen van belang (of het risico daarop) voor de fysieke leefomgeving, zoals hinder, schade aan beschermde waarden (zoals milieu, natuur of erfgoed), verontreiniging, zieken, gewonden of doden (mens, plant en dier). Ook kunnen daaronder de gevolgen van een overtreding worden verstaan die de mogelijkheden van controle beperken of onmogelijk maken, en de gevolgen of verstorende effecten die de overtreding heeft of kan hebben voor het gezag van de overheid of voor het systeem van ordening- of normering van de betrokken bedrijfstak als zodanig. Bij gevolgen is sprake van een glijdende schaal en het verschilt per (type) overtreding wat de gevolgen kunnen zijn en hoe ernstig die kunnen zijn. In zijn algemeenheid gaat het bij categorie 1 en 2 om lichte overtredingen. Het onderscheid tussen gevolgen van belang (categorie 3) en aanzienlijke gevolgen (categorie 4) zit vooral in de ernst en omvang van de (dreigende) schade. Schade van enige omvang die onomkeerbaar is, wordt in beginsel ingedeeld in categorie 4. Voor specifieke domeinen of specifieke (bijvoorbeeld veelvoorkomende) overtredingen kan de kwalificatie van de gevolgen van een geconstateerde overtreding nader worden uitgewerkt om de handhavers houvast te bieden. De handhaver baseert zijn kwalificatie van de gevolgen op de bevindingen van het toezicht. Als duidelijk is dat de overtreding nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of kan hebben maar de precieze omgeving daarvan nog niet kan worden vastgesteld, hanteert hij als uitgangspunt dat er gevolgen van belang zijn. Ad 2 Typering van (het gedrag van) de overtreder De handhaver typeert de overtreder aan de hand van zijn gedrag als: Goedwillend (indien de overtreder proactief is, geneigd is om de regels te volgen en/of de overtreding het gevolg is van onbedoeld handelen); of Neutraal/onverschillig (indien de overtreder passief of reactief is, een houding van ‘moet kunnen’ heeft en/of de bevinding en de gevolgen van zijn handelen hem koud laten); of Calculerend/opportunistisch (indien de overtreder wist of moest weten wat de gevolgen van de bevinding zouden zijn en die op de koop toe neemt, alleen tot normconform gedrag overgaat indien de toezichthouder daar uitdrukkelijk op wijst (of daarvoor een sanctie laat opleggen of oplegt), bewust risico(’
  1. s)op overtreding neemt); of Notoir/crimineel (indien de overtreder bewust en structureel de regels overtreedt, controle bewust belemmert, criminele activiteiten ontplooit en/of deel uitmaakt van een criminele organisatie, sprake is van fraude, oplichting of witwassen). Van professionele marktpartijen en ervaren personen of bedrijven mag worden verwacht dat zij de regels kennen en streven naar de naleving daarvan.11 Dit neemt uiteraard niet weg dat van de overheid kan worden verwacht dat burgers en bedrijven goed worden voorgelicht over nieuwe regels en wijzigingen van regels. Goede voorlichting en transparantie draagt bij aan grotere naleving. En voor de overheid als overtreder geldt hier dat voor de kennis over en de naleving van regels gelet op haar voorbeeldfunctie strenge maatstaven gelden. Dat betekent dat een geconstateerde overtreding al snel wijst op een onverschillige houding of zelfs aanknopingspunt kan zijn voor het aannemen van calculerend gedrag. Dat geldt sterker indien een overtreding (steeds) pas ongedaan wordt gemaakt nadat een toezichthouder erop heeft gewezen. De handhaver baseert de typering op de bevinding van het toezicht en neemt daarbij het gedrag van de overtreder en de toezicht- en handhavingshistorie mee in de beschouwing. De typering van de overtreder moet objectief en controleerbaar zijn en mag niet zijn gebaseerd op ‘onderbuikgevoelens’. Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering A het uitgangspunt bij overtredingen waarvan de gevolgen vrijwel nihil zijn (categorie 1) en typering B het uitgangspunt bij overtredingen met beperkte gevolgen, gevolgen van belang of aanzienlijke/onomkeerbare gevolgen (categorie 2, 3 en 4). 4.2 Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die aanleiding geven voor een meer ingrijpende op herstel gerichte interventie of voor bestraffing. Bij de op herstel gerichte interventie hangen de verzwarende aspecten samen met de mate waarin er op feiten en omstandigheden gebaseerd vertrouwen is dat de overtreder terugkeer naar normconformiteit nastreeft en herstel. Dat vertrouwen is bijvoorbeeld geschonden wanneer er sprake is van recidive. (hoofdvragen 1a en 1b) De handhaver bepaalt of er aspecten zijn die aanleiding geven voor bestraffing (hoofdvraag 2a), hetzij, - indien wettelijk mogelijk - met een bestuursrechtelijke bestraffing (bestuurlijke boete), hetzij met een strafrechtelijke bestraffing (strafbeschikking of strafvervolging). Hieronder valt ook de beslissing dat (nader) strafrechtelijk onderzoek aangewezen lijkt. De uitkomst van beantwoording van de hiervoor beschreven twee hoofdvragen (herstel of bestraffing) kan in veel gevallen zijn dat met herstel kan worden volstaan. Bij sommige aspecten is sowieso strafrechtelijke handhaving geïndiceerd. In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor de soort bestraffing afhankelijk is van de wens van de wetgever in het betrokken domein. De wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing loopt per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteen. Zoals hiervoor is toegelicht, zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving met bestraffende sancties meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving. De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuurs-rechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken in zijn algemeenheid een rol zullen (moeten) spelen. De volgende aspecten worden in elk geval meegewogen bij de keuze voor strafrechtelijke bestraffing: Onomkeerbare gevolgen/geen herstelsanctie mogelijk: de overtreding heeft nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving die niet (meer) kunnen worden weggenomen, zoals onherstelbare milieuschade, of de normadressaat heeft het anderszins niet (meer) in zijn macht om de rechtmatige toestand te herstellen. Hoe groter en/of ernstiger de schade, hoe eerder strafrechtelijke handhaving is geïndiceerd. Een overtreding met onomkeerbare gevolgen zal overigens veelal al meteen bij het indelen in de basisinterventiematrix (stap 1) in de zwaardere interventiecategorie vallen. Recidive: de normadressaat was al eerder in de fout gegaan en eerdere herstelsancties en/of een bestuurlijke boete hadden een onvoldoende preventief effect. Omdat het hier een beleidsmatige afweging betreft, zijn (algemene of domeinspecifieke) afspraken mogelijk over wat onder recidive wordt verstaan: herhaling van dezelfde overtreding, van eenzelfde type overtreding (en wat dat dan
  2. is)of van een overtreding in het betrokken domein – en alles daartussen. Bij het bepalen van recidive worden ook overtredingen meegenomen uit andere regio’s, ook overtredingen uit aangrenzende landen of het verdere buitenland kunnen worden meegenomen. Verkregen financieel voordeel (winst of besparing): de normadressaat heeft door zijn handelen of nalaten financieel voordeel behaald en/of het behalen van financieel voordeel was het doel. Als het voordeel (substantieel) hoger is dan de maximale bestuurlijke boete die voor het betrokken feit kan worden opgelegd of als er helemaal geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd, is strafrechtelijke handhaving aangewezen. Combinatie met andere relevante strafbare feiten: de normadressaat heeft andere strafbare feiten gepleegd om de in het omgevingsrecht geconstateerde overtreding te verhullen, zoals valsheid in geschrifte of omkoping, of de geconstateerde overtreding is gepleegd in het kader van andere strafbare feiten, zoals witwassen. Een zeer belangrijke indicator is ook het vermoeden van het bestaan van een criminele organisatie. Medewerking van malafide deskundigen (“facilitators”): De normadressaat is bij zijn handelen ondersteund door malafide deskundigen, zoals malafide vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringsinstanties en brancheorganisaties. Het gaat hier om de inschakeling van ‘facilitators’, dat wil zeggen sleutelfiguren in een branche die niet-naleving bewust faciliteren. Het ligt voor de hand dat het strafrecht zich in het bijzonder juist op deze facilitators zal richten. Loyale samenwerking tussen het OM en het bestuur is hier van groot belang alleen al gelet op de taken en bevoegdheden van het bestuur bij het verlenen en intrekken van vergunningen, certificaten en dergelijke. Waarheidsvinding: soms is strafrechtelijke handhaving aangewezen vanwege de mogelijkheid van het toepassen van opsporingsbevoegdheden waarover de bestuurlijke organisaties niet beschikken. Strikt genomen gaat het hier niet om een verzwarende omstandigheid maar om de inzet van onderzoeksbevoegdheden die alleen in het strafrecht voorhanden zijn. Die bevoegdheden kunnen veelal alleen worden ingezet bij zwaardere feiten. Normbevestiging: het strafrecht is het meest indringende corrigerende systeem. Juist door zijn expressieve kracht is het bij uitstek geschikt om het belang van regels en de ernst van niet-naleving te agenderen bij politiek, publiek en branche. In aanvulling op deze algemene verzwarende aspecten kunnen per domein domeinspecifieke verzwarende aspecten worden geformuleerd. 4.3 Stap 3: optreden aan de hand van de algemene of domeinspecifieke interventiematrix De LHSO heeft als uitgangspunt om de meest effectieve interventie in te zetten. Dat betekent in veel gevallen dat kan worden volstaan met een lichte interventie. In andere gevallen brengt de situatie mee dat zo’n lichte interventie geen recht doet, en moet een zwaardere, meer ingrijpende interventie worden gekozen. Per situatie wordt deze ‘interventieladder’ beoordeeld met de vraag wat de meest effectieve interventie is in het concrete geval. Daarbij speelt ook het maatschappelijk draagvlak voor handhaving een belangrijke rol. Zo zal bij een goedwillende overtreder die een lichte overtreding zonder nadelige gevolgen heeft gepleegd (positionering in segment A1) in eerste instantie kunnen worden volstaan met aanspreken, informeren of waarschuwen.12 Dit is ook de bedoeling van de wetgever (MvT Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 48): “Wanneer de gevolgen van een overtreding beperkt zijn en de overtreder normaal gesproken de regels naleeft en de betreffende overtreding onbedoeld heeft begaan, zal kunnen worden volstaan met een lichte interventie, zoals een waarschuwing.” Moet die overtreder (beperkte) maatregelen treffen om de overtreding op te heffen en laat hij dat na of gaat hij anderszins weer in de fout, dan wordt opgeschaald naar bijvoorbeeld het opleggen van een herstelsanctie of een bestuurlijke boete. De handhaver gebruikt bij stap 4 de algemene of, indien beschikbaar en van toepassing, de domeinspecifieke interventiematrix. Dit werkt als volgt: De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van de toepasselijke interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 4.1) in de basisinterventiematrix heeft gepositioneerd. De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de bij het betreffende segment behorende interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(
  3. s)in de betreffende situatie passender is. Daarbij maakt hij gebruik van zijn bevindingen bij stap 2 (inzake eventuele verzwarende aspecten; paragraaf 4.2). De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(
  4. s)in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door via het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s). De (mogelijke) gevolgen: Interventiematrix 4. Aanzienlijken/of onomkeerbaar Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV/nader strafr. onderzoek Strafrecht PV/nader strafr. onderzoek Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht ingrijpend Exploitatieverbod/sluiting Schorsen/intrekken vergunning, erkenning of certificaat Bestuursrecht ingrijpend Exploitatieverbod/sluiting Schorsen/intrekken vergunning, erkenning of certificaat Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) Verscherpt toezicht Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) Verscherpt toezicht Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) 3. Van belang Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV/nader strafr. onderzoek Strafrecht PV/nader strafr. onderzoek Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht ingrijpend Exploitatieverbod/sluiting Schorsen/intrekken vergunning, erkenning of certificaat Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen). Verscherpt toezicht Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen). Verscherpt toezicht Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) 2. Beperkt Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht PV Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen). Verscherpt toezicht Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) 1. Vrijwel nihil Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV Strafrecht PV Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete (indien mogelijk) Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing Het gedragvan de overtreder is: A. Goedwillend, proactief (dwz beëindigt overtreding eigener beweging) B. Onverschillig C. Calculerend D. Notoir/crimineel In aanvulling op de LHSO kunnen er handhavings- of sanctiestrategieën zijn voor specifieke deelterreinen van het omgevingsrecht vergelijkbaar met de aanvulling voor Seveso-overtredingen (Brzo) uit 2012. Maatvoering (termijnen) In algemene zin geldt voor het stellen van termijnen het volgende: Gedragsvoorschriften dienen direct in acht te worden genomen. Hiervoor moet geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen. In alle andere gevallen, waaronder ook situaties waarin voor het treffen van herstelmaatregelen (al dan niet aanzienlijke) investeringen moeten worden gedaan, geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. De termijn moet altijd worden afgestemd op de tijd die redelijkerwijs nodig is om de benodigde herstelmaatregelen te treffen, dus rekening houdend met de technische en organisatorische uitvoerbaarheid. 4.4 Stap 4: bepalen of afstemmingsoverleg nodig is Indien er aan de hand van stap 1 en stap 2 wordt vastgesteld dat er aanleiding is voor bestraffing, beziet de handhaver bij stap 3 of er overleg met andere handhavende instanties is afgesproken of om andere redenen nodig is. Indien er is afgesproken dat de bestraffende interventie een strafrechtelijke is, dan wordt die weg ingezet. Indien er sprake is van opzettelijk of zeer nalatig veroorzaken van gevaar aan personen en/of milieu wordt steeds overleg met het OM gevoerd. Afhankelijk van de afspraken vindt er nadere afstemming plaats of niet. De gemaakte afspraken en de afstemming kunnen betekenen dat er een gezamenlijke interventie plaatsvindt. Deze stap beoogt het faciliteren van goede afstemming en weloverwogen inzet van het handhavingsinstrumentarium. Het betreft daarom tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien nodig en volgens de (algemene of domeinspecifieke) gemaakte afspraken het overleg op met politie en OM en omgekeerd. Samen met tijdige informatie-uitwisseling is dit tweerichtingsverkeer een uitwerking van het beginsel van loyale samenwerking. Aan overleg is meer behoefte als voor de betrokken situatie geen standaard afspraken over de afstemming tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving gelden. De standaardafspraken voor de betrokken situatie kunnen voorzien in overleg of overleg wordt gezocht als de handhaver in de bevindingen van het concrete geval aanleiding ziet om van de standaard afspraken af te wijken. Uit een oogpunt van doelmatige handhaving wordt zoveel mogelijk gehandhaafd op basis van algemene afspraken tussen bestuur, politie en justitie over afstemming en keuzes voor afdoening. Als de handhaver in een con

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.