Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Rijswijk 20261.Inleiding 1.1.Bevoegdheid Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen als in woningen of lokalen of op daarbij behorende erven drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze last onder bestuursdwang kan het bevel van de burgemeester inhouden om de woning of het lokaal te sluiten. Sinds 1 januari 2019 komt de burgemeester dezelfde bevoegdheid toe als in een woning of lokaal geen drugs worden aangetroffen (verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig zijn), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals in een drugslaboratorium of hennepkwekerij. Dit zijn zogenoemde voorbereidingshandelingen. De bevoegdheid is te vinden in artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet. Artikel 13b van de Opiumwet is erop gericht de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen en te beheersen en de nadelige effecten van de productie en distributie van, handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden tegen te gaan. Een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd herstelbesluit strekt tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het betreft in dit geval daarom een bestuurlijke sanctie die ertoe strekt overtredingen van de Opiumwet (definitief) te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen1ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3360.. 1.2.Belangenafweging Het gebruik maken van artikel 13b van de Opiumwet is een bevoegdheid. In meerdere uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat in het kader van de uitoefening van deze bevoegdheid een belangenafweging moet worden verricht. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval betrokken worden en dient de burgemeester te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen2ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.. Sindsdien ligt het accent bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet en de rechterlijke toetsing van de op dit artikel genomen besluiten op de belangenafweging en wordt er van de burgemeester maatwerk verlangd. Een belang waaraan in dit verband een zwaarwegend gewicht toekomt, is het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Dit recht komt in beeld indien de bevoegdheid wordt toegepast op woningen. In de parlementaire geschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet wordt in algemene zin opgemerkt dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Alleen in ernstige gevallen mag van dit uitgangspunt worden afgeweken3Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2. Een beleidsregel die geen mogelijkheid biedt om bij een eerste overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te volstaan met een bestuurlijke waarschuwing of andere minder vergaande maatregel dan sluiting, wordt als onredelijk aangemerkt4ABRvS 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:668.. De Afdeling heeft in drie uitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910 haar rechtspraak over woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet uiteengezet. Op 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 heeft de Afdeling een nieuwe “overzichtsuitspraak” gedaan over het sluiten van woningen door de burgemeester na de vondst van drugs. In deze uitspraak geeft de Afdeling de uitgangspunten weer waarvan zij zal uitgaan bij het beoordelen van besluiten van burgemeesters op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In de eerste plaats dient beoordeeld te worden in hoeverre een sluiting geschikt en noodzakelijk is. Als dat zo is, moet worden afgewogen of sluiting ook evenwichtig is. In deze beleidsregel wordt aangesloten bij dit beoordelings- en toetsingskader, dat hierna – bij de bespreking van het juridisch kader – nader zal worden uitgewerkt. Dit toetsingskader is ontwikkeld voor woningen, maar zal op grond van deze beleidsregel ook als kapstok worden gebruikt bij de toepassing van de bevoegdheid in het geval van lokalen. 1.3.Doelstellingen Dit beleid richt zich primair op de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en op het tegengaan van nadelige effecten van de handel in en productie van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, onder meer bezien vanuit de gevolgen op de openbare orde. Hieruit voorkomende nevendoelstellingen (niet limitatief) zijn dat: de kwaliteit van het woon- en leefklimaat verbetert/herstelt; voor de overtreder en/of rechthebbende op het gebruik van het pand kenbaar is welke herstelmaatregel van de overheid verwacht kan worden na een overtreding, hetgeen een preventief effect sorteert, in die zin dat pandeigenaren zich bewust worden van de verantwoordelijkheden die zij hebben met betrekking tot het verhuren van hun panden; de illegale activiteiten rondom drugs en binding met het criminele circuit effectiever worden bestreden. 1.4.Strekking van deze beleidsregel Deze beleidsregel strekt ertoe de bestaande beleidsregel “Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Rijswijk houdende regels omtrent illegale handel in drugs en/of de productie van drugs (Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rijswijk 2020)” te herijken en in overeenstemming te brengen met de actuele stand van het recht, waaronder in het bijzonder op het gebied van de evenredigheidstoets. 2.Beleidskader Deze beleidsregel is van toepassing op de uitoefening door de burgemeester van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid ten aanzien van: drugshandel in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen (bijvoorbeeld winkels) of bijbehorende erven; in woningen of bijbehorende erven. voorbereidingshandelingen in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen (bijvoorbeeld winkels) of bijbehorende erven; in woningen of bijbehorende erven. 3.Juridisch kader 3.1.Bevoegdheid Artikel 13b van de Opiumwet luidt als volgt: De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. Voor deze beleidsregel is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van betekenis. De hierin onder sub a genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs. De genoemde lijst II bevat de verboden softdrugs. Lijst IA bevat een aantal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld. Het gaat om substanties en de preparaten daarvan die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen, dan wel beogen teweeg te brengen, als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne. De verwijzing naar artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet heeft betrekking op middelen die door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn aangewezen bij ministeriële regeling. Dit zijn middelen die de Minister onverwijld onder de werking van de Opiumwet wil brengen: in verband met spoedeisendheid kan niet gewacht worden op een wijziging van (lijst I of II van) de Opiumwet5Kamerstukken II 2000/2001, 27 874, nr. 3, p. 4.. De onder sub b bedoelde situaties doen zich voor als in een pand of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen, oftewel indien sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 of artikel 11a van de Opiumwet. Zowel voor de kwalificatie van drugshandel als die van voorbereidingshandelingen is tevens de “Aanwijzing Opiumwet” van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie van 27 februari 2015 van belang6Inwerking getreden per 1 maart 2015; Stcr. 2015, nr. 5391.. Hierop is deze beleidsregel afgestemd. 3.1.1.Kwalificatie drugshandel In deze beleidsregel wordt onder “drugshandel” verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs dan wel de aanwezigheid van drugs daartoe, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat aangenomen mag worden dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik door een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. De hoeveelheid van de in een woning of lokaal aanwezige drugs kan dan ook indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en dus dat artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet van toepassing is. Om te beoordelen of de hoeveelheid erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria in de “Aanwijzing Opiumwet”, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram, maximaal 5 ml (GHB) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een woning of lokaal die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene het tegendeel aannemelijk te maken. Als het om een geringe overschrijding van de grens van de gebruikershoeveelheid gaat en de betrokkene feiten en omstandigheden noemt die erop duiden dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik gaat, is er in beginsel geen overtreding en dus geen bevoegdheid om handhavend op te treden. Deze situatie doet zich voor als de betrokkene een helder, consistent en overtuigend betoog heeft waarom hier sprake is van eigen gebruik en er geen andere voorwerpen in de woning zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die daarop wijzen. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet, bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang (lees: sluitingsmaatregel) op te leggen7O.a. ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362; ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738.. Het voorgaande geldt ook als een in werking zijnde hennepkwekerij of een in werking zijnd drugslaboratorium wordt aangetroffen. Lachgas Op 28 augustus 2023 is de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet gepubliceerd in de Staatscourant, waarin ten aanzien van lachgas is bepaald dat er bij 1 ampul/1 ballon sprake is van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. In de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit wordt een norm voor legaal thuisgebruik – zoals door hobbykoks – aangehouden van maximaal 10 ampullen/ballonnen9Stb. 2022-461, p. 14.. In deze beleidsregel wordt uitgegaan van de laatstgenoemde “gedoogde” gebruikersgrens. Lijst IA Op 1 juli 2025 is lijst IA aan de Opiumwet toegevoegd. Ten tijde van het opstellen van deze beleidsregel is nog niet duidelijk wanneer er in het geval van lijst IA sprake is van een gebruikers- dan wel handelshoeveelheid. In deze beleidsregel wordt voor wat betreft lijst IA aangesloten bij de gebruikers- en handelshoeveelheden die gelden voor harddrugs. Waar in deze beleidsregel gesproken wordt over harddrugs, wordt tevens een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan verstaan. Wanneer duidelijk is welke gebruikers- en handelshoeveelheden passen bij een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, wordt vanaf dat moment aangesloten bij deze gebruikers- of handelshoeveelheid en niet langer bij de gebruikers- of handelshoeveelheid die geldt voor harddrugs. 3.1.2.Kwalificatie voorbereidingshandeling Van een “voorbereidingshandeling” in de zin van deze beleidsregel is sprake als in een woning of een lokaal, dan wel een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kort gezegd – te produceren, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet. De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet (o.a. paragraaf 3.2.1.) worden betrokken, zoals in geval van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij, waarbij aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid (artikel 1, tweede lid). Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn (ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617). Voorts is voor het bestaan van de bevoegdheid niet vereist dat de betrokkene zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden behoeft te hebben dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs (ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523). De burgemeester is bevoegd indien hij/zij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat voorwerpen aanwezig waren, waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor – kort gezegd – het bereiden van drugs. Of de betrokkene wetenschap had en of deze verwijtbaar heeft gehandeld, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mocht maken. 3.2.Gebruikmaken van de bevoegdheid (evenredigheidstoets) Wanneer de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet bestaat, moet de burgemeester per geval beoordelen of ook van die bevoegdheid gebruik gemaakt dient te worden. Dit is de zogenoemde evenredigheidstoets, waarbij het volgende beoordeeld moet worden: Is het besluit geschikt om het doel te bereiken? is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast; en is de maatregel evenwichtig. Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende? De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. Omgekeerd kan een besluit met minder ingrijpende gevolgen ook onevenredig zijn, bijvoorbeeld omdat de met het besluit te dienen doelen in verhouding minder zwaar wegen. 3.2.1.Geschiktheid Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn/haar besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat het pand moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. 3.2.2.Noodzakelijkheid Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een pand, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een pand. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van het pand over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit het pand worden verhandeld en of het pand feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal, grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van het pand ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van het pand in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van het pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot het pand wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer het pand ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van het pand over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. 3.2.3.Evenwichtigheid Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand geschikt en noodzakelijk is, dient hij/zij zich ervan te vergewissen dat de sluiting ook evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn/haar besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding. 3.3.Last onder bestuursdwang (sluiting), last onder dwangsom of waarschuwing Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Bestuursdwang geschiedt in de praktijk, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in de vorm van een sluitingsmaatregel. Artikel 5:32 van de Awb regelt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan een last onder dwangsom, vanuit het oogpunt van evenredigheid, meer op zijn plaats zijn. Tot slot volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken (Kamerstukken II, 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II, 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2). Op grond van de rechtspraak dient in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikshoeveelheden drugs afgewogen te worden of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing kan worden volstaan (zie ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738). In deze beleidsregel zijn de voornoemde toepassingen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet meegewogen. Het beleid biedt ruimte om maatwerk te leveren en de bevoegdheidstoepassing af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het geval. 4.Onderscheid softdrugs en harddrugs In deze beleidsregel wordt bij de te treffen maatregelen onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Dat geldt zowel bij drugshandel als bij voorbereidingshandelingen. Ook in de eerder genoemde Aanwijzing Opiumwet wordt dit onderscheid gemaakt. Zo wordt onder een gebruikshoeveelheid harddrugs verstaan een hoeveelheid/dosis van maximaal 0,5 gram (of één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet of 5 ml GHB), terwijl onder een gebruikshoeveelheid bij softdrugs verstaan wordt, een hoeveelheid van maximaal 5 gram (of 5 hennepplanten). De ratio van het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs. Ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid. Ook de Afdeling kwalificeert een handelshoeveelheid harddrugs als ernstiger dan een handelshoeveelheid softdrugs8O.a. ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388.. Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel in en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben daarmee een grotere negatieve invloed op en brengen grotere (gevaars)risico’s met zich mee voor het woon- en leefklimaat. Dit laatste moet wel worden genuanceerd omdat ook de handel in en productie van softdrugs zeer crimineel is waarbij geweld, bedreiging en intimidatie niet worden geschuwd (o.a. bij zgn. ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs. Tegen vorenstaande achtergrond worden in deze beleidsregel bij overtredingen van de Opiumwet ter zake harddrugs in het algemeen strengere maatregelen toegepast, dan bij vergelijkbare overtredingen met softdrugs. Is er sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt in deze beleidsregel als uitgangspunt dat de regels worden toegepast die gelden bij harddrugs. Bewust wordt hier gesproken van een uitgangspunt, omdat de concrete omstandigheden van een geval kunnen leiden tot een andere, minder ingrijpende maatregel. 5.Onderscheid woningen en lokalen In deze beleidsregel wordt voor het bepalen van het type maatregel en de sluitingsduur tevens onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen. 5.1.Woningen Bij woningen spelen bijzondere belangen die niet aan de orde zijn bij lokalen. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet op een woning kan, als gezegd, voor bewoners mogelijk ingrijpende gevolgen hebben, die een inmenging kunnen vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat kan zich voordoen als voorzienbaar is dat bewoners na de sluitingsmaatregel niet meer in een woning kunnen terugkeren, vanwege de ontbinding van de huurovereenkomst en/of de plaatsing van hen op een zwarte lijst. Hieraan komt zwaar gewicht toe bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester van zijn/haar aan artikel 13b van de Opiumwet ontleende bevoegdheid gebruik kan maken en zo ja, op welke wijze (met welke maatregel, met welke intensiteit van de maatregel, etc.). 5.1.1.Uitgangspunt: bij eerste overtreding waarschuwen Zoals in de inleiding van deze beleidsregel al is toegelicht, is het wettelijk uitgangspunt dat bij een eerste overtreding van artikel 13b van de Opiumwet nog niet tot sluiting van de woning wordt overgegaan, maar dat de mogelijkheden van een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom of een andere, minder ingrijpende maatregel moeten worden verkend. Van dit uitgangspunt mag echter in ernstige gevallen worden afgeweken. In deze beleidsregel wordt in geval van een eerste constatering van drugshandel of voorbereidingshandelingen als uitgangspunt gehanteerd dat volstaan wordt met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel, zoals een last onder dwangsom. In deze beleidsregel is met het oog op de uitzondering van voornoemd uitgangspunt, nader uitgewerkt wanneer volgens de burgemeester sprake is van een ernstig geval. 5.1.2.Geen onderscheid huur- en koopwoningen In deze beleidsregel wordt voor wat betreft de te treffen maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. Voor alle type woningen geldt daarmee als uitgangspunt in beginsel hetzelfde regime. 5.2.Lokalen Voor al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen geldt het wettelijk uitgangspunt van eerst waarschuwen, althans het treffen van minder ingrijpende maatregelen in beginsel niet. Ook als een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt, geldt het bovenstaande uitgangspunt in beginsel niet. Daarom wordt in deze beleidsregel op niet-bewoonde woningen als uitgangspunt hetzelfde regime toegepast als op lokalen. Omgekeerd kan een lokaal wél als woning worden aangemerkt als daarin feitelijk wordt gewoond, afgeleid uit alle omstandigheden van het geval. In dat geval wordt op het betreffende lokaal het regime toegepast dat geldt voor woningen. De vraag of een pand als woning of lokaal in gebruik is, wordt per geval beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Dat sprake is van een woning wordt in beginsel aangenomen als een pand ten tijde van de constatering van de overtreding kan worden aangemerkt als de plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw of aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook door de daadwerkelijk, feitelijk daaraan gegeven bestemming. Een persoon die incidenteel overnacht in een pand wordt nog niet aangemerkt als bewoner en het betreffende pand is daarmee ook geen woning. Een inschrijving in de Basisregistratie Personen kan een indicatie zijn voor bewoning, maar is niet doorslaggevend. Soms kan er sprake zijn van schijnbewoning, bijvoorbeeld als bewoning wordt gesimuleerd door het plaatsen van wat schaars meubilair of kleding. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk, zodat in deze gevallen niet wordt aangenomen dat sprake is van een woning10O.a. ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447.. 5.3.Samenhangend geheel Het kan voorkomen dat drugshandel of voorbereidingshandelingen of daaraan gerelateerde signalen of voorwerpen tegelijkertijd zowel in een woning als in een lokaal of een ander deel van het bijbehorende erf worden aangetroffen. Kunnen de woning en het lokaal (en het bijbehorende erf) worden aangemerkt als een samenhangend geheel dan kan de burgemeester ter zake het geheel een maatregel treffen. Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Dit laatste kan het geval zijn als in een lokaal een hennepkwekerij wordt aangetroffen en ten behoeve van die kwekerij bij de meter in de woning (illegaal) elektriciteit wordt afgetapt. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt, is dus niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn11Vgl. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.. Is één van de samenhangende onderdelen een woning, dan geldt bij de te treffen maatregel op grond van deze beleidsregel als uitgangspunt dat op het geheel het regime dat geldt voor woningen wordt toegepast. Ook dit komt in het handhavingsarrangement tot uitdrukking. 6.Inhoud beleidsregel 6.1.Maatwerk De bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dat de bevoegdheid als zodanig bestaat, wil daarmee niet zeggen dat deze ook te allen tijde kan worden toegepast. Als uitgangspunt bij de toepassing van deze beleidsregel geldt daarom dat de burgemeester bij elk afzonderlijk besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet maatwerk verricht aan de hand van alle omstandigheden van het geval. 6.2.Afwijkingsbevoegdheid Benadrukt wordt dat de in de beleidsregel geregelde onderwerpen moeten worden gezien als uitgangspunten, waarvan in bijzondere situaties altijd kan worden afgeweken. Als feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan de burgemeester op grond van artikel 4:84 van de Awb gemotiveerd van de uitgangspunten in deze beleidsregel afwijken door strenger of juist soepeler toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Als in een concreet geval van de beleidsregel wordt afgeweken, wordt in het besluit gemotiveerd welke redenen tot de afwijking aanleiding hebben gegeven. 7.Handhavingsarrangement I.Drugshandel Artikel1.Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Harddrugs: een middel als bedoeld in lijst I, behorende bij de Opiumwet. Softdrugs: een middel als bedoeld in lijst II, behorende bij de Opiumwet. Drugshandel: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld in lijst I of II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan. Handelshoeveelheid: meer dan 0,5 gram, 5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel harddrugs, respectievelijk meer dan 5 gram softdrugs (voor lachgas meer dan 10 ampullen/ballonnen) en meer dan vijf hennepplanten. Voorbereidingshandelingen: het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 11a, van de Opiumwet. Betrokkene: de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.