← Nederland

Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Veghel)

Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuningHet college van burgemeester en wethouders gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 (inclusief 1e wijziging) Besluit Vast te stellen de navolgende Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hoofdstuk0Inleiding 0.1Algemeen Voor de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn regels opgesteld rond de individuele verstrekkingen aan burgers. De gemeente beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor een voorziening. Dit doet de gemeente aan de hand van de wettelijke verordening en de regels die in deze beleidsregels staan. Het is daarnaast de bedoeling dat de beleidsregels de klant houvast bieden. De klant kan met deze regels in de hand zelf precies zien waar hij in een bepaalde situatie recht op heeft. De beleidsregels zijn dan ook bedoeld om de manier waarop de gemeente de Wmo uitvoert voor iedereen helder te maken. Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders mogen bij uitzondering een besluit nemen dat buiten de Wmo-regels valt. Dat is dan altijd wel een besluit dat in het voordeel van de klant uitpakt. Dit is de zogenaamde hardheidsclausule. De hardheidsclausule hoort bij de beleidsregels. Deze clausule zorgt er voor dat de beleidsregels en de wet zo rechtvaardig mogelijk toegepast kunnen worden. Het is niet de bedoeling dat iemand ten onrechte tussen wal en schip belandt. Juridische status van de beleidsregels De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel voor hem gedelegeerde bevoegdheid.” Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen naar worden verwezen. Uiteraard dienen bij gewijzigd beleid ook de beleidsregels te worden aangepast. De verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) is door de gemeenteraad vastgesteld. Het Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) en de beleidsregels worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Voor de wet is de verordening hoger in rang dan de beleidsregels. In de beleidsregels kan iedereen terugvinden hoe de toepassing van de verordening in zijn werk gaat. De beleidsregels moeten kloppen met de verordening; niets in de beleidsregels mag de verordening tegenspreken. Compensatiebeginsel Artikel 4 Wmo, het artikel dat gemeenten de opdracht geeft tot het verstrekken van individuele voorzieningen, luidt: “Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.” Net als in de verordening wordt er in de beleidsregels onder het voeren van een huishouden zowel de woonvoorzieningen als de hulp bij het huishouden verstaan. Onder het zich verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel worden de vervoersvoorzieningen verstaan. In de beleidsregels wordt regelmatig verwezen naar jurisprudentie. Deze is aan wisseling onderhevig. Het is daarom noodzakelijk dat de beleidsregels regelmatig worden aangepast aan de ontwikkelingen in de jurisprudentie. Diverse manieren voor verstrekking van individuele voorzieningen 0.2.1Inleiding Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende: “ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Uit deze regel blijkt dat het verstrekken van individuele voorzieningen drie mogelijkheden heeft. 1. De voorziening in natura. De gemeente geeft in dat geval geen geld, maar levert de voorziening kant-en-klaar aan de klant. 2. De voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB). 3. De voorziening via een financiële vergoeding (artikel 7, 2e lid van de Wmo). De derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming. Dit komt voort uit artikel 7, lid 2 Wmo: “Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.”Deze tegemoetkoming is bedoeld voor bouwkundige aanpassingen aan een woning. De gemeente heeft de plicht om bij bouwkundige woonvoorzieningen de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming te geven. De eigenaar van de woning is niet altijd degene voor wie de voorziening bedoeld is. Om die reden gaat het om een tegemoetkoming en niet om een persoonsgebonden budget. 0.2.2Voorziening in natura Indien een voorziening in natura wordt verstrekt, dan zal toekenning bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. 0.2.3Persoonsgebonden budget Artikel 3 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt: “Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het gemeentelijk financieel besluit neergelegde criteria.” Dit artikel werkt artikel 6 van de Wmo verder uit. De Tweede Kamer is tot de conclusie gekomen dat er uitzonderingen mogelijk zijn. Daarom staat in dit artikel dat het college van B&W per situatie bepaalt of een aanvrager kan kiezen uit de geboden mogelijkheden. Wanneer de kans groot is dat iemand niet met het beschikbare geld om kan gaan, is het verstandiger om de voorziening hoe dan ook in natura aan te bieden. Tegelijkertijd zitten hier ook wat haken en ogen aan. De Tweede Kamer heeft zich daarom ook nog eens in een Algemeen Overleg op 29 maart 2006 uitgesproken over deze regel. De zaak waar het toen om ging staat in relatie tot de Wmo. Het ging over het bovenregionale vervoer Valys. De Tweede Kamer gaf te kennen dat de regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen in gevaar te brengen, zoals collectief vervoersystemen. Collectief vervoer is een voorziening in natura. Als een aantal klanten hiervoor in de plaats voor een persoonsgebonden budget kiest, kan dit tot gevolg hebben dat er te weinig geld overblijft om het collectief vervoer, de voorziening in natura, betaalbaar te houden. Mensen die afhankelijk zijn van dit collectieve vervoer, zouden daardoor erg benadeeld worden. Daarom is in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Dit betekent dat wanneer iemand een persoonsgebonden budget aanvraagt voor individueel vervoer, maar hij medisch wel in staat is om van collectief vervoer gebruik te maken, de aanvraag afgewezen wordt. Daarnaast kan het ook voorkomen dat bij een aanvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen niet al te lange tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een andere voorziening. En wellicht daarna weer. Het moge duidelijk zijn dat deze situatie zich ook niet leent voor een persoonsgebonden budget, omdat al vaststaat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal blijven. Nu is verder nog niet te beoordelen of zich meer situaties gaan voordoen waarin een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden. Voortschrijdend inzicht maakt dit vanzelf duidelijk. Mocht dit zo zijn, dan worden die gevallen later aan de regelgeving toegevoegd. PGB en (forfaitaire) financiële tegemoetkoming In dit artikel vallen de termen financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget. Het onderscheid tussen deze begrippen is niet altijd even duidelijk. Daar komt bij dat financiële tegemoetkomingen soms forfaitaire financiële tegemoetkomingen zijn. De verschillen tussen deze verstrekkingswijzen kunnen het beste als volgt worden weergegeven. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan mede afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de aanvrager. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de aanvrager worden vastgesteld. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Bij auto- en taxikostenvergoeding is een inkomensgrens opgenomen in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging). Boven deze inkomensgrens worden de kosten van gebruik van een auto aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Bij een persoonsgebonden budget kan een eigen bijdrage worden gevraagd, tenzij het om een rolstoel gaat. Het verschil tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming is klein. Helder is wel dat bij een bouwkundige woningaanpassing die aan de eigenaar, niet de bewoner, moet worden uitbetaald, niet gesproken kan worden van een persoonsgebonden budget. Voorwaarde voor PGB Artikel 6 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks-, dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend. Indien een algemeen gebruikelijke voorziening voorhanden is, en in redelijkheid een oplossing biedt voor de hulpvraag van de hulpvrager, dan wordt geen individuele voorziening verstekt. Daarnaast zal per individuele situatie een beoordeling moeten plaatsvinden of de aanvrager om kan gaan met de verantwoordelijkheid van het besteden van het persoonsgebonden budget aan het doel waarvoor het verstrekt wordt. Ook zal beoordeeld worden of de aanvrager in staat is om verantwoording af te leggen over de besteding van een persoonsgebonden budget volgens de regels die hiervoor zijn vastgesteld. Als blijkt dat de aanvrager in het verleden een persoonsgebonden budget niet heeft besteed aan het doel waarvoor het verstrekt was of niet in staat is gebleken te voldoen aan de verantwoording van het persoonsgebonden budget, zal deze vorm van verstrekking van een voorziening worden geweigerd. Indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is, dan kan een aanvraag ingediend worden voor een individuele voorziening op grond van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging). Omvang van het persoonsgebonden budget. De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Artikel 6 lid 1 Wmo zegt daarover: “(…) ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget (….) “ Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. Het uurbedrag zal door het college van burgemeester en wethouders worden vastgesteld en kan elk jaar aangepast worden aan de economische ontwikkelingen. Het bedrag wordt vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning en wel in artikel 5. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag zal moeten zijn. Wat betreft de voorzieningen zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande problemen voldoende te compenseren. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Economische levensduur Afhankelijk van de kostprijs die de klant heeft betaald voor een tweedehands voorziening wordt fictief de economische levensduur vastgesteld. Als voorbeeld: een nieuwe rolstoel kost € 700,- en een nieuwe rolstoel heeft een levensduur van 7 jaar. De levensduur van een voorziening wordt gerelateerd aan de levensduur die de gecontracteerde leverancier van de gemeente Veghel hanteert. De klant betaald voor de tweedehands rolstoel € 300,-. In dit geval wordt de verwachte levensduur drie jaar (3 x € 100,-). Na deze drie jaar kan weer een nieuwe rolstoel worden aangevraagd. Uitbetaling persoonsgebonden budget. Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. Is de beschikking verzonden, dan wordt het persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Verantwoording van het persoonsgebonden budget Bij iedere ontvanger van een persoonsgebonden budget wordt aan de hand van: - de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; - een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening - een ingevuld verantwoordingsformulier of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen nagegaan of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het bestemd is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan overweegt het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet zal afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Indien er een tweedehands voorziening is aangeschaft van het PGB, zal de economische levensduur worden gerefereerd aan de levensduur die de leverancier van de gemeente (Ligtvoet) hanteert. De klant zal achteraf zijn uitgaven moeten verantwoorden. In het geval er daadwerkelijk een tweedehands voorziening wordt aangeschaft, dienen de kosten daarvan in verhouding te staan tot de levensduur die de voorziening nog heeft. Daarbij geldt de richtlijn dat de levensduur die de leverancier (Ligtvoet) hanteert, leidend is. Voorbeeld: Een rolstoel die via Ligtvoet geleverd wordt, gaat 7 jaren mee en kost de PGB-houder €10.000,-. Een tweedehands voorziening dient dan – naar rato – minimaal dezelfde levensduur te hebben tegen dezelfde prijs. Beëindiging PGB Bij opzegging van het PGB of bij beëindiging van het PGB door bijvoorbeeld overlijden, wordt het PGB per de datum van opzegging c.q. overlijden beëindigd. 0.2.4Eigen bijdrage Artikel 7 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt dat bij een te verstrekken individuele voorziening een eigen bijdrage verschuldigd is. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Alleen wanneer bij wet is bepaald dat er geen eigen bijdrage opgelegd mag worden wordt dit niet gedaan. Dit is het geval bij rolstoelen en voor voorzieningen voor kinderen tot 18 jaar. Inning van de eigen bijdrage door het CAK Het CAK is bij wet aangewezen als instantie die de eigen bijdragen oplegt en int. De reden hiervoor is dat bij het eigen bijdrage beleid een anticumulatiebeding geldt. Hiermee wordt stapeling van eigen bijdragen voorkomen. Anticumulatie strekt zich uit tot de eigen bijdragen die in het kader van de Wmo en de AWBZ van de klant worden gevraagd. Dit geldt dus eveneens voor het eigen aandeel. De Wmo is preferent bij de vaststelling van de eigen bijdragen. Het CAK stelt de maximale eigen bijdrage vast die aan een klant kan worden opgelegd in het kader van de Wmo en/of de AWBZ. De eigen bijdrage mag de maximale grens, die is vastgelegd in het financieel besluit, niet te boven gaan. Ook mag de eigen bijdrage niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening. Wijze van berekening Het CAK bepaalt aan de hand van het verzamelinkomen van de klant de hoogte van de maximale eigen bijdrage die per periode van vier weken kan worden opgelegd. Het CAK krijgt de gegevens omtrent het verzamelinkomen aangeleverd door de belastingdienst. De eigen bijdrage voor het jaar T wordt gebaseerd op het verzamelinkomen over het jaar T-2 (dus voor het jaar 2011 op het jaar 2009). Omdat het verzamelinkomen af kan wijken van het huidige inkomen, betekent dit dat de opgelegde eigen bijdrage te hoog of te laag kan zijn. Bij een sterke daling van het verzamelinkomen kan bij het CAK een verzoek om herziening worden ingediend. Meer informatie hierover staat op de website van het CAK (www.hetcak.nl). Rekenhulp Op de website van het CAK (www.hetcak.

  1. nl)staat een rekenprogramma waarmee de eigen bijdrage kan worden berekend. Tevens is het mogelijk om het gratis nummer van het CAK te bellen (0800-1925) om de eigen bijdrage te laten berekenen. 0.2.5Eigen aandeel Artikel 7 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt dat de aanvrager bij een te verstrekken individuele voorziening een eigen aandeel in de kosten dient te dragen. Het eigen aandeel wordt opgelegd indien er sprake is van een financiële tegemoetkoming. Dit is van toepassing bij woningaanpassingen. Het eigen aandeel wordt, door het CAK, op dezelfde wijze berekend als de eigen bijdrage. Dit staat als volgt vermeld in artikel 4 van het financieel besluit: “Voor de woonvoorzieningen, genoemd in artikel 13 lid b en d van de Verordening, wordt de eigen bijdrage c.q. het eigen aandeel als bedoeld in artikel 3 lid 6 gedurende een periode van negenendertig maal vier weken in rekening gebracht”. Hoofdstuk1Toetsingskader behandeling aanvraag van voorzieningen Inleiding Inwoners van de gemeente Veghel kunnen een aanvraag voor een voorziening indienen met betrekking tot de Wmo. Deze aanvraag wordt behandeld door een Wmo-consulent. Om de aanvraag goed te kunnen behandelen, is het van belang dat de consulent de aanvraag kan toetsen aan een aantal criteria. Deze criteria staan hieronder nader uitgewerkt en worden als toetsingscriteria gebruikt voor de aanvraag. 1.1Het compensatiebeginsel De kern van de verstrekking van individuele voorzieningen via de Wmo ligt in artikel 4. Dit is het artikel dat de gemeente opdracht geeft tot de uitgifte van de individuele voorzieningen. Het artikel luidt als volgt. “1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: a. een huishouden te voeren; b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. 2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” De compensatieplicht houdt de algemene verplichting in dat het college beperkingen in de zelfredzaamheid compenseert van burgers op het terrein van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en het zich lokaal per vervoermiddel verplaatsen. Deze compensatie geeft een gemeente op het moment dat duidelijk is dat de hulpvrager hiertoe zelf niet meer in staat is en de sociale omgeving van de hulpvrager er ook niet in kan voorzien. De compensatieplicht heeft betrekking op zelfredzaamheid en deelname aan het normale maatschappelijk verkeer. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen. Onder normale deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden, het normale gebruik van een woning, het zich in en om de woning kunnen verplaatsen, het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale vervoerssystemen. Extra bewegingsvrijheid voor gemeente In de Wmo draait het vooral om het compensatiebeginsel. De betekenis ervan is anders dan die van de oude Wvg-zorgplicht. Grofweg ging het bij deze plicht om algemene oplossingen voor vastgestelde handicaps. Het compensatiebeginsel is evengoed bedoeld om oplossingen voor medische problemen te bieden, maar er is toch wel enig verschil. Allereerst gaat het niet meer over handicaps, maar over beperkingen. Het grootste verschil is dat het compensatiebeginsel de klant en de gemeente wat extra bewegingsvrijheid geeft, waardoor de klant meer op maat geholpen kan worden. Bij de compensatieplicht gaat het college uit van de persoonlijke problematiek van de aanvrager waarbij de compensatie dient te leiden tot omstandigheden waarin de aanvrager zelfredzaam is en de mogelijkheid heeft maatschappelijk te kunnen participeren doordat beperkingen en belemmeringen zijn opgeheven, dan wel verminderd. Een voorbeeld: Een klant zit in een situatie dat hij een keukenaanpassing aanvraagt. In overleg met de gemeente wordt de hele situatie goed bekeken. Uiteindelijk wordt besloten dat de klant ondersteuning in het huishouden krijgt met eventueel een paar kleine aanpassingen in de keuken. Samen met een beetje mantelzorg moet de klant zo goed uit de voeten kunnen. Op deze manier zijn allerlei maatwerkoplossingen denkbaar; oplossingen die dus echt zijn afgestemd op de individuele klant. Voor welke compensatie gekozen wordt, hangt van verschillende zaken af. Het is mogelijk dat de wens van de klant een rol speelt, maar die wens geeft niet de doorslag. Objectieve criteria zijn van belang, bijvoorbeeld leeftijd, de ernst van de beperking, of deze erger gaat worden en of de klant in zijn omgeving mensen heeft die hem kunnen helpen (mantelzorg). Tegelijkertijd worden de kosten van de voorziening ook vergeleken met die van eventuele andere mogelijkheden. Alle punten samen bepalen wat het besluit over de toekenning zal zijn. Het tweede deel van het 2e lid van artikel 4 Wmo verdient extra aandacht. Hier staat in: “(…) houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met (…) de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” Dit is de bepaling die het college van B&W de ruimte geeft om de toekenning van bepaalde voorzieningen af te laten hangen van de hoogte van het inkomen van de klant. Als het verzamelinkomen in een huishouden hoog genoeg is om bijvoorbeeld een woningaanpassing zelf te kunnen betalen, dan krijgt de klant hier geen voorziening voor. Zo’n inkomensgrens was er ook in de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Alleen binnen de Wvg kwam de inkomensgrens voort uit het juridische begrip “algemeen gebruikelijk”. Een begrip uit de rechtsopvatting, de jurisprudentie, van de Centrale Raad van Beroep. Algemeen gebruikelijk ging daarbij vooral over een inkomensgrens voor vervoersvoorzieningen. In de Wmo gebeurt dit veel algemener. Uit het gebruik van de woorden ‘houdt rekening met’ volgt dat ons college verplicht is rekening te houden met de capaciteit van aanvrager om zelf in de maatregelen te voorzien. Met deze verplichting is uitdrukkelijk niet beoogd aan te sluiten bij de eveneens in de in artikel 15 en 19 WMO opgenomen eigen bijdrage en financiële tegemoetkoming (eigen aandeel). Genoemde artikelen bepalen namelijk: ‘De gemeenteraad kan bij Verordening bepalen dat (…).een eigen bijdrage is verschuldigd’ en (artikel 19): ‘De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan (...) mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen (...).’ 1.2Aanvraag Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt in deze beleidsregels bekend verondersteld. Hier wordt niet nader op ingegaan. Aanvragen in het kader van de Wmo kunnen worden ingediend met behulp van een aanvraagformulier. De aanvraag dient ingediend te worden bij het Wmo-loket. Is op het terrein van de Wmo en op het terrein van de AWBZ tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het vereiste van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de indicatie ten aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de Wmo. Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van 8 weken beschikbaar. Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken op een aanvraag een besluit te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden. 1.3Onderzoek - doelgroep Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging). In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten: Artikel 2 Wmo bepaalt: “Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.” Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om wettelijke bepalingen. Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de WIA. Artikel 4 van de Wmo spreekt van “de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie”. Die persoon uit het eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 is: “ 4° het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers; 5˚ het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem; 6˚ het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;” Het gaat daarbij om mantelzorgers, mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren; mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer. Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt. Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging) door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging. Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager. Ten aanzien van bovenstaande wordt opgemerkt dat het Protocol gebruikelijke zorg niet geldt indien de mantelzorger inwonend is. In dat geval kan dus wel hulp bij het huishouden worden aangevraagd door de mantelzorger, omdat hij/ zij deel uitmaakt van het(zelfde) huishouden. Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem zal vaak een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de ICF, (International Classification of Functioning, Disability and Health Compilatie). Dit is een classificatiesysteem waar beperkingen in gerangschikt worden. In bijlagen 1 en 2 zijn deze verder uitgewerkt. In de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd bestaande uit “beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” of “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek”. Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Ook binnen de Wmo zal, net als binnen de Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen van voorzieningen. Op de indicatiestelling wordt in hoofdstuk 7 ingegaan. Als is vastgesteld of er (medisch gezien) sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn speelt de vraag of er redenen zijn die de verstrekking van een voorziening uitsluiten. Deels zal deze vraag ook eerder spelen. Immers: het heeft weinig zin een uitgebreid onderzoek te starten als tevoren duidelijk is dat het probleem tijdelijk is en dus niet voldaan kan worden aan het criterium langdurig noodzakelijk. Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen zijn er enkele algemene beperkingen bij de verstrekking van een voorziening, zoals vastgelegd in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) in artikel 2. Het gaat daarbij om de begrippen langdurig noodzakelijk (artikel 2 lid 1, aanhef en onder a), goedkoopst adequaat (artikel 2, lid 1 aanhef en onder
  2. b)en in overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, lid 1 aanhef en onder c). Verder wordt in een aantal situaties geen voorziening toegekend. Dit is het geval bij een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2 aanhef en onder a), als de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Veghel (artikel 2, lid 2 aanhef en onder b), voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder e), voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en onder f), voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef en onder g), voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
  3. h)en tot slot voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, lid 2 aanhef en onder i). 1.4Een voorliggende voorziening Iemand kan geen beroep doen op de Wmo als er een andere (voorliggende) regeling bestaat die de vraag van de klant in behandeling kan nemen. Dit kan zowel om een publiekrechtelijke als om een privaatrechtelijke regeling gaan. De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties van deze regels worden afgeweken. Met onderstaande voorbeelden wordt de toepassing van de voorliggende voorziening geïllustreerd. Voorliggende voorziening: AWBZ Voor bewoners van AWBZ-instellingen betekent dit dat de gemeentelijke compensatieplicht niet verder reikt dan het verstrekken van vervoersvoorzieningen. De verstrekking van rolstoelen en woonvoorzieningen valt onder de verantwoordelijkheid van de AWBZ. Als uitzondering hierop geldt dat bewoners van instellingen voor beschermd wonen, zorgcentra voor ouderen en gezinsvervangende tehuizen (welke als AWBZ-instellingen gelden) naast vervoersvoorzieningen ook in aanmerking kunnen komen voor rolstoelen in het kader van de Wmo. Voorliggende voorziening voor hulp bij het huishouden Voor hulp bij het huishouden zijn diverse voorliggende voorzieningen te onderscheiden. Voorliggende voorzieningen kunnen o.a. gevonden worden in: - kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); - oppascentrales; - boodschappendienst - boodschappenplusbus - maaltijdvoorziening. Voorliggende vervoersvoorzieningen - Valys (bovenregionaal vervoer) - NS-begeleiderskaart (begeleiding in openbaar vervoer) - Arboregelingen (woon/werkverkeer) - Regeling leerlingenvervoer (schoolvervoer) - UWV (woon/werkverkeer) Voorliggende rolstoelen - Rolstoelpool (zie ook paragraaf 5.2.3) - UWV (werkgerelateerd) - AWBZ (korte duur en gebruik binnen AWBZ instelling) 1.5Het in de gemeente woonachtig zijn Om vast te stellen of iemand in de gemeente woonachtig is, volstaat doorgaans het raadplegen van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Bij aanvragen van personen met beperkingen die in een AWBZ-instelling wonen, is het mogelijk dat de aanvrager een postadres hanteert. In dat geval staat de aanvrager niet ingeschreven in de gemeente waar de AWBZ-instelling is gevestigd, maar op het postadres dat vaak een andere gemeente betreft. Op grond van de wet Gemeentelijke Basisadministratie is het mogelijk uit privacy overwegingen een postadres te kiezen dat anders is dan het feitelijk woonadres. De gemeente waar de persoon met beperkingen daadwerkelijk woonachtig is, is ook verantwoordelijk voor het verstrekken van de Wmo-voorzieningen. Een uitzondering op deze regel betreft het bezoekbaar maken van een woning van iemand die woont in een AWBZ-instelling. In dat geval moet de aanvraag worden ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat en niet de gemeente waar de AWBZ-instelling is gevestigd. 1.6Langdurig noodzakelijk en wachtlijstproblematiek zorgcentra De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, heeft te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, eenmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak. Het komt voor dat mensen die geïndiceerd zijn voor een plaats in een zorgcentrum (AWBZ) desalniettemin een beroep doen op de Wmo in verband met het aanpassen van hun woning. In dat geval slaat het begrip langdurig niet op de ziekte of handicap maar op de periode die verstrijkt tussen indicatie en daadwerkelijke opname. Het komt voor dat de wachtperiode meer dan een jaar is. Waar precies de grens tussen kortdurend en langdurig ligt, kan derhalve per situatie verschillen. Het is belangrijk om via het zorgcentrum een indicatie van de wachttijd te krijgen. Blijkt die meer dan een half jaar te zijn, dan zal in alle redelijkheid getracht moeten worden om tot een oplossing te komen. Het opleggen van een verhuisprimaat, als dat al aan de orde is, lijkt weinig zinvol. De oplossing moet in deze situaties komen in overleg met de klant en de Wmo-consulent en dient te volstaan voor de overbruggingsfase tot opname. Het betreft hier kleine noodzakelijke aanpassingen welke ten hoogste het equivalent zijn van de tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. Overigens kunnen deze personen geen recht doen gelden op de verhuiskostenvergoeding naar een zorgcentrum, omdat dit uitgesloten is in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging). De vraag dient nog beantwoord te worden wat de wettelijke afbakening is tussen voorzieningen die menselijkerwijs slechts gedurende een korte en een langdurige periode noodzakelijk zijn. Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen situaties die van ernstig progressieve aard zijn en situaties waarin juist slechts tijdelijk een medische noodzaak bestaat. In het eerste geval betreft het voorzieningen in het kader van de Wmo en in het tweede geval gaat het om voorzieningen in het kader van de AWBZ. Voor bijvoorbeeld een voorziening in de vorm van een rolstoel naar aanleiding van een complexe beenbreuk kan een beroep worden gedaan op de AWBZ. In geval van noodzakelijke hulp bij het huishouden na ontslag uit het ziekenhuis zal eerder sprake zijn van een Wmo voorziening. 1.7Belanghebbende met een beperkte levensverwachting Bij een belanghebbende met een beperkte levensverwachting geldt dat bij een aanvraag om een Wmo-voorziening tijdelijk maatwerk noodzakelijk is. Echter, er is nimmer een exacte periode van de levensverwachting te geven, ook niet bij een prognose waaruit blijkt dat iemand terminaal is. Het verstrekken van tijdelijke voorzieningen is dan geen enkel probleem. In overleg met de aanvrager, de medisch adviseur en de gemeente zal naar een passende tijdelijke oplossing gezocht moeten worden. 1.8Goedkoopst adequaat Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een voorziening op de eerste plaats geschikt moet zijn voor het doel waar het voor verstrekt wordt. Als er meer dan één voorziening geschikt is, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Adequaat Een voorziening of een combinatie daarvan is adequaat als het de belemmeringen van een persoon wegneemt of vermindert. Met de regels in het achterhoofd wordt bij de keuze voor een voorziening ook rekening gehouden met de persoonlijke wens van de klant: - Als twee voorzieningen qua kosten gelijk zijn, mag de klant kiezen. - Als de klant liever een duurdere uitvoering van de voorziening wil, dan kan dit als de klant het verschil vooraf zelf aan de leverancier bijbetaalt. De risico’s die deze keuze met zich mee kan brengen, zijn voor de klant. Bij de keuze voor de hulpmiddelen in natura gelden ook de volgende regels: - Keuzevrijheid geldt alleen voor de hulpmiddelen die de gemeente van de leverancier kan huren. - De klant kan kiezen uit het aanbod hulpmiddelen van leveranciers die de gemeente hiervoor heeft geselecteerd. Goedkoopst De goedkoopste voorziening is de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Of een voorziening voor de gemeente de goedkoopste is, hangt van meer zaken af dan alleen de prijs. Ook het gemeentelijke beleid en de consequenties daarvan kunnen medebepalend zijn bij het beantwoorden van de vraag of een voorziening de goedkoopste is. Zo is collectief vervoer goedkoper dan individueel vervoer, omdat hier combinatieritten bij mogelijk zijn, die de kilometerprijs laag houden. Voor het collectief vervoer is het dus van belang dat er zo veel mogelijk gebruikers zijn. Hier kan de gemeente voor kiezen, ook als een individuele klant goedkoper uit zou zijn met een andere vervoerswijze. Als de gemeente voor deze klant namelijk een uitzondering zou maken en dit gebeurt vaker, dan is er geen draagvlak meer voor het collectieve vervoer. Collectief vervoer waar toch veel mensen gebaat bij zijn, moet betaalbaar blijven. 1.9In overwegende mate op het individu gericht Het verstrekken van een voorziening heeft tot doel om de belemmeringen die de klant zelf ondervindt op te heffen of te verminderen. In principe wordt er geen rekening gehouden met de belemmeringen die door mensen uit de omgeving van de klant worden ondervonden. Huisgenoten en anderen vallen daarom buiten de voorziening. Het gaat om de vraag of de te verstrekken voorziening voor de klant zelf een adequate voorziening is. Zo zal er bijvoorbeeld geen auto worden verstrekt in plaats van CVV omdat de echtgenoot van de cliënt niet in het CVV mee kan reizen. 1.10Algemeen gebruikelijk Indien een voorziening algemeen gebruikelijk is, krijgt de aanvrager van deze voorziening geen vergoeding van de gemeente voor de voorziening. Wat algemeen gebruikelijk precies is, wordt regelmatig getoetst aan algemeen maatschappelijke normen. Algemeen gebruikelijk is een voorziening waarvan verwacht kan worden dat ook iemand zonder beperking deze voorziening heeft. Het gaat dan wel om een vergelijk tussen de aanvrager met een beperking en een persoon zonder beperking die in soortgelijke omstandigheden verkeert qua inkomen, leeftijd, etc. Om te bepalen of dit het geval is, wordt door de gemeente op individuele basis beoordeeld. De hoogte van het inkomen van de aanvrager kan daarbij van belang zijn. Een aantal voorzieningen wordt als algemeen gebruikelijk gezien als de aanvrager een inkomen heeft dat boven een bepaalde grens uitkomt. Bijvoorbeeld het bezit en onderhoud van een auto. Het begrip algemeen gebruikelijk gaat volgens de vaste rechtsregels van de Centrale Raad van Beroep op als een zaak voldoet aan de volgende drie criteria: - De voorziening is niet alleen voor iemand met een beperking bedoeld; - De voorziening is voor iedereen gewoon te koop bij bedrijven of winkels; - De voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten. Uitzonderingen op algemeen gebruikelijk zijn: - De situatie waarbij een plotselinge ziekte of handicap (bijvoorbeeld door een ongeluk) nopen tot een acute vervanging, of - Indien het gaat om een persoon met beperkingen die qua inkomen niet in staat is de voorziening te betalen. Het gaat dan om een persoon met beperkingen met een inkomen (120%) en vermogen op het minimumniveau (dit is gelijk aan het sociaal minimumniveau dat voor de Wwb gehanteerd wordt), die bovendien al extra kosten heeft in verband met de handicap. Door de hoge kosten zou iemand die dan zelf een algemeen gebruikelijk goed moet kopen, onder het bestaansminimum zakken. Ter informatie is hieronder een niet-limitatief overzicht opgenomen van een aantal zaken die algemeen gebruikelijk zijn. Er zal altijd een individuele toets plaats vinden om te kijken of de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is. - Douche (vervangen lavet door douche) - Douchekop met glijdstang - Thermosstatische kranen - Ventilatiesysteem badkamer - Hendelmengkranen - Wandbeugels - Inductie of keramische kookplaat - Verhoogd toilet - Vervangen lavet door douche - Wasdroger - Waterbed - Centrale verwarming - Thermosstatische radiatorkranen - Meterkast met meerdere groepen - Zonwering - Intercom - Hometrainer - Mobiele telefoon - Spartamet of vergelijkbare elo-fiets - TandemFiets of tandem met hulpmotor - Fiets met trapondersteuning - Fiets met lage instap - Autoaanpassingen zoals: * Automatische transmissie * Neerklapbare achterbank * Rechter buitenspiegel * Stuurbekrachtiging * Trekhaak * (Verwarmde) buitenspiegels * Elektrisch bedienbare ramen * Airconditioning * Kosten APK-keuring * Elektrische garagedeur opener** ** Een elektrische garagedeuropener wordt alleen verstrekt wanneer aan de betrokken belanghebbende een elektrisch verplaatsingsmiddel (scootermobiel) is verstrekt, deze in de garage moet worden gestald en de elektrische garagedeuropener op medische/ ergonomische gronden noodzakelijk is om de garagedeur te kunnen openen. Tot slot wordt hier opgemerkt dat het voor komt dat hele ruimtes aangepast moeten worden, bijvoorbeeld een op de handicap ingerichte keuken. In principe komen alleen die kosten voor een tegemoetkoming in aanmerking die, gelet op de specifiek op de persoon met beperkingen toegesneden voorziening noodzakelijk zijn. Dus in het voorbeeld van de keuken alleen de meerkosten ten opzichte van een normale keuken. 1.11Aanvraag voor al verstrekte voorziening Hier gaat het om een voorziening die de aanvrager al eerder van de gemeente heeft gekregen en waarvan de afschrijvingstermijn nog niet voorbij is. In dat geval komt er geen nieuwe voorziening. Behalve wanneer de voorziening waar het om gaat, buiten de schuld van de aanvrager om niet meer functioneert. Onzorgvuldig gebruik en misbruik Wanneer de gemeente deze regel opvoert bij een afwijzing, moet deze goed voorbereid en onderbouwd worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om voorzieningen die door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik kapot zijn gegaan. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden. Bij grove nalatigheid geldt precies hetzelfde. Zolang de afschrijvingstermijn niet verlopen is, hoeft de gemeente geen nieuwe voorziening te verstrekken. Ook als iemand een persoonsgebonden budget heeft, kan de gemeente op deze manier ingrijpen. Ingrijpend maar noodzakelijk Als een voorziening om een van bovenstaande redenen wordt ingenomen, kan dit van grote invloed zijn op het leven van de klant. Zeker wanneer hij afhankelijk is van de voorziening. Toch kan de gemeente niet anders dan ingrijpen in een dergelijke situatie. 1.12Voorziening is voor de aanvraag aangeschaft Als iemand een voorziening aanschaft, voordat hij een aanvraag hiervoor bij de gemeente neerlegt, loopt hij grote kans op een afwijzing. De gemeente kan zo geen invloed meer uitoefenen op de aanschaf en staat voor een voldongen feit. Centrale Raad van Beroep: regel gaat niet altijd op! De rechtsregels van de Centrale Raad van Beroep echter, zeggen dat deze regel niet zomaar door de gemeente mag worden toegepast. Volgens de Centrale Raad van Beroep is de regel ingebouwd om de gemeente de mogelijkheid te bieden de voorziening achteraf te kunnen controleren.Als de klant een woningaanpassing heeft laten doen, dan is na een verbouwing niet meer na te gaan of een goedkopere aanpassing tot de mogelijkheden behoorde. Wanneer dit achteraf wél mogelijk is, dan moet de gemeente de voorziening alsnog toewijzen. Uiteraard hoeft de gemeente dan alleen de goedkoopste en meest adequate voorziening te verstrekken, ook wanneer de klant een duurdere voorziening heeft aangeschaft. Dat is het risico dat de klant neemt door de voorziening pas aan te vragen, nadat hij hem al aangeschaft heeft. 1.13Niveau sociale woningbouw Iedereen woont naar zijn inkomen. Iemand met een hoog inkomen kan in een groter huis wonen dan iemand met een laag inkomen. Bij de toekenning van voorzieningen is het niet mogelijk hier rekening mee te houden. Als iemand een zwembad onder in zijn huis heeft laten aanleggen, krijgt hij hier geen hulp bij het huishouden voor. Heeft iemand aanpassingen in zijn garage nodig, dan zal hij dit in principe zelf moeten oplossen. Behalve wanneer de garage bijvoorbeeld dienst doet als stalling voor een scootermobiel. Het gaat hier om een regel die extra of duurdere uitgaven voor voorzieningen aan banden legt. Als uitgangspunt hiervoor wordt de sociale woningbouw gebruikt. De sociale woningbouw bevindt zich op een niveau waarin er geen geld wordt besteed aan zwembaden in de kelder of garages. 1.14De gebruikte materialen Als de problemen voortkomen uit de gebruikte materialen, verstrekt de Wmo geen voorziening. Vaak gaat het dan om aanpassingen aan een woning, dit is bijvoorbeeld het geval bij: - Het gebruik van spaanplaat waarin deformaldehydegas zit; - Halfsteense muren op het westen die veel waterdoorslag geven, waardoor het binnen vochtig wordt; Iedereen, ongeacht een eventuele handicap, zal met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening te weigeren. 1.15Motivering van besluiten Er is expliciet in de wet opgenomen dat een besluit met betrekking tot de Wmo een motivering moet bevatten. Artikel 26, lid 1 Wmo luidt: “1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.” In de beschikking die de klant krijgt, staat dus hoe de voorziening hem helpt zelfstandig te functioneren en hoe hij met de voorziening gewoon deel kan nemen aan het maatschappelijk verkeer. 1.15.1Toekenning van de aanvraag (aansluitend op aangevraagde voorziening) Als de beschikking een voorziening waar de klant om heeft gevraagd toewijst, is dit waarschijnlijk niet zo moeilijk. In feite is het genoeg als er staat welke mogelijkheden de klant dankzij de voorziening krijgt. Een paar voorbeelden: - Als een klant bijvoorbeeld een traplift krijgt, kan beschreven worden dat de klant nu de verdieping weer kan bereiken waar zijn slaap- en badkamer zijn. Iets wat de klant zonder traplift niet kon. - Wanneer een klant een scootermobiel krijgt, kan beschreven worden dat zijn probleem om familie, vrienden en winkels te bezoeken opgelost is. 1.15.2Toekenning van de aanvraag (afwijkend van de aangevraagde voorziening) De compensatieplicht kan ook leiden tot een andere voorziening dan de voorziening waar de klant om heeft gevraagd. Indien de klant problemen ondervindt bij de bereiding van de maaltijd kan hij/zij hulp bij het huishouden hebben aangevraagd. Bij de beoordeling van de aanvraag kan echter blijken dat een aanpassing van de keuken de meest adequate voorziening is. In deze gevallen wordt een voorziening verstrekt maar wel een andere dan de voorziening waar de klant in eerste instantie om had gevraagd. In deze gevallen moet de keuze van de voorziening duidelijk worden gemotiveerd. 1.15.3Afwijzing van de aanvraag De gemeente moet dan aangeven hoe het besluit een bijdrage levert aan het vergroten van de zelfstandigheid van de klant en zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Ook wanneer de gemeente op basis van de regelgeving de aanvraag van een klant afwijst, moet dit gemotiveerd gebeuren en wel volgens artikel 26, 1e lid Wmo. Dit kan niet op dezelfde manier als bij een toewijzing gebeurt. Hier moet gedacht worden aan een motivatie waaruit blijkt dat een voorziening niet noodzakelijk of zelfs onhandig is voor de klant. Dit omdat de klant ook zonder de voorziening zelfstandig kan functioneren en deel kan nemen aan het maatschappelijk verkeer. Een voorbeeld: Als een klant met fibromyalgie een tweetal voorzieningen aanvraagt; een rolstoel om zich rond zijn huis te kunnen bewegen en hulp bij het huishouden. De huisarts heeft de fibromyalgie vastgesteld, maar hij is nog niet behandeld. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat terwijl er dus nog behandelmogelijkheden onbenut zijn. De indicatiesteller/ medisch adviseur van de gemeente raadt de klant dan aan terug te gaan naar de huisarts en met de behandeling te starten. In de tussentijd wordt de voorziening niet toegekend. Mocht aanvrager in behandeling gaan, bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum, dan zal hooguit in overleg met de behandelaren besloten worden tot een beperkte of tijdelijke inzet van een rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet de behandeling niet in de weg staat. De motivering zal dus kunnen zijn:Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit medisch onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Wanneer wij u nu de voorzieningen zouden toewijzen, bestaat er de kans dat we behandelingsmogelijkheden in de weg staan. Het doel van de Wmo is niet aanvragers afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te compenseren als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom zullen wij u op dit moment geen rolstoel noch hulp bij het huishouden toekennen. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u opnieuw contact met ons opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw behandelaars. 1.15.4Melden van wijzigingen In de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) is in artikel 33 opgenomen dat men verplicht is om wijzigingen in de situatie te melden. “Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.”Ondanks dat deze regel in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) staat, is het van belang deze voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent wordt gemaakt. 1.16Hersteltermijn en buiten behandeling stellen van de aanvraag Als de aanvraag is ingediend, kan het tijdens de behandeling ervan gebeuren dat de beoordelaars nog een belangrijke vraag hebben, waardoor ze de aanvraag nog niet kunnen afhandelen. Artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht biedt dan de mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Alvorens de gemeente de aanvraag buiten behandeling stelt dient de klant die de aanvraag heeft ingediend, wel de kans krijgen om “binnen een redelijke termijn” de ontbrekende informatie aan te vullen. Met deze ‘hersteltermijn’ dient de klant de informatie binnen de gestelde termijn te leveren. Er staat niet hoe lang die redelijke termijn precies duurt. Dit kan ook niet, omdat niet elk geval hetzelfde zal zijn. Periode is afgestemd op de individuele klant Als het om een kopie van een paspoort gaat, kan de klant die binnen een paar dagen op tafel leggen. Maar als het om documenten gaat waarbij je bijvoorbeeld eerst door een hele procedure moet, dan heeft de klant aan een paar dagen niet genoeg. Hoe lang de aanvraagprocedure wordt uitgesteld, is dus afhankelijk van de specifieke vraag aan de individuele klant. De periode die de klant krijgt om de gemeente van de gevraagde informatie te voorzien, wordt niet te strak ingevuld. Als richtlijn kan bij eenvoudige documenten/ zaken worden uitgegaan van 10 werkdagen, bij complexe documenten/ zaken van 20 werkdagen. 1.17Bezwaartermijn De klant mag altijd een bezwaarschrift indienen als hij het niet eens is met het besluit dat het college van B&W over zijn aanvraag heeft genomen. Dit kan tot zes weken na dagtekening van de beschikking. Is het bezwaar te laat, dan wordt hier in principe niets meer meegedaan. Wat moet er in elk geval in het bezwaarschrift staan: - Naam, adres en woonplaats van de klant; - Datum - Een omschrijving van de beschikking (het besluit) waartegen bezwaar wordt gemaakt; - De redenen waarom bezwaar wordt gemaakt. 1.18Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders mogen bij uitzondering een besluit nemen dat buiten de Wmo-regels valt. Dat is dan altijd wel een besluit dat in het voordeel van de klant uitpakt. Dit is de zogenaamde hardheidsclausule. De hardheidsclausule hoort bij de beleidsregels. Deze clausule zorgt er voor dat de beleidsregels en de wet zo rechtvaardig mogelijk toegepast kunnen worden. Het is niet de bedoeling dat iemand ten onrechte tussen wal en schip belandt. 1.19Wmo in relatie tot Wia, AWBZ en Wwb Niet alle voorzieningen gericht op personen met beperkingen zijn ondergebracht bij de Wmo. Andere instanties dan de gemeente zijn eveneens op grond van wettelijke bepalingen verantwoordelijk voor het verstrekken van voorzieningen. Het onderstaande schema geeft bij de meest voorkomende gevallen aan waar men moet zijn. VOORZIENINGEN WET UITGEVOERD DOOR: Woonvoorzieningen Wmo Gemeente Hulp bij het huishouden, met uitzondering van:bij indicatie verblijf/volledig pakket thuisandere wijze van financiering Wmo Wmo (toekomstig AWBZ) Wet uitkering (burger) oorlogsslachtoffers Gemeente Zorgkantoor via CIZ Pensioen- en Uitkeringsraad Vervoersvoorzieningen, met uitzondering van- Vervoer naar werk of opleiding- vervoer naar medisch specialisten of naar dagbesteding Wmo Wia/ Wwb bij reïntegratietraject AWBZ/aanvullende verzekering Gemeente UWV/gemeente Zorgverzekeraars/gemeente Rolstoelen, Met uitzondering van- rolstoel nodig voor vervoer naar of tijdens werk of scholing- rolstoelen voor mensen in een AWBZ instelling, functie verblijf functie behandeling - tijdelijke rolstoelen Wmo Wia AWBZ Wmo AWBZ AWBZ (in principe) Gemeenten UWV Zorgverzekeraars Gemeente Zorgverzekeraars Zorgverzekeraars Andere tijdelijke en langdurig noodzakelijke hulpmiddelen, bijv. voor het lopen, zitten, slapen of liggen AWBZ Zorgverzekeraars Inkomensondersteunende voorzieningen zoals kledingslijtage, extra stookkosten, dieet en dergelijke Wwb/bijzondere bijstand Gemeente/ Optimisd Duidelijk is dat geen Wmo-voorziening wordt toegekend indien sprake is van enig andere wettelijke regeling (publiekrechterlijke regelingen), op grond waarvan aanspraak bestaat. Hoofdstuk2Hulp bij het huishouden Inleiding De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ), waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 sub a deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het “in staat stellen een huishouden te voeren” waaronder in de verordening Wmo zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg.In dit hoofdstuk worden de voorzieningen rondom ‘hulp bij het huishouden’ nader uitgewerkt. In hoofdstuk 3 worden de woonvoorzieningen toegelicht. 2.1Mogelijke voorzieningen Artikel 8 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) geeft een tweetal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: a. hulp bij het huishouden in natura; b. een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. Hierbij geldt ook de hoofdregel van algemene voorzieningen. Artikel 2 lid 2 sub d van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt dat indien er een toereikende algemene voorziening beschikbaar is die ook adequaat is, er geen voorziening wordt toegekend. Dit kan ook gedeeltelijk gelden. Als de klant met behulp van bijvoorbeeld een apparaat in staat is om een bepaald deel van zijn huishouden zelfstandig te voeren, dan krijgt hij hiervoor geen indicatie voor hulp bij het huishouden. Bijvoorbeeld als de klant m.b.v. een wasmachine zijn eigen was nog kan doen. Voorliggende voorzieningen (zie paragraaf 1.2 en 2.2) en gebruikelijke zorg (zie paragraaf 2.3) gaan voor op de mogelijke voorzieningen ‘hulp bij het huishouden in natura’ en ‘een pgb te besteden aan hulp bij het huishouden’. Medische beoordeling Nagegaan moet worden of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn advies te vragen aan een adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (hierna: mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Het risico dat geschetst wordt bij de mmoa’s, wordt ondervangen doordat tijdens de indicatiestelling gebruik wordt gemaakt van het MOA-protocol. Het MOA-protocol bestaat uit een drietal voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de aandoening als een ziekte of gebrek in de zin van de Wmo te kunnen beschouwen: De diagnose moet gesteld zijn door een medisch specialist; Psychiatrische en psychosociale problemen als oorzaak van de klachten dienen uitgesloten te zijn; Er moet een behandeltraject zijn gevolgd en de behandeling moet zijn afgerond. Mantelzorg en hulp bij het huishouden Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. De looptijd van de indicatie is afhankelijk van de individuele situatie, maar bedraagt nooit meer dan 5 jaar. 2.2Voorliggende voorzieningen Om een toekenning definitief te maken moet er gekeken worden of er voorliggende voorzieningen zijn. Deze voorzieningen moeten wel ook daadwerkelijk beschikbaar zijn en dus direct in te zetten. Bij alle in paragraaf 2.4 genoemde activiteiten geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties van deze regel worden afgeweken. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: - Rolstoelpool (zie paragraaf 5.2.3) - Boodschappenplusbus; - Kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); - Oppascentrales; - Zorg / mantelzorg / vrijwilligershulp; - Klussenteam; - Maaltijdvoorzieningen; - AWBZ De adressen van deze voorzieningen zijn terug te vinden in de gemeentegids en de sociale kaart op de website van de gemeente Veghel. Daarnaast bezorgen de grote supermarkten in Veghel (Albert Heijn en Plus) boodschappen aan huis. In sommige dorpen komt de “SRV-wagen” met de boodschappen aan huis. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder 120% van de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Wanneer gebruik gemaakt wordt van de warme maaltijdvoorziening van Stichting Welzijn Ouderen of de eetpunten van Brabant Zorg (voorheen Welstaete) is er overigens al sprake van een reductietarief. Er zijn dan geen meerkosten, zodat de toets op inkomen hier niet aan de orde is. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in paragraaf 2.5.2 kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. 2.3Gebruikelijke zorg Artikel 9 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt dat men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten”. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ deze hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ voorafgaande aan de Wmo. 2.3.1Definitie gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg wil zeggen dat de klant huisgenoten heeft, die het huishoudelijke werk zouden kunnen doen. Van hen wordt verwacht dat zij de taken opnieuw verdelen en het deel van de klant op hun schouders nemen. In dat geval is er geen noodzaak meer om huishoudelijke hulp te verstrekken.Het uitgangspunt hierbij is het idee dat een leefeenheid, bijvoorbeeld een echtpaar of een gezin, samen verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dit geldt ook voor huurders voor wat betreft de gehuurde en de gemeenschappelijke ruimte. Als iemand in die leefeenheid niet meer of nog maar gedeeltelijk in staat is om de huishoudelijke taken te doen, dan nemen de anderen dit over. Dit is een principe met een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten boven de 18 jaar. Dat is de leeftijd waarop verwacht kan worden dat iemand op zichzelf kan wonen en een 1-persoons huishouden draaiende kan houden. Vanaf 23 jaar mag verwacht worden dat iemand een volledig huishouden kan voeren. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5.8. 2.3.2Doel hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden is aangewezen wanneer disfunctioneren van de leefeenheid als gevolg van gezondheidsproblemen van (één van) de verzorgende (leden) dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging,voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Het doel van hulp bij het huishouden kan dan zijn het schoonhouden van het huis en/of het verrichten van de dagelijks voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. 2.3.3Leefeenheid primair verantwoordelijk De leefeenheid van een zorgvrager die een beroep doet op de Wmo blijft altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Dat betekent dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. 2.3.4Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van - overigens gezonde - kinderen valt ook onder de hulp bij het huishouden. • Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen; • Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen. 2.3.5Indicatie voor het aanleren van huishoudelijke activiteiten Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen[1] verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke takenen/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. [1] In de zin van “ niet geleerd hebben” 2.3.6Opvang en verzorging van kinderen bij uitval van één van de ouders Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Opvang is niet structureel Wmo hulp bij het huishouden. Verzorging van de kinderen kan, zonodig, wel een Wmo-HBH aanspraak zijn. Eigen oplossingen gaan voor Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. De Wmo-consulent onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van ) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Voorkomen van crisis en ontwrichtingZijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan de functie hulp bij het huishouden worden ingezet. Structurele opvang van kinderen is geen Wmo-voorziening. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot een Wmo aanspraak leiden. Verzorging van de kinderen kan, zonodig, wel een Wmo aanspraak (HBH) zijn. 2.3.7Fysieke afwezigheid Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat.De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karaker hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden geleverd. Bij dit onderdeel wordt te allen tijden rekening gehouden met de uitstelbare en niet uitstelbare taken, zoals beschreven in paragraaf 2.2.4. 2.3.8Uitval van ouder in éénoudergezin Indien er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg opvangt, en wat vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Oppas en opvang van gezonde kinderen zijn in principe geen Wmo aanspraak, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Wel is er een indicatie mogelijk voor de verzorging van de kinderen conform leeftijd. Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk. Indien er sprake is van wachtlijsten bij kinderopvangorganisaties neemt de Wmo-consulent contact op met de re-integratieconsulent van Optimisd. Er zijn door de gemeente enkele plaatsen ingekocht bij kinderopvangorganisaties voor re-integratieklanten met kleine kinderen. Er wordt nagegaan of hier gebruik van kan worden gemaakt. Indien de Wmo consulent zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn uitgeput is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor HBH mogelijk voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (max. 3 maanden), de periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden. 2.3.9Bijdrage van kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat wij ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Taken van een 18 - 23 jarige Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18 - 23 jarige wordt verondersteld een éénpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: • schoonhouden van sanitaire ruimte, • keuken en een kamer, • de was doen, • boodschappen doen, • maaltijd verzorgen, • afwassen en opruimen. Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen enbegeleiden. 2.3.10Hoge leeftijd en trainbaarheid Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. 2.3.11Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting Een indicatiesteller kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat de indicatiesteller redelijkerwijs moet concluderen dat de betreffende zaken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. Een indicatiesteller moet altijd onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Wanneer een partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Een indicatiesteller moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere activiteiten dan werk en huishouden, dan gaan werk en gebruikelijke zorg voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie te geven voor gebruikelijke zorg. In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner / huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner / ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. 2.3.12Kloosters, tehuizen en instellingen Ten aanzien van kloostergemeenschappen is het uitgangspunt van de gemeente Veghel dat personen die een kamer hebben binnen de gemeenschap worden geïndiceerd op 1:30u. Wanneer men woont in een appartement behorende bij de kloostergemeenschap, maar buiten het gebouw, wordt men geïndiceerd op 3:00u. Daar waar nodig kan bij bijzondere omstandigheden worden afgeweken van bovenstaande uitgangspunten. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet reeds door de betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. 2.4Omschrijving van de huishoudelijke werkzaamheden De activiteiten hulp bij het huishouden zijn onderverdeeld in drie niveaus, namelijk HBH 1, HBH 2 en HBH3. In het kader van de regionale aanbesteding hulp bij het huishouden is afgeweken van de landelijke indeling. Niveau 1 is alleen van toepassing wanneer de cliënt in staat is tot zelfregie en planning van de activiteiten. Op basis van de indicatie bepaalt de gemeente welk niveau wordt ingezet. Hieronder is het onderscheid van de huishoudelijke werkzaamheden schematisch weergegeven naar ‘aard van de activiteiten’, ‘activiteiten’ en ‘personeel’. 2.4.1HBH3 Door de beperking van de cliënt of door bijzondere kenmerken van de huishouding kan het nodig zijn om personeel met een bepaalde expertise of specifieke vaardigheden (HBH3) in te zetten. De noodzaak hiervan ligt dan niet in de huishoudelijke werkzaamheden, maar in de werkomgeving. Voorbeelden hiervan zijn: a. Hoe om te gaan met psychiatrische patiënten; b. Hoe om te gaan met dementerenden; c. Hoe om te gaan met kinderen in het huishouden; d. Hoe te werken met/bij iemand die een chemokuur heeft gehad; e. Hoe om te gaan met een stervende en diens familie. Deze situaties vragen een zorgvuldige afweging van het in te zetten niveau. 2.4.2Woningschoonmaak Voor wat betreft de procedures rondom woningschoonmaak in het geval van vervuilde woningen wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in de notitie ‘Betaling schoonmaken woningvervuiling door gemeenten in Brabant-Noordoost’ van de GGD Hart voor Brabant uit december 2006. In deze notitie is onderstaande beslisboom opgenomen die doorlopen wordt in het geval van een woningschoonmaak. 2.5Tijdnormering hulp bij het huishouden Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden voor welke activiteiten de hulpvrager gecompenseerd dient te worden en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. De normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. De tijdnormering is indicatief. Er moet altijd een individuele afweging gemaakt worden. Als er reden is om af te wijken van de normering kan dat, mits dit deugdelijk onderbouwd is. Bij de tijdnormering is geen rekening gehouden met voorliggende voorzieningen (paragraaf 2.5.1). Ook hierop dient een individuele afweging gemaakt te worden. Daarnaast wordt bij de normering geen rekening gehouden met de taken die de cliënt zelf kan uitvoeren. Wanneer de cliënt zelf nog bepaalde onderdelen van bijvoorbeeld de licht huishoudelijke werkzaamheden kan uitvoeren, wordt de normtijd hierop worden aangepast. HH alleenstaande (seniorenwoning/flat) Nr. Activiteiten Minuten Uren 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 Boodschappen doen voor het dagelijks leven Broodmaaltijd bereiden Warme maaltijd bereiden Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc.) Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc.) De was doen (kleding/linnengoed wassen) Huishoudelijke spullen in orde houden 60 p week 15 p keer 30 p keer 60 p week 90 p week 60 p week - 1u 1u45 3u30 1u 1u30 1u Veel voorkomende combinaties Minuten Uren 1.4 + 1.5 1.4 + 1.6 1.5 + 1.6 1.4 + 1.5 + 1.6 1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Licht + zwaar Licht + was Zwaar + was Licht + zwaar + was Brood

(7x)+ licht + zwaar + was 150 120 150 210 315 2u30 2u 2u30 3u30 5u15 HH alleenstaande (eengezinswoning) Nr. Activiteiten Minuten Uren 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 Boodschappen doen voor het dagelijks leven Broodmaaltijd bereiden Warme maaltijd bereiden Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc.) Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc.) De was doen (kleding/linnengoed wassen) Huishoudelijke spullen in orde houden 60 p week 15 p keer 30 p keer 60 p week 180 p week 60 p week - 1u 1u45 3u30 1u 3u 1u Veel voorkomende combinaties Minuten Uren 1.4 + 1.5 1.4 + 1.6 1.5 + 1.6 1.4 + 1.5 + 1.6 1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Licht + zwaar Licht + was Zwaar + was Licht + zwaar + was Brood
(7x)+ licht + zwaar + was 240 180 240 300 405 4u 3u 4u 5u 6u45 HH twee- of meerpersoonshuishouden (woonsituatie niet van belang) Nr. Activiteiten Minuten Uren 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 Boodschappen doen voor het dagelijks leven Broodmaaltijd bereiden Warme maaltijd bereiden Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc.) Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc.) De was doen (kleding/linnengoed wassen) Huishoudelijke spullen in orde houden 60 p week (evt +) 15 p keer (evt +) 30 p keer (evt +) 90 p week (evt +) 180 p week (evt +) 90 p week (evt +) - 1u 1u45 3u30 1u30 3u 1u30 Veel voorkomende combinaties Minuten Uren 1.4 + 1.5 1.4 + 1.6 1.5 + 1.6 1.4 + 1.5 + 1.6 1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Licht + zwaar Licht + was Zwaar + was Licht + zwaar + was Brood
(7x)+ licht + zwaar + was 270 180 270 360 465 4u30 3u 4u30 6u 7u45 ‘evt. +’ houdt in, dat extra tijd geïndiceerd kan worden bij grotere leefeenheden, aanwezigheid kleine kinderen, extra bewassing, etc. HH overige activiteiten alleenstaande/twee- of meerpersoonsleefeenheden Nr. Activiteiten Minuten Uren 2.1 2.2 2.3 2.4 Anderen helpen in huis met zelfverzorging Anderen helpen in huis bij bereiden maaltijd Dagelijkse organisatie van het huishouden Advies, instructie, voorlichting * Tot max 40 uur per week Tot max 40 uur per week 30 p week 30 p keer (max 3 keer p week, 6 weken) 0u30 1u30 * Als het gaat om het aanleren van het huishouden, dan geen tijd indiceren, maar aan te leren activiteiten indiceren in tijd en aangeven dat het om aanleren van die activiteiten gaat. Normtijden: Tijden worden afgerond naar boven op halve uren. Bij de bepaling van de omvang van de indicatie worden de onderstaande uitgangspunten gehanteerd. a. De tijd waarmee de hulp bij het huishouden wordt geïndiceerd is noodzakelijk en niet meer dan nodig om verantwoorde hulp bij het huishouden (op het gebied van hygiëne, voeding en dergelijke) te bieden in de directe leefruimten van de cliënt. b. De normtijden zijn gebaseerd op ‘normale’ huishoudens. Als er sprake is van bijvoorbeeld medische of praktische problematiek bij de verzekerde en/of zijn huishouden, zoals dieet, (ernstige) vervuiling van het huis, incontinentie, speekselvloed, overmatige transpiratie, allergie, COPD en dergelijke, wordt aanvullend op de basisminuten extra tijd berekend. c. Het is niet mogelijk om extra tijd te berekenen vanwege de persoonlijke voorkeur van de ondersteuningsvrager zonder dat daar een noodzaak voor is. 2.5.1Indicatiestelling; de factoren voor hulp bij het huishouden: Activiteiten Factoren meer/ minder hulp Frequentie 1.1 Boodschappen doen Boodschappenlijst samenstellenBoodschappen inkopen en opslaan – wekelijks Als het gezin/leefeenheid bestaat uit meer dan 4 personen, en/of er zijn kinderen jonger dan 12 jaar, dan kan er een indicatie gesteld worden voor twee keer per week boodschappen; + 30 minuten, wanneer de afstand tot de winkels groot is. 1.2 + 1.3 Broodmaaltijd bereiden en warme maaltijd bereiden Broodmaaltijd klaarzettenTafel dekken en afruimenKoffie/thee zettenAfwassen (machine – handmatig)Eten bereiden voorbereidenkokenOpslaan en beheer levensmiddelenvoorraadAfwassen en opruimen Aanwezigheid kinderen jonger dan 12 jaar: + 20 minuten per keer. 1.4 Licht huishoudelijk werk Afwassen, als er geen indicatie is voor maaltijdvoorbereiding, handmatig 15-30 min per keerMachine in- en uitruimen: 10 minuten per keerHand- en spandienstenOpruimen: totaal dagelijkse beurt interieur is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van het gezin/leefeenheid: 15 tot 40 minuten per keer.Stof afnemen/ragenBedden opmaken Persoonsgebonden problematiek/ communicatieproblemenAantal kinderen onder de 12 jaarHuisdieren (bij allergie eerst sanering)Allergie voor huisstofmijt, COPD: in gesaneerde woningErnstige beperkingen in gebruik van armen en handenAlleen de kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden. Voor een cliënt zonder kinderen max. 20 minuten per keer, voor een cliënt met kinderen jonger dan 12 jaar maximaal 30 minuten per keer In principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten 1.5 Zwaar huishoudelijk werk De hoeveelheid ondersteuning is meer afhankelijk van de grootte en inrichting van de woning, dan van de aanwezigheid van een extra persoon. StofzuigenSchrobben, dweilen, soppen: sanitair en keukenBedden opmaken/ verschonenOpruimen huishoudelijk afvalHier worden de wekelijkse activiteiten bedoeld. In grote woningen met veel bewoners, meer vervuiling, COPD-problematiek (na sanering) of aanwezigheid van jonge kinderen kunnen meer uren vastgesteld worden. Verzorgen van huisdieren is bespreekbaar. 1.6 De was doen Kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachineCentrifugeren, ophangen, afhalen.Was drogen in droogmachineVouwen, strijken (alleen bovenkleding), opbergenOphangen, afhalen wasgoed. Aantal kinderen jonger dan 16 jaar: + 30 minuten per kind per weekBedlegerige patiënten: + 30 minutenextra wassen i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz.: + 30 minuten Eenmaal per week, huishoudens met kleine kinderen maximaal 3 keer per week. 2.1 en 2.2 Opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden Wassen en aankledenHulp bij eten en/of drinkenMaaltijden voorbereidenSfeer scheppen, spelenOpvoedingsactiviteiten Aantal kinderenLeeftijd kinderenGezondheidssituatie/ functioneren kinderen/huisgenotenAanwezigheid gedragsproblematiekSamenvallende activiteiten Tijdsduur is afhankelijk van de situatie, indien kinderen jonger zijn dan 6 jaar gecombineerd met HBH-activiteiten tot maximaal 40 uur per week. 2.3 Dagelijkse organisatie van het huishouden Administratieve werkzaamheden t.b.v. de klant (alleen in combinatie met andere huishoudelijke activiteiten, valt bij beperkt regelvermogen onder ondersteunende begeleiding).Organisatie huishoudelijke activiteitenPlannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden CommunicatieproblemenAantal huisgenoten, vooral kinderen jonger dan 16(Psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden 1 keer per week, maximaal 5.9 uur 2.4 Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden Instructie bijomgaan met hulpmiddelenlicht huishoudelijk werktextielverzorgingboodschappen doenkoken Communicatieproblemen 3 keer per week maximaal 6 weken 2.6Persoonsgebonden budget (PGB) of hulp in natura Artikel 6 van de wet bepaald dat er bij de aanspraak op een individuele voorziening een keuze geboden moet worden tussen een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Zoals bij alle individuele Wmo-voorzieningen in principe het geval is, kan ook bij de hulp in het huishouden een PGB worden verstrekt. Dit kan op verzoek van de klant (artikel 8, sub b Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging)). Deze verplichting van het verstrekken van een PGB is echter niet absoluut, want er kunnen altijd overwegende redenen zijn om deze keuze niet te bieden aan een cliënt. De gemeente kent geen PGB toe als: “Artikel 6, lid 6: a. het een voorziening betreft waarin een algemene of collectieve voorziening kan voorzien; b. het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager niet in staat is om: 1o. de verantwoordelijkheid tot besteding van een persoonsgebonden budget aan de voorziening waarvoor deze wordt toegekend aan te kunnen, of 2o. te voldoen aan de regels ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget; c. bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget, de aanvrager verwijtbaar het budget niet of niet geheel heeft besteed aan de voorziening waarvoor dit budget was toegekend, of zich niet heeft gehouden aan de regels ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. d. op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een andere voorziening vervangen dient te worden, dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget.” Wanneer er geen overwegende bezwaren bestaan kan het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend. De beschikking dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 6, lid 2 en de algemene motiveringseis in artikel 26 lid 1 van de Wmo. Bruto-PGB De gemeente Veghel verstrekt een bruto-PGB. Dit houdt in dat bij de vaststelling van de hoogte geen rekening wordt gehouden met een eventuele eigen bijdrage. Het CAK stelt de eigen bijdrage formeel vast en zorgt voor het innen ervan. De gegevens van de klant dienen ten behoeve van het innen van de eigen bijdrage door de gemeente te worden ingevoerd in het systeem van het CAK. De hoogte van het PGB is afhankelijk van het niveau van de werkzaamheden en het aantal geïndiceerde uren. De klant dient tot het brutobedrag te verantwoorden. Hulp in natura Naast de keuze tussen PGB en hulp in natura bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid, namelijk de keuze voor hulp in natura bij één van de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Indien gekozen wordt voor hulp in natura mag de cliënt zelf aangeven van welke aanbieder hij deze hulp wenst te ontvangen. Indien de cliënt zelf geen keuze wil maken, mag de Wmo-consulent adviseren om te kiezen voor de goedkoopst adequate aanbieder waar op dat moment ruimte is om de hulp te leveren. Indien een cliënt kiest voor hulp in natura, dan kan de hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Bij hulp in natura heeft de cliënt de keuze uit de volgende aanbieders: - Thuiszorg in Holland - Gezinszorg Brabant - T-zorg - Axxicom Thuishulp - Thuiszorgservice Nederland - Actief Huiszorg - Breederzorg - Brabantschoon - Huishoudelijke hulp Pantein 2.6.1Algemene uitgangspunten PGB - De budgethouder maakt gebruik van de door de gemeente Veghel voorgeschreven formulieren voor aanvraag en verantwoording. - De gemeente Veghel stelt voor de toekenning en vaststelling van het PGB geen andere voorwaarden aan de budgethouder dan de voorwaarden die in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging), het Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging), en in deze beleidsregels worden genoemd. 2.6.2Aanvraag en indicatie - Bij een eerste aanvraag of 6 weken voor afloop van een indicatieperiode vraagt de aanvrager/ budgethouder (her-)indicatie aan bij de Wmo-consulent van de gemeente Veghel. De aanvrager/ budgethouder maakt gebruik van aanvraag en inlichtingenformulier van de gemeente Veghel. - De wijze van aanvraag en onderzoek (inclusief indicatiestelling) is vastgelegd in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging), bijbehorend Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) en in de beleidsregels. De gemeente Veghel indiceert in principe zelf. De gemeente kan besluiten een externe organisatie opdracht te verlenen om een indicatieadvies op te stellen. 2.6.3Toekenningsbeschikking Een PGB kan uitsluitend worden verleend als: o De aanvrager in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (artikel 8, onder a t/m e en
  1. l)rechtmatig verblijft in Nederland en woonachtig is in de gemeente Veghel; o De aanvrager niet opgenomen is in een AWBZ- of ZVW-instelling; o Conform het bepaalde in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) en bijbehorend besluit en beleidsregels is vastgesteld dat hulp bij het huishouden geïndiceerd is en dat er geen redenen aanwezig zijn op grond waarvan de aanvrager niet in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; o De hulp bij het huishouden niet tegelijkertijd anders gefinancierd is (via een andere regeling of Wmo-hbh in natura). Een PGB is uitsluitend bestemd voor de bekostiging van: o hulp bij het huishouden (betaling dienstverleners); o daarmee noodzakelijk verbonden onvermijdbare kosten, waaronder beëindigingkosten, uitbetaling van vakantiedagen bij het einde van de arbeidsovereenkomst, doorbetaling van loon tijdens opzegtermijn, uitbetaling eenmalige uitkering bij het einde van een overeenkomst van rechtswege. Geen verantwoording hoeft te worden afgelegd over 1,5 % van het totale jaarbudget, met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 1.250,00. Heeft het budget betrekking op een deel van het jaar, dan wordt het minimum en maximum naar rato vastgesteld. Het PGB-bedrag op jaarbasis is gebaseerd op het geïndiceerde niveau van de hulp bij het huishouden en het geïndiceerde aantal uren per week. De bedragen behorend bij niveau en uren zijn vastgelegd in het Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging). In de toelichting bij het besluit is de wijze van berekening uitgelegd. Als de budgethouder langer dan zes weken aaneengesloten in het buitenland verblijft, vervalt het recht op PGB. Bij terugkeer in Nederland kan opnieuw PGB worden aangevraagd. De gemeente Veghel levert de gegevens van de budgethouder op de voorgeschreven wijze aan bij het CAK. Het CAK stelt de inkomensafhankelijke maximum eigen bijdrage vast en meldt dit aan de budgethouder. Het CAK zorgt voor inning van de eigen bijdrage bij de budgethouder en betaalt de geïnde eigen bijdrage door aan de gemeente Veghel. De budgethouder ontvangt per 4 weken een nota van het CAK. De budgethouder kan het CAK machtigen om de eigen bijdrage automatisch af te schrijven van zijn rekening. Als voor de belanghebbende het recht op PGB is vastgesteld geeft de gemeente Veghel een toekenningsbeschikking af aan de budgethouder, waarin tenminste is opgenomen: o De geldigheidsduur van de indicatie (indicatieperiode); o De hoogte van het budgetbedrag en de budgetperiode; o De voorschotperioden; o De data waarop de verantwoording moet zijn ingediend; o Informatie over de berekening en inning van de eigen bijdrage door het CAK; o Een herinnering dat een nieuwe indicatie 6 weken voor afloop van de indicatieperiode aangevraagd dient te worden. De toekenningsperiode vangt aan op de door de budgethouder gewenste startdatum PGB. Deze datum kan niet liggen vóór de datum waarop de aanvraag is ingediend. De toekenningsperiode eindigt: o uiterlijk op de laatste dag van de indicatieperiode; o als de budgethouder schriftelijk aangeeft geen PGB meer te willen ontvangen; o als de budgethouder wordt opgenomen in een AWBZ-instelling en deze opname een definitief karakter heeft; o als de budgethouder langer dan 2 maanden aaneengesloten is opgenomen in een instelling (bijvoorbeeld een ziekenhuis, revalidatiekliniek of AWBZ-instelling); o als de budgethouder langer dan 6 weken in het buitenland verblijft. Er wordt in deze situaties beëindigd op de dag van vertrek; o als de budgethouder gebruik maakt van Wmo-hulp in natura; o als de budgethouder recht heeft op hulp bij het huishouden/huishoudelijke verzorging in het kader van een andere regeling (bijvoorbeeld AWBZ-Volledig Pakket Thuis, Wet uitkering burger oorlogsslachtoffers); o als de budgethouder verhuist naar een andere gemeente of het buitenland; o als de gezinssamenstelling wijzigt waardoor een gezinslid van de budgethouder de gebruikelijke zorg voor het huishouden op zich kan nemen; o als de budgethouder overlijdt. Als de budgethouder het PGB fout besteedt of zijn verplichtingen niet nakomt kan de gemeente Veghel het PGB beëindigen en terugvorderen. Meerdere op elkaar aansluitende toekenningsperioden binnen een kalenderjaar worden voor de vaststelling van het PGB geacht één toekenningsperiode te zijn. Een nieuwe toekenningsbeschikking wordt afgegeven bij o een nieuwe indicatie na afloop van de indicatieperiode; o tussentijdse indicatie vanwege wijziging in de hulpbehoefte (niveau en/of uren) of de gezinssamenstelling (gebruikelijke zorg); o aanvang van de nieuwe budgetperiode; o tussentijdse wijziging van het beleid, zowel op landelijk (wet c.a.) als lokaal (verordening en bijbehorend besluit en beleidsregels). 2.6.4Bevoorschotting Er wordt eens per vier weken bevoorschot. De vierwekelijkse perioden sluiten aan bij de door het CAK gehanteerde perioden voor het opleggen van eigen bijdragen. De gemeente Veghel stort het eerste voorschot zo snel mogelijk na verzending van de toekenningsbeschikking op rekening van de budgethouder. De volgende voorschotten worden op basis van de toekenningsbeschikking uiterlijk op de 4e dag van elke nieuwe periode uitbetaald. 2.6.5Overeenkomst budgethouder-hulpverlener De budgethouder zoekt hulp en sluit zelf overeenkomst(
  2. en)met hulpverlener(s): personen of instellingen. De budgethouder kan gratis gebruik maken van de modelovereenkomsten en ondersteunende diensten van het Servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank (www.svb.nl/pgb) met uitzondering van de loonstrookservice bij een dienstverband tot 4 dagen in de week (regeling dienstverlening aan huis, hierbij is geen loonadministratie vereist). De budgethouder betaalt van het verleende voorschot de hulpverlener(
  3. s)conform overeenkomst(
  4. en)tussen de budgethouder en de hulpverlener(s). 2.6.6Verantwoording en controle De budgethouder legt periodiek verantwoording af over de besteding van het bruto PGB bedrag via de door de gemeente Veghel verstrekte verantwoordingsformulieren. Per hulpverlener dient een afzonderlijk formulier ingevuld te worden. De verantwoording over de perioden moet binnen drie weken na afloop van de periode worden ingeleverd, middels de toegestuurde verantwoordingsformulieren. De budgethouder registreert per individuele hulpverlener naam, adres, woonplaats, burgerservicenummer (BSN), de data waarop gewerkt is, het aantal gewerkte uren, het uurtarief en het betaalde bedrag óf levert een contract met een vast maandbedrag aan óf levert een loonstrook van de SVB aan; De budgethouder registreert per hulpverlenende instelling naam, adres, woonplaats, inschrijfnummer Kamer van Koophandel (KvK), de bedragen van de betaalde nota’s en de periode waarop de nota betrekking heeft. Indien een arbeidsoverkomst is afgesloten waarvoor de budgethouder verplicht is loonheffing en sociale premies in te houden en af te dragen (volledig werkgeverschap) of indien de budgethouder op basis van een overeenkomst met hun hulpverlener verplicht is tot inhouding en afdracht van loonheffing (“opting-in”) dient een salarisadministratie te worden bijgehouden. Wanneer de hulp 4 of meer dagen per week komt, kan de budgethouder de salarisadministratie gratis laten uitvoeren door het Servicecentrum PGB van de SVB. Bij minder dan 4 dagen kan worden volstaan met de regeling dienstverlening aan huis, wil de budgethouder toch gebruik maken van de salarisadministratie van de SVB dan kan dit tegen kostprijs. De budgethouder vermeld op het verantwoordingsformulier per individuele hulpverlener naam, adres, woonplaats, burgerservicenummer (BSN voorheen Sofinummer) en per periode/loonstrook de uitbetaalde en afgedragen bedragen. De gemeente Veghel controleert de periodieke verantwoording steekproefsgewijze. Indien niet akkoord: de gemeente Veghel stuurt de budgethouder binnen 6 weken na indiening van de verantwoording een aankondiging tot nader onderzoek en verzoek om toezending nadere gegevens; deze groep vormt de input voor intensieve controle. De gemeente Veghel checkt bij intensieve controle op: o Hulplevering conform beschikking; o Getekende hulpovereenkomst(en); o Feitelijke aanwezigheid van declaraties, facturen en/of loonstroken. De budgethouder verneemt het oordeel van de gemeente Veghel pas nadat de volgende bevoorschotting reeds heeft plaats gevonden. Verrekening met of mindering op het volgende voorschot kan altijd plaatsvinden. Bij gedeeltelijke dan wel volledige verwijtbaar foute besteding kan bevoorschotting onmiddellijk worden gestopt en het budget van de budgethouder worden teruggevorderd. Dit wordt schriftelijk en met redenen medegedeeld. De budgethouder kan tegen dit besluit bezwaar aantekenen. Bij onderuitputting (niet volledige besteding van de voorschotten) neemt de gemeente Veghel contact op met de budgethouder over eventuele aanpassing van de bevoorschotting. Vaststelling/ afrekening van het budget vindt plaats na afloop van het kalenderjaar, nadat de budgethouder de verantwoording over de laatste voorschotperiode heeft ingediend. De vaststelling wordt voor 1 april schriftelijk medegedeeld aan de budgethouder. Terugvordering vindt plaats na definitieve vaststelling van het budget. Stopt het PGB tijdens het kalenderjaar, dan vindt vaststelling plaats binnen 2 maanden na ontvangst van de verantwoording over de laatste voorschotperiode. De gemeente stelt het budget vast op het volgens de regels verantwoorde bedrag (de ingekochte hulp) verhoogd met het bedrag waarover geen verantwoording verschuldigd is. Het verschil tussen dit bedrag en de uitbetaalde voorschotten wordt teruggevorderd of verrekend. Dit wordt schriftelijk en met redenen medegedeeld. De budgethouder kan tegen dit besluit bezwaar aantekenen. Hulplevering conform beschikking; Getekende hulpovereenkomst(en); Feitelijke aanwezigheid van declaraties, facturen en/of loonstroken. De gemeente Veghel informeert de belastingdienst op de voorgeschreven wijze. 2.6.7Nieuwe indicatie/ beëindiging/ onderbreking PGB De budgethouder kan bij de gemeente Veghel 6 weken voor afloop van een indicatieperiode een nieuwe indicatie aanvragen. Een nieuwe toekenningbeschikking doet een voorgaande toekenningbeschikking vervallen. Er zijn 3 redenen denkbaar voor het aanvragen van een nieuwe indicatie: o verandering bestaande hulpvraag (cliënt doet een aanvraag vanwege de behoefte aan een wijziging van een indicatie); o verstrijken geldigheidstermijn (cliënt vraagt een indicatie omdat de geldigheidsduur van de toekenningbeschikking is verlopen); o verandering woonsituatie en gezinssamenstelling. Bij tijdige aanvraag van een nieuwe indicatie bij verstrijken van de geldigheidstermijn en bij tussentijdse veranderingen sluiten de aflopende en nieuwe indicatie in de tijd/ geldigheidstermijnen op elkaar aan. De budgethouder of zijn zaakwaarnemer meldt tijdig wijzigingen in de situatie of beëindiging op eigen initiatief met opgaaf van reden aan de gemeente Veghel. De gemeente Veghel stelt de budgethouder schriftelijk op de hoogte van beëindiging ingeval van onjuiste besteding of niet nakoming van verplichtingen. Resterende onvermijdbare kosten en verplichtingen uit overeenkomsten met zorgverleners als gevolg van de beëindiging kunnen uit het PGB betaald worden. Bij opzegging van het PGB of bij beëindiging van het PGB door bijvoorbeeld overlijden, wordt het PGB per de datum van opzegging c.q. overlijden beëindigd. 2.7Voorlichting over verschuldigde eigen bijdrage en bijzondere bijstand Voor de hulp bij het huishouden is een eigen bijdrage verschuldigd. De klant dient hierover tijdig geïnformeerd te worden. De Wmo-consulent geeft aan waar de klant de informatie kan vinden om de eigen bijdrage zelf te berekenen of ondersteunt de klant bij het maken van een berekening.Verder wijst de Wmo-consulent de klant – indien van toepassing – op de mogelijkheid van compensatie door bijzondere bijstand. Hoofdstuk3Woonvoorzieningen Inleiding In artikel 4 van de Wmo gaat het over de ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Onder die regel kan zowel een woonvoorziening worden verstaan als de hulp bij het huishouden. In hoofdstuk 2 is de hulp bij het huishouden reeds besproken. In dit hoofdstuk komen de woonvoorzieningen aan bod. 3.1Uitsluitingen Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel 16 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) van toepassing is: “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.” Deze uitsluitingen gaan over woonvormen die niet als hoofdwoning dienst doen en die niet permanent bewoond worden. Daarnaast gaan deze uitsluitingen over gebouwen waarvan verwacht kan worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Onder ‘specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen’ worden in ieder geval begrepen: a. gebouwen die worden beheerd door instellingen voor ouderenzorg of gehandicaptenzorg en b. gebouwen die aantoonbaar uitsluitend bewoond worden door en bestemd zijn voor ouderen (65 jaar en ouder) en gehandicapten (zoals gelijkvloers en aanwezigheid van een lift).Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. 3.2Vormen van woonvoorzieningen Artikel 12 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) bepaalt dat er drie mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: een woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget; een financiële tegemoetkoming. Onder deze verstrekkingsmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; een uitraasruimte; onderhoud, keuring en reparatie; tijdelijke huisvesting; huurderving; verwijderen van voorzieningen. 3.3Algemene woonvoorzieningen Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan het toepassen van algemene woonvoorzieningen door klussendiensten of vrijwilligersdiensten. Een algemene voorziening wordt door de gemeente georganiseerd, gefaciliteerd en ter beschikking gesteld en is bedoeld om de druk op Wmo voorzieningen te verminderen en maakt onderdeel uit van het gemeentelijk voorzieningenbeleid. Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Algemene voorzieningen hebben voorrang op individuele voorzieningen. 3.4Primaat verhuizing Artikel 14 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging) regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing. Het binnen de Wvg geldende beleid, dat een verhuizing buiten de woonkern alleen aan de orde is wanneer de aanvrager hier zelf de voorkeur aan geeft, wordt voortgezet en is vastgelegd in artikel 14 lid 4 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging). Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van: - De woonlasten - Het (medisch aanvaardbare) tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden - De verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de gevolgen voor de aanvrager. - Het wegvallen van essentiële mantelzorg In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. Voor de gemeente Veghel geldt dat indien de woning waar naartoe kan worden verhuisd buiten de woonkern van de aanvrager ligt, het primaat van de verhuizing niet van toepassing is (artikel 14 lid 4 van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veghel, 2010 (inclusief 1e wijziging)). 3.4.1De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. 3.4.2Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de klant Alle belangrijke woonlasten worden in de besluitvorming meegenomen. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de huidige woonlasten en die van de mogelijk andere woning. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhui­zing of woningaan­passing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft bijvoorbeeld andere financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een voorbeeld hiervan is de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optre­den. Een eigenaar heeft doorgaans geld ge­leend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Aan de andere kant kan verhuizing juist een goede oplossing zijn, omdat iemand die gehandicapt raakt, veelal negatieve inkomstengevolgen zal ervaren. 3.4.3Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: - Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; - de kosten van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten - de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning - een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurder­ving. Deze kosten zijn het uitgangspunt bij de afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. 3.4.4Rekening houden met sociale factoren Uit ontwikkelde jurisprudentie blijkt dat het primaat niet alleen afhankelijk is van een financieel plaatje. Het primaat geldt namelijk niet indien een verhuizing, vanwege sociale omstandigheden van de persoon met beperkingen, geen redelijke en billijke oplossing vormt voor het probleem van die persoon met beperkingen. Om die afweging te maken dient sprake te zijn van tenminste één van de volgende aantoonbare factoren: - De binding met de buurt en de aanwezigheid van mantelzorg - De aanwezigheid en afstand tot verschillende voorzieningen - De gevolgen voor de woonlasten van de persoon met beperkingen - De afstand tot de werkplek. Toch moeten deze factoren bij de besluitvorming zo objectief mogelijk bekeken worden. Als er in de buurt van het huis van de klant een woning is die al geschikt is of die makkelijker aan te passen is dan de huidige woning, dan weegt de sociale factor minder zwaar en wordt er toch voor de verhuisvergoeding gekozen. Dit kan ook het geval zijn als er een woning gevonden wordt die dichter bij voorzieningen ligt. Voorzieningen als winkels, werk, openbaar vervoer, etc. Zo wordt ook al meegenomen dat er in de toekomst minder vervoersvoorzieningen nodig zijn voor de klant. Mantelzorg Verhuizing naar een geschikte woning wordt als niet-adequaat beschouwd indien als gevolg van de verhuizing de reeds aanwezige mantelzorg komt te vervallen. Met andere woorden de mantelzorg moet onomstotelijk verbonden zijn aan de huidige woonsituatie. Hiervan is sprake indien: - Cliënt afhankelijk is van mantelzorg. Relevante zorg bestaat onder andere uit hulp bij transfers, aankleden, wassen, voeden, enzovoort. Huishoudelijke taken, koken en het doen van boodschappen vallen niet onder mantelzorg; cliënt kan hiervoor een beroep doen op diverse hulporganisaties en diensten die niet gebonden zijn aan de huidige woonsituatie. - De noodzakelijke mantelzorg wordt geleverd door personen die geen deel uitmaken van het huishouden van de cliënt. De echtgenoot en/of inwonende kinderen van cliënt zullen immers met cliënt mee verhuizen naar een nieuwe woning. - De noodzakelijke mantelzorg wordt geleverd door personen uit de directe woonomgeving van de cliënt. Als de verzorgende personen in de oude woonsituatie reeds een reisafstand moeten afleggen die bij verhuizing niet significant zal toenemen, is de mantelzorg niet onomstotelijk verbonden aan de oude woonsituatie. - De mantelzorg moet op het moment van de aanvraag reeds aanwezig zijn. Er wordt geen rekening gehouden met h

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.