← Nederland

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 16 december 2025 tot vaststelling van een subsidieregeling voor de versterking van

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 16 december 2025 tot vaststelling van een subsidieregeling voor de versterking van de biodiversiteit in het landelijk gebied (Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0)Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Besluiten vast te stellen de volgende regeling: Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Overwegende dat de Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten bij besluit van 20 november 2025 heeft geoordeeld dat de subsidieregeling voldoet aan de criteria van Catalogus Groenblauwe Diensten; Overwegende dat Gedeputeerde Staten met het vaststellen van deze subsidieregeling groenblauwe dooradering van het Brabantse landschap wil bevorderen om zo, door de vergroting van het aantal landschapselementen, de biodiversiteit en landschapskwaliteit duurzaam te behouden en versterken, en Brabanders te verbinden met de natuur; Overwegende dat Gedeputeerde Staten tevens tot doel hebben daarbij samen te werken met de gemeenten en waterschappen in de provincie Noord-Brabant en dat deze samenwerking bestaat uit de inzet van financiële middelen door zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeenten en waterschappen; Overwegende dat het beschikbaar te stellen budget en de thema’s waarvoor dit budget beschikbaar is, keuzes zijn die gemeenten en waterschappen op grond van hun autonomie maken; Artikel1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: actieve landbouwer: natuurlijke of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke of rechtspersonen die ten minste een minimumniveau aan landbouwactiviteit verrichten, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van Verordening 2021/2115 en nader gedefinieerd in het Strategisch GLB-plan onder 4.1.4.; agrarische grond: grond met een agrarische bestemming die gebruikt wordt als gras-, tuinbouw- of akkerbouwland en waar wordt beweid met vee of waar gewassen worden geoogst of grond met een natuur bestemming die agrarisch wordt gebruikt; Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; bebouwde kom: gebied als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beheertypenkaart: kaart als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016; Catalogus Groenblauwe Diensten: set van steunmaatregelen waaraan de Europese Commissie met het goedkeuringsbesluit SA.44848 goedkeuring heeft verleend; EVZ: ecologische verbindingszone, zijnde een gebied waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd, gericht op het verbinden van natuurgebieden, en dat is aangewezen en begrensd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant; functiewijziging: het wijzigen van de functie van de grond van agrarische grond naar natuur ten behoeve van een landschapselement; geopackage: één bestand dat een database vormt voor geografische informatie; grasland: perceel met de aanduiding ‘blijvend grasland’ in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; groenblauwe dooradering: netwerk van natuurlijke landschapselementen in het landelijk gebied; grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, bijlage I, van Verordening(EU) 2022/2472, PBEU 2022 L327; inrichtingsplan: plan dat tenminste bevat de locatieaanduiding van het project, een schaalgrote van maximaal 1:2.000, een legenda, een topografische ondergrond en een kadastrale aanduiding; Kaderrichtlijn Water: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327); landbouwgrond: grond waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend; landschapselement: natuurelement in het landschap met een natuurwetenschappelijke of landschappelijke betekenis; natuurbeheertype: soort natuur als beschreven in de Index Natuur en Landschap, te raadplegen via de website https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/; NNN; Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet, zijnde een samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat van nationaal en internationaal belang is en het veiligstellen van ecosystemen als doel heeft, als aangewezen en begrensd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant; realisatie: eenmalige initiële werkzaamheden; veldcoördinator Stimuleringsregeling Landschap: op het gebied van natuur- en landschapsinrichting deskundig contactpersoon, verbonden aan het Coördinatiepunt Landschapsbeheer, die (potentiële) aanvragers begeleidt bij het doen van een aanvraag; verordening 2021/2116: Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 4350; verordening 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435). Artikel2Doelgroep 1.Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door: een terreinbeherende organisatie, zijnde een privaatrechtelijke rechtspersoon, die eigenaar, pachter of erfpachter is van grond; een particuliere grondbeheerder, zijnde een natuurlijk persoon, die eigenaar, pachter of erfpachter is van grond; een samenwerkingsverband van terreinbeherende organisaties en particuliere grondbeheerders als bedoeld onder a en b. 2.Indien een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder c, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring. Artikel3Subsidievorm Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag. Artikel4Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op: het realiseren en beheren van nieuwe landschapselementen; het beheren van bestaande landschapselementen; inkomstenderving op grond voor landbouwkundig gebruik, in combinatie met een of meer activiteiten als bedoeld onder a en b; functiewijziging van agrarische grond, in combinatie met het realiseren of beheren van nieuwe landschapselementen als bedoeld onder a en e; het realiseren van nieuwe landschapselementen. Artikel5Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien: het project wordt uitgevoerd op grond gelegen binnen het NNN met uitzondering van grond: gelegen in EVZ’s; of die op de beheertypenkaart is aangeduid met natuurbeheertype N00.01 en waar sprake is van de realisatie van een wandelpad over boerenland; op de grond waarop het project wordt uitgevoerd krachtens het geldende omgevingsplan de functie bouwvlak of de functie wonen rust; het project betrekking heeft op de realisatie en het beheer van een tuin, park, danwel een vijver die hier deel van uitmaakt, voor privégebruik of in de publieke ruimte, beplant met gecultiveerde soorten; het project betrekking heeft op het realiseren van nieuwe landschapselementen en er reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere regeling voor de realisatie van dezelfde nieuwe landschapselementen; het aangevraagde bedrag meer bedraagt dan de maximale subsidiehoogte, opgenomen in deze regeling; op de grond waarop het project betrekking heeft verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op basis waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer; reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; het project reeds uitgevoerd dient te worden op grond van verplichtingen op basis van wetgeving, regelgeving, een convenant of andere afspraken; de subsidieaanvrager een grote onderneming is; de subsidieaanvrager niet aan de relevante Europese of nationale wet- en regelgeving voldoet, zoals wet- en regelgeving met betrekking tot dieren, planten, volksgezondheid, sanitair, ethiek of milieu, en op basis daarvan de productie hoe dan ook moet stopzetten; de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU, 2014/ C 249/01); ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan: € 1.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder b, of wanneer sprake is van (zaai) randen; € 3.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder a, c en e, met uitzondering van (zaai) randen; € 4.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder d. Artikel6Subsidievereisten 1.Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant; het project wordt uitgevoerd op een locatie die op het tijdstip van indiening van de aanvraag buiten de bebouwde kom ligt; de in het project opgenomen landschapselementen passen voor ten minste 50% binnen de daarvoor aangewezen landschapstypen als vermeld op de kaart, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, of de in het project opgenomen landschapselementen zijn historisch aantoonbaar afwijkend; de in het project opgenomen landschapselementen passen binnen de daarvoor aangewezen gebieden als vermeld op de kaart, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling; de in het project opgenomen landschapselementen voldoen aan de beschrijving en vereisten, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling; de subsidieaanvrager heeft voor minimaal zes jaar het gebruiksrecht over de grond waarop het project betrekking heeft, te rekenen vanaf de ingangsdatum van het beheer van nieuwe en bestaande landschapselementen; het project wordt uitgevoerd op grond, waarop overeenkomstig het geldende omgevingsplan, de functie rust: agrarisch of agrarisch met waarden, niet zijnde een agrarisch bedrijf; groen; natuur; of verkeer of dijken, voor zover het project betrekking heeft op landbouwgrond binnen deze bestemming; de subsidieaanvrager overlegt: een advies van de veldcoördinator Stimuleringsregeling Landschap; een projectplan dat voldoet aan de vereisten, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling en tenminste bevat: een omschrijving van de desbetreffende landschapselementen, corresponderend met het inrichtingsplan; de locatieaanduiding van het project; een foto van de actuele situatie, met daarop eventueel reeds aanwezige landschapselementen; een geopackage met daarin tenminste de omvang van de desbetreffende landschapselementen uitgedrukt in stuks, strekkende meters, vierkante meters of hectaren; een plantekening met daarin tenminste: de omvang van de desbetreffende landschapselementen uitgedrukt in stuks, strekkende meters, vierkante meters of hectaren; topografische ondergrond; legenda; schaal; noordpijl; datum; een begroting met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde format; het project draagt bij aan de doelstellingen die Gedeputeerde Staten beogen met deze regeling. 2.Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de realisatie en het beheer van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling. 3.Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op het beheer van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling. 4.Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: het project is gericht op het beheer van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling; en de grond waarop het project betrekking heeft, is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik geweest, blijkend uit een registratiesysteem. 5.Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: de subsidieaanvrager beschikt over het volle eigendom van de grond waarop het project betrekking heeft; de functie van de grond wordt gewijzigd van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van een of meer van de te realiseren en te beheren landschapselementen; eventuele betrokken agrarische activiteiten worden definitief beëindigd of de locatie waar betrokken agrarische activiteiten plaatsvinden wordt onomkeerbaar volledig gesloten; de grond waarop het project betrekking heeft: is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik, blijkend uit een registratiesysteem; of is gelegen binnen een EVZ; of wordt gebruikt voor de realisatie van een wandelpad over boerenland, die op de beheertypenkaart is aangeduid met natuurbeheertype N00.01, zoals opgenomen in het vigerende Natuurbeheerplan. 6.Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de realisatie van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling. Artikel7Subsidiabele kosten 1.Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, in aanmerking: voor realisatie en beheer op basis van de vaste bedragen, opgenomen in bijlage 5 en 6 bij deze regeling; legeskosten tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000; bodemkundig of archeologisch onderzoek, voor zover wettelijk verplicht voor het project tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 15.000; 2.De vergoeding voor kosten als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten. 3.Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, komen de vaste bedragen, genoemd in bijlage 6 bij deze regeling, in aanmerking. 4.Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, komen de vaste bedragen, genoemd in bijlage 6 bij deze regeling, in aanmerking. 5.Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, komt de waardevermindering van de grond, welke wordt vastgesteld op maximaal 85% van de regioprijs van de grond zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling, in aanmerking. 6.Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, in aanmerking: voor realisatie op basis van de vaste bedragen, opgenomen in bijlage 5 en 6 bij deze regeling; legeskosten tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000; bodemkundig of archeologisch onderzoek, voor zover wettelijk verplicht voor het project tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 15.

  1. Artikel8Niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 7 komen kosten voor het voldoen aan verplichtingen op basis van wetgeving, regelgeving, een convenant of andere afspraken niet voor subsidie in aanmerking. Artikel9Aanvraagtijdvak Subsidieaanvragen worden ingediend van 15 januari 2026 tot en met 30 juni
  2. Artikel10Subsidieplafond 1.Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met d, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op: € 36.000, voor projecten in de gemeente Alphen Chaam; € 52.500, voor projecten in de gemeente Altena; € 54.000, voor projecten in de gemeente Asten; € 28.008, voor projecten in de gemeente Baarle-Nassau; € 15.000, voor projecten in de gemeente Bergeijk; € 90.000, voor projecten in de gemeente Bergen op Zoom; € 45.000, voor projecten in de gemeente Bernheze; € 90.000, voor projecten in de gemeente Best; € 22.500, voor projecten in de gemeente Bladel; € 18.000, voor projecten in de gemeente Boekel; € 18.000, voor projecten in de gemeente Boxtel; € 36.000, voor projecten in de gemeente Breda; € 27.000, voor projecten in de gemeente Cranendonck; € 90.000, voor projecten in de gemeente Deurne; € 14.400, voor projecten in de gemeente Dongen; € 18.000, voor projecten in de gemeente Drimmelen; € 45.000, voor projecten in de gemeente Eersel; € 40.500, voor projecten in de gemeente Eindhoven; € 54.000, voor projecten in de gemeente Etten-Leur; € 18.000, voor projecten in de gemeente Geldrop-Mierlo; € 90.000, voor projecten in de gemeente Gemert-Bakel; € 45.000, voor projecten in de gemeente Gilze en Rijen; € 22.500, voor projecten in de gemeente Goirle; € 27.000, voor projecten in de gemeente Halderberge; € 24.195, voor projecten in de gemeente Heeze-Leende; € 36.000, voor projecten in de gemeente Helmond; € 45.000, voor projecten in de gemeente ‘s-Hertogenbosch; € 34.200, voor projecten in de gemeente Heusden; € 39.600, voor projecten in de gemeente Hilvarenbeek; € 28.578, voor projecten in de gemeente Laarbeek; € 270.000, voor projecten in de gemeente Land van Cuijk; € 320.000, voor projecten in de gemeente Maashorst; € 108.000, voor projecten in de gemeente Meierijstad; € 9.000, voor projecten in de gemeente Moerdijk; € 36.000, voor projecten in de gemeente Nuenen; € 18.000, voor projecten in de gemeente Oirschot; € 36.000, voor projecten in de gemeente Oisterwijk; € 22.500, voor projecten in de gemeente Oosterhout; € 90.000, voor projecten in de gemeente Oss; € 90.000, voor projecten in de gemeente Roosendaal; € 51.000, voor projecten in de gemeente Rucphen; € 54.000, voor projecten in de gemeente Sint Michielsgestel; € 72.000, voor projecten in de gemeente Someren; € 18.000, voor projecten in de gemeente Son en Breugel; € 72.000, voor projecten in de gemeente Steenbergen; € 90.000, voor projecten in de gemeente Tilburg; € 54.000, voor projecten in de gemeente Waalre; € 54.000, voor projecten in de gemeente Waalwijk; € 29.900, voor projecten in de gemeente Woensdrecht; € 54.000, voor projecten in de gemeente Zundert. 2.Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met d, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op: € 180.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Aa en Maas; € 135.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta; € 36.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap De Dommel. 3.Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder e, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op € 4.000.
  3. Artikel11Subsidiehoogte 1.De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de begrote subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.
  4. 2.In het geval dat subsidie onder de Catalogus Groenblauwe Diensten met andere subsidie voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt gecumuleerd, worden de krachtens deze regeling toe te kennen bedragen zodanig beperkt dat het totale subsidiebedrag niet hoger is dan de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, het maximale subsidiebedrag uit deze regeling, de maximale steunintensiteiten en het maximale steunbedrag op grond van de toepasselijke Europese voorschriften. 3.De subsidie wordt niet verstrekt indien toepassing van het eerste en tweede lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder bedraagt dan: € 1.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder b, of wanneer sprake is van (zaai) randen; € 3.000 voor de activiteit bedoeld in artikel 4, onder a, c en e, met uitzondering van (zaai) randen; € 4.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder d. Artikel12Verdelingswijzen 1.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2.Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3.Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers. 4.De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt op volgorde van trekking en de eerst getrokken aanvraag als eerstvolgende in aanmerking komt voor subsidie en de laatst getrokken aanvraag als laatste. 5.De subsidie wordt verdeeld over aanvragen die: opeenvolgend zijn in de rangschikking; en die volledig gehonoreerd kunnen worden. Artikel13Subsidieverlening 1.Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de provincie Noord-Brabant en de subsidieontvanger binnen 24 maanden na verlening van de subsidie een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevestigd, waarin in ieder geval wordt opgenomen dat degene die het terrein toebehoort, beheert of degene die beschikt over het recht van erfpacht: de desbetreffende grond na aanvang van de realisatie van de landschapselementen niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond; de met subsidie gerealiseerde landschapselementen beheert overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling. 2.Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met c, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren. 3.Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, wordt verleend voor een periode van één jaar. Artikel14Verplichtingen van de subsidieontvanger 1.De subsidieontvanger: realiseert de landschapselementen binnen een jaar na verlening van de subsidie; verleent medewerking ten aanzien van de uitvoering van controles; en voert het project uit overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling. 2.Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, de volgende verplichtingen: de subsidieontvanger wijzigt de functie van de grond waarop het project betrekking heeft binnen vierentwintig maanden na verlening van de subsidie en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen; en de subsidieontvanger houdt de cultuurgrond in een goede landbouw- en milieuconditie overeenkomstig artikel 13 van Verordening 2021/2115 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen tot het moment dat de cultuurgrond in natuur wordt omgezet, waarbij in ieder geval: landschapselementen in stand worden gelaten, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen, akkerranden en terrassen; het snoeien van heggen en bomen verboden is in de vogelbroedperiode. 3.Indien het project wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, en de subsidieontvanger verlenging van die termijn wenselijk acht, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging met maximaal 12 maanden. 4.Voor zover het project betrekking heeft op de realisatie van een landschapselement, doet de subsidieontvanger binnen dertien weken na realisatie een gereedmelding en overlegt daarbij een overzicht van de gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b en c. 5.In afwijking van het vierde lid, doet de subsidieontvanger geen gereedmelding bij een subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, indien sprake is van een project dat de realisatie van een botanische hooilandrand of een wilde bijenrand op grasland betreft. 6.In aanvulling op artikel 16, eerste lid, onder b, van de Asv, neemt de subsidieontvanger een instandhoudingstermijn in acht van 6 jaar na realisering van een landschapselement. Artikel15Actieve landbouwer Voor de subsidieontvanger die een actieve landbouwer is gelden de volgende aanvullende bepalingen: indien de subsidie afhankelijk is van een aantal hectaren, dient de subsidieontvanger de volgende voorschriften, inzake areaal gerelateerde betalingen, na te leven: indien hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het gehele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van die verbintenis, kan de verbintenis of het deel ervan dat met de areaaloverdracht overeenstemt, voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen, en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen; indien een begunstigde een aangegane verbintenis niet verder kan nakomen omdat zijn bedrijf of een deel daarvan wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, nemen Gedeputeerde Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast; indien de aanpassing genoemd onder 1° en 2° onmogelijk is, eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen; enkel in gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van verordening 2021/2116 stellen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie niet lager vast en hoeft de subsidieontvanger de ontvangen subsidie derhalve niet terug te betalen; de uitzonderlijke omstandigheden bedoeld onder b zijn: de begunstigde is overleden; de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden; het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp of extreme weersomstandigdheden; de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan; al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte; het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien; Gedeputeerde Staten wijzigen de beschikking tot verlening van subsidie indien de volgende wet- en regelgeving wijzigt: de krachtens artikel 12, 13 en bijlage III, van verordening 2021/2115 vastgestelde toepasselijke dwingende normen, uitgewerkt in bijlage 3 en 4 bij de Uitvoeringsregeling GLB 2023; de krachtens artikel 4, tweede lid, van verordening 2021/2115 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten en nader gedefinieerd in het Strategisch GLB-plan onder 4.1.1; de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere toepasselijke dwingende voorschriften; indien de subsidiebeschikking de programmeringsperiode voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 overschrijdt, wijzigen Gedeputeerde Staten de beschikking overeenkomstig het voor de volgende programmeringsperiode geldende rechtskader; Gedeputeerde Staten trekken de beschikking ambtshalve in zodra de subsidieontvanger de in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen niet aanvaardt. De subsidie wordt ambtshalve verlaagd tot het bedrag dat overeenstemt met de periode tot het einde van de looptijd van de beschikking. Artikel16Verantwoording 1.Bij subsidies tot €25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 2.Bij subsidies van € 25.000 tot € 100.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van foto- of videomateriaal van de situatie na afronding van het project. Artikel17Bevoorschotting en betaling 1.Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag. 2.Het voorschot met betrekking tot subsidie voor realisatie van nieuwe landschapselementen, wordt in één keer betaald. 3.Het voorschot met betrekking tot subsidie voor beheer van landschapselementen, wordt betaald in twee gelijke gedeelten en twee gelijke termijnen, gedurende de looptijd van het project. Gedeputeerde Staten bepalen bij verlening van de subsidie op welke tijdstippen het voorschot wordt betaald. 4.In afwijking van het derde lid, wordt het voorschot met betrekking tot subsidie voor cyclisch beheer van landschapselementen betaald in het kalenderjaar waarin het beheer wordt uitgevoerd. 5.Het voorschot met betrekking tot subsidie voor functiewijziging wordt in één keer betaald nadat de subsidieaanvrager een notariële akte heeft overgelegd waaruit blijkt dat de kwalitatieve verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, is gevestigd. Artikel18Subsidievaststelling Subsidies tot € 25.000 worden op grond van artikel 20, eerste lid, onder b, van de Asv ambtshalve vastgesteld op basis van prestaties en normbedragen per eenheid of daadwerkelijk gemaakte kosten. Artikel19Evaluatie Gedeputeerde Staten zenden in 2028 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze regeling in de praktijk. Artikel20Intrekking De Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant wordt ingetrokken. Artikel21Overgangsrecht Op subsidieaanvragen als bedoeld in de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling nog niet onherroepelijk is beslist, blijft de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel22Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel23Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.
  5. ’s-Hertogenbosch, 16 december 2025Gedeputeerde Staten voornoemd,de voorzitter,mr. I.R. Ademade secretaris,drs. G.H.E. Derks MPABijlage1behorende bij artikel 6, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 Bijlage2behorende bij artikel , eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 Bijlage3, als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder e en h, tweede, derde, vierde en zesde lid, artikel 13, eerste lid onder b, artikel 14, eerste lid onder c, artikel 15 onder d, van de Subsidieregeling Stimulering Landschap Noord-Brabant 2.0 Begripsbepaling Afgezet: het terugsnoeien of laag afzagen van een houtig element tot laag bij de grond. Bouwland: perceel met een aanduiding, niet zijnde ‘blijvend grasland’, in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Diameter: de doorsnee van een boom of struik gemeten door de omtrek van de boom op één meter boven het maaiveld te meten en te delen door π (3,14). Grasland: perceel met de aanduiding ‘blijvend grasland’ in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. GVE: Groot Vee eenheid Omschrijving GVE Stieren, koeien en andere runderen ouder dan 2 jaar 1,00 Paardachtigen ouder dan 6 maanden 1,00 Runderen vanaf 6 maanden maar niet ouder dan 2 jaar 0,60 Runderen jonger dan 6 maanden 0,40 Schapen, lammeren en geiten 0,15 Indicatorsoorten: botanische soorten zoals opgenomen onder de kop ‘Indicator soorten’. Kleigrond: gronden in de landschapstypen; Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal en Uiterwaarden, Dijken en Open beemdengebied. Landbouwkundig gebruik: grond welke ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik is blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen. Maaiveld: is bovenkant van niet afgegraven bodem. Natte oppervlakte of laagte: oppervlakte van zichtbaar water. Periodiek beheer: beheer dat volgens een bepaalde regelmaat uitgevoerd moet worden om de verschijningsvorm van het landschapselement in stand te houden. Tot cyclisch beheer behoren onder meer: het knotten van knotbomen, het afzetten van een hout-/elzensingel, het opschonen van een poel. Vrij liggend: Als 75% of meer van de randlengte van het element grenst aan bouw- of grasland1De elementen G1 t/m G3, B1 t/m B4 en W1 van deze regeling behoren tot bouw- of grasland.. Of Er een afstand tussen elementen is van tenminste 5 meter. Of Het een knip- en scheerheg (L7) naast een bomenrij of laan (L8) of knotboom (L9) betreft. Zandgrond: gronden in de landschapstypen Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning. Subsidiabele activiteiten per landschapselement Code Element Realisatie Beheer Inkomsten- derving Functie- wijziging L1 Houtwal en houtsingel x x x L2 Elzensingel x x x L3 Bossingel en bosje x x x L4 Hakhoutbosje x L5 Griendje x L6 Struweelhaag en patrijzenhaag x x x L7 Knip- of scheerheg x x x L8 Bomenrij en solitaire boom x x x L9 Knotboom x x x L10 Hoogstamfruitboomgaard x x L11 Struweelrand x x x L12 Poel en klein historisch water x x x L13 Natuurvriendelijke oever x x x L14 Waterbergingsvoorziening x x x G1 Extensief weidebeheer op dijken x x G2 Kruidenrijke graslandrand x x x x* G3 Wilde bijenrand op grasland x x x x* B1 Wintervoedselrand op bouwland x x B2 Wilde bijenrand op bouwland x x B3 Patrijzenrand op bouwland x x B4 Bloemblok voor akkervogels op bouwland x x W1 Wandelpad op boerenland x** x x x* *In combinatie met een L-element **In combinatie met realisatie of bestaand L-, G- of B-element Algemene beheerverplichtingen Voor alle elementen die worden aangevraagd gelden de volgende beheerverplichtingen: Werkzaamheden mogen niet leiden tot het aantasten van een element. Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop. Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element. Branden in de beheereenheid of in de directe omgeving daarvan is niet toegestaan. Bemesting in de beheereenheid is niet toegestaan, uitgezond zijn hoogstamboomgaarden. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element. Uitzondering voor slootmaaisel en bagger zijn de natuurvriendelijke oevers. Exoten binnen het beheerelement worden bestreden en afgevoerd volgens de daarvoor geldende eisen (o.a. Japanse Duizendknoop (div. soorten), watercrassula, reuze balsemien). L1 Hakhoutsingel of houtwal Omschrijving Een hakhoutsingel of houtwal is kenmerkend in een cultuurlandschap. Deze staan vaak aan de randen van kavels en vormen daarmee een scheiding tussen twee percelen. Ze bestaan uit hoofdzakelijk inheemse bomen en struiken. Bij een houtwal is de beplanting op een aardewal aangeplant. Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde door het element als hakhout te beheren en het periodiek afzetten van het element (periodiek beheer). De cyclus varieert tussen de 10 en 25 jaar. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Dijken Oeverwal Langstraatontginning Een hakhoutsingel of houtwal is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten element. Een hakhoutsingel of houtwal bestaat uit een menging van inheemse2Volwassen exemplaren van Amerikaanse Eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) of acacia (robina pseudoacacia) worden tot een maximum van 20% in de houtwal gedoogd. Jonge exemplaren moet verwijderd worden. bomen en/of struiken. Een hakhoutsingel of houtwal heeft een breedte van minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed. Een hakhoutsingel of houtwal wordt beheerd met hakhoutbeheer. Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L1: realisatie. L1 + L1a: realisatie met jaarlijks beheer. L1a: jaarlijks beheer, jaarlijks het element snoeien. L1b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer: element eenmalig afzetten in de contractperiode, elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart). Plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter. Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt. Beheerverplichtingen Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden). Er mag maximaal één overstaander per 100m2 worden behouden. Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. L1a: jaarlijks wordt minimaal 5% en maximaal 40% van de oppervlakte van het element gekapt, gesnoeid of gedund. L1b: element eenmalig afzetten in de contractperiode, elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden. L2 Elzensingel Omschrijving Een elzensingel is een lijnvormig landschapselement en bestaat uit een enkele rij zwarte elzen. Een elzensingel komt vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en wordt langs waterlopen, greppels of in (oude)laagtes aangeplant. Een elzensingel wordt niet op een wal aangeplant. Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde. Dit wordt bereikt door het element als hakhout te beheren en het periodiek af te zetten (periodiek beheer). De cyclus varieert tussen de 6 en 12 jaar. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Beekdal en broekontginning Langstraatontginning Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten element. Een elzensingel bestaat uit één rij zwarte els (Alnus Glutinosa). Een elzensingel wordt als hakhout beheerd. Een elzensingel ligt naast een greppel of waterloop of op een plaats waar historisch (voor 1975) een greppel of waterloop heeft gelegen. Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L2: realisatie L2 + L2a realisatie met jaarlijks beheer. L2a: jaarlijks beheer. L2a: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer bij >75% bedekking: element eenmalig afzetten in de contractperiode (eindkap). Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Aanplant met 2- en/of 3-jarig zwarte els (Alnus Glutinosa). Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart). Plantafstand: in de rij minimaal 5 en maximaal 12,5 meter. Beheerverplichtingen Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden). Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. L2a: Minimaal 5% tot maximaal 100% van het element is gesnoeid. L2b: een elzensingel wordt gedurende de contractperiode afgezet. Bij elementen langer dan 100 meter wordt beheer in twee fases afgezet: ca 50% van het element wordt het ene jaar afzet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. L3 Bossingel Omschrijving Een bossingel is een vrijliggend, breed lijnvormig en aaneengesloten landschapselement. Een bossingel bestaat uit hoge bomen en struiken. Het doel van het beheer van het element is het behoud van natuurlijke waarden en boskwaliteit. Dit kan worden bereikt door de buitenrand (pleksgewijs) periodiek af te zetten en te snoeien. Doel van het onderhoud is het behoud van het ecosysteem en indien nodig herstel hiervan. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Element past binnen landschapstype(n): Oude zandontginning Beekdal en broekontginning Langstraatontginning Jonge zand- en/of veenontginning Een bossingel is een aaneengesloten element. Een bossingel is minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed. Een bosssingel bestaat uit inheemse3Volwassen exemplaren van Amerikaanse Eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) of acacia (robina pseudoacacia) worden tot een maximum van 20% in de houtwal gedoogd. Jonge exemplaren moet verwijderd worden. bomen en struiken. Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L3: realisatie. L3 + L3a: realisatie met jaarlijks beheer. L3a: jaarlijks beheer. L3b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, 20% van oppervlakte afzetten in contractperiode. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems gemengd bosplantsoen. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart). Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter, 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Een bossingel wordt voor maximaal 80% beheerd als bos met opgaande bomen. Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. L3a: minimaal 5% tot maximaal 40% van oppervlakte van het element is gesnoeid of gedund. L3b: beheereenheid wordt gedurende de contractperiode voor 20% afgezet. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden. L4: Hakhoutbosje Omschrijving Een hakhoutbosje is een vrijliggend, vlakvormig landschapselement met inheemse bomen en struiken dat als hakhout beheerd wordt. Hierbij wordt het element periodiek afgezet. De periode van afzetten is afhankelijk van de soortsamenstelling Het element lijkt op een hakhoutsingel, maar heeft een vlakvormig karakter in plaats van lijnvormig. Doel van het beheer van het element is het behoud van de traditionele hakhoutcultuur en ecologische waarde. Bij een hakhoutbosje met overwegend langzaam groeiende soorten wordt dit gedaan door om de 15 tot 25 jaar het element af te zetten (periodiek beheer). Bij een hakhoutbosje met overwegend snelgroeiende soorten wordt dit gedaan door om de 10 tot 20 jaar het element af te zetten (periodiek beheer). Met langzaam groeiende soorten wordt bedoeld dat de zomereik dominant is. Met snelgroeiende soorten wordt bedoeld dat zwarte els en/of gewone es dominant zijn. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Element past binnen landschapstype(n): Oude zandontginning Beekdal en broekontginning Langstraatontginning Jonge zand- en/of veenontginning Oeverwal Een hakhoutbosje is vlakvormig en is vrijliggend in het landschap Een hakhoutbosje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m
  6. Een hakhoutbosje bestaat uit inheemse4Volwassen exemplaren van Amerikaanse Eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) of acacia (robina pseudoacacia) worden tot een maximum van 20% in de houtwal gedoogd. Jonge exemplaren moet verwijderd worden. bomen en/of struiken. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L4a: jaarlijks beheer. L4b: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer langzaam groeiende soorten, element afzetten in contractperiode. L4c: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer snelgroeiende soorten, element afzetten in contractperiode. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Minimaal 80% van het bosje wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden). Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. L4a: jaarlijks wordt minimaal 5% en maximaal 40% van de oppervlakte van het element gekapt, gesnoeid of gedund. L4b: hakhoutbosje met langzaam groeiende soorten 1 keer per 15-25 jaar afzetten. L4c: hakhoutbosje met snel groeiende soorten 1 keer per 10-15 jaar afzetten. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden. L5: Griendje Omschrijving Een griendje is een vrijliggend, vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten. Een griendje wordt als hakhout beheerd met een beheercyclus van 5 tot 6 jaar. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Element past binnen landschapstype(n): Beekdal en broekontginning Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Zeekleigebied Een griendje is vlakvormig. Een griendje bestaat uit inheemse wilgensoorten. Het griendje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L5a: jaarlijks beheer. L5b: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer, element afzetten in contractperiode. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar en maximaal éénmaal per 3 jaar. L5a: Jaarlijks minimaal 5% tot maximaal 40% afzetten d.m.v. knotten, snoeien of dunnen. L5b: de beheereenheid wordt gedurende contractperiode volledig afgezet. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden. L6: Struweelhaag of patrijzenhaag Omschrijving Een struweel- en patrijzenhaag is een doorndragende inheemse haag, die van oorsprong als veekering werd gebruikt. Een struweelhaag groeit vrij uit en wordt om de 3 tot 6 jaar gesnoeid of teruggezet. Struweel- en patrijzenhagen zijn robuust, breder en hoger dan knip- en scheerheggen. Vogelsoorten gebruiken de haag als nestgelegenheid en voedsel. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Beekdal en broekontginning Oeverwal Langstraatontginning Uiterwaarden Jonge zand- en/of veenontginning Een struweel- en patrijzenhaag bestaat uit een menging van inheemse soorten, waarvan gemiddeld 50% doorndragend is. Een struweel- en patrijzenhaag is vlakvormig en aaneengesloten. Het struweel- en patrijzenhaag is vrijliggend in het landschap. Een struweelhaag is gemiddeld 3 meter breed. Een patrijzenhaag is gemiddeld 1,5 meter breed. Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L6: realisatie L6 + L6a: realisatie en jaarlijks beheer. L6a: jaarlijks beheer L6b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, één of twee keer snoeien in contractperiode (cyclus 5-7 jaar). L6c: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, snoeien in contractperiode (cyclus > 12 jaar).5Enkel aan te vragen indien er in de laatste 6 jaar geen contract voor periodiek beheer (L6b of L6c) is afgesloten. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichting Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Aanplant met 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen, waarvan 50% bestaat uit doorndragende struiken, uitgezonderd meidoorn in bufferzones bacterievuur. In het gebied van de ‘Maasheggen’ dient minimaal 70% te bestaan uit meidoorn (één- en tweestijlige) eventueel aangevuld met andere gebiedseigen soorten. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart). Aanplant in één of twee rijen. Plantafstand in de rij bij 1 rij: minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid. Het gebruik van een klepelmaaier is niet toegestaan, uitgezonderd voor het snoeiwerk van zijkanten. Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. L6a: jaarlijks snoeien van minimaal 5 % tot maximaal 35 % van element. L6b: jaarlijks snoeien en eenmalig of tweemaal in de contractperiode (6 jaar) periodiek beheer, waarbij element wordt afgezet. Hiervoor gelden de volgende beheerverplichtingen: Struweelhaag Struweelhagen langer dan 100 meter worden in minimaal twee fasen beheerd. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar beheerd en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later beheerd. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter. Na het vlechten heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,5 meter. Patrijzenhaag Eerste drie jaar worden geen snoeiwerkzaamheden uitgevoerd. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van één tot anderhalve meter. Het vierde jaar: wordt enkel één zijde van de haag gesnoeid. Het vijfde jaar: worden geen snoeiwerkzaamheden uitgevoerd. Het zesde jaar: wordt de andere zijde van de haag gesnoeid. L6c: jaarlijks snoeien en eenmalig in de contractperiode (6 jaar), waarbij de totale snoeicyclus 12 jaar bedraagt. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden. L7: Knip- of scheerheg Omschrijving Een knip- of scheerheg is een heg die kort geschoren wordt en kenmerkend is rondom erven, boomgaarden en terrassen. De heg kenmerkt zich met een dichte structuur en kan ook gevlochten worden. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oeverwal Uiterwaarden Oude zandontginning. Jonge zand- en/of veenontginning. Beekdal en broekontginning. Een knip- en scheerheg ligt binnen 100 meter van een bouwblok en/of woonerf of rondom een hoogstamboomgaard. Uitgezonderd: In het UNESCO begrensde Maasheggengebied. Gebieden waar aangetoond6Een gevalideerde waarneming via NDFF, waarnemingen.nl of verspreidingsatlas binnen een straal van 1 km. de sleedoornpage voorkomt. Een knip- of scheerhegis vrij-liggend, echter: Het element is toegestaan naast of tussen bomen of knotbomen. Een knip- of scheerheg is minimaal 0,8 meter breed. Een knip- en scheerheg bestaat uit één of twee rijen. Een knip- of scheerheg is maximaal 3 meter hoog. Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L7: realisatie. L7 + L7a: realisatie en jaarlijks beheer. L7a: jaarlijks beheer. L7b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer tweemaal scheren in contractperiode. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Subsidiecriteria zijn van toepassing Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart). Aanplant in één rij. Plantafstand: 4 stuks per meter. Beheerverplichting Algemene verplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee. L7a: de beheereenheid wordt jaarlijks één keer per jaar volledig geschoren of geknipt: De beheereenheid wordt 100% jaarlijks geknipt/geschoren. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter. L7b: de beheereenheid wordt jaarlijks beperkt geschoren of geknipt, waarbij de gehele heg gefaseerd twee keer volledig is geknipt of geschoren binnen de contractperiode. De beheereenheid wordt jaarlijks beperkt geknipt of geschoren, minimaal 20% tot maximaal 50% van de oppervlakte van de beheereenheid. Eén keer per 2-3 jaar is daarmee de heg geheel geschoren of geknipt. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter. De heg wordt dus nooit in één onderhoudsronde geheel geknipt of geschoren. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. L8: Bomenrij en solitaire boom Omschrijving Een bomenrij of solitaire boom staan in een rij, boomgroep of solitair in het landschap. Bomenrijen staan vooral langs lanen, wegen en landbouwpercelen. Solitaire bomen en boomgroepen staan vrij in het landschap en vervullen een belangrijke functie voor de biodiversiteit. Het betreffen inheemse bomen die in een groter formaat worden aangeplant dan singels, heggen en bossen. Bestaande bomenrijen en solitaire bomen mogen worden omgevormd naar een nieuw element, zoals een bossingel of haag met boomdragers. Knotbomen, boomweides en windsingels om boomgaarden en kwekerijen vallen niet onder dit beheertypen. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Dijken Oeverwal Uiterwaarden Langstraatontginning Zeekleigebied Een bomenrij of solitaire boom is vrijliggend in het landschap, maar mag onderdeel zijn van of naast een knip- en scheerheg (L7) liggen. Een bomenrij is minimaal 50 meter lang. Een bestaande bomenrij bestaat uit minimaal 8 en maximaal 20 bomen per 100 meter die voor subsidie in aanmerking komen (plantafstand tussen de 5 en 12,5 meter). Een solitaire boom bestaat uit een cluster van minimaal één en maximaal 10 bomen. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L8: realisatie. L8 + L8a: realisatie en periodiek beheer voor bomen met een diameter <20 cm. L8a: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter <20 cm. L8b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter 20-60 cm. L8c: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter >60 cm. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: De aanplant bestaat uit inheemse laanbomen, met een minimale maat van 10-12 cm. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart). Plantafstand in de rij of boomgroep: minimaal 8 meter en maximaal 12,5 meter. Plantafstand tussen twee rijen: minimaal 6 meter. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee. L8a, L8b en L8c: de beheereenheid wordt minimaal één keer per contactperiode gesnoeid: Na het snoeien beslaat de kroon minimaal 50% van de lengte van de boom. Beheeradvies Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen. L9: Knotboom Omschrijving Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,5 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Ze staan vooral tussen akkers en weilanden, langs waterlopen en poelen. Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke eigenschap van het element. Ten behoeve daarvan worden de knotboom cyclisch geknot. De knotcyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar voor wilg en populier en 7-15 jaar voor eik, es, els, haagbeuk, veldesdoorn en berk. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Dijken Zeekleigebied Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraat ontginning Open beemdengebied Een knotboom is vrijliggend in het landschap, maar mag onderdeel zijn van of naast een knip- en scheerheg (L7) liggen. Een knotboom staat solitair, in rijen of kleine groep. Een groep knotbomen bestaat maximaal uit 20 bomen. Knotbomen in een rij of kleine groep hebben een plantafstand van 5 tot 12,5 meter. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L9: realisatie. L9 + L9a: realisatie en periodiek beheer voor knotboom met een diameter <20 cm. L9a: periodiek beheer voor knotboom met een diameter <20 cm. L9b: periodiek beheer voor knotboom met een diameter 20-60 cm. L9c: periodiek beheer voor knotboom met een diameter >60 cm. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Knotbomen worden aangeplant met inheemse soorten die als knotboom beheerd kunnen worden: Schietwilg (Salix alba) Gewone es (Fraxinus excelsior) Zwarte els (Alnus glutinosa) Populier (div. cultivars) Haagbeuk (Betula pendula) Veldesdoorn (Acer campestre) Inlandse eik (Quercus robur) Berk (Betula pendula) Aanplant van schietwilg: een 3 jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter of laanboom. Aanplant andere soorten: laanboom met minimale maat 10-12 cm. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart). Plantafstand: minimaal 5 meter tot maximaal 12,5 meter. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 14 maart; veldesdoorn en berk alleen tussen 1 november en 1 december. De stam van een knotboom wordt minimaal op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet (geknot). L9a, L9b en L9c: Gedurende de contractperiode wordt de knotboom minimaal éénmaal geknot. Geadviseerd wordt om knotbomen in een rij of groep gefaseerd te beheren: de helft van de knotbomenrij of groep het ene jaar (jaar 3) en minimaal 2 jaar later de andere helft (jaar 6). L10: Hoogstamboomgaard Omschrijving Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog, waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een (kruidenrijk) gras of de ontwikkeling hiervan wordt gestimuleerd (geen gazon). In de een hoogstamboomgaard kunnen notenbomen voorkomen. Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhouds- en vormsnoei uit te voeren. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Oeverwal Jonge zand- en/of veenontginning, aanplant enkel binnen 100 meter van bebouwing. Beekdal en broekontginning, aanplant enkel binnen 100 meter van bebouwing. Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen. De bomen hebben minimaal een stam van 1,5 meter hoog. Een hoogstamboomgaard heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare. Een hoogstamboomgaard heeft een oppervlakte van maximaal 0,25 hectare. Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten. Minimale afstand tussen boomgaarden van aanvrager bedraagt 100 meter. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L10: realisatie. L10 + L10a: realisatie en periodiek beheer. L10a: periodiek beheer. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Aanplant inheemse fruitbomen met stam van minimale 8-10 cm omtrek. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart). Aanplant binnen jonge zand- en/of veenontginning en beekdal en broekontginning binnen 100 meter van bebouwing, hierbij hoeft niet de gehele boomgaard binnen 100 meter te liggen. Plantafstand: minimaal 10 x 10 meter en maximaal 15 x 15 meter. Bij beweiding wordt de boom beschermd door een boomkorf. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing Uitgezonderd hierop is het verbod op bemesting: Bemesting met ruige mest van rundvee en bekalking is toegestaan, mits het ten behoeve van de instandhouding van element wordt toegepast. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Bij bemesten van de boomgaard, grondbewerking en maaiwerkzaamheden worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd. L10a: hoogstam fruitbomen en notenbomen worden periodiek beheerd: Appel en perenbomen: eenmaal in de contractperiode snoeien in de periode 1 juli tot 15 maart. Andere soorten: vorm- en onderhoudsnoei voor behoud van element. De boomgaard wordt extensief beweid of wordt minimaal één keer en maximaal twee keer per jaar gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd, voor de ontwikkeling van kruidenrijk gras. L11: Struweelrand Omschrijving Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel en ruigte. Het struweel bestaat vooral uit struiken, zoals meidoorn en braam. De bedekking van bomen en struiken is maximaal 50% van het oppervlak. Door extensief beheer en spontane ontwikkeling ontstaat er een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden. Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhoud te plegen zoals het maaien, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Dijken Uiterwaarden Langstraatontginning Zeekleigebied Een struweelrand is lijnvormig (dan wel glooiend) en aaneengesloten. Een struweelrand is minimaal 20 meter lang7Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter, dan wordt de beheereenheid als één beschouwd.. Een struweelrand is minimaal 3 en maximaal 12 meter breed. Een struweelrand ligt naast een bosrand, landschapselement of vrij in het veld (bijvoorbeeld een perceelrand). Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken. Een struweel rand bestaat uit een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van grassen en (inheemse) kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L11: realisatie. L11 + L11a: realisatie en jaarlijks beheer. L11a: jaarlijks beheer. L11b: jaarlijks en periodiek beheer. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Struweelrand kan zich spontaan ontwikkelen als landbouwgrond uit productie wordt genomen, maar de aanleg mag ook gestimuleerd worden door: Rand kan ingezaaid worden met kruidenmengsel en 20% van de oppervlakte kan beplant worden met inheemse struiken. Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart). Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. L11a: jaarlijks beheer, waarbij Dominante/ongewenste kruiden (bijv. ridderzuring, brandnetel, Jacob kruiskruid) kunnen worden ingeperkt (uitmijnen) door plaatselijk beheer. Maaisel wordt afgevoerd. L11b: jaarlijks en periodiek beheer, waarbij: 1% tot 40% van de houtige elementen (o.a. opschot) worden jaarlijks gesnoeid. Snoeiafval mag worden verwerkt in rillen of worden afgevoerd. De rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden periodiek gemaaid wordt, waarbij de gehele eenheid éénmaal per 5 jaar geheel gemaaid is. Dit wordt uitgevoerd door gefaseerd maaien, waarbij jaarlijks een deel blijft staan. Maaisel wordt afgevoerd of op een ruiter gelegd. L12: Poel en klein historisch water Omschrijving Een poel en klein historisch water zijn doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door kwel, regenwater, grondwater of afstromend water. De bodem is een afgesloten laagte. Poelen worden doorgaans aangelegd op plaatsen die laag gelegen zijn in het landschap, waarbij het grondwater niet te diep zit. Het is belangrijk dat de poel voldoende lang water houdt en niet te vaak droogvalt. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veen ontginning Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Zeekleigebied Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Een bestaande poel of klein historisch water heeft een oppervlakte van minimaal 100 en maximaal 2000 m
  7. Alleen een poel groter dan 200 m2 mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert en ‘geen afwatering’ een risico voor omgeving kan veroorzaken. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd. Bij schapenbeweiding is het (gedeeltelijk) uitrasteren van een poel niet nodig. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L12: realisatie L12 + 12a of c: realisatie met jaarlijks beheer L12a: jaarlijks beheer voor poelen <175 m2 L12b: jaarlijks beheer en eenmalig grootschalig onderhoud8Enkel aan te vragen indien grootschalig onderhoud noodzakelijk is. Grootschalig onderhoud omvat het baggeren of opschonen van de poel om verlanding of dichtgroeien (door riet) te voorkomen. voor poelen <175 m2 Indien het een beheercontractverlenging betreft: achterstallig onderhoud9Achterstallig onderhoud betreft de aanwezigheid van houtig opschot, wat met jaarlijks beheer voorkomen had kunnen worden. wat voorkomen had kunnen worden, komt niet in aanmerking voor dit beheerpakket. L12c: jaarlijks beheer voor poelen >175 m2 L12d: jaarlijks beheer en eenmalig grootschalig onderhoud14 voor poelen >175 m2 Indien het een beheercontractverlenging betreft: achterstallig onderhoud wat voorkomen had kunnen worden, komt niet in aanmerking voor dit beheerpakket. Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: De poel wordt aangelegd op een locatie waarbij deze een ecologische functie kan vervullen: Binnen een straal van 100 m van een bestaande houtopstand/bos of moeras van minimaal 0,5 hectare of; Binnen een ecologische verbindingszone of stapstenen of; Binnen 300 meter van een poel waarin een of meerdere soorten amfibieën voorkomen of; Er onderbouwd kan worden met goedkeuring van gemeente, waterschap of Provincie dat een poel van ecologische meerwaarde is op de projectlocatie. De laagste grondwaterstand (GLG) grondwaterstand is niet dieper dan 1,20 m onder het maaiveld. De oppervlakte van de poel gemeten vanaf de insteek talud met maaiveld is maximaal 500 m
  8. Oppervlakte inclusief landbiotoop is maximaal 700 m
  9. Rondom de poel kan een kruidenrijke rand worden aangelegd, die groter mag zijn dan de 200 m2 landbiotoop. Het talud wordt aangelegd met een verhouding van minstens 1:3, maar bij voorkeur flauwer. Voor poelen (‘basisbiotoop’) die aangelegd worden t.b.v. de boomkikker10Deze poelen mogen alleen aangelegd worden in gebieden waar de boomkikker voorkomt en de poel kan functioneren als biotoop voor de boomkikker. Dit wordt altijd getoetst op basis van expert judgement. geldt maximaal 2000 m², een diepte van maximaal 1,5 meter en taludverhoudingen van 1:8 tot 1:
  10. Diepte van de poel tot 0,5 – 1 meter beneden de laagste grondwaterstand (GLG), maar maximaal 1.70 m onder het maaiveld. Grondboring kan noodzakelijk zijn om de diepte van (mogelijk) aanwezige leemlaag te bepalen. Poel wordt aangelegd met natuurlijke materialen, waarbij folie niet is toegestaan. Enkel afdichting met klei of leem indien dit nodig is. Landbiotoop rond poel en droog gedeelte van de oevers mag ingezaaid worden met mengsel met inheemse kruiden of voorzien van kruidenrijk hooi/maaisel. Het kan noodzakelijk zijn om vooraf akkoord te hebben van het waterschap. Dit wordt geregeld met een veldcoördinator. Vergunning Voor het graven van poelen geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende kosten voor onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Maaiwerkzaamheden vinden plaats in de droge periode tussen 15 augustus – 15 oktober: Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot beschadiging van de poel en bodem. L12a, L12c: jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen. L12b: Het beheer bestaat uit periodiek opschonen of baggeren en jaarlijks beheer: jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen. Iedere 5 jaar wordt de poel gebaggerd en/of opgeschoond om voldoende diepte en open water te behouden. L12d: Het beheer bestaat uit periodiek opschonen of baggeren en jaarlijks beheer: jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen. Iedere 10 jaar wordt de poel gebaggerd en/of opgeschoond om voldoende diepte en open water te behouden. Minimaal de helft van het natte oppervlak van de poel bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water. De waterdiepte van de diepste delen van de poel is minimaal 0,5 m in de periode tussen 1 oktober en 1 april. Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november. Maximaal 20% van de oeverlengte bestaat uit opslag van bomen of struiken. Het teveel aan opslag wordt verwijderd. Er mogen geen vissen worden uitgezet of gekweekt. Er mogen geen gedomesticeerde watervogels in de poel worden gehouden. Er mogen geen uitheemse waterplanten in de poel worden aangeplant. De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven. Beheeradvies Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven. Maaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. Er vindt geen wateronttrekking plaats, behalve ten behoeve van het drenken van vee op aangrenzende percelen. L13: Natuurvriendelijke oever Omschrijving Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande watervoerende waterloop, in de vorm van een drasberm, plasberm of flauw talud (minimaal 1:3), met een begroeiing van inheemse kruidachtige planten. De oeverbegroeiing kan overwegend uit riet bestaan (rietoever) of uit diverse grassen en kruiden (graskruidenoever). Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Zeekleigebied Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Jonge zand- en/of veenontginning Oude zandontginning Een natuurvriendelijke oever is lijnvormig en aaneengesloten. Een natuurvriendelijke oever ligt langs een bestaande watervoerende waterloop. Een natuurvriendelijke oever is minimaal 3 meter en maximaal 10 meter breed. Een natuurvriendelijke oever bestaat uit een drasberm, plasberm of flauw talud met minimaal ratio 1:
  11. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L13: realisatie L13 + L13a of b: realisatie en jaarlijks beheer van een graskruidoever L13a: jaarlijks beheer van een graskruidoever L13b: tweejaarlijks beheer van een rietoever Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Voor een natuurvriendelijke oever aan A- en B-Watergangen is vooraf afstemming geweest met het Waterschap, zodat deze voldoet aan de eisen van waterschap. Indien een schouw- of onderhoudspad noodzakelijk is, kan dit in overleg met de gebiedscoördinator. Een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm, plasberm of een flauw talud met minimaal ratio 1:
  12. Bij peilgestuurde gebieden wordt de plasberm ontgraven tot 50 cm onder en tot 10 cm boven het zomerpeil en een drasberm wordt ontgraven tot 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij afwezigheid van een plas-dras oever is een flauw talud minimaal 1:3 of flauwer. Het talud wordt ontgraven vanaf de slootbodem tot het maaiveld. Bij vrij afwaterende gebieden: ligt de bodem van de oever boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil). Het kan noodzakelijk zijn om vooraf akkoord te hebben van het waterschap. Dit wordt geregeld met een veldcoördinator. Vergunning Voor het graven van natuurvriendelijke oevers geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Een natuurvriendelijke oever wordt gefaseerd gemaaid, waarbij minimaal 1/3 jaarlijks blijft staan. Maaisel wordt afgevoerd binnen één week na de werkzaamheden of worden op een ruiter geplaatst. Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen half augustus en eind oktober, bij droge omstandigheden Een natuurvriendelijke oever bestaat voor maximaal 20% uit struweel, overige struweel wordt verwijderd en afgevoerd. Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de natuurvriendelijke oever. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in en natuurvriendelijke oever. L13a: jaarlijks beheer van een graskruidoever. De natuurvriendelijke oever wordt minimaal éénmaal per jaar gefaseerd gemaaid. L13b: tweejaarlijks beheer van een rietoever. De natuurvriendelijke oever wordt minimaal één keer per 2 jaar gefaseerd gemaaid. Beheeradvies Een natuurvriendelijke oever mag maximaal 2 weken beweid worden met schapen, in de periode half augustus tot 1 maart. L14: Waterberging Omschrijving Een waterbergingsvoorziening is een laagte met een kruidachtige begroeiing of broekbos of een ondiepe plas die ten tijde van hoge waterstanden extra water kan bergen. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Zeekleigebied Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Jonge zand- en/of veenontginning Oude zandontginning Een waterbergingsvoorziening is een laagte met kruidachtige begroeiing, broekbos of ondiepe plas, die droogvalt. Een waterbergingsvoorzienig heeft een oppervlakte maximaal 5000 m
  13. Een waterbergingsvoorziening heeft een inhoud van minimaal 500 m
  14. Een waterbergingsvoorziening mag geen nadelige gevolgen hebben voor aangrenzende percelen van andere eigenaren. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: L15: Realisatie van een natte laagte, ondiepe plas of broekbos/wilgenstruweel L15 + L15a/b/c: realisatie met specifiek beheer L15a: jaarlijks beheer van een natte laagte L15b: jaarlijks beheer van een ondiepe plas L15c: periodiek beheer van een broekbos of wilgenstruweel Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een waterbergingsvoorziening wordt aangelegd in de vorm van: een natte laagte die na enige tijd droogvalt. een ondiepe plas met permanent water. Een natte laagte met broekbos of wilgenstruweel. Broekbos wordt niet aangeplant, maar ontstaat door natuurlijke opslag van inheemse bomen en struiken. Eisen voor peilgestuurde gebieden: Bij een natte laagte of broekbos ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening van 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij een ondiepe plas ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening tot 100 cm onder het zomerpeil. Eisen voor vrij afwaterende gebieden: Bij een natte laagte of broekbos in vrij afwaterende gebieden ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening op minimaal 50 cm onder maaiveldhoogte en niet onder de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil). Om waterbergingsmogelijkheden te maximaliseren kunnen kunstwerken11Kunstwerken vallen niet onder de subsidieregeling waarvoor een subsidievergoeding wordt gegeven. (stuw, knijpduiker) toegepast worden. Een kunstwerk is noodzakelijk als afwatering plaatsvindt naar een sloot of waterloop. De waterbergingsvoorziening kan worden voorzien van een schouw-/onderhoud rand met kruidenrijk gras. Een schouw-/ onderhoud rand langs een waterbergingsvoorziening is maximaal 4 meter breed en beslaat niet meer dan 20% van het oppervlak. Vergunning Voor het graven van waterbergingsvoorziening geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Een waterbergingsvoorziening wordt niet beweid. Slootmaaisel, bagger, maaisel, tuinafval of andere vormen van lozingen (niet organische stoffen) mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid. L15a: jaarlijks beheer van een natte laagte. De laagte wordt éénmaal per jaar gemaaid. Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen half augustus en eind oktober, bij droge omstandigheden12Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.. Het maaisel wordt afgevoerd. L15b: jaarlijks beheer van de oevers van een ondiepe plas. Het beheer moet bestaan uit de volgende uitgangspunten: Jaarlijks maaibeheer van de oevers tussen half augustus en eind oktober
  15. Minimaal de helft van het natte oppervlak van de plas bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water. Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november. Maximaal 20% van de oppervlakte van de oevers bestaat uit opslag van bomen of struiken. L15c: periodiek beheer van een broekbos/wilgenstruweel in een laagte. Het beheer moet bestaan uit de volgende uitgangspunten: Het broekbos of wilgenstruweel wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode half augustus tot 1 maart. De gehele eenheid moet in de contractperiode (gefaseerd) worden afgezet. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden). Snoeihout moet afgevoerd worden uit de beheereenheid. Beheeradvies Een waterberging mag maximaal 2 weken beweid worden met schapen, in de periode half augustus tot 1 maart. G1: Extensief beweid grasland voor bijen op dijken Omschrijving Een extensief beweid grasland op dijken is een graslandstrook die met een lage dichtheid wordt begraasd om kruidenrijkdom te vergroten. Extensief beweid grasland is grasland dat extensief beweid wordt en niet wordt bemest (behoudens mest van het weidende vee). Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in het landschapstypen: Dijken Een extensief beweid grasland wordt extensief beweid. Een extensief beweid grasland wordt niet bemest (behoudens mest van het weidende vee). Het extensief beweid grasland bestaat uit grasland. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: G1: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken. G1a: Beheer van extensief jaarlijks beweid grasland in de periode 1 mei tot 1 september (1 tot 1,5 GVE/ha). Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element. Aanlegverplichting Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Indien in de rand 4 indicatorsoorten aanwezig zijn, kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden. Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid. Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober13Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Het grasland wordt niet bemest (behoudens mest van weidend vee). Het grasland wordt extensief beweid van 1 mei tot 1 september met minimaal 1 en maximaal 1,5 GVE per hectare. Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid. Chemische en/of mechanische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid. Een kenmerkende soort van dijken zoals de kruisdistel mag niet worden bestreden. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid. Voorgeschreven mengsel G2: Kruidenrijke graslandrand Omschrijving Een kruidenrijke rand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld of door vee wordt beweid. Ze worden éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. In de rand komen minimaal 8 indicatorsoorten voor in het groeiseizoen. De randen worden niet bemest, gescheurd of diep geploegd. Kruidenrijke randen vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Kruidenrijk randen liggen aan de buitenzijde van een perceel. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Zeekleigebied Dijken Oeverwal Uiterwaarden Komgebied Langstraatontginning Een kruidenrijke graslandrand is minimaal 25 lang. Een kruidenrijke graslandrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 6 meter breed, met uitzondering van: Randen op dijken of binnen ecologische verbindingszones hebben een breedte van minimaal 3 meter en maximaal 25 meter. Een kruidenrijke graslandrand ligt op een grasland: Aan de rand van een perceel of Naast een L-element. De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van: Langstraatontginning. Dijken in Zeekleigebied. EVZ (hierin mogen G-randen naast elkaar grenzen). De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: G2: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken, gecombineerd met G2a of G2b. G2a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. G2b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik. Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden. Indien er geen 8 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid. Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober14Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.. Aanleg advies grondwaardedaling In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met het voorgeschreven zaadmengsel. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Een kruidenrijke graslandrand wordt gefaseerd gemaaid, waarbij minimaal 20% per maaibeurt blijft staan: Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen 15 juli en 1 maart; Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd. Het eerste jaar kunnen ongewenste dominante soorten voorkomen. Na afstemming met de gebiedscoördinator kan eenmalig eerder worden gemaaid. Een kruidenrijke graslandrand wordt niet beweid. Een kruidenrijke graslandrand wordt niet bemest. Een kruidenrijke graslandrand wordt niet gescheurd of gefreesd. Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Voorgeschreven mengsel NL-naam Latijnse naam Percentage NL-naam Latijnse naam Percentage Boekweit Fagopyrum esculentum 7,5% Gewone margriet Leucanthemum vulgare 10% Bernagie Borago officinalis 7,5% Gewone rolklaver Lotus corniculatus 20% Korenbloem Centaurea cyanus 2,5% Wilde peen Daucus carota 10% Gele ganzenbloem Chrysanthemum segetum 2,5% Duizendblad Achillea millefolium 7% Witte klaver Trifolium repens 10% Rode klaver Trifolium pratense 10% Groot streepzaad Crepis biennies 5% Knoopkruid Centaurea jacea 3% Zaaidichtheid 15 kg/ha Cichorei Cichorium intybus 5% G3: Wilde bijenrand op grasland Omschrijving Een wilde bijenrand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld of door vee wordt beweid. Deze wordt éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. De randen worden extensief en gefaseerd beheerd om variatie te creëren. In de rand komen minimaal 8 indicatorsoorten voor in het groeiseizoen. De randen worden niet bemest, gescheurd of diep geploegd. Wilde bijenranden vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Wilde bijenranden liggen aan de buitenzijde van een perceel. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Zeekleigebied Dijken Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Een wilde bijenrand is minimaal 25 lang. Een wilde bijenrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed, met uitzondering van: Randen op dijken of binnen ecologische verbindingszones hebben een breedte van minimaal 3 meter en maximaal 25 meter. Een wilde bijenrand ligt op grasland: Aan de rand van een perceel of Naast een L-element. De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. uitzondering van: Langstraatontginning. Dijken in Zeekleigebied. EVZ (hierin mogen G-randen naast elkaar grenzen). De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: G3: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken, gecombineerd met G3a of G3b. G3a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. G3b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik. Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een wilde bijenrand op grasland wordt éénmalig ingezaaid met voorgeschreven mengsel
  16. Dit is enkel nodig indien 8 indicatorsoorten ontbreken of kruidenrijkdom onvoldoende is: Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober15Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.. Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden. Aanleg advies grondwaardedaling In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met het voorgeschreven zaadmengsel. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Een wilde bijenrand wordt gefaseerd gemaaid, jaarlijks wordt 50% van de rand gemaaid. Het volgende jaar wordt de rand de overgebleven 50% gemaaid. De rand is daarmee in twee fases geheel gemaaid per 2 jaar. Maaiwerkzaamheden vinden plaatsen tussen 15 september en 1 januari. Maaisel wordt binnen 14 dagen na maaien afgevoerd. Het eerste jaar kunnen ongewenste dominante soorten voorkomen. Na afstemming met de gebiedscoördinator kan eenmalig eerder worden gemaaid. Een wilde bijenrand wordt niet beweid en bemest. Een wilde bijenrand wordt niet gescheurd of gefreesd. Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Voorgeschreven mengsel Eenjarige kruiden Meerjarige kruiden NL-naam Latijnse naam Percentage NL-naam Latijnse naam Percentage Boekweit Fagopyrum esculentum 7,5% Gewone margriet Leucanthemum vulgare 10% Bernagie Borago officinalis 7,5% Gewone rolklaver Lotus corniculatus 15% Korenbloem Centaurea cyanus 2,5% Wilde peen Daucus carota 10% Gele ganzenbloem Chrysanthemum segetum 2,5% Duizendblad Achillea millefolium 7% Gewone pastinaak Pastinaca sativa 5% Witte klaver Trifolium repens 5% Rode klaver Trifolium pratense 5% Venkel Foeniculum vulgare 5% Groot streepzaad Crepis biennies 5% Knoopkruid Centaurea jacea 3% Boerenwormkruid Tanacetum vulgare 3% Muskuskaasjeskruid Malva moschata 3% Gewone berenklauw Heracleum sphondylium 3% Zaaidichtheid 12 kg/ha Cichorei Cichorium intybus 2% B1: Wintervoedselrand op bouwland Omschrijving Een wintervoedselrand op bouwland is een strook waar granen en zaaddragende planten staan. De rand bestaat voor 90% uit granen en wordt jaarlijks opnieuw ingezaaid. De rand wordt niet geoogst, waardoor deze voedsel biedt voor vogels en andere fauna. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Zeekleigebied Komgebied Oeverwal Uiterwaarden Langstraatontginning Beekdal en broekontginning Een wintervoedselrand is minimaal 25 lang. Een wintervoedselrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed. Een wintervoedselrand blijft in de winter overstaan. Een wintervoedselrand ligt op een akker/bouwland. De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van: Langstraatontginning. De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: B1a: jaarlijks inzaaien en beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B1b: jaarlijks inzaaien en beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B1c: jaarlijks inzaaien en beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik. Aanlegverplichting Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een wintervoedselrand wordt jaarlijks tussen 16 maart en 30 april ingezaaid met het voorschreven zaadmengsel en zaaidichtheid16Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.. Er wordt ingezaaid met niet ontsmet zaad. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Er wordt een rustperiode in acht genomen in de periode 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden er geen beheerwerkzaamheden en bewerkingen plaats. Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten. Een wintervoedselrand wordt jaarlijks opnieuw ingezaaid in de periode 16 maart tot 30 april. Een wintervoedselrand mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand. De rand wordt niet gebruikt als pad. Een wintervoedselrand mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest. Voorgeschreven mengsel Wintervoedsel NL-naam Latijnse naam Percentage Zomertarwe (korte soort) Triticum aestivum 20% Zomerhaver Avena sativa 10% Zomergerst (korte soort) Hordeum distochon 20% Zomer Triticale Triticale x triticale 20% Boekweit Fagopyrum esculentum 10% Zonnebloem Helianthus annuus 12% Vlas Linum usitatissimum 5% Phacelia Phacelia tanacetifolia 1% Gele ganzenbloem Chrysantemum segetum 1% Incarnaatklaver Trifolium incarnatum 1% Zaaidichtheid 125 kg/ha B2: Wilde bijenrand op bouwland Omschrijving Een wilde bijenrand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld. Ze worden éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. De randen worden extensief en gefaseerd beheerd om variatie te creëren. Wilde bijenranden vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Wilde bijenranden liggen aan de buitenzijde van een perceel. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Zeekleigebied Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Een wilde bijenrand ligt op bouwland. Een wilde bijenrand is minimaal 25 lang. Een wilde bijenrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed, met uitzondering van: De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van: Langstraatontginning. De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: B2a: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B2b: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B2c: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik. Aanlegverplichting Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een wilde bijenrand op bouwland wordt eenmalig in de contractperiode ingezaaid met het voorgeschreven zaagmengsel17Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord. en zaaidichtheid. Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Een wilde bijenrand op bouwland wordt jaarlijks in twee fases gemaaid, waarbij bij elke maaibeurt 50% blijft staan: Eerste maaibeurt: 1 juli – 1 augustus, 50% van de rand maaien en 50% blijft overstaan. Tweede maaibeurt: 15 september – 15 november, de overgebleven 50% van de voorgaande maaibeurt wordt gemaaid. De andere 50% blijft overstaan. Maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd. Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten. Een wilde bijenrand wordt niet beweid en bemest. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator. Voorgeschreven mengsel Eenjarige kruiden Meerjarige kruiden NL-naam Latijnsenaam Percentage NL-naam Latijnsenaam Percentage Boekweit Fagopyrum esculentum 7,5% Gewone margriet Leucanthemum vulgare 10% Bernagie Borago officinalis 7,5% Gewone rolklaver Lotus corniculatus 15% Korenbloem Centaurea cyanus 2,5% Wilde peen Daucus carota 10% Gele ganzenbloem Chrysanthemum segetum 2,5% Duizendblad Achillea millefolium 7% Gewone pastinaak Pastinaca sativa 5% Witte klaver Trifolium repens 5% Rode klaver Trifolium pratense 5% Venkel Foeniculum vulgare 5% Groot streepzaad Crepis biennies 5% Knoopkruid Centaurea jacea 3% Boerenwormkruid Tanacetum vulgare 3% Muskuskaasjeskruid Malva moschata 3% Gewone berenklauw Heracleum sphondylium 3% Zaaidichtheid 12 kg/ha Cichorei Cichorium intybus 2% B3: Patrijzenrand op bouwland Omschrijving Een patrijzenrand ligt op bouwland en bestaat uit drie randen, namelijk uit één strook met meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel, één strook met wintervoedsel en één strook groene braak. De combinatie van randen zorgt voor broedsucces en kuiken overleving van patrijzen. De stroken wintervoedselstrook en braakstrook mogen jaarlijks wisselen. Figuur 1 Voorbeeld van een patrijzenrand (Bron: Poldernatuur Zeeland – patrijzenrand) Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Zeekleigebied Komgebied Oeverwal Uiterwaarden Langstraatontginning Een patrijzenrand ligt op bouwland. Een patrijzenrand bestaat uit drie stroken: meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel (50% van de totale breedte minus de braakstrook) wintervoedselmengsel (50% van de totale breedte minus de braakstrook). braakstrook van 3 meter. Een patrijzenrand is minimaal 25 meter lang. Een patrijzenrand is minimaal 9 meter en maximaal 18 meter breed. De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd. De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: B3a: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B3b: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B3c: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik. Aanlegverplichting Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een patrijzenrand op bouwland bestaat uit drie stroken: Graskruidenstrook 50% van de totale breedte van de rand minus de braakstrook Eenmalig inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid. Wintervoedselstrook 50% van de totale breedte van de rand minus de braakstrook Jaarlijks inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid. Braakstrook 3 meter brede strook. Jaarlijks ploegen, waarbij de strook braak blijft liggen. Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Minimaal 90% van de oppervlakte bestaat van 1 juni tot 15 augustus uit een combinatie van ingezaaide granen (niet zijnde maïs of graanstoppel) en kruiden met een strook van maximaal 3 meter groene braak. De rand wordt niet beweid. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Graskruidenstrook: De strook wordt minimaal één keer per jaar en maximaal 2 keer per jaar gemaaid. Indien de vegetatie korter is dan 15 cm wordt er geen maaibeurt uitgevoerd. De maaibeurten vinden plaats in de volgende periode: Eerste maaibeurt: 1 maart – 15 april, Tweede maaibeurt: 1 tot 15 september. Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd. Deze strook wordt niet bemest. Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten. Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator. Wintervoedselstrook De strook wintervoedsel wordt jaarlijks ingezaaid en niet geoogst. Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats. Deze strook wordt niet gebruikt als pad. Deze strook mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest. Braakstrook De strook wordt jaarlijks bewerkt tot een braakstrook. Deze strook wordt niet bemest. Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. Deze mag bewerkt worden met een cultivator of schoffelmachine voor het bewerkstelligen van zwarte braak. Voorgeschreven mengsel Graskruidenstrook Wintervoedselstrook NL-naam Latijnse naam Percentage NL-naam Latijnse naam Percentage Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras Festuca rubra rubra 45% Zomertarwe (korte soort) Triticum aestivum 20% Witte klaver Trifolium repens 20% Zomerhaver Avena sativa 10% Gewone rolklaver Lotus corniculatus 30% Zomergerst (korte soort) Hordeum distochon 20% Duizendblad Achillea millefolium 5% Zomer Triticale Triticale x triticale 20% Boekweit Fagopyrum esculentum 10% Zaaidichtheid 15 kg/ha Zonnebloem Helianthus annuus 12% Vlas Linum usitatissimum 5% Phacelia Phacelia tanacetifolia 1% Gele ganzenbloem Chrysantemum segetum 1% Incarnaatklaver Trifolium incarnatum 1% Zaaidichtheid 125 kg/ha B4: Bloemblok voor akkervogels op bouwland Omschrijving Een bloemblok op bouwland is een vlakdekkend element met meerjarige kruiden en granen. Een bloemblok wordt minimaal twee keer per contractperiode ingezaaid. Het vervult een belangrijke functie voor voedsel, rust en veiligheid voor (broed)vogels en insecten. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Zeekleigebied Komgebied Oeverwal Uiterwaarden Langstraatontginning Een bloemblok ligt op bouwland. Een bloemblok is minimaal 25 meter lang. Een bloemblok is minimaal 18 meter breed. Een bloembok is maximaal 0,5 hectare groot. Het bloemblok is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd. De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. Een bloemblok mag niet onderbroken worden. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten: B4a: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B4b: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is. B4c: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik. Aanlegverplichting Bij het aanleggen van een bloemblok dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een bloemblok op bouwland wordt drie keer in de contractperiode ingezaaid met het voorgeschreven zaagmengsel18Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord. en zaaidichtheid: Eerste jaar volledige blok wordt gezaaid. Opvolgende jaren 50% van het blok opnieuw wordt ingezaaid. Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober of in maart/april waarbij gestart wordt met een vals zaaibed. Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Minimaal 90% van de oppervlakte bestaat van 1 juni tot 15 augustus uit ingezaaide kruiden of kruiden in combinatie met granen. Een bloemblok wordt na het eerste jaar jaarlijks voor de helft opnieuw ingezaaid, waarbij: In het tweede: 50% van het bloemblok wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid. In het derde jaar: de andere 50% wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid. In het vierde jaar: 25% van het bloemblok van het tweede jaar en 25% van het bloemblok van het derde jaar wordt onderwerkt en opnieuw ingezaaid. Hiermee wordt een dambord patroon ontwikkeld. In het vijfde jaar: de andere 50% wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid. In het zesde jaar blijft de rand behouden en niet ondergewerkt. Onderwerken en opnieuw inzaaien vindt plaats na Een bloemblok wordt niet gemaaid of beweid. Een bloemblok wordt niet bemest. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand. Voorgeschreven mengsel Bloemblok voor akkervogels NL-naam Latijnsenaam Percentage NL-naam Latijnsenaam Percentage Zomer Triticale Triticale x triticale 20% Esparcette Onobrychis viciifolia 2% Oude rogge Secale multicaule 20% Cichorei Cichorium intybus 2% Zomerhaver Avena sativa 20% Groot streepzaad Crepis biennis 1% Quinoa/gierstmelde Chenopodium quinoa 10% Wilde peen (wild) Daucus carota 1% Mergstamkool Brassica oleracea 4% Groot kaasjeskruid Malva sylvestris 1% Voederwikke Vicia sativa 3% Grote kaardebol Dipsacus fullonum 1% Venkel Foeniculum vulgare 3% Incarnaatklaver Trifolium incarnatum 2% Luzerne Medicago sativa 2% Margriet (wild) Leucanthemum vulgare 1% Bladrammenas Raphanus sativus 2% Gewone rolklaver Lotus corniculatus 1% Gele mosterd Sinapis alba 2% Zandgronden: zaaidichtheid 10 kg/ha Kleigronden: zaaidichtheid 7 kg/ha W1: Wandelpad over boerenland Omschrijving Een wandelpad over boerenland is een toegankelijk pad voor wandelaars dat over landbouwgrond loopt. Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria: Het element ligt in één van de volgende landschapstypen: Oude zandontginning Jonge zand- en/of veenontginning Beekdal en broekontginning Open beemdengebied Zeekleigebied Dijken Oeverwal Komgebied Uiterwaarden Langstraatontginning Een wandelpad sluit aan op bestaande routestructuren en is onderdeel van een doorgaande wandelstructuur. Een wandelpad ligt op landbouwgrond. Een wandelpad ligt naast een bestaand of aan te leggen L-, G- of B-element. Het wandelpad moet 364 dagen per jaar opengesteld zijn van zonsopgang tot zonsondergang. Een wandelpad is minimaal 1 meter en maximaal 3 meter breed. Het wandelpad wordt aangeduid met bewegwijzering en informatiebord. Aan te vragen subsidiepakketten Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van de volgende subsidiepakketten: W1: realisatie op bouwland, te combineren met W1a, W1b en R-elementen. W1a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik, waarop inkomstenderving van toepassing is. W1b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik. Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element. Aanlegverplichtingen Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast: Een wandelpad op bouwland wordt eenmalig ingezaaid met een laagblijvend grasmengsel. Een wandelpad wordt voorzien van een voorgeschreven openstellingsbord (R5). Beheerverplichting Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing. Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten. Het wandelpad bestaat uit gras en wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is. De begroeiing is maximaal 20 cm hoog. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Bescherming van elementen X1: Veeraster (rundvee of paard) Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria: Een veeraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element. Het veeraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee of paard op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd. Het veeraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door rundvee of paard. Aanlegvereisten Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.