Nadere regels kwaliteitscriteria 3.0 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente LelystadBurgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, gelet op: het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht Lelystad 2024, de artikelen 18.20, derde lid, en 18.23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 156, derde lid, van de Gemeentewet; BESLUITEN vast te stellen de volgende nadere regels en de daarbij behorende bijlage: Nadere regels kwaliteitscriteria 3.0 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Lelystad. Artikel1.Begripsbepalingen Verordening: de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Lelystad 2024; Betrokken wetten: Omgevingswet en Wet milieubeheer, voor zover paragraaf 18.3.3 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Artikel2.Kwaliteitscriteria De kwaliteitscriteria als bedoeld in de verordening zijn de in bijlage I opgenomen Kwaliteitscriteria 3.0 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Artikel3.Slotbepalingen 1.Deze regeling treedt 1 dag na bekendmaking in werking. 2.Met de inwerkingtreding van deze nadere regels worden de op 1 januari 2024 in werking getreden, Nadere regels kwaliteitscriteria 2.3 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Lelystad ingetrokken. 3.Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regels kwaliteitscriteria 3.0 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Lelystad. Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van Lelystad d.d.Het college van de gemeente Lelystad,de secretaris, de burgemeester, Bijlage Kwaliteitscriteria 3.0 Voor uitvoering en handhaving krachtens de Omgevingswet Vastgesteld door BO IBP VTH op 25 september2024 Inwerkingtreding 1 januari 2025 Voorwoord Het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) is een cruciale schakel in de bescherming van onze leefomgeving. Daarbij is het van groot belang dat er een geborgde kwaliteit van uitvoering en handhaving is. Kwaliteit van toezicht en handhaving gaat al terug naar 20051Zie bijlage 2 voor een historisch overzicht. toen hiervoor procescriteria zijn ontwikkeld, nog voor de oprichting van de omgevingsdiensten. Daarna zijn er in 2012 procescriteria voor vergunningverlening en de kwaliteitscriteria voor de kritieke massa aan toegevoegd. Vanwege de komst van de Omgevingswet is er in 2022 en 2023 een update gemaakt van deel B naar versie 2.3 en zijn de competentieprofielen (deel D) toegevoegd. Er is een breed gedragen gevoel dat voldoen aan kwaliteitscriteria belangrijk is en blijft. Daarnaast is ook een uniforme toetsing/validatie van deze criteria van belang. In de toekomst zal hier in overleg inhoud aan worden gegeven. De aanleiding voor de aanpassing van de kwaliteitscriteria is aanbeveling 2 van de commissie Van Aartsen. Dat heeft onder IBP VTH geleid tot de volgende ambitie: het opstellen van landelijke uniforme minimum kwaliteitscriteria voor kritieke massa met de mogelijkheid voor regionale aanscherping. Er is voor de actualisatie gekozen om de huidige indeling te behouden. Voor toekomstige actualisaties is het behouden van één document het uitgangspunt. In dit stadium is er nog geen aanpassing gedaan aan de competenties van deel D. Onder andere omdat daar nog ervaring mee moet worden opgedaan. Suggesties voor aanpassing/uitbreiding worden in een volgende versie opgenomen. Aandacht voor kwaliteit gaat alleen maar werken als duidelijk is wat de criteria precies inhouden en hoe ze in de praktijk moeten worden toegepast. De geactualiseerde kwaliteitscriteria voor de uitvoering en handhaving hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is om taken op het gebied van uitvoering en handhaving op alle taken die met de invoering van de Omgevingswet uit de Wabo zijn overgegaan naar die wet. Het gaat dus om de taken vergunningverlening, toezicht en handhaving (inclusief de in deze versie nieuw opgenomen adviestaak) en gelden voor de verplichte basistaken, de vrijwillige plustaken, de thuistaken van provincies en gemeenten en taken die milieubelastende activiteiten betreffen2De waterschappen en Rijkswaterstaat hebben eigen kwaliteitscriteria. Er wordt onderzocht hoe deze passend kunnen worden gemaakt met de KC3.0.. NB. De actualisatie heeft hierin geen verandering in gebracht. Er is, in samenspraak met het hele werkveld, gepoogd een samenhangende set te maken, gerelateerd aan wetgeving en de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De consultatie heeft 608 inspraakreacties opgeleverd die allemaal zijn beantwoord en zo mogelijk zijn overgenomen. Er is een optimale aansluiting gezocht op de uitvoeringspraktijk van zowel omgevingsdiensten als provincies, gemeenten en rijksinspecties3Door BO IBP VTH is op 25/9/24 ingestemd dat de kwaliteitscriteria voor alle VTH-taken verplichtend zijn, inclusief die van de rijkspartijen. Daarover vindt nog overleg plaats met de betrokken ministeries en de rijksinspecties. Dat kan nog leiden tot een aanvulling van deskundigheidsgebieden, bv die van mest. Die gewijzigde set KC 3.1 wordt dan vastgesteld in het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb).. Er is tegemoet gekomen aan de wens om de eisen niet te gedetailleerd te maken, maar maatwerk toe te laten en daar flexibel in kunnen zijn. Er is aandacht voor de beschrijving van de opleidingen en de relatie met kennis die op peil moet worden gehouden. De werkgroep acht het noodzakelijk dat de kwaliteitscriteria worden doorontwikkeld. Niet zozeer op inhoud, maar wel op de randvoorwaarden en aanpalend instrumentarium. Er is een algemene gedachte vanuit de werkgroep om toe te werken naar een systeem waarin medewerkers voor scholing en bijscholing ‘punten’ moeten hebben. Vanuit de wens voor ‘onderhoud en beheer’ is een dergelijk systeem gewenst. Dit vraagt om doorontwikkeling van de KC in relatie tot het opleidingsveld. Een dergelijke wens kon op de (korte) termijn van de actualisatie niet worden gerealiseerd, maar verdient wel de aandacht. Dat geldt ook voor het digitaliseren van de kwaliteitscriteria, zodat makkelijker een relatie kan worden gelegd tussen de kwaliteitscriteria en de registratie van het eraan voldoen. Daarnaast is er een wensbeeld dat er voor de VTH-opleidingen wordt gewerkt met curricula en een systeem van permanente educatie. De kwaliteitscriteria zijn het vertrekpunt voor de verbetering van de kwaliteit van uitvoering. De kwaliteitscriteria beogen de kwaliteit van de uitvoering te borgen en daarmee de beste resultaten te behalen voor de bescherming van de leefomgeving. Er wordt door de werkgroep van uitgegaan dat de uitvoeringspraktijk met deze set tot en met 2026 vooruit kan en er ervaring mee opgedaan kan worden. Tussentijds zijn wel kleine wijzigingen/updates mogelijk. Het advies van de werkgroep om deze set na de vaststelling op 1 januari 2025 van kracht te laten worden is door het bestuurlijk overleg overgenomen. Organisaties hebben hierdoor een jaar de tijd om aan de nieuwe set te gaan voldoen. Op grond van artikel 5 van de modelverordening moet jaarlijks mededeling over de naleving van de kwaliteitscriteria aan de gemeenteraad en/of Provinciale Staten worden gedaan. In Q1 van 2026 is dat dus voor het eerst het geval over de kwaliteitscriteria 3.0. Om ervoor te zorgen dat het papier ook werkelijkheid wordt, gaan we na vaststelling de implementatiefase in. Daartoe is door de werkgroep een opzet voor implementatie gemaakt, met daarin de uitwerking van de governance, concrete acties en een eerste inschatting van het benodigde budget. Dat dient verder te worden uitgewerkt in een implementatieplan. Leeswijzer De opbouw van de kwaliteitscriteria in delen A t/m D en deel B in 3 delen (Taken, Eisen aan medewerkers en Eisen aan organisatie) is gehandhaafd. Het format van de deskundigheidsgebieden in deel B is iets aangepast voor een logische ordening en er is een link met de competenties gemaakt van deel D. De procescriteria in deel C zijn vereenvoudigd vanwege de link met de handreiking Regionale Beleidscyclus. In deel A is een beschrijving gegeven van de kwaliteitscriteria en zijn spelregels, begrippen en definities opgenomen. Voor de volledigheid is in de bijlage een verwijzing opgenomen van de begrippen uit de Omgevingswet, Omgevingsbesluit, Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving. In deel B zijn de criteria opgenomen voor kritieke massa en de deskundigheidsgebieden. In vergelijking met de vorige set zijn de juridische deskundigheidsgebieden samengevoegd, is Bouwakoestiek onderdeel geworden van Geluid, zijn Groen en ecologie (vergunningverlening en beoordeling initiatieven) samengevoegd, zijn Stedenbouw en inrichting openbare ruimte en Kostenverhaal gebiedsontwikkeling en planeconomie vervallen en is een nieuw deskundigheidgebied Advisering Fysieke leefomgeving opgenomen. In deel C zijn de vereenvoudigde procescriteria opgenomen, is een link gelegd met de handreiking Regionale Beleidscyclus en is de vorm gewijzigd in een checklist. In deel D zijn de huidige competentieprofielen opgenomen. In de consultatie zijn voor enkele deskundigheidsgebieden nieuwe competenties voorgesteld. Deze zijn in dit stadium van de actualisatie nog niet uitgewerkt omdat daar eerst meer ervaring mee moet worden opgedaan. Deel A: Algemeen 1 Inleiding In artikel 21 van de Grondwet staat de zorgplicht van de overheid voor het milieu vermeld. De Omgevingswet is daarvoor een belangrijk instrument4Er is tevens een EU richtlijn bescherming van het milieu door middel van het strafrecht. Deze richtlijn legt lidstaten verplichtingen op zoals voldoende deskundigheid, capaciteit en het leveren van statistische informatie aan Europa over de afhandeling van milieudelicten.. Een van de doelstellingen voor het bundelen van omgevingsrechtregels in de Omgevingswet is om de dienstverlening door overheden te verbeteren. Het realiseren van de verbeter- en maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheden. Het vraagt om een goede en uniforme borging van de uitvoeringskwaliteit. Als overheid zijn we verantwoordelijk voor een goede taakinvulling. Belangrijk hierbij zijn afspraken over wat een goede taakinvulling is. In de Omgevingswet biedt Afdeling 18.3 de grondslag voor de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en handhaving. Er zijn regels over de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken: Artikel 18.20 beschrijft een zorgplicht voor in principe alle VTH-taken van het bevoegd gezag. Het artikel laat open hoe bevoegde gezagen dit invullen. Een optie is om dit via een verordening te doen. Artikel 18.23 gaat over de taken die onder het basistakenpakket vallen. Hiervoor geldt dat het kwaliteitsniveau via een verordening moet vastliggen. Omdat deze taken verplicht zijn ondergebracht bij omgevingsdiensten moeten ook zij afspraken maken over de formulering van de kwaliteitscriteria. Door de bovenstaande artikelen is vastgelegd dat provincies en gemeentes bij verordening wat moeten opnemen over de kwaliteit van de uitvoering van de basistaken. Voor de achterblijvende en plustaken geldt ten minste de zorgplicht. Men kan daarvan gemotiveerd afwijken. De werkgroep vindt het wenselijk om de eisen die gesteld worden aan het bevoegd gezag en de omgevingsdiensten gelijk te trekken5Daarvoor is een wetwijziging noodzakelijk.. Om de kwaliteit van de uitvoering zo uniform mogelijk te regelen hebben het IPO en de VNG gezamenlijk een modelverordening opgesteld. De modelverordening is omgevingsrecht-breed opgesteld en niet alleen voor de basistaken. Een groot deel van de bevoegde gezagen heeft dit model gebruikt voor hun provinciale - of gemeentelijke verordening. Door ongewijzigde vaststelling van de modelverordening besluiten provincies en gemeenten dat ze ook voor de thuistaken aan de kwaliteitscriteria voldoen6De actuele kwaliteitscriteria die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld zijn, bestaat uit de gehele set te weten, deel A spelregels, deel B kritieke massa, de procescriteria (deel C) en de competentieprofielen (deel D). De samenhang zegt iets over de kwaliteit (deskundigheid) van een organisatie die belast is met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten.. De kwaliteitscriteria zijn bedoeld om de uitvoering en handhaving door gemeenten en provincies en Rijksdiensten in het Omgevingsrecht te professionaliseren en de kwaliteit in de organisatie te borgen. De criteria gaan over proces, inhoud en kritieke massa. Het voldoen aan de criteria zorgt ervoor dat het bevoegd gezag in staat is om de gewenste kwaliteit en continuïteit te leveren. De set maakt inzichtelijk welke kwaliteit van de uitvoering en handhaving burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en als opdrachtgevers, mogen verwachten. De kwaliteitscriteria zijn op verschillende niveaus beschreven. Deels hebben ze betrekking op de organisatie en deels op de medewerkers. Voor de organisatie betekent dit dat er een sluitende beleidscyclus moet zijn om de kwaliteit te borgen, er een inhoudelijke ondergrens7Medio 2023 is in het IBP-VTH de notitie Robuuste omgevingsdiensten vastgesteld. Daarin is aangegeven hoeveel medewerkers een omgevingsdienst minimaal nodig heeft om de VTH-taken op een adequaat niveau te kunnen uitvoeren. Daar is dus een duidelijke relatie met de kritieke massa. is en de taken belegd moeten worden bij organisaties die continuïteit in de uitvoering kunnen garanderen. Op medewerkersniveau moeten de taken belegd worden bij medewerkers die voldoende deskundig zijn om deze taken adequaat uit te kunnen voeren. De kwaliteitscriteria zijn als essentiële kpi opgenomen voor de robuustheid van omgevingsdiensten. Hiermee is de kwaliteitsborging gekoppeld aan alle taken (basis- en plustaken) die belegd zijn bij een omgevingsdienst. Zo wordt de kwaliteit van de uitvoering optimaal geborgd en is het streven dat alle taken belegd bij een omgevingsdienst op eenzelfde minimaal kwaliteitsniveau worden uitgevoerd. Omgevingsdiensten worden door opdrachtgevers steeds vaker gevraagd als adviseur in het kader van de Omgevingswet of de landelijke en provinciale opgaven. Advies bij het opstellen van omgevingsplannen is hier een voorbeeld van. De omgevingsdiensten hebben kennis over het gebied, kunnen zorgen voor regionale afstemming en brengen praktijkervaring in. Volgens de commissie Van Aartsen moeten omgevingsdiensten betrokken zijn bij de opstelling van de milieunormen in het Omgevingsplan. Hoewel advisering geen wettelijke taak is, is gelet op het toenemende belang van deze taak ervoor gekozen om hier een nieuw deskundigheidsgebied voor op te nemen. Dat betekent dat als een regio kiest voor het laten uitvoeren van deze adviestaak, de OD aan de kwaliteitscriteria voor dit deskundigheidsgebied moet voldoen. 2 Afbakening en uitgangspunten De criteria hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is om taken op het gebied van uitvoering en handhaving op alle milieubelastende taken (inclusief de hiervoor benodigde taken) tijdig, met de juiste procedurele en inhoudelijke kwaliteit en in continuïteit te kunnen uitvoeren. In lijn met het gedachtegoed vanuit (inter-)nationale standaarden voor kwaliteitsmanagement is gekeken naar de belangrijkste elementen voor het opstellen van de kwaliteitscriteria om de uitvoeringspraktijk naar een steeds hoger niveau te tillen. Deze elementen zijn de kritieke massa, proceskwaliteit en inhoud en prioriteiten. Deze elementen worden in onderstaande toegelicht. Gezien de verschillen in de organisaties en hun werkaanbod (342 gemeenten, 12 provincies, 28 omgevingsdiensten en 3 rijksdiensten) is het vinden van een passende structuur voor alle organisaties niet realistisch. Voor de borging van kwaliteit is daarom gekozen om een aantal uitgangspunten te formuleren: Onafhankelijkheid van werkaanbod De criteria voor kritieke massa hebben geen relatie met de omvang van het werkaanbod. Organisaties die een beperkt aantal taken uitvoeren, dienen te voldoen aan dezelfde criteria als organisaties die veelvuldig deze taken uitvoeren. De criteria voor kritieke massa geven de organisaties een ondergrens van het aantal medewerkers en hun deskundigheid, die nodig is om taken op een bepaald minimum niveau en met zekere continuïteit uit te kunnen voeren. Indien er op onderdelen onvoldoende werkaanbod is voor het benodigde aantal medewerkers en de bijbehorende tijdsbesteding per persoon, verdient het in dat geval aanbeveling om de samenwerking met andere partijen te zoeken8Er zijn situaties denkbaar waarbij de in de criteria genoemde taken niet voorkomen gezien de aard, grootte of omvang van het aantal milieubelastende taken dan wel het gebied. Indien het bevoegd gezag dit gemotiveerd kan aantonen, dan hoeft zij niet te voldoen aan de eisen genoemd in het betreffende deskundigheidsgebied.. Verschil in complexiteit In de deskundigheidstabellen is per deskundigheidsgebied aangegeven of er een onderscheid is te maken tussen eenvoudige en complexe situaties. Aan het uitvoeren van deze taken zijn afhankelijk van de complexiteit verschillende eisen gesteld. De mate van complexiteit bepaalt aan welke delen van de kritieke massa de organisatie moet voldoen. Het bevoegd gezag dan wel de gemandateerde omgevingsdienst bepaalt zelf welke situaties eenvoudig of complex zijn. Een medewerker die voldoet aan de kwaliteitscriteria voor dat deskundigheidsgebied (bij voorkeur op hbo-niveau) beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe situatie. Daarbij gelden wel enkele richtlijnen: Voor bouw wordt de indeling in gevolgklassen aangehouden op grond van de Wkb: gevolgklasse 1: bestaat uit relatief eenvoudige bouwwerken zoals woningen, lage bedrijfsgebouwen en kleine infrastructurele werken. Bij deze gevolgklasse zijn de mogelijke maatschappelijke gevolgen van bouwfouten beperkt; gevolgklasse 2: te denken aan bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen, woongebouwen tot 70 meter hoogte. Deze gevolgklasse bestrijkt op deze manier een breed spectrum aan verschillende typen bouwwerken en gebruik; gevolgklasse 3: gaat het om alle bouwwerken die niet in gevolgklasse 2 vallen. Hieronder kunnen vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalstadions, ziekenhuizen, gebouwen hoger dan 70 meter. Dit betekent dat er sprake is van eenvoudige situaties bij gevolgklasse 1 en van complexe situaties bij gevolgklasse 2 en 3 en/of er sprake is van complexe omgevingsplantaken of BOPA’s. Voor milieu wordt onderscheid gemaakt in de klassen: I informatie en meldingsplichtige bedrijven; II meldings- en vergunningsplichtige activiteiten; III vergunningsplichtige activiteiten en IPPC en Seveso. Dit betekent dat er sprake is van eenvoudige situaties bij klasse I en II meldingsplichtige activiteiten en van complexe situaties bij klasse II vergunningsplichtige activiteiten en III. Uitbesteding in sommige gevallen niet mogelijk Taken dienen binnen de overheid uitgevoerd te worden, indien: De activiteit behoort tot één van de kerntaken van de Omgevingswet; Een mogelijkheid bestaat voor belangenverstrengeling wanneer taken worden uitgevoerd door een marktpartij en de onafhankelijkheid van de uitvoerende medewerker in het geding kan komen. De mogelijkheid tot uitbesteden is op takenniveau binnen de deskundigheidsgebieden aangegeven. Indien de deskundigheid benodigd voor het uitvoeren van de activiteit redelijkerwijs alleen bij gespecialiseerde bureaus te verwachten is, dan bestaat de mogelijkheid deze taken uit te besteden. Hiervoor geldt dat specifieke taken of deskundigheidsgebieden binnen de overheid georganiseerd dienen te zijn. Deskundigheden zijn binnen de overheid georganiseerd als zij belegd zijn bij personen: die zijn aangesteld door het bevoegd gezag; die zijn aangesteld door het bestuur van een gemeenschappelijke regeling waaraan het bevoegd gezag voor de betreffende taken deelneemt9Dat geldt ook voor samenwerking met andere gemeenschappelijke regelingen en samenwerking verschillende OD's.; aangesteld door derden of werkzaam als zelfstandige zonder personeel, in de vorm van detachering (de persoon werkt een vast aantal dagen per week voor een vaste periode bij de overheidsorganisatie). Waarbij de overheidsorganisatie zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de uitgevoerde taken en in staat is deze zelf te beoordelen. Daarvoor is het nodig dat de overheid zelf minimaal één persoon in dienst heeft die beschikt over de betreffende deskundigheden en behoort tot het eerste en tweede punt van bovenstaande opsomming; die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een structureel samenwerkingscontract heeft. Deskundigheden zijn uitbesteed als zij belegd zijn bij personen: die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een ad hoc-contract of convenant heeft gesloten voor het leveren van die deskundigheden; die zijn aangesteld door derden in de vorm van adviesdiensten (ad hoc advies, geen detachering). Bij het uitbesteden van taken aan een derde (commerciële) partij (niet zijnde de OD), is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de kwaliteit. In het contract moet worden opgenomen dat moet worden voldaan aan de kwaliteitscriteria (zie spelregel 6). Er zijn regels voor taken die alleen binnen de overheid uitgevoerd kunnen worden. Dat is per deskundigheidsgebied vermeld. Dat betekent dat door samenwerking met andere overheden ook aan de kwaliteitscriteria kan worden voldaan. Door de toepassing van spelregels is er meer maatwerk mogelijk om te voldoen aan de criteria. Ten opzichte van de vorige set is er sprake van een vereenvoudiging (zie verder toelichting onder 3). 3 Toelichting criteria voor kritieke massa (Deel B) Het fundament van kwaliteit is het afleveren van een zo goed mogelijk product. Hiervoor is vooral vakmanschap nodig. De criteria voor kritieke massa adresseren dit vakmanschap in termen van voldoende opleiding, kennis, werkervaring en competenties en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties en medewerkers die aan deze criteria voldoen moeten in de kern in staat zijn om producten af te leveren met de gewenste kwaliteit. Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in staat zijn om de taken en onderliggende operationele taken op een adequaat kwaliteitsniveau uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan. In dit hoofdstuk worden de criteria van de kritieke massa uiteen gezet, mede aan de hand van enkele spelregels die voor de organisaties gelden. De organisatie heeft voor de uitvoering van VTH-taken disciplines voor Uitvoering, Handhaving en Advies. Binnen deze disciplines werken mensen in een bepaalde functie en voeren zij specifieke taken uit. Voor de borging dient de organisatie over voldoende gekwalificeerde medewerkers te beschikken (kritieke massa). Dat is per deskundigheidsgebied weergeven. In vergelijking met de vorige set zijn de juridische deskundigheidsgebieden samengevoegd, is Bouwakoestiek onderdeel geworden van Geluid, zijn Groen en ecologie (vergunningverlening en beoordeling initiatieven) samengevoegd, zijn Stedenbouw en inrichting openbare ruimte en Kostenverhaal gebiedsontwikkeling en planeconomie vervallen vanwege praktische onuitvoerbaarheid en is een nieuw deskundigheidgebied Advisering Fysieke leefomgeving opgenomen. Afhankelijk van de besluitvorming volgt nog DG toezicht mest (NVWA). Bovenstaande resulteert in de volgende 23 deskundigheidsgebieden: Generieke deskundigheidsgebieden Casemanagen Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening Vergunningverlening milieu (Bal + omgevingsplan) Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening Toezicht en handhaving milieu Toezicht en handhaving bodem Toezicht en handhaving groene wetgeving Juridische deskundigheidsgebieden Behandelen juridische zaken Ketentoezicht Buitengewone opsporing natuur en milieu en fysieke leefomgeving Specialistische deskundigheidsgebieden accent bouwen Bouwfysica Brandveiligheid Constructieve veiligheid Sloop en asbest Specialistische deskundigheidsgebieden accent milieu Afvalwater (indirecte lozingen) Bodem, bouwstoffen, water Omgevingsveiligheid Geluid & trillingen (milieu en bouw) Luchtkwaliteit & geur Natuuractiviteiten Specialistische deskundigheidsgebieden accent ruimtelijke ordening en duurzaamheid Cultuurhistorie Energiebesparing en duurzaamheid Advisering fysieke leefomgeving (nieuw) Om de criteria voor kritieke massa goed te kunnen begrijpen en te interpreteren zijn heldere definities nodig (zie ook bijlage). Er is aangesloten bij de terminologie van de Omgevingswet. Kritieke massa komt tot uitdrukking in deskundigheid en continuïteit. De verschillende elementen zijn in onderstaande schema weergegeven: Deskundigheid Opleiding: de minimale basisopleiding (uitgedrukt mbo, hbo of wo niveau). Aanvullende opleiding(en): benodigde opleiding(en) op het betreffende vakgebied waarmee de kennis en/of vaardigheden zijn te verkrijgen10In afwachting van het ontwikkelen van curricula van opleidingen (inhoud is betere basis voor kwaliteit) wordt voor opleidingen of thema’s indicatief het volgende aangehouden: voor basiscursus 1-5 dagen, voor verdiepingscursus 5-10 dagen (tenzij specifiek en functiegericht en daarmee smaller), voor specialistische opleiding meer dan 10 dagen.Specifieke modules, standaard opleidingen, post Hbo-opleidingen en certificaten worden expliciet genoemd. Indien dit aan de orde is, wordt actualiseringsplicht vermeld. (alleen van toepassing indien de betreffende onderwerpen niet aantoonbaar onderdeel uitmaken van de basisopleiding). Van medewerkers wordt verwacht dat zij de kennis die uit de genoten opleidingen voortkomt, altijd actueel houden. Voor (permanente) bijscholing zijn daartoe (nog) geen criteria opgenomen. Aanvullende kennis (in aanvulling op de opleidingen): de minimaal benodigde basiskennis en diepgaande kennis voor de zelfstandige uitvoering van de taak (inclusief bv. bijhouden vakliteratuur en jurisprudentie). Werkervaring: het minimale aantal jaren relevante werkervaring dat men nodig heeft om de taak zelfstandig uit te kunnen voeren. Competentie: het geheel van aantoonbare kenmerken en vaardigheden die de kwaliteit van het werk mogelijk maken of verbeteren. Continuïteit Frequentie: de minimale aantal vlieguren per jaar waarmee een taak zelfstandig moet worden uitgevoerd om de deskundigheid te behouden. Daarmee wordt een bepaalde routine opgebouwd. Aantal medewerkers: het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid en frequentie waarover de organisatie moet kunnen beschikken om de noodzakelijke deskundigheid te kunnen borgen. Borging: de omgeving waar deze taken uitgevoerd moeten worden (binnen de overheid of uitbesteed) en de mogelijkheden die er zijn om in te huren. Spelregels Door de toepassing van onderstaande spelregels is er meer maatwerk mogelijk om te voldoen aan de criteria. Ten opzichte van de vorige set is er sprake van een vereenvoudiging. Spelregel 1: De taken die zijn benoemd onder één deskundigheid kunnen door verschillende personen binnen de organisatie worden uitgevoerd. Voor de medewerker gelden de criteria die gekoppeld zijn aan die taken die hij uitvoert. De organisatie als geheel moet voldoen aan de criteria voor alle taken. Toelichting: Als er bv. 5 medewerkers zijn die onder een deskundigheidsgebied vallen, dienen er minimaal 2 medewerkers (bij de meeste deskundigheidsgebieden) aan de criteria te voldoen (organisatie-eis). In het kader van de kwaliteitsontwikkeling is het streven dat de andere 3 gaan voldoen. Deze ontwikkeling is de verantwoordelijkheid van de organisatie en de individuele medewerker. Spelregel 2: Het is mogelijk om deskundigheden te combineren, maar de organisatie moet te allen tijde aan de kritieke massa voldoen zoals opgenomen bij dat deskundigheidsgebied. Toelichting: De kwaliteitscriteria beschrijven over hoeveel medewerkers met bepaalde kennis en ervaring een organisatie moet beschikken. Eén medewerker kan echter over meerdere deskundigheden beschikken of anders gezegd sommige deskundigheden kunnen binnen één persoon gecombineerd worden. Voor het voldoen aan de kwaliteitscriteria als organisatie, dient het aantal vlieguren te worden gemaakt binnen het deskundigheidsgebied (de 450 of 900 uur). Het praktisch gebruik maken van inhoudelijke overlap tussen taken maakt meer en verschillende combinaties mogelijk. Rekenvoorbeeld (uitgaande dat deze 4 medewerkers fulltime werken): Medewerker 1: 900 uur dg VV Milieu + 450 uur dg geluid Medewerker 2: 900 uur dg TZ Milieu + 450 uur dg geluid Medewerker 3: 900 uur dg TZ Milieu + 450 uur dg BOA Medewerker 4: 900 uur dg VV Milieu + 450 uur dg Bodem, bouwstoffen en water De organisatie heeft: 2 medewerkers op dg Geluid en voldoet daarmee; 2 medewerkers op dg TZ Milieu en voldoet daarmee; 2 medewerkers op dg VV Milieu en voldoet daarmee. Voor het deskundigheidsgebied BOA moeten nog minimaal 2 medewerkers voor 450 uur werkzaam zijn (er moeten er in totaal minimaal 3 zijn) en voor het deskundigheidsgebied Bodem, bouwstoffen en water moet dan nog minimaal 1 andere medewerker voor 450 uur aanwezig zijn, omdat anders de organisatie niet voldoet. Je kunt echter niet berekenen hoeveel medewerkers een organisatie nodig heeft door het vereiste aantal deskundigheden bij elkaar op te tellen. Spelregel 3: Voor de generalistische deskundigheden geldt een functiescheiding op persoonsniveau tussen uitvoering (vergunningverlening) enerzijds en handhaving (toetsing op naleving) anderzijds. Toelichting: Op afdelingsniveau hoeft er geen scheiding te zijn tussen bouw en milieu. Voor de specialistische functies geldt een scheiding op object- of dossierniveau. Een specialist die een advies heeft uitgebracht in het vergunningverleningsproces voor een dossier kan niet dezelfde zijn die in het toezicht- en handhavingsproces een advies opstelt voor ditzelfde dossier. Bij toezicht en handhaving voor bouwwerken geldt nog een extra eis. De scheiding op dossier- of objectniveau geldt ook tussen de bouwfase en de gebruiksfase voor de toezichthouders. De toezichthouder die tijdens de bouw het toezicht heeft gehouden kan niet dezelfde zijn die in de gebruiksfase het toezicht op ditzelfde object of dossier uitvoert. Spelregel 4: Taken kunnen worden uitgevoerd door medewerkers die (nog) niet voldoen aan de gestelde eisen voor het deskundigheidsgebied, onder voorwaarde dat deze uitvoering onder verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd door een medewerker die wel voldoet aan de gestelde eisen voor dit deskundigheidsgebied. Toelichting: Nieuwe medewerkers zullen niet per definitie direct aan de gestelde eisen voor het deskundigheidsgebied voldoen, door onvoldoende opleiding of werkervaring. Begeleiding door een ervaren medewerker is in dat geval de oplossing. Daarbij is het wel van belang te realiseren dat de nieuwe medewerkers zolang ze nog niet voldoen aan de gestelde eisen, nog niet meetellen in het voldoen aan de kwaliteitscriteria als organisatie. Spelregel 5: Aan de opleidingseisen kan ook voldaan worden door aantoonbaar gelijkwaardige opleiding en/of gelijkwaardig werk- en denkniveau verkregen door ervaring. Dit is de verantwoordelijkheid van de organisatie. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de leidinggevenden. Ook kan ervoor gekozen worden om dit met een EVC (erkende verworven competenties)-traject onafhankelijk te laten valideren. Spelregel 6: Een deel van de taken kan worden uitbesteed, of worden ingehuurd of door samenwerking met andere overheden worden georganiseerd. Het bevoegd gezag blijft in die gevallen altijd (bestuurlijk) verantwoordelijk voor de deskundigheid en continuïteit. Voor de borging dient het bevoegd gezag dit contractueel vast te leggen met de partij waarvan de dienst wordt afgenomen. Toelichting: Bij het uitbesteden van taken aan een derde (commerciële) partij is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de kwaliteit. In het contract moet worden opgenomen dat moet worden voldaan aan de kwaliteitscriteria. Er zijn regels voor taken die alleen binnen de overheid uitgevoerd kunnen worden. Dat is per deskundigheidsgebied vermeld. Dat betekent dat door samenwerking met andere overheden ook aan de kwaliteitscriteria kan worden voldaan. Voor wat betreft het voldoen aan de kwaliteitscriteria, gelden bij uitbesteden, inhuren of samenwerking de volgende eisen: Uitbesteden of samenwerken: de medewerkers van de organisatie waaraan wordt uitbesteed of mee wordt samengewerkt en die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taken, moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria deel B en deel D; Inhuren: ingehuurde medewerkers dienen inzichtelijk te maken in welke mate zij aan de kwaliteitscriteria deel B in relatie tot hun opdracht/rol/taken voldoen. De organisatie dient met inbegrip van de ingehuurde medewerkers te voldoen aan de kwaliteitscriteria deel B. Op grond van artikel 5 van de modelverordening moet jaarlijks mededeling over de naleving van de kwaliteitscriteria aan de gemeenteraad en/of Provinciale Staten worden gedaan. Spelregel alleen voor OD’s Elke OD moet op grond van de robuustheidscriteria (vastgelegd in komende AMvB) voldoen aan de kwaliteitscriteria. Voor een minimaal adequaat uitvoeringsniveau wordt voor de kritieke massa verwezen naar de door het bestuurlijk overleg IBP VTH vastgestelde notitie Robuustheid Omgevingsdiensten en de daarin opgenomen tabel (bijlage 4) met het minimaal aantal fte per taak. Deze tabel is opgesteld voor het omzetcriterium van € 16,5 miljoen (peildatum 2023) en wordt jaarlijks geïndexeerd. 4 Toelichting procescriteria (Deel C) De procescriteria betreffen eisen aan het proces. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn: Evaluatie Beleid Strategie Uitvoeringsprogramma Voorbereiding Uitvoering VTH en advisering Monitoring Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. In de procescriteria wordt op een systematische wijze de samenhang tussen beleid en uitvoering beschreven. De samenhang tussen de beleids- en uitvoeringscyclus noemen we de regionale beleidscyclus (BIG8). Het doorlopen van deze cyclus is uitgebreid beschreven in de handreiking regionale beleidscyclus en hoe dit in de praktijk wordt vormgegeven. Ter illustratie het plaatje zoals opgenomen in de handreiking. Om organisaties behulpzaam te zijn bij de vaststelling of aan de procescriteria wordt voldaan, is een checklist opgenomen in deel C. Voor de totstandkoming van producten zoals vergunningen, controles en handhavingsacties zijn diverse werkprocessen nodig. Transparantie en bestuurlijke vastlegging spelen daarin een belangrijke rol. De procescriteria samen leiden tot een sluitende cyclus en kwaliteitsborging. Op alle kritieke punten van overdracht in het hoofdproces van uitvoering en handhaving dient goed nagedacht te worden over de borging van kwaliteit. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. Door het proces te verbeteren zal de output en outcome zich in positieve zin te ontwikkelen. 5 Toelichting Competenties (Deel D) Processen gaan pas werken als mensen er vorm aan geven. Daarom zijn competentieprofielen opgesteld voor de nieuwe of meest veranderende rollen onder de Omgevingswet. Het gaat om de rollen van casemanager, vergunningverlener, toezichthouder/handhaver, juridisch adviseur en specialistisch adviseur. Lijnmanagers en HR-adviseurs van gemeenten en omgevingsdiensten kunnen de profielen gebruiken als hulpmiddel (bij voorkeur als onderdeel van de strategische personeelsplanning) om hun teams te ontwikkelen. Met als doel om samen steeds beter in de geest van de Omgevingswet te kunnen werken. De systematiek van de competentieprofielen is anders dan van de inhoudelijke kwaliteitscriteria. Competenties zijn moeilijker objectief en kwantitatief meetbaar te maken dan de inhoudelijke kwaliteitscriteria. Ook de ontwikkeling van competenties is complexer dan die van inhoudelijke kennis en vaardigheden. Bovendien zeggen competenties primair iets over de individuele medewerkers en het is niet wenselijk om deze informatie op individueel niveau openbaar te maken. Daarnaast bevinden de organisaties zich in een andere fase van ontwikkeling dan bij hun oprichting en de start van de inhoudelijke kwaliteitscriteria. De organisaties hebben al de nodige stappen gezet om kwaliteit te verbeteren. De krapte op de arbeidsmarkt maakt het moeilijk om goed personeel te vinden en te behouden. Vandaar dat gekozen is voor een groeimodel met een positieve invulling: een lonkend perspectief voor de organisaties en de medewerkers. Aan de hand van een stappenplan wordt dit groeimodel geconcretiseerd. De keuze voor de competentieprofielen en het stappenplan is gebaseerd op een aantal uitgangspunten. Daarna volgen de vijf competentieprofielen en het stappenplan ‘inzicht in competentieprofielen’, om het goede gesprek hierover intern en indien gewenst ook extern te faciliteren. In alle deskundigheidsgebieden zijn de 5 belangrijkste competenties opgenomen. Dit is een selectie uit de 7 beschreven competenties van de 5 rollen onder de Omgevingswet. Er zijn meerdere verzoeken in de consultatie gedaan om deze uit te breiden (bv. communicatief bij Verduurzaming energie en adviesvaardigheid bij Advisering fysieke leefomgeving). Dat is vanwege de benodigde uitwerking niet in deze actualisatie meegenomen. Daarbij wordt geadviseerd om eerst een aantal jaren ervaring op te doen met werken in de geest van de Omgevingswet, zodat na evaluatie de competentieprofielen geactualiseerd kunnen worden. Uitgangspunten Voor de ontwikkeling van de competentieprofielen en het stappenplan van “inzicht in competentieprofielen” zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Competentieprofielen: Het startpunt voor het toevoegen van competenties aan de kwaliteitscriteria is de aanbeveling van Berenschot
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.