Verordening op de heffing en invordering van verblijfsbelasting 2026De raad van de gemeente Bergen, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet; Besluit Vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van verblijfsbelasting
(10)of meer personen in de leeftijd onder de 18 jaar, welk verblijf plaatsvindt onder leiding c.q. begeleiding van een of meer personen boven de 18 jaar, waarbij het verblijf een educatief, religieus, sportief en/of scouting karakter heeft. Artikel5.Maatstaf van heffing 1.De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten, dat zij verblijf houden. 2.In afwijking van het eerste lid kan, op een bij de aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige, de belasting voor het houden van verblijf op vaste jaarplaatsen en seizoenplaatsen op een kampeerterrein door dezelfde persoon of personen naar vaste bedragen per standplaats worden geheven zoals weergegeven in artikel 6, tweede lid. Artikel6.Belastingtarief 1.Het tarief bedraagt, per persoon, per overnachting € 1,
- 2.In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief op verzoek van de belastingplichtige als bedoeld in artikel 5, tweede lid, voor verblijf op een: vaste jaarplaats € 263,00; seizoenplaats € 222,
- Artikel7.Belastingtijdvak Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel8.Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel9Voorlopige aanslag 1.Na de aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld. 2.De voorlopige aanslag, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op 90% van het aantal overnachtingen gerealiseerd in het voorgaande belastingjaar maal het tarief. Indien vóór het opleggen van de voorlopige aanslag aannemelijk is dat het aantal overnachtingen vermoedelijk lager zal zijn dan 90% van het aantal overnachtingen gerealiseerd in het voorgaande belastingjaar, wordt de voorlopige aanslag bepaald op het vermoedelijke aantal overnachtingen maal het tarief. 3.De voorlopige aanslag wordt met de definitieve aanslag verrekend. Artikel10.Aanslaggrens
- Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven.
- Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel11.Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een voorlopige aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later. 2.In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de voorlopige aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3.De overige aanslagen moeten worden betaald binnen één maand na dagtekening van het aanslagbiljet 4.Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de voorgaande leden is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW); 5.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen. Artikel12.Kwijtschelding Bij invordering van verblijfsbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel13.Aanmeldingsplicht 1.De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het dagelijks bestuur van de BsGW aangewezen ambtenaar belast met de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder a en b, van de Gemeentewet. 2.De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de verblijfsbelasting betrokken is. Artikel14.Registratieplicht 1.De belastingplichtige is verplicht per belastingjaar een verblijfsregister bij te houden. 2.De vorm van het nachtverblijfregister is vrij, maar bevat tenminste met betrekking tot een ieder aan wie gelegenheid tot overnachten wordt verschaft, de volgende gegevens: naam, adres en woonplaats van de (hoofd)persoon die overnacht; aantal van het gezin of de groep waarmee men reist; datum van aankomst en datum van vertrek; het aantal overnachtingen ter zake waarvan belasting verschuldigd is. 3.De verplichting als bedoeld in de voorgaande leden geldt niet voor zover de belastingplichtige gebruikmaakt van de vaste tarieven van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 6, tweede lid. In deze gevallen is de in het eerste lid genoemde verplichting beperkt tot de in het tweede lid, onder a, genoemde gegevens tezamen met de aanduiding (naam of nummer) van de standplaats waar wordt overnacht. Artikel15.Aangifte 1.Het uitnodigen tot het doen van aangifte kan naast de op de in artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze geschieden door het uitreiken, toezenden of elektronisch verzenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van elektronische aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan. In dat geval geschiedt, in afwijking van de in artikel 237, tweede lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze, de aangifte langs elektronische weg door het inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden via de digitale voorziening ‘Digitale aangifte toeristenbelasting’ van de BsGW. 2.De belastingplichtige die niet binnen twee maanden na afloop van het belastingjaar is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden binnen 14 dagen na afloop van die twee maanden bij de heffingsambtenaar van de BsGW een verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. 3.De heffingsambtenaar heeft, behoudens de regels volgende uit artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het recht alsnog een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzenden, dan wel, bij gebrek aan een tijdige of onvolledige aangifte door belastingplichtige, de grondslag voor de berekening van de verblijfsbelasting ambtshalve te schatten en de belasting middels een ambtshalve aanslag op te leggen. 4.Indien beschikbaar zal de grondslag voor de aanslag als bedoeld in het voorgaande lid tenminste gelijk zijn aan de grondslag van het voorgaande belastingjaar. Artikel16.Inwerkingtreding en citeertitel 1.De ‘Verordening Verblijfsbelasting 2025’ van 17 december 2024, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.Deze verordening treedt in werking op 1 januari
- 3.De datum van ingang van de heffing is 1 januari
- 4.Deze verordening kan worden aangehaald als ’Verordening verblijfsbelasting Bergen (L) 2026’. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Bergen van 16 december 2025.I.C. van ’t Hof De griffier M.H.D. RaunerDe voorzitter