← Nederland

Omgevingsvisie voor Gemeente Horst aan de Maas (Horst aan de Maas)

/akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR755445 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1507/2020/omgevingsvisie /join/id/stop/work_019 2026-01-14 2026-01-14 /akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR755445/nld@2026-01-15 /join/id/proces/gm1507/2025/OmgevingsvisieHorstaandeMaas25/ 2026-01-15 2026-01-15 /akn/nl/act/gm1507/2020/omgevingsvisie/nld@2026-01-13;dd26e622539f466688971c37ef73b809 /akn/nl/act/gm1507/2020/omgevingsvisie /akn/nl/act/gm1507/2020/omgevingsvisie/nld@2026-01-13;dd26e622539f466688971c37ef73b809 /join/id/stop/work_019 dd26e622539f466688971c37ef73b809 Omgevingsvisie voor Gemeente Horst aan de Maas Omgevingsvisie gemeente Horst aan de Maas 2040 1 Inleiding Intro Voor u ligt de ‘Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040’. Hierin stellen we voor hoe en waar we over 15 jaar wonen, werken, ondernemen, ontmoeten, spelen en recreëren binnen onze gemeentegrenzen. Samen met onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bouwen we aan de toekomst van onze mooie gemeente. Ook het maken van deze ambitieuze toekomstvisie (de omgevingsvisie) doen we samen. 1.1 Wat is een omgevingsvisie? Een omgevingsvisie is een integrale strategische langetermijnvisie voor hoe we omgaan met onze leefomgeving. Als gemeente leggen we in deze visie uit wat onze doelen zijn voor de toekomst. Bijvoorbeeld: Hoe zorgen we voor een gezonde leefomgeving? Waar kunnen we woningen bouwen? Hoe komen we samen tot een toekomstbestendige agrarische sector? Hoe moet onze economie zich ontwikkelen? Hoe willen we dat het landschap er over vijftien jaar uitziet? Een omgevingsvisie is geen concreet plan. Het gaat vooral over onze doelen en ambities en de keuzes die we daarbij maken uitgaande van de bestaande situatie met waardering voor waar we nu staan. De omgevingsvisie is een uitvloeisel van de Omgevingswet. We werken de omgevingsvisie uit in omgevingsprogramma’s, zowel op thema als op gebied. In dit programma staat hoe we bepaalde doelen willen bereiken. Zijn er regels nodig? Dan zetten we die in een omgevingsplan. Zo werken we van globaal en strategisch naar concrete beleidsregels of omgevingsplannen. De omgevingsvisie is bindend voor de gemeente. Als we projecten uitvoeren of een plan van inwoners beoordelen, moeten we rekening houden met de doelen die in de omgevingsvisie staan. Zo zorgen we voor duidelijkheid en richting voor de toekomst. De omgevingsvisie is echter niet in beton gegoten. De gemeenteraad kan de doelen van de omgevingsvisie aanpassen en beslissen om van de doelen af te wijken. Voor inwoners en ondernemers heeft de omgevingsvisie geen directe invloed. Want bestaande rechten in het omgevingsplan (het vroegere bestemmingsplan) worden door een omgevingsvisie niet gewijzigd. Op toekomstplannen van inwoners en ondernemers heeft de omgevingsvisie wel invloed. Initiatieven of wijzigingen moeten passen in de doelen van de omgevingsvisie. In de hoofdstukken 2 en 3 gaan we hier dieper op in. 1.2 Het proces Voordat we aan deze ambitieuze omgevingsvisie begonnen, hebben we eerst gewerkt aan een beleidsneutrale omgevingsvisie. De gemeenteraad van Horst aan de Maas besloot uiteindelijk om deze beleidsneutrale omgevingsvisie niet vast te stellen en gaf het college van burgemeester en wethouders een nieuwe opdracht: ontwikkel een omgevingsvisie met meer ambitie. Daarbij vraagt de raad het college om: Te werken in lijn met de bedoeling van de Omgevingswet (integraal). Met de raad te overleggen over voortgang, inhoud en uitgangspunten van de visie. Inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en ketenpartners actief te betrekken. De omgevingsvisie uiterlijk op 1 januari 2026 voor vaststelling aan de raad voor te leggen. In lijn met deze opdracht is in het hoofdlijnenakkoord afgesproken om een ambitieuze en richtinggevende omgevingsvisie te maken. Daarin staat de ambitie om te werken aan een gezonde en duurzame leefomgeving waarin we gezondheid en welzijn van inwoners, milieu, natuur en het landschap beschermen. De omgevingsvisie laat zien welke kant we op willen met de ruimtelijke en economische ontwikkeling. We maken hierbij keuzes die passen bij onze ambitie: de Gezondste Regio van Europa worden. De lat ligt dus hoog. Waar nodig kiezen we voor strengere doelen dan we wettelijk verplicht zijn. Ook gebruiken we onder andere het voorzorgbeginsel. Dat betekent dat we op tijd proportionele maatregelen nemen om risico’s te beperken. De startnotitie (januari 2023) laat de positie zien van de omgevingsvisie ten opzichte van lopende projecten en actueel beleid. Ook staan alle tussenproducten erin genoemd, net als het plan van aanpak en het proces dat we uitvoeren. Vervolgens stelde de gemeenteraad in juli 2023 de uitgangspuntennotitie vast. Hierin staan de kwaliteiten van Horst aan de Maas beschreven. Deze kwaliteiten vormen een belangrijke basis voor de identiteit van de gemeente. Ook zijn de opgaven in de notitie vastgelegd. In september 2023 zijn we gestart met de gesprekken over Horst aan de Maas

  1. We spraken met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, andere bestuurs-organen, ambtenaren, het college en de raad. Op basis van al deze gesprekken is een koers voorgesteld voor Horst aan de Maas, die de weg naar 2040 uitstippelt en de basis vormt voor verdere uitwerking van de omgevingsvisie. De koers geeft vorm aan het toekomstbeeld voor Horst aan de Maas. In juni 2024 was het concept koersdocument klaar. De omgevingsvisie die u nu in handen hebt, is gebaseerd op eerdere documenten: de startnotitie, de uitgangspuntennotitie (met kaartenatlas), het concept koersdocument en de reacties op deze documenten. Met deze concept omgevingsvisie en de reacties van inwoners en andere betrokkenen die we ophalen tijdens de participatieweek, werken we toe naar de definitieve omgevingsvisie. Participatieproces Bij het maken van deze concept omgevingsvisie hebben we in elke fase samengewerkt met de samenleving. Dit varieert van uitgebreide enquêtes, interviews, groepsgesprekken en werksessies tot bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en ketenpartners, maar ook met de raad, het college en de kinderraad. Het schema hierboven laat zien welke participatiestappen we doorlopen hebben in iedere fase. Meer informatie vindt u op de website www.horstaandemaas2040.nl. Hier staan ook de onderzoeksrapporten van de twee enquêtes. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 staat waar we naar toe willen.Ons leidende principe is brede welvaart en positieve gezondheid. Het is de basis voor alle keuzes die we maken. Andere belangrijke uitgangspunten zijn dat de kwaliteit van het landschap en het bodem- en watersysteem mede sturend zijn voor onze keuzes. We delen de gemeente Horst aan de Maas op basis van gebiedskenmerken in vijf deelgebieden: Natuurgebied De Peel en De Peelbuffer. Recreatielandschap De Peelbergen. Het veelzijdige zandlandschap. Greenport Venlo. Maasgebied: binnen- en buitendijks. In hoofdstuk 3 werken we de visie en de keuzes die daarbij horen, uit. In 4 Visiekaart staat de visiekaart: hierin zijn de belangrijkste keuzes uit hoofdstuk 3 verwerkt. In 5 Relatie met de OER koppelen we onze visie aan de Omgevingseffectrapportage (OER). Daarin wordt uitgelegd wat de effecten van onze keuzes op de leefomgeving zijn. Door deze effecten tijdens het proces al mee te nemen, kunnen we steeds beter onderbouwde keuzes te maken. In 6 Uitvoeringsprogramma geven we een eerste uitleg over het uitvoeringsprogramma. We gaan hier specifiek in op de vraag hoe we de gewenste ruimtelijke koers op de lange termijn kunnen realiseren. Hiervoor maken we gebruik van een aantal hulpmiddelen: omgevingsprogramma’s, het omgevingsplan en een kostenverhaal. In deze ontwerp omgevingsvisie geven we vooral een toelichting op wat we met deze verschillende hulpmiddelen kunnen regelen en hoe we het willen aanpakken. Tot slot volgt 7 Definitielijst met een uitleg van moeilijke en/of vakspecifieke woorden. 1.4 Hoofdgebiedsindeling Hoofdgebiedsindeling Functies We differentiëren per gebied en maken daarin keuzes. Per gebied hebben we bepaald wat daar de belangrijkste en gewenste functies zijn: 1.Natuurgebied De Peel en de Peelbuffer: Natuur/groen Water Cultuurhistorisch landschap Recreatie (extensief) Agrarisch
  2. Toeristisch gebied De Peelbergen: Recreatie (grootschalig) Cultuurhistorisch landschap Agrarisch
  3. Het veelzijdige zandlandschap: Wonen in de dorpen Agrarisch Natuur/groen Cultuurhistorisch landschap Recreatie (kleinschalig) Water (in de beekdalen)
  4. Greenport Venlo: Economie Agrarisch Landschap en natuur
  5. Maasgebied: Binnendijks: Wonen in de dorpen Agrarisch Natuur/groen Cultuurhistorisch landschap Recreatie (kleinschalig) Buitendijks: Water (hoogwaterveiligheid) Natuur/groen Cultuurhistorisch landschap Agrarisch Recreatie (extensief) Brede welvaart en Positieve gezondheid in de Gezondste regio Brede welvaart Brede welvaart is een maatstaf – gemeten door het CBS – voor welvaart. Brede welvaart omvat meer dan alleen economie en inkomen. Het gaat ook over de gezondheid, het onderwijsniveau en het gevoel van veiligheid van mensen. En om zaken als de hechtheid van de samenleving, de toegankelijkheid van voorzieningen, de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving en vele andere aspecten die het leven en welzijn van mensen beïnvloeden. Elk jaar publiceert het CBS de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals. De Monitor kijkt niet alleen naar het niveau van de Brede welvaart ‘hier en nu’ (en is daarmee voor ons een waardevolle benchmark-tool), maar ook in hoeverre dit welvaartsstreven een druk legt op volgende generaties in Nederland (Brede welvaart ‘later’) en op andere landen (Brede welvaart ‘elders’). Positieve gezondheid in de Gezondste Regio Positieve gezondheid is een bredere kijk op gezondheid. Het gaat om meer dan alleen ‘niet ziek’ zijn. Bij Positieve gezondheid ligt het accent op mensen zelf, op hun veerkracht en op wat hun leven betekenisvol maakt. Positieve gezondheid kent zes dimensies:
  6. Lichaamsfuncties
  7. Zingeving
  8. Mentaal welbevinden
  9. Kwaliteit van leven
  10. Meedoen
  11. Dagelijks functioneren Met die brede kijk dragen we bij aan het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Én om zo veel mogelijk eigen regie te voeren. 2 Hier gaan we voor Onze Ambitie In 2040 zijn we een groene, gezonde woongemeente met een duurzame, schone en innovatieve economie en agrarische sector, een herkenbaar en aantrekkelijk landschap en een sterk recreatief profiel. Gezondheid, veiligheid, groen, economie en wonen zijn belangrijk voor de toekomst van onze gemeente. Ze horen bij onze cultuur en identiteit, en dragen bij aan de welvaart en kwaliteit van onze woon- en leefomgeving. Twee principes helpen ons bij het creëren van een gezonde leefomgeving: Brede welvaart (kwaliteit van leven bevorderen van de inwoners). Positieve gezondheid (zes dimensies gericht op welbevinden van de mens). In Horst aan de Maas is de brede welvaart relatief hoog. We hebben een goede basiskwaliteit van wonen, leven en werken en veel mensen zijn daar ook tevreden over. Om dit zo te houden in de toekomst moeten we keuzes maken, die we in deze Omgevingsvisie verder uitwerken en toelichten. 2.1 Wonen ondernemen en gezonde leefomgeving zijn in balans Ons leidende principe is dat wonen, ondernemen en een gezonde leefomgeving in balans zijn. Op gemeentelijk niveau zie je dat terug in de aspecten van brede welvaart. En voor de inwoners voelt het als positieve gezondheid. Bij het maken van ruimtelijke keuzes denken we vanuit onze inwoners en versterken we de totale kwaliteit van leven. Dit gaat niet alleen over de economie, maar ook de gezondheid, het onderwijsniveau, de hechtheid van de samenleving, de toegankelijkheid van voorzieningen en veel andere aspecten. Als we brede welvaart als uitgangspunt gebruiken, werken we beter samen op al deze punten. Het gedachtegoed van positieve gezondheid is gebaseerd op hoe iemand hun eigen gezondheid beleeft. Daar past de volgende omschrijving goed bij: ‘Dit is van veel factoren afhankelijk: hoe iemand zich voelt in de buurt, of er regie over het eigen leven is, of een mens zich eenzaam voelt, of iemand lichamelijk actief is of niet, en wat de eet- en drinkgewoontes zijn.’ (Slimme en gezonde stad, Huber et al., 2011). Naast factoren van binnenuit (biologische factoren, gedrag en leefstijl), hebben ook factoren van buitenaf (gezonde leefomgeving) effect op het welbevinden van onze inwoners. We werken aan een gezonde leefomgeving door zowel de fysieke ruimte als de sociaaleconomische situatie goed op elkaar af te stemmen. Effect op ruimtelijke keuzes Brede welvaart en positieve gezondheid zijn overkoepelende thema’s die invloed hebben op andere onderwerpen in onze leefomgeving. De Omgevingswet helpt ons om bij elke keuze te denken aan het welzijn van onze inwoners. Zo bepaalt de wet bijvoorbeeld mee waar we gaan wonen en werken. Bij het inrichten van de fysieke leefomgeving letten we op gezond gedrag, ontmoetingen, veiligheid, goede toegankelijkheid en aanpassing aan het klimaat. Ook letten we bijvoorbeeld op betaalbaarheid, energiezekerheid en het slim inrichten van het energiesysteem. Bij (her)ontwikkelingen zoeken we altijd naar manieren om de leefomgeving gezonder te maken. We werken aan een duurzame economie en bouwen op een duurzame manier. Zo kunnen we functies in de toekomst beter combineren. Bij energie zijn betaalbaarheid, energiezekerheid en onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen belangrijk. Soms kiezen we ervoor om functies duidelijker van elkaar te scheiden. Dat zorgt voor een gezondere leefomgeving voor onze inwoners. Een gezonde leefomgeving komt terug in: Kernrandzone (zie 3.1.1). Toekomstige woningbouwlocaties (zie 3.1.2). De inrichting van de openbare ruimte (3.1.3). Het stimuleren van fietsen en wandelen (3.1.4). De kernrandzone rond dorpen (3.1.5). Een gezondere en veiligere leefomgeving (3.1.6). Bereikbaarheid en nabijheid voorzieningen (3.2.6). Duurzame en circulaire bedrijventerreinen (3.3.4). 2.2 Water en bodem worden mede sturend We houden rekening met het water- en bodemsysteem, nu en in de toekomst. Niet om woningbouw of economie te beperken, maar om de beste locaties te bepalen. Zo kunnen we beter omgaan met extremen in neerslag en droogte. Dit voorkomt schade en zorgt voor een gezondere leefomgeving en met meer biodiversiteit. In de afgelopen eeuw hebben we de natuurlijke omgeving aangepast aan wat wij nodig hadden. Dat deden we met technische oplossingen, zowel in de stad als in landelijke gebieden. Hierdoor werd de agrarische sector minder afhankelijk van de bodem. In de toekomst willen we de meest vruchtbare grond blijven gebruiken voor grondgebonden landbouw, zodat we deze duurzaam kunnen behouden. Het bodemsysteem speelt hierin een mede sturende rol. Tegelijk weten we dat voor agrariërs ook andere criteria (mede) sturend zijn zoals de beschikbaarheid van water of arbeidskrachten. Water- en bodemsysteem komt terug in: Toekomstige woningbouwlocaties (zie 3.2.6). Toekomstperspectief voor agrariërs (zie 3.4.3). De inrichting van beekdalen, natte natuurparels, Maasuiterwaarden en natuurbuffers (zie 3.7). De kwaliteit van water en bodem (zie 3.7). 2.3 Kwaliteit landschap wordt mede sturend Ons gevarieerde en waardevolle landschap is belangrijk voor wonen, recreatie, biodiversiteit en het welzijn van onze inwoners. Landschappen, cultuurhistorisch erfgoed en de natuur dragen sterk bij aan brede welvaart in onze gemeente. We willen deze landschappen op de lange termijn sterk en herkenbaar te houden. Daarom houden we hier rekening mee bij nieuwe plannen voor de inrichting. De kwaliteit van het landschap komt terug in: Toekomstige woningbouwlocaties (zie 3.2.6). De ruimtelijke randvoorwaarden bij groei en doorontwikkeling van de agrarische sector (3.4.3). Wisselwerking recreatie en landschap (3.5). Herkenbare landschappen (3.6). De inrichting van beekdalen, Maasuiterwaarden en natuurbuffers (3.7). Duurzame bedrijventerreinen (zie 3.3.4). Gebiedsgerichte aanpak Met een gebiedsgerichte aanpak zoals Gedeelde Peel pakken we meerdere (sectorale) opgaven tegelijk aan. Vaak hangen deze opgaven met elkaar samen en hebben ze invloed buiten het eigen gebied. De specifieke kernkwaliteiten van een gebied zijn in belangrijke mate sturend en vormen het vertrekpunt voor de keuzes die we maken en uitwerken in omgevingsprogramma’s. 2.4 Samenvatting In deze omgevingsvisie laten we zien waar we naar toe willen. We vertellen wat we willen bereiken en waarom. Als gemeente kunnen en willen we dat niet alleen doen. Ook bedrijven en inwoners moeten meedoen om deze visie mogelijk te maken. De gemeente helpt mee om deze omgevingsvisie uit te voeren, vanuit verschillende rollen. We stimuleren, regisseren, bieden perspectief, stellen regels, handhaven die regels en volgen ook de initiatieven van anderen. In nog te bepalen en op te stellen omgevingsprogramma’s werken we samen met partijen uit hoe we onze doelen willen bereiken. Daarbij kijken we goed naar wat haalbaar en uitvoerbaar is. Voorbeelden van gebiedsgerichte programma’s zijn Vitaal platteland of Herstructurering bedrijventerreinen. Voorbeelden van thematisch gerichte programma’s zijn het Volkshuisvestingsprogramma of het Energie en duurzaamheidsprogramma. De kern van onze keuzes in deze omgevingsvisie: We ontwikkelen en verbeteren een gezonde leefomgeving, met aandacht voor de verschillen per gebied. We concentreren wonen in en rondom de kernen, zodat die vitaal blijven. We stimuleren kwalitatieve economische groei. We bieden een toekomstperspectief voor agrariërs en daaraan gerelateerde bedrijvigheid. We versterken het profiel van onze vrijetijdseconomie (VTE). We versterken groen-blauwstructuren binnen en buiten de kernen, en vooral rond natuur(gebieden). We ontwikkelen en verbeteren een gezonde leefomgeving, we differentiëren per gebied. Rondom de dorpskernen stimuleren en versterken we de gezonde leefomgeving. Ontwikkelingen die bijdragen aan een gezondere leefomgeving, benaderen we positief. Een gezonde leefomgeving is groener, biodivers en nodigt uit om te bewegen en te recreëren. Er is ruimte voor ontwikkeling van bedrijven als dit bijdraagt aan de gezonde leefomgeving. We willen wonen concentreren in en rondom de kernen, die we vitaal willen houden. Dat doen we door het inbreiden en uitbreiden van de woonkernen met verschillende soorten woningen die passen bij de lokale vraag. We houden met de woningbouwopgave ook rekening met de druk op de lokale woningmarkt die we reeds ervaren van de regio Eindhoven en Nijmegen. We gaan ook gestapeld bouwen, maar wel op een manier die past bij het dorpse karakter. Zo zorgen we voor meer variatie in aanbod, en houden we meer ruimte om in de openbare ruimte te vergroenen en water op te vangen. Een groene openbare ruimte stimuleert ook bewegen en ontmoeten. Zorg en voorzieningen willen we zoveel mogelijk in de dorpskernen houden. Als het nodig is voor de kwaliteit, brengen we voorzieningen samen op één plek. We stimuleren kwalitatieve economische groei. We richten ons vooral op lokale bedrijven. Belangrijke pijlers zijn de agribusiness (agrofood en agrotech) en de vrijetijdseconomie (VTE). De zorg is een groeiende sector die we vooral in de dorpskernen ruimte geven. Veel sectoren kunnen niet zonder arbeidsmigranten. Daarom blijft dit een belangrijk aandachtspunt. Als gemeente gaan we deze ambitie verder uitwerken in een omgevingsprogramma waarbij we bedrijven en inwoners zoveel mogelijk betrekken. De ruimte voor nieuwe bedrijventerreinen is beperkt. Op de Klavers zijn nog mogelijkheden in de periode dat deze omgevingsvisie loopt. We willen dat bedrijven duurzamer en meer circulair gaan werken. Energie speelt daarbij een grote rol. Met deze vraagstukken bij elkaar is het logisch om een integrale aanpak voor bedrijventerreinen op te zetten. Dit doen we samen met de sector en werken we uit in een omgevingsprogramma. Het OV-knooppunt rondom station Horst-Sevenum willen we versterken door de leer-werk-leefomgeving verder te ontwikkelen. We willen toekomstperspectief voor agrariërs. De agribusiness is van vroeger uit een belangrijke sector voor de gemeente Horst aan de Maas. We zetten in op een diverse en toekomstbestendige agrarische sector. Waar mogelijk sluiten we kringlopen, werken we aan verduurzaming en zorgen we voor minder uitstoot. We geven ruimte voor intensiveren door op andere plaatsen te extensiveren. Heel veel initiatief ligt ook bij de sector zelf. Als gemeente werken we dit samen uit met de sector in (bouwsteen van) een omgevingsprogramma. We willen ons profiel van vrijetijdseconomie (VTE) versterken. Toerisme voor mensen die plezier zoeken richten we vooral op het gebied De Peelbergen. Voor de rustzoekers zetten we in op spreiding van activiteiten en mogelijkheden. Hierbij benutten we een belangrijke kwaliteit van Horst aan de Maas: de veelheid aan (cultuurhistorische) waardevolle landschappen. We zorgen dat de mooie omgevingen toegankelijk zijn en uitnodigen tot bewegen en beleven. Groen en duurzaam Horst aan de Maas. Water- en bodemkwaliteit zijn belangrijk. Zonder schoon water en een gezonde bodem gaat de natuur en de biodiversiteit achteruit, wordt het milieu slechter en landbouw steeds moeilijker. We zorgen ervoor dat de juiste functies op de juiste en meest logische plek komen. In gebieden zoals De Peelen langs de beeklopen willen we de natuur versterken. Bij De Peel ligt een natuurbuffer die helpt om de natuur en de gezonde leefomgeving te verbeteren. Recreatie in natuurgebieden spreiden we zoveel mogelijk. Recreantenstromen sturen we met behulp van de Eikpunten en routestructuren. In 2050 is Horst aan de Maas klimaatneutraal en klimaatbestendig. We wekken lokaal zonne-energie op en zorgen dat opwek, opslag, omslag en gebruik slim op elkaar zijn afgestemd. Mobiliteit is groener: mensen kiezen vaker voor de fiets, lopen of het openbaar vervoer. Zo groeit de gemeente richting een toekomst waarin leefbaarheid, natuur en duurzaamheid elkaar versterken. Mobiliteit op orde In 2040 is Horst aan de Maas een gemeente waar je veilig en prettig van A naar B komt. De wegen zijn overzichtelijk. Mensen voelen zich veiliger in het verkeer, of ze nu lopen, fietsen, met de bus gaan of de auto pakken. Voorzieningen – zoals winkels, scholen en zorg – zijn goed bereikbaar. Daardoor is er in en rondom de dorpen een goede balans tussen bereikbaarheid en leefbaarheid. Visiekaart 3 Toelichting en uitwerking van onze visie Intro In dit hoofdstuk leggen we onze visie uit per thema. Hoewel we dit hoofdstuk per thema hebben opgebouwd houden we ook rekening met de integrale aanpak per gebied. In hoofdstuk 2 beschreven we onze ambitie. Daar horen keuzes bij. In dit hoofdstuk laten we zien wat die keuzes zijn en hoe we die willen uitvoeren. 3.1 De leefomgeving is gezond en veilig Ambitie/doel In 2040 is Horst aan de Maas een gezonde en veilige gemeente. Iedereen kan er wonen, werken, ondernemen, sporten, bewegen, spelen en recreëren in een prettige en veilige omgeving. We maken de gemeente groener en leggen extra waterbergingen aan. Zo worden we klimaatbestendiger. We bevorderen brede welvaart en positieve gezondheid, en zorgen voor een veilige leefomgeving. Daarbij kijken we naar wat mensen wél kunnen, ook bij een beperking. We kiezen voor multifunctionele beweegplekken, een groene dooradering van de verschillende kernen en een veelzijdig aanbod van sport en bewegen. In 2040 zijn er zestien vitale kernen met een sterke sociale basis. Dit betekent onder andere dat we een goede samenwerking hebben met zorgverleners en maatschappelijke organisaties en dat er laagdrempelige voorzieningen zijn. Op deze manier zijn hulp en zorg beschikbaar in de hele gemeente. Ook is het belangrijk dat iedereen kan meedoen en dat er in elk dorp ruimte is om elkaar te ontmoeten. We zijn ervan overtuigd dat een veelzijdig aanbod nieuwe sociale verbanden oplevert (die bestaande netwerken aanvullen, verbinden en in stand houden), langer leven van ouderen in een goede gezondheid bevordert, en verveling, eenzaamheid en overlast tegengaat. Deze voorzieningen zorgen er ook voor dat jongeren in de kernen blijven wonen, wat uiteindelijk de leefbaarheid verder vergroot. Een uitnodigende en toegankelijke openbare ruimte draagt bij aan de sociale veiligheid en daarmee ook aan een veilige leefomgeving. Wat willen we bereiken? Nieuwe woongebieden op gezonde en veilige plekken. Meer ruimte voor groen, mogelijkheden om te bewegen en ruimte voor ontmoeting in de dorpen. Fietsen en wandelen in de dorpen en tussen de dorpen en natuurgebieden stimuleren. kernrandgebied rond dorpen voor gezondheidsbevordering, gezondheidsbescherming en vermindering van gezondheidsrisico’s. Gezondere en veiligere leefomgeving: - Schone bedrijfsvoering bij bedrijven. - Veilige schoolroutes.- We passen de kernwaarden van veiligheid toe. Positieve gezondheid en beweging 3.1.1 Kernrandzones waar de gezonde leefomgeving verbetert Zoals we in hoofdstuk 2 hebben gezegd, zijn brede welvaart en positieve gezondheid onze leidende principes. Daarom nemen we deze altijd mee bij keuzes over onze fysieke leefomgeving. In een aantal gebieden vinden we een gezonde en groene leefomgeving extra belangrijk. Deze gebieden zijn gemarkeerd op de kaart. Rondom de dorpen komen kernrandzones en rond de kwetsbare natuurgebieden als natuurbuffers (Zie 3.1.5 en 3.7 voor meer uitleg). We beperken mogelijke negatieve gezondheidseffecten op het gebied van milieu. In de kernrandzones, dus in een straal van 250 meter rond de dorpen, staan we geen nieuwe plannen toe die schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit betekent dat we hier geen nieuwe intensieve veehouderijen (zoals varkens-, pluimvee- of rundveebedrijven) toestaan. Inbreiding van intensieve veehouderijen mag binnen bestaande rechten en als de gezonde leefomgeving verbetert. Voor geitenhouderijen houden we 2 kilometer afstand aan, zoals geadviseerd door de GGD in
  12. We maken de leefomgeving gezonder. In de kernrandzones zorgen we net als in de dorpen voor meer groen, ruimte om te bewegen en plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Deze kernrandzones kunnen bijvoorbeeld de volgende functies hebben: Ecologisch: Ze zijn goed voor planten en dieren en verbinden verschillende ecosystemen. Sociaal-economisch: Ze bieden ruimte voor recreatie, landbouw en andere menselijke activiteiten zonder de kerngebieden te overbelasten. Duurzaam: Ze worden zo ingericht dat mens en natuur er ook in de toekomst goed kunnen leven. 3.1.2 Nieuwe woongebieden op gezonde en veilige plekken Als we nieuwe woongebieden bouwen, doen we dat op plekken die gezond en veilig zijn. Dat betekent weinig of geen milieubelasting in de buurt. We zorgen dat wonen gescheiden blijft van activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Denk aan grote bedrijven met veel uitstoot, drukke wegen en intensieve veehouderijen. Ook houden we afstand van veiligheidsrisico’s zoals het buisleidingentracé en hoogspanningsleidingen. We bouwen liever niet in waterrijke gebieden. Als dat toch nodig is, dan weren we dat verder uit in de omgevingsprogramma’s. 3.1.3 Meer ruimte voor groen, bewegen en ontmoeten in de dorpen In onze dorpen maken we ruimte voor gezondheid. Dat doen we door te zorgen voor meer en beter groen, voor plekken om te bewegen en om elkaar te ontmoeten. Het onderdeel ‘ruimte voor ontmoeting’ komt ook terug in hoofdstuk 3.2 ‘Woningen en voorzieningen naar behoefte’ waar we het verder toelichten. Meer en kwalitatief beter groen We zorgen voor meer en biodivers groen in onze dorpen. Dat draagt bij aan klimaatadaptatie én aan positieve gezondheid. Dit doen we in de openbare ruimte, maar we moedigen inwoners ook aan om hun eigen tuin te vergroenen. Groen in de bestaande buurten gebruiken we slim. Het is niet alleen mooi, maar ook functioneel: je kunt er spelen, bewegen of mensen ontmoeten. Ook helpt het bij het opvangen van regenwater en het verbeteren van biodiversiteit. Ecologisch maaibeheer (gras en planten anders maaien) draagt daar ook aan bij. In de grotere dorpen zorgen we voor een groenblauwe dooradering, waarbij we het in de wijken verbinden met het groen in het buitengebied. We maken richtlijnen zodat er in de dorpen voldoende verkoeling en groen is. In de kleinere dorpen is het buitengebied altijd dichtbij. Ook daar zorgen we ervoor dat nieuwe woningbouwprojecten ruimte bieden voor openbaar groen en waterberging. Veel gemeentes gebruiken als regel dat minimaal 10% van het projectgebied groen moet. We onderzoeken welke verschillende landelijke groen-richtlijnen het best aansluiten bij de bestaande en nieuwe gebieden in onze gemeente. Per situatie bekijken we wat minimaal nodig is, maar waar het kan, gaan we altijd voor een maximale groeninvulling. Horst aan de Maas wil hierin vooroplopen. In het omgevingsprogramma groen-blauw-klimaat werken we de ambitie verder uit. Ruimte om te bewegen Als we het openbaar groen inrichten, zorgen we dat mensen er makkelijk kunnen bewegen. Want beweging is goed voor de positieve gezondheid. We maken het groen daarom aantrekkelijk voor allerlei vormen van bewegen: spelen, sporten, leren, wandelen en fietsen. Beweging kan sportief zijn, maar ook functioneel. Denk aan lopen of fietsen naar de winkel, school of het werk. 3.1.4 Stimuleren fietsen en wandelen in de dorpen en tussen de dorpen en natuurgebieden Auto’s blijven welkom in wijken en dorpen, maar we geven meer ruimte aan fietsers en wandelaars. Zo stimuleren we actieve en duurzame mobiliteit. We gebruiken daarbij het STOMP-principe. Dat betekent dat wandelen (stappen) het belangrijkste is, daarna fietsen (trappen), daarna openbaar vervoer, dan deelvervoer, en als laatste de eigen auto. Bij nieuwe ruimtelijke projecten krijgen voetgangers en fietsers de belangrijkste plek. Ook als we wegen in dorpen opnieuw inrichten, doen we dat met het oog op een veilige en fijne omgeving voor fietsers en voetgangers. 3.1.5 Zwaar verkeer uit de dorpen Zwaar verkeer, zoals vracht- en agrarisch vervoer, leiden we waar dat kan om de kernen heen. Hoe dit gebeurt en welke maatregelen worden toegepast, wordt nader onderzocht. 3.1.6 Kernrandzone rond dorpen We willen dat onze inwoners gezond kunnen leven. Daarom maken we rond de dorpen meer ruimte voor groen, ontmoeten, sport en bewegen. De gebieden rond de dorpen worden al veel gebruikt voor wandelingen en andere activiteiten. Er waren al verschillende functies aanwezig. En door het afnemen van het aantal bedrijven zijn er in het verleden verschillende nieuwe functies in de dorpsranden bijgekomen. In de toekomst zien we hier nog meer mogelijkheden. Denk aan recreatie, zorg, kleinschalige bedrijven en extra woningen. Deze functies passen goed bij het buitengebied en verhogen de kwaliteit van wonen. In de kernrandzones komen de kernen en het land in de toekomst nog meer bij elkaar. We willen ook dat in deze zone de luchtkwaliteit beter wordt. Dat betekent niet dat functies zich niet verder kunnen ontwikkelen. Wel vragen we bedrijven die bijvoorbeeld geur of fijnstof uitstoten om deze uitstoot te verlagen als ze willen uitbreiden. Zo zorgen we samen voor een steeds gezondere lucht. De kernrandzones vormen een gebied van ongeveer 250 meter rond de kernen. Het gaat om gebieden waar een mix aan functies bestaat of waar we dat graag zouden willen. Het is daarbij belangrijk dat bestaande functies niet belemmerd worden door nieuwe activiteiten zoals wonen, zorg of recreatie. 3.1.7 Gezondere en veiligere leefomgeving Bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen kijken we steeds hoe we de leefomgeving gezonder en veiliger kunnen maken. Hierbij richten we ons op luchtkwaliteit, geluidsoverlast, trillingen, bodem- en waterkwaliteit en op sociale en fysieke veiligheid. In de kernrandzones handhaven we milieucategorie 1 en 2 (zie definitielijst). Daarnaast beoordelen we nieuwe initiatieven van bedrijven individueel. Schone Lucht Akkoord We zijn als gemeente aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord. Dit betekent dat we actief werken aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het bereiken van gezondheidswinst. Volgens de GGD zijn de belangrijkste veroorzakers van luchtverontreiniging de agrarische sector, verkeer en houtstook. In het project ‘Grenzeloos meten’ en het vervolg hierop, wordt daar onderzoek naar gedaan. Om de luchtkwaliteit en de volksgezondheid in Horst aan de Maas te verbeteren, moeten we de uitstoot uit deze bronnen verminderen. Veilige schoolroutes Kinderen moeten veilig naar school kunnen fietsen. Daarom zorgen we ervoor dat in 2040 de belangrijke schoolroutes bestaan uit vrij liggende en/of afgeschermde fietspaden en rustige wegen zonder landbouwverkeer en vrachtverkeer naar bedrijven. We hebben deze plannen uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma van het Mobiliteitsprogramma 2025-
  13. Mobiliteit en bereikbaarheid van het gebied de Peelbergen op orde De Peelbergen is een gebied met grote recreatieve trekkers als Attractiepark Toverland, Grandorse (grote paardenevenementen) en de grote verblijfrecreatieparken van Center Parcs (Meerdal en Limburgse Peel) en Landal (Schatberg). Het gebied is bereikbaar via de Middenpeelweg. We zetten in op actieve mobiliteit en openbaar vervoer voor de bezoekers. Zo zorgen we ervoor dat het NS-station Horst-Sevenum geschikt is voor openbaar vervoer naar De Peelbergen. We verbeteren en vergroten het aanbod aantrekkelijke fiets- en wandelroutes. En we ondersteunen de bezoekersaanpak van Trendsportal zodat meer van onze bezoekers met de bus of fiets naar De Peelbergen komen. Voor de bereikbaarheid van Toverland en de omgeving zijn waarschijnlijk ook aanpassingen aan de infrastructuur nodig. Wij zetten als gemeente Horst aan de Maas in op actieve mobiliteit en openbaar vervoer voor de bezoekers. Wat doen we om dit te bereiken? We leggen extra wandel-, sport- en speelroutes aan in de zones rond de dorpen. Nieuwe bedrijven met een hoge milieubelasting laten we niet toe. Bedrijven die willen groeien, proberen we te laten verhuizen naar een bedrijventerrein. We bieden mogelijkheden voor hergebruik op vrijkomende (agrarische) bedrijfsbebouwing voor nieuwe functies (bijvoorbeeld wonen, werken, zorg en recreatie), en werken dit uit in VAB-beleid. Voor veehouderijen die de gezondheid van omwonenden beïnvloeden, zoeken we naar alternatieven. We stimuleren innovatieve oplossingen die de gezonde leefomgeving verbeteren. We onderzoeken waar belangrijke verbindingen of veilige oversteekplaatsen ontbreken. Die verbeteren we, zodat mensen meer gaan wandelen en fietsen. We verbeteren de luchtkwaliteit door in te zetten op verduurzaming van de agrarische sector (met name de veehouderijen), verkeer en bedrijventerreinen en het verminderen van fijnstofuitstoot door houtstook. Bij nieuwe plannen gebruiken we de ‘Kernwaarden voor veiligheid’. Zo zorgen we dat veiligheid altijd goed wordt meegewogen in de besluitvorming. Integrale veiligheidsplan In het integraal veiligheidsplan staat hoe we zorgen voor een veilige een woon- en leefomgeving in Horst aan de Maas. We werken aan vier pijlers:
  14. Algemene veiligheid
  15. Ondermijning
  16. Kwetsbare groepen
  17. Rampenbestrijding en crisisbeheersing Voor deze pijlers hebben we strategische en operationele doelen opgesteld. Ook hebben we beschreven welke inspanningen we op hoofdlijnen leveren om (on)veiligheid te analyseren en te monitoren, risico’s te signaleren en onveiligheid aan te pakken. In deze visie komt veiligheid op verschillende vlakken terug. Veiligheid bestaat uit fysieke onveiligheid (bedreigingen door ongevallen) en sociale onveiligheid (dreiging door criminele handelingen). We meten veiligheid aan de hand van objectieve veiligheid (frequentie van incidenten) en subjectieve veiligheid (hoe bedreigd mensen zich voelen). De Omgevingswet wil een gezonde én veilige fysieke leefomgeving. Daarbij voorkomen en beperken we risico’s en houden we rekening met de zelf- en samenredzaamheid van de burgers. Als zich toch een incident voordoet, is het belangrijk dat de hulpdiensten hun werk kunnen doen en dat de burgers bekend zijn met de risico’s en weten wat ze moeten doen. Om een veilige leefomgeving te creëren gebruiken we vier kernwaarden voor veiligheid: a. Veiligheid is onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving; b. We werken samen aan een veilige fysieke leefomgeving; c. We gebruiken de volgende ontwerp-principes voor veiligheid:
  18. Voorkomen of beperken van risico’s vergroot de veiligheid;
  19. Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid;
  20. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming;
  21. Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten;
  22. De omgeving maakt snel en effectief ingrijpen van de hulpdiensten mogelijk;
  23. Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. d. Mensen zijn bekend met risico’s en weten wat ze kunnen doen. Meer informatie over de risico’s in onze regio staat in het risicoprofiel van Veiligheidsregio Limburg-Noord: www.vrln.nl/risicoprofiel 3.2 Woningen en voorzieningen naar behoefte Intro We zijn bouwkoploper van de provincie Limburg en we doen ons best doen om die positie vast te houden. Daarvoor moeten we wel keuzes maken. Want het is niet alleen uitdagend om voldoende woningbouwlocaties te vinden, we moeten ook nog de juiste woningen bouwen. Daarbij letten we op sociale cohesie, klimaatadaptatie en de energietransitie, en mensen en gemeenschappen elkaar hierin helpen. Bij alle bouwactiviteiten zijn de woonwensen en behoeften van onze inwoners belangrijk. De grootste uitdaging is betaalbaarheid. Maar we houden ook rekening met ruimtedruk en de ruimtelijke kwaliteit in de keuzes die we maken. Het karakter van ons landschap en onze dorpen verliezen we daarbij niet uit het oog. Ambitie/doel In 2040 hebben we voldoende woningen gebouwd en bestaande woningen aangepast. Hierdoor sluit het aanbod aan op de demografische veranderingen, veranderingen in de samenstelling van huishoudens en de woningbehoefte in de dorpen. We zorgen dat inwoners in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen in elke fase van hun leven. Zo behouden we de sociale cohesie. Ook huisvesten we nieuwe inwoners die naar onze gemeente komen vanwege werkgelegenheid in de regio en het prettige woonklimaat. Door extra woningbouw op goed bereikbare plekken hebben we de druk op de woningmarkt én op het wegennet beperkt. Het woningaanbod is duurzaam, van hoge kwaliteit en er is wat te kiezen. Mede door de groei naar behoefte zijn in 2040 de basisvoorzieningen in de dorpen blijven bestaan. Maatschappelijke voorzieningen, sport en cultuur zijn belangrijk voor de dorpen en hun identiteit. We zorgen dat deze voorzieningen beschikbaar zijn voor jong en oud, waar nodig worden gebundeld, zodat ze goed bereikbaar blijven, en van hoge kwaliteit zijn. Daarnaast heeft elk dorp minstens één fijne plek om elkaar te ontmoeten, dankzij investeringen in de openbare ruimte. Zo blijven onze dorpen leefbaar, sociaal en aantrekkelijk voor iedereen. Wat willen we bereiken? We vangen primair de eigen woonbehoefte op en houden rekening met de regionale woningdruk. Evenwichtige verdeling van woningen over de kernen, met een plus in centrumkernen. We bieden een gevarieerd woningaanbod. We bouwen de juiste woning op de juiste plek: - ruimte voor gestapelde bouw en groene nieuwe woonwijken- minder fraaie plekken en ongewenste functies transformeren. We zorgen voor ontmoetingsplekken in de dorpen en wijken. We houden voorzieningen goed bereikbaar Uitgangspunten woningbouw 3.2.1 We vangen de eigen woonbehoefte en regionale woningdruk op De druk op de Nederlandse woningmarkt is groot, ook in onze gemeente. In elke dorpskern is er behoefte aan nieuwe woningen. Tegelijkertijd ervaren we dat onze gemeente vanwege de prachtige omgeving en gunstige ligging aantrekkelijk is voor mensen uit de regio. Het aantal inwoners groeit als gevolg van binnenlandse (Woningzoekende uit Venlo, Eindhoven, Arnhem-Nijmegen) en buitenlandse (denk aan arbeidsmigratie) migratie. Bij het bepalen van de woningbouwopgave houden we hier rekening mee, we willen zorgen dat er genoeg woningen gebouwd worden zodat onze eigen inwoners een plek hebben om te wonen. Stedelijke druk vanuit regio’s Venlo, Eindhoven en Arnhem-Nijmegen De Metropoolregio Eindhoven (MRE) en Stadsregio Arnhem-Nijmegen groeien snel. Tot 2040 worden naar verwachting zo’n 73.000 nieuwe woningen gebouwd. Ook de gemeente Venlo wil flink uitbreiden. Deze groei heeft directe gevolgen voor de bevolking en leefbaarheid in de regio en daarbuiten. Zo ziet de gemeente Deurne de impact nu al en houdt rekening met extra woningbouw. Als gemeente Horst aan de Maas is het belangrijk om deze ontwikkelingen goed te volgen en op tijd in actie te komen. Daarbij werken we samen met andere peelgemeenten. We zetten ons in om plattelandsgemeenten vitaal en leefbaar te houden, zodat het er goed wonen en verblijven is. 3.2.2 Evenwichtige verdeling van woningen over de kernen, met extra groei in centrumkernen We willen dat zo veel mogelijk inwoners in hun eigenkern kunnen (blijven) wonen. Daarom spreiden we de woningopgave eerlijk over al onze kernen. Dit zorgt ervoor dat starters in hun eigen dorp een eerste woning kunnen kopen en dat ouderen er kunnen blijven wonen. Met deze verdeling groeien we op een manier die past bij de grootte en het karakter van elk dorp. Zo versterken we ook de sociale cohesie, houden we voorzieningen in stand en ondersteunen we het verenigingsleven. Voor het deel van de woningbouw dat we extra realiseren (om te voldoen aan de regionale vraag), bouwen we vooral in een aantal centrale kernen. Ook kiezen we ervoor om wonen met zorg te combineren in grotere kernen, waar die voorzieningen beter beschikbaar zijn. We zetten vooral in op extra groei in de volgende kernen: Horst en omgevingHorst is de grootste kern waar we de regionale woningdruk willen opvangen. Dit is onze meest centraal gelegen kern, die goed bereikbaar is via de snelweg en het spoor. Bovendien heeft Horst het meest uitgebreide voorzieningenniveau. Met extra woningbouw kunnen we de centrumfunctie van Horst verder uitbouwen. Uiteindelijk willen betere bereikbaarheid en dat kunnen we het beste doen door de grootste groei te concentreren. Omdat we kiezen voor een gezonde leefomgeving zien we de grootste kansen voor woningbouw rondom Horst, Meterik en Hegelsom. SevenumSevenum is eveneens een centrumdorp, maar wordt omringd door waardevolle landschappen en beekdalen. Er zijn hier minder mogelijkheden voor uitbreiding, maar de mogelijkheden die er zijn, willen we benutten. 3.2.3 Een gevarieerd woningaanbod In de toekomst willen we een gevarieerd aanbod van woningen. Dat betekent woningen voor verschillende financiële mogelijkheden, huishoudengroottes en woonwensen. Zo zorgen we ervoor dat iedereen in Horst aan de Maas een passende woning kan vinden – in elke levensfase. We bouwen: Voor ouderen die willen doorstromen naar een kleinere of gelijkvloerse woning. Voor jongeren die zelfstandig willen wonen. En voor mensen met een zorgbehoefte. We willen dat inwoners in hun eigen dorp of buurt kunnen blijven wonen, ook als hun situatie verandert. Zo blijven families en buren in de buurt van elkaar en blijft de sociale cohesie sterk. We streven naar: 30% sociale huurwoningen in nieuwbouw. 37% betaalbare koop- of middenhuurwoningen. De rest als vrije sector. We monitoren actief of het woningaanbod blijft aansluiten bij de behoeften van onze inwoners. Variatie gaat niet alleen over welke woningen we bouwen, maar ook waar en hoe we ze bouwen. Daarom kiezen we minder vaak voor grondgebonden koopwoningen en juist meer voor nultredenwoningen (levensloopbestendig) en betaalbare, kleinere woningen – bijvoorbeeld appartementen of woningen voor ouderen in een cluster. Dit doen we door in bouwplannen te zorgen dat verschillende doelgroepen door elkaar kunnen wonen: jong en oud, met en zonder zorgvraag. Zo bouwen we aan buurten met veel sociale cohesie, waar mensen samenredzaam zijn. Ook in bestaande buurten liggen er kansen om de bestaande woningvoorraad meer divers te maken. Bijvoorbeeld door woningsplitsing, woningdelen, kangoeroe- en (pre-) mantelzorgwoningen en kavelsplitsing. Huisvesting arbeidsmigranten Arbeidsmigranten zijn van belang voor onze lokale economie. Ze vervullen cruciale rollen in sectoren zoals de agrarische sector, horeca, mkb, recreatie, zorg, de maakindustrie, in het uitoefenen van ambachten en steeds vaker ook in de zorg. Arbeidsmigranten worden nu gehuisvest in woningen in de dorpen, bij agrariërs op het erf en in grootschalige huisvesting bij industrieterreinen. Ons vastgesteld arbeidsmigrantenbeleid

(2019)en de nadere uitwerking daarvan in het Parapluplan internationale medewerkers Horst aan de Maas
(2021)vormen hiervoor de basis. Het beleid wordt momenteel herzien. In de nieuwe beleidslijn maken we duidelijke keuzes. over de verschillende vormen van huisvesting. Door de krapte op de arbeidsmarkt en de demografische ontwikkelingen verwachten we dat de behoefte aan arbeidsmigranten verder zal toenemen. Bij de nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven gaan we met ondernemers in gesprek over hun impact op de arbeidsmarkt en de bijbehorende huisvestingsvraag. We beoordelen zorgvuldig wat de effecten zijn op de omgeving. Arbeidsmigranten die zich duurzaam willen vestigen, beschouwen we als reguliere inwoners. Zij wonen binnen onze dorpen en maken deel uit van onze gemeenschap. Tegelijkertijd erkennen we dat deze groep vaak extra ondersteuning nodig heeft. Integratie, taal, en toegang tot voorzieningen vragen hierbij gerichte aandacht. 3.2.4 Juiste woning op de juiste plek We willen voor nieuwe woningen de beste plekken vinden. Daarbij geven we de voorkeur aan verdichting binnen de bestaande dorpsstructuren. Zo houden we onze dorpen compact en kunnen we op lange termijn voor alle doelgroepen een passend woningaanbod realiseren. We zijn zuinig op de ruimte voor uitbreiding in het buitengebied, omdat dit een belangrijke rol vervult voor de agrarische sector en als uitloopgebied en voor natuur en landschap. Buiten de kernrandzones staan we geen nieuwe (solitaire) woningen meer toe. Alleen in specifieke gevallen (bij het oplossen van grote ruimtelijke knelpunten) maken we uitzonderingen, zoals: Bestaande woningen splitsen. Tijdelijke (pre-) mantelzorgwoningen/familiewoningen. Wijziging van bedrijfswoningen naar burgerwoningen onder voorwaarden. Daarnaast wijzen we zoekgebieden voor nieuwe uitbreidingslocaties aan. Voor bepaalde doelgroepen zoeken we nadrukkelijk locaties in de nabijheid van voorzieningen en centra. Doelgroepen zoals ouderen, jongeren en mensen met een zorgbehoefte zijn gebaat bij een woning dicht bij de dagelijkse voorzieningen. Daarom maken we extra ruimte voor gestapelde bouw op geschikte plekken. Ruimte voor gestapelde bouw We bouwen in eerste instantie vooral binnen de bestaande kernen, op al bebouwde of verharde locaties. Dit biedt tegelijk kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren door herontwikkeling van verouderde bebouwing. Omdat we willen bijdragen aan een klimaatbestendige leefomgeving, behouden we de open en groene plekken die er nog zijn in de dorpen. Om deze herstructurering mogelijk te maken, is bouwen met een hogere dichtheid vaak noodzakelijk. Gestapelde bouw sluit goed aan op de wensen van diverse doelgroepen. Wel vinden we het belangrijk dat deze bouwvorm past bij het dorpse karakter van onze kernen. In kleinere dorpen bouwen we daarom lager dan in de centrumkernen. We kiezen bewust voor dorpse ‘hoogbouw’, waarbij de hoogte en vormgeving worden afgestemd op de locatie. Hoe pakken we dit aan? In deze omgevingsvisie geven we algemene richtlijnen rondom gestapeld bouwen mee. Zo zorgen we dat nieuwe gebouwen passen in de omgeving en bijdragen aan een leefbare, toekomstbestendige gemeente. • We beschermen bestaande hoogteaccenten, zoals kerken of molens. • We beschermen historische structuren, zoals historische centra met cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, oude pleinen, brinken en dijken, en kernen met een beschermd dorps- of stadsgezicht. • We houden de hoofdstructuren van dorpen leefbaar, zoals lintbebouwingen, hoofdontsluitingswegen en hoofdentrees. Deze structuren begeleiden inwoners de dorpen in en uit, en mogen versterkt worden met passende accenten. • Verdichting in en rondom centra kan, maar moet passen bij het historische karakter van de centra en de kwaliteit van de leefomgeving. • Bij de herontwikkeling van bedrijfslocaties of bedrijventerreinen tegen een centrum/woonbuurt zien we mogelijkheden. • Locaties met veel eigen ruimte, zoals plekken langs ontsluitingswegen of aan dorpsranden, bieden mogelijkheden voor gestapelde bouw. Met voldoende groen zorgen we voor een prettige overgang naar de omgeving én benutten we kansen op het gebied van klimaatadaptatie en gezondheid.Deze algemene voorwaarden gelden altijd:• Sluit aan op de omgeving met een logische overgang in bouwhoogte en stedenbouwkundige opzet. • Zorg dat gebouwen passen bij de omgeving, bijvoorbeeld door gebruik van passende vormen en materialen. • Gebruik groen om gestapelde gebouwen een eigen plek te geven. Ruimte voor nieuwe groene woongebieden We kunnen niet alle woningen binnen de bestaande dorpen bouwen. Daarom is het op termijn nodig om ook aan de randen van onze dorpen nieuwe buurten te maken. Deze nieuwe woonwijken moeten bijdragen aan aantrekkelijke, groene en goed toegankelijke dorpsranden. Omdat veel van onze dorpen nu nog vrij stenig zijn, kiezen we bij uitbreiding bewust voor ruimte met veel groen, water en speelplekken. Er spelen veel belangen in ons buitengebied. Aan onze toekomstige woongebieden stellen we hoge eisen. Hoe pakken we dit aan? Bij het kiezen van nieuwe zoekgebieden voor woningbouw houden we rekening met het volgende: We kiezen ervoor om gezondheidsrisico’s zo klein mogelijk te maken. We bouwen zo min mogelijk langs drukke wegen. Ook houden we afstand van bedrijven die overlast geven door uitstoot, fijnstof of geluid. Als bouwen in de buurt van zo’n plek toch nodig is, zoeken we naar oplossingen om gezondheidsrisico’s actief te verkleinen. We houden rekening met het water- en bodemsysteem. We bouwen niet op plekken met een lage ligging of waar water nodig is om te bergen of vast te houden. Denk aan beekdalen, uiterwaarden of de Peelbuffer. We houden rekening met cultuurhistorisch waardevolle landschappen. Oude kampen en velden rond onze dorpen zijn vaak van grote waarde. Die laten we zoveel mogelijk intact. Alleen in gebieden waar deze waarden al zijn aangetast, kan woningbouw helpen om de kwaliteit te verbeteren. Bij alle (rode) lijnen op de kaart (niet uitbreiden dorpsranden) geldt een ‘nee, tenzij’-principe, dat we nog verder uitwerken in een programma ruimtelijke kwaliteit of onderdeel daarvan. We houden rekening met gebieden die van oudsher een hoge natuurlijke geschiktheid hebben voor de landbouw. Dit zijn oude bouwlanden, de kampen en de velden rond de dorpen (dit overlapt dus voor een groot deel met de cultuurhistorisch waardevolle gebieden), maar ook grote delen van de akkers op de rivierterrassen. Dit zijn zavelige gronden, die ook bij de topgronden horen voor allerlei vormen van tuinbouw, akkerbouw, boom- en sierteelt die bij onze gemeente horen. 3.2.5 Inzetten op ontmoetingsplekken in de dorpen en wijken Iedereen doet mee We willen dat onze woonwijken op de lange termijn geschikt zijn voor iedereen. Ook mensen met een zorgvraag moeten goed kunnen meedoen in hun eigen buurt. Ouderen moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. En als het nodig is, moeten zij kunnen terugvallen op mensen om hen heen. Daarom investeren we in sterke gemeenschappen en goede, toegankelijke voorzieningen. Ook zorgen we voor fijne ontmoetingsplekken en goede, inclusieve mobiliteit. Elk dorp heeft plekken om elkaar te ontmoeten Veel mensen wonen graag in een dorp. Je kent elkaar en mensen helpen elkaar. Ontmoeting is belangrijk om die verbondenheid te blijven voelen. Dat kan via spontane ontmoetingen of vaste momenten waarop mensen samenkomen. We willen aansluiten bij wat nodig is in een dorp om onder andere de vitaliteit en kwaliteit te behouden. Dat kan per dorp verschillen. Daarnaast gaan we ook gebiedsgericht werken, waarbij we meer gaan kijken naar het gebied en dan inzoomen op wat voor voorzieningen aansluiten en passen in combinatie met onder meer het woningbouwprogramma en de sociale cohesie. 3.2.6 Voorzieningen dichtbij en bereikbaar Levendige dorpscentra en voorzieningen dragen bij aan ontmoeting en sociale cohesie. Om ook in 2040 nog levendige centra en een goed voorzieningenaanbod te hebben in Horst aan de Maas, maken we de volgende keuzes: Horst en Sevenum zijn onze centrumdorpen. Inwoners kunnen hier terecht voor niet-dagelijkse winkels en voor kunst, cultuur, horeca en andere bezoekfuncties. Grubbenvorst is een (centrum)kern, een plek waar omliggende dorpen naartoe trekken voor voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op peil blijven. Daarom blijven we creatief zoeken naar mogelijkheden voor toevoegen van woningbouw en zijn alert op kansen die ontstaan. We kiezen ervoor om voorzieningen in dorpscentra zoveel mogelijk te clusteren. Onderwijs, sport en cultuur organiseren we in samenwerking tussen dorpen, in zogenaamde dorpsclusters. Huidige voorzieningen Levendige dorpscentra door gebiedsgericht clusteren Horst en Sevenum liggen centraal in onze gemeente, zijn goed bereikbaar en hebben een sterke winkelstructuur. Door voorzieningen te bundelen in deze dorpen houden we de centra aantrekkelijk en levendig. Hier combineren we winkels met andere functies, zoals horeca of culturele voorzieningen. Voor behoud clusteren van voorzieningen in dorpscentra In dorpen houden we voorzieningen zoveel mogelijk bij elkaar. Denk aan winkels, horeca, publieke diensten of een dorpshuis. Als we functies combineren, blijven voorzieningen langer bestaan én ontstaan er meer ontmoetingen tussen inwoners. We zien ook kansen voor centrale plekken waar meerdere diensten samenkomen, zoals pakketpunten, deelvervoer, mantelzorgdiensten, dorpsondersteuner of een boodschappendienst. Belangrijk is dat deze plekken goed fysiek bereikbaar zijn voor iedereen. Onderwijs, sport en cultuur in dorpsclusters Sport en maatschappelijke voorzieningen zijn belangrijk voor het dorpsleven. Toch lukt het niet altijd om alle voorzieningen in elk dorp te houden, denk bijvoorbeeld aan een agrarische kinderopvang. samenwerking tussen dorpen kan dan een betere oplossing zijn. Een gezamenlijke school, kinderopvang of sportveld zorgt voor kwaliteit én nabijheid. We zorgen dat dit soort voorzieningen in of dicht bij de kernen komen. Vaak werken dorpen al samen op andere gebieden, dus 44 zo’n clustering is logisch. 3.3 De economie is duurzaam en waardevol voor de samenleving Ambitie/doel In 2040 zijn we nog steeds een gemeente waar ondernemers graag werken en groeien. We zijn dan verder gespecialiseerd en hebben samen met ondernemers gewerkt aan bedrijventerreinen die circulair, groen en duurzaam zijn. Op deze terreinen is er voldoende doorstroming. Zo blijft er ruimte voor startende bedrijven en voor ondernemers die willen uitbreiden. Ondernemers kunnen in onze gemeente van goede kwaliteit blijven of zelfs doorgroeien tot belangrijke spelers in de regio, in Nederland of internationaal. We leggen in de toekomst meer focus op onze economie. Door ons te richten op kwaliteit en specialisatie, kunnen we zorgen voor meer innovatieve en waardevolle banen. Dit helpt ook bij het opzetten van circulaire bedrijventerreinen. Onze werkgelegenheid sluit zoveel mogelijk aan bij het lokale arbeidsaanbod en opleidingsniveau en opleidingen sluiten aan op de aanwezige arbeidsvraag. Wat willen we bereiken? Meer focus in economische sectoren. Werkgelegenheid past beter bij het arbeidsaanbod van de gemeente en de regio. Ruimte voor de innovatieve en duurzame ontwikkeling van bedrijven. Ontwikkelen van leer-werk-cluster bij station Horst-Sevenum. Klimaatbestendige, circulaire en veilige bedrijventerreinen. Duurzame energie 3.3.1 Meer focus in economische sectoren Ondernemerschap hoort bij Horst aan de Maas. We blijven dus ruimte bieden aan (lokale) ondernemers. Maar we kunnen niet elk type bedrijf een plek geven. Daarom kiezen we in de toekomst bewuster welke bedrijven we wel en niet willen aantrekken. Ook willen we dat de banen beter aansluiten op de mensen die hier wonen en werken. Zo houden we wonen en werken meer in balans. Op onze bedrijventerreinen richten we ons vooral op het lokale mkb en op bedrijven in de agrofooden agribusinessketen. Lokale mkb-bedrijven zijn belangrijk, omdat ze vaak inspelen op de behoeften van mensen en andere bedrijven in de buurt. Ze zijn meestal ook sterker betrokken bij het dorp of de gemeenschap. Agrofood- en agribedrijven passen goed bij onze gemeente. Deze bedrijven versterken elkaar en zorgen voor innovatie, duurzaamheid en hoogwaardige banen. We werken samen met deze bedrijven aan een meer circulaire manier van ondernemen en versterken daardoor de keten. De agrarische sector, agrofood en agrotech, vrijetijdseconomie en de zorg blijven belangrijke sectoren voor onze economie. We geven deze sectoren ruimte in de dorpen én in het buitengebied.De agrarische sector, agrofood en agrotech, vrijetijdseconomie en de zorg blijven belangrijke sectoren voor onze economie. We geven deze sectoren ruimte in de dorpen én in het buitengebied. 3.3.2 Werkgelegenheid meer passend bij het arbeidsaanbod van de gemeente en de regio Als we nadenken over de banen van de toekomst, kijken we ook naar de mensen die hier wonen. Tot nu toe kwamen veel werknemers van buiten de gemeente, waaronder arbeidsmigranten. Zij blijven belangrijk voor onze economie. Tegelijk willen we voorkomen dat dit zorgt voor te veel druk op de woningmarkt en voorzieningen. Daarom kiezen we ervoor om op onze bedrijventerreinen in de toekomst meer ruimte te geven aan bedrijven die goed passen bij de lokale of regionale arbeidsmarkt. Vooral bedrijven die veel arbeidsmigranten nodig hebben, zoals sommige logistieke dienstverleners, willen we beperken. We gaan hier actief op sturen. Dat doen we door te kijken naar de sector én de grootte van het bedrijf. 3.3.3 Ruimte voor ontwikkeling van bedrijven Om onze lokale economie sterk te houden en bedrijventerreinen duurzamer te maken, is groei nodig. Maar we willen wel dat die groei op de juiste plekken gebeurt. Zo zorgen we ervoor dat wonen en werken goed samengaan, dat het veilig en gezond blijft voor iedereen, en dat bedrijven in de toekomst beter kunnen samenwerken in circulaire bedrijventerreinen. Onze bedrijventerreinen moeten geschikt zijn voor verschillende soorten bedrijven, nu én later. Dus ook voor startende ondernemers en bedrijven die willen doorgroeien. Daarom zorgen we voor bedrijventerreinen die flexibel zijn ingericht, met ook ruimte voor kleine kavels. We onderzoeken bij bedrijventerreinen de mogelijkheden om een ‘straatje erbij’ te kunnen realiseren. Schuifruimte voor bedrijven We willen bedrijven de ruimte geven om door te groeien. Daarom hebben we als gemeente ‘schuifruimte’ nodig: plekken waar bedrijven naartoe kunnen verhuizen als ze groeien. Voor kleinere bedrijven die nu in de dorpen of het buitengebied zitten, willen we plekken op bedrijventerreinen bieden. Voor grotere en snelgroeiende bedrijven in de techniek, logistiek, agrofood of agritech, willen we grotere kavels beschikbaar maken. Op dit moment kunnen veel bedrijven op lokale bedrijventerreinen alleen doorgroeien als de locatie van het buurbedrijf toevallig vrijkomt. Daardoor ontstaan er juist hele grote kavels op sommige terreinen, wat het moeilijk maakt voor kleinere bedrijven om daar nog een plek te vinden. In de toekomst willen we verschillende soorten bedrijventerreinen, elk met een eigen profiel. Zo maken we ruimte voor zowel kleine, lichte bedrijvigheid als voor grotere en zwaardere bedrijven.Tegelijk willen we zuinig omgaan met de ruimte die we hebben. Nieuwe uitbreiding van bedrijventerreinen is op ons grondgebied straks afgerond, met de ontwikkeling van Greenport (Klaver 7 en 11). Na deze uitbreiding willen we nieuwe ruimte voor bedrijven op een andere manier vinden, namelijk door: Bedrijventerreinen op te knappen en beter te benutten (revitalisering). In de regio in te zetten op de strategische inzet van Klaver 7. Een werk-, leer- en leefgebied te ontwikkelen rond het OV-knooppunt Horst-Sevenum. Aanvullend aanbod te realiseren in kernranden en de bebouwde kom. Het vitaal en toekomstbestendig houden van solitaire bedrijfslocaties die op de juiste plek liggen Blijvende aandacht voor revitalisering van bedrijventerreinen We blijven als gemeente investeren in het opknappen van onze bedrijventerreinen. Zo blijven deze terreinen aantrekkelijk en klaar voor de toekomst. Als een bedrijf stopt, willen we de vrijgekomen locatie zo indelen dat er ruimte is voor startende en groeiende lokale bedrijven. Op die manier houden we ook op langere termijn voldoende kleinere en middelgrote plekken beschikbaar. Lokale bedrijven die willen doorgroeien, krijgen van ons ruimte — vooral als zij bijdragen aan onze maatschappelijke doelen. Denk hierbij aan bedrijven die minder milieubelasting veroorzaken, bijvoorbeeld op plekken waar wonen en werken dicht bij elkaar liggen. We willen in de toekomst beter sturen op de maatschappelijke waarde van bedrijven. Daarbij kijken we bijvoorbeeld naar: Of bedrijven werk bieden aan mensen uit de regio (lokale binding). Of ze betrokken zijn bij het lokale verenigingsleven of andere maatschappelijke initiatieven. Of ze bijdragen aan een duurzamer bedrijventerrein, bijvoorbeeld door circulair te werken of maatregelen te nemen tegen wateroverlast of hittestress. We stimuleren ook slim en dubbel ruimtegebruik. Denk aan bedrijven die samen energie opwekken of opslaan, of elkaars restwarmte of afvalstromen gebruiken. Dat verbetert de gezamenlijke energiebalans. Bedrijven gaan in de toekomst steeds vaker samenwerken. Daarom kijken we bij nieuwe vestiging ook naar de mate waarin bedrijven hieraan mee willen doen. Strategische inzet van Klavers 7 en 11 in de regio Om bedrijven de kans te geven om door te groeien en bedrijventerreinen te vernieuwen, zijn Klaver 7 en 11 voor ons van groot strategisch belang. Deze gebieden bieden de ruimte die nodig is voor bedrijven die willen verhuizen of uitbreiden. Marktonderzoek laat zien dat, zodra het bestemmingsplan rond is, de kavels in Klavers 7 in een periode van elf tot zestien jaar uitgegeven kunnen worden. Hierbij gaat het om een mix van kleine (0 tot 2
  1. ha)en grote (2 tot 5
  2. ha)kavels. Klaver 11 is specifiek bedoeld voor agribusiness bedrijven. We verwachten dat de kavels binnen vijf tot tien jaar zijn uitgegeven. Het is wel belangrijk dat deze invulling van deze fterreinen mede ten goede komt aan de revitalisering van onze bestaande bedrijventerreinen. Als die koppeling ontbreekt, komt de gewenste doorstroming niet goed op gang. Daarom pleiten wij in de regio voor de volgende keuzes: Zorg dat de grootte van de kavels op Klaver 7 beter past bij bedrijven die belangrijk zijn voor de lokale werkgelegenheid en economie. Stimuleer bedrijven met een hoge impact op hun omgeving — bijvoorbeeld qua verkeer, geluid of milieubelasting — om zich juist in de Klavers te vestigen. Zo komt er op andere terreinen ruimte vrij voor lokale bedrijven. Neem voldoende tijd voor de uitgifte van een deel van het terrein. Veel bedrijven hebben tijd nodig voor zo’n stap. Het proces van plannen maken, investeringen doen en daadwerkelijk verhuizen duurt vaak vijf tot tien jaar. Als kavels te snel uitgegeven worden, missen deze bedrijven de kans om mee te doen. Vrijkomende (agrarische) bedrijfsbebouwing Een sterke economische basis op het platteland is noodzakelijk voor de leefbaarheid, werkgelegenheid en het behoud van de kwaliteit van het landelijk gebied. Economische kansen vergroten de financiële draagkracht voor het landschap en helpen verloedering of ongewenst gebruik van leegstaande agrarische bebouwing te voorkomen. Jaarlijks stopt ongeveer 4% van de agrarische bedrijven, wat leidt tot een toenemende hoeveelheid vrijkomende bedrijfsbebouwing. We willen dat de landbouw een blijvende rol speelt in het beheer van het landschap en de plattelandseconomie. Daar waar mogelijk bieden we agrarische ondernemers ruimte om hun bedrijfsvoering te verbreden met andere verdienmodellen, zoals de verwerking en verkoop van eigen producten, (kleinschalige) recreatie, zorg of kinderopvang. Zo blijft landbouw economisch en maatschappelijk relevant.We gaan in het op te stellen VAB beleid uitwerken welke mogelijkheden we bieden bij vrijkomende agrarische erven of bebouwing. Bij hergebruik sturen we op ruimtelijke kwaliteit en de effecten van de nieuwe functie op de omgeving. We zijn terughoudend met het toestaan van nieuwe woningen of andere kwetsbare functies, en geven de voorkeur aan ontwikkelingen die de agrarische sector op termijn niet belemmeren. In de kernrandzones rond de kernen zijn de mogelijkheden voor hergebruik van erven ruimer. Aanvullend aanbod realiseren in de kernrandzones en de bebouwde kom De kernrandzones krijgen een speciale rol in onze toekomstvisie. We verwachten dat er hier ruimte vrijkomt op erven. Die ruimte kan goed worden benut voor kleinschalige of lichte bedrijvigheid. Het gaat om bedrijven die wel ruimte nodig hebben — bijvoorbeeld voor opslag, verwerking of productie — maar die weinig verkeer aantrekken en weinig milieubelasting veroorzaken in hun omgeving. Dergelijke bedrijven passen goed in deze zones en kunnen het aanbod op onze bedrijventerreinen aanvullen. Wel is het belangrijk dat we de ontwikkelmogelijkheden beperkt houden. Zo voorkomen we dat bedrijven blijven hangen op locaties waar ze eigenlijk niet meer passen, en maken we ruimte voor doorgroei naar bedrijventerreinen. We werken de mogelijkheden voor deze zones verder uit in een omgevingsprogramma of in het omgevingsplan. Daarnaast willen we voorkomen dat bedrijven die niet thuishoren op bedrijventerreinen — zoals winkels, sportscholen, lichte dienstverlening en verzorgende beroepen — zich vestigen op bedrijventerreinen of in gebieden buiten de centra. We zorgen er daarom voor dat er binnen de kernen meer ruimte komt voor dit soort bedrijven, bijvoorbeeld in leegstaande winkelpanden. Zo houden we de bedrijventerreinen beschikbaar voor mkb-, agrofood en agrotechbedrijven. Het vitaal en toekomstbestendig houden van solitaire bedrijfslocaties die op de juiste plek liggen In het buitengebied en de kernrandzone liggen op diverse locaties solitaire kleinere bedrijven. Deze bedrijven zijn vaak klein en aan een woonlocatie gekoppeld. Bedrijven zonder veel personeel die een lokale functie hebben door de diensten die ze leveren en de werkgelegenheid die ze geven. Vaak voor mensen in de eigen omgeving. We vinden het belangrijk dat deze bedrijfslocaties kunnen blijven bestaan en zien tegelijkertijd dat door groei van sommige bedrijven de impact groter wordt. Daarom staan we solitaire bedrijfslocaties in de kernrandzone en/of het buitengebied toe mits de impact en omvang binnen bepaalde grenzen blijft. In een omgevingsprogramma ruimtelijke kwaliteit werken we dit de komende tijd verder uit. 3.3.4 Een werk-, leer- en leefgebied ontwikkelen rond het OV-knooppunt Horst-Sevenum De ligging van station Horst-Sevenum benutten we om hier een goed bereikbaar en duurzaam knooppunt te maken. Dit knooppunt verbindt het intercitystation met buslijnen in alle richtingen. Ook willen we dat hier verschillende snelfietsroutes samenkomen. Zo kunnen mensen makkelijk reizen tussen wonen, werken en leren. Denk aan routes richting De Peelbergen en de ‘Brainport bikelane’ naar Deurne, Helmond en Eindhoven via Griendtsveen. De Greenport Bikeway is hiervan al een goed voorbeeld. Daarnaast willen we ook ruimte geven aan deelvervoer en andere vormen aan mobiliteit, zoals deelauto’s of deelscooters. Dit knooppunt ligt bovendien midden tussen de grootste woonkernen van Horst en Sevenum. Het is dus een logische plek om onze economie te versterken. In onze visie richten we de westkant van het station in als een leer-werkgebied dat kan doorgroeien tot een samenhangend gebied. We zien hier kansen voor onderwijs, dienstverlening, onderzoeks- en adviesbureaus, (lokale) startups en daar waar mogelijk daarbij passende woonconcepten. De nabijheid van de Brightlands Campus Greenport Venlo biedt kansen voor samenwerking. Er is ook beperkt ruimte voor kleine bedrijven die gericht zijn op consumenten, als daar behoefte aan is. 3.3.5 Duurzame en circulaire bedrijventerreinen Onze bedrijventerreinen zijn in 2050 klimaatbestendig en circulair. We zijn hier nu al mee begonnen, bijvoorbeeld door bedrijventerreinen te vergroenen. Regenwater wordt opgevangen, hergebruikt of op een natuurlijke manier afgevoerd. In de toekomst willen we dat de meeste bedrijfsdaken zijn voorzien van zonnepanelen of een groen dak. Ook de openbare ruimte wordt groener, met minder bestrating. We willen dat het soort bedrijven dat zich vestigt, past bij dit groene beeld. Als groene gemeente willen we dat onze bedrijventerreinen dit ook uitstralen. Greenport Venlo is daar een goed voorbeeld van. Energie speelt een grote rol. Bedrijven hebben betrouwbare energie nodig en samenwerking is belangrijk om dit goed te regelen. Samen met bedrijven werken we aan slimme oplossingen. Hierover lees je meer in paragraaf 3.7.6. 3.4 Toekomstbestendige agrarische sector Ambitie/doel In 2040 hoort Horst aan de Maas tot de meest toekomstgerichte, duurzame en innovatieve landbouwgebieden van Nederland. De landbouw blijft één van de belangrijkste sectoren in onze plattelandsgemeente. Ze is ook een belangrijke aanjager voor het lokale mkb en onze agrofoodbedrijven. Dankzij goede landbouwgrond en vernieuwende ondernemers wordt hier op (inter) nationaal topniveau geboerd. En dat gebeurt zonder dat het landschap zijn unieke karakter is kwijtgeraakt. We hebben als gemeente een koplopersrol weten te pakken in de omslag naar kringlooplandbouw. Dit is gelukt door technische innovaties en nieuwe verdienmodellen voor bijvoorbeeld natuurbeheer of landschapszorg. Zo is er een goede balans ontstaan tussen landbouw, natuur, water, bodem en een gezonde leefomgeving. We willen die sterke positie van onze agrarische sector vasthouden én verder versterken. Daarom blijven we samen met agrariërs en andere partijen zoeken naar slimme oplossingen voor de grote uitdagingen van deze tijd. We kiezen ook in de toekomst voor een diverse agrarische sector. Verschillende vormen van landbouw maken onze economie sterker en minder kwetsbaar voor schommelingen in de markt. Bovendien kunnen diverse landbouwbedrijven elkaar juist helpen in het duurzamer maken van de sector en het sluiten van kringlopen met kortere ketens en minder impact op het milieu. Wat willen we bereiken? Kringlopen sluiten en de milieudruk verlagen Ruimte bieden voor verdere ontwikkeling van de landbouw Een gezonde economische sector behouden. Ontwikkelruimte voor landbouw 3.4.1 Het sluiten van kringlopen en verlagen van de milieudruk We willen een toekomstbestendige landbouw-sector. Een sector zonder uitspoeling of schadelijke uitstoot, en die op termijn zijn kringlopen sluit. Dat kan op verschillende manieren. 1. Natuurinclusieve landbouw Sommige agrariërs kiezen voor een natuurinclusieve vorm van kringlooplandbouw. Deze manier van werken houdt meer rekening met de natuur, maar heeft vaak hogere kosten. Agrariërs hebben dan ook een eerlijke prijs nodig voor hun producten. We willen hen daarbij helpen. Bijvoorbeeld door: Het stimuleren van korte ketens. En het promoten van lokale producten. 2. Verduurzaming landbouw Andere agrariërs kiezen juist voor een intensive manier van kringlooplandbouw (met hoge productie). Denk hierbij aan het sturen op een emissiearme landbouw of de toepassing van innovaties op het gebied van precisielandbouw.Ook deze vorm kan bijdragen aan een duurzame voedselproductie. We willen ruimte geven aan alle vormen van landbouw die bijdragen aan een gezonde toekomst en een beter milieu. 3.4.2 Ontwikkelruimte voor de landbouw Om als gemeente koploper te blijven in de landbouw, is het belangrijk dat agrariërs zich kunnen blijven ontwikkelen. Tegelijk willen we daarbij rekening houden met andere belangen in het buitengebied, zoals natuur, landschap, woonkwaliteit en andere functies. We gaan zuinig om met landbouwgrond. Als er te veel claims op landbouwgrond komen, wordt het moeilijker voor de landbouw om zich te ontwikkelen. In de omgevingsprogramma’s werken we keuzes verder uit. Ook binnen de landbouw willen we de ruimte eerlijk verdelen. We kijken daarbij naar: Het bodem- en watersysteem. De kwaliteit van het landschap. En welke landbouwvormen goed passen in een gebied. Soms betekent dit dat we bepaalde plekken aanwijzen voor niet-grondgebonden teelten, zoals kassen of intensieve veehouderij. Dan zorgen we ervoor dat deze goed worden ingepast in het landschap. Ruimte voor grondgebonden landbouw Gronden met een hoge natuurlijke vruchtbaarheid én een hoge landschappelijke of cultuurhistorische waarde, willen we vooral gebruiken voor grondgebonden landbouw. Denk aan akkerbouw, vollegrondstuinbouw, grondgebonden melkveehouderij en boomteelt. Dit geldt vooral voor gebieden zoals de kampen, velden en de kleigronden op de rivierterrassen. We willen voorkomen dat grondgebonden landbouw hier verdwijnt door concurrentie met andere functies. Nietgrondgebonden activiteiten zijn hier alleen toegestaan als ze een klein en ondersteunend deel van het bedrijf zijn. De hoofdactiviteit moet altijd grondgebonden blijven. Deze regels gelden alleen voor nieuwe bedrijven; bestaande rechten blijven gewoon bestaan. Stimuleren van grasland In sommige delen van het buitengebied willen we het water langer vasthouden. Dit geldt vooral voor beekdalen en gebieden rondom kwetsbare natuur die afhankelijk is van water. Hier willen we op termijn de waterstand verhogen. In deze gebieden stimuleren we het gebruik van blijvend grasland of gewassen die goed tegen natte omstandigheden kunnen, zoals teelt voor biobased bouwmaterialen. Denk aan lisdoddeen hennepteelt. Ruimte voor de glastuinbouw De glastuinbouw is een belangrijke sector in onze gemeente. Glastuinbouwbedrijven produceren gezond voedsel onder gecontroleerde en efficiënte omstandigheden. Daarnaast dragen zij bij aan de energietransitie en kunnen ze helpen om de milieudruk in de landbouw te verlagen. We willen deze gebieden ook in de toekomst blijven gebruiken voor glastuinbouw. Daarom staan we geen nieuwvestiging toe buiten deze gebieden (voortzetten huidig beleid). Zo beschermen we de kwaliteit van het landschap. Wij willen geen nieuw concentratiegebied voor glastuinbouw aanwijzen. We willen kijken of het mogelijk is om ruimte te bieden in de vorm van revitalisering van bestaande glastuinbouwbedrijven en/of -gebieden en/of intensivering binnen de bestaande glastuinbouwbedrijven en/of -concentratiegebieden. Ruimte voor boomteelt Boomteelt is een belangrijke sector in onze gemeente en daarom bieden we ruimte aan deze sector. Bomen spelen een rol bij klimaatadaptatie en dragen bij aan de kwaliteit van het landschap. Bovendien zijn onze gronden erg geschikt voor deze teelt. We vinden het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen logisch. Ze zorgen ervoor dat bedrijven beter kunnen concurreren op de wereldmarkt. Een goed voorbeeld daarvan zijn containervelden. Hiermee kunnen ondernemers: Hun assortiment uitbreiden. Het teeltseizoen verlengen. Werken onder betere arbeidsomstandigheden. En de milieubelasting verminderen. Met druppelirrigatie krijgen planten precies de juiste hoeveelheid meststoffen en water. Dat vermindert het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De boomteelt krijgt ruimte om te kunnen ontwikkelen in kwalitatieve, en op plekken waar dat mogelijk is, in kwantitatieve zin, rekening houdend met zaken zoals het TOVbeleid. Dit geldt gemeentebreed in gebieden waar de grondgebonden landbouw is toegestaan. Ruimte voor teeltondersteunende voorzieningen Het bestaand gemeentelijk beleid rondom het toelaten van teeltondersteunende voorzieningen wordt in deze Omgevingsvisie gehandhaafd. De kaart behorende bij het beleid is wel aangepast in deze Omgevingsvisie. In de kaart is aangegeven waar teeltondersteunende voorzieningen onder voorwaarden mogelijk zijn. Een van de belangrijke voorwaarden is, zoals ook vastgelegd in het gemeentelijk beleid, dat Teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van belangrijke landschappen waar sprake is van cultuurhistorische of landschappelijke kenmerken. Intensieve veehouderij De veehouderij is een sterke sector in onze gemeente, al zijn er de afgelopen jaren veel bedrijven gestopt. We willen de sector economisch gezond houden. Tegelijkertijd willen we veehouderijen op toekomstbestendige locaties hebben, met een afname van emissies zoals ammoniak, geur en fijnstof. Bedrijven die doorgaan, willen we ondersteunen — maar alleen als hun ontwikkeling samengaat met een betere milieukwaliteit en/of beter dierenwelzijn én als ze op een toekomstbestendige locaties liggen. Veehouderijen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het sluiten van kringlopen, zowel binnen onze gemeente als in de regio. In de kernrandzone en in de natuurbuffers zoeken we samen met de sector naar manieren om bedrijfsontwikkeling te koppelen aan het verminderen van emissie of uitstoot. Zo verkleinen we risico’s voor de volksgezondheid. Daarnaast bieden we in deze gebieden ook de mogelijkheid om over te schakelen naar andere functies, als bedrijven dat willen. We streven naar een nieuwe balans tussen dierlijke en plantaardige productie, waarbij het aandeel plantaardige teelten toeneemt. Nieuwvestiging van intensieve veehouderijen wordt niet toegestaan. Uitzondering daarop geldt voor bedrijven die willen verplaatsen uit de kernrandgebieden of rondom natuurbuffers. Voor hen bieden we ruimte binnen het gebied Witveld. Gebied Witveld In het gebied Witveld kunnen bedrijven zich vestigen die willen verplaatsen uit de kernrandzones of natuurbuffers rondom natuur (Natura 2000 en/of Natuur Netwerk Limburg) . In dit gebied komt intensieve veehouderij en de boomteelt voor. Voor de bestaande bedrijven binnen Witveld geldt dat we streven naar een nieuwe balans tussen dierlijke en plantaardige productie, evenals de boomteelt waarbij dus rekening gehouden moet worden met het feit dat dit gebied voor primair voor de intensive veehouderij gereserveerd is. Voor glastuinbouwbedrijven zijn andere gebieden aangewezen en zien we daarom niet als potentiële nieuwe bedrijven in dit gebied. Paardensector De paardensector groeit in Horst aan de Maas én in de regio Midden-Limburg. We zien deze sector als belangrijk voor het behouden van hoge economische vitaliteit in de landelijke gebieden. Er zijn verschillende soorten paardenbedrijven, die elk een andere invloed hebben op de omgeving. We maken daarom onderscheid tussen drie vormen: • Gebruiksgerichte paardenhouderij Dit zijn bedrijven waar mensen paardrijden of mennen, zoals maneges, pensionstallen of paardensportbedrijven. Deze zorgen vaak voor extra verkeer. Daarom zien we ze het liefst in de kernrandzones of bij De Peelbergen. Soms is maatwerk mogelijk, bijvoorbeeld als een locatie goed bereikbaar is via de hoofdwegen. • Productiegerichte paardenhouderij Deze bedrijven fokken, trainen of verhandelen paarden. Kleine bedrijven passen vaak goed in het buitengebied. Voor grotere bedrijven is De Peelbergen een geschikte plek. • Agrarische paardenbedrijven Dit zijn bedrijven die paarden houden als onderdeel van de landbouw, zoals fokkerijen of paardenmelkerijen. Voor deze bedrijven gelden dezelfde regels als voor andere grondgebonden landbouwbedrijven. Milieu Gewasbeschermingsmiddelen We willen onze inwoners op termijn beter beschermen tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de buurt van woningen. Zo willen we mogelijke gezondheidsrisico’s voorkomen. Op dit moment gelden er landelijke regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een landelijke autoriteit beoordeelt welke middelen zijn toegestaan. Daarnaast werkt de sector zelf aan nieuwe technieken om het wegwaaien (‘drift’) van middelen te voorkomen of om alternatieven te testen. Als gemeente moedigen we ondernemers aan om vaker te kiezen voor natuurlijke of biologische gewasbeschermingsmiddelen, en robot lasertechnieken waar dat mogelijk is. Ook technische ontwikkelingen, denk hierbij aan precisielandbouw, moedigen wij als gemeente aan. Rond dit thema is veel beweging door nieuwe uitspraken van rechters en onderzoeksresultaten. We volgen deze ontwikkelingen nauw en onderzoeken of de huidige vuistregel van 50 meter aangepast moet worden. Op de lange termijn willen we een betere bescherming van dorpen en andere kwetsbare functies. Samen met de agrarische sector zoeken we naar manieren om dat te realiseren. Relatie veehouderij en gezondheid Sinds 2016 wordt in Nederland veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Dit gebeurt binnen het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). De onderzoeken laten zien dat er verbanden zijn tussen de intensieve veehouderij en gezondheidsrisico’s, vooral door stoffen die in de lucht terechtkomen. Het gaat dan om fijnstof, ammoniak, endotoxinen en micro-organismen. Fijnstof Het grootste deel van het fijnstof in de lucht komt door menselijk handelen. Dit noemen we antropogeen fijnstof. Fijnstof bestaat uit hele kleine stofdeeltjes. Deze kunnen direct in de lucht komen (primair fijnstof), bijvoorbeeld door industrie, verkeer, houtstook, landbouw en veehouderij. Stof van veehouderijen bestaat vaak uit mestdeeltjes, voer, huidschilfers, haren en veren die uit de stal waaien. Daarnaast is er ook secundair fijnstof. Dit ontstaat door chemische reacties in de lucht. Ammoniak uit de veehouderij kan bijvoorbeeld omgezet worden in stoffen zoals ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat. Een klein deel van het fijnstof in de lucht heeft een onbekende herkomst. Het primaire fijnstof van veehouderijen bestaat meestal uit organisch materiaal, zoals mest, voer, haren en strooisel. Omdat vooral mest en voer veel bacteriën bevatten, zitten er in de lucht rond veehouderijen vaak ook bacteriën en bacterieresten. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat fijnstof schadelijk is voor de gezondheid. Het kan effect hebben op hart- en bloedvaten en op de longen. Dit geldt zowel voor korte als voor langdurige blootstelling. Er is geen veilige hoeveelheid fijnstof bekend waarbij helemaal geen gezondheidsrisico’s optreden. Volgens de Gezondheidsraad zijn alle soorten fijnstof in zekere mate schadelijk. Wel kunnen de effecten op het platteland anders zijn dan in de stad, doordat rond veehouderijen hogere concentraties bacteriën en andere micro-organismen in de lucht zitten. Intensieve veehouderijen zijn een belangrijke bron van fijnstof. Pluimvee-, varkens- en vleeskalverbedrijven stoten relatief veel fijnstof uit. Andere veehouderijen doen dat ook, maar in mindere mate. Ammoniak VGO-onderzoek laat zien dat mensen een minder goede longfunctie kunnen hebben bij hoge concentraties ammoniak in de lucht. Waarschijnlijk komt dat niet direct door ammoniak zelf, maar door de stoffen die ontstaan als ammoniak met andere stoffen in de lucht reageert. Zo ontstaat secundair fijnstof. Ammoniak komt bijvoorbeeld vrij uit mest en stallen en kan zich op grote afstand met de lucht verspreiden – soms wel honderden kilometers. Volgens de Gezondheidsraad is het niet zo dat de concentratie secundair fijnstof direct rond veehouderijen hoger is dan verderop. De effecten van ammoniakuitstoot lijken daarom vergelijkbaar voor mensen dichtbij en verder van de bron. In dit geval zijn vaste afstandsnormen niet zinvol. Wel helpt het verminderen van het aantal dieren – en daarmee de hoeveelheid mest – om de uitstoot van ammoniak terug te dringen. Endotoxinen Endotoxinen zijn kleine restdeeltjes van bacteriën. Ze kunnen leiden tot irritatie van de luchtwegen of ontstekingen. Tegelijkertijd kunnen endotoxinen in sommige situaties ook een beschermende werking hebben, bijvoorbeeld tegen allergieën. De belangrijkste bronnen van endotoxinen in de veehouderij zijn pluimvee en varkens. Endotoxinen verspreiden zich via stof uit de stallen of bij het werken met mest. Ze hechten zich vooral aan grotere stofdeeltjes die sneller neerslaan, waardoor ze zich minder ver verspreiden dan fijnstof. Daarom is voldoende afstand houden vaak een passende maatregel. In dit geval kunnen afstandsnormen dus wel effectief zijn. Maatregelen om fijnstof te beperken, helpen vaak ook om de uitstoot van endotoxinen te verminderen. Verdeling van de bijdrage aan endotoxinen in de lucht (uit onderzoek in Noord-Brabant en Limburg): • 54% komt van varkens • 37% van pluimvee • 6,3% van runderen • 2,6% van paarden • 0,56% van geiten Micro-organismen In de omgeving van veehouderijen kunnen ook micro-organismen in de lucht zitten. Dit zijn bijvoorbeeld bacteriën, schimmels en parasieten. Sommige van deze micro-organismen kunnen ziektes overdragen van dier op mens (zoönosen), zoals in het verleden gebeurde met Q-koorts. Ook antibioticaresistente bacteriën kunnen voorkomen. Deze micro-organismen kunnen gezondheidsrisico’s geven voor mensen die op het bedrijf werken, zoals veehouders. Voor omwonenden lijken de risico’s bij normaal gebruik van de stallen beperkt te zijn. Volgens de Gezondheidsraad is er nog weinig bekend over het precieze effect van langdurige blootstelling aan deze micro-organismen voor mensen. Toch kunnen micro-organismen zorgen voor ongerustheid bij omwonenden, mede door eerdere gebeurtenissen zoals de Q-koortsuitbraak. Besmettelijke dierziekten De aanpak van besmettelijke dierziekten – zoals Q-koorts – valt onder landelijke regelgeving. De belangrijkste wetten en regels zijn: • De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. • De regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s. • De regeling tijdelijke maatregelen dierziekten. Bronnen: Informatiepunt leefomgeving en Kennisplatform veehouderij https://iplo.nl/thema/toepassing-regels-praktijk/veehouderijen/gezondheid-veehouderijen/relaties-veehouderij-gezondheid/ www.kennisplatformveehouderij.nl 3.5 Een sterk toeristisch-recreatief profiel voor rust- en plezierzoekers Intro en Ambitie/doel In de toekomst willen we als gemeente goed zijn ingericht voor recreatie en toerisme. Dat geldt zowel voor bezoekers van buitenaf als voor onze eigen inwoners. We richten ons vooral op gezinnen en groepen die een dagje uit willen of een paar dagen willen blijven. In Horst aan de Maas vinden zij een combinatie van rust, natuur én plezier. We willen dat mensen kunnen genieten van de mooie, rustige omgeving, maar ook dat er genoeg leuke dingen te doen zijn. Daarom maken we duidelijke keuzes. Zo kunnen we het toerisme laten groeien, zonder dat het ten koste gaat van de natuur of het landschap.Alleen door goed te plannen, houden we de kwaliteit van het landschap hoog én versterken we onze vrijetijdseconomie. We willen meer bezoekers ontvangen, maar wel op een manier die onze wegen, natuur en dorpen aankan. Om ruimte te bieden aan recreatie én tegelijk de natuur te beschermen, kiezen we voor twee sporen: We bundelen intensief toerisme en vermaak rond De Peelbergen. We zorgen voor spreiding van kleinschalige initiatieven van recreatie in de rest van de gemeente. Daarnaast willen we de wandel-, fiets- en ruiterroutes buiten de natuurgebieden verder verbeteren. Zo kunnen bezoekers de hele gemeente ontdekken, zonder dat kwetsbare gebieden te veel worden belast. We zetten in op verhalen en thema’s die passen bij de omgeving. Langs deze lijnen kunnen recreatieve parels ontstaan: kleine initiatieven met een bijzondere beleving. Ambitie/doel In 2040 is Horst aan de Maas een toeristische topgemeente voor mensen die rust zoeken én mensen die iets willen beleven. Het plezier en vermaak is gebundeld in het gebied rond De Peelbergen. In het buitengebied kunnen mensen kleinschalig genieten van rust, zonder de natuur te verstoren. Het Maasgebied is een bijzondere trekpleister dankzij een netwerk van kleine recreatieve plekken. Wat willen we bereiken? Bundeling: versterking van het toeristisch cluster De Peelbergen. Spreiding: kleinschalige recreatieparels in het buitengebied, verbonden via een sterk routenetwerk. Erfgoed & cultuurhistorie: beter zichtbaar en beleefbaar maken. Ruimte voor recreatie in natuurgebieden: zorgvuldig afgebakend en beschermd. Gezonde en veilige omgeving: voor iedereen die recreëert. Bijzondere plekken 3.5.1 Bundeling: versterken toeristisch cluster De Peelbergen De belangrijkste toeristische en recreatieve trekpleisters van onze gemeente liggen in en rond De Peelbergen en rond de Middenpeelweg.. Dit is het gebied waar verblijfsrecreatie en dagrecreatie samenkomen. We willen deze plek in de toekomst verder verbeteren. Daarbij kijken we vooral naar kwaliteit, veiligheid en bereikbaarheid. Als het aantal bezoekers toeneemt, moet het gebied goed bereikbaar en veilig blijven. Dat is belangrijk voor bezoekers, maar ook voor hulpdiensten als er iets gebeurt. We gaan samen met de provincie het verkeer monitoren in het gebied en op basis daarvan afspraken maken over de mogelijk te nemen maatregelen. Het is goed mogelijk dat daar ook aanpassingen in de infrastructuur bij horen. Om de verkeersdruk te verlagen, zetten we in op betere bereikbaarheid met het openbaar vervoer en de fiets. Denk bijvoorbeeld aan verbindingen met recreatieparken en omliggende dorpen. Dit sluit aan op het Mobiliteitsprogramma 2025-2035. Bij de verdere ontwikkeling van het recreatiegebied letten we niet alleen op economische kansen. We kijken ook naar de maatschappelijke waarde. We willen dat toeristische bedrijven meer gaan samenwerken met lokale ondernemers en maatschappelijke organisaties. Zo zorgen we voor meer verbinding met de lokale economie, de energietransitie, natuurbeheer en het landschap. Buiten De Peelbergen staan we geen grootschalige ontwikkeling van recreatie of ‘leisure’ toe. Daar kiezen we bewust voor, om de balans tussen rust en recreatie in onze gemeente te behouden. Welke recreatiefuncties passen verspreid in het buitengebied in Horst aan de Maas? In het buitengebied zoeken we vooral functies die passen bij de doelgroep ‘harmoniezoekers’; mensen die komen voor de rust, voor (sportief) bewegen en voor genieten van de natuur en het landschap. Denk hierbij bijvoorbeeld aan B&B’s, kleinschalige hotels, een educatie-centrum, kampeerboerderij, theetuin of pluktuin. Ook horeca kan bijdragen aan natuur-gerichte recreatie in het buitengebied. 3.5.2 Spreiding: kleinschalige recreatie in het buitengebied We willen toerisme en recreatie niet alleen rond De Peelbergen ontwikkelen, maar juist ook op andere plekken in de gemeente. Zo zorgen we voor spreiding én meer kansen voor inwoners en ondernemers. Het Is een manier om nieuwe economische kansen te benutten die ook goed zijn voor onze eigen inwoners. Denk bijvoorbeeld aan meer mogelijkheden om buiten te sporten, te wandelen of te fietsen in de eigen omgeving.Daarom verbeteren we de fietsroutes zowel in natuurgebieden als daarbuiten. Langs die routes willen we plekken ontwikkelen met een bezoekfunctie, zoals rustpunten of bezienswaardigheden. Om die aantrekkelijk te maken, zijn kleinschalige horecavoorzieningen belangrijk. Denk aan locaties waar mensen na het wandelen of fietsen iets kunnen eten of drinken, of waar verschillende activiteiten samenkomen. Routestructuren zijn ook geschikt voor kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie. Denk aan een B&B, theetuin, landwinkel of kleine camping. We zien vooral veel kansen rond de Maasdorpen. Daar kunnen recreatieve plekken samen een soort ‘kralensnoer’ vormen, die het landschap én de dorpen aantrekkelijker maken. 3.5.3 Beleefbaar en toegankelijk maken van erfgoed en cultuurhistorie Erfgoed heeft een belangrijke rol in de identiteit en beleving van onze gemeente. Dit geldt voor de historische kenmerken van het landschap, voor de gebouwde ensembles in het buitengebied en voor de historische kernen. Het erfgoed biedt kansen voor toeristisch-recreatieve activiteiten en functies. Als we zulke nieuwe functies mogelijk maken, kunnen we tegelijkertijd investeren in het behoud van ons erfgoed. Daarbij letten we niet alleen op het gebouw zelf, maar ook op de omgeving waarin het staat. Het geheel – het ‘ensemble’ – is minstens zo belangrijk als het monument zelf. 3.5.4 Afgebakende ruimte voor recreatie in natuurgebieden Natuur is belangrijk voor onze gezondheid en voor de aantrekkingskracht van onze gemeente. We willen dat inwoners en bezoekers de natuur kunnen beleven, maar zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit ervan. Om dat in balans te houden, delen we natuurgebieden op in verschillende zones. In een gebruikszone komt ruimte voor wandelen, fietsen en andere vormen van recreatie. In een extensieve zone blijft het rustig en komt natuur op de eerste plaats. Zo beschermen we kwetsbare natuur en houden we toch ruimte voor beleving. Ook buiten de natuurgebieden – in de buffer eromheen – willen we rust en beleving centraal stellen. Dat doen we samen met de natuurorganisaties die deze gebieden beheren. In een bredere zone daarbuiten combineren we natuurontwikkeling met betere routestructuren en passende toeristisch-recreatieve functies. De opkomst van historisch toerisme en cultuurtoerisme Steeds meer mensen zijn op zoek naar plekken met een verhaal. Ze willen iets leren over de geschiedenis of gebruiken van een gebied. Dit noemen we historisch toerisme of cultuurtoerisme. Zeker als je dat kunt combineren met een mooie wandeling of fietstocht, is het voor veel mensen aantrekkelijk. Horst aan de Maas heeft veel historische en culturele kenmerken die dit soort bezoekers aanspreken. Denk aan sporen uit het verleden, tradities of het landschap dat verhalen vertelt. We willen die verhalen beter zichtbaar en beleefbaar maken. Voorbeelden van zulke verhaallijnen zijn: • De ontginning van het veen, bijvoorbeeld in de Mariapeel en rond Griendtsveen. • Leven met de rivier: met watermolens, landhuizen, rivierduinen en oude Maasmeanders. • De ontwikkeling van de agrarische sector door de jaren heen. We blijven ook meedoen aan het Geopark Peelhorst en Maasvallei. Daarnaast werken we aan het Nationaal Park De Peel. We zoeken daarbij actief naar verbindingen met andere regionale plannen, zoals de Gebiedsgerichte Aanpak Gedeelde Peel. 3.6 Identiteit door herkenbare landschappen en erfgoed Intro en ambitie/doel In dit hoofdstuk vertellen we meer over hoe we onze kernkwaliteiten (zie 9 Bijlage: Kernkwaliteiten) beschermen en verbeteren. Ambitie/doel In 2040 zijn het landschap en het erfgoed belangrijk voor de kwaliteit van onze leefomgeving en de identiteit van Horst aan de Maas. Archeologie, gebouwen en ons cultuurlandschap zijn goed zichtbaar en beleefbaar. Zo leren inwoners en bezoekers meer over onze geschiedenis en kunnen ze er trots op zijn. Ons erfgoed is dan goed bewaard gebleven. Dat is deels gelukt door bescherming, maar ook doordat we bij nieuwe plannen rekening hielden met erfgoed. We hebben steeds goed gekeken naar de omgeving waarin het erfgoed ligt. Dat deden we op basis van kennis en altijd met maatwerk. Ook werken we als gemeente samen met de samenleving, bijvoorbeeld met agrariërs, om herkenbare en mooie landschappen te behouden. Deze landschappen passen bij onze bodem en het watersysteem. Deze doelen werken we verder uit in het programma Landschap en Erfgoed. Dat programma begint met een volledig overzicht van het erfgoed in onze gemeente. Op basis daarvan kiezen we maatregelen om goed met dit erfgoed om te gaan. We leggen ook verbanden met andere thema’s uit de omgevingsvisie, zoals: Een duurzame en waardevolle economie. Groei van de centra en ruimte voor nieuwe woonwijken en appartementen. Toekomstbestendige landbouw. Toerisme en recreatie,infrastructuur zoals wegen en fietspaden. Wat willen we bereiken? Herkenbare en aantrekkelijke landschappen. De eigenheid en kwaliteit van dorpen en linten behouden of versterken. Erfgoed beleefbaar en toegankelijk maken voor iedereen. Behoud van cultuurhistorische gebouwen, gebieden en landschappen. Maatwerk op basis van kennis. 3.6.1 Zorgen voor herkenbare, aantrekkelijke landschappen Horst aan de Maas heeft bijzondere en herkenbare landschappen. Denk aan het Peellandschap, het Maaslandschap en het zandlandschap met de beken. Elk landschap heeft zijn eigen geschiedenis en uitstraling. We zorgen ervoor dat de natuur en het landschap passen bij de bodem en het watersysteem van dat gebied. Zo blijft het landschap niet alleen mooi, maar wordt het ook sterker voor de toekomst, bijvoorbeeld bij droogte of hevige regen. We willen dat onze landschappen herkenbaar en aantrekkelijk blijven. Daarom werken we nauw samen met inwoners, agrariërs en andere partners. We volgen hierbij een aantal belangrijke uitgangspunten: Het bodem- en watersysteem zijn mede sturend (zie 3.7.1). De juiste functie op de juiste plek (zie 3.4.2 en 3.2.4). We kijken steeds naar verschillende lagen in het landschap. We zorgen voor natuur- en landschapselementen die passen bij het gebied. We maken het landschap samen met de mensen die er wonen en werken. 3.6.2 Eigenheid en kwaliteit dorpen en linten De uitstraling van onze dorpen en linten wordt mede bepaald door historische gebouwen en andere waardevolle elementen. Deze geven de dorpen hun eigen karakter. We willen deze bijzondere plekken behouden en er inspiratie uit halen voor nieuwe ontwikkelingen. Zo zorgen we ervoor dat de dorpen hun eigen identiteit houden én versterken waar dat kan. Voor de lintbebouwing is de relatie met het landschap belangrijk. We zorgen er daarom voor dat er zicht blijft op het omliggende landschap vanaf de wegen en tussen de gebouwen. Deze open plekken (doorzichten) zijn waardevol en blijven we beschermen. 3.6.3 Erfgoed voor iedereen beleefbaar en toegankelijk We willen dat inwoners, toeristen en recreanten meer waardering krijgen voor het erfgoed van Horst aan de Maas. We hopen dat ze trots worden op de geschiedenis van onze gemeente. Daarom maken we erfgoed toegankelijk en beleefbaar voor iedereen. We doen dat op manieren die passen bij verschillende doelgroepen. Bijvoorbeeld met een leerzaam en leuk schoolpakket voor kinderen, speciale wandel- of fietsroutes met verhalen of een “hap-en-traproute” voor senioren. Zo brengen we onze geschiedenis tot leven. We zien veel kansen om historische verhalen te vertellen. Denk aan verhalen over het turfsteken in de Peel, de ontwikkeling van de landbouw, oude kastelen, streekproducten, de geschiedenis van onze beken, en de vele vertakkingen van de Maas. We steunen ideeën en initiatieven die helpen deze verhalen zichtbaar en beleefbaar te maken. 3.6.4 Cultuurhistorische ensembles en landschappen We zien erfgoed als een belangrijk onderdeel van een levend en functionerend landschap. Daarom kijken we goed naar de plek waar het erfgoed staat. Bij nieuwe plannen letten we niet alleen op het gebouw of het object zelf, maar ook op de omgeving waarin het staat. We kijken naar de samenhang tussen het gebouw en het landschap eromheen. Een voorbeeld hiervan zijn de Kasteelse Bossen. Daar gaat het niet alleen om de ruïne van het oude kasteel, maar ook om de kasteelboerderij en het bos dat erbij hoort. Alles samen vertelt het verhaal van die plek. 3.6.5 Goed maatwerk op basis van kennis Erfgoed kun je op verschillende manieren behouden. Soms is het nodig om het te beschermen zoals het is. In andere gevallen is het juist goed om een nieuwe functie toe te staan. Zo blijft het erfgoed behouden door ontwikkeling. Goede beslissingen kunnen we alleen nemen als we genoeg kennis hebben. Daarom zorgen we voor goede informatie over de bekende en verwachte archeologische waarden, de kwaliteiten van gebouwen of gebieden, en de geschiedenis van de plek. Deze kennis gebruiken we om maatwerk te leveren bij plannen en ontwerpen. 3.7 Horst aan de Maas is natuurlijk, groen en duurzaam Ambitie/doel In 2040 heeft Horst aan de Maas mooie, afwisselende natuur. De natuurgebieden zijn met elkaar verbonden en bieden plek aan planten en dieren die van natte of juist droge leefgebieden houden. Kwetsbare natuur is extra goed beschermd door speciale overgangszones, ook wel natuurbuffers genoemd. De natuur is sterker en de biodiversiteit – het aantal verschillende planten en dieren – is toegenomen. Het bodem- en watersysteem werkt goed. Er is een goede balans tussen het beschermen van de natuur, het gebruiken ervan voor recreatie en zorgen voor veiligheid en gezondheid. De gemeente Horst aan de Maas wil in 2040 zoveel als mogelijk klimaatneutraal, klimaatbestendig en natuurinclusief zijn. We wekken dan zelf duurzame energie op en hebben een slim energiesysteem dat opwekking, gebruik, opslag én omslag met elkaar verbindt. Ook het reizen wordt groener, bijvoorbeeld doordat mensen meer gebruikmaken van het openbaar vervoer en de fiets of gaan wandelen. Wat willen we bereiken? Het bodem- en watersysteem zijn mede sturend. We zorgen dat natuurgebieden beter met elkaar verbonden worden. Rond kwetsbare natuurgebieden leggen we natuurbuffers aan om deze gebieden te beschermen. We willen meer planten en dieren in het landelijk gebied. Dat doen we door de groenblauwe structuren te verbeteren en de landbouw meer natuurinclusief te maken. We zorgen voor een goede balans tussen natuur en recreatie. In sommige gebieden komt meer aandacht voor natuur, in andere gebieden meer voor recreatie. We leiden bezoekers via duidelijke punten in goede banen (deze punten heetten eerder toeristische overstapplaatsen). We bouwen aan een duurzaam energiesysteem. Dat systeem zorgt voor het opwekken, gebruiken, opslaan en uitwisselen van energie op een slimme manier. Duurzame Energie 3.7.1 Bodem- en watersysteem zijn mede sturend We kiezen ervoor om bij alle plannen en keuzes in de leefomgeving te kijken naar de bodem en het water. Dit betekent dat we bijvoorbeeld letten op waar het nat is, waar het water naartoe stroomt en hoe goed de grond is. Op die manier gebruiken we het bodemen watersysteem als basis. Niet alles kan overal meer. Eerst kijken we: past deze ontwikkeling bij de eigenschappen van de bodem en het water? Als het antwoord ja is, dan kan het plan verder uitgewerkt worden. Deze manier van werken helpt ons om beter om te gaan met klimaatverandering. Zo kunnen we schade door droogte, hitte of veel regen voorkomen. Ook zorgt het voor een gezondere leefomgeving en betere biodiversiteit. Daarom maken we deze keuzes: De juiste functie op de juiste plek. Voor woningbouw betekent dit bouwen op hogere, droge plekken dicht bij de dorpen. Voor landbouw gebruiken we de vruchtbare gronden voor grondgebonden landbouw (zie 3.4.3). In de lagere gebieden, zoals bij beken en de Maasuiterwaarden en natuurbuffers, is vooral ruimte voor water, natuur en goede bodemkwaliteit. Hier kunnen andere functies (zoals natuurinclusieve landbouw of weilanden voor begrazing) bij komen, als die de natuur of het water niet in de weg zitten. Woonwijken en bedrijventerreinen richten we klimaatbestendig in. Ze moeten goed tegen zware regen en lange periodes van warmte of droogte kunnen. De groene natuurbuffers zijn belangrijke waterbergingsgebieden. We gebruiken zes ontwerpprincipes voor bodem en water (zie kadertekst). Deze helpen om onze omgeving slim en toekomstbestendig in te richten. Bodem en water mede sturend ‘Bodem en water mede sturend’ betekent dat functie en ruimtegebruik aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het bodem- en watersysteem. Dit vermindert de kwetsbaarheid voor klimaatverandering, beschermt (drink) watervoorraden, zorgt voor goede kwaliteit grond-, oppervlakte- en drinkwater, verbetert biodiversiteit en voorkomt bodemdaling (veengebied). Voor de inrichting van onze leefomgeving passen we de zes ontwerpprincipes bodem en water mede sturend toe: Ontwerpprincipe 1 ‘Niet afwentelen’ betekent voor de agrarische sector onder andere dat emissies uit de agrarische sector de draagkracht van het bodem- en watersysteem niet mogen overschrijden. Ontwerpprincipe 2 ‘Sponswerking bodem’ betekent onder andere zo min mogelijk verharding. Open bodems bieden betere omstandigheden voor het bodemleven en daarmee een betere bodemkwaliteit en biodiversiteit. Beekherstel en stuwen in sloten dragen bij aan het vasthouden van water. Hiermee worden benedenstrooms overstromingen voorkomen. Ontwerpprincipe 3 ‘Houd rekening met extremen’ betekent onder andere dat we bij het klimaatadaptief maken van onze dorpen rekening houden met zeer extreme neerslag, zeer extreme hitte en droogte, een onwaarschijnlijke dijkdoorbraak en het buiten de oevers treden van de beken. Ontwerpprincipe 4 ‘Aanpasbare inrichting voor de lange termijn’ betekent onder andere voorbij de plangrens en planhorizon denken. We willen tenslotte goed voorbereid zijn op de effecten van klimaatverandering. Deze effecten spelen vaak al op systeemniveau en op de veel langere termijn. Ontwerpprincipe 5 ‘Benut kansen voor systeemherstel’betekent onder andere dat we het natuurlijke bodem- en watersysteem van De Peel zoveel mogelijk willen herstellen. Grootschalige herinrichting biedt de mogelijkheid om de sponswerking en het zelf herstellend vermogen van De Peel te vergroten. Ontwerpprincipe 6 ‘Bouw en ontwerp natuur inclusief’ Natuur inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. De waterpartners van Waterpanel Noord hebben ‘Bouwstenen voor water en klimaat’ opgesteld. Hierin staan vier bouwstenen en bijbehorende doelen voor de omgevingsvisie. Deze vier bouwstenen zijn: 1. Natuurlijk water: we realiseren een gezond waterecosysteem. 2. Passende bescherming: we bieden onder andere met klimaat adaptieve inrichting en beheer passende bescherming tegen overstromingen, wateroverlast en andere gevolgen van klimaatverandering. 3. Schoon water: we zorgen dat we beschikken over voldoende water van goede kwaliteit dat bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en maatschappelijke doelen, zoals schoon drinkwater en zwemwater. 4. Voldoende water: nu en in de toekomst beschikken we over voldoende en kwalitatief goed oppervlakte- en grondwater 3.7.2 Verbinden van de natuurgebieden Door op een aantal cruciale locaties natuurverbindingen te realiseren tussen bestaande natuurgebieden, ontwikkelen we een aaneengesloten lokaal natuurnetwerk. Hiervoor leggen we op weg naar 2040 nieuwe natuurverbindingen aan en/of verbeteren we de huidige natuurverbinding tussen de verschillende natuurgebieden. De beken en de Maas zijn belangrijke verbindingen tussen de verschillende natuurgebieden. Door natuurrijke beken en beekdalen te ontwikkelen, is het mogelijk om alle natuurgebieden met elkaar te verbinden in Horst aan de Maas. We kiezen er dan ook voor om de beken en beekdalen zoveel mogelijk natuurvriendelijk in te richten. De afgelopen jaren heeft Waterschap Limburg samen met andere partijen al diverse beek(herstel) projecten uitgevoerd. Naast de beken zetten we in op nieuwe natuurverbindingen, onder andere tussen de Mariapeel en de Schadijkse Bossen, de Mariapeel en De Kamiël van de Piël en tussen de Mariapeel en de Kronenberger Heide. Om natuur en landschap te versterken en de toegankelijkheid van het landelijk gebied te vergroten, stimuleren we de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Deze moeten bestaan uit minimaal zo’n 10 hectare nieuw groen en zijn openbaar toegankelijk, herkenbaar en met een samenhangende ruimtelijke uitstraling. Beperkte woningbouw is onder voorwaarden mogelijk en moet altijd ondergeschikt en passend zijn binnen het geheel. Het hoofddoel is het realiseren van nieuw landschap en natuur. Bebouwing (rood) wordt geclusterd, beperkt gehouden en zorgvuldig ingepast. We hanteren een gebiedsgerichte benadering: in kampen, velden en cultuurhistorisch waardevolle jonge ontginningsgebieden staan we geen nieuwe landgoederen toe vanwege het belang van openheid, landbouw en cultuurhistorie. In overige jonge ontginningsgebieden, in De Peelbuffer en aansluitend op bestaande natuurgebieden is maatwerk mogelijk en worden nieuwe landgoederen actief gestimuleerd. 3.7.3 Natuurbuffers rondom kwetsbare natuurgebieden We kiezen ervoor om rondom de zeer kwetsbare natuurgebieden een natuurbuffer aan te houden. Deze buffers beschermen de natuur tegen negatieve invloeden, zoals uitstoot uit de landbouw, verkeer of intensieve recreatie. Richting 2040 willen we dat deze natuurbuffers worden ingericht met natuurinclusieve landbouw. Voor de omvang van deze buffers sluiten we aan bij de bestaande richtlijnen. Rondom kwetsbare natuurgebieden geldt een buffer van 250 meter, zoals al vastgelegd als extensiveringsgebied in het Omgevingsplan van rechtswege. Deze beleidslijn wordt hiermee bestendigd. Extra aandacht voor natuurgebied De Peel is belangrijk. Daarom hanteren we hier een grotere natuurbuffer dan elders. We hanteren 500 meter met de kanttekening dat als er landelijke richtlijnen komen, we deze volgen. Binnen deze zones moeten intensieve veehouderijen uiterlijk in 2040 hun schadelijke uitstoot sterk verminderen of stoppen. Dit kan door over te schakelen naar andere bedrijfsvoering, te verplaatsen of te stoppen. In Horst aan de Maas liggen vier zeer kwetsbare natuurgebieden. Deze maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en zijn soms ook natte natuurparels. De Mariapeel is daarnaast ook een Natura 2000-gebied. Het gaat om de volgende gebieden: Het Schuitwater (inclusief Tienrayse- en Swolgenderheide). Kaldenbroek. Castenrayse Vennen. Mariapeel. Daarnaast zijn ook de Heesbeemden en het Ham kwetsbare natuurgebieden, daarom zijn deze aangewezen als Natuur Netwerk Limburg. Voor nieuwe bedrijven met hoge ammoniak- of stikstofemissies geldt dat zij zich niet in deze buffers mogen vestigen. Bedrijven die niet passen in de natuurbuffer zijn onder andere intensieve veehouderijen (pluimvee, varkens, runderen, geiten), biogasinstallaties met mestverwerking, en opslag of verwerkingslocaties voor mest niet wenselijk. Bestaande intensieve veehouderijen in de buffers moeten hun schadelijke uitstoot sterk beperken of beëindigen. De uitvoering van dit beleid gebeurt via het Uitvoeringsprogramma bij de bestaande Visie Veehouderij en het project Toekomstbestendige Locaties. 3.7.4 Meer biodiversiteit in landelijk gebied We verbeteren de biodiversiteit in het landelijk gebied door een groenblauwe dooradering aan te leggen en door meer natuurinclusieve landbouw te stimuleren. Groenblauwe dooradering In een groot deel van het buitengebied combineren we verschillende functies met het versterken van de biodiversiteit. Ook stimuleren we de aanleg van landschapselementen en natuurinclusief ondernemen bij agrarische bedrijven, recreatie-functies en in de bebouwde omgeving. Meer natuurinclusieve agrarische sector Een natuurinclusieve agrarische sector is een vorm van landbouw die voedsel en gewassen produceert op een manier die in balans is met de natuur. Hierbij worden natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem, water en biodiversiteit, actief gebruikt én beschermd. Ook is er aandacht voor het landschap en de omgeving van het bedrijf. Deze vorm van landbouw moet economisch haalbaar zijn voor de ondernemer. Hoe een ondernemer natuurinclusief werkt, hangt af van het type bedrijf, de omgeving, de productieomstandigheden én de persoonlijke motivatie. Natuurinclusieve landbouw is daarom altijd maatwerk. De agrariër is dan niet alleen producent van voedsel, maar ook beheerder van natuur en landschap. Zo kunnen agrariërs bijdragen aan de doelen van deze omgevingsvisie. In agrarische gebieden ligt nu vooral de nadruk op economie en productie. Richting 2040 verbetert de biodiversiteit doordat steeds meer agrariërs natuurinclusiever gaan werken. Zij combineren landbouw met zorg voor biodiversiteit en profiteren van de voordelen van een gezond ecosysteem, zoals waterberging, schonere lucht en ruimte voor recreatie. Andere agrariërs richten zich op niet-grondgebonden, hoogproductieve landbouw met moderne technieken en intensivering van teelten. Deze bedrijven krijgen ruimte op aangewezen plekken, zoals delen van Greenport en het gebied Witveld. Door deze vorm van landbouw te concentreren ontstaat ruimte voor andere functies, zoals grondgebonden natuurinclusieve landbouw. 3.7.5 Balans tussen natuur en recreatie We zorgen voor een goede balans tussen natuur en recreatie. Dit doen we door per gebied te bepalen of de nadruk ligt op natuur of op recreatie. Ook sturen we bezoekersstromen via zogeheten Eikpunten en routestructuren. Gebiedsgerichte accenten op natuur en/of recreatie In elk gebied bekijken we wat de juiste verhouding is tussen natuur en recreatie: Toeristisch gebied De Peelbergen: hier ligt de nadruk op toerisme Tegelijk investeren we in natuur en landschap en houden we rekening met de omgeving. Rivierenlandschap: buitendijks is de natuur en veiligheid bij hoogwater het belangrijkst. Dit wordt uitgewerkt in de gebiedsontwikkeling Vierwaarden. Hier is alleen rustige recreatie mogelijk. Binnendijks is er meer ruimte voor recreatie, met kleine initiatieven die goed passen bij het landschap en de natuur. Economisch groeigebied: in dit gebied is natuur en recreatie ondergeschikt aan economische functies. Natuur krijgt een plek in dit gebied in de vorm van een groene buffer Greenport volgens het Landschapsplan zoals vastgelegd in de Intergemeentelijke Structuurvisie Klavertje 4 (zie bijlage Hoofdstuk 9). De Peel en De Peelbuffer: in De Peel staat natuur op de eerste plaats. Rustige recreatie is alleen toegestaan als het geen schade veroorzaakt aan de natuur. In De Peelbuffer ligt de nadruk op natuurherstel, vooral van het bodem- en watersysteem. Hier is ook ruimte voor nieuwevormen van (natte) recreatie, als deze bijdragen aan verdienmodellen. Zandgebied: hier zijn natuur en recreatie even belangrijk Sturen op recreantenstroom via Eikpunten De natuur beleven is belangrijk voor de gezondheid van mensen. Tegelijk moeten we kwetsbare natuur beschermen. Daarom richten we gebieden verschillend in voor recreatie.In sommige delen van natuurgebieden zorgen we voor goede voorzieningen, zoals duidelijke routes en Eikpunten. Andere gebieden maken we juist minder toegankelijk om de natuur te beschermen.Eikpunten zijn startplaatsen voor wandel-, fiets- of ruiterroutes. Hier kun je vaak parkeren en is er horeca aanwezig.Richting 2040 komen er extra Eikpunten bij. Zo zorgen we ervoor dat meer mensen van de natuur kunnen genieten, op plekken waar de natuur dat aankan. Gebiedskaart 3.7.6 Duurzaam energiesysteem met opwek, gebruik, opslag en omslag gecombineerd Het doel is dat Horst aan de Maas in 2040 klimaatneutraal, klimaatbestendig, circulair en natuurinclusief is. Om dit te bereiken, stellen wij een uitgangspuntennotitie op om daarmee te komen tot een energieprogramma. Hierin kijken we naar het hele energiesysteem: van opwek, opslag en omslag tot transport en gebruik. In 2040 willen we 50% minder energie verbruiken dan in referentiejaar 2017 en we willen 60% van de totale energie opwekken als duurzame elektriciteit. We onderzoeken hiervoor onder andere de mogelijkheid voor een groot zonneveld in De Peelbuffer. Daarnaast kiezen we voor energiesystemen waarbij duurzame opwekking, gebruik, opslag en omschakeling met elkaar verbonden zijn. Daarbij kijken we onder andere naar uitwisselingsmogelijkheden voor zowel elektriciteit als warmte. Greenport en omgeving zijn vanwege de sterke economische activiteit en de nabijheid van energie-infrastructuur een logische plek om hiermee te starten. Dit betekent dat de energiebehoefte van bedrijven medebepalend wordt voor de vestiging van nieuwe bedrijven. We stimuleren innovaties op het gebied van slimme energiecombinaties, nieuwe energievormen en decentrale energiesystemen (kleinere systemen dicht bij gebruikers). Ook willen we dat de glastuinbouwsector in 2040 klimaatneutraal is, op een economisch rendabele manier. Geothermie (aardwarmte) is hierbij een kansrijke bron van duurzame energie. Maar óók andere mogelijkheden zullen worden verkend en/of benut. De huidige Warmtevisie (Transitievisie Warmte) richt zich op de isolatieopgave binnen de gebouwde omgeving. Daarnaast wordt all-electric verwarmen, op basis van technische haalbaarheid en kosten, gezien als de voorkeursoptie voor aardgasvrij wonen. Tegelijkertijd vindt innovatie in hoog tempo plaats, waardoor collectieve warmteoplossingen zoals warmtenetten – bijvoorbeeld op basis van aquathermie – in toenemende mate worden gezien als een mogelijkheid om aardgasvrij te wonen. Acties richting een duurzaam energiesysteem: We kiezen voor energiesystemen waarin duurzame opwek, transport, opslag en omslag, en gebruik samenkomen, vooral bij bedrijventerreinen en tuinbouwgebieden. We stimuleren decentrale energiesystemen voor (clusters van) bedrijven We maken ruimte voor uitbreiding van het energienetwerk en voor innovaties, zoals groengas en het gebruik van waterstof als energiedrager. We onderzoeken de mogelijkheden voor aardwarmte (geothermie) voor de glastuinbouw. We zetten in op het gebruik van de Delta Rhine Corridor (DRC) en de nieuwe boven- en ondergrondse kabels en leidingen die TenneT aanlegt. We willen dat deze ook gebruikt kunnen worden voor lokale energieoplossingen. We passen bij alle keuzes de kernwaarden veiligheid toe, vanwege de risico’s die kunnen ontstaan bij de energietransitie. We houden rekening met het feit dat fysieke ruimte nodig is voor meerdere kleinere en grote elektriciteitsstations voor de verdeling van elektriciteit, en voor kabels in de (drukke)ondergrond.De plaatsing van deze stations is afhankelijk van het aanwezige netwerk en de plaatselijke behoefte. We blijven onderzoeken in hoeverre collectieve warmteoplossingen, zoals warmtenetten, aansluiten bij de warmtetransitie binnen onze gemeente. 3.8 Onze mobiliteit is op orde Ambitie/doel De gemeente heeft een Mobiliteitsprogramma opgesteld waarin doelen zijn geformuleerd. Ambitie/doel In 2040 zijn de belangrijkste economische gebieden goed en veilig bereikbaar. Er zijn minder verkeersslachtoffers, waardoor mensen zich veiliger voelen in het verkeer én het ook daadwerkelijk veiliger is. Iedereen kan voorzieningen zelfstandig of samen met anderen bereiken. Zowel in als buiten de dorpen zoeken we steeds een goede balans tussen bereikbaarheid en leefbaarheid, voor alle vormen van vervoer. Als gemeente werken we aan een fijnmazig en multimodaal vervoerssysteem. Dat betekent: een netwerk van verschillende vervoermogelijkheden, zoals actieve gezonde mobiliteit (lopen en fietsen), openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer (auto’s, agrarisch verkeer en vrachtverkeer) die goed op elkaar aansluiten. In het mobiliteitsprogramma willen we nog extra aandacht aan het verband tussen het netwerk voor actieve gezonde mobiliteit en het openbaar vervoer. Zo houden we alle dorpen en wijken bereikbaar en zorgen we voor goede verbindingen met voorzieningen en bedrijven in de regio en daarbuiten. Wat willen we bereiken? Duurzamere mobiliteit: minder autoverkeer en meer gebruik van fiets, openbaar vervoer en lopen, volgens het STOMP-principe. Zo zorgen we dat iedereen op een toegank

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.