Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Berkelland 2026Het Dagelijks Bestuur van Fijnder; gelet op: artikel 4, eerste lid van de Gemeenschappelijke Regeling Fijnder en het Delegatiebesluit Gemeenschappelijke Regeling Fijnder 2024, waarin het bestuur de zelfstandige bevoegdheid voor de uitvoering van bovengenoemde taken gedelegeerd heeft gekregen van zijn deelnemende gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk, en; het bepaalde in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht; besluit tot het vaststellen van Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Berkelland 2026 Artikel1Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet preciezer worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Wet op de huurtoeslag en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 Bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 onder c van de wet; Bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 5 aanhef en onder d van de wet, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, en de individuele studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de wet; Bijzonder inkomen zoals bedoeld in artikel 33 van de wet; Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van Fijnder; De wet: Participatiewet; Draagkracht: het gedeelte van het inkomen en vermogen dat door de betrokken persoon gebruikt dient te worden voor bijzondere kosten; Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een betrokken persoon wordt vastgesteld; Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet; Voorliggende voorziening: de voorziening als bedoeld in artikel 5 onder e en artikel 15 van de wet. Instelling: inrichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel f van de wet. Artikel2Afwegingskader 1.Bij het leveren van maatwerk is het de bedoeling om aan te sluiten bij wat de betrokken persoon nodig heeft om verder te komen. Het is daarom van belang om te starten bij de betrokken persoon en de wet te gebruiken als instrument bij het ondersteunen van de betrokken persoon. De onderstaande stappen kunnen hierbij helpen: Situatieschets Wat wil de betrokken persoon bereiken? / Wat wil de medewerker met de betrokken persoon bereiken? Is de Participatiewet de juiste wet? (On)mogelijkheden Wettelijke regels 2.De zeer dringende redenen zoals beschreven in artikel 16 van de wet kunnen ruimer worden begrepen met behulp van het in lid 1 beschreven stappenplan voor maatwerk. Artikel3Aanvraag en recht op bijzondere bijstand 1.Betrokken personen kunnen een aanvraag bijzondere bijstand bij Fijnder indienen via een daartoe door het Dagelijks Bestuur vastgesteld aanvraagformulier. 2.Het Dagelijks Bestuur kan besluiten het recht op bijzondere bijstand in bijzondere situaties ambtshalve vast te stellen. 3.Een inwoner heeft recht op bijzondere bijstand wanneer hij in de gemeente Berkelland woont, 21 jaar of ouder is en een inkomen heeft dat gelijk is aan of minder dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm en geen draagkracht heeft (zie hiervoor artikel 6 lid 2) 4.In afwijking van lid 3 wordt bij de kostendelersnorm uitgegaan van de geldende norm alsof het geen kostendeler is. 5.Jongeren van 18 tot en met 20 jaar kunnen, wanneer geen beroep gedaan kan worden op de ouderlijke onderhoudsplicht, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de wet. Artikel4Tijdstip van aanvragen en declareren 1.Binnen één maand nadat de bijzondere kosten worden gemaakt moet een aanvraag om bijzondere bijstand worden ingediend. Hierbij moet een bewijsstuk worden aangeleverd waarmee de bijzondere kosten worden aangetoond. 2.Het vorige lid is niet van toepassing op de kosten genoemd in artikel 17 van deze beleidsregels. Aanvragen voor duurzame gebruiksgoederen moeten worden gedaan voordat de kosten worden gemaakt. Een aanvraag om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan bij acute situaties binnen één maand nadat de kosten worden gemaakt worden ingediend, mits er een bewijsstuk van een erkend reparateur kan worden overhandigd dat reparatie niet mogelijk of wenselijk is. 3.In afwijking van lid 1 wordt de bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten toegekend vanaf maximaal zes maanden vóór de datum van de nota voor de bewindvoeringskosten, beginnend op de eerste dag van de maand. 4.De kosten voor bijzondere bijstand dienen binnen zes maanden na toekenningsdatum gedeclareerd te worden. De kosten voor duurzame gebruiksgoederen dienen binnen drie maanden na toekenning te worden gedeclareerd. Artikel5Vaststellen maandinkomen 1.Het inkomen wordt vastgesteld met toepassing van artikel 31 van de wet. 2.Als maandinkomen wordt gezien het inkomen over de maand waarin de kosten voor het eerst zijn gemaakt. 3.Bij wisselende inkomsten wordt voor het vaststellen van het maandinkomen het gemiddelde genomen van het inkomen over de maand waarin de kosten zijn gemaakt en de onmiddellijk daaraan voorafgaande twee maanden. 4.De huurtoeslag wordt ten gunste voor de inwoner voor de draagkrachtberekening meegenomen. 5.Bij de berekening van de draagkracht worden noodzakelijke (wettelijke) betalingsverplichtingen zoals alimentatie, eigen bijdrage Wet langdurige zorg of andere noodzakelijke betalingsverplichtingen in de berekening van het inkomen ten gunste van de inwoner meegenomen. 6.Het deel van het inkomen waar beslag op ligt wordt niet meegerekend bij de vaststelling van de draagkracht. Artikel6Draagkracht 1.De draagkracht wordt vastgesteld op basis van het inkomen en het vermogen. 2.Vermogen anders dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2, sub a, b en d van de wet wordt voor de vaststelling van de draagkracht volledig meegenomen. 3.De waarde van een auto en/of een ander voertuig dat eigendom is van de betrokken persoon met een gezamenlijke waarde van boven de € 7.000, - wordt toegerekend aan het vermogen. 4.De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden voor de beoordeling van de draagkracht niet meegenomen. 5.Als de betrokken persoon zich in de voorbereidende fase bevindt of is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of een minnelijk schuldregelingstraject volgt, wordt tijdens de fase van voorbereiding en gedurende een periode van 18 maanden vanaf de start van de toelating tot de WSNP of het schuldregelingstraject ervan uitgegaan dat er geen draagkracht aanwezig is. Artikel7Draagkrachtpercentages 1.Tot een inkomen van 110% van de geldende bijstandsnorm is er geen draagkracht. Voor het inkomen tot € 125,- daarboven geldt een draagkracht van 20%. Voor inkomens meer dan 110% van de geldende bijstandsnorm + € 125,- geldt een draagkracht van 50% van het netto meerinkomen (hierbij wordt gerekend met inkomen en bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag). 2.Bij de woonkostentoeslag wordt de draagkracht vastgesteld op 100% van het netto-inkomen boven de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. 3.De draagkracht wordt in één keer verrekend tenzij het gaat om periodieke kosten. Dan wordt de draagkracht per maand verrekend. Artikel8Draagkrachtperiode 1.Tijdens de periode dat de betrokken persoon enkel een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, heeft men geen draagkracht, op voorwaarde dat het vermogen niet hoger is dan het vermogen dat wordt vrijgelaten op grond van de Participatiewet. Dit geldt ook voor een uitkering op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen. 2.Voor personen met enkel een uitkering op grond van de Algemene Oudersdoms Wet, Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten (Wajong), wordt de draagkracht, voor een periode van drie jaar vastgesteld. 3.De draagkracht voor aanvragen anders dan de inkomsten zoals beschreven in lid 1 en 2 zoals inkomen uit werk of een gedeeltelijke uitkering, wordt vastgesteld voor een periode van één jaar, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de bijstandsaanvraag wordt ingediend. Artikel9Opnieuw vaststellen van de draagkracht 1.Een eenmaal vastgestelde draagkracht staat vast voor de hele draagkrachtperiode. De draagkracht wordt binnen de vastgestelde periode opnieuw bepaald, als een wijziging van de omstandigheden (zoals gezinssamenstelling/inkomen) daar aanleiding voor geeft. 2.Rechthebbenden zijn verplicht, zoals beschreven in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet, zelf wijzigingen in het inkomen en/of vermogen door te geven. Artikel10Ingangsdatum periodieke bijzondere bijstand 1.De periodieke bijzondere bijstand gaat in per datum aanvraag. 2.Als de kosten op dat moment nog niet verschuldigd zijn, gaat de bijstand in per datum waarop de kosten gemaakt worden. Artikel11Kostensoorten Er bestaat geen volledige lijst van bijzondere kostensoorten. De bijzondere kosten komen voort uit de bijzondere omstandigheden. Er zijn enkele kostensoorten die nadere inkadering noodzakelijk maken. Artikel12Bijzondere bijstand aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar voor levensonderhoud 1. Een persoon van 18, 19 of 20 jaar die in een instelling verblijft heeft recht op bijzondere bijstand voor zijn noodzakelijke kosten van het bestaan en deze persoon voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat; a. De middelen van de ouders daartoe niet voldoende zijn, of; b. De ouders van de persoon met reden niet aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen. 2. Voor de jongere bedoeld in lid 1 sub a en b geldt de inrichtingsnorm exclusief vakantietoeslag. Artikel13Bijzondere bijstand voor woonkosten 1.Heeft de betrokken persoon recht op huurtoeslag maar is deze huurtoeslag ontoereikend om de noodzakelijke woonkosten te dekken, en bewoont de betrokken persoon een woning/woonwagen waarvoor huurtoeslag kan worden aangevraagd op grond van de Wet op de huurtoeslag, dan kan een aanvullende woonkostentoeslag worden gegeven ter hoogte van het verschil tussen de noodzakelijke woonkosten en de op basis van de actuele wettelijke systematiek berekende huurtoeslag. De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor maximaal 12 maanden, tenzij op grond van een individuele beoordeling verlenging noodzakelijk wordt geacht. 2.Bij de vaststelling/berekening wordt uitgegaan van de actuele wettelijke berekeningsmethode huurtoeslag (zoals deze geldt vanaf 1 januari 2026), waarbij de toeslag wordt gebaseerd op de kale huur tot de toepasselijke normhuur en waarbij servicekosten niet langer meetellen. De berekende woonkostentoeslag geldt ook voor bewoners van een eigen huis die behoefte hebben aan bijstand. Voor hen geldt dat hypotheekrenteaftrek en andere relevante fiscale tegemoetkomingen worden beschouwd als voorliggende voorzieningen, voor zover deze toereikend zijn om in de noodzakelijke woonkosten te voorzien. Dat betekent dat daarmee rekening wordt gehouden bij het bepalen van de hoogte van de woonkostentoeslag. Rechthebbenden met een eigen woning kunnen eveneens recht hebben op woonkostentoeslag indien de voorliggende voorzieningen ontoereikend zijn. Artikel14Verhuisvoorwaarde Aan de verstrekking van de woonkostentoeslag wordt de voorwaarde verbonden dat binnen 12 maanden na aanvang van de woonkostentoeslag de betrokken persoon dient te verhuizen naar passende en duurzaam betaalbare woonruimte. Dit betreft woonruimte waarvan de woonlasten (huur of lasten eigen woning) naar het oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot het inkomen en de omstandigheden van de betrokken persoon, waarbij wordt aangesloten bij de normhuur en systematiek van de Wet op de huurtoeslag
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.