← Nederland

Verordening sociaal domein Gemeente Bronckhorst (Bronckhorst)

Verordening sociaal domein Gemeente BronckhorstDe raad van de gemeente Bronckhorst; gelezen het voorstel van het college van b en w van 18 november 2025; gelet op de Verordening Sociaal Domein gemeente Bronckhorst 2024; Besluit: De Verordening Sociaal Domein gemeente Bronckhorst 2026 vast te stellen. 1.Inleiding Verordening Sociaal Domein Bronckhorst Deze verordening sluit aan bij het beleidskader “Gewoon Meedoen” en geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: Werken; Meedoen in de samenleving (participatie); Uitkeringen; Schuldhulpverlening; Gezond en veilig opgroeien; Vervoer naar school; Hulp aan inwoners met een beperking; Wonen in een veilige en gezonde omgeving; Melden van verward gedrag. 1.1Waarom deze regels? In de gemeente Bronckhorst vinden we het belangrijk dat inwoners: Actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; Een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; Hun financiën op orde hebben; Een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; Een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig kunnen wonen; Gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die goed bij hen past. Deze zijn in Bronckhorst vertaald in het geldend beleidskader sociaal domein. De wetgever heeft wetten gemaakt om deze doelen te bereiken. Het gaat om de: Participatiewet (PW); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Jeugdwet (Jw); Wet kinderopvang (Wko); Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs voor leerlingenvervoer (Llv); Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz); Wet sociale werkvoorziening (WSW). Wet inburgering (WI2021) De regels in deze verordening zijn nodig om de wettelijke taken goed te kunnen uitvoeren. Deze vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en wethouders kunnen zulke uitvoeringsregels maken. Deze regels staan niet in deze verordening maar in andere regelingen, zoals beleidsregels. Bij de verschillende onderdelen staat aangegeven of dit van toepassing is. Op verschillende plekken in de verordening zijn wetsartikelen opgenomen. Die artikelen zijn wel iets anders geformuleerd. Dat maakt ze beter leesbaar. 1.2Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: Zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en samen met inwoners hulpvragen op te lossen; Zijn goed leesbaar; Kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; Zijn afgestemd op elkaar; Sluiten aan bij de wetten die hierboven zijn genoemd; Helpen om belangrijke internationale regels na te komen; en Houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; Gaan uit van een wederzijds vertrouwen tussen gemeente en inwoners. 1.3Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit aansluit bij de doelen. De gemeente gaat bij het toepassen van de regels ook uit van een aantal kernwaarden: Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk hun eigen leven goed in te richten. Iedere inwoner kan naar vermogen deelnemen aan de samenleving. Iedere inwoner heeft onderdak en een gezonde financiële huishouding. Kinderen groeien veilig en gezond op. Voorkomen is beter dan genezen. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). Vrij toegankelijke hulp gaat voor ondersteuning -op-maat. De gemeente biedt extra ondersteuning aan kwetsbare inwoners. De gemeente stemt de ondersteuning en hulp op elkaar af. Bovenstaande Kernwaarden zijn uitgeschreven en komen overeen met de maatschappelijke doelen die zijn vastgesteld in het geldend beleidskader sociaal domein. Wat zijn kernwaarden? Dat zijn principes en overtuigingen die we belangrijk vinden bij het uitvoeren van de verordening. De kernwaarden in deze paragraaf zijn van toepassing op alle hoofdstukken. Daarnaast kan elk hoofdstuk nog bijzondere kernwaarden hebben. Dat zijn kernwaarden die speciaal voor dat hoofdstuk gelden. Ten slotte: de begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk

  1. 1.4Uitvoering van de regels De sociale teams van de gemeente Bronckhorst geven uitvoering aan deze verordening. Zij passen regels toe en betrekken daarbij de kernwaarden die u hierboven leest (paragraaf 1.2.). De sociale teams bestaan uit medewerkers met verschillende specialismen en inhoudelijke deskundigheid. We kijken welke kennis en expertise uit een team nodig is om een inwoner met een vraag om ondersteuning zo goed mogelijk verder te helpen. 1.5Leeswijzer Wat leest u in deze verordening? Na de inleiding leest u eerst hoe en waar een inwoner hulp en/of ondersteuning kan vragen en hoe die vraag wordt opgepakt. Daarna leggen we in een aantal hoofdstukken de belangrijkste regels over de gemeentelijke taken uit (zie 1.1). Die regels gaan bijvoorbeeld over ondersteuning van de gemeente om de stap naar werk te zetten (H.3), ondersteuning bij de opvoeding van kinderen (H.4), en ondersteuning bij schulden (H.7). In die hoofdstukken leest u wanneer u ondersteuning kunt krijgen, wat deze inhoudt en welke rechten en plichten u heeft. Daarna zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de ondersteuning heeft, over wat inwoners en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe deze georganiseerd is (H. 8-12). De verordening eindigt met een uitleg van belangrijke begrippen uit deze verordening en met enkele slotbepalingen (H. 13 en 14). Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke bijzondere kernwaarde(n) voor dat hoofdstuk geldt/gelden. Daarna volgen de regels. Die regels zijn gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Bij elk artikel kunt u zien op welke wet of welke wetten het precies gebaseerd is. Dit kan per artikel en zelfs per hoofdstuk of paragraaf verschillend zijn. In deze verordening komt een aantal keer het woord ‘Gemeentewet’ voor. Dat is de wet die bepaalt dat de gemeenteraad zelf iets kan regelen. Bij een aantal artikelen leest u ook de afkorting ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht). Daarmee bedoelen we dat in de Awb specifieke bepalingen over dat onderwerp staan. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.9 en 3.
  2. 10 (over loonkostensubsidie), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten). 2.Verzoek om ondersteuning Soms lukt het inwoners niet om zelf hun problemen op te lossen. Inwoners kunnen dan ondersteuning vragen aan de gemeente. In dit hoofdstuk staat hoe een inwoner een verzoek om ondersteuning kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe dit verzoek wordt behandeld en hoe de gemeente tot een besluit komt. Soms geldt voor bepaalde vragen een bijzondere route. In dit hoofdstuk staat ook, hoe inwoners en hulpverleners signalen over inwoners die ondersteuning nodig hebben, kunnen doorgeven aan de gemeente. Wanneer de gemeente ondersteuning biedt, zorgt de gemeente ervoor dat deze aansluit bij andere vormen van ondersteuning die aan de inwoner wordt gegeven. Kernwaarden Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: Het verzoek om ondersteuning van de inwoner staat centraal. De gemeente helpt bij het verduidelijken van de vraag. De gemeente helpt de inwoner om zijn verzoek om ondersteuning op de juiste plek te stellen. Stap 1: Melding bij de gemeente (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wvggz, Llv) 2.1.1Melden Inwoners 1.Inwoners die ondersteuning nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. 2.De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. Iemand anders kan ook een melding namens de inwoner doen. 3.Voor sommige vormen van ondersteuning kan de inwoner direct een aanvraag doen (zie art. 2.3.1). De gemeente maakt duidelijk voor welke vormen van ondersteuning dat geldt en hoe de aanvraag kan worden gedaan. 4.Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen. 5.De gemeente biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit Advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 2.1.2Doel en procedure melding 1.Het doel van de melding is om te bespreken en te onderzoeken of er ondersteuning nodig is. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een vervolggesprek. De gemeente geeft aan waarover dat gesprek gaat, waar en wanneer het gesprek zal zijn en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil, of als het van belang is voor de vraag om ondersteuning. 2.De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dat noemen wij een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheden. 3.De gemeente kan afzien van een gesprek na de melding, als de gemeente al voldoende informatie heeft. De gemeente doet dit alleen in overleg met de inwoner. 2.1.3Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens op te sturen of mee te nemen naar het gesprek. Stap 2: Gesprek na de melding (Jeugdwet, Wmo, IOAW, IOAZ, Wgs) 2.2.1Doel en procedure van het gesprek 1.Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de vraag om ondersteuning, van het effect dat de inwoner met zijn vraag om ondersteuning wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. 2.De inwoner kan iemand laten aansluiten bij het gesprek om hem te ondersteunen. De inwoner kan ook gebruik maken van een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). 3.De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. 2.2.2Gesprek en onderzoek 1.De medewerker bespreekt met de inwoner de vraag om ondersteuning en het effect dat de inwoner met de vraag om ondersteuning wil bereiken. De medewerker onderzoekt: De behoefte van de inwoner: wat is er nodig? De persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit? En wat betekent dit voor het effect dat de inwoner wil bereiken? De (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? Andere voorzieningen: kan de inwoner gebruik maken van voorzieningen uit andere wetten? De omgeving van de inwoner: welke ondersteuning kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? De rol van de gemeente: welke ondersteuning kan de gemeente bieden? De rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner? 2.Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de vraag om ondersteuning. 3.Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen. 4.Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de voorwaarden om een persoonsgebonden budget (Pgb) te kunnen krijgen. Als de inwoner een Pgb wil aanvragen, dan onderzoekt de gemeente of de inwoner in staat is om het Pgb te beheren en aan andere eisen rond het Pgb voldoet (zie hoofdstuk 8.3). 5.Gaat het om ondersteuning-op-maat dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten. 2.2.3Verslag 1.De medewerker maakt een verslag van de uitkomsten van het gesprek. 2.Gaat het om een vraag voor ondersteuning voor Wmo- of jeugdhulp, dan stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner. 3.De uitkomsten van het gesprek kunnen door de medewerker worden opgenomen in een besluit, waarbij zo nodig het verslag is bijgevoegd. Stap 3: Aanvraag (Jeugdwet, Wmo, Pw, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) 2.3.1Aanvraag 1.De inwoner kan een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de vraag om ondersteuning is afgerond. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. In uitzonderingsgevallen zoals bijvoorbeeld in crisissituaties is een telefonische aanvraag ook mogelijk. Het doel van de aanvraag is om te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, welke vorm die ondersteuning dan heeft. 2.De inwoner kan in ieder geval direct een aanvraag doen voor de volgende vormen van ondersteuning: Een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, voor inwoners van 27 jaar of ouder; Een IOAW- of IOAZ- uitkering; Leerlingenvervoer. 3.De inwoner gebruikt een aanvraagformulier van de gemeente, om een aanvraag te doen in het geval van een aanvraag voor Wmo en Jeugd kan het verslag als aanvraag worden gebruikt. 2.3.2Voorwaarden voor ondersteuning -op-maat (Jeugdwet, Wmo, Pw, Wgs) Vraagt de inwoner ondersteuning die speciaal is afgestemd op de inwoner (ondersteuning-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: De ondersteuning is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van niet-gebruikelijke ondersteuning van huisgenoten, mantelzorg, met ondersteuning vanuit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of ondersteuning van andere voorzieningen of organisaties; De ondersteuning is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner. Voor sommige vormen van ondersteuning zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. De ondersteuning-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het gewenste effect te bereiken. De gemeente kan ondersteuning-op-maat in ieder geval weigeren als: De vraag om ondersteuning het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner en hij deze vraag om ondersteuning had kunnen voorkomen; De inwoner de gevraagde ondersteuning zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend; De gemeente de noodzaak van de ondersteuning niet kan vaststellen. 2.3.3Advisering (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag. 2.3.4Beoordelen aanvraag (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: De behoefte van de inwoner; De (on)mogelijkheden van de inwoner; De persoonlijke situatie van de inwoner; De mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. Om te bepalen of de gemeente ondersteuning verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de vraag om ondersteuning van de inwoner is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden problemen of beperkingen er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de vraag om ondersteuning. Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke ondersteuning nodig is. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met ondersteuning van huisgenoten, met ondersteuning van anderen uit het sociale netwerk of met ondersteuning van andere organisaties. Stap 5; De gemeente bepaalt welke aanvullende ondersteuning de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 2.3.5Beslistermijn (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een Wmo aanvraag, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval 8 weken na de melding. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de gegevens te verstrekken. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen. Stap
  3. Beslissing 2.4.1Inhoud besluit (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner of zijn vertegenwoordiger. In het besluit staat of de gemeente wel of geen ondersteuning geeft. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Geeft de gemeente de ondersteuning ‘in natura’ (een product of een dienst), dan staat in het besluit in ieder geval: Wat de ondersteuning inhoudt en wat het resultaat van de ondersteuning moet zijn; Wanneer de ondersteuning ingaat en hoelang de ondersteuning duurt; Door wie de ondersteuning wordt gegeven; en Welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor de ondersteuning. Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van een Pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: Voor welke ondersteuning het Pgb bedoeld is; Wat het doel is van de ondersteuning; Hoe hoog het Pgb is en hoe dat berekend is: Wanneer het Pgb ingaat en wanneer het Pgb eindigt; Hoe de inwoner achteraf duidelijk maakt hoe hij het Pgb heeft besteed; en Welke voorwaarden en verplichtingen er voor het Pgb gelden. Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: Hoeveel het is; Voor welk doel het geld wordt gegeven; Wanneer het geld wordt betaald; Hoe vaak het geld wordt betaald; en Welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor het uitgeven van het geld. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele eigen bijdrage in de kosten. 2.5Uitzonderingen 2.5.1Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners (Jeugdwet, Awb) De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over doorverwijzingen. 2.5.2Spoedeisende gevallen (Jeugdwet, Wmo, Pw, Llv, Wgs) In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de ondersteuning krijgt die nodig is. 3.Werken en meedoen in de samenleving Dit hoofdstuk gaat over werk en participatie (meedoen in de samenleving). Het is belangrijk dat inwoners in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en zij hun talenten kwijt kunnen in betaald of onbetaald werk. De gemeente verwacht van inwoners met een uitkering die kunnen werken, dat zij werk zoeken. Wanneer nodig kan de gemeente inwoners daarbij ondersteunen. Welke ondersteuning de gemeente kan geven staat in dit hoofdstuk. Voor de uitvoering van dit hoofdstuk heeft de gemeente beleidsregels opgesteld. Wederkerigheid is vanzelfsprekend en zorgt ervoor dat mensen hun steentje kunnen bijdragen. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de gemeente ook iets terug kan vragen van inwoners met een uitkering. Dat wordt maatschappelijke participatie genoemd. In dit hoofdstuk wordt daar meer over uitgelegd. Het is belangrijk dat inwoners kunnen meedoen in de samenleving. Dit kan via werk, maar ook op andere manieren. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk leest u welke ondersteuning de gemeente kan bieden om mee te doen in de samenleving. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet (PW), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer (IOAW), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), Wet inburgering 2021 (WI2021) of de Wet maatschappelijke ondersteuning
  4. (Wmo). Kernwaarden Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente ondersteunt de inwoner zo goed mogelijk in zijn ontwikkeling naar participatie of werk. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. 3.1Voor wie? (PW, IOAW, IOAZ, Wmo) Inwoners zijn in eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden en om te kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. Als dat niet lukt, kan de gemeente de volgende inwoners ondersteunen om een stap richting werk te zetten: Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht of met de ondersteuning van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per persoon beoordeelt de gemeente of er ondersteuning wordt gegeven; Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of onderwijs volgen en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding, leer-werktraject of passend werk te vinden, of leidt hen naar passende ondersteuning of zorg. Voor kwetsbare jongeren is de vier weken zoekperiode niet van toepassing; zij worden tijdens deze termijn ondersteund bij hun arbeidsinschakeling. Dit om ongewenste situaties bij kwetsbare jongeren te voorkomen. De volgende doelgroepen worden ook uitgezonderd. Uiterlijk een jaar voorafgaand pro-vso onderwijs hebben ingeschreven; Of behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. Inwoners moeten kunnen meedoen in de samenleving. Meedoen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van inwoners zelf. De gemeente ondersteunt de volgende Inwoners om mee te doen in de samenleving, als dat op eigen kracht of op andere manieren niet lukt: Inwoners met een beperking’ Inwoners met een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. 3.2 Samenwerking voor werk (PW,IOAW, IOAZ) De gemeente werkt samen met werkgevers, UWV, regiogemeenten en andere organisaties. De gemeente doet dat om inwoners te ondersteunen om werk te vinden dat bij hen past. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners uit de doelgroep werk willen aanbieden. De gemeente doet dat bijvoorbeeld via het Werkgeversservicepunt Achterhoek. 3.3Budgetplafond (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan per soort voorziening een budgetplafond vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente per kalenderjaar kan uitgeven aan een bepaalde voorziening. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente zo’n voorziening niet meer. Voor wettelijke loonkostensubsidie en voor beschut werk kan de gemeente geen budgetplafond vaststellen. 3.4Ondersteuning- werk (WsW, PW, IOAW, IOAZ) De gemeente bekijkt per inwoner welke ondersteuning nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan, zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van arbeidsmatige dagbesteding tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. De voorzieningen van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een voorziening ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de Participatiewet dat aangeeft. Sommige voorzieningen worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Het kan ook zijn dat bepaalde voorzieningen niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per voorziening aangegeven. Het doel van een voorziening is het vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende ondersteuning inzetten: Proefplaatsing Werkervaringsplaats;’ Participatieplaats; Maatschappelijke participatie; Beschut werk; Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen; Loonkostenondersteuning Wettelijke loonkostensubsidie; Detacheringsbaan; Scholing; Ondersteuning bij het leren van de Nederlandse taal; Kinderopvang; Hulp bij een leer-werktraject; Werk aanvaardingspremie; Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne begeleider; Ondersteuning door inzet van vervoersvoorziening; Ondersteuning bij een visuele of motorische beperking; Ondersteuning door inzet van een meeneembare voorziening; Deze voorzieningen worden hieronder toegelicht. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om ondersteuning in te zetten. De gemeente bepaalt welke ondersteuning wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn mogelijkheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. Gaat het om ondersteuning-op-maat, dan zijn ook de voorwaarden uit artikel 2.3.2 van toepassing. In een trajectplan legt de gemeente vast welke ondersteuning de inwoner krijgt. Afspraken over het traject worden vastgelegd in een beschikking en opgestuurd aan de inwoner. Elke twee jaar stuurt het college een rapport naar de gemeenteraad met informatie over de effecten van de voorzieningen. In het rapport staat ook wat de Participatieraad ervan vindt. Voor het rapport verzamelt het college systematisch informatie over: Aantallen; Instrumenten; Begeleiding; Inzet van loonkostensubsidie (LKS) 3.4.1Proefplaatsing ( PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. De inwoner houdt wel een uitkering tijdens die periode. Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk. Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing. De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. In een schriftelijke overeenkomst tussen de medewerker, de inwoner en de werkgever wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de proefplaatsing; de startdatum; de duur; het aantal uren werk per week; de wijze van begeleiding; de intentie van de werkgever om de inwoner een arbeidsovereenkomst aan te bieden. In beginsel duurt de proefplaatsing twee maanden. Wanneer de doelstellingen van de proefplaatsing nog niet behaald zijn, kan deze maximaal verlengd worden met vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee en zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. Een proefplaatsing kan niet ingezet worden in combinatie met een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie. 3.4.2Werkervaringsplaats (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering. De mogelijkheden, talenten, interesses en vaardigheden van de inwoner kunnen uitgangspunt zijn bij het aanbieden van een werkervaringsplaats. Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen: De inwoner doet werkervaring op; De inwoner leert om in een dienstverband te functioneren; De inwoner doet arbeidsritme op. De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner de kans om ervaring op te doen en te leren op de werkplek. De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt. De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. De werkervaringsplaats duurt maximaal zes maanden en kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden. 3.4.3Participatieplaats (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Bij het aanbieden van een participatieplaats kan de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner betrekken. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. Een participatieplaats duurt maximaal twee jaar. Dit kan met twee keer één jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. De inwoner kan telkens na zes maanden een premie ontvangen. Burgemeester en wethouders stellen het bedrag van deze premie vast. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit. 3.4.4Maatschappelijke participatie (PW, IOAW, IOAZ) De inwoner kan maatschappelijke participatie zelf vormgeven, indien gewenst met hulp van de gemeente. De gemeente kan een inwoner activiteiten aanbieden passend bij maatschappelijke participatie. De gemeente houdt rekening met de wensen, de mogelijkheden, de kennis en vaardigheden van de inwoner bij het aanbieden van de activiteiten. Het doel van maatschappelijke participatie is de inwoner te helpen actief te blijven meedoen in de samenleving. Persoonlijke groei en eenzaamheid voorkomen zijn belangrijke doelen. Ook kan maatschappelijke participatie helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. Maatschappelijke participatie zorgt niet voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en leidt ook niet tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. Maatschappelijke participatie vormt geen belemmering voor de arbeidsinschakeling. De gemeente kan nadere regels stellen. 3.4.5Beschut werk (PW) De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft geadviseerd, dat dat nodig is. Dat is zo, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van het UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden. De gemeente biedt maximaal het aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt. Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. Wel kan de gemeente de inwoner helpen om zich voor te bereiden op de beschutte werkplek. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: Aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; Werk opsplitsen in kleinere taken; Aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 3.4.6Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen (PW, IOAW, IOAZ, Wsw) De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. De gemeente kan ook een vergoeding aan de werkgever geven voor het inzetten van deze ondersteuning. Het doel van de ondersteuning is de werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij zonder begeleiding zijn werk kan doen bij een reguliere werkgever. 3.4.7Loonkostenondersteuning (PW, IOAW, IOAZ, Awb) De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een subsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.9) en ook niet in aanmerking kan komen voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner. De hoogte van de loonkostenondersteuning wordt door de gemeente in overleg met de inwoner en de werkgever bepaald. De loonkostenondersteuning duurzame uitstroom is maximaal 50% van het geldend Wettelijk minimumloon en duurt maximaal 6 maanden. Deze kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. Onder inwoners met een kleine kans op werk wordt verstaan: een inwoner die een periode van 12 maanden of langer aangewezen is geweest op inkomensondersteuning. 3.4.8Wettelijke loonkostensubsidie (PW, IOAW, IOAZ, Awb) De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever moet wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door middel van de Praktijkroute. De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de forfaitaire loonkostensubsidie inzetten. Dit betekent dat de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie kan toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op www.normaalstezaak.nl 3.4.9Detacheringsbaan 1.De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep (zie 3.1) via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een inlenende organisatie. 3.De detachering wordt vastgelegd in schriftelijke overeenkomsten tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner. 4.Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 3.4.10Scholing (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als de scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: Is duidelijk nodig om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode; Sluit aan op de behoefte van de arbeidsmarkt; Vergroot de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. 3.4.11Ondersteuning bij het leren van de Nederlandse taal (PW, IOAW, IOAZ) Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek en mee te doen in de samenleving. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandse taal niet goed beheerst ondersteuning geven om de taal beter te leren. 3.4.12Kinderopvang (PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang) De gemeente helpt bij het vinden van passende kinderopvang, als: De inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en; De opvang van het kind niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan via de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden: De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening). De inwoner heeft een sociaal medische indicatie Of De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo-, of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs, en De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau. 3.4.13Hulp bij leer-werktraject (PW) De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren: Van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of Van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo, of mbo-diploma vanaf niveau
  5. De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen. 3.4.14Werk aanvaardingspremie (PW, IOAW, IOAZ) De inwoner die betaald werk gaat verrichten, kan per arbeidscontract een opstartpremie krijgen. Deze premie is bedoeld om kosten bij de start van een nieuwe baan te betalen. De premie is 250 euro voor inwoners die 21 jaar of ouder zijn. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoelang het arbeidscontract duurt. De premie is 62,50 euro voor inwoners die 18, 19 of 20 jaar oud zijn. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoelang het arbeidscontract duurt. Wanneer voor een 18-, 19-, of 20-jarige de hoogte van de inkomensondersteuning is aangepast kan de premie naar rato worden betaald. De premie kan maximaal één keer per 12 maanden worden gegeven. 3.4.15Hulp op de werkplek van een jobcoach of intern begeleider. (PW, IOAW, IOAZ, WsW) De gemeente kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden, hierbij wordt gebruik gemaakt van een jobcoach van de gemeente of een door de gemeente gecontracteerde partij, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Het doel van de ondersteuning is dat de werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij zonder begeleiding zijn werk kan doen bij een reguliere werkgever. De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet de inwoner op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de inwoner te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. De jobcoach of interne werkbegeleider spreekt de leerdoelen met de inwoner en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak. De gemeente spreekt met de werkgever en de inwoner de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden af, de intensiteit in duur en aantal uren en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de eisen van het coaching plan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt. Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan het Erkennings-en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning van het UWV. Deze is vindbaar op www.uwv.nl Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching in te zetten wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes van het UWV, deze staan in het protocol jobcoach 2019 artikel 2.4 te vinden op www.uwv.nl De gemeente kan van de begeleidingsregimes van het UWV afwijken en maatwerk leveren, wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en omstandigheden van de inwoner. 3.4.16Ondersteuning door inzet van een vervoersvoorziening (PW,IOAW, IOAZ, WsW) De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in vergoeding in geld worden verstrekt. De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. De gemeente brengt een eventueel bedrag dat verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening aan de werknemer, in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 3.4.17Ondersteuning bij een visuele of motorische handicap (PW, IOAW, IOAZ, WsW) De gemeente kan hulp geven aan mensen die moeite hebben met zien of bewegen door middel van een voorwerp/ondersteuning die hen kan helpen deze functies te vervangen of te ondersteunen. 3.4.18Ondersteuning door inzet van een meeneembare voorziening (PW, IOAW, IOAZ, WsW) De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde voor het uitvoeren van het werk aantoonbaar is. De meeneembare voorziening wordt door de gemeente uitgeleend. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten de voorziening te geven aan de inwoner. 3.4.19Andere voorzieningen en vergoedingen ( PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ. Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: Het besluit bijstandsverlening zelfstandigen. (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen als de inwoner de kosten niet op een andere manier vergoed kan krijgen. 3.5Innovatie (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan – waarbij ze rekening blijven houden met wat in dit hoofdstuk staat – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners nieuwe voorzieningen en manieren van werken te onderzoeken. Een experiment duurt niet langer dan vijf jaar. Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is. 3.6Meedoen in de samenleving (Wmo) Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om mee te doen. Een inwoner kan daar ondersteuning bij nodig hebben vanwege een beperking of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente ondersteuning vragen, als hij zelf geen oplossing kan vinden voor zijn belemmeringen. De ondersteuning kan verschillende vormen hebben. Gaat het om ondersteuning-op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.
  6. De ondersteuning moet daarnaast langdurig nodig zijn. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners kunnen meedoen aan activiteiten in de samenleving. Door te werken doen inwoners mee aan de samenleving. Maar inwoners kunnen ook op andere manieren meedoen. Daarom zijn er in de gemeente: Plekken waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten; Activiteiten die voor alle inwoners worden georganiseerd; Mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen; en Maatschappelijke organisaties waar inwoners terecht kunnen. Inwoners vanaf 18 jaar die een verstandelijke of lichamelijke beperking hebben, of die (langdurige) psychische problemen, psychosociale problemen of verslavingsproblemen hebben kunnen ook ondersteuning aanvragen. De hulp wordt zoveel mogelijk gegeven in de eigen omgeving van de inwoner. Andere voorliggende voorzieningen en hulp in de buurt zijn voor deze inwoner niet voldoende geschikt. Hieronder staan vormen van ondersteuning -op-maat die de gemeente kan inzetten. 3.6.1.Begeleiding individueel De begeleiding richt zich op het vergroten of behouden van vaardigheden en/of het voorkomen van achteruitgang. Begeleiding heeft ook een signalerende functie; voorkomen van overvraging en signaleren van achteruitgang. Doel van de begeleiding is het vergroten of behouden van de eigen kracht en eigen regie met positief effect op een of enkele leefgebieden. De begeleiding wordt geboden op de beste plek. Dit kan thuis bij de inwoner zijn, maar ook elders. In aanvulling daarop kan begeleiding op afstand door middel van (beeld) bellen worden geboden, wanneer dit aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner. 3.6.2.Begeleiding individueel extra De begeleiding helpt inwoners om stabiel te worden, te herstellen en zich te ontwikkelen. Bij de begeleiding wordt een plan gevolgd. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven. De begeleiding wordt gegeven op de beste plek. Dit kan thuis zijn, maar ook ergens anders. Daarnaast kan begeleiding op afstand via (video) bellen worden gegeven, als dit past bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner. 3.6.3.Begeleiding individueel beschermd thuis De begeleiding helpt inwoners om te herstellen, zich te ontwikkelen en vast te houden wat ze hebben bereikt. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of met planbare hulp. De begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de inwoner (thuis) zijn. 3.6.4.Beschermd wonen Vanwege problemen is het nodig dat de inwoner in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in veilige omgeving, en helpt de inwoner om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom. De begeleiding is altijd dichtbij en de inwoner kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op. Dagbesteding of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Dagbesteding kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder. 3.6.5.Beschut wonen De inwoner kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met zorg en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de inwoner om meer zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de inwoner zelfredzamer te maken en stabiliteit te waarborgen. Soms is het nodig om de sturing van de inwoner over te nemen, maar het doel is altijd om naar eigen regie te streven. 3.6.6.Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ De inwoner heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven en zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongere of volwassene die is opgegroeid in een situatie die niet goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de inwoner heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De inwoner is klaar om een volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De inwoner werkt eraan om zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die daarvoor nodig zijn. 3.6.7.Safehouse Een Safehouse biedt herstelgerichte ondersteuning aan volwassen cliënten met verslavingsproblematiek en psychosociale en/of psychiatrische problemen. Deze voorziening biedt een veilige en gezonde, afgeschermde omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die noodzakelijk zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en wordt geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten. De begeleiding in een Safehouse is met name voor mensen die net een behandeling tegen verslaving hebben afgerond, kampen met multi-problematiek, een terugval hebben gehad of gebaat zijn bij een een ‘’oefenplek’’ zonder de verleiding van hun oude (verslavings-)netwerk. Het doel is om te leren hoe je zonder verslaving kunt leven. De cliënt leert bijvoorbeeld hoe je een dagritme opbouwt, zelfstandig kunt wonen en omgaan met problemen. Ook is er aandacht voor psychische en sociale problemen. De begeleiders letten goed op hoe het met de cliënt gaat. Ze kijken of er signalen zijn van terugval of andere problemen. Als het nodig is, grijpen ze op tijd in. De cliënt leert ook om problemen te herkennen en ermee om te gaan. De begeleiders werken samen met behandelaars, familie of andere belangrijke mensen in het leven van de cliënt. De begeleiding gebeurt op een vaste locatie van de organisatie, in Nederland. De plek is veilig en geschikt voor de doelgroep. Het verblijf duurt maximaal een jaar. Er is overdag begeleiding aanwezig en er is altijd iemand bereikbaar. Bij spoed kan er binnen 45 minuten iemand op locatie zijn. Er is ook een gezamenlijke ruimte voor groepsactiviteiten. De cliënt woont samen met anderen die ook werken aan hun herstel. Ze kunnen elkaar helpen door ervaringen te delen. Begeleiding op afstand, zoals beeldbellen, gebeurt in principe niet. Wel kunnen begeleiders de cliënt telefonisch ondersteunen. Als er iets misgaat, kunnen zij snel in actie komen. De begeleiding gebeurt vooral op de plek waar de cliënt woont. Dat is belangrijk voor het gevoel van veiligheid en het herstelproces. 3.6.8.Sociaal recreatief vervoer 1.De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis. 2.Het moet gaan om: het zich verplaatsen rondom de woning; of het zich verplaatsen over ten hoogste 20 km van de woning. 3.De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. De inwoner kan dan gebruik maken van collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV. De inwoner betaalt een eigen bijdrage van €60,- per jaar. 3.6.9.Rolstoel 1.De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel, als deze noodzakelijk is voor dagelijks gebruik. 2.De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder sportvoorziening kan eens in de drie jaar in aanmerking komen voor een sportrolstoel. 3.De inwoner kan in aanmerking komen voor een bijdrage in het onderhoud van de sportrolstoel. Deze bijdrage wordt 1 keer per 3 jaar verstrekt. De hoogte van deze vergoeding is opgenomen in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst. 3.6.10.Aanpassing of vervanging voorziening Als een vervoermiddel of (sport)rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de gemeente dat alleen, als: Die voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om; of Die voorziening geen oplossing meer is voor de ondersteuning aan de inwoner; of De inwoner de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk zelf betaalt. 3.7Wet inburgering (Wi) 3.7.1Doelgroep Asielmigranten met een verblijfsstatus (statushouders) die door het COA gekoppeld worden aan de gemeente. Hierbij horen ook nareizende familieleden die een verblijfsstatus hebben gekregen. Gezinsemigranten; dit zijn de mensen die vanuit de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) bericht hebben gekregen dat ze verplicht zijn om in te burgeren. 3.7.2Inburgeringsvoorzieningen Om het inburgeringsproces goed te laten verlopen zijn er in de Wet een aantal stappen vastgelegd. Sommige stappen zijn verplicht en moeten worden doorgegeven aan DUO. Het gaat om de volgende stappen: Leefbaarheidstoets Brede intake Persoonlijk inburgerings- en participatieplan (PIP) Module arbeidsparticipatie (MAP) Participatieverklaringstraject (PVT) Leerroute; B1 leerroute of zelfredzaamheidsroute (Z-route) of de Onderwijsroute. De maatschappelijke begeleiding bij huisvesting en financiële zelfredzaamheid behoren tot de voorzieningen die de gemeente aanbiedt aan deze doelgroep. De gemeente werkt samen met verschillende professionele partijen om deze inwoner goed te helpen in de eerste jaren als inwoner van de gemeente. 4.Gezond en veilig opgroeien Jongeren moeten zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van ouders, jongeren en van hun netwerk. Als zij daarbij ondersteuning nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op de gemeente. Deze ondersteuning wordt zo vroeg mogelijk geboden. Zo kan het beroep op gespecialiseerde hulp worden verminderd. Bij het geven van ondersteuning staat de eigen kracht van ouders en jongeren voorop. Die moet worden versterkt. De ondersteuning moet ook het probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving vergroten. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar, en in bepaalde situaties tot 23 jaar. Dit zijn de jongeren zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Kernwaarden Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: Jongeren groeien zo thuis mogelijk op Jongeren groeien op tot zelfstandige volwassenen De hulp aan jongeren is gericht op een passend, duurzaam resultaat in een veilige vertrouwde omgeving De hulp aan jongeren is zo dichtbij, zo licht en zo kort mogelijk 4.1Uitgangspunten bij het bieden van jeugdhulp (Jeugdwet) Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders. Alle hulp van de gemeente is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk. De gemeente betrekt de voorkeuren van de jongere en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. In bepaalde situaties kunnen ouders en jongeren hun problemen niet op eigen kracht of met het sociale netwerk oplossen. Als de gemeente deze inwoners kan ondersteunen met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan kan ondersteuning -op-maat worden ingezet. 4.2Algemene voorzieningen De gemeente zet zich ervoor in dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met: Het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving; Informatie, advies en trainingen over opvoeding en ouderschap; Jeugdgezondheidszorg; Jongerenwerk; Ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes; Onafhankelijke cliëntondersteuning Peuter- en voorschoolse vroegtijdige educatie: Mantelzorgondersteuning; Een vertrouwenspersoon via het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen besluit van de gemeente nodig, en ook geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedproblemen zo vroeg mogelijk kunnen worden opgevangen, en dat dan ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. 4.3Ondersteuning op-maat (individuele voorzieningen) Als vrij toegankelijke hulp niet voldoende is, kan de gemeente ondersteuning -op-maat aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, een huisarts, een medisch specialist, of een gecertificeerde instelling. Artikel 2.3.2 is van toepassing op een besluit van de gemeente. De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is: Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien; Ondersteuning individueel Ondersteuning groep Een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is Specialistische jeugdhulp Behandeling individueel Behandeling groep Behandeling groep orthopedisch dagcentrum Behandeling basis GGZ Behandeling specialistisch GGZ Behandeling hoog complex GGZ Behandeling diagnostiek Medicatiecontrole Ambulante spoedhulp Hulp bij persoonlijke verzorging Logeeropvang Crisishulp Hulp bij ernstige enkelvoudige dyslexie Jeugdbescherming Jeugdreclassering Integrale hoog specialistische hulp met verblijf Mobiele brigade De volgende individuele voorzieningen hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie: Ondersteuning groep: Ondersteuning groep wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. Behandeling individueel: Behandeling jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf

(12)maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het sociaal team. Behandeling groep: Behandeling groep jeugdigen wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week. Behandeling duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf
(12)maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het sociaal team. Behandeling basis GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf
(12)maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het sociaal team. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het sociaal team en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag. Behandeling specialistisch GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf
(12)maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het sociaal team. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het sociaal team en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag. Ambulante spoedhulp: ASH wordt ingezet voor de duur van maximaal 28 dagen. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp, als de rechter of de gecertificeerde instelling dit nodig vindt om een kinderbeschermingsmaatregel te kunnen uitvoeren. De gemeente biedt het advies-en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Het advies- en meldpunt is te bereiken via telefoonnummer 0800- 2000 (gratis) of via www.veiligthuis.nl 4.4Overgang van 18- naar 18+ De gemeente zorgt ervoor dat jongeren die jeugdhulp krijgen, ondersteuning houden als ze 18 jaar worden en die ondersteuning nodig blijft. Jeugdhulp kan worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Er zijn een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als: De jongere al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp kreeg en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt; Na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een termijn van een half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. De jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering. Pleegzorg of verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. 4.5Afstemming met andere vormen van hulp De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over: Procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; Communicatie met andere organisaties; Afbakening van taken en verantwoordelijkheden; Een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en ondersteuning -op-maat. De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm. 4.6Vervoer Uitgangspunt is dat ouder(
  1. s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jongere van en naar de jeugdhulpaanbieder. De gemeente beschouwd een aantal keren per week zelf rijden in ieder geval als behorend tot de eigen mogelijkheden. De gemeente kan nadere regels stellen ter uitvoering hiervan. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jongere ten behoeve van het vervoer van de jongere naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jongere toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. De gemeente beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouder(
  2. s)onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. Als naar het oordeel van de gemeente een passende voorziening beschikbaar is waardoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend. 4.7Dyslexie Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jongere nadat de toegang van de gecontracteerde aanbieders op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. 4.8Vaktherapie Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: Beeldende therapie; Danstherapie; Dramatherapie; Muziektherapie; Psychomotorische (kinder) therapie; Speltherapie Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de NVAO geaccrediteerde opleiding, een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van de gemeente sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de hulp-op-maat en als er geen alternatief beschikbaar is. Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Afhankelijk van de zorginstelling en de aard van de behandeling, kan een regiebehandelaar een psychiater, klinisch psycholoog, GZ-psycholoog, psychotherapeut, of een andere BIG-geregistreerde zorgverlener zijn. Het maximaal aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is twintig. Als ouders aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd. 4.9Eigen Kracht Jongeren en of ouders komen pas in aanmerking voor ondersteuning -op-maat als zij zelf aantoonbaar geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder verstaan we in ieder geval: gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers/opvoeders; bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar zijn en in staat zijn noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaat; de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers/opvoeders. In de bijlage ‘Richtlijn Gebruikelijke hulp in de Jeugdwet’ staan de richtlijnen die de gemeente hanteert om te beoordelen of er sprake is van gebruikelijke hulp. 5.Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als inwoners zulke problemen niet zelf kunnen oplossen, kan de gemeente hen helpen. Welke ondersteuning dat kan zijn, wordt in dit hoofdstuk uitgelegd. De gemeente kan ook helpen, als inwoners met een beperking niet goed voor zichzelf kunnen zorgen, en als inwoners opvang of beschermd wonen nodig hebben. Ten slotte speelt de gemeente een rol bij het ondersteunen van mantelzorgers. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan al deze inwoners kan geven. Kernwaarden Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: Inwoners kunnen zo lang mogelijk veilig en gezond wonen en leven in hun eigen omgeving. 5.1Uitgangspunten (Wmo) Het is belangrijk dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen doen en een huishouden kunnen voeren. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Het kan zijn dat een inwoner ondersteuning nodig heeft, vanwege een beperking of door een langdurig psychisch of een psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente ondersteuning vragen als hij zelf geen oplossing kan vinden voor zijn belemmeringen. De ondersteuning kan verschillende vormen hebben. Gaat het om ondersteuning -op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. De ondersteuning moet daarnaast langdurig nodig zijn. Als de inwoner beschermd wonen of opvang nodig heeft, dan moet de ondersteuning van de gemeente eraan bijdragen dat de inwoner zichzelf zo snel mogelijk weer kan redden in de samenleving. De gemeente geeft alleen ondersteuning -op-maat als dat nodig en passend is. De inwoner kan daarom in elk geval geen ondersteuning krijgen, als: De inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken; De inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening, van eigen kracht, mantelzorg, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen of van zijn sociaal netwerk; De inwoner onvoldoende meewerkt, zodat de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is; De voorziening niet hoofdzakelijk voor de inwoner is bedoeld; Het om vervanging van een voorziening gaat waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Een vervangende voorziening is wel mogelijk als: De eerder afgegeven voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om, of De voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner, of Als De inwoner de voorziening geheel of gedeeltelijk zelf betaalt. 5.2Zelfstandig en veilig wonen Voor de inwoner die voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5.1 zijn in bepaalde gevallen de volgende voorzieningen beschikbaar. 5.2.1Geschikte woning 1.De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, als: Het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en Verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening. De woonvoorziening houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2.Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte woning van maximaal € 2.849,00. 3.De inwoner kan tijdelijk een andere woning nodig hebben om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt. In dat geval kan de inwoner in aanmerking komen voor een bijdrage in de extra kosten van tijdelijke huisvesting van maximaal € 1.354,00. 4.De inwoner kan alleen een woonvoorziening krijgen als dat passend en nodig is. De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties: De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; De woonvoorziening is bedoeld voor een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning. De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; De inwoner had geen problemen bij het normale gebruik van de woning en er was geen belangrijke reden voor de verhuizing; De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner ter verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven; De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de bouwkundige of woon technische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning; De kosten van de woonvoorziening zijn hoger dan € 50.000,-. Dat is anders als er volgens de gemeente zwaarwegende redenen zijn om de woning wel aan te passen. 5.De eigenaar-bewoner die een woningaanpassing heeft ontvangen en de woning verkoopt, moet de verkoop zo snel mogelijk melden aan de gemeente. Dat moet alleen bij verkoop van de woning binnen 7 jaar na gereed melding van de woningaanpassing. Is er bij verkoop een meerwaarde naar aanleiding van de woningaanpassing, dan moeten de kosten van de woningaanpassing worden terugbetaald. De gemeente heeft daarvoor een afschrijvingsschema vastgesteld. 5.2.2Een schone en leefbare woning 1.De inwoner met een beperking die zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden. 2.Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de niet-gebruikelijke ondersteuning die kinderen normaal gesproken moeten bieden. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 3.De ondersteuning houdt in dat de inwoner de voorziening ‘hulp bij het huishouden 1’of ‘hulp bij het huishouden 2’aangeboden krijgt. Hulp bij het huishouden 1 bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon. Hulp bij het huishouden 2 wordt ingezet voor schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding en het aanleren van huishoudelijke vaardigheden. 5.2.3Hulp bij het (zelfstandig) wonen 1.De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als de inwoner psychische en/ of psychosociale problemen heeft. Het gaat niet om problematiek die voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarin de gemeente nog geen noodzaak voor hulp bij het (zelfstandig) wonen kan vaststellen. Daarvoor is de voorziening maatschappelijke opvang beschikbaar (zie artikel 5.4). 2.De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als andere vormen van hulp-op-maat onvoldoende passend zijn. 3.Hulp bij het (zelfstandig) wonen kent verschillende vormen: Beschermd Thuis, Beschut Wonen en Beschermd Wonen. Beschermd Thuis biedt de inwoner die zelfstandig woont de mogelijkheid om 24 uur per dag hulp op afroep in te schakelen. Beschut en Beschermd Wonen biedt de inwoner een beschermde woonomgeving in een woonvorm met begeleiding en mogelijkheid tot 24-uurs toezicht. Afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek kan onder een beschermde woonomgeving ook een woning worden verstaan waarbij begeleiding en toezicht in de directe nabijheid wordt geboden. 5.2.4Maatschappelijke opvang 1.De inwoner kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als De inwoner dakloos is en de opvang nodig heeft, omdat hij zich niet op eigen kracht kan redden in de samenleving door onder andere verslavingsproblematiek of door psychische of psychosociale problemen; of Bij huiselijk geweld. 2.De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als andere voorzieningen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken. 3.Voor inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem en daarop gebaseerde regelingen. 5.3Mantelzorg Inwoners die ziek zijn of een beperking hebben, worden vaak geholpen door familieleden, vrienden of kennissen. Deze ondersteuning wordt mantelzorg genoemd als de ondersteuning langdurig en onbetaald wordt gegeven en verder gaat dan wat gebruikelijk is tussen mensen. Degene die deze ondersteuning geeft is de mantelzorger. Het is de taak van de gemeente om mantelzorgers te ondersteunen. 5.3.1Ondersteuning mantelzorger 1.De gemeente zorgt ervoor dat mantelzorgers van inwoners ondersteuning -op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. Voorwaarde is, dat de mantelzorg niet overgenomen kan worden door anderen, zoals vrijwilligers. 2.De inwoner die mantelzorg ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als dit niet vanuit een voorliggende voorziening of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het tijdelijk overdragen van de zorg, zodat mantelzorgers ook tijd hebben voor bijvoorbeeld werk, studie, gezin, familie, vrienden en ontspanning. Het kan bijvoorbeeld gaan om het inschakelen van professionele zorgverlening die de zorgtaken tijdelijk overnemen, dagopvang voor de zorgvrager, kortdurend verblijf van de zorgvrager, het inzetten van vrijwilligers, telefoon en online ondersteuning, vakantie voor mantelzorgers, of het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin. Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of zijn omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen. 3.De (jonge) mantelzorger kan voor (specialistische) vragen en ondersteuning op het gebied van mantelzorg terecht bij het sociaal team van de gemeente Bronckhorst. 5.3.2Mantelzorgwaardering 1.De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan die kan worden aangevraagd door de zorgvrager. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering te geven aan mantelzorgers. De hoogte van de mantelzorgwaardering is opgenomen in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst. Voorwaarde is dat de zorgvrager in de gemeente Bronckhorst woont. 2.Een inwoner die mantelzorger is kan jaarlijks deelnemen aan een mantelzorgverwendag. Dit is een dag rondom de Dag van de Mantelzorg om mantelzorgers te waarderen en in het zonnetje te zetten. 5.3.3Mantelzorgwoning Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner, en is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. De gemeente beoordeeld of een mantelzorgwoning noodzakelijk is. 6.Vervoer naar school (ondersteuning bij leerlingenvervoer) Ieder kind heeft recht op passend onderwijs dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Is de afstand van huis naar school verder dan 6 kilometer, of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen, dan kunnen ouders in bepaalde gevallen een beroep doen op ondersteuning bij leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders/verzorgers ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school. Kernwaarden Kinderen hebben recht op een plek binnen het onderwijs op een passende school, kijkend naar hun mogelijkheden, levensovertuiging en godsdienst. Daarbij hoort een passende begeleiding in het vervoer naar het onderwijs. 6.1Uitgangspunten van ondersteuning Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat kinderen naar school gaan. Ouders kunnen bij de gemeente een aanvraag doen voor ondersteuning bij het vervoer van hun kind van de woning naar school en terug. Uitgangspunt is het goedkoopst passende vervoer. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten, zoals openbaar vervoer, of om aangepast vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. 6.2Onderzoek De gemeente onderzoekt of een kind zelfstandig naar school kan (leren) reizen. Als er ondersteuning nodig is onderzoekt de gemeente met welk vervoermiddel het kind kan reizen en/of hierbij begeleiding nodig is. De gemeente onderzoekt welke route naar school de kortste, voldoende begaanbare route voor het kind is. De gemeente berekent wat de kortste voor de leerling voldoende begaanbare weg is van de woning van het kind naar school. Daarbij maakt de gemeente gebruik van de routeplanner van de ANWB. 6.3Voorwaarden De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening aan ouders voor hun kind dat in de gemeente Bronckhorst verblijft en: minimaal 4 jaar oud is, of minimaal 3 jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; en naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; en vanwege een langdurige beperking (langer dan drie maanden) niet zelfstandig met het openbaar vervoer (OV) of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. De gemeente verstrekt ook een vervoersvoorziening aan ouders, voor hun kind dat in de gemeente Bronckhorst verblijft, en: minimaal 4 jaar oud is; en naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat of speciaal onderwijs volgt (niet voortgezet onderwijs); en de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school, meer dan 6 kilometer van de woning van het kind afligt. Gaat het kind niet naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van dezelfde onderwijssoort dan komen ouders alleen voor een vervoersvoorziening naar de verder weg gelegen school in aanmerking, als: de dichtstbijzijnde school vol is, of als de ouders in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs of de richting van de dichterbij gelegen bijzondere school. De gemeente kan ook een vervoersvoorziening aan ouders verstrekken, voor hun kind dat in de gemeente Bronckhorst verblijft, en: voortgezet speciaal onderwijs volgt, en: zelfstandig van het OV of de fiets gebruik kan maken; en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan 6 kilometer van de woning van het kind afligt. Met toegankelijke school wordt in dit hoofdstuk bedoeld: een school die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke situatie, en van de gewenste levensbeschouwelijke (vrije school) of godsdienstige richting is, taalschakelklas/taalbad of het openbaar onderwijs, en waar plaats is voor het kind. Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind. De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. De ouders moeten wel overtuigend hebben aangetoond, dat het kind niet zonder begeleiding met het OV of de fiets kan reizen. Leerlingenvervoer is uitsluitend bedoeld voor vervoer naar en van school. Vervoer van school naar opvangadres is alleen mogelijk als: het kind gebruik maakt van aangepast vervoer; er slechts één opvangadres naast het huisadres is; er sprake is van een vast patroon (vaste dagen per week). een volwassene aanwezig is bij overdracht uit taxibus. wanneer een kind twee huisadressen heeft (co-ouderschap) wordt aanvraag alleen toegekend als sprake is van regelmaat en structuur in het verblijf op beide adressen. Vervoer vanaf het opvangadres naar het woonadres behoort in geen enkel geval tot de mogelijkheden. Vervoer van school naar opvangadres mag geweigerd worden als dit leidt tot individueel vervoer of om andere redenen leidt tot hogere kosten. Voor allochtone nieuwkomers in de gemeente, die reiskostenvergoeding en/of vervoer voor school willen, gelden dezelfde regels als voor Nederlandse kinderen. Daarbij wordt er uitgegaan van maatwerk en de meest goedkoop-adequate oplossing. In het eerste jaar wordt het kind geholpen bij het leren fietsen. Na een jaar wordt aangenomen dat men kan fietsen, is dit niet het geval dan wordt de aanvraag leerlingenvervoer beoordeeld als iedere andere aanvraag. Er bestaat geen recht op leerlingenvervoer naar het MBO, HBO en WO. Studiefinanciering, studentenreisproduct en kinderbijslag zijn hierop voorliggend. Leerlingen boven de 18 jaar die geen recht hebben op voorgaande kunnen een aanvraag doen voor een ‘Voor elkaar pas’. 6.3.1Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer 1.De gemeente ondersteunt bij vervoer voor een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, voor: het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd. het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd. 2.De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a. 6.4Vorm en hoogte van de ondersteuning voor leerlingenvervoer De ondersteuning is afhankelijk van de afstand tussen de woning of de opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Gaat het om een speciale school voor basisonderwijs, dan wordt de ondersteuning bepaald over de afstand tussen de woning van het kind en de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de school waar het kind vandaan komt, of een andere speciale school voor basisonderwijs in dat samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder zou kosten dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs. Als aan de voorwaarden is voldaan, stemt de gemeente de ondersteuning af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan krijgen de ouders een vergoeding voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, ook niet met begeleiding, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het OV. Als ouders in aanmerking komen voor aangepast vervoer dan kunnen ouders daarvan gebruik maken voor het vervoer van hun kind. Ouders kunnen het kind ook zelf vervoeren, als de gemeente toestemming geeft en ontvangen hiervoor een kilometervergoeding. Ouders komen in aanmerking voor ondersteuning als: het kind met het OV meer dan anderhalf uur (enkele reis) onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer kan worden teruggebracht tot 50% van de reistijd met het OV. OV naar school ontbreekt en het kind niet met de fiets naar school kan (ook niet met begeleiding). het kind niet begeleid kan worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk. het kind langdurige beperkingen heeft en daardoor niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van één begeleider. Bestaat de ondersteuning uit een vergoeding voor de reiskosten, dan is de hoogte van die vergoeding afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school. De reisafstand wordt bepaald via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. Als ouders recht hebben op een bekostiging op basis van het OV, dan is de vergoeding gebaseerd op de kosten van het OV. De gemeente houdt bij het vaststellen van de ondersteuning rekening met andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten die ouders voor het kind ontvangen. Die andere vergoedingen trekt de gemeente af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag (de eigen bijdrage) bij de ouders in rekening. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van het advies basisnormbedragen leerlingenvervoer VNG. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente Eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van het advies basisnormbedragen leerlingenvervoer VNG. Aangepast vervoer is ook mogelijk wanneer: Er sprake is van een eenoudergezin, waarbij ouder werkt om in levensonderhoud te voorzien of een dagopleiding volgt én de werk-of lestijden het onmogelijk maken het kind te begeleiden (ook bij minder dan 6km); Er medische redenen zijn die beide ouders belemmeren het kind te begeleiden. Ouders moeten een medische verklaring meesturen (ook bij minder dan 6 km); De tijdsduur van begeleiding meer dan 3 uur per dag bedraagt. Medische verklaring Onder medische verklaring verstaan wij een verklaring van een arts, specialist of andere deskundige over de aard van de beperkingen. Bij twijfel kan het college een (onafhankelijke) deskundige inzetten om te beoordelen wat de vervoersmogelijkheden zijn. 6.5Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de ouders aangeven. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat. 6.6Financiële draagkracht / eigen bijdrage Wanneer de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km. bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km. bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. De hoogte van het bedrag in lid 1 en 2 worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het verzamelinkomen van de belastingdienst van de ouders. Er wordt een drempelbedrag aan ouders gevraagd wanneer: het kind, zonder beperking, gaat naar regulier basisonderwijs, vrije school en hoogbegaafdenschool, tweetalig onderwijs de school meer dan 6 kilometer, maar minder dan 20 kilometer van het adres verwijderd is het gevraagde drempelbedrag is per kind. gezamenlijk inkomen meer bedraagt dan € 31,500,00. 6.6.1Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage 1.Voorwaarden Er wordt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage van ouders gevraagd wanneer het kind zonder beperking: De dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km van de woning af ligt De eigen bijdrage mag nooit hoger zijn dan de kosten voor vervoer. Bij speciaal onderwijs wordt een beperking aangenomen. 2.Hoogte De hoogte van de eigen bijdrage (per gezin) zijn afhankelijk van het verzamelinkomen volgens Belastingdienst. 3.Geen eigen bijdrage Ouders van kinderen die door langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen betalen geen eigen bijdrage. 6.6.2Vaststellen inkomen 1.Peiljaar is het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor ouder(
  3. s)vergoeding aanvragen. Inkomensverklaringen kunnen worden gedownload in ‘Mijn Belastingdienst’. Bij structurele inkomensdaling van minimaal 15% kan peiljaar verlegd worden, dit kan niet tijdens een schooljaar bij lopende aanvraag. Peiljaarverlegging moet schriftelijk worden aangevraagd. 2.De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen en van de eigen bijdrage jaarlijks aan en volgt hierbij het advies van basisnormbedragen leerlingenvervoer VNG. 3.Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage. 7.Inkomen en schulden Voor inwoners die te weinig inkomen hebben om de dagelijkse kosten te kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen heeft de gemeente een aantal aanvullende voorzieningen beschikbaar. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste aanvullingen. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Kernwaarden Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente spant zich in om armoede en schulden van inwoners te voorkomen. De gemeente biedt in een vroeg stadium ondersteuning bij (dreigende) schulden. 7.1Armoedebestrijding (PW, Wgs, Gemeentewet) De gemeente heeft als taak om armoede en schulden tegen te gaan. In deze paragraaf staat waar de gemeente rekening mee houdt bij het uitvoeren van die taak. 7.1.1Wat wil de gemeente 1.De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de Participatiewet. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen. 2.De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben ondersteuning aan. Het doel van die ondersteuning is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3.De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan. 4.De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden. 5.De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen op een eenvoudige manier aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt. 7.2Bijzondere bijstand (PW) Bijzondere bijstand is voorziening van de gemeente om inwoners financieel te ondersteunen, als zij bepaalde onverwachte kosten niet kunnen betalen. In deze paragraaf staan de uitgangspunten van de gemeente over bijzondere bijstand. 7.2.1Vangnet 1.De gemeente biedt bijzondere bijstand aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald door bijzondere omstandigheden. 2.De gemeente beoordeelt een aanvraag voor bijzondere bijstand vanuit de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijk beleidskader sociaal domein. 3.De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe de hoogte wordt vastgesteld. 7.2.2Sociaal Medische Indicatie De gemeente zorgt voor passende kinderopvang wanneer er sprake is van een sociaal medische indicatie waaruit de noodzaak van kinderopvang blijkt. De volgende voorwaarden zijn dan van toepassing; Er bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag; Het kind kan niet naar de peuterspeelzaal; Maximaal 2 dagen of 4 dagdelen aangewezen is op kinderopvang per week gedurende het geldende kalenderjaar; Voor de hoogte van de ondersteuning is de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand van toepassing en is nooit hoger dan de kosten voor kinderopvang. 7.3Inkomenstoeslag (PW) Met de inkomenstoeslag kan het inkomen worden aangevuld. In deze paragraaf staat voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden. 7.3.1Doelgroep De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder tot de pensioengerechtigde leeftijd die: In een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm; en Geen recht heeft op studiefinanciering; en Geen uitzicht heeft op inkomensverbetering; en Gedurende een periode van 36 maanden voor de aanvraag geen maatregel, geen afstemming of boete opgelegd heeft gekregen (hoofdstuk 9 afspraken tussen inwoners en gemeente). 7.3.2Hoogte van de toeslag 1.De inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar 40% van de voor die persoon geldende bijstandsnorm. 2.Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als de partner geen recht heeft op inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet. 7.4Kindpakket, Meedoen voor volwassenen en Collectieve ziektekostenverzekering 7.4.1Doelstelling De gemeente wil inwoners en in het bijzonder kinderen, helpen die opgroeien in armoede, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan sociale, culturele en sportieve activiteiten. Kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar van ouders/verzorgers met een laag inkomen en vermogen komen in aanmerking voor het Kindpakket zodat deze kinderen kunnen meedoen in de maatschappij net als kinderen die niet in een gezin met een laag inkomen opgroeien. Aansluitend bij de Nota Lokaal Gezondheidsbeleid het Regioplan Achterhoek IZA, het Preventie Akkoord Achterhoek en het Regionaal Beweeg- en Sportakkoord bieden we volwassenen met een laag inkomen en vermogen de mogelijkheid tot maatschappelijke participatie. 7.4.2Doelgroep Voor een vergoeding op basis van deze paragraaf komen in aanmerking huishoudens bestaande uit personen van 18 jaar of ouder en hun eventuele kinderen die: Woonachtig zijn in de gemeente Bronckhorst op basis van de Gemeentelijke Basis Administratie en; Een inkomen hebben minder dan 130% van de geldende bijstandsnorm als bedoeld in Hoofdstuk 3 – Algemene bijstand, paragraaf 3.2 – Normen van de Participatiewet exclusief vakantiegeld. Het inkomen is het nettobedrag per maand exclusief vakantiegeld en reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Bij wisselende inkomsten wordt het inkomen vastgesteld op basis van het gemiddelde van de laatste 3 maanden voorafgaande aan de aanvraag. Voor inwoners die zelfstandig ondernemer zijn wordt het inkomen vastgesteld op basis van de meest recente definitieve belastingaanslag en; Een vermogen hebben dat minder bedraagt dan de geldende bedragen van de vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Bij de vaststelling van het vermogen wordt voor de bezittingen alleen uitgegaan van de lopende en spaarrekeningen van de ouders en inwonende kinderen tot 18 jaar. Koopwoning, auto/motor/caravan/boot, waardepapieren, enzovoort tellen niet mee. Met schulden wordt alleen rekening gehouden als deze aantoonbaar en opeisbaar zijn of; Een schuldhulptraject via de Stadsbank of Vroeg Erop af volgen en daardoor een laag besteedbaar inkomen hebben of; Steun ontvangen via de voedselbank. Aanvrager heeft geen recht op een vergoeding uit deze paragraaf, indien: die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft; of die recht heeft op studiefinanciering met uitzondering van (alleenstaande) ouder(
  4. s)met studiefinanciering; of aan wie op grond van artikel 11 van de PW geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is. De aanvrager dient zelf aan te tonen dat hij een inkomen en vermogen heeft binnen de geldende normen. 7.4.3Reikwijdte en voorwaarden 1.Er bestaat recht op een vergoeding vanuit deze paragraaf als de aanvrager tot de doelgroep behoort en voldoet aan de voorwaarden die voor de betreffende regeling geldt. 2.Het recht op vergoedingen wordt vastgesteld voor het gehele kalenderjaar. Dit recht kan enkel ten gunste van de aanvrager wijzigen, indien zich wijzigingen voordoen in de huishoudsamenstelling of in het inkomen van de aanvrager. 3.Het inkomen wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde inkomen van drie aaneengesloten maanden voorafgaand aan de aanvraag. 4.In afwijking van het vierde lid wordt het inkomen van een uitkeringsgerechtigde vastgesteld aan de hand van de meest recente uitkeringsspecificatie. 5.Vergoedingen worden verstrekt in natura. 6.Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten. 7.4.4Soorten vergoedingen 1.Inwoners kunnen de volgende producten aanvragen: Het Kindpakket, bestaande uit: een Cadeaukaart met een vrij te besteden budget bij aangesloten winkels in gemeente Bronckhorst; een laptop voor de middelbare school; een tegemoetkoming in de kosten voor een mobiele telefoon voor kinderen op de middelbare school; een tegemoetkoming in de kosten voor een fiets voor kinderen op de middelbare school. Meedoen voor volwassenen. 2.De producten worden als budget of in natura verstrekt. 7.4.4.1Kindpakket: de Cadeaukaart 1.Ouder/ verzorgers kunnen een Cadeaukaart voor kinderen aanvragen dat besteed kan worden aan producten en activiteiten die bijdragen aan de kernwaarden van deze verordening. 2.Het maximale tegoed dat per kind op de Cadeaukaart per periode toegekend kan worden is: € 200,- voor kinderen die op de peildatum jonger dan 4 jaar zijn; € 300,- voor kinderen die op de peildatum 4 jaar of ouder zijn maar jonger dan 12 jaar; € 400,- voor kinderen die op de peildatum 12 jaar of ouder zijn maar jonger dan 18 jaar. 3.Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden. 4.De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende kalenderjaren. Ook als het inkomen of vermogen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 2. 7.4.4.2Kindpakket: Laptop middelbare school 1.Ouders/ verzorgers kunnen een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een laptop of tablet die door middelbare scholen als noodzakelijk wordt geacht aanvragen. 2.Er kan een vergoeding van een laptop of tablet worden aangevraagd voor een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar. 3.De vergoeding voor een laptop of tablet kan éénmalig worden aangevraagd per kind. 4.Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een laptop of tablet € 400,-, tenzij de aanvrager kan aantonen dat de school een laptop of tablet verplicht stelt die duurder is dan € 400,-, dan kan er een vergoeding voor maximaal € 750,- worden toegekend. 5.De vergoeding voor een laptop of tablet voor de middelbare school wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. 7.4.4.3Kindpakket: Mobiele telefoon middelbare school 1.Ouders/ verzorgers kunnen een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een mobiele telefoon aanvragen. 2.Er kan een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een mobiele telefoon aangevraagd voor een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar. 3.De vergoeding voor een mobiele telefoon kan éénmalig worden aangevraagd per kind. 4.Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een mobiele telefoon € 200,-. 5.De vergoeding voor een mobiele telefoon wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. 7.4.4.4Kindpakket: Fiets middelbare school 1.Ouders/ verzorgers kunnen een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een fiets aanvragen. 2.Er kan een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een fiets worden aangevraagd voor een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar. 3.De vergoeding voor een fiets kan éénmalig worden aangevraagd per kind. 4.Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een fiets € 250,-. 5.De vergoeding voor een fiets wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. 7.4.4.5Meedoen voor volwassenen 1.Inwoners kunnen een Cadeaukaart aanvragen dat besteed kan worden aan producten en activiteiten die bijdragen aan de kernwaarden van deze verordening. 2.Om in aanmerking te komen voor een Cadeaukaart dient de aanvrager op de peildatum 18 jaar of ouder te zijn. 3.Het maximale tegoed dat een aanvrager per periode toegekend kan worden kan krijgen is € 75,-. 4.Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in lid 2. 5.De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende kalenderjaren. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 2. 7.4.5Aanvraag en beschikking 1.Inwoners kunnen het Kindpakket of de regeling “Meedoen voor volwassenen” aanvragen op de website www.bronckhorst.nl. Zij kunnen een papieren aanvraag indienen als een digitale aanvraag niet mogelijk is. 2.Inwoners ontvangen via een beschikking het besluit op de aanvraag. 3.Aanvragen voor de regelingen uit deze paragraaf kunnen worden ingediend van 1 januari tot en met 15 december van het betreffende kalenderjaar. 4.Indien de aanvrager voldoet aan de gestelde voorwaarden, dan wordt vastgesteld op welke vergoedingen de aanvrager recht heeft gedurende het gehele kalenderjaar. 7.5Schuldhulpverlening (Wgs) De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om ondersteuning vragen. De gemeente helpt bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hiervoor heeft de gemeente een beleidsplan met beleidsregels opgesteld. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente voor het geven van ondersteuning. 7.5.1Samenwerking en toegang. 1.De gemeente werkt samen met andere organisatie om te voorkomen dat inwoners risicovolle schulden krijgen. 2.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om ondersteuning kunnen vragen. 3.De gemeente informeert inwoners over de ondersteuning die zij kan aanbieden. 4.De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden van deze inwoners melden bij de gemeente. 7.5.2Schuldhulpverlening De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van zijn schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. 7.5.3Besluit 1.De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wgs, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wgs, heeft plaatsgevonden. 8.De vorm van de ondersteuning Wanneer de inwoner behoefte heeft aan ondersteuning wordt in overleg met de inwoner bepaald wat er nodig is. De ondersteuning van de gemeente is meestal ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat de ondersteuning wordt ingezet, dit kan een dienst of een product zijn. Soms geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van geld of als een persoonsgebonden budget (Pgb). Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de ondersteuning wordt ingezet en welke regels daarbij horen. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen op grond van de Wmo. De gemeente heeft beleidsregels over de maatschappelijke ondersteuning opgesteld. Daarin is geregeld voor welke vorm van ondersteuning de inwoner in aanmerking kan komen en de voorwaarden hierbij. De hoogte van de verschillende vormen van ondersteuning worden jaarlijks opgenomen in een financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp. Kernwaarden Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente biedt passende ondersteuning die zo snel mogelijk wordt ingezet. De gemeente gaat respectvol om met de aanvraag. De gemeente praat open en eerlijk over de behandeling. 8.1Zorg in natura (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet) De inwoner die ondersteuning van de gemeente ontvangt, krijgt de ondersteuning ‘in natura’(een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening iets anders is geregeld. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen gegeven. De gemeente zet zich ervoor in dat de aanbieder van een dienst of product: De wettelijke regels over garantie naleeft, en De inwoner informeert over alles wat belangrijk is om te weten over de dienst of het product. In hoofdstuk 12 is daarover meer geregeld. 8.2Financiële ondersteuning (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv, Awb) De inwoner die ondersteuning van de gemeente ontvangt, krijgt die ondersteuning alleen in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is geregeld. Financiële ondersteuning kan een lening zijn of een bedrag ‘om niet’(hoeft niet terugbetaald te worden). De gemeente betaalt de inwoner binnen 6 weken nadat een betalingsbesluit is genomen. Dat is de wettelijk vastgestelde termijn. De gemeente kan een andere termijn vaststellen, als er niet binnen 6 weken betaald kan worden. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer van de inwoner. De gemeente kan het bedrag op een andere manier, in een andere vorm, of aan een andere persoon betalen. De gemeente doet dit uitsluitend wanneer dit nodig is om het doel van de ondersteuning te realiseren. De gemeente kan het geld verrekenen met een vordering op de inwoner, als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 8.3Persoonsgebonden budget (Pgb) (Jeugdwet, Wmo) 8.3.1Voorwaarden - algemeen 1.De inwoner kan kiezen voor een Pgb, als hij in aanmerking komt voor ondersteuning -op-maat op grond van de Wmo of Jeugdwet. Het moet wel duidelijk zijn dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden: De inwoner kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het Pgb horen op een verantwoorde en onafhankelijke manier uitvoeren. Dat betekent dat degene die het Pgb beheert alle aan het Pgb verbonden taken, ook benoemen en ontslaan van de hulpverlener en het geven van opdrachten aan de hulpverlener kan uitvoeren. Eventueel met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt. De inwoner maakt duidelijk waarom hij een Pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom ondersteuning -op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is. De ondersteuning die de inwoner met het Pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De ondersteuning moet veilig en doelmatig zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden uit het Pgb-plan van de inwoner. 2.De gemeente kan een Pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties: Het gaat om een Pgb voor ondersteuning en de inwoner kan het Pgb niet zelf beheren en wil het Pgb laten beheren door de hulpverlener. Uitzondering: ouders die jeugdhulp geven aan een eigen kind kunnen wel een Pgb beheren voor die jeugdhulp; De inwoner of zijn vertegenwoordiger heeft verslavingsproblematiek; De inwoner of zijn vertegenwoordiger heeft schuldenproblematiek; De inwoner of zijn vertegenwoordiger heeft eerder misbruik gemaakt van het Pgb; De gemeente heeft eerder ondersteuning -op-maat of een Pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken; De inwoner vraagt (met terugwerkende kracht) een Pgb voor kosten die al zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan; De gemeente kan niet meer nagaan of het nodig was om die kosten te maken; De kosten van een Pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor Zorg in Natura. Het Pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn. 3.Het Pgb is bedoeld voor ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het Pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag en kan niet besteed worden aan: Kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; Het voeren van een Pgb-administratie; Ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb-administratie; Kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); Vakantiegeld; Reis- en verblijfskosten; Eenmalige uitkeringen. 8.3.2Professionele of niet-professionele hulp 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp 2.Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed-of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de inwoner: Iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor Jeugdhulp en Wmo (Wonen, Wonen Gericht op zelfstandigheid en begeleiding) zijn deze te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl; of Iemand die als Zelfstandige zonder personeel de beschikking heeft over een Beschikking geen loonheffingen (BGL) en ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wmo. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wmo en de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor Jeugdhulp en Wmo (Wonen, Wonen Gericht op zelfstandigheid en begeleiding) zijn deze te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl. 3.De inwoner mag het Pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon: moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven; moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’; specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden, voorafgaand aan de datum van de aanvraag. moet als hij jeugdhulp biedt, aantonen dat hij de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gebruikt en dat hij SKJ of BIG geregistreerd is. 4.Van niet-professionele hulp is sprake als: de hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; de hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de inwoner. 5.De inwoner mag het Pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon: heeft aannemelijk gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden, en moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. 8.3.3Hoogte en tarief Pgb 1.De gemeente stelt de hoogte van het Pgb voor een product vast aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de inwoner goedkoopst compenserende hulp in natura en het Pgb is toereikend voor de aanschaf van het product bij minimaal 1 aanbieder. 2.De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Met uitzondering van een woonvoorziening, de inwoner is hierbij zelf verantwoordelijk voor de verzekering van het product. 3.De gemeente kan de hoogte van het Pgb voor een product vaststellen op basis van een offerte van de aanbieder uit het goedgekeurde Pgb-plan en/of een door de gemeente opgevraagde offerte. De gemeente stelt de hoogte van het Pgb vast op het bedrag van de laagste offerte. 4.Voor professionele hulp wordt de hoogte van het pgb als volgt vastgesteld: voor formele hulp vanuit de Jeugdwet en Wmo hanteert de gemeente het geldende hulp in natura tarief, gebaseerd op het kostprijsmodel van Sociaal Domein Achterhoek (www.sociaaldomeinachterhoek.nl), verminderd met een percentage aan overheadskosten. Het percentage kan wisselen per product. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk. 5.De hoogte van het Pgb voor niet-professionele hulp voor ondersteuning in het kader van de Jeugdwet met uitzondering van logeren, en voor Wmo Integrale Ondersteuning, met uitzondering van logeren, is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het Pgb wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd. 6.De hoogte van het Pgb voor niet-professionele hulp voor huishoudelijke ondersteuning (Wmo) is gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd. 7.Voor logeren uitgevoerd door niet-professionele hulp (hulp uit sociaal netwerk) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 150,- per kalendermaand, tenzij op basis van het Pgb-plan van de inwoner kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming. De inwoner dient een “Verklaring hulp uit het sociaal netwerk” in te vullen en in te dienen bij de gemeente die deze doorstuurt naar de Sociale Verzekeringsbank. 8.3.4Verantwoording Pgb 1.De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het Pgb is besteed en welke resultaten de ondersteuning voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken. 2.Als de inwoner ondersteuning -op-maat in de vorm van een Pgb krijgt, wordt alleen de ondersteuning uitbetaald die feitelijk geleverd is. 8.3.5Opschorten Pgb De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het Pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het Pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als de gemeente een sterk vermoeden heef

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.