Treasurystatuut Waterschap Aa en Maas 20261.Inleiding Het is decentrale overheden niet toegestaan “voor bank te spelen”. Het aangaan van leningen en het uitzetten van middelen, evenals het verlenen van garanties, is dan ook alleen toegestaan voor de uitoefening van de publieke taak. Daarnaast dienen uitzettingen en het gebruik van derivaten een prudent karakter te hebben en behoren deze niet gericht te zijn op het genereren van inkomen door het lopen van risico's. Met het voorliggende treasurystatuut leggen we de formele kaders vast waarbinnen de treasury activiteiten van Waterschap Aa en Maas dienen plaats te vinden. Hierdoor is een objectieve en transparante afweging vooraf mogelijk en een onderbouwde verantwoording achteraf. Dit statuut is de basis voor het gevoerde treausrybeleid en bepaalt de uitgangspunten en normen die we hanteren. De specifieke beleidsvoornemens, de uitvoering van het beleid en de verantwoording over het gevoerde beleid worden conform de geldende verslaggevingsvoorschriften toegelicht in de begroting en de jaarrekening. Het treausurystatuut is opgesteld in lijn met de verschillende wet- en regelgeving die er is ten aanzien van de financiën van waterschappen zoals vastgelegd in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en de Wet Modernisering Waterschapsbestel. Daarnaast zijn in de Wet Financiering decentrale overheden (Wet Fido) en de hieruit volgende regelingen kaders gesteld voor een verantwoorde, weloverwogen en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden. De belangrijkste doelstellingen van de Wet Fido zijn het bevorderen van een solide financiering en kredietwaardigheid van de decentrale overheden, het beheersen van renterisico's en het vergroten van transparantie. Aanvullend zijn in de Regeling uitzettingen derivaten decentrale overheden (Ruddo) normen voor kredietwaardigheid vastgelegd waar partijen bij wie decentrale overheden middelen willen uitzetten, aan moeten voldoen. Naast de Wet Fido en Ruddo zijn de volgende kaders van belang voor dit treasurystatuut: Besluit lening voorwaarden decentrale overheden (Bldo) In het Bldo zijn regels opgenomen voor de decentrale overheden inzake het aangaan, verstrekken en garanderen van geldleningen. Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo) Hierin zijn de rentepercentages voor de kasgeldlimiet en renterisiconorm bij decentrale overheden opgenomen. Deze percentages geven aan hoeveel een decentrale overheid mag lenen. Schatkistbankieren decentrale overheden (Skb) Hierin zijn regels opgenomen ter uitvoering van het schatkistbankieren voor decentrale overheden. Wet Houdbare overheidsfinanciën (Wet Hof) De Wet Hof bevat de regels voor het bereiken en vasthouden van gezonde overheidsfinanciën. Leeswijzer In het treasurystatuut worden allereerst het begrippenkader en de doelstellingen van de treasuryfunctie van het waterschap geformuleerd. Deze worden vervolgens nader uitgewerkt in de organisatie en procedures, waarbij rekening wordt gehouden met de voorgeschreven instrumenten en limieten. Het treasurybeleid wordt vervolgens beschreven voor de onderdelen voorbereiding, vaststelling en uitvoering. Daarna komen de administratieve organisatie en interne controle van de treasuryfunctie aan de orde. Daarbij ligt het accent op de eenduidigheid betreffende de verdeling van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. 2.Begripsbepalingen Ten behoeve van de leesbaarheid van het treasurystatuut is geprobeerd om het aantal technische termen in dit statuut te beperken. Om misverstanden te voorkomen over de gehanteerde begrippen is het gebruik van vakjargon onafwendbaar. Daarom worden specifieke begrippen in de onderstaande begrippenlijst verklaard. Derivaten: Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder meer gebruikt om renterisico's te sturen en financieringskosten te minimaliseren. EU/EER lidstaat: Een lidstaat is een staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Dit zijn dus de EU-landen plus Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Financiering: Het aantrekken van benodigde financiële middelen. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen. Kasgeldlimiet: Een bedrag ter grootte van een percentage van het begrotingstotaal van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar. Dit percentage is door de Minister van Financiën in de ‘Uitvoeringsregeling Financiering Decentrale Overheden’ voor waterschappen per 1 januari 2001 vastgesteld op 23%. Kredietrisico: De risico's op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van verplichtingen door de tegenpartij. Limiet: De (uiterste) grens van een bepaalde handeling, verantwoordelijkheid en/of bevoegdheid. Liquiditeitsprognose: Een overzicht van de verwachte toekomstige inkomsten en uitgaven uitgezet in de tijd. Liquiditeitsrisico: Het risico dat het waterschap op korte termijn over onvoldoende middelen beschikt om aan haar directe verplichtingen te kunnen voldoen. Marktrisico: Het gevaar van schommelingen in de waarde van financiële activa door marktbewegingen. Dit risico dient geminimaliseerd te worden. Voorwaarde hierbij is in beginsel dat de hoofdsom van de lening/uitzetting intact blijft. Nettingovereenkomst: Een overeenkomst op grond waarvan de wederzijdse verplichtingen tussen partijen verrekend worden waardoor wordt bepaald wat de ene partij per saldo aan de andere partij verschuldigd is. Netto vlottende schuld: Het gezamenlijk bedrag van: de opgenomen gelden met een oorspronkelijk rentetypische looptijd korter dan 1 jaar de schuld in rekening-courant de - voor een termijn van korter dan 1 jaar - ter bewaking in kas gestorte gelden van derden overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de vaste schuld, verminderd met het gezamenlijk bedrag van contante gelden, tegoeden in rekening-courant en de overige uitstaande gelden met een rentetypische looptijd van korter dan 1 jaar. Rating: Een indicatie van het kredietwaardigheidsrisico ofwel de mate waarin de onderneming aan haar verplichtingen kan voldoen. Ratingkwalificaties (van de ratingbureaus Moody’s en Standard & Poor’s): Aaa en AAA: Extreem kredietwaardig Aa en AA: Zeer kredietwaardig. Veiligheidsmarges zijn echter niet zo hoog als bij een Aaa- en AAA-categorie A: Zeer kredietwaardig. Er zijn echter factoren aanwezig waardoor afbetaling in de toekomst enig gevaar loopt Baa en BBB: Kredietwaardig, maar gevoelig voor slechte economische tijding Ba en BB: Speculatief, matige bescherming van afbetaling aanwezig B: Heeft momenteel capaciteit voor rente en aflossing, maar is gevoelig voor faillissement Caa en CCC: Enige bescherming voor investeerders is aanwezig, maar grote risico’s en onzekerheid aanwezig Ca en CC: Zeer speculatief, meestal achtergestelde schuld C: Rentebetalingen zijn reeds gestopt Renterisico: Het gevaar van onvoorziene veranderingen van de (financiële) resultaten van het waterschap door rentewijzigingen. Renterisiconorm: Een bedrag ter grootte van een percentage van het begrotingstotaal van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar. De Minister van Financiën heeft in de ‘Uitvoeringsregeling Financiering Decentrale Overheden’ dit percentage voor waterschappen per 1 januari 2001 vastgesteld op 30%. Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningvoorwaarden sprake is van een - door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare - constante rentevergoeding (rentevaste periode). Rentegevoeligheidsanalyse: Een analyse van de gevoeligheid van de begroting van een waterschap voor rentewijzigingen. Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling. Toezichthouder: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, ingevolge de Waterschapswet artikel 120 (inzake goedkeuring voor het vaststellen van de kostentoedelingsverordening) en artikel 156 en 158 (inzake de mogelijkheid van GS om besluiten van het waterschap te vernietigen). Treasurybeheer: Dit omvat de daadwerkelijke uitvoering van het treasurybeleid, binnen de kaders van het treasurystatuut. De uitvoering vindt zijn weerslag in specifieke beleidsplannen. Treasurybeleid: Dit beleid bestaat uit de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en voorwaarden, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie. Treasuryfunctie: Alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico's. Ook wel financieringsfunctie genoemd. Uitzetting gelden: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot 1 jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van een jaar of langer. Vaste schuld: Het gezamenlijk bedrag van de schuld uit hoofde van de geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van 1 jaar of langer en de voor een termijn van 1 jaar of langer ontvangen waarborgsommen. Vermogenswaarde: Het geheel van de in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen aan goederen en vorderingen (activa en passiva). Vermogensbehoefte: Een overzicht van de behoefte aan middelen op lange termijn ter financiering van de investeringen. Ook wel kapitaalbehoefte genoemd. B: Heeft momenteel capaciteit voor rente en aflossing, maar is gevoelig voor faillissement Caa en CCC: Enige bescherming voor investeerders is aanwezig, maar grote risico’s en onzekerheid aanwezig Ca en CC: Zeer speculatief, meestal achtergestelde schuld C: Rentebetalingen zijn reeds gestopt 3.Doel en uitgangspunten 3.1Doel Het treasurystatuut (hierna: statuut) heeft tot doel een formeel kader te scheppen waar binnen de financiering- en beleggingsactiviteiten van waterschap Aa en Maas dienen plaats te vinden. In het statuut moeten de vier elementen sturen, beheersen, verantwoorden en toezicht houden in samenhang worden bezien om zo duidelijkheid en transparantie garanderen. In feite komt het er op neer dat het belangrijkste doel van het treasurybeleid is om over voldoende middelen te beschikken op het juiste moment. Het treasurybeleid is erop gericht toegang te verkrijgen en te behouden tot de geld- en kapitaalmarkt om zo, binnen de financiële mogelijkheden van het waterschap, een optimaal of voldoende rendement te verkrijgen dan wel de lasten zo veel mogelijk te reduceren. Hierbij moeten de risico's zo goed mogelijk worden beheerst. Artikel 108 en artikel 109 van de Waterschapswet bepalen dat het algemeen bestuur bij verordening regels vaststelt met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van de vermogenswaarden en de controle. Met de vastgestelde Financiële verordening en de Controleverordening is hier invulling aan gegeven. Hierin zijn verplichtingen opgenomen waar met de vaststelling van dit treasurystatuut aan wordt voldaan. 3.2Het treasurybeleid De doelstellingen van het treasurybeleid zijn: Het verkrijgen en behouden van toegang tot de geld- en kapitaalmarkten tegen de scherpst mogelijke condities; Het beschermen van de organisatie tegen ongewenste financiële risico's, zoals rente-, koers-, liquiditeits-, valuta- en kredietrisico's; Het minimaliseren van de interne (verwerkingskosten) en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities; Het realiseren van een efficiënte en controleerbare treasuryfunctie binnen de organisatie; Het tijdig beschikbaar hebben van betrouwbare informatie aangaande de treasury; Het continu voldoen aan de wettelijke vereisten aangaande treasury, zoals onder meer opgenomen in de Wet Fido, Ruddo, Bldo, Skb, Wet Hof en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen. Investeringen, deelnemingen en beleggingen die worden gedaan in het kader van de publieke taak, maar waarbij bewust risico's worden aanvaard vallen buiten de kaders van dit statuut. In de voorkomende gevallen dient hiervoor steeds afzonderlijke besluitvorming plaats te vinden. 3.3Tussentijdse bijstelling van het beleid Eventuele tussentijdse bijstelling van het treasurybeleid en/of de treasury gerelateerde mandaten, zoals opgenomen in het mandaatbesluit en de regeling budgethouderschap en financieel mandaat, worden voorgelegd aan het algemeen bestuur. 3.4Risicoprofiel Ten aanzien van financieel risico hanteren we een risicomijdend profiel. Dit betekent dat bij het komen tot de eerste voorstellen met betrekking tot het gebruik van een van dergelijke instrumenten het bestuur nadrukkelijk wordt geïnformeerd over en betrokken bij het besluit betreffende het gebruik van deze instrumenten. Op deze wijze worden het doel en het effect van het te hanteren instrument helder en duidelijk gemaakt alvorens te kunnen worden toegepast. Risicomijdend houdt in ieder geval in: Het beleid ten aanzien van financieringen is erop gericht een spreiding van toekomstige renterisico's te bevorderen. Zo kan ook in de toekomst worden ingespeeld op ontwikkelingen op het gebied van het aantrekken en uitzetten van financieringen om te blijven voldoen aan de renterisiconorm conform de eisen uit de Wet Fido. Op deze manier treedt er bovendien geen overmatige blootstelling aan rentebewegingen op. Het beleid is erop gericht te komen tot optimalisatie van de inkomende en uitgaande geldstromen door het zo goed mogelijk op elkaar afstemmen van de inkomsten en de uitgaven in de loop van het jaar. Een eventueel besluit ten aanzien van beleggingen is zodanig is dat alleen beleggingen kunnen worden gedaan van tijdelijke overschotten. Het gebruik van derivaten alleen is toegestaan ter beperking van financiële risico’s en het beleid dienaangaande dient prudent en transparant is. 3.5Liquiditeitsrisicobeheer We beperken onze liquiditeitsrisico’s door de treasuryactiviteiten te baseren op een liquiditeitsprognose en een meerjarenraming. 3.6Valutarisicobeheer Valutarisico’s worden uitgesloten door alleen leningen te verstrekken, aan te gaan of te garanderen in euro’s. 4.De organisatie van de treasuryfunctie 4.1Treasury-organisatie Op grond van de Financiële verordening stelt het algemeen bestuur het treausurystatuut vast. De uitvoering van het treasurybeleid en het verrichten van treasury activiteiten, zoals het aangaan van leningen en het uitzettingen van gelden, is aan het dagelijks bestuur gedelegeerd. De concrete uitvoering van het beleid is belegd bij de ambtelijke organisatie volgens het geldende Mandaatbesluit. 4.2Procedures In de beschrijving van de administratieve organisatie in de Financiële verordening zijn procedures opgenomen die nadrukkelijk betrekking hebben op de treasuryfunctie. In deze procedures worden verantwoordelijkheden, activiteiten, bevoegdheden en functiescheidingen tussen besluitvormende, uitvoerende, registrerende en controlerende functies vastgelegd. Daarnaast zijn in het kader van dit treasurystatuut drie (werk)procedures opgesteld: ‘Aangaan van leningen’, ‘Aangaan van kasgeldleningen’ en ‘Uitzetten van gelden’. Deze zijn als bijlage bij dit statuut opgenomen. 4.3Functiescheiding Naast de externe controle aan het einde van het proces door de accountant, vindt ook gedurende het jaar controle plaats naar de uitvoering van de processen, de juistheid en rechtmatigheid. Het grootste deel van de controle vindt dus intern plaats. Om een correcte wijze van interne controle zeker te stellen, moet er sprake zijn van functiescheiding. Door functiescheiding te creëren tussen besluitvormende, registrerende en controlerende functies wordt misbruik zoveel mogelijk voorkomen. Dit betekent dat de medewerkers die belast zijn met de treasury-activiteiten niet betrokken zijn bij de feitelijke administratieve vastlegging en controle. 4.4Mandaten Het algemeen bestuur besluit over het maximale bedrag waarvoor in enig jaar langlopende leningen mogen worden aangegaan en besluit over de maximale rekeningcourantverhouding. Het algemeen bestuur wordt daarbij voorgesteld het dagelijks bestuur te machtigen tot de uitvoering hiervan binnen het gestelde maximum. De concrete invulling hiervan wordt uitgevoerd door de ambtelijke organisatie volgens het geldende Mandaatbesluit en de geldende Regeling budgethouderschap en financieel mandaat. 5.Instrumenten en limieten 5.1Instrumenten Voor het uitvoeren van transacties zijn in het kader van de treasury de volgende instrumenten ter beschikking: Rekening-courantfaciliteiten Kasgeldleningen Vaste geldleningen Uitzettingsvormen (zoals deposito'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.