Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanbieder: natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; CVV: Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, voor het lokaal vervoer van personen met een participatieprobleem als gevolg van een beperking; inwoner: cliënt zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Wmo 2015; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek; dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoners, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; dorpsnetwerk: het netwerk van inwoners, professionals en vrijwilligers binnen de lokale ondersteuningsstructuur, in de omgeving van de cliënt. eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015; instelling: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke ondersteuning wordt verleend in de vorm van dienstverlening; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015; melding: de mededeling aan het college, bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid, van de Wmo 2015; (integraal) plan van aanpak: de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding; onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015; Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P): een voorziening, niet zijnde een overige voorziening, voorliggende voorziening of algemene voorziening, die naast de reguliere maatwerkvoorziening en/of individuele voorziening kan worden ingezet ter ondersteuning. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.
Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanbieder: natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau; algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek; dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoner, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; dorpsnetwerk: het netwerk van inwoners, professionals en vrijwilligers binnen de lokale ondersteuningsstructuur, in de omgeving van de inwoner. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet individuele voorziening jeugd: de via een verleningsbeschikking toegankelijke, op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening, die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt; inwoner: een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet, voor zover de jeugdige (conform de Jeugdwet) woonplaats heeft in de gemeente Hilvarenbeek instelling: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke ondersteuning wordt verleend in de vorm van dienstverlening; melding: melding van een behoefte aan jeugdhulp; integraal plan van aanpak: plan dat door de inwoner en het college of het samenwerkingsverband hoogspecialistische zorg wordt opgesteld en ondertekend, waarin de afgesproken resultaten en de ondersteuning die daarvoor wordt ingezet worden vastgelegd en eventueel een weergave geeft van de gesprekken en/of verslaglegging; onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015; voorliggende voorziening: een voorziening waarmee aan de hulpvraag geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen en waardoor een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk achterwege kan blijven. persoonlijk passend pakket: een vormvrije invulling van een individuele voorziening; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; Perspectiefplan 18+: In geval van (verwachtte) doorgaande hulpverlening na het 18e levensjaar, het plan dat door de Opdrachtnemer wordt opgesteld ten aanzien van de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën. verblijf: opvang in een instelling of beschermd wonen met samenhangende ondersteuning; vergoeding: persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming die is verstrekt op grond van de Jeugdwet; Vraaganalyse (integraal): Een instrument om zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en gewenste resultaten; ZZP: Zelfstandige Zonder Personeel. 2.Andere begrippen die in deze verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de daarop gebaseerde regelgeving, en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel27Uitgangspunt Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zij zetten zich ervoor in, dat hun kinderen opgroeien in een gezonde en veilige omgeving, hun talenten kunnen ontplooien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en zelfredzame personen die volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Die verantwoordelijkheid hebben ouders ook als hun kinderen problemen, stoornissen of beperkingen hebben. Als ouders daar hulp bij nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op het college, en samen bespreken welke zorg, hulp of ondersteuning er nodig is en hoe daarin voorzien kan worden. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak, waar mogelijk gericht op herstel of versterking van de eigen kracht. Artikel28Vertegenwoordiger Waar in deze verordening gesproken wordt over cliënt, kan in voorkomende gevallen ook worden bedoeld de rechtsgeldige vertegenwoordiger van cliënt. Paragraaf2.Melding en onderzoek Artikel29Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen 1.Inwoners die gebruik willen maken van een algemene voorziening of een voorliggende voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening. 2.Het college kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en voorliggende voorzieningen. Artikel30Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. 2.Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 32 van deze verordening, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel31Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Een melding kan door of namens een inwoner worden gedaan: bij de door het college vastgestelde professionals uit het lokale dorpsnetwerk, in de buurt waar de persoon woont; digitaal via het daarvoor door de gemeente ter beschikking gestelde digitale loket; schriftelijk; telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente; via een andere, door het college geopende mogelijkheid. 2.Het college bevestigt de melding schriftelijk. Het college informeert de inwoner of degene namens wie de melding is gedaan over de mogelijkheid om zelf een (familiegroeps-)plan te overleggen en gebruik te maken van onafhankelijke ondersteuning. 3.De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven als door of namens de inwoner wordt aangegeven, op basis van de verstrekte informatie naar aanleiding van de melding, geen behoefte te hebben aan een verdere behandeling van de melding. 4.Als de in het 3e lid genoemde situatie niet van toepassing is, stelt het college een onderzoek in volgens een door het college vast te stellen procedure. Artikel32Onderzoek 1.Het college voert op basis van de melding zo spoedig mogelijk een onderzoek uit ter verheldering van de hulpvraag. 2.Als de situatie van de inwoner bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de inwoner worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de inwoner of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding. 3.Het college vult op basis van een onderzoek gesprek een (integrale) vraaganalyse in, waarin hij de bevindingen van zowel de medewerker als de inwoner weergeeft. Als de inwoner zelf een (familiegroeps-)plan heeft opgesteld, wordt dit in het gesprek als uitgangspunt gehanteerd. 4.Als daarvoor reden bestaat wordt er in samenspraak met inwoner een (integraal) plan van aanpak opgesteld waarin de gemaakte afspraken met de inwoner worden vastgelegd. 5.Het college verstrekt de (integrale) vraaganalyse zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek, maar binnen maximaal 6 weken na melding, aan de inwoner. Als er een (integraal) plan van aanpak wordt opgesteld, wordt deze ook verstrekt. Artikel33Toegang jeugdhulp via het medische domein 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en zover genoemde jeugdhulpaanbieder in overleg met de inwoner van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Indien de hulpvraag van de jeugdige hoog specialistisch lijkt, verwijst het medisch domein de jeugdige door naar de toegang. De toegang gaat aan de slag met een integrale vraaganalyse. 3.Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een aanbieder, kan het college bij een aanvraag door een aanbieder als bedoeld in dit artikel een toets uitvoeren. 4.De aanbieder is bij de bepaling van de voorziening, vorm, voorwaarden en looptijd van de jeugdhulp gebonden aan het oordeel van het college op grond van de toets genoemd in het vorige lid. 5.Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking of op een andere door het college vastgestelde wijze. Artikel34Toegang jeugdhulp via justitieel kader Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. Artikel35Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van inwoner. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Artikel36Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening. Paragraaf3.Aanvraag en besluit Artikel37Aanvraag individuele voorziening 1.De aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend. 2.Het college kan in nadere regels bepalen of en in welke situaties voor het indienen van een aanvraag een door het college vastgesteld aanvraagformulier verplicht is; 3.In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de inwoner besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de inwoner een aanvraag wordt ingediend. Artikel38Beschikking 1.De inwoner ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een individuele voorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening aan de inwoner wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd. 2.In de beschikking wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe de inwoner bezwaar tegen de beschikking kan maken. 3.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; wat de motivatie is voor de toekenning van verstrekte voorziening; hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; welke andere voorzieningen binnen het plan van aanpak relevant zijn of kunnen zijn. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: waarvoor het pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5.Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd 6.Het college kan het nemen van een besluit zoals genoemd in lid 3 van dit artikel mandateren aan een door het college aangewezen derde. Paragraaf3.1.inzet individuele voorzieningen Artikel39Inzet voorzieningen 1.Het college kan voor de jeugdhulp individuele voorzieningen beschikbaar stellen. 2.Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van individuele voorzieningen. De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de medewerking aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; de medewerking aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ingezette ondersteuning het naleven van leef- en gedragsregels bij gebruikmaking van een voorziening; 3.De verstrekking van individuele voorzieningen geschiedt binnen de kaders van de Jeugdwet en is gericht op het behalen van een of meer door het college, in overleg met de inwoner, vastgestelde resultaten. 4.Het college kan als onderdeel van de individuele voorziening de inwoner tevens in aanmerking laten komen voor vervoer van en naar de plaats van de inzet van ondersteuning indien dit noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 5.Het college kan een individuele voorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen, in Pgb, als financiële tegemoetkoming of in eigendom toekennen. 6.Naast genoemde voorzieningen in lid 1 zijn er ook voorzieningen in de vorm van maatwerk mogelijk als dit naar de mening van het college een adequate en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag is, het zogenaamde p.p.p. Artikel40Individuele voorzieningen 1.De volgende vormen van individuele voorzieningen zonder verblijf zijn beschikbaar: Hoog specialistische jeugdhulp (ambulant). Dagbegeleiding. Respijtzorg zonder overnachting. Specialistische ambulante jeugdhulp (waaronder behandeling, begeleiding, persoonlijke verzorging, JOH, GHZ en GGZ). Vervoer naar en van een jeugdhulpaanbieder in geval van: dag begeleiding (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer); dagbehandeling (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer). 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen met verblijf zijn beschikbaar: Woonvormen (pleegzorg, gezinshuizen, kleinschalige woonvormen, kamer – en fasetraining gezinshuizen; Residentieel behandelvormen (inclusief specialistische jeugd-geestelijke gezondheidszorg, zorg voor jeugdigen met een lichamelijke, verstandelijke en of zintuigelijke beperking en jeugd en opvoedhulp); Gesloten verblijf; Respijtzorg met overnachting; Artikel41Vervoer van en naar hulpaanbieder 1.Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder en kent het college geen vervoersvoorziening toe. 2.Het college kent slechts een vervoersvoorziening zoals genoemd in artikel 3.1.2 lid 1sub e toe als: de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp en er sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor deze de jeugdige niet kan vervoeren of met de jeugdige kan meereizen. 3.Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid worden de eigen mogelijkheden en eigen kracht van ouders en netwerk onderzocht. 4.Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk. De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven. 5.Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend. 6.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening. 7.Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening in het kader van dit artikel wordt toegekend. Paragraaf3.2.Criteria voor verstrekking van een individuele voorziening Artikel42Algemene criteria voor een individuele voorziening 1.Jeugdigen en ouders komen in aanmerking voor een individuele voorziening, als het college vaststelt dat voldaan is aan de volgende voorwaarden: De jeugdhulp is nodig vanwege opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, beperkingen of stoornissen, en stelt de jeugdige in staat om: gezond en veilig op te groeien; en te groeien naar zelfstandigheid; en voldoende redzaam te zijn en mee te doen in de samenleving; De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders is niet toereikend om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, ook niet met hulp vanuit het sociale netwerk; De jeugdige en zijn ouders kunnen geen beroep doen op algemene voorzieningen of voorzieningen die buiten de Jeugdwet liggen, waarmee de vastgestelde problemen in voldoende mate weggenomen kunnen worden. 2.Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door de gemeentelijke toegang, gecertificeerde instelling, medisch domein en jeugdhulpaanbieder in het Plan van aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (WMO, zorgverzekering, Wlz). Input voor het Plan van Aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen. 3.Het college zet voorzieningen in die geschikt zijn om het beoogde resultaat van de jeugdhulp te bereiken. Zijn er meerdere geschikte voorzieningen beschikbaar, dan zet het college de goedkoopste voorziening in. Artikel43Eigen kracht binnen de Jeugdwet 1.Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf met de inzet van eigen kracht geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Dat vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden (zie ook artikel 1.2). 2.Onder het inzetten van eigen kracht wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders. Dat is de hulp waarvan algemeen aanvaard is dat die in redelijkheid van hen mag worden verwacht; hulp van ouders die daar bovenuit gaat (bovengebruikelijke hulp); passende ondersteuning die vanuit het sociale netwerk beschikbaar is; het benutten van andere voorzieningen, zoals een aanvullende zorgverzekering. 3.Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf, omdat het onder hun zorgplicht valt. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een voorziening inzetten, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Het college betrekt daarbij de capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders. De voorziening wordt in beginsel voor korte tijd ingezet, en duurt niet langer dan nodig is om de balans tussen draagkracht en draaglast te herstellen. 4.Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of problemen nodig heeft. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de handelingen en activiteiten die het betreft en de belasting in tijd en energie die dat voor de ouders oplevert; de mate waarin hulp nodig is en hoe lang die hulp ingezet moet worden; en de behoeften, achtergrond en mogelijkheden van de jeugdige. Het college maakt daarbij gebruik van de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 bijlage 3, die zijn uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. 5.Bij langdurige of structurele hulpvragen houdt het college rekening met: de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; de voor de jeugdige benodigde hulp en de duur daarvan; de mogelijkheden, draagkracht en draaglast van de ouders; de samenstelling van het gezin, de onderlinge relaties en de woonsituatie; en het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen. 6.Ook bovengebruikelijke hulp valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt verwacht, dat zij deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Aan de hand van de factoren uit het vijfde lid wordt bepaald of dit het geval is. 7.In het kader van de eigen kracht wordt van de ouders verwacht dat zij zich inspannen om de draagkracht van het gezin te vergroten en de belastbaarheid te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of maatschappelijke activiteiten. Paragraaf3.3.Een gezin, een plan een aanspreekpunt Artikel43Verstrekking binnen een gezin 1.Als er binnen een gezin sprake is van een behoefte aan zowel maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, verleent het college deze waar mogelijk op basis van een integraal plan van aanpak. Paragraaf4Ondersteuning in de vorm van een pgb Artikel44Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget 1.Als een inwoner in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft: wat hij met het pgb wenst in te kopen; waarom hij, in het kader van de Jeugdwet, de ondersteuning in natura niet passend acht; waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; een onderbouwde begroting. 2.Een pgb is alleen mogelijk als: naar het oordeel van het college is voldaan aan voorwaarden gesteld in artikel 8.1.1 eerste, tweede en derde lid Jeugdwet en de weigeringsgronden van artikel 8.1.1 vierde lid Jeugdwet niet van toepassing zijn. 3.Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn. 4.Een pgb is niet mogelijk: als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7; voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college, al dan niet op basis van het in het eerste lid bedoelde zorg- en budgetplan; voor zover deze is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb. Artikel45Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp 1.Bij het vaststellen van het tarief voor jeugdhulp maakt het college onderscheid tussen bedrijfs- of beroepsmatig verleende hulp (professionele hulp) en hulp door iemand anders (informele hulp). 2.Onder professionele hulp wordt verstaan de jeugdhulp die wordt verleend door iemand die: werkervaring, kwalificaties of een opleiding heeft die nodig is voor de jeugdhulp die ingezet moet worden. Dat kan blijken uit een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) of bedoeld in artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet (SKJ-registratie), of uit een andere erkende registratie voor beroepsgroepen of uit specifieke diploma’s; en die werkt bij een onderneming die volgens de inschrijving in het Handelsregister jeugdhulp aanbiedt, of als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) volgens de inschrijving in het Handelsregister zelf de jeugdhulp aanbiedt, en die loon of een vergoeding ontvangt, passend bij de jeugdhulp die wordt gegeven; en die voldoet aan de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. 3.Jeugdhulp door een jeugdhulpverlener die niet voldoet aan de voorwaarden uit het tweede lid, wordt als informele hulp aangemerkt. 4.Jeugdhulp door een eerste, tweede of derdegraads bloed- of aanverwant van de jeugdige of de ouders, wordt ook als informele hulp aangemerkt. Artikel46Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp 1.De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het budgetplan, en wordt berekend op basis van een tarief of prijs waarmee de jeugdige of zijn ouders passende jeugdhulp kan inkopen. 2.Het tarief voor professionele hulp is 85% van het laagste tarief waarvoor het college dezelfde passende jeugdhulp heeft gecontracteerd (kostprijs zorg in natura). 3.Zodra de tarieven van de gecontracteerde jeugdhulp wijzigen, worden de tarieven voor professionele hulp aangepast, met hetzelfde indexeringspercentage als voor gecontracteerde jeugdhulp, en met ingang van dezelfde datum. 4.Als het tarief niet toereikend is om daarmee passende jeugdhulp in te kopen, en als het college geen aanbieder heeft gecontracteerd voor de toegekende jeugdhulp, dan wordt het tarief op een bedrag gesteld, waarmee bij ten minste één jeugdhulpverlener of organisatie de jeugdhulp ingekocht kan worden. 5.Het tarief voor informele hulp is een tarief van 125% van het wettelijk minimum loon. 6.Als uit het budgetplan blijkt dat de jeugdige of de ouders passende jeugdhulp voor een lager tarief kunnen inkopen, dan rekent het college met dat tarief. Artikel47Besteding en verantwoording van het pgb Het college kan in nadere regels criteria stellen aan: de periode waarbinnen een pgb moet zijn besteed; de verantwoording van het pgb. Hoofdstuk3.
maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Paragraaf1.Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap Artikel48Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura 1.Een aanbieder zorgt voor een goede kwaliteit van zijn voorzieningen door: de voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt, de voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, de inzet van de juiste deskundigheid, ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector, en er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2.Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3.Het college ziet toe op de naleving van de kwaliteitseisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel49Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget 1.De zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval: de diensten af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt, de diensten af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, en de inzet van de juiste deskundigheid. 2.De professionele zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval: te voldoen aan de kwaliteitseisen uit het eerste lid, de inschrijving van zijn bedrijf in het handelsregister met vermelding van de activiteiten van het bedrijf die overeenkomt met de zorg- of dienstverlening, te beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de cliënt, ervoor zorg te dragen dat zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de cliënt, te beschikken over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden, de kennis en het gebruik van de, in onderdeel e bedoelde, meldcode te bevorderen onder zijn werknemers en opdrachtnemers, en te werken met een systematische kwaliteitsbewaking. 3.Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Artikel50Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op onder andere de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen; 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel51Melding calamiteiten en geweld 1.Door het college aangewezen medewerkers waar inwoners zich kunnen melden alsmede de aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening en aanbieders binnen de jeugdhulp dienen te handelen conform de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 2.Aanbieders melden calamiteiten en geweld bij het aanbieden van een maatwerkvoorziening actief aan de daarvoor door het college aangewezen toezichthouder. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld 4.Het college kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen. Artikel52Klachten tegen medewerkers gemeente De Klachtenregeling gemeente Hilvarenbeek is van toepassing voor de afhandeling van klachten (qua bejegening) van de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen (niet zorg-inhoudelijk) als bedoeld in deze verordening. Artikel53klachten aanbieders 1.Iedere aanbieders stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle dienstverlening. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en indien gewenst een jaarlijks cliënt ervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden. Artikel54Medezeggenschap 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatschappelijke ondersteuning 2.Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 3.De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap en klachtbehandeling voldoende kenbaar zijn voor de cliënten van zijn organisatie. 4.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden. Artikel55Betrokkenheid inwoners bij de uitvoering van de wet 1.Het college stelt inwoners, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste lid. Paragraaf2.Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen en herziening, intrekking en terugvordering Artikel56Tegengaan oneigenlijk gebruik Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: samenwerking zoeken met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; het aanwijzen van toezichthouders; aanbieders worden verplicht gesteld kosteloos hun medewerking te verlenen aan onderzoeken door of namens het college; het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. beperking van de looptijd van de toekenning van een maatwerkvoorziening, zodat periodiek kan worden bezien of de toekenning aan de cliënt, alsmede zijn pgb-budget, nog past bij zijn individuele situatie; een grondige toets bij de toegang tot individuele en maatschappelijke ondersteuning: op de pgb-vaardigheid van de cliënt of degene die de cliënt daarvoor wenst in te schakelen; op de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen zorg- en budgetplan, mede met het oog op de te bereiken resultaten; monitoring van het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten; het opstellen van een pgb-vergoedingenlijst waarin opgenomen is welke kosten wel en niet uit het pgb betaald mogen worden; Artikel57Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Een ontvanger van een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening of de ouder van een betrokken jeugdige doet onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of individuele voorziening. 2.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken indien het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de zorgaanbieder door toerekenbaar handelen ervoor gezorgd heeft dat er te veel pgb is verstrekt; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, individuele voorziening is aangewezen; de maatwerkvoorziening, individuele voorziening iet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of verbonden voorwaarden; of de cliënt de maatwerkvoorziening, individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.Een beslissing tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens, en in geval van een maatwerkvoorziening opzettelijk, heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die deze onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft: geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte verstrekte individuele voorziening of maatwerkvoorziening; of de cliënt verplichten de maatwerkvoorziening in te leveren; het ten onrechte ontvangen pgb terugvorderen. 5.Indien het college een beslissing op basis van het tweede lid, onder b, heeft ingetrokken of heeft herzien dan kan de gemeente het bedrag dat als gevolg van toerekenbare handelen ten onrechte is ontvangen bij de zorgaanbieder terug vorderen; 6.Het genoemde in lid 1 tot en met 4 is overeenkomstig van toepassing op voorzieningen verstrekt op basis van artikel 3.1.2 lid 3 en artikel 3.1.4 lid 2 van deze verordening. Artikel58Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d. 3.Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Hoofdstuk4.Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel59Indexering 1.Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Het college kan per voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd. 2.Bij de indexering van het Pgb worden de tarieven van zorg in natura gevolgd. Artikel60Nadere regels en beleidsregels Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening. Artikel61Onvoorzien en hardheidsclausule 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel62Intrekking oude verordening De ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’ en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Artikel63Overgangsbepalingen 1.Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2026 en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 2.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2023 wordt beslist met inachtneming van de verordening waarop het besluit is gebaseerd. 3.Van lid 2 kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken. 4.Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2023 te herzien met toepassing van deze verordening: Indien er wijzigingen plaats vinden in de omstandigheden waarop het besluit is gebaseerd; Indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; Artikel64Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. Artikel65Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026. Toelichting Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026 Algemeen Op 1 januari 2015 zijn de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in werking getreden. Op basis van deze wetten zijn veel taken welke voorheen bij de provincie of het rijk waren belegd naar de gemeente overgeheveld. Dit heeft destijds geresulteerd in twee gemeentelijke verordeningen: Verordening Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2015; Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2015 Met ingang van 1 april 2019 zijn beide verordeningen samengevoegd en aangepast aan de nieuwe contracten welke op beide met ingang van die datum zijn gaan lopen. Op 25 september 2021 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek ingestemd met de uitgangspunten inkoop sociaal Domein. Op basis hiervan is de verordening destijds aangepast in de ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’ In de tussenliggende periode zijn er enkele uitspraken geweest van de Centrale Raad van Beroep die maken dat de verordening op onderdelen moet worden gewijzigd. Daarnaast is gebleken dat het samenvoegen van de verordeningen in de uitvoering heeft geleid tot onduidelijkheden. Om die reden is ervoor gekozen de verordening anders in te delen. Dit alles heeft geleid tot de ‘Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026’ De belangrijkste wijzigingen zijn: Tarief informeel persoonsgebonden budget Wmo De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich op 16 augustus 2023 tweemaal uitgesproken over de informele pgb-tarieven in het sociale netwerk binnen de Wmo. Hierbij is aangegeven dat voor de huishoudelijke ondersteuning en begeleiding aansluiting moet worden gezocht bij de betreffende CAO. Om die reden is artikel 18 aangepast. Eigen Kracht Jeugdwet De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling is nu opgenomen in artikel 43 van deze verordening. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. Daarnaast is in samenhang hiermee artikel 27 opgenomen in deze verordening. Verandering in indeling Deze wijziging van de verordening heeft ook betrekking op de indeling en leesbaarheid. Er is gekozen om de specifieke artikelen voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp onder te brengen in eigen hoofdstukken. In de praktijk is gebleken dat zowel uitvoerende medewerkers als inwoners moeite konden hebben met het snel vinden en begrijpen van de relevante artikelen. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning Paragraaf 1.
begripsbepalingen Definities die zijn opgenomen in de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen. Dorpsnetwerk We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning. Melding De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag. Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.) Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk. QuickScan De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Vraaganalyse In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (ntegrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak. Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft. Artikel 2 Reikwijdte verordening Om in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening moet iemand inwoner zijn van de gemeente Hilvarenbeek. Iemand is inwoner als hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als inwoner van de gemeente. Artikel 3 Vertegenwoordiger In de Wmo 2015 is de vertegenwoordiger gedefinieerd als “persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. Paragraaf
Begripsbepalingen Definities die zijn opgenomen in de Jeugdwet zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen. Dorpsnetwerk We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning. Individuele voorziening De Jeugdwet hanteert verschillende termen voor de voorzieningen op basis waarvan ondersteuning wordt ingezet. Dit leidt tot verwarring. Als het een ondersteuning betreft in het kader van de Jeugdwet dan spreken we over een ‘individuele voorziening’. Binnen onze gemeente noemen dit ook ‘maatwerkvoorziening jeugd’. Ook voorzieningen in het voorliggende veld worden binnen de Jeugdwet anders genoemd. Binnen de jeugdwet wordt dit overige voorziening genoemd. De terminologie die de onderscheidende wetten hanteren wordt in deze verordening aangehouden. Melding De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag. Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.) Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk. QuickScan De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Vraaganalyse In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (integrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak. Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft. Artikel 27 Uitgangspunt In dit artikel is het uitgangspunt van de gemeentelijke jeugdhulp verwoord. Daarbij wordt nauw aangesloten bij het startpunt van de wetgever, zoals hierboven in het algemene deel is weergegeven. Centraal staat de zorg- en opvoedingsplicht van ouders voor hun kinderen, die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Zij hebben de regie in het gezin. De gemeente komt in beeld als ouders er, evt. met behulp van het sociaal netwerk, niet uitkomen. De ondersteuning van de gemeente is aanvullend en versterkend, en zo kort mogelijk, uiteraard afhankelijk van de situatie van de jeugdige en zijn ouders. Bij een blijvende lichamelijke of psychische beperking kan de ondersteuning van de gemeente voor langere tijd nodig zijn. Aangesloten wordt bij de ‘eigen kracht’ van het gezin. Vanuit deze startpositie wordt beoordeeld of jeugdhulp nodig is en ingezet wordt. Artikel 28 Vertegenwoordiger In de Jeugdwet is dit begrip gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. Paragraaf 2. Melding en onderzoek Artikel 29 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt. Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig. Artikel 30 Cliëntondersteuning Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning. In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen. Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk. Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen. Artikel 31 Toegang jeugdhulp via de gemeente Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing op jeugdhulp. Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening. Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch. Artikel 32 Onderzoek Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt. Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit. Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse. Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek. Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken. Artikel 33 Toegang jeugdhulp via het medisch domein In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus in overleg feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag. Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdzorg wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid Jeugdwet, door het college van de gemeente waar de jongere woont ingediend. De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de GI die het genoemde verzoek indient en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Veegwet VWS 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.” Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Veegwet VWS 2015, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren. Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kan het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader. Artikel 36 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het expertteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 8.1.2 Jeugdwet van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoeri
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.